Etaamb.openjustice.be
Decreet van 20 december 2001
gepubliceerd op 03 mei 2002

Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (1)

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2002029138
pub.
03/05/2002
prom.
20/12/2001
ELI
eli/decreet/2001/12/20/2002029138/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

20 DECEMBER 2001. - Decreet tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten) (1)


De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : EERSTE DEEL. - ALGEMENE BEPALINGEN TITEL 1. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op de instellingen voor hoger kunstonderwijs bedoeld bij het decreet van 17 mei 1999 betreffende het hoger kunstonderwijs.

TITEL 2. - Definities

Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° Decreet : het decreet van 17 mei 1999 betreffende het hoger kunstonderwijs.2° Hogere kunstschool : instelling voor hoger kunstonderwijs bedoeld in het decreet.3° Inrichtende macht : a) de Franse Gemeenschap;b) een gemeente, een provincie, voor het gesubsidieerd officieel net;c) een privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor het gesubsidieerd vrij net; die de verantwoordelijkheid waarneemt voor het onderwijs verstrekt in één of meer hogere kunstscholen. 4° Gebied : elk van de vijf sectoren van het hoger kunstonderwijs - namelijk de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimte-kunsten;de muziek; de toneelkunst en de woordkunsten; de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie; de danskunst - zoals bepaald bij artikel 1, § 2 van het decreet. 5° Optie : optie bedoeld in de artikelen 10, § 4;14, § 4; 19, § 4 en 22 van het decreet of doelstelling in de zin van artikel 10, § 3 van het decreet. 6° Organieke betrekking : betrekking georganiseerd of gesubsidieerd met inachtneming van de decreet- en verordeningsbepalingen.7° Vacante betrekking : organieke betrekking die niet toegekend is aan een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid of aan een personeelslid dat voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld of aangeworven is.8° Mandaat : betrekking toegekend aan een personeelslid die niet mag leiden tot een tijdelijke aanstelling of aanwerving voor bepaalde tijd, een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd of tot een benoeming of aanwerving in vast verband.9° Betrekkingseenheid : volume van de omkadering van studenten dat overeenstemt met een opdracht met volledige dienstprestaties.10° Hoge Kunstraad : de Hoge Raad voor het Hoger Kunstonderwijs bedoeld in artikel 26 van het decreet.11° Pedagogische Beheersraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14 en 16 tot 22 van dit decreet.12° Optieraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14 en 23 tot 26 van dit decreet.13° Studentenraad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14, 27 tot 31 van dit decreet.14° Sociale Raad : de raad die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 13, 14, 32 tot 34 van dit decreet.15° Wervingscommissie : de commissie die eigen is aan een hogere kunstschool bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet.16° Pedagogisch en artistiek project : het project waarmee een hogere kunstschool zich voorneemt de algemene doelstellingen van artikel 3 van het decreet te bereiken zoals bepaald bij artikel 5 van dit decreet.17° Representatieve studentenorganisatie erkend door de Franse Gemeenschap : de organisatie(s) bedoeld in artikel 78 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen.18° Regelmatig ingeschreven student : de student die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden bedoeld bij de bepalingen van artikel 49 van dit decreet.19° Financierbare student : de student die in aanmerking komt voor de financiering overeenkomstig artikel 51 van dit decreet.20° Academiejaar : de tijd die noodzakelijk is voor de verrichting van een studiejaar, bestaande uit twee semesters, dat op 15 september begint en op 14 september van het volgende jaar eindigt.21° Graden : de graden bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 18, 19, § 4, 22 en 23 van het decreet.22° Onderwijsactiviteiten : de activiteiten zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet.23° Doelstellingen : de doelstellingen zoals bepaald in artikel 3 van het decreet. § 2. Voor de toepassing van dit decreet, worden de termijnen berekend als volgt : 1° De dag die er het beginpunt van uitmaakt, is niet inbegrepen.2° De dag waarop de termijn verstrijkt, wordt in de termijn meegerekend.3° Wanneer de dag waarop de termijn verstrijkt, samenvalt met een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of een feestdag in de Franse Gemeenschap, wordt die naar de eerstvolgende werkdag overgedragen. TWEEDE DEEL. - ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJS TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Samenwerkingsovereenkomsten voor de organisatie van gemeenschappelijke studies

Art. 3.De samenwerkingsovereenkomst die, met toepassing van artikel 6, lid 2, van het decreet, wordt gesloten door verschillende hogere kunstscholen of tussen een hogere kunstschool en één of meer andere onderwijsinstellingen voor de organisatie van gemeenschappelijke studies, bepaalt, naast de respectieve bijdragen van de partners, de instelling die verantwoordelijk is voor de organisatie van de studies, voor de gegroepeerde onderwijsactiviteiten en voor de werving van de personeelsleden die ermee belast zijn. Zij stelt ook de bepalingen vast die zullen moeten worden opgenomen in de bijzondere studieregeling overeenkomstig artikel 39, lid 2, 8°, van dit decreet.

De instelling die verantwoordelijk is voor de organisatie van de studies schrijft de student in. Die wordt als financierbare student alleen in de instelling waarin hij ingeschreven is, meegerekend.

De hogere kunstschool die een samenwerkingsovereenkomst sluit, kan betrekkingseenheden of delen van betrekkingseenheden aan een andere onderwijsinstelling afstaan of ontvangen.

De Regering stelt de procedure voor de goedkeuring van de samenwerkingsovereenkomsten vast. HOOFDSTUK II. - Rationalisatie

Art. 4.§ 1. Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 54 van dit decreet, wanneer het aantal financierbare studenten gedurende twee opeenvolgende academiejaren lager blijft liggen dan 50 % van de referentiebevolking zoals bepaald in artikel 54 van dit decreet, verliest de hogere kunstschool haar autonomie op de eerste dag van het volgende academiejaar.

Haar inrichtende macht kan haar met een andere hogere kunstschool van hetzelfde net of van een ander net samenvoegen.

Als er geen fusie met een andere instelling is, sluit de inrichtende macht de school jaar per jaar. § 2. Als de hogere kunstscholen tussen welke de fusie plaatsvindt, elk het tekort in verband met het aantal financierbare studenten bepaald in § 1, lid 1, vertonen, leidt de samenvoeging tot de oprichting van een nieuwe hogere kunstschool op grond van een op gelijke voet steunende fusie.

Wanneer alleen één hogere kunstschool dat tekort vertoont, leidt de fusie tot de sluiting van die school als autonome instelling. Zij kan een vestiging worden van de hogere kunstschool waarmee ze wordt samengevoegd op grond van een fusie door overneming. § 3. De fusie tussen hogere kunstscholen wordt aan de Regering ter goedkeuring voorgelegd.

De Regering stelt de procedure voor de goedkeuring van de fusie tussen hogere kunstscholen vast.

HOOFDSTK III. - Pedagogisch en artistiek project van de hogere kunstschool Afdeling 1. - Bepaling van het pedagogisch en artistiek project

Art. 5.Het pedagogisch en artistiek project moet alle middelen bepalen die worden aangewend en alle keuzen die worden gedaan om de in artikel 3 van het decreet bedoelde opdrachten van het hoger kunstonderwijs te kunnen vervullen. Het wordt door de Pedagogische Beheersraad van de hogere kunstschool opgemaakt. Afdeling 2. - Goedkeuring en bekendmaking van het pedagogisch en

artistiek project

Art. 6.Uiterlijk 31 december 2001 legt de directeur, na het advies van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool te hebben ingewonnen, aan de inrichtende macht het voorstel van pedagogisch en artistiek project ter goedkeuring voor.

Elke aanvraag om wijziging moet aan de inrichtende macht ter goedkeuring worden voorgelegd door de directeur op voorstel van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. De aanvraag om wijziging moet uiterlijk 31 december worden ingediend om reeds vanaf het begin van het volgende academiejaar te kunnen worden toegepast.

Art. 7.Het pedagogisch en artistiek project is een openbaar document, dat door de directeur of diens vertegenwoordiger aan iedere persoon, op gewone aanvraag, of aan de studenten, uiterlijk bij hun inschrijving, wordt bezorgd. HOOFDSTUK IV. - Bijzondere pedagogische en artistieke projecten Afdeling 1. - Definitie van de bijzondere pedagogische en artistieke

projecten

Art. 8.De bijzondere pedagogische en artistieke projecten zijn schriftelijke documenten die door de kandidaten voor een werving worden opgesteld en die de wijze vaststellen waarop de in artikel 3 van het decreet bedoelde opdrachten van het hoger kunstonderwijs zullen worden vervuld en waarop de bepalingen van het in artikel 5 van dit decreet bedoelde pedagogische en artistiek project zullen worden nageleefd. Afdeling 2. - Het pedagogisch en artistiek project van de directeur of

de adjunct-directeur

Art. 9.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor het mandaat van directeur of adjunct-directeur wordt de gedetailleerde en bijzondere wijze uiteengezet waarop hij zijn opdracht in verband met de leiding van de hogere kunstschool bedoelt.

Dat document wordt aan de hogere kunstschool overgezonden met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling 3. - Het pedagogisch en artistiek project van de (hoog)leraar

Art. 10.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van (hoog)leraar wordt de gedetailleerde en bijzondere wijze uiteengezet waarop hij - voor elke onderwijsactiviteit of elke cursus waarvoor hij zich kandidaat stelt - zijn onderwijsopdracht binnen de hogere kunstschool bedoelt.

Dat document wordt aan de hogere kunstschool overgezonden met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling 4. - Het pedagogisch en artistiek project van de assistent

Art. 11.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van assistent wordt de wijze uiteengezet waarop hij zijn assistentopdracht bedoelt in verband met de te bereiken doelstellingen van de cursus(sen) waarvoor de betrekking van assistent wordt aangeboden.

Dat document wordt toegezonden aan de hogere kunstschool met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. Afdeling 5. - Het pedagogisch en artistiek project van de begeleider

Art. 12.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van begeleider wordt de wijze uiteengezet waarop hij zijn begeleidersopdracht bedoelt in verband met de te bereiken doelstellingen van de cursus(sen) waarvoor de betrekking van begeleider wordt aangeboden.

Dat document wordt toegezonden aan de hogere kunstschool met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet.

TITEL II. - Beheer van de hogere kunstschool HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 13.De hogere kunstschool wordt door een inrichtende macht beheerd en heeft een pedagogische beheersraad, één of meer optieraden, een studentenraad en een sociale raad.

Het beheer van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen wordt door de Regering waargenomen.

De door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen zijn diensten met afzonderlijk beheer in de zin van artikel 140 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Art. 14.De leden van de pedagogische beheersraad, van de optieraad(raden), van de studentenraad en van de sociale raad hebben toegang tot alle inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun mandaat, zonder dat dit afbreuk zou kunnen doen aan de persoonlijke levenssfeer van de personen op wie de gegevens betrekking hebben. Die verschillende inlichtingen moeten toegankelijk zijn binnen de hogere kunstschool.

Elke raad stelt zijn huishoudelijk reglement vast.

Art. 15.Er worden wervingscommissies door de inrichtende macht samengesteld op initiatief van de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool. HOOFDSTUK II. - De pedagogische beheersraad

Art. 16.De pedagogische beheersraad wordt belast met het vaststellen van de nadere regels voor het vervullen van de opdrachten van de hogere kunstschool bedoeld in artikel 3 van het decreet, door zijn pedagogisch en artistiek project alsook de bijzondere regeling van de studie op te stellen.

Hij wordt door de inrichtende macht geraadpleegd over elke pedagogische vraag en over elke vraag in verband met het gebruik van de pedagogische middelen en met de dienstaanwijzing van de personeelsleden.

Hij wordt door de inrichtende macht geraadpleegd over elke in artikel 3 bedoelde samenwerkingsovereenkomst die met een andere instelling gesloten wordt.

De pedagogische beheersraad kan eveneens, op eigen initiatief, aan de inrichtende macht een advies geven over elke vraag in verband met de aangelegenheden bedoeld in dit artikel.

Art. 17.De pedagogische beheersraad is samengesteld uit : 1° de directeur of de adjunct-directeur, wanneer dit ambt toegekend is;2° 5 vertegenwoordigers van de (hoog)leraars en begeleiders die elk georganiseerd gebied vertegenwoordigen;3° 3 vertegenwoordigers van de vakbonden;4° 2 vertegenwoordigers van de assistenten, wanneer dit ambt toegekend is;5° een vertegenwoordiger van de andere categorieën van het personeel dan de categorie van het onderwijzend personeel;6° vijf afgevaardigden van de studenten die elk georganiseerd gebied vertegenwoordigen. De leden bedoeld in 6° hebben een plaatsvervanger. Deze vervangt het werkend lid bij diens afwezigheid, overlijden, ontslag of verlies van de hoedanigheid van student.

Art. 18.De vertegenwoordigers van de (hoog)leraars en begeleiders worden voor een vernieuwbaar mandaat van vier jaar gekozen door de gezamenlijke (hoog)leraars en begeleiders van de hogere kunstschool.

Geen vertegenwoordiger van de (hoog)leraars en begeleiders kan meer dan twee mandaten opeenvolgend bekleden.

De vertegenwoordigers van het assistentenpersoneel worden voor een vernieuwbaar mandaat van één jaar gekozen door de gezamenlijke assistenten van de hogere kunstschool.

De vertegenwoordigers van de andere personeelscategorieën dan de categorie van het onderwijzend personeel wordt voor een vernieuwbaar mandaat van 4 jaar gekozen door de gezamenlijke personeelsleden van de andere personeelscategorieën dan de categorie van het onderwijzend personeel.

De vertegenwoordigers van de studenten worden voor een vernieuwbaar mandaat van één jaar door de studentenraad gekozen.

De vertegenwoordigers van de vakbonden zijn personeelsleden van de hogere kunstschool. Zij worden aangewezen door de vakorganisaties die de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben, vertegenwoordigen.

Art. 19.De pedagogische beheersraad wordt door de directeur van de hogere kunstschool voorgezeten.

Art. 20.Alle leden van de pedagogische beheersraad zijn stemgerechtigd.

Art. 21.De adviezen van de pedagogische beheersraad worden pas geldig uitgebracht wanneer de helft van de leden aanwezig is.

Over elk advies moet worden gestemd; elk advies wordt met redenen omkleed.

Aan de stemming mogen de personeelsleden niet deelnemen die er een persoonlijk en rechtstreeks belang bij hebben of wier bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij de aangelegenheden waarover gestemd wordt.

Art. 22.De adviezen worden met volstrekte meerderheid gegeven; de onthoudingen worden niet meegerekend in het beslissingsquorum. HOOFDSTUK III. - De optieraden

Art. 23.De optieraden doen voorstellen in verband met de optie(s) voor de verwezenlijking van het pedagogisch project van de hogere kunstschool. Die voorstellen worden aan de pedagogische beheersraad voorgelegd.

Art. 24.Een optieraad is samengesteld uit : 1° alle leerkrachten die deelnemen aan de opleiding in verband met een optie;2° vier vertegenwoordigers van de studenten van de optie; Wanneer de school verschillende opties organiseert, kan zij een raad samenstellen die verschillende opties groepeert. Die optieraad bestaat uit alle leerkrachten van dat geheel van opties en twee studenten per optie.

Art. 25.Een optieraad kiest één van zijn leden om er het voorzitterschap van waar te nemen.

Art. 26.Alle leden van een optieraad zijn stemgerechtigd. HOOFDSTUK IV. - De Studentenraad

Art. 27.De opdrachten van de studentenraad zijn de volgende : 1° de studenten van de hogere kunstschool vertegenwoordigen;2° hun belangen behartigen inzake onderwijs, pedagogie en beheer van de instelling;3° het actieve deelnemen van de studenten aanmoedigen en die inleiden in de uitoefening van hun burgerschap binnen hun school en binnen de globale samenleving;4° de informatie mededelen aan de studenten, de inrichtende macht en de directie van de school;5° de vertegenwoordigers van de studenten aanwijzen voor de pedagogische beheersraad, de optieraad, in voorkomend geval, en aan de sociale raad.

Art. 28.De studentenraad bestaat uit de vertegenwoordigers van de studenten die elk jaar door alle studenten van de hogere kunstschool worden gekozen. De raad bestaat uit minstens 7 leden.

Voor zover mogelijk moet elke optie binnen de studentenraad worden vertegenwoordigd.

Art. 29.§ 1. De verkiezingen voor de studentenraad en voor de aanwijzing van de vertegenwoordigers van de studenten in de optieraden worden tussen 1 maart en 30 april per optie georganiseerd. Om geldig te zijn, moet de stemming op ten minste 30 % van de studenten van de hogere kunstschool berusten.

Is het in lid 1 bedoelde quorum niet bereikt, dan wordt een tweede stemmingsronde per optie georganiseerd. Om geldig te zijn, moet die tweede stemmingsronde op ten minste 15 % van de studenten van de hogere kunstschool berusten. In dat geval is er geen vertegenwoordiging op gemeenschapsniveau.

Is het in lid 2 bedoelde quorum niet bereikt, dan worden de batig gerangschikte studenten benoemd tot beheerders van de studentenraad voor een periode van één jaar, zonder vertegenwoordiging in de pedagogische beheersraad. § 2. De studentenraad wijst voor 31 mei naar keuze zijn vertegenwoordigers aan voor de pedagogische beheersraad en voor de sociale raad alsook zijn vertegenwoordigers in de representatieve organisatie van de studenten erkend door de Franse Gemeenschap.

De studentenraad kiest de voorzitter uit zijn leden.

Alle leden van de studentenraad zijn stemgerechtigd.

Art. 30.De inrichtende macht moet de studentenraad eigen infrastructuren en materiële middelen ter beschikking stellen voor de uitoefening van zijn opdrachten. Een deel van de sociale subsidies, dat tien per cent van hun totale bedrag uitmaakt, wordt bestemd voor de werking van de studentenraad. Dat bedrag mag echter niet lager zijn dan 1.000 euro.

Art. 31.De vertegenwoordigers van de studenten in de verschillende organen van elke hogere kunstschool mogen geen sanctie ondergaan voor daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat of wegens de uitoefening ervan. HOOFDSTUK V. - De sociale raad

Art. 32.De sociale raad heeft de volgende opdrachten : 1° de sociale begroting opmaken en die aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorleggen;2° met inachtneming van de sociale begroting, zoals die werd goedgekeurd, sociale kredieten toekennen;3° adviezen geven over elke vraag met betrekking tot materiële en sociale voorwaarden van studenten, op eigen initiatief of op aanvraag van de pedagogische beheersraad of van de inrichtende macht.

Art. 33.De sociale raad bestaat, met een gelijk aantal, uit vertegenwoordigers van de studenten aangewezen door de studentenraad en de vertegenwoordigers van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel. De leerkrachten worden gekozen door de leerkrachten van de hogere kunstschool.

Art. 34.De directeur van de hogere kunstschool is van rechtswege lid van de sociale raad. Hij is er de voorzitter van de verantwoordelijke voor de comptabiliteit van de hogere kunstschool, aangewezen door de inrichtende macht, neemt deel aan de werkzaamheden.

Alle leden van de sociale raad, met uitzondering van de verantwoordelijke voor de comptabiliteit, zijn stemgerechtigd.

TITEL III. - Studiereglement

Art. 35.De studieregeling wordt bepaald door een algemeen studiereglement en een bijzonder studiereglement.

Art. 36.Het algemeen studiereglement wordt door de Regering vastgesteld.

Art. 37.Het bepaalt onder meer : 1° de regels in verband met de vrijstelling van sommige delen van het programma;2° de examenzittijden;3° de voorwaarden om te slagen;4° de wijze waarop de examencommissies worden samengesteld;5° de wijzen waarop de examencommissies werken;6° de wegingscoëfficiënten voor de verschillende evaluatiewijzen;7° de wijzen van indiening, onderzoek en beslechting van de klachten van studenten in verband met onregelmatigheden in het verloop van de examens en de werking van de examencommissies;8° de aanwijzing van de overheid die bevoegd is om te beslissen over de weigering van de inschrijving voor de examens en de examencommissies en de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van beroep;9° de vrijstellingsvoorwaarden voor de studenten die gedurende de studie van hogere kunstschool veranderen, volgens het volgende principe : de student wordt vrijgesteld van het afleggen van de examens waarvoor hij voorheen geslaagd is indien de programma's dezelfde zijn als die van zijn nieuwe hogere kunstschool;10° de vrijstellingsvoorwaarden voor de studenten die hetzelfde studiejaar herbeginnen;11° de voorwaarden en de nadere regels voor de verandering van optie volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 12° de voorwaarden waaronder de studenten van het ene jaar van het hoger kunstonderwijs overgaan naar een ander jaar van het hoger kunstonderwijs van een andere optie en/of van een ander type volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 13° de voorwaarden waaronder de studenten van het ene jaar van het hoger onderwijs overgaan naar een ander jaar van het hoger kunstonderwijs volgens het volgende principe : er wordt een examencommissie met leerkrachten van de gekozen optie samengesteld met het oog op het onderzoek van de vroegere kunstantecedenten van de student.Zij brengt verslag uit aan de pedagogische beheersraad. Na het advies van die raad te hebben ingewonnen, bepaalt de directeur de eventueel bijkomend te leveren kunstinspanningen of de bijkomend af te leggen examens om de verschillen tussen de programma's goed te maken; 14° de voorwaarden waaronder de inrichtende macht van de hogere kunstschool, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen, tot door hem vast te stellen studies van de tweede cyclus studenten kan toelaten die niet de graad van kandidaat hebben maar die het bewijs kunnen leveren van een beroepservaring en die, op het einde van een door de pedagogische beheersraad georganiseerde evaluatieprocedure, het bewijs kunnen leveren van voldoende kennis en bekwaamheid om studies met succes te kunnen volgen. De bepaling van de in vorig lid bedoelde studies moet vooraf door de Regering worden goedgekeurd, volgens de door haar vast te stellen procedure. 15° de voorwaarden waaronder de studenten die houder zijn van een buitenlands diploma of studiegetuigschrift in verband met de hogere kunststudies dat als gelijkwaardig erkend is met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, worden toegelaten tot studies van de tweede cyclus met het oog op het behalen van de graden die deze bekrachtigen.16° de voorwaarden en nadere regels voor de verlenging van de tweede zittijd voor de studenten die in het laatste studiejaar ingeschreven zijn.

Art. 38.§ 1. De student kiest de hogere kunstschool waarin hij zich wenst in te schrijven en legt het toelatingsexamen voor 15 september af.

De uiterste inschrijvingsdatum wordt op 30 september van het lopende academiejaar vastgesteld, onverminderd de uitoefening van de rechten van beroep bedoeld in § 4 van dit artikel.

In afwijking van lid 2, kan de Regering, op een met redenen omklede aanvraag van de pedagogische beheersraad, een student echter uitzonderlijk toelaten zich na 30 september te laten inschrijven, wanneer de omstandigheden dit verantwoorden en op voorwaarde dat de hogere kunstschool het toelatingsexamen in dezelfde voorwaarden organiseert als deze die in artikel 41 van dit decreet bedoeld zijn. § 2. De inrichtende macht kan echter, bij een uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen, de inschrijving van een student afwijzen : 1° wanneer die student, in dezelfde hogere kunstschool, tijdens het vorige academiejaar, definitief werd uitgesloten;2° wanneer die student zijn inschrijving aanvraagt voor een studieprogramma waarvoor geen financiering door de Franse Gemeenschap plaatsvindt;3° wanneer die student niet voldoet aan de voorwaarden bepaald door het studiereglement van de hogere kunstschool. § 3. Van de beslissing tot afwijzing van de inschrijving moet bij aangetekend schrijven aan de student kennis worden gegeven binnen een termijn van 15 dagen met ingang van de dag van ontvangst van de aanvraag om inschrijving. § 4. Bij de kennisgeving van de afwijzing van de inschrijving worden eveneens de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van beroep gevoegd.

Wanneer de afwijzing van de inschrijving uitgaat van een hogere kunstschool die door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd, kan de student, binnen de tien dagen, bij aangetekend schrijven, beroep tegen die beslissing aantekenen bij de Regering, die, binnen dertig dagen, zich moet uitspreken over het beroep door middel van een beslissing die de afwijzing ongeldig kan verklaren.

Wanneer die afwijzing uitgaat van een hogere kunstschool die door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, kan de student, binnen de tien dagen, bij aangetekend schrijven, tegen de beslissing beroep aantekenen bij de inrichtende macht, die binnen dertig dagen, zich moet uitspreken over het beroep door middel van een beslissing die de afwijzing ongeldig kan verklaren.

Art. 39.Het bijzonder studiereglement wordt door de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorgelegd. Het bepaalt nadere regels voor de toepassing van het algemeen studiereglement met inachtneming ervan.

Het bepaalt onder meer : 1° de organisatie van het academiejaar met inachtneming van de door de Regering vastgestelde vakantie- en verlofregeling;2° de tuchtregeling en alle beroepsprocedures met inachtneming van de volgende principes : iedere student is ertoe gehouden het bijzonder studiereglement van de hogere kunstschool waarvoor hij zich laat inschrijven, na te leven.In geval van tekortkoming, kan een tuchtsanctie in verhouding tot de ernst van de feiten door de inrichtende macht van de school worden uitgesproken, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. De tuchtsancties die worden uitgesproken ten aanzien van een student kunnen niet in aanmerking worden genomen bij de evaluatie van zijn bekwaamheid. In alle gevallen moet de student zijn rechten op verdediging kunnen doen gelden; 3° de doelstellingen die in het studieprogramma van elke optie bepaald zijn;4° de beschrijving van elk studieprogramma;5° de bepalingen die inherent zijn aan de pedagogische methodes;6° de nadere regels voor de organisatie en het verloop van de examens en de werking van de examencommissies;7° de nadere regels voor de aanwending van de interdisciplinariteit binnen de school;8° de nadere regels voor de organisatie van onderwijsactiviteiten die onder een samenwerkingsovereenkomst ressorteren. Het vermeldt het bedrag van de door de Regering vast te stellen reglementaire inschrijvingsrechten.

Art. 40.Het algemeen studiereglement en het bijzonder studiereglement zijn openbare documenten, bezorgd door de directeur of diens vertegenwoordiger, aan iedere persoon, op gewone aanvraag, of aan de studenten, uiterlijk bij hun inschrijving..

TITEL IV. - Toelatingsvoorwaarden

Art. 41.Onverminderd de verplichting te slagen voor het toelatingsexamen bedoeld in artikel 25 van het decreet, hebben toegang tot het eerste studiejaar van het hoger onderwijs, met het oog op het behalen van de graad die deze studie bekrachtigt, de studenten die het bewijs leveren : 1° ofwel van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt door een instelling voor secundair onderwijs met volledig leerplan of onderwijs voor sociale promotie voor de studenten die dat getuigschrift na het schooljaar 1992-1993 hebben behaald;2° ofwel van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs voor de studenten die dit voor het jaar 1993-1994 hebben behaald, samen, voor de toegang tot het eerste jaar van het hoger onderwijs van het lange type, met het diploma van bekwaamheid voor toelating tot het hoger onderwijs;3° ofwel van een gehomologeerd getuigschrift van het technisch of artistiek algemeen onderwijs, uitgereikt door een instelling voor secundair onderwijs die georganiseerd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap die tot het uitreiken van dat getuigschrift wordt gemachtigd, en dat toelating verschaft tot het universitair onderwijs in die Gemeenschap;4° ofwel van een diploma van hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, of van een overeenstemmend bekwaamheidsbewijs uitgereikt door het onderwijs voor sociale promotie;5° ofwel van een diploma of studiegetuigschrift dat als gelijkwaardig erkend wordt met deze die in 1° en 3° vermeld zijn met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, van een decreet, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst;6° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de toelatingsexamens georganiseerd door de hogere kunstschool en waarvan de programma's door de Regering na advies van de Hoge Kunstraad worden vastgesteld;dat attest verschaft toelating tot de studies die het aanwijst; 7° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de toelatingsexamens georganiseerd door de universitaire instellingen, overeenkomstig artikel 10, § 1, e) , en § 2 van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden;8° ofwel van een attest waaruit blijkt dat ze geslaagd zijn voor één van de door de hogescholen georganiseerde toelatingsexamens, overeenkomstig artikel 22, § 1, 6°, van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen. TITEL V. - Organisatie van de examens en examencommissies

Art. 42.Om tot de examens en tot de artistieke evaluaties georganiseerd door een hogere kunstschool te worden toegelaten, is iedere student ertoe gehouden de onderwijsactiviteiten van het programma van het studiejaar waarvoor hij ingeschreven is, regelmatig te volgen.

Art. 43.Niemand kan tot meer dan twee examenzittijden gedurende eenzelfde academiejaar worden toegelaten.

Niemand kan tot meer dan één zittijd voor artistieke evaluatie gedurende eenzelfde academiejaar worden toegelaten.

Art. 44.De examens zijn openbaar.

Iedere student mag inzage hebben in de verbeterde tekst van zijn schriftelijk examen.

Iedere student mag, op gewone aanvraag, de uitslagen voor elk examen en elke artistieke evaluatie verkrijgen.

Art. 45.De inrichtende macht van de hogere kunstschool stelt beraadslagingscommissies voor elk studiejaar samen. De beraadslagingscommissies zijn samengesteld uit personeelsleden die verantwoordelijk waren voor de door de student gevolgde onderwijsactiviteiten, uit een voorzitter en een secretaris en, in voorkomend geval, uit externe deskundigen.

Op grond van criteria die door de inrichtende macht na advies van de pedagogische beheersraad vooraf worden bepaald, beraadslagen die commissies gezamenlijk en soeverein over de toelating, het uitstel of de afwijzing van de student en over de toekenning van de meldingen.

Die criteria worden bekendgemaakt door middel van aanplakborden.

Art. 46.De Regering stelt de wijzen vast waarop de examens en de examencommissies worden georganiseerd alsook de normen volgens welke van rechtswege geslaagd wordt.

TITEL VI. - Uitreiking van de diploma's

Art. 47.De graden bedoeld in de artikelen 7, 11, 13, 14, 18, 19, 22 en 23 van het decreet en de diploma's of getuigschriften die deze bekrachtigen, worden uitgereikt ofwel door de beraadslagingscommissies van de hogere kunstscholen, ofwel door de examencommissies voor het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap.

De diploma's uitgereikt door de examencommissies van de hogere kunstscholen worden door de directeur en door de leden van de beraadslagingscommissie ondertekend. Ze worden bovendien door de Regering of diens gemachtigde medeondertekend.

De diploma's uitgereikt door een examencommissie voor het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, worden door de voorzitter en de leden van de commissie ondertekend en door de Regering of diens gemachtigde medeondertekend.

Naar aanleiding van de medeondertekening bedoeld in de leden 2 en 3, kan een recht, waarvan het bedrag door de Regering wordt vastgesteld, worden geheven.

TITEL VII. - Controle van de kwaliteit

Art. 48.Na het advies van de Hoge Kunstraad te hebben ingewonnen, zoals bepaald bij het decreet, stelt de Regering de nadere regels en de procedures vast voor de controle van de kwaliteit van het onderwijs verstrekt in de hogere kunstscholen.

TITEL VIII. - Regelmatig ingeschreven en financierbare studenten

Art. 49.Onverminderd de bepalingen van artikel 3 van dit decreet, is de student die regelmatig in een hogere kunstschool ingeschreven is, de student die voldoet aan de toegangsvoorwaarden bedoeld bij de wets- en verordeningsbepalingen terzake en die ingeschreven is op de wijze voorgeschreven voor het geheel van de voorgeschreven en goedgekeurde onderwijsactiviteiten van een bepaalde afdeling en die deze activiteiten regelmatig volgt om, in voorkomend geval, op het einde van het academiejaar, de rechtsgevolgen te kunnen genieten die verbonden zijn met het slagen voor de examens.

In het kader van een samenwerkingsovereenkomst, komt de regelmatig ingeschreven student bedoeld in lid 1 in aanmerking voor de financiering alleen wanneer die overeenkomst door de Regering wordt goedgekeurd.

Art. 50.Er wordt met een enkele regelmatige inschrijving per student rekening gehouden op de datum van 1 februari van het vorige schooljaar of academiejaar.

Art. 51.Onder de regelmatig ingeschreven studenten, worden voor de financiering niet in aanmerking genomen : 1° de studenten die, na twee keer regelmatig te zijn ingeschreven in hetzelfde studiejaar van eenzelfde afdeling in het hoger kunstonderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;2° de studenten die, na drie keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar in het hoger onderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap, met inbegrip van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;3° de studenten die, na twee keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar van eenzelfde afdeling, of elke andere studieonderafdeling in hetzelfde vak, in een onderwijssysteem dat ressorteert onder het hoger onderwijs in België of in het buitenland, met uitzondering van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;4° de studenten die, na drie keer regelmatig te zijn ingeschreven in eenzelfde studiejaar of elke andere studieonderafdeling, ongeacht het vak, in een Belgisch of buitenlands hoger onderwijssysteem, met inbegrip van het universitair onderwijs, zonder geslaagd te zijn, zich daar laten inschrijven binnen de vijf jaren die volgen op het laatste jaar waarin ze gezakt zijn;5° de studenten die zich laten inschrijven voor studies die toegang verschaffen tot één van de graden bedoeld in de artikelen 7, 13, 18 en 22 van het decreet, terwijl ze binnen de vijf jaar die voorafgaan aan de aanvraag om inschrijving, dit zijn twee van de volgende graden of diploma's : architect, gegradueerde, licentiaat, diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma hoger muziekonderwijs en diploma van laureaat uitgereikt door het IKMP, dit zijn twee academische graden bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4, van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, dit zijn twee graden bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, dit is één van de volgende graden of diploma's : architect, gegradueerde, licentiaat, diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad, diploma van het hoger kunstonderwijs van de derde graad, diploma hoger muziekonderwijs en diploma van laureaat uitgereikt door het IKMP en een academische graad bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4 van het voormelde decreet van 5 september 1994 of een graad bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het voormelde decreet van 5 augustus 1995, dit is een academische graad bedoeld in artikel 6, §§ 2 en 4, van het voormelde decreet van 5 september 1994 en een graad bedoeld in de artikelen 15 en 18, § 2 van het voormelde decreet van 5 augustus 1995. DERDE DEEL. - FINANCIERING VAN HET ONDERWIJS TITEL I. - Omkadering

Art. 52.De omkadering van de studenten wordt in betrekkingseenheden uitgedrukt.

De omkadering wordt, per gebied en per type, berekend op grond van de optelling van een forfaitair deel toegekend voor een eerste schijf van financierbare studenten en van evenredige delen gelijk aan het product van het aantal financierbare studenten voor een tweede of een derde schijf en specifieke coëfficiënten bepaald in artikel 53.

Het aldus bepaalde betrekkingseenheden wordt toegekend aan de hogere kunstschool voor een jaar.

Art. 53.Voor de berekening van de omkadering van de hogere kunstscholen, zijn de omkaderingsnormen, uitgedrukt in betrekkingseenheden, de volgende : Gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten - Lang type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 23 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten vermenigvuldigd met 0,12;3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,9. Gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten - Kort type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 17 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldig met 0,08;3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,06. Gebied van de muziek : 1° Voor de eerste 150 studenten : 26 betrekkingseenheden;2° Van 151 tot 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,17.3° Boven 300 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,15. Gebied van de toneelkunst en de woordkunsten en gebied van de danskunst : 1° Voor de eerste 75 studenten : 12 betrekkingseenheden;2° Van 76 tot 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,12;3° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,10. Gebied van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie - Lang type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 22 betrekkingseenheden;2° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,10. Gebied van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie - Kort type : 1° Voor de eerste 150 studenten : 17 betrekkingseenheden;2° Boven 150 studenten : het aantal studenten, vermenigvuldigd met 0,08. Per gebied, wanneer de uitkomst van de berekening de breuk van een eenheid omvat, wordt zij naar de hogere eenheid afgerond, wanneer zij gelijk is aan of hoger is dan vijf tienden, en naar de lagere eenheid, in de andere gevallen.

Op het gebied van de beeldende kunsten, de visuele kunsten en de ruimtekunsten, stelt de Regering de bijzondere bepalingen vast die van toepassing zijn in het kader van de overgang van het korte type naar het lange type.

Art. 54.§ 1. De omkadering toegekend aan de hogere kunstscholen is de uitkomst van de optelling van twee delen : een historisch deel en een variabel deel. § 2. De waarde van het historisch deel wordt om de 5 jaar vastgesteld.

Ze is gelijk aan het aantal omkaderingseenheden die voor elke instelling werd toegekend gedurende het academiejaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de omkadering wordt berekend. Ze wordt elk jaar gewogen met een degressieve coëfficiënt : 1 voor het eerste jaar, 0.75 voor het tweede jaar; 0.5 voor het derde jaar; 0.25 voor het vierde jaar; 0 voor het vijfde jaar. § 3. De waarde van het variabel deel wordt om de vijf jaar vastgesteld. Ze is gelijk aan het aantal omkaderingseenheden die voortvloeien uit de in artikel 53 bepaalde berekening van de omkadering. Ze wordt elk jaar gewogen met een progressieve coëfficiënt : 0 voor het eerste jaar, 0.25 voor het tweede jaar; 0.5 voor het derde jaar; 0.75 voor het vierde jaar; 1 voor het vijfde jaar. Het variabel deel wordt echter niet gewijzigd zolang het - positieve of negatieve - verschil tussen het gemiddelde bepaald in paragraaf 4 en het gemiddelde berekend voor de laatste toekenning van de omkadering lager is dan 5 %. § 4. Het aantal financierbare studenten die in aanmerking komen voor de berekening van het variabel deel is gelijk aan het gemiddelde van het aantal financierbare studenten van de vijf academiejaren die voorafgaan aan die waarvoor de omkadering wordt berekend. § 5. In afwijking van het tweede lid van de tweede paragraaf, voor de eerste vijf academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, is de waarde van het historisch deel gelijk aan het aantal omkaderingseenheden toegekend voor elke instelling gedurende het jaar 2000-2001.

In afwijking van de vierde paragraaf, voor de eerste vijf academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, is het aantal financierbare studenten van de academiejaren vanaf de toepassingsdatum van dit decreet, gelijk aan het gemiddelde van de financierbare studenten van de academiejaren 1995-1996, 1996-1997, 1997-1998, 1998-1999 en 1999-2000. Dat aantal wordt referentiebevolking genoemd.

In afwijking van de derde paragraaf, indien het gemiddelde aantal financierbare studenten van een gebied gedurende de laatste vijf jaren, in het vijfde toepassingsjaar van dit decreet, met meer dan 10 % afwijkt van het gemiddelde aantal financierbare studenten van datzelfde gebied gedurende de academiejaren 1995-1996 tot 1999-2000, dient de Regering een verslag aan de Raad van de Franse Gemeenschap in samen met een voorstel tot eventuele wijziging van de coëfficiënten bedoeld in artikel 53 voor dat gebied.

TITEL II. - Vaststelling van de personeelsformatie

Art. 55.Bij de vaststelling van de personeelsformatie van de hogere kunstschool, houdt de inrichtende macht van een instelling voor onderwijs van het lange type rekening met de volgende regels in verband met het onderwijzend personeel in dat type : 1° Het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraars en begeleiders zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet lager zijn dan 60 % van het totaal aantal betrekkingen noch hoger zijn dan 80 % van dit aantal;2° Het aantal betrekkingseenheden van assistent zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet lager zijn dan 5 % van het totaal aantal betrekkingen noch hoger zijn dan 40 % van dit aantal;3° Het aantal betrekkingseenheden van lector zoals bepaald in de artikelen 69 en 72 van dit decreet kan niet hoger zijn dan 15 % van het totaal aantal betrekkingen.Het percentage van de betrekkingseenheden van in vast verband benoemde of aangeworven (hoog)leraars en begeleiders mag niet hoger zijn dan 70 % van het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar en begeleider zoals bepaald in lid 1 van dit artikel.

Een benoeming of een aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar of begeleider, een tijdelijke aanstelling of een tijdelijke werving in een ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent, de toekenning van een mandaat van lector zijn alleen dan mogelijk als rekening wordt gehouden met de voormelde aantallen.

Art. 56.Bij de vaststelling van de personeelsformatie van de hogere kunstschool, houdt de inrichtende macht van een instelling voor onderwijs van het korte type rekening met de volgende regels voor het onderwijzend personeel in dat type : 1° Het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar zoals bepaald in de artikelen 75 en 78 van dit decreet kan niet lager zijn dan 85 % van het totaal aantal betrekkingseenheden; 2 ° Het aantal betrekkingseenheden van lector zoals bepaald in de artikelen 75 en 78 van dit decreet kan niet hoger zijn dan 15 % van het totaal aantal betrekkingseenheden. Het percentage van de betrekkingseenheden van in vast verband benoemde of aangeworven (hoog)leraars mag niet hoger zijn dan 70 % van het aantal betrekkingseenheden van (hoog)leraar zoals bepaald in lid 1 van dit artikel.

Een benoeming of een aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar, de toekenning van een mandaat van lector zijn alleen dan mogelijk als rekening wordt gehouden met de voormelde aantallen.

Art. 57.Elke hogere kunstschool staat onder leiding van een directeur, voor wie er een bijkomende betrekkingseenheid wordt toegekend. Een hogere kunstschool die ten minste 500 financierbare studenten telt, krijgt een betrekking van adjunct-directeur toegewezen, voor wie er een bijkomende betrekkingseenheid voor vijf jaar wordt toegekend.

TITEL III. - Sociale subsidies

Art. 58.De Franse Gemeenschap komt, door middel van jaarlijkse subsidies, sociale subsidies genoemd, tegemoet in de financiering van de sociale behoeften van de studenten.

Art. 59.De sociale subsidies worden berekend op grond van het aantal financierbare studenten op 1 februari van het jaar dat aan het begrotingsjaar voorafgaat. Er wordt een bedrag van 52,33 euro toegekend, per financierbare student, voor de financiering. Dat bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de schommelingen van het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen. De sociale subsidies worden driemaandelijks uitbetaald.

De sociale subsidies worden aangewend voor de rechtstreekse of onrechtstreekse sociale hulpverlening aan de studenten, voor de steunverlening aan de sociale diensten en oriëntatiediensten voor studenten. Tien percent van de sociale subsidies wordt toegekend aan de werking van de studentenraad.

Art. 60.Vóór 1 december, maakt de sociale raad een begroting op voor het volgende begrotingsjaar, na het advies van de studentenraad te hebben ingewonnen.

De begroting maakt een onderscheid tussen de verrichtingen die ten laste zijn van de allocaties van het lopende begrotingsjaar en de verrichtingen die ten laste zijn van de saldi van de vorige begrotingsjaren.

De sociale raad voert een volledige boekhouding. Hij legt jaarlijks zijn boekhouding en zijn rekeningen voor aan de verificateur van de Franse Gemeenschap.

VIERDE DEEL. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Art. 61.Deze bepalingen zijn van toepassing op : 1° de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen en op de gesubsidieerde leden van de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde hogere kunstscholen.2° de inrichtende machten van die scholen. Ze zijn niet van toepassing op de (hoog)leraars godsdienst. Onder « godsdienst », dient te worden verstaan één van de erediensten bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

Ze zijn niet van toepassing op het contractueel personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen, noch op het personeel dat, in de gesubsidieerde hogere kunstscholen, geen wedde-subsidie ten laste van de Franse Gemeenschap ontvangt. HOOFDSTUK II. - Definities die specifiek zijn voor de statutaire begrippen

Art. 62.Voor de toepassing van dit decreet dient te worden onder : 1° werkelijk gepresteerde diensten : diensten gepresteerd door het personeelslid dat een hoofdambt uitoefent in de zin van artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 april 1958, terwijl het zich bevindt in de administratieve of dienststanden, in de standen dienstactiviteit of terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking;2° mutatie : overdracht, binnen hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursus als die waarvoor het personeelslid in vast verband benoemd of aangeworven is, van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid naar een hogere kunstschool van dezelfde inrichtende macht of naar een hogere kunstschool van een andere inrichtende macht van hetzelfde net;3° wijziging van affectatie : de reaffectatie, in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursus als die waarvoor het personeelslid in vast verband benoemd of aangeworven is, van een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, naar een hogere kunstschool van dezelfde inrichtende macht of naar een hogere kunstschool van een andere inrichtende macht van hetzelfde net of een ander net;4° opdrachtuitbreiding : de procedure volgens welke de inrichtende macht de opdracht van een in vast verband benoemd of aangeworven personeelslid, van een personeelslid dat voor onbepaalde tijd tijdelijk aangeworven is, in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursussen of in hetzelfde ambt en andere toe te kennen cursussen en in verhouding tot een maximale volledige opdracht in tijdelijk verband voor onbepaalde tijd;5° nuttige ervaring in het onderwijs : de ervaring opgedaan in de diensten die in het onderwijs werden gepresteerd in een ambt van bestuurs- en onderwijzend personeel;6° nuttige ervaring buiten het onderwijs : de ervaring opgedaan in de diensten die in de privé- of overheidssector werden gepresteerd, dit is de ervaring opgedaan door de uitoefening van een kunstberoep of een kunstpraktijk. De Regering richt een commissie voor de erkenning van die nuttige ervaring op en stelt er de samenstelling vast. De Regering bepaalt de regels volgens welke die nuttige ervaring wordt erkend; 7° wet van 19 december 1974 : de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;8° koninklijk besluit van 28 september 1984 : het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. HOOFDSTUK III. - Wervingscommissies

Art. 63.De wervingscommissies worden belast met het onderzoek van de kandidaturen voor de toe te kennen betrekkingen en mandaten.

Art. 64.Er kunnen zoveel wervingscommissies zijn als er toe te kennen posten zijn. Ze zijn niet vast.

Art. 65.De wervingscommissies delen een met redenen omkleed advies over de kandidaturen mede aan de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool.

Art. 66.§ 1. De wervingscommissies zijn samengesteld als volgt : 1° een voorzitter : de directeur van de hogere kunstschool;2° minstens 4 leden die behoren tot het onderwijzend personeel van de hogere kunstschool. § 2. Deskundigen die niet behoren tot de hogere kunstschool kunnen daar zitting hebben. Hun aantal kan echter niet hoger zijn dan het aantal vertegenwoordigers van de interne personeelsleden van de hogere kunstschool.

De deskundigen worden door de Regering of de inrichtende macht aangesteld, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen.

Art. 67.De adviezen worden met volstrekte meerderheid uitgebracht; de onthoudingen komen niet in aanmerking in het quorum.

TITEL II. - Ambten - opdrachten en betrekkingen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Art. 68.Voor de toepassing van dit decreet, kunnen de bekwaamheidsbewijzen van de personeelsleden diploma's, getuigschriften en jaren nuttige ervaring zijn overeenkomstig de geldende wetgeving.

De Regering stelt de schalen van de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel vast. HOOFDSTUK 2. - De ambten en opdrachten Afdeling 1. - De ambten en opdrachten van het onderwijzend en

bestuurspersoneel van het lange type

Art. 69.De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen kunnen uitoefenen in de opleiding van het lange type, worden hierna bepaald : 1° Assistent 2° Lector 3° Begeleider 4° (hoog)leraar 5° Adjunct-directeur 6° Directeur.

Art. 70.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die altijd als hoofdambt worden uitgeoefend, worden de ambten vermeld in artikel 69 van dit decreet ofwel als hoofdambt ofwel als bijambt uitgeoefend met inachtneming van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.

Art. 71.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die ambten met volledige prestaties zijn, zijn de ambten vermeld in artikel 69 ambten met volledige of onvolledige prestaties met inachtneming van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958.

Art. 72.§ 1. De prestaties van de assistenten omvatten de steunverlening aan en de begeleiding van de studenten alsook de onderzoeksactiviteiten. Ze zijn niet verantwoordelijk voor een cursus maar werken samen met één of verschillende (hoog)leraren aan de begeleiding van kunstonderwijsactiviteiten. Ze mogen zich voor een vorming inzake gespecialiseerde kunststudies bedoeld bij het decreet laten inschrijven en tegelijk hun ambt van assistent uitoefenen. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een assistent omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in tienden van een opdracht. § 2. De prestaties van de lectoren omvatten onderwijsactiviteiten van theoretische, technische of artistieke aard. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een lector omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in twintigsten van een opdracht. § 3. Het ambt van begeleider is een ambt dat specifiek is voor het muziek- en dansonderwijs. Naast de begeleiding aan de klavecimbel van studenten, neemt de begeleider een pedagogische opdracht bij dezelfde studenten waar.

De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een begeleider omvat 16 uren per week. Ze is deelbaar in zestienden van een opdracht. § 4. De (hoog)leraars zijn verantwoordelijk voor de onderwijsactiviteiten opgesomd in artikel 4 van het decreet en voor de evaluatie van de studenten. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een (hoog)leraar omvat 12 uren per week. Ze is deelbaar in twaalfden van een opdracht. § 5. De directeur van een hogere kunstschool is de afgevaardigde van de inrichtende macht of van de Regering en voert zijn beslissingen uit. Hij is, samen met de adjunct-directeur in voorkomend geval, belast met de verwezenlijking van het pedagogisch project en met het dagelijks beheer van de instelling. De adjunct-directeur vervangt de directeur bij diens afwezigheid.

De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een directeur en een adjunct-directeur omvat 36 uren per week. Ze is volledig en deelbaar.

Art. 73.De directeur kan een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst. De duur van die afwezigheid mag niet langer zijn dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de tijdens zijn afwezigheidperiode niet gepresteerde uren in te halen. Na het met redenen omklede advies van de inrichtende macht te hebben ingewonnen, kan de Regering een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst voor een periode die langer is dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de gedurende zijn afwezigheidsperiode niet gepresteerde uren goed te maken.

Gedurende de afwezigheid van het personeelslid bedoeld in de leden 1 en 2, wordt dat personeelslid geacht zich in dienstactiviteit te bevinden.

De leden van het onderwijzend personeel die een ambt uitoefenen dat overeenstemt met ten minste de helft van de volledige prestaties presteren gemiddeld in het academiejaar twee bijkomende wekelijkse uren om activiteiten in verband met het onderwijs, zoals bepaald in artikel 3 van het decreet, uit te oefenen. Voor de personeelsleden waarvan de opdracht lager is dan de helft van de volledige prestaties, worden die bijkomende prestaties tot één uur herleid.

Die bijkomende prestaties kunnen geen uitbreiding van de opdracht van de cursus betekenen.

Art. 74.De prestaties van de personeelsleden worden in uren van 60 minuten uitgedrukt. Afdeling 2. - De ambten en opdrachten van het bestuurs- en

onderwijzend personeel van het korte type

Art. 75.De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen kunnen uitoefenen, in de opleiding van het korte type, worden hierna bepaald : 1° Lector 2° (hoog)leraar 3° Adjunct-directeur 4° Directeur Art.76. Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die altijd als hoofdambten worden uitgeoefend, worden de ambten vermeld in artikel 75 ofwel als hoofdambt ofwel als bijambt uitgeoefend, met inachtneming van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.

Art. 77.Met uitzondering van de ambten van directeur en adjunct-directeur, die ambten met volledige prestaties zijn, zijn de prestaties vermeld in artikel 75 ambten met volledige prestaties of met onvolledige prestaties, met inachtneming van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958.

Art. 78.§ 1. De prestaties van de lectoren omvatten onderwijsactiviteiten van theoretische, technische of artistieke aard.

De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een lector omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in twintigsten van een opdracht. § 2. De (hoog)leraars zijn verantwoordelijk voor de onderwijsactiviteiten opgesomd in artikel 4 van het decreet en de evaluatie van de studenten. De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een (hoog)leraar omvat 16 uren per week. Ze is deelbaar in zestienden van een opdracht.. § 3. De directeur van een hogere kunstschool is de afgevaardigde van de inrichtende macht of van de Regering en voert zijn beslissingen uit. Hij is, samen met de adjunct-directeur in voorkomend geval, belast met de verwezenlijking van het pedagogisch project en voor het dagelijks beheer van de instelling. De adjunct-directeur vervangt de directeur bij diens afwezigheid.

De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een directeur en een adjunct-directeur omvat 36 uren per week. Ze is volledig en ondeelbaar.

Art. 79.De directeur kan een lid van het onderwijzend personeel ertoe machtigen afwezig te zijn om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst. De duur van die afwezigheid kan niet langer zijn dan twee weken. Het lid van het onderwijzend personeel moet een plan voorstellen om de gedurende zijn afwezigheidsperiode niet gepresteerde uren in te halen. Na het met redenen omkleed advies van de inrichtende macht te hebben ingewonnen, kan de Regering een onderwijzend personeelslid ertoe machtigen, om redenen in verband met de uitoefening van zijn kunst, afwezig te zijn voor een periode die langer is dan twee weken. Het onderwijzend personeelslid moet een plan voorstellen om de gedurende zijn afwezigheidsperiode niet gepresteerde uren in te halen.

Gedurende de afwezigheid van het personeel bedoeld in de leden 1 en 2, wordt het geacht zich in dienstactiviteit te bevinden.

De leden van het onderwijzend personeel die een ambt uitoefenen dat overeenstemt met ten minste de helft van de volledige prestaties, presteren in het academiejaar gemiddeld twee bijkomende wekelijkse uren prestaties om activiteiten in verband met het onderwijs bedoeld in artikel 3 van het decreet uit te oefenen. Voor deze waarvan de opdracht lager is dan de helft van de volledige prestaties, worden die bijkomende prestaties tot één uur herleid.

Die bijkomende prestaties kunnen geen uitbreiding van de lessenopdracht uitmaken.

Art. 80.De prestaties van de personeelsleden worden in uren van 60 minuten uitgedrukt. HOOFDSTUK 3. - De taken

Art. 81.De (hoog)leraars, in het onderwijs van het lange of het korte type, kunnen ontheven worden van een deel van hun onderwijsactiviteiten, in verhouding tot hoogstens een halve opdracht met volledige prestaties, om een specifieke taak tot verwezenlijking van een aspect van het pedagogisch en artistiek project binnen de hogere kunstschool te vervullen.

In dat geval, blijft de (hoog)leraar meegerekend in het aantal betrekkingseenheden dat aan de hogere kunstschool toegekend is zoals bepaald in artikel 52 van dit decreet. HOOFDSTUK 4. - De bekwaamheidsbewijzen

Art. 82.§ 1. Voor het onderwijs betreffende de algemene vakken, kan niemand het ambt van (hoog)leraar uitoefenen indien hij geen houder is van een diploma van doctor, licentiaat toegekend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, of industrieel ingenieur of architect, of van een bekwaamheidsbewijs van universitair niveau uitgereikt door een georganiseerde of gesubsidieerde hogeschool of van een bekwaamheidsbewijs waarvan de houder de gelijkstelling met een dergelijk diploma heeft behaald.

Voor het onderwijs betreffende de kunstvakken, kan niemand het ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent uitoefenen, indien hij geen houder is van een diploma uitgereikt door een instelling voor hoger kunstonderwijs of van een bekwaamheidsbewijs waarvan de houder de gelijkstelling met een dergelijk diploma heeft behaald.

Voor het onderwijs betreffende de technische vakken, kan niemand het ambt van (hoog)leraar of assistent uitoefenen indien hij geen houder is van een diploma uitgereikt door een instelling voor hoger onderwijs of van een bekwaamheidsbewijs waarvan de houder de gelijkstelling met een dergelijk diploma heeft behaald. § 2. Na het gunstig advies van een door haar op te richten Commissie te hebben ingewonnen, kan de Regering aanvaarden dat een professionele, wetenschappelijke of artistieke beroemdheid in verband met het toe te kennen ambt en de toe te kennen cursussen, zou gelden als een bekwaamheidsbewijs vereist in § 1. De Commissie geeft haar advies op grond van een dossier dat de kandidaat indient. Dat dossier omvat inzonderheid de documenten betreffende de artistieke loopbaan, de bekwaamheidsbewijzen en verdiensten, de nuttige ervaring in het beroep en in het kunstonderwijs en de kunstpraktijk, de vermelding van de wetenschappelijke of kunstpublicaties en pedagogische werken alsook het bewijs van diverse ervaringen. Er wordt een Commissie « beroemdheid » opgericht voor elk gebied, die inzonderheid bestaat uit deskundigen die door de Regering aan te stellen zijn, waarvan de helft op de voordracht van de Hoge Kunstraad. § 3. De bekwaamheidsbewijzen bedoeld in § 1 kunnen ook buitenlandse bekwaamheidsbewijzen zijn die als gelijkwaardig erkend zijn met toepassing van de wet van 19 maart 1971 of van artikel 36 van het decreet van 5 september 1994 of ermee gelijkgesteld met toepassing van artikel 4 quater van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april 1969.

Art. 83.Onder vereist bekwaamheidsbewijs wordt het bekwaamheidsbewijs verstaan, zoals bepaald in artikel 82.

Bij gebrek aan kandidaten die houder zijn van de vereiste bekwaamheidsbewijzen, kan voor individuele gevallen afwijking worden verleend door de Regering, na het met redenen omkleed advies van de Hoge Kunstraad te hebben ingewonnen.

TITEL III. - De leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde hogere kunstscholen HOOFDSTUK I. - Plichten en onverenigbaarheden Afdeling 1. - Plichten

Art. 84.De personeelsleden moeten in alles steeds de belangen van de Franse Gemeenschap en van het onderwijs van de Franse Gemeenschap behartigen.

Art. 85.Zij komen persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen na die hun zijn opgelegd door de wetten, decreten en verordeningen.

Zij voeren stipt de dienstorders uit en vervullen hun taak met vlijt en nauwgezetheid.

Art. 86.Zij moeten zich met de meest volstrekte correctheid gedragen, zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun omgang met het publiek en met de studenten.

Zij moeten elkaar bijstaan in de mate waarin het belang van de hogere kunstschool zulks vereist.

Zij moeten alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt vermijden.

Art. 87.Zij moeten in de uitoefening van hun ambt de principes in acht nemen betreffende de neutraliteit van het onderwijs van de Franse Gemeenschap. Zij mogen de studenten niet gebruiken voor doeleinden inzake propaganda of commerciële reclame.

Art. 88.Zij moeten, binnen de perken gesteld door de reglementen, de diensten verstrekken die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de hogere kunstschool. Zij mogen zonder voorafgaande toelating de uitoefening van hun ambt niet onderbreken.

Art. 89.Het is hun verboden feiten bekend te maken, die zij zouden kennen ter oorzake van hun ambt en die van nature geheim zijn.

Art. 90.Het is hun verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel te vragen, te eisen of aan te nemen.

Art. 91.Zij mogen zich niet inlaten met enige werkzaamheid die in strijd is met de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, die de vernietiging van 's Lands onafhankelijkheid op het oog heeft of die de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België strekkend tot het verzekeren van zijn veiligheid in gevaar brengt. Zij mogen niet toetreden tot, noch hun medehulp verschaffen aan een beweging, groepering, organisatie of vereniging met een soortgelijke werkzaamheid.

De uitoefening van de rechten van het Belgische en Europese staatsburgerschap, die de personeelsleden bezitten, wordt steeds geëerbiedigd.

Art. 92.Onverminderd de toepassing van de strafwetten, wordt iedere overtreding van deze bepalingen, naar vereisten van het geval, gestraft met een van de bij artikel 171 gestelde tuchtstraffen.

Art. 93.Artikel 92 is niet van toepassing op de tijdelijk aangestelde personeelsleden. Afdeling 2. - Onverenigbaarheden

Art. 94.Elke activiteit die het vervullen van de ambtsplichten zou kunnen belemmeren of die in strijd is met de waardigheid van hun ambt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap.

Art. 95.Met de hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar, elke activiteit die door de echtgenoot of door een tussenpersoon wordt verricht en die in strijd is met de waardigheid van het ambt.

Art. 96.De Regering stelt de onverenigbaarheden bedoeld in de artikelen 94 en 95 vast. Hij brengt er het betrokken personeelslid op de hoogte van door middel van een aangetekend schrijven binnen een termijn van vijf dagen met ingang van de dag waarop zij de onverenigbarheid vaststelt.

Art. 97.De bij artikel 183 ingestelde raad van beroep neemt kennis van de beroepen inzake onverenigbaarheid ingediend door de personeelsleden. HOOFDSTUK II. - Werving Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 98.§ 1. De personeelsleden worden tijdelijk aangesteld, in vast verband benoemd of krijgen een mandaat door de Regering toegewezen. § 2. De personeelsleden worden door de Regering aangeworven na advies van de daartoe opgerichte wervingscommissie, overeenkomstig de artikelen 15 en 63 tot 67. De kandidaten voor het mandaat van lector zijn niet bedoeld bij § 2.

Art. 99.De personeelsformatie wordt aan de Regering ter goedkeuring voorgelegd door de directeur van de hogere kunstschool, na advies van de pedagogische beheersraad. Die personeelsformatie wordt jaarlijks vastgesteld.

De werving, de benoeming en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking worden door de directeur van de hogere kunstschool aan de Regering voorgedragen, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen.

Uiterlijk voor 15 februari van elk jaar zendt de directeur van de hogere kunstschool aan de Regering de lijst over van de vacante betrekkingen en van de mandaten die hij gedurende het volgende academiejaar wenst toe te kennen.

De Regering maakt uiterlijk voor 30 juni het aantal betrekkingseenheden bekend die toegekend zijn aan de hogere kunstschool voor het volgende academiejaar.

Art. 100.In de loop van de maand maart, maakt de Regering een oproep tot de kandidaten voor elke toe te kennen vacante betrekking in het Belgisch Staatsblad bekend.

Die betrekkingen zijn toegankelijk voor de personeelsleden die door mutatie of opdrachtuitbreiding vastbenoemd zijn, de personeelsleden die voor onbepaalde tijd door opdrachtuitbreiding tijdelijk aangesteld zijn en voor de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling.

Art. 101.In de loop van de maand maart, maakt de Regering een oproep tot de kandidaten voor elk toe te kennen mandaat in het Belgisch Staatsblad bekend. De mandaten van directeur en adjunct-directeur zijn toegankelijk voor de in vast verband benoemde personeelsleden, de voor onbepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden, de voor bepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden en iedere kandidaat die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 121 en 123.

Art. 102.Voor de werving van de (hoog)leraars, begeleiders en assistenten, bepaalt de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep : 1° het toe te kennen ambt en de toe te kennen cursussen;2° het volume van de opdracht;3° de in te dienen dossiers, die inzonderheid de documenten in verband met de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld in artikel 68, de vermelding van de wetenschappelijke publicaties en het bewijs van verschillende beroepservaringen omvatten;4° het in te dienen pedagogisch en artistiek project betreffende de toe te kennen cursus;5° de vorm en de termijn vereist voor de indiening van de in 3° en 4° bedoelde dossiers en projecten;6° de vorm en de termijn vereist voor de eventuele voordracht van de kandidaat voor de wervingscommissie. Voor de werving van de directeurs en adjunct-directeurs, bepaalt de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep : 1° de aard van het mandaat en, in voorkomend geval, de toe te kennen onderwijsactiviteiten;2° het volume van de opdracht;3° de in te dienen dossiers, die inzonderheid de documenten in verband met de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld in artikel 68, de vermelding van de wetenschappelijke publicaties en het bewijs van verschillende beroepservaringen omvat;4° het in te dienen pedagogisch en artistiek project betreffende het toe te kennen mandaat;5° de vorm en de termijn vereist voor de indiening van de in 3° en 4° bedoelde dossiers en projecten;6° de vorm en de termijn vereist voor de eventuele voordracht van de kandidaat voor de wervingscommissie.

Art. 103.De kandidaat die naar verschillende betrekkingen solliciteert, dient een afzonderlijke kandidatuur voor elk van die in.

Op straffe van nietigheid worden de kandidaturen bij de Regering door middel van een ter post aangetekend schrijven ingediend.

Voor de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling, verdeelt de Regering de ontvangen kandidaturen over twee lijsten : de ene bestaat uit de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 102, de andere uit de kandidaten die niet voldoen aan die bepalingen, en zendt zij de kandidaturen aan de betrokken directeurs van de hogere kunstscholen.

Art. 104.§ 1. De kandidaturen voor de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 102 worden door de wervingscommissie onderzocht. Die commissie onderzoekt de pedagogische en artistieke projecten van de kandidaten.

Nadat de projecten zijn onderzocht, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking komen voor een individueel gesprek. De wervingscommissie deelt een met redenen omkleed advies voor iedere kandidaat aan de pedagogische beheersraad mede. De directeur zendt het verslag, samen met het advies van de pedagogische raad, aan de Regering over.

Voor de betrekkingen van (hoog)leraar en begeleider, is de wervingscommissie er echter toe gehouden bij voorrang de aanvragen om verandering van dienstaanwijzing van de personeelsleden van de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap te onderzoeken. § 2. Wanneer de pedagogische beheersraad vaststelt dat geen kandidaat voor de betrokken betrekking in aanmerking kan komen, kan de directeur aan de Regering voorstellen een afzonderlijke oproep in het Belgisch Staatsblad , te allen tijde gedurende het academiejaar, bekend te maken. Die oproep vermeldt de elementen van de oproep bedoeld in artikel 102, waarbij de karakteristieken die vereist zijn voor de toe te kennen betrekking worden opgenomen.

Art. 105.§ 1. Wanneer een hogere kunstschool de vervanging wenst uit te voeren van een onderwijzend personeelslid, stelt haar directeur, na advies van de wervingscommissie, dan na advies van de pedagogische beheersraad, aan de Regering voor, een persoon aan te stellen in afwijking van de procedure bedoeld in de artikelen 100 en 101.

Die aanstelling eindigt bij de terugkeer van de titularis van de betrekking en ieder geval op het einde van het academiejaar waarin de aanstelling plaatsvond. Die aanstelling kan geenszins aanleiding geven tot een aanstelling voor onbepaalde tijd. § 2. Wanneer de hogere kunstschool een betrekking wenst toe te kennen die vacant wordt na de bekendmaking van de oproep bedoeld in de artikelen 100 en 101, is de procedure bedoeld in lid 1 van § 1 van toepassing.

Die aanstelling kan geenszins leiden tot een aanstelling voor onbepaalde tijd. Afdeling 2. - Tijdelijke aanstelling

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 106.Elke aanstelling is schriftelijk en vermeldt tenminste : 1° de identiteit van het personeelslid;2° het uit te oefenen ambt alsook de karakteristieken en het volume van de opdracht;3° de datum van indiensttreding;4° de datum waarop de aanstelling eindigt voor de aanstelling voor bepaalde tijd;5° of de betrekking vacant is verklaard overeenkomstig de oproep bedoeld in de artikelen 100 en 101;6° indien de betrekking niet vacant is, de identiteit van de titularis. Aan het tijdelijk personeelslid wordt een schriftelijke akte uitgereikt waarin de meldingen bedoeld in lid 1 worden opgenomen. Bij gebrek aan schriftelijke documenten, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn in het ambt, de opdracht en de betrekking die hij werkelijk bekleedt. Hij wordt, naargelang van het geval, geacht, aangesteld te zijn voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd.

Art. 107.Op het einde van elke activiteitsperiode, zendt het personeelslid aan het tijdelijk personeelslid een attest over met vermelding van de gepresteerde diensten per uitgeoefend ambt, met de datums van het begin en het einde, alsook het volume van de opdracht en de sociale documenten.

Art. 108.§ 1. Voor elke betrekking in het ambt van (hoog)leraar of begeleider die vacant verklaard werd volgens de procedure bedoeld in artikel 100, worden de tijdelijke aanstellingen door de Regering uitgevoerd. Ze geschieden eerst voor een bepaalde tijd, hoogstens één academiejaar. Die aanstelling voor bepaalde tijd kan worden verlengd voor hoogstens één academiejaar.

Op het einde van de aanstelling(en) bedoeld in lid 1, wordt het personeelslid dat opnieuw wordt aangesteld, voor een onbepaalde tijd aangesteld, voor zover het personeelslid een hoofdambt bekleedt.

De aanstelling voor onbepaalde tijd kan echter alleen plaatsvinden als de gecumuleerde duur van de aanstellingen voor bepaalde tijd ten minste één academiejaar bedraagt. § 2. Voor elke betrekking in het ambt van assistent die vacant wordt verklaard volgens de procedure bedoeld in artikel 101 worden de tijdelijke aanstellingen door de Regering uitgevoerd. Ze geschieden voor een termijn van één academiejaar, die op het gebied van muziek vijf keer kan worden vernieuwd, en voor een termijn van twee academiejaren die op de andere gebieden twee keer kan worden vernieuwd.

Art. 109.Niemand kan tijdelijk worden aangesteld indien hij op het ogenblik van die aanstelling de volgende voorwaarden niet vervult : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens een door de Regering toe te kennen afwijking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het toe te kennen ambt, zoals bepaald in artikel 82;4° a) als het gaat om een aanstelling voor bepaalde tijd, bij de indiensttreding, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;b) als het gaat om een aanstelling voor onbepaalde tijd, een medisch onderzoek hebben ondergaan waaruit blijkt dat de door de Regering vastgestelde voorwaarden inzake lichamelijke geschiktheid vervuld zijn;5° de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling naleven;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten. Bij zijn eerste aanstelling in het onderwijs, legt het personeelslid de eed af met de woorden bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.

Onderafdeling 2. - Aanstelling voor bepaalde tijd van (hoog)leraars en begeleiders

Art. 110.Niemand kan tijdelijk aangesteld worden in een ambt van (hoog)leraar of begeleider, indien hij bij die aanstelling, naast de voorwaarden bepaald in artikel 109, niet voldoet aan de volgende bepalingen : 1° een pedagogisch en artistiek project indienen en voorstellen aan de wervingscommissie;2° het bewijs leveren van een nuttige ervaring buiten het onderwijs van vijf jaar in een kunstpraktijk voor de betrekkingen van (hoog)leraar kunstvakken en begeleider;3° het bewijs leveren van een nuttige ervaring buiten het onderwijs van twee jaar voor de betrekkingen van (hoog)leraar technische vakken. De nuttige ervaring buiten het onderwijs, bedoeld in lid 1, 2° en 3°, moet verband houden met de toe te kennen cursus.

Art. 111.§ 1. Uiterlijk op het einde van de examenzittijd van juni, maakt de directeur van de hogere kunstschool een rapport op over de manier waarop het personeelslid zijn taak heeft vervuld. Dat rapport, door betrokkene geviseerd en gedateerd, wordt aan de Regering overgezonden. Het personeelslid ontvangt er een afschrift van.

Het rapport draagt, naargelang van het geval, één van de volgende vermeldingen : « heeft voldaan », « heeft gedeeltelijk voldaan », « heeft niet voldaan ».

Indien het door de directeur opgemaakte rapport de vermelding « heeft voldaan » draagt en het personeelslid dat een vacante betrekking bezette, de verlenging van zijn aanstelling krijgt, dan is dit voor onbepaalde tijd. Die verlenging heeft de voorrang boven elke verandering van dienstaanwijzing, elke mutatie of opdrachtuitbreiding.

Wanneer de directeur van de hogere kunstschool geen rapport met de vermelding « heeft voldaan » heeft opgemaakt, moet de pedagogische beheersraad het personeelslid horen voordat de directeur het rapport aan de Regering overzendt. Gedurende dat verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in dienstactiviteit zijn of in ruste gesteld van het onderwijs van de Franse Gemeenschap of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie in de zin van de wet van 15 december 1974 en van het koninklijk besluit van 28 september 1984. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid weigert het rapport te viseren of niet bij het verhoor verschijnt.

Indien het door de directeur opgemaakte rapport de vermelding « heeft gedeeltelijk voldaan » draagt, en het personeelslid dat een vacante betrekking bezette, de verlenging van zijn aanstelling krijgt, is dit verplicht tijdelijk voor bepaalde tijd. Wanneer de betrekking op het begin van het academiejaar vacant blijft, heeft de verlenging voor hoogstens een academiejaar de voorrang boven elke verandering van dienstaanwijzing, elke mutatie of opdrachtuitbreiding.

Indien het door de directeur van de hogere kunstschool opgemaakte rapport de vermelding « heeft niet voldaan » draagt, kan de Regering geenszins de aanstelling verlengen.

Bij gebrek aan een rapport, wordt het personeelslid geacht een rapport met de vermelding « heeft voldaan » te hebben gekregen. § 2. Wanneer het personeelslid een rapport met de vermelding « heeft gedeeltelijk voldaan » heeft gekregen en zijn aanstelling met hoogstens één academiejaar wordt verlengd, bestaan er voor de directeur van de hogere kunstschool alleen twee beoordelingsprocedures : een rapport met de vermelding « heeft voldaan » of een rapport met de vermelding « heeft niet voldaan ».

Onderafdeling 3. - Aanstelling voor bepaalde tijd van assistenten

Art. 112.Niemand kan tijdelijk worden aangesteld in een ambt van assistent, indien hij, bij die aanstelling, de voorwaarden bepaald in artikel 109 niet vervult, en indien hij geen pedagogisch en artistiek project heeft ingediend en voorgesteld aan de wervingscommissie.

Onderafdeling 4. - Aanstelling voor onbepaalde tijd van (hoog)leraars en begeleiders

Art. 113.De Regering stelt de personeelsleden tijdelijk, voor onbepaalde tijd, op het begin van het academiejaar aan, op de voordracht van de directeur van de hogere kunstschool na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen.

Onderafdeling 5. - Afdanking

Art. 114.§ 1. De Regering kan ieder voor bepaalde tijd tijdelijk aangeworven personeelslid zonder opzeggingstermijn afdanken wegens zware tekortkoming.

Als zware tekortkoming wordt beschouwd, elke tekortkoming die elke beroepsmedewerking tussen het personeelslid en de hogere kunstschool onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2. Zodra de Regering kennis heeft genomen van elementen die een zware tekortkoming kunnen uitmaken, roept de Regering bij een ter post aangetekend schrijven het personeelslid op tot een verhoor, dat ten vroegste vijf dagen en uiterlijk tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief moet plaatsvinden. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet bij het verhoor verschijnt. § 3. Als de Regering oordeelt dat er voldoende elementen zijn die een zware tekortkoming uitmaken, kan zij de afdanking uitvoeren binnen drie dagen die volgen op de datum van het verhoor.

De afdanking wordt gestaafd door het bewijs van de aangeklaagde feiten.

Ze wordt aan het personeelslid meegedeeld ofwel door middel van een exploot van een deurwaarder, ofwel door middel van een ter post aangetekend schrijven, dat ingaat op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. § 4. Gedurende het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die in dienstactiviteit of in ruste gesteld zijn, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, in de zin van de wet van 19 december 1974 en van het koninklijk besluit van 28 september 1984.

Art. 115.Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen, kan de Regering de opdracht van een tijdelijk aangesteld personeelslid voor bepaalde tijd beëindigen, op een met redenen omkleed voorstel van de directeur van de hogere kunstschool, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. Het personeelslid wordt vooraf door de directeur van de school gehoord binnen een termijn van vijf werkdagen die ingaan vanaf de dag waarop hij bij een ter post aangetekend schrijven wordt opgeroepen. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet voor het verhoor verschijnt.

De directeur deelt het afdankingsvoorstel aan het personeelslid onmiddellijk nadat dit opgesteld is, mede.

Het voorstel wordt geviseerd en gedateerd door het betrokken personeelslid, dat het op dezelfde dag terugzendt. Is hij van mening dat het voorstel niet verantwoord is, meldt hij dit in zijn visum, dateert het voorstel en zendt hij het binnen dezelfde termijn terug.

De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het afdankingsvoorstel te viseren. Is het personeelslid afwezig, dan wordt het afdankingsvoorstel hem toegestuurd bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs dat geldt als visum en datum.

De betrokkene kan een beroep indienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in de artikelen 191 en volgende.

Art. 116.§ 1. De Regering kan ieder voor onbepaalde tijd tijdelijk aangeworven personeelslid zonder opzeggingstermijn afdanken wegens zware tekortkoming.

Als zware tekortkoming wordt beschouwd, elke tekortkoming die elke beroepsmedewerking tussen het personeelslid en de hogere kunstschool onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2. Zodra de Regering kennis heeft genomen van elementen die een zware tekortkoming kunnen uitmaken, roept de Regering bij een ter post aangetekend schrijven het personeelslid op tot een verhoor, dat ten vroegste vijf dagen en uiterlijk tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief moet plaatsvinden. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet bij het verhoor verschijnt. § 3. Als de Regering oordeelt dat er voldoende elementen zijn die een zware tekortkoming uitmaken, kan zij de afdanking uitvoeren binnen drie dagen die volgen op de datum van het verhoor.

De afdanking wordt gestaafd door het bewijs van de aangeklaagde feiten.

Ze wordt aan het personeelslid meegedeeld ofwel door middel van een exploot van een deurwaarder, ofwel door middel van een ter post aangetekend schrijven, dat ingaat op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. § 4. Gedurende het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap die in dienstactiviteit of in ruste gesteld zijn, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, in de zin van de wet van 19 december 1974 en van het koninklijk besluit van 28 september 1984.

Art. 117.Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen, kan de Regering de opdracht van een tijdelijk voor onbepaalde tijd sedert minder dan vijf jaar aangesteld personeelslid beëindigen, op een met redenen omkleed voorstel van de directeur van de hogere kunstschool, na het advies van de pedagogische beheersraad te hebben ingewonnen. De opzeggingstermijn wordt met ten minste drie maanden verlengd vanaf het begin van elke nieuwe aanstellingsperiode van vijf jaar. Het personeelslid wordt vooraf door de directeur van de school gehoord binnen een termijn van vijf werkdagen die ingaat vanaf de dag waarop het personeelslid bij een ter post aangetekend schrijven wordt opgeroepen. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid niet voor het verhoor verschijnt.

De directeur deelt het afdankingsvoorstel aan het personeelslid onmiddellijk nadat dit opgesteld is, mede.

Het voorstel wordt geviseerd en gedateerd door het betrokken personeelslid, dat het op dezelfde dag terugzendt. Is hij van mening dat het voorstel niet verantwoord is, meldt hij dit in zijn visum, dateert het voorstel en zendt hij het binnen dezelfde termijn terug.

De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het afdankingsvoorstel te viseren. Is het personeelslid afwezig, dan wordt het afdankingsvoorstel hem toegestuurd bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs dat geldt als visum en datum.

De betrokkene kan een beroep indienen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in de artikelen 191 en volgende. Afdeling 3. - Mandaten

Onderafdeling 1. - Mandaten van de lectoren

Art. 118.Het mandaat van de lectoren wordt hun door de Regering, op de voordracht van de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad, toegewezen voor bepaalde tijd.

Art. 119.Wanneer het mandaat betrekking heeft op een opdracht die gelijk is aan of hoger is dan een volledige halve opdracht, is de duur ervan beperkt tot zes maanden. In de andere gevallen is die tot negen maanden beperkt.

Onderafdeling 2. - Mandaten van de adjunct-directeurs

Art. 120.Het mandaat van de adjunct-directeurs wordt hun door de Regering voor een vernieuwbare periode van vijf jaar toegekend.

Art. 121.Niemand kan een mandaat toegewezen krijgen om een ambt van adjunct-directeur uit te oefenen, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° bij de eerste indiensttreding in het onderwijs, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° voldoen aan de dienstplichtwetten;6° een pedagogisch en artistiek project indienen betreffende het bedoelde mandaat en aan de wervingscommissie voorleggen. Onderafdeling 3. - Mandaten van de directeurs

Art. 122.Het mandaat van de directeurs wordt hun door de Regering voor een periode van vijf jaar toegekend. Dat mandaat wordt vernieuwd op grond van een evaluatie door de pedagogische beheersraad bepaald in artikel 16.

Art. 123.Niemand kan een mandaat toegewezen krijgen om een ambt van directeur uit te oefenen, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° bij de eerste indiensttreding in het onderwijs, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° voldoen aan de dienstplichtwetten;6° een pedagogisch en artistiek project indienen betreffende het bedoelde mandaat en aan de wervingscommissie voorleggen.

Art. 124.De kandidaturen voor en mandaat in een ambt van directeur worden onderzocht door de wervingscommissie bedoeld in artikel 15 en 63 tot 67 van dit decreet. In afwijking van artikel 66 van dit decreet, wordt die commissie voorgezeten door de directeur-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid het niet verplicht onderwijs behoort, of diens gemachtigde. De wervingscommissie beoordeelt de curriculum vitae van de kandidaten en onderzoekt hun pedagogisch en artistiek project. Na de projecten te hebben onderzocht, selecteert zij de kandidaten die in aanmerking komen voor een individueel onderhoud. De wervingscommissie dient een met redenen omkleed verslag voor iedere kandidaat aan de pedagogische beheersraad in. In afwijking van de artikelen 17 en 19 van dit decreet, wordt die pedagogische beheersraad voorgezeten door de directeur-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid het niet verplicht onderwijs behoort, of diens gemachtigde. De directeur-generaal zendt het verslag samen met het advies van de pedagogische beheersraad aan de Regering over.

Onderafdeling 4. - Vervroegd einde van de mandaten van directeur en adjunct-directeur

Art. 125.De Regering kan vervroegd een einde maken aan elk mandaat van een directeur of adjunct-directeur die niet behoort tot het in vast verband benoemd onderwijzend personeel overeenkomstig de afdankingsbepalingen bedoeld in de artikelen 114 tot 117 van dit decreet. Het in vast verband benoemd onderwijzend personeelslid kan bij een beslissing van de Regering van zijn mandaat van directeur of adjunct-directeur worden ontheven. Afdeling 4. - Benoeming in vast verband in een ambt van (hoog)leraar

of begeleider

Art. 126.Het personeelslid wordt door de Regering in vast verband benoemd in het ambt waarvoor het zich kandidaat had gesteld, in de vorm en binnen de termijn vastgesteld door de Regering, indien hij het voorwerp uitmaakte van een met redenen omklede voordracht van benoeming in vast verband die door de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad, geformuleerd was.

Art. 127.Niemand kan in vast verband worden benoemd, indien hij bij de benoeming in vast verband nier voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het toe te kennen ambt, zoals voorgeschreven in artikel 82;4° de vereiste lichamelijke geschiktheid, zoals gecontroleerd door de administratieve gezondheidsdienst, bezitten;5° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen inzake taalregeling;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° aan de dienstplichtwetten voldoen;8° tijdelijk, voor onbepaalde tijd, aangesteld of aangeworven zijn;9° die betrekking als hoofdambt bekleden;10° voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarden vastgesteld door artikel 10, § 7, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, en, voor de (hoog)leraars kunstvakken of technische vakken, aan de voorwaarde inzake nuttige ervaring in een kunstpraktijk of technische praktijk bedoeld in artikel 110 van dit decreet.

Art. 128.De Regering benoemt in vast verband het voor onbepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelslid, dat, voor het bedoelde ambt en de toe te kennen cursussen, de grootste dienstanciënniteit, zoals bepaald in artikel 163, telt.

Het personeelslid kan drie jaar dienstanciënniteit, in vast verband verkregen in een ander niveau van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs, laten gelden voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in lid 1. Afdeling 5. - Opdrachtuitbreiding

Art. 129.Wanneer de in artikel 100 bedoelde betrekking, bij opdrachtuitbreiding, toegekend wordt aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is in hetzelfde toe te kennen ambt en dezelfde toe te kennen cursussen, dan geschiedt die opdrachtuitbreiding onmiddellijk als tijdelijk personeelslid voor onbepaalde tijd.

Wanneer de in artikel 100 bedoelde betrekking, bij opdrachtuitbreiding, op advies van de wervingscommissie bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet, wordt toegekend aan een onderwijzend personeelslid dat in vast verband benoemd is binnen dezelfde instelling in hetzelfde toe te kennen ambt en andere toe te kennen cursussen waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs bezit, dan geschiedt die opdrachtuitbreiding als tijdelijk personeelslid voor onbepaalde tijd. Afdeling 6. - Mutatie

Art. 130.De kandidaten voor de mutatie, die op de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oproep antwoorden, dienen hun aanvraag bij de Regering in.

De aanvragen om mutatie worden bij ter post aangetekend schrijven toegestuurd. In aanmerking komen, de aanvragen om mutatie die in de vorm en binnen de termijn bepaald in de oproep tot de kandidaten bedoeld in lid 1 worden ingediend.

De voorlopige mutatie kan echter enkel geschieden met de instemming van de directeurs van beide betrokken scholen.

Art. 131.De aanvraag om mutatie in een ambt van (hoog)leraar of begeleider wordt onderzocht door de wervingscommissie, die een advies mededeelt aan de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool die over de betrekking waarnaar gesolliciteerd wordt, beschikt. De directeur van de hogere kunstschool zendt aan de Regering het met redenen omklede verslag van de pedagogische beheersraad door.

Art. 132.Op het einde van een academiejaar in de nieuwe hogere kunstschool, kan de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad, aan de Regering voorstellen het personeelslid dat een voorlopige mutatie verkregen had, definitief aan te stellen. Zo niet, dan komt het betrokken personeelslid terug in de school waarvoor hij was aangesteld voordat hij zijn mutatie aanvroeg. Afdeling 7. - Beoordeling

Art. 133.Dit hoofdstuk is toepasselijk op de in vast verband benoemde personeelsleden, met uitsluiting van de directeurs en de adjunct-directeurs.

Art. 134.Voor ieder personeelslid wordt bij het hoofdbestuur van het ministerie een beoordelingsdossier bijgehouden, dat uitsluitend de volgende stukken bevat : 1° de verslagen over de wijze van dienen als tijdelijke personeelsleden;2° de eventuele beoordelingsstaten;3° de bestuursnota's waarin de in verband met het ambt gunstige of ongunstige gegevens worden vermeld;4° een staat van de tuchtstraffen.

Art. 135.Met uitzondering van de staat van de tuchtstraffen, wordt ieder van de stukken die worden gevoegd bij het beoordelingsdossier vooraf geviseerd door het personeelslid. Al de genoemde stukken worden genummerd en vermeld in een inventaris.

Art. 136.Ieder personeelslid krijgt één van de volgende beoordelingsvermeldingen : « Goed », « Onvoldoende ».

Bij gebrek aan een beoordelingsstaat wordt ieder personeelslid geacht de vermelding « goed » te hebben gekregen.

Elke wijziging van een beoordelingsvermelding moet omstandig gemotiveerd worden door een speciaal verslag dat nauwkeurige, gunstige of ongunstige feiten vermeldt. Dat verslag moet worden gevoegd bij de beoordelingsstaat.

Art. 137.Elke beoordelingsvermelding heeft betrekking op het academiejaar op het einde waarvan zij toegekend of behouden werd.

De beoordelingsstaat wordt, in voorkomend geval, door de directeur van de hogere kunstschool ieder jaar opgesteld tussen 1 en 15 juni van elk jaar.

De beoordeling wordt jaarlijks verlengd, indien, sinds het toekennen van de laatste beoordeling, geen enkel gunstig of ongunstig nieuw feit op de persoonlijke fiche werd opgetekend.

De toekenning van de beoordelingsvermelding « Onvoldoende » geeft aanleiding tot een nieuwe beoordeling na een academiejaar.

Er wordt ook een beoordelingsstaat opgemaakt voor ieder personeelslid dat dit aanvraagt.

In dit geval, kan de beoordeling te allen tijde in het academiejaar worden opgemaakt, waarbij nooit meer dan één beoordeling kan worden opgemaakt gedurende een zelfde academiejaar.

Art. 138.Met het oog op de eventuele wijziging van de beoordeling, moet een persoonlijke fiche in verband met het betrokken personeelslid de gunstige of ongunstige nauwkeurige feiten vermelden die als beoordelingsbasis kunnen dienen en die betrekking hebben op de uitoefening van het ambt of op de persoonlijke levenssfeer in haar verband met het ambt.

Die persoonlijke fiche wordt, in voorkomend geval, door de directeur van de hogere kunstschool opgemaakt.

Art. 139.De beoordelingsstaat wordt door de directeur voorgelegd aan het personeelslid, dat het stuk viseert en binnen tien dagen terug bezorgt, indien hij geen bezwaren heeft. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het stuk te viseren of het niet terug bezorgt na het binnen de vastgestelde termijn te hebben geviseerd.

Oordeelt het personeelslid dat de hem toegekende vermelding niet gerechtvaardigd is, dan viseert hij dienovereenkomstig de beoordelingsstaat en bezorgt hem, samen met een bezwaarschrift, binnen tien dagen terug aan de directeur. Bedoeld bezwaarschrift wordt bij de beoordelingsstaat gevoegd. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het stuk te viseren of het niet terug bezorgt na het binnen de vastgestelde termijn te hebben geviseerd.

Binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het bezwaarschrift geeft de directeur het betrokken personeelslid kennis van zijn beslissing.

Bedoeld personeelslid viseert de beoordelingsstaat en heeft het recht, langs hiërarchische weg, een klacht neer te leggen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld in de artikelen 191 en volgende.

De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert de beoordelingsstaat te viseren.

Art. 140.Geen enkele aanbeveling, van welke aard ook, mag in het beoordelingsdossier worden opgenomen.

Ieder personeelslid mag, op welk ogenblik ook, kennis nemen van zijn beoordelingsdossier en, in voorkomend geval, er een afschrift van bekomen, mits tegemoetkoming in de kosten.

Art. 141.Het model van de beoordelingsstaat en het model van de persoonlijke fiche worden door de Regering vastgelegd. Afdeling 8. - Overneming van een hogere kunstschool door een andere

inrichtende macht

Art. 142.§ 1. Bij overneming door de Franse Gemeenschap van een gesubsidieerde officiële hogere kunstschool of van een deel van een gesubsidieerde officiële hogere kunstschool, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° de personeelsleden die in vast verband benoemd zijn en die in dienstactiviteit zijn op het ogenblik van de overneming, krijgen van ambtswege de hoedanigheid van vast benoemd personeelslid in de overeenstemmende ambten binnen een school van de Franse Gemeenschap;2° de in een hogere kunstschool benoemde hogere kunstschool, die, op het ogenblik van de overneming, een mandaat van directeur of adjunct-directeur uitoefenen, worden overgenomen in het ambt waarin zij in vast verband benoemd waren voor de uitoefening van hun mandaat;3° de diensten die, tot de datum van de overneming, werkelijk werden gepresteerd door de personeelsleden, in het onderwijs georganiseerd door de inrichtende macht die de leiding had van de door de Franse Gemeenschap overgenomen hogere kunstschool, alsook de diensten die werkelijk werden gepresteerd in een onderwijsinrichting tot de overneming ervan door boven vermelde inrichtende macht, voor zover zij in dienstactiviteit waren op het ogenblik van die overneming, worden gelijkgesteld met diensten die werkelijk werden gepresteerd als personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap. De overnemingsovereenkomst die te sluiten is tussen de betrokken inrichtende macht en de Franse Gemeenschap kan aanvullende regels bij de hierboven vermelde bepalingen en, in voorkomend geval, de overnemingsvoorwaarden voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden, vaststellen. § 2. De voorwaarden voor de overneming van een hogere kunstschool of van een deel van een gesubsidieerde vrije hogere kunstschool worden vastgesteld in een overeenkomst die tussen de betrokken inrichtende machten te sluiten is. Afdeling 9. - Fusies van de hogere kunstscholen

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 143.De keuze tussen de betrokken personeelsleden wordt bepaald door de dienstanciënniteit en, bij gelijke dienstanciënniteit, door de ambtsanciënniteit. Bij gelijke dienst- en ambtsanciënniteit, wordt de voorrang verleend aan het oudste personeelslid.

Onderafdeling 2. - Bepalingen toepasselijk op de personeelsleden waarvan de hogere kunstschool een fusie op gelijke voet ondergaat

Art. 144.§ 1. De personeelsleden van de scholen die een fusie hebben ondergaan, worden aangesteld in de school die voortvloeit uit de fusie op gelijke voet binnen de perken van de beschikbare betrekkingen en in de volgende volgorde : 1° de leden van het onderwijzend personeel die in vast verband benoemd zijn in het ambt die zij in deze hoedanigheid uitoefenen;2° de leden van het onderwijzend personeel die voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld zijn in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen;3° de leden van het onderwijzend personeel die een voorlopige aanstelling afwachten. § 2. De in § 1, 1° bedoelde personeelsleden die kunnen worden aangesteld, worden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

De in § 1, 3° bedoelde personeelsleden die geen wijziging van voorlopige aanstelling kunnen genieten, worden opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

Onderafdeling 3. Bepalingen toepasselijk op de personeelsleden waarvan de hogere kunstschool een fusie door overneming ondergaat

Art. 145.Voor de toepassing van deze onderafdeling, dient te worden verstaan onder : 1° School A : de hogere kunstschool die één of meer andere hogere kunstscholen overneemt;2° School B : de hogere kunstschool(-scholen) die wordt(en) overgenomen.

Art. 146.De leden van het onderwijzend personeel van de school B die in vast verband benoemd zijn in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen en de leden van het onderwijzend personeel van de school B die een wijziging van voorlopige aanstelling genieten, worden respectievelijk ter beschikking gesteld en opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking op de datum van de fusie.

Uiterlijk de dag voor de fusie door overneming wordt een einde gemaakt aan de prestaties die de leden van het onderwijzend personeel die niet bedoeld zijn in het vorig lid in de school B uitoefenen.

Art. 147.§ 1. De in de school A beschikbare betrekkingen worden, op de datum van de fusie, toegekend in de volgende volgorde : 1° aan de leden van het onderwijzend personeel van de school A die in vast verband benoemd zijn in het ambt dat zij in die hoedanigheid uitoefenen;2° aan de leden van het onderwijzend personeel van de school A die voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld zijn in het ambt dat zij in die hoedanigheid uitoefenen;3° aan de leden van het onderwijzend personeel die een verandering van voorlopige aanstelling genieten in de school A in het ambt waarin zij benoemd zijn;4° door verandering van voorlopige aanstelling, aan de leden van het onderwijzend personeel van de school B die in vast verband benoemd zijn in het ambt dat zij in die hoedanigheid uitoefenden;5° aan de leden van het onderwijzend personeel van de school B die voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld zijn in hun ambt;6° aan de leden van het onderwijzend personeel die een verandering van voorlopige aanstelling genieten in de school B in het ambt waarin zij benoemd zijn. § 2. De personeelsleden bedoeld in § 1, 4°, die geen betrekking toegewezen kunnen krijgen, blijven ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking.

De personeelsleden bedoeld in § 1, 6°, die niet voorlopig gereaffecteerd kunnen worden, worden opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

Art. 148.Voor zover een vacante betrekking hun kan worden toegewezen in de school A, worden de personeelsleden bedoeld in artikel 147, § 1, 3° en 4°, in die school op de datum van de fusie gereaffecteerd. HOOFDSTUK III. - Administratieve standen van de (hoog)leraars en begeleiders Afdeling 1. - Algemene bepaling

Art. 149.Het personeelslid bevindt zich in een van de volgende administratieve standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. Afdeling 2. - Dienstactiviteit

Art. 150.Het personeelslid wordt altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden behoudens uitdrukkelijke bepaling waarbij hij in een andere administratieve stand of dienststand wordt ingedeeld.

Art. 151.Behoudens uitdrukkelijke strijdige bepaling heeft het personeelslid in actieve dienst recht op wedde, en op bevordering tot een hogere wedde.

Hij kan zijn aanspraken op benoeming in vast verband of op uitoefening van een mandaat van directeur of adjunct-directeur doen gelden.

Hij krijgt verlof : 1) voor persoonlijke omstandigheden of aangelegenheden;2) voor verminderde dienstprestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid;3) voor verminderde dienstprestaties gemotiveerd door sociale of gezinsredenen;4) voor het vervullen van sommige militaire prestaties in vredestijd, van prestaties voor de civiele bescherming of van taken ten algemenen nutte bij toepassing van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;5) voor vakbondsopdrachten;6) voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;7) voor een politiek opdracht;8) voor onderbreking van de beroepsloopbaan;9) wegens ziekte of gebrekkigheid;10) wegens opdracht.

Art. 152.De Regering stelt de vakantieregeling voor het personeel van de hogere kunstscholen vast.

De personeelsleden hebben recht op minstens twaalf weken vakantie per academiejaar. Afdeling 3. - Non-activiteit

Art. 153.Het personeelslid bevindt zich in de stand non-activiteit : a) wanneer hij onder de door de Regering te bepalen voorwaarden sommige militaire prestaties in vredestijd verricht, of bij de civiele bescherming is ingedeeld, of met taken ten algemenen nutte belast is bij toepassing van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;b) wanneer schorsing bij tuchtmaatregel of non-activiteitsstelling bij tuchtmaatregel op hem wordt toegepast;c) wanneer hij om gezinsredenen toelating heeft gekregen tijdens een langdurige periode afwezig te blijven.

Art. 154.Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling, heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op wedde. Indien hij zich in de stand non-activiteit bevindt ingevolge de bepalingen van artikel 153, b) , kan hij geen aanspraken op een mandaat van directeur of adjunct-directeur doen gelden.

Art. 155.Niemand kan op non-activiteit gesteld of gehouden worden op het einde van de maand waarin hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt indien hij dertig jaar diensten telt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op pensioen. Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling

Art. 156.Het personeelslid kan ter beschikking worden gesteld : a) wegens ontstentenis van betrekking;b) wegens persoonlijke aangelegenheden;c) wegens persoonlijke aangelegenheden vóór de inrustestelling;d) wegens bijzondere opdracht;e) wegens ziekte of gebrekkigheid.

Art. 157.Niemand kan op non-activiteit gesteld of gehouden worden op het einde van de maand waarin hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt indien hij dertig jaar diensten telt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op pensioen.

De bepaling van lid 1 is niet van toepassing op de personeelsleden die ter beschikking werden gesteld wegens bijzondere opdracht.

Art. 158.Een wachtgeld kan worden verleend aan ter beschikking gestelde personeelsleden. Het wachtgeld, de uitkeringen en vergoedingen, die eventueel aan deze personeelsleden worden toegekend, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling welke geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in actieve dienst. HOOFDSTUK IV. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en gedeeltelijk opdrachtverlies Afdeling 1. - Voorafgaande bepalingen

Art. 159.§ 1. Wanneer een cursus, na advies van de Hoge Kunstraad zoals bepaald door het decreet, door de Regering, op eigen initiatief of op aanvraag van de directeur van de hogere kunstschool, wordt gewijzigd, dan wordt het personeelslid dat in die cursus in vast verband benoemd is, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies indien hij geen houder is van het bekwaamheidsbewijs dat voor die cursus vereist is. § 2. Wanneer een onderwijsactiviteit, geheel of gedeeltelijk, niet meer wordt georganiseerd omdat geen student daar ingeschreven is of omdat het aantal studenten die daar ingeschreven zijn, verminderd is, dan wordt het met de betrokken activiteit belaste personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies.

In het in lid 1 bedoelde geval, kan de Regering geen ander personeelslid aanstellen om dezelfde onderwijsactiviteit uit te oefenen.

Art. 160.§ 1. Een personeelslid dat in een hoofdambt in vast verband benoemd is, wordt pas door de Regering ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies nadat, in de hierna bepaalde volgorde, een einde is gemaakt aan de diensten van de personeelsleden die hetzelfde ambt uitoefenen en dezelfde cursussen verstrekken : 1° als bijambt in de hogere kunstschool;2° tijdelijk voor bepaalde tijd in de hogere kunstschool en met inachtneming van hun dienstanciënniteit;3° tijdelijk voor onbepaalde tijd in de hogere kunstschool en met inachtneming van hun dienstanciënniteit. § 2. Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies en uren van hetzelfde toe te kennen ambt en dezelfde toe te kennen cursussen vacant worden, moet de directeur van de hogere kunstschool die prioritair aan dat personeelslid toekennen, voordat de vacature wordt verklaard zoals bepaald in artikel 100.

Wanneer een personeelslid dat een gedeeltelijk opdrachtverlies ondergaat, zich kandidaat stelt voor een vacante betrekking van het ambt waarin hij in vast verband benoemd is, maar voor andere toe te kennen cursussen waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs bezit of waarvoor hij een artistieke, professionele of wetenschappelijke beroemdheid heeft verworven en de in artikel 100 bedoelde betrekking hem wordt toegekend met inachtneming van de in artikel 104 van dit decreet bepaalde procedure, dan wordt het personeelslid onmiddellijk definitief titularis van die cursussen.

Art. 161.Nadat de in artikel 160, § 1, bedoelde bepalingen toegepast zijn, verliest het in vast verband benoemd personeelslid die de kleinste dienstanciënniteit telt zijn betrekking of een deel van zijn opdracht in het betrokken ambt of in de toe te kennen cursussen.

In geval van ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies, kan het personeelslid, voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in lid 1, maximaal tien jaar dienstanciënniteit doen gelden die in vast verband in een ander niveau van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs werd verkregen.

Art. 162.Bij gelijke dienstanciënniteit, verliest het jongste personeelslid zijn betrekking of een deel van zijn opdracht.

Art. 163.De dienstanciënniteit bedoeld in de artikelen 128, lid 2, 143, 160, § 1, 161, lid 1 en 162 wordt berekend op de volgende wijze : 1° alle diensten die tijdelijk in de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap werden gepresteerd, komen in aanmerking voor een anciënniteit die gelijk is aan het aantal dagen geteld van het begin tot het einde van de gepresteerde diensten;2° de diensten die in de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap in vast verband werkelijk werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties, worden per kalendermaand berekend, waarbij deze die niet de gehele maand dekken, niet in aanmerking worden genomen.3° de diensten die werkelijk werden gepresteerd in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat ten minste de helft van het in het ambt met volledige dienstprestaties vereiste aantal uren telt, worden in aanmerking genomen op dezelfde wijze als de diensten gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties;4° het aantal dagen verkregen in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat dit aantal uren niet omvat, wordt met de helft verminderd;5° dertig dagen vormen één maand;6° de duur van de diensten die in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige dienstprestaties werkelijk werden gepresteerd mag nooit langer zijn dan de duur van de diensten die werden gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties die gedurende dezelfde periode werden uitgeoefend;7° de duur van de door het personeelslid werkelijk gepresteerde diensten mag nooit langer zijn dan twaalf maanden voor een kalenderjaar;8° het bevallingsverlof en het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit.Voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden worden de verlofdagen alleen gedurende de aanstellingsperiode in aanmerking genomen. Afdeling 2. - Gedeeltelijk opdrachtverlies

Art. 164.Wanneer een personeelslid dat een hoofdambt uitoefent, binnen de hogere kunstschool niet meer een aantal uren presteert dat gelijk is aan het aantal uren dat hij op het ogenblik van zijn benoeming presteerde, wordt hij geacht een gedeeltelijk opdrachtverlies te ondergaan.

Het personeelslid met een gedeeltelijk opdrachtverlies blijft ter beschikking van de hogere kunstschool tot beloop van het aantal uren dat overeenstemt met de prestaties die hij uitoefende voordat hij geacht werd een gedeeltelijk opdrachtverlies te ondergaan.

Hij behoudt het genot van zijn wedde. Afdeling 3. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van

betrekking

Art. 165.§ 1. Wanneer, met inachtneming van de artikelen 160 tot 162, de betrekking als hoofdambt van een in vast verband benoemd personeelslid afgeschaft is, wordt dat personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

Het personeelslid geniet een wachtwedde die gelijk is aan zijn laatste activiteitswedde en kan zijn aanspraken op een mandaat van directeur of adjunct-directeur gedurende twee academiejaren doen gelden.

Vanaf het derde academiejaar, wordt de wachtwedde elk jaar met 10 % verminderd, maar kan niet lager zijn dan zoveel keer één dertigste van de wedde die het personeelslid als dienstjaren telt op de datum waarop hij ter beschikking wordt gesteld.

Die beslissing kan niet als gevolg hebben de wachtwedde te verminderen tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het betrokken personeelslid recht zou hebben indien hij de regeling van de sociale zekerheid voor werknemers zou genieten.

Voor de toepassing van deze paragraaf, dient onder dienstjaren te worden verstaan deze die in aanmerking komen voor de bepaling van het rustpensioen. § 2. Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking blijft ter beschikking van de hogere kunstschool tot beloop van het aantal uren dat overeenstemt met de prestaties die hij uitoefende voordat hij ter beschikking werd gesteld.

De uitoefening van de taken die de hogere kunstschool hem toewijst kan echter niet leiden tot het behoud van de betrekking van het afgeschafte ambt.

Wanneer, overigens, de wachtwedde van het personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld wordt, tot een bepaald percentage verminderd wordt, dan wordt het aantal prestatie-uren in gelijke verhouding verminderd.

Art. 166.Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, blijft behoren tot het aantal betrekkingseenheden dat overeenkomstig artikel 52 van dit decreet aan de hogere kunstschool toegekend is.

Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking blijft kandidaat voor een verandering van voorlopige aanstelling in een vacante betrekking van een hogere kunstschool van de Franse Gemeenschap.

Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kan zich kandidaat stellen voor een verandering van voorlopige aanstelling in een vacante betrekking van een hogere kunstschool van een ander net.

De verandering van voorlopige aanstelling kan echter alleen geschieden met de instemming, naar gelang van het geval, van de Regering of van de Regering en de inrichtende macht van beide betrokken hogere kunstscholen. De verandering van voorlopige aanstelling schorst de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking.

Art. 167.Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, geeft er de directeur van de hogere kunstschool kennis van aan de Regering binnen de tien dagen.

Wanneer een personeelslid, binnen zijn instelling, wegens ontstentenis van betrekking, een aantal uren niet meer presteert dat gelijk is aan dat waarvoor hij bezoldigd is, dan geeft de directeur van de hogere kunstschool er kennis van aan de Regering binnen de tien dagen. HOOFDSTUK V. - Preventieve schorsing

Art. 168.§ 1. Wanneer het belang van de dienst of van het onderwijs zulks vereist, kan een procedure van preventieve schorsing worden ingesteld ten aanzien van een in vast verband benoemd personeelslid : 1° indien hij strafrechtelijk vervolgd wordt;2° vóór de toepassing van tuchtsancties of indien tuchtsancties tegen hem worden uitgesproken;3° zodra de Regering hem, bij aangetekend schrijven, kennis geeft van de vaststelling van een onverenigbaarheid. § 2. De bij dit hoofdstuk geregelde preventieve schorsing is een louter administratieve maatregel, die niet van de aard van een sanctie is.

Ze wordt door de Regering uitgesproken en met redenen omkleed. Ze heeft tot gevolg dat het personeelslid uit zijn ambt wordt verwijderd..

Gedurende de duur van de preventieve schorsing, blijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit. § 3. Voordat een maatregel tot preventieve schorsing wordt getroffen, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om gehoord te worden door de administrateur-generaal van Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek of, behalve voor de personeelsleden van de inspectiedienst, door de ambtenaar-generaal die hij daartoe machtigt.

De oproeping tot het verhoor alsook de redenen tot staving van de preventieve schorsing van het personeelslid worden drie werkdagen voor het verhoor, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, dat drie werkdagen na de datum van zijn verzending uitwerking heeft, ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs, dat uitwerking heeft op de datum die op dat ontvangstbewijs vermeld staat.

Gedurende dat verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, door een advocaat of een vertegenwoordiger gekozen uit de personeelsleden die in dienstactiviteit zijn of in ruste gesteld uit het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs.

Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag bepaald voor het verhoor, en zelfs indien het personeelslid of diens vertegenwoordiger niet werden gehoord, dan wordt de beslissing meegedeeld aan het personeelslid bij een ter post aangetekend schrijven.

Indien deze beslissing tot een preventieve schorsing leidt, heeft ze uitwerking met ingang van de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending ervan. § 4. In afwijking van lid 1 van § 3, kan het personeelslid onmiddellijk uit zijn ambt worden verwijderd wegens een zware tekortkoming waarvoor hij op heterdaad betrapt is of wanneer de grieven die hem worden verweten zo zwaar zijn dat het, in het belang van het onderwijs, wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.

Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke verwijdering werd getroffen, moet de procedure tot preventieve schorsing worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Zo niet, dan eindigt de maatregel tot onmiddellijke verwijdering op het einde van voormelde termijn en kan het personeelslid uit de instelling wegens dezelfde zware tekortkoming of dezelfde grieven pas opnieuw worden verwijderd mits naleving van de procedure voor de preventieve schorsing zoals inzonderheid bedoeld in § 3 van dit artikel.

De maatregel tot onmiddellijke verwijdering wordt door de Regering uitgesproken.

Het onmiddellijk verwijderde personeelslid blijft in de administratieve stand dienstactiviteit. § 5. In het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid of in het kader van een tuchtvordering of vóór de eventuele toepassing van een tuchtvordering, kan de duur van de preventieve schorsing niet langer zijn dan één jaar, en, in het kader van een tuchtvordering, eindigt in ieder geval : 1° na zes maanden, indien geen voorstel tot tuchtstraf werd uitgesproken en aan het personeelslid binnen die termijn meegedeeld;2° de derde werkdag die volgt op de mededeling van het voorstel tot tuchtstraf, indien dat voorstel de terechtwijzing, de berisping of de afhouding op de wedde is;3° voor een voorstel tot tuchtstraf, anders dan deze die bedoeld zijn in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling van de tuchtstraf aan het personeelslid, indien dat lid geen beroep tegen dat voorstel heeft ingediend;4° voor een voorstel tot tuchtstraf, anders dan deze die bedoeld zijn in punt 2°, tachtig kalenderdagen na de mededeling aan de Regering van het advies van de raad van beroep over het voorstel tot tuchtstraf uitgesproken ten aanzien van het personeelslid;5° de dag waarop de tuchtstraf uitwerking heeft. In het kader van een strafvervolging, is de duur van de preventieve schorsing niet tot één jaar beperkt.

Wanneer een tuchtvordering ingesteld wordt of voortgezet wordt na een in kracht van gewijsde gegaan gerechtelijke beslissing tot strafveroordeling, dan begint de termijn van één jaar bedoeld in lid 1 pas na de uitspraak van de definitieve veroordeling te lopen. § 6. In het kader van een tuchtvordering of vóór de eventuele toepassing van een tuchtvordering, moet de preventieve schorsing om de drie maanden met ingang van de uitwerking schriftelijk worden bevestigd.

Die bevestiging wordt meegedeeld aan de betrokkene bij een ter post aangetekend schrijven.

Wordt de preventieve schorsing binnen de vereiste termijn niet bevestigd, dan mag het betrokken personeelslid zijn ambt opnieuw uitoefenen nadat hij de Regering daarvan, bij aangetekend schrijven, op de hoogte heeft gebracht, ten minste tien werkdagen voordat hij opnieuw gaat werken.

Na ontvangst van die kennisgeving, kan de Regering het behoud van de preventieve schorsing volgens de in lid 2 bepaalde procedure bevestigen.

Art. 169.Ieder preventief geschorst personeelslid behoudt zijn recht op de wedde.

In afwijking van lid 1, wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid : 1° dat verdacht of beklaagd wordt in het kader van een strafvervolging;2° tegen wie een niet definitieve veroordeling tot straf is uitgesproken tegen welke het personeelslid gebruik heeft gemaakt van zijn gewone beroepsrechten;3° tegen wie een tuchtvordering werd ingesteld of voortgezet na een definitieve veroordeling tot straf;4° tegen wie een tuchtvervolging werd ingesteld wegens een zware tekortkoming waarvoor hij op heterdaad betrapt is of waarvoor bewijskrachtige aanwijzingen voorhanden zijn en die ter beoordeling van de minister staat;5° tegen wie een voorstel tot tuchtstraf bedoeld in artikel 171, 5°, 6° en 7°, wordt ingediend, op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld. Deze weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde verminderd wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid voor werknemers.

Voor de toepassing van lid 2, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of waarop een niet definitieve veroordeling tegen hem is uitgesproken.

Voor de toepassing van lid 2, 3°, wordt die reeds krachtens lid 2, 1° of 2° verrichte weddevermindering behouden na de definitieve veroordeling indien de Regering aan het personeelslid haar voornemen mededeelt om de tuchtvordering in te stellen of voort te zetten.

Voor de toepassing van lid 2, 4°, heeft de weddevermindering uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop aan het personeelslid door de Regering kennis wordt gegeven van de toepassing van dat lid 2, 4°.

Voor de toepassing van lid 2, 5°, heeft die weddevermindering uitwerking met ingang van de dag waarop het voorstel tot tuchtstraf aan het personeelslid voorgelegd of meegedeeld wordt.

Art. 170.Op het einde van de tuchtvordering of de strafrechtelijke vordering, wordt de maatregel tot weddevermindering ingetrokken, behalve indien : 1° de Regering het personeelslid één van de sancties bepaald in artikel 171, 5°, 6° en 7° van dit decreet oplegt;2° artikel 209, 2°, b) en 5° wordt toegepast;3° het personeelslid een definitieve veroordeling tot straf, die al dan niet wordt gevolgd door een tuchtvordering, ondergaat. Wanneer de maatregel tot weddevermindering met toepassing van lid 1 wordt ingetrokken, ontvangt het personeelslid het aanvankelijk afgehouden aanvullend bedrag van zijn wedde, vermeerderd met de verwijlintresten, berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sedert de eerste dag waarop de vermindering werd verricht.

De bedragen die door het personeelslid gedurende de preventieve schorsing werden ontvangen, blijven hem vervallen.

Indien de wedde van het personeelslid werd verminderd met toepassing van artikel 169 en indien op het einde van de tuchtvordering een straf van tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een duur die korter is dan de duur van de maatregel tot weddevermindering, dan wordt deze ingetrokken voor de periode die langer is dan de duur van de tuchtschorsing en geniet het personeelslid in dat geval het aanvullend deel van zijn wedde, ten onrechte afgehouden gedurende deze periode, vermeerderd met de verwijlintresten, berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sedert de dag waarop de vermindering werd verricht.

Lid 4 is niet van toepassing in het kader van een tuchtvordering die na een definitieve veroordeling tot straf werd ingesteld of voortgezet. HOOFDSTUK VI. - Tuchtregeling Eerste Afdeling. - Tuchtstraffen

Art. 171.Aan de vastbenoemde personeelsleden die hun plicht niet nakomen, kunnen de volgende tuchtstraffen worden opgelegd : 1° de terechtwijzing;2° de berisping;3° de afhouding op de wedde;4° de overplaatsing bij tuchtmaatregel;5° de schorsing bij tuchtmaatregel;6° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;7° de afzetting. In het geval van een onderwijzend personeelslid, stelt de directeur van de hogere kunstschool, op advies van de pedagogische beheersraad, de bij lid 1 bedoelde straffen voor.

In het geval van een directeur, van een adjunct-directeur, stelt de ambtenaar met de hoogste rang van het Bestuur waaronder de hogere kunstschool ressorteert de bij lid 1 bedoelde straffen voor.

Art. 172.De tuchtstraffen worden door de Regering uitgesproken.

Art. 173.De afhouding op de wedde wordt toegepast voor een periode van minstens één maand en van hoogstens drie maanden. Zij mag niet meer dan één vijfde van de bruto activiteits- of wachtwedde bedragen.

Art. 174.De schorsing bij tuchtmaatregel mag niet worden uitgesproken voor meer dan één jaar. Zij heeft de halvering van de wedde tot gevolg.

Art. 175.De duur van de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel wordt bepaald door de overheid die de straf oplegt; zij mag niet minder dan één jaar bedragen en vijf jaar niet overschrijden.

Gedurende de eerste twee jaar geniet het personeelslid een wachtgeld dat gelijk is aan de helft van de activiteitswedde. Zonder dat het laatst vermelde bedrag mag worden overschreden, wordt het wachtgeld vervolgens vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou bekomen indien hij vroegtijdig in ruste was gesteld.

Het personeelslid mag zijn wederopneming in het onderwijs aanvragen na het verstrijken van de helft van de duur van zijn straf.

Art. 176.De afhouding op de wachtwedde of de toekenning van een wachtwedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid verminderd wordt op een bedrag dat lager is dan de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben indien hij onder de regeling voor de sociale zekerheid voor werknemers zou vallen.

Art. 177.Geen straf mag worden voorgesteld dan nadat het personeelslid vooraf is gehoord of ondervraagd. De betrokkene mag gebruik maken van de rechten die het syndicaal statuut hem toekent.

Hij kan beroep instellen bij de raad van beroep volgens de procedure bedoeld bij de artikelen 191 en volgende.

Art. 178.De tuchtprocedure mag enkel betrekking hebben op feiten die vastgesteld werden gedurende het jaar dat voorafgaat aan de datum van het begin van de procedure.

In geval van strafvordering, dient met de tuchtprocedure begonnen te worden binnen de zes maanden van de kennisneming van de definitieve gerechtelijke beslissing door de overheid die de tuchtstraf moet voorstellen.

Art. 179.Geen enkele straf mag uitwerking hebben voor de periode die voorafgaat aan de uitspraak ervan.

Art. 180.Elke straf wordt in het beoordelingsdossier opgetekend.

Art. 181.De strafvordering met betrekking tot de feiten waarvoor een tuchtprocedure werd ingesteld schorst de tuchtprocedure en -uitspraak, behalve in geval van ontdekking op heterdaad of indien de feiten vatsgesteld werden, in verband met het beroep, en bekend door het personeelslid.

Ongeacht het resultaat van de strafvordering, behoudt de administratieve overheid de bevoegdheid recht te spreken over de toepassing van de tuchtstraffen.

Nochtans wordt de tuchtoverheid, in deze beoordeling, gebonden door de materialiteit van de feiten, die definitief door de strafbeslissing werd vatsgesteld. Afdeling 2. - Schrapping van tuchtstraffen

Art. 182.De schrapping van een tuchtstraf geschiedt ambtshalve na een termijn van : 1° één jaar voor de terechtwijzing en de berisping;2° drie jaar voor de afhouding op de wedde en de verplaatsing bij tuchtmaatregel;3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel. De termijn heeft uitwerking vanaf de datum van de tuchtbeslissing.

Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf heeft de schrapping tot gevolg dat er geen rekening meer kan worden gehouden met de geschrapte tuchtstraf, inzonderheid voor de toegang tot een mandaat van directeur of adjunct-directeur. De geschrapte tuchtstraf wordt weggenomen van het dossier van het personeelslid. HOOFDSTUK VII.- Raad van beroep

Art. 183.Bij de Regering wordt een raad van beroep ingesteld, genoemd : raad van beroep van de Hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap.

Art. 184.De raad van beroep behandelt : 1° de beroepen ingediend inzake onverenigbaarheden;2° de beroepen ingediend inzake beoordeling;3° de beroepen ingediend tegen elk voorstel tot tuchtstraf;4° de beroepen ingediend door de personeelsleden die tijdelijk aangewezen zijn tegen elk voorstel van afdanking in de bij de artikelen 115 en 117 bedoelde gevallen.

Art. 185.De raad van beroep bestaat uit een voorzitter en zes leden.

Art. 186.De Regering stelt de voorzitter en de twee plaatsvervangende voorzitters aan onder de ambtenaren-generaal van het ministerie.

Art. 187.De Regering stelt de leden aan van de raad van beroep onder de vastbenoemde personeelsleden van de Hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap. De personeelsleden moeten minstens 35 jaar oud zijn en een dienstanciënniteit van minstens tien jaar tellen in het hoger kunstonderwijs van de Franse Gemeenschap.

De leden van de raad van beroep bedoeld bij vorig lid worden aangesteld, voor de helft, onder de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en voor de helft op de lijsten van twee kandidaten voorgedragen door iedere van de verenigingen die de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigen aangesloten bij een vereniging die zitting heeft bij de Nationale Arbeidsraad, waarbij iedere vereniging over minstens één vertegenwoordiger beschikt.

Art. 188.Onder dezelfde voorwaarden stelt de Regering twee plaatsvervangende leden voor elk werkend lid aan.

Art. 189.De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangende leden worden voor een periode van vier jaar aangesteld. Hun mandaat kan worden vernieuwd.

De vervanger van een lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.

Art. 190.De Regering stelt een secretaris en twee plaatsvervangende secretarissen aan onder de ambtenaren van het ministerie.

Zij nemen het secretariaat waar zonder stemgerechtigd te zijn.

Art. 191.§ 1. Ieder personeelslid dat verzocht wordt een voorstel tot tuchtstraf hem aangaande te viseren, heeft het recht langs de hiërarchische weg een beroep in te stellen voor de raad van beroep, binnen een termijn van 20 dagen, te rekenen vanaf de datum waarop het voorstel hem ter visering werd voorgelegd.

Indien de betrokkene geen beroep heeft ingesteld binnen de bepaalde termijn wordt het voorstel tot tuchtstraf rechtstreeks aan de Regering overgezonden. § 2. Het beroep inzake onverenigbaarheid alsook het beroep inzake beoordeling worden langs de hiërarchische weg ingediend, binnen een termijn van 20 dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de kennisgeving van de onverenigbaarheid werd gedaan of de datum waarop de directeur van zijn beslissing, zoals bedoeld bij artikel 139, lid 3, kennis heeft gegeven. § 3. Het beroep van een voor onbepaalde tijd aangeworven tijdelijk personeelslid tegen een voorstel van afdanking bedoeld bij artikel 115 wordt langs de hiërarchische weg ingediend binnen een termijn van 10 dagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het voorstel tot afdanking. § 4. Het beroep van een voor onbepaalde tijd aangeworven tijdelijk personeelslid tegen een voorstel van afdanking bedoeld bij artikel 117 wordt langs de hiërarchische weg ingediend binnen een termijn van 10 dagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het voorstel tot afdanking.

Art. 192.Het beroep inzake onverenigbaarheid, het voorstel van tuchtstraf geviseerd door belanghebbende, het voorstel van afdanking geviseerd door belanghebbende, het beroep dat hij ingediend heeft alsook alle stukken die betrekking hebben op de beoordeling van het belanghebbende personeelslid, worden overgezonden naargelang het geval aan de raad van beroep, binnen een termijn van één maand, te rekenen van de datum van ontvangst van het beroep.

Art. 193.De raad van beroep mag niet beraadslagen over een beroep indien de verzoeker niet in de mogelijkheid werd gesteld zijn verweermiddelen te doen gelden en indien het dossier niet de gegevens bevat, die het de raad mogelijk moeten maken met volledige kennis van zaken een advies uit te brengen, o.m. het verslag van het onderzoek, de notulen van het getuigenverhoor en van de onontbeerlijke confrontaties.

Art. 194.Behalve in geval van strafvervolging, moet de raad van beroep, voor de gevallen bedoeld bij artikel 184, 1°, 2° en 3°, binnen drie maanden na het ontvangen van het volledig dossier, een advies uitbrengen. De Regering kan het advies dringend vragen, doch in dat geval mag de termijn niet minder bedragen dan één maand.

In het geval van een beroep ingediend tegen een voorstel van afdanking zoals bedoeld bij artikel 184, 4°, mag de termijn niet langer zijn dan één maand.

Art. 195.Zodra een beroep ingesteld wordt, deelt de voorzitter aan de verzoeker de lijst mede van de werkende en plaatsvervangende leden van de raad van beroep.

Binnen tien dagen na de ontvangst van deze lijst, mag de verzoeker de wraking van één of meer leden van de raad van beroep vragen : maximaal drie leden aangewezen op de voordracht van de vakverenigingen en drie leden rechtstreeks door de Regering aangewezen. Hij mag evenwel geen werkend lid en zijn twee plaatsvervangers wraken.

Een lid mag vragen ontlast te worden, ingeval hij meent in de zaak een zedelijk belang te hebben of hij de mening is toegedaan dat men hem zou kunnen verwijten niet onpartijdig te zijn. De voorzitter beslist over het gevolg dat aan dit verzoek moet gegeven worden. Om dezelfde redenen, kan hij ook een lid van ambtswege ontslaan.

Art. 196.De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters mogen geen zitting hebben in een zaak die een personeelslid van een hogere kunstschool betreft, die onder hun bestuur ressorteert.

De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangende leden mogen geen zitting houden voor een zaak betreffende hun echtgenoot of een bloed- of aanverwante tot en met de vierde graad.

Art. 197.De verzoeker verschijnt persoonlijk. Hij kan bijgestaan worden door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde of in ruste gesteld zijnde personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap of door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging.

Indien de verzoeker, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, beschouwt de raad van beroep de zaak als niet meer bij hem aanhangig, en stuurt hij het dossier voor beslissing aan de Regering.

Art. 198.De raad van beroep beraadslaagt en beslist geldig indien de voorzitter en minstens vier leden aanwezig zijn.

Indien het bij artikel 1 bedoeld quorum niet bereikt wordt, roept de voorzitter een nieuwe vergadering bijéén binnen de veertien dagen.

Gedurende deze vergadering, zal een beslissing kunnen worden genomen wat ook het aantal aanwezige leden is.

Art. 199.Voor iedere zaak wijst de Regering een verslaggever aan onder de ambtenaren van het ministerie, die niet aan het onderzoek deel hebben genomen.

De verslaggever zet voor de raad van beroep objectief de voorgeschiedenis van de zaak en de uitslagen van het onderzoek uiteen.

Hij heeft het recht van repliek. Hij is niet stemgerechtigd.

Art. 200.De raad van beroep kan een bijkomend onderzoek bevelen, bezwarende en ontlastende getuigen horen. Na beraadslaging, stuurt hij zijn gemotiveerd advies naar de Regering. Bedoeld advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor en tegen, de stemming werd verkregen.

Art. 201.De stemming over het advies is geheim. De leden rechtstreeks door de Regering aangesteld en de leden aangesteld op de voordracht van de vakverenigingen moeten in gelijk aantal zijn om aan de stemming deel te nemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meer leden na loting.

Het advies wordt gegeven bij meerderheid der aanwezige leden. Voor de toepassing van de leden 1 en 2, worden de blanco stemmen en de onthoudingen niet als stemming beschouwd. Bij staking van stemmen wordt het advies als gunstig voor de verzoeker beschouwd.

Art. 202.De beslissing wordt door de Regering genomen binnen de maand die volgt op de ontvangst van het advies. Erin wordt melding gedaan van het met redenen omkleed advies van de raad van beroep of het gebrek aan advies. Iedere beslissing die niet overeenstemt met het advies van de raad van beroep wordt met redenen omkleed.

De Regering brengt haar beslissing ter kennis van de raad van beroep en van de verzoeker.

Art. 203.Het mandaat van de leden van de raad van beroep is kosteloos. Reis- en verblijfsvergoedingen kunnen hun evenwel worden toegekend volgens de bepalingen bepaald bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en bij het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries.

Art. 204.De werking van de raad van beroep, met inachtneming van de rechten van de verdediging en van het contradictoire karakter van de debatten, wordt door de Regering geregeld. HOOFDSTUK VIII. - Ambtsneerlegging Eerste Afdeling. - Ambtsneerlegging van de voor bepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden

Art. 205.De voor bepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelsleden worden ambtshalve en zonder vooropzegging uit hun ambt ontslagen : 1° indien zij niet regelmatig tijdelijk aangewezen werden, voor zover de onregelmatigheid niet door de Regering is begaan;2° indien zij niet meer voldoen aan de volgende voorwaarden : onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn, behoudens afwijking toegekend door de Regering; de burgerlijke en politieke rechten genieten; voldaan hebben aan de dienstplichtwetten; 3° indien zij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° indien zij zonder geldige reden hun betrekking verlaten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° indien zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke wetten en strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;6° indien vastgesteld wordt dat er een permanente arbeidsongeschiktheid bestaat zoals erkend overeenkomstig de wet of de verordening, die zij ervan verhindert hun ambt behoorlijk uit te oefenen;7° indien zij de normale leeftijd voor de inrustestelling hebben bereikt;8° op het einde van de termijn vermeld in de aanwijzingsakte en uiterlijk de laatste dag van het academiejaar gedurende hetwelk de aanwijzing plaatsheeft;9° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken in een welbepaald ambt en toe te kennen cursussen voor een personeelslid van dezelfde hogere kunstschool, dat definitief benoemd of voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld is;10° op het ogenblik van de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, in het geval van een aanwijzing zoals bedoeld bij artikel 105, § 1;11° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen beroep zoals bedoeld bij artikel 97 wordt ingesteld of indien het personeelslid een einde weigert te stellen, na uitputting van de procedure, aan de onverenigbare bezigheid;12° vanaf de ontvangst van het advies van de administratieve gezondheidsdienst waarbij het personeelslid definitief ongeschikt wordt verklaard;13° in het geval van een vaste benoeming in een ambt naar rata van de uren die het voorwerp maken van deze nieuwe benoeming, ten belope van een volledig ambt;14° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool in een bepaald ambt en toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet is door een voor bepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid;15° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken in een welbepaald ambt en toe te kennen cursussen voor een personeelslid van dezelfde hogere kunstschool, dat definitief benoemd of voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen is.In dat geval, verliest het personeelslid met de kleinste dienstanciënniteit zoals bedoeld bij artikel 163 voor het in acht genomen ambt en de toe te kennen cursussen, zijn betrekking.

Art. 206.Een voor bepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid kan vrijwillig zijn ambt neerleggen, mits vooropzegging van veertien dagen.

Het personeelslid geeft er kennis van aan de Regering bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag volgend op de datum van zijn verzending, en licht de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing in. Afdeling 2. - Ambtsneerlegging van de voor onbepaalde tijd tijdelijk

aangewezen personeelsleden

Art. 207.De voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelsleden worden ambtshalve en zonder vooropzegging uit hun ambt ontslagen : 1° indien zij niet regelmatig tijdelijk aangewezen werden, voor zover de onregelmatigheid niet door de Regering is begaan;2° indien zij niet meer aan de volgende voorwaarden voldoen : a) onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn, behoudens afwijking toegekend door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;3° indien zij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° indien zij zonder geldige reden hun betrekking verlaten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° indien zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke wetten en strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;6° indien vastgesteld wordt dat er een permanente arbeidsongeschiktheid bestaat zoals erkend overeenkomstig de wet of de verordening, die hen ervan verhindert hun ambt behoorlijk uit te oefenen;7° indien zij de normale leeftijd voor de inrustestelling hebben bereikt;8° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken voor een vastbenoemd onderwijzend personeelslid van dezelfde hogere kunstschool.In dat geval, verliest zijn betrekking het voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid dat de kleinste dienstanciënniteit telt zoals bedoeld bij artikel 163 voor het betrokken ambt en de toe te kennen cursussen. 9° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken voor een voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld onderwijzend personeelslid van dezelfde hogere kunstschool. In dat geval, verliest zijn betrekking het personeelslid dat de kleinste dienstanciënniteit telt zoals bedoeld bij artikel 163 voor het betrokken ambt en de toe te kennen cursussen. 10° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen beroep zoals bedoeld bij artikel 97 wordt ingesteld of indien het personeelslid een einde weigert te stellen, na uitputting van de procedure, aan de onverenigbare bezigheid;11° vanaf de ontvangst van het advies van de administratieve gezondheidsdienst waarbij het personeelslid definitief ongeschikt wordt verklaard;12° in het geval van een vaste benoeming in een ambt naar rata van de uren die het voorwerp uit te maken van deze nieuwe benoeming, ten belope van een volledig ambt;13° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool in een bepaald ambt en toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet is door een voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid.

Art. 208.Een voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid kan vrijwillig zijn ambt neerleggen, mits vooropzegging van vijftien dagen.

Het personeelslid geeft er kennis van aan de Regering bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag volgend op de datum van zijn verzending, en licht de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing in. Afdeling 3. - Ambtsneerlegging van vastbenoemde personeelsleden

Art. 209.De vastbenoemde personeelsleden worden ambtshalve en zonder vooropzegging uit hun ambt ontslagen : 1° indien zij niet regelmatig vastbenoemd werden, voor zover de onregelmatigheid niet door de Regering is begaan.De personeelsleden behouden de verworven rechten in verband met hun vorige regelmatige toestand; 2° indien zij niet meer aan de volgende voorwaarden voldoen : a) onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn, behoudens afwijking toegekend door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;3° indien zij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° indien zij zonder geldige reden hun betrekking verlaten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° indien zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke wetten en strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;6° indien vastgesteld wordt dat er een permanente arbeidsongeschiktheid bestaat zoals erkend overeenkomstig de wet of de verordening die zij ervan verhindert hun ambt behoorlijk uit te oefenen;7° indien zij de normale leeftijd voor de inrustestelling hebben bereikt;8° indien zij afgezet werden;9° indien de beroepsongeschiktheid definitief werd vastgesteld.Voor de personeelsleden die een beoordeling genieten, wordt de ongeschiktheid vastgesteld door het behouden van de vermelding "onvoldoende" gedurende twee opeenvolgende jaren vanaf de toekenning ervan; 10° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en indien geen beroep zoals bedoeld bij artikel 97 wordt ingesteld of indien het personeelslid een einde weigert te stellen, na uitputting van de procedure, aan de onverenigbare bezigheid;11° indien zij, zonder geldige reden, een nieuwe aanstelling toegekend na een verandering van aanstelling of van een mutatie weigeren;12° indien zij, zonder geldige reden, de uren die ze toegekend worden krachtens artikel 165, § 2, weigeren;13° indien zij in ruste worden gesteld wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid;14° in het geval van een vaste benoeming in een ander ambt naar rata van de uren die het voorwerp uitmaken van deze nieuwe benoeming, ten belope van een volledig ambt;15° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool in een bepaald ambt en toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet is door een vastbenoemd personeelslid die een bijambt uitoefent. Wanneer de definitieve ambtsneerlegging de toepassing van artikel 10 van de wet van 20 juli 1991 met zich meebrengt, stort de Franse Gemeenschap de bijdragen bepaald in dat artikel ter bestemming van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 210.De vrijwillige ontslagneming van het vastbenoemd personeelslid heeft de definitieve ambtsneerlegging tot gevolg. Het personeelslid mag zijn dienst enkel verlaten op voorwaarde ertoe behoorlijk gemachtigd te zijn geweest of na een vooropzegging van vijftien dagen. Het personeelslid geeft er kennis van aan de Regering bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van zijn verzending. Hij licht de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing in.

TITEL IV. - Statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde officiële Hogere kunstscholen HOOFDSTUK I. - Plichten en onverenigbaarheden Eerste afdeling. - Plichten

Art. 211.De personeelsleden moeten in alles steeds de belangen van het onderwijs van de inrichtende macht waar zij hun ambt bekleden, behartigen.

Art. 212.Tijdens de uitoefening van hun ambt, komen zij persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen na, die hun zijn opgelegd door de wetten, decreten, besluiten en verordeningen, door de verplichte bijkomende regels van de paritaire commissies zoals bedoeld bij de artikelen 308 en 309.

Art. 213.De personeelsleden moeten zich met de meest volstrekte correctheid gedragen, zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun omgang met de studenten als in hun omgang met een persoon van buiten de dienst.

Zij moeten alles wat afbreuk kan doen aan de eer en de waardigheid van hun ambt vermijden.

Art. 214.Zij mogen de studenten niet blootstellen aan handelingen van politieke, godsdienstige of filosofische propaganda of aan reclame.

Art. 215.De personeelsleden moeten, binnen de perken gesteld door de reglementering, door de bijkomende regels van de bevoegde paritaire commissie en door hun aanwijzingsakte, de diensten verstrekken die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de hogere kunstscholen waar zij hun ambt bekleden.

Zij mogen zonder voorafgaande toelating van de inrichtende macht of van haar vertegenwoordiger de uitoefening van hun ambt niet onderbreken.

Art. 216.De personeelsleden wordt verboden feiten bekend te maken, die zij zouden kennen ter oorzake van hun ambt en die van nature geheim zijn.

Art. 217.De personeelsleden wordt verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel te vragen, te eisen of aan te nemen.

Art. 218.Zij mogen zich niet inlaten met enige werkzaamheid die in strijd is met de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, die de vernietiging van 's Lands onafhankelijkheid op het oog heeft of die de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België strekkend tot het verzekeren van zijn veiligheid in gevaar brengt. Zij mogen niet toetreden tot, noch hun medehulp verschaffen aan een beweging, groepering, organisatie of vereniging met een soortgelijke werkzaamheid.

De uitoefening van de rechten van het Belgisch of Europees Staatsburgerschap, die de personeelsleden bezitten, wordt steeds geëerbiedigd.

Art. 219.De personeelsleden moeten de verplichtingen, schriftelijk vastgesteld in de aanwijzings- of benoemingsakte, die voortvloeien uit de specifieke aard van het pedagogisch en artistiek project van de inrichtende macht waarbij zij hun ambt, nakomen. Afdeling 2. - Onverenigbaarheden

Art. 220.Elke activiteit die het vervullen van de ambtsplichten zou kunnen belemmeren die voortvloeien uit de specifieke aard van het pedagogisch en artistiek project van deze inrichtende macht of die in strijd is met de waardigheid van hun ambt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van een gesubsidieerde officiële hogere kunstschool.

De bij lid 1 bedoelde onverenigbaarheden dienen te worden vermeld in elke aanwijzings- of benoemingsakte.

Art. 221.Bij betwisting van het bestaan van een bij artikel 220 bedoelde onverenigbaarheid kunnen de inrichtende macht of het personeelslid het advies vragen van de lokale paritaire commissie.

Het advies wordt uitgebracht binnen de dertig dagen van de ontvangst van de aanvraag.

Art. 222.De bij artikel 300 ingestelde raad van beroep beslist over de beroepen inzake onverenigbaarheden.

Wanneer het advies dat gevraagd werd aan de paritaire commissie bekomen is, of na het verstrijken van de termijn van dertig dagen bedoeld bij artikel 221, lid 2, maakt het personeelslid of de inrichtende macht de zaak aanhangig bij de raad van beroep die door middel van een advies beslist.

De eindelijke beslissing van de inrichtende macht moet in overeenstemming zijn met het bij lid 2 bedoeld advies. HOOFDSTUK II. - Werving Eerste afdeling. - Algemene bepalingen

Art. 223.§ 1. De personeelsleden worden tijdelijk aangewezen, vast benoemd of krijgen een mandaat toevertrouwd door de inrichtende macht. § 2. De personeelsleden worden aangeworven door de inrichtende macht op advies van de Wervingscommissie die zij daartoe opricht, overeenkomstig de artikelen 15 en 63 tot 67.

Bij § 2 worden de kandidaten die naar een mandaat van lector solliciteren, niet bedoeld.

Art. 224.De personeelsformatie wordt aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorgelegd door de directeur van de hogere kunstschool, op advies van de pedagogische beheersraad. Deze personeelsformatie wordt jaarlijks bepaald.

De wervingen, benoemingen en terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking van de personeelsleden worden voorgesteld door de directeur van de hogere kunstschool aan de inrichtende macht, op advies van de pedagogische beheersraad.

Uiterlijk voor 30 juni geeft de Regering kennis van het aantal betrekkingeneenheden toegekend aan de hogere kunstschool voor het volgend academiejaar.

Art. 225.Uiterlijk op 1 mei, maakt de inrichtende macht in het Belgisch Staatsblad een oproep tot de kandidaten bekend voor iedere vakante betrekking die te begeven is. Deze betrekkingen zijn toegankelijk voor de vastbenoemde personeelsleden bij mutatie of opdrachtuitbreiding, voor de voor onbepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden bij opdrachtuitbreiding en voor de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling.

Art. 226.Uiterlijk op 1 mei, maakt de inrichtende macht in het Belgisch Staatsblad een oproep tot de kandidaten bekend voor ieder vakant mandaat dat te begeven is. De mandaten van directeur en van adjunct-directeur zijn toegankelijk voor de vastbenoemde personeelsleden, voor de voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelsleden, voor de voor bepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelsleden en voor de kandidaten die aan de bij de artikelen 247 en 250 bedoelde voorwaarden voldoen.

Art. 227.Voor de werving van de (hoog)leraren, begeleiders en assistenten, vermeldt de oproep in het Belgisch Staatsblad : 1° het ambt en de toe te kennen cursussen;2° de omvang van de opdracht;3° de in te dienen dossiers met inzonderheid de documenten betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld bij artikel 68, de meldingen van de wetenschappelijke publicaties en de bewijzen van beroepservaring van diverse aard;4° het pedagogisch en artistiek project dat dient te worden ingediend met betrekking tot de toe te kennen cursussen;5° de vormen en de termijnen vereist voor het indienen van de dossiers en de projecten bedoeld bij 3° en 4°;6° de vormen en de termijnen vereist voor de mogelijke verschijning van de kandidaat voor de wervingscommissie. Voor de werving van de directeurs, en adjunct-directeurs, vermeldt de oproep in het Belgisch Staatsblad : 1° de aard van het mandaat en, desnoods, de te begeven onderwijsactiviteiten;2° de omvang van de opdracht;3° de in te dienen dossiers met inzonderheid de documenten betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld bij artikel 68, de meldingen van de wetenschappelijke publicaties en de bewijzen van beroepservaring van diverse aard;4° het pedagogisch en artistiek project dat dient te worden ingediend met betrekking tot het te begeven mandaat;5° de vormen en de termijnen vereist voor het indienen van de dossiers en de projecten bedoeld bij 3° en 4°;6° de vormen en de termijnen vereist voor de mogelijke verschijning van de kandidaat voor de wervingscommissie.

Art. 228.De kandidaat die naar verschillende betrekkingen solliciteert, dient een afzonderlijke kandidatuur voor elke betrekking in. Op straffe van nietigheid worden de kandidaturen bij een ter post aangetekend schrijven bij de inrichtende macht ingediend.

Art. 229.§ 1. De kandidaturen voor de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel die de voorwaarden bepaald bij artikel 227 vervullen, worden door de Wervingscommissie onderzocht. Deze commissie onderzoekt de pedagogische en artistieke projecten van de kandidaten.

Na onderzoek van de projecten selecteert de Commissie de kandidaten die gekozen werden voor een individueel onderhoud. De Wervingscommissie overhandigt de pedagogische beheersraad een met redenen omkleed verslag voor iedere kandidaat. De directeur zendt het verslag met het advies van de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht over. § 2. Voor de betrekkingen van (hoog)leraar en begeleider, is de Wervingscommissie er niettemin toe gehouden prioritair de aanvragen tot verandering van aanstelling van de personeelsleden van de hogere kunstscholen van de inrichtende macht te onderzoeken.

De directeur legt daarna een met redenen omkleed voorstel aan de inrichtende macht voor, die beslist.

Art. 230.§ 1. Wanneer een hogere kunstschool een vervanging van een onderwijzend personeelslid wenst te verrichten, kan de inrichtende macht een persoon aanwijzen in afwijking van de procedure bedoeld bij de artikelen 225 tot 228 op de voordracht van de directeur, na advies van de Wervingscommissie en van de pedagogische beheersraad.

Deze aanstelling neemt een einde bij de terugkeer van de titularis van de betrekking en in elk geval op het einde van het academiejaar gedurende hetwelk de aanstelling plaats heeft gegrepen. Deze aanstelling mag in geen enkel geval aanleiding geven tot een aanstelling voor onbepaalde tijd. § 2. Wanneer de hogere kunstschool een betrekking wenst te begeven, die vakant is geworden na de bekendmaking van de oproep bedoeld bij de artikelen 225 en 226, is de procedure bepaald bij lid 1 van § 1 van toepassing.

Deze aanstelling kan in geen enkel geval aanleiding geven tot een aanstelling voor een onbepaalde duur. Afdeling 2. - Tijdelijke aanstelling

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 231.Iedere aanstelling geschiedt schriftelijk en vermeldt minstens : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° het uit te oefenen ambt alsook de kenmerken en de omvang van de opdracht;4° de datum van indiensttreding;5° de datum waarop de aanstelling een einde neemt voor de aanstellingen voor bepaalde tijd;6° of de betrekking al dan niet vakant werd verklaard overeenkomstig de oproep bedoeld bij de artikelen 225 en 226;7° wanneer de betrekking niet vakant werd verklaard, de identiteit van de titularis;8° desnoods, de verplichtingen bepaald bij de artikelen 212 en 219 en de onverenigbaarheden bedoeld bij artikel 220. De inrichtende macht verleent aan het tijdelijk personeelslid een schriftelijke akte waarin de meldingen bepaald bij lid 1 opgenomen zijn. Zo er geen schriftelijke akte is, dan wordt het personeelslid geacht voor het ambt, de opdracht en de betrekking aangesteld te zijn dat (die) hij in werkelijkheid bekleedt. Naargelang het geval, wordt hij geacht aangesteld te zijn voor een bepaalde of onbepaalde duur.

Art. 232.Op het einde van iedere activiteitsperiode bezorgt de inrichtende macht aan het tijdelijk personeelslid een attest waarin de verrichte diensten per uitgeoefend ambt vermeld worden, met de datums van begin en einde, alsook de omvang van de opdracht en de sociale documenten.

Art. 233.§ 1. Voor elke betrekking in het ambt van (hoog)leraar of begeleider, die vakant werd verklaard volgens de procedure bedoeld bij artikel 225, worden de tijdelijke aanstellingen door de inrichtende macht gedaan. Ze gebeuren eerst voor een bepaalde duur, voor één academiejaar maximum. Deze aanstelling voor bepaalde tijd kan vernieuwd worden voor maximum één academiejaar. Op het einde van de aanstelling of de aanstellingen bedoeld bij lid 1, wordt het personeelslid dat een nieuwe aanstelling krijgt aangesteld voor een onbepaalde duur, voor zover het personeelslid een hoofdambt bekleedt.

De aanstelling voor onbepaalde tijd kan nochtans enkel geschieden indien de gecumuleerde duur van de aanstellingen voor bepaalde tijd minimum één academiejaar bedraagt. § 2. Voor elke betrekking in het ambt van assistent, die vakant werd verklaard volgens de procedure bedoeld bij artikel 226, worden de tijdelijke aanstellingen door de inrichtende macht gedaan. Ze gebeuren eerst voor een termijn van één academiejaar, die tot vijf maal vernieuwd kan worden op het gebied van de muziek, en voor twee academiejaren twee maal hernieuwbaar op andere gebieden.

Art. 234.Niemand kan als tijdelijk personeelslid aangesteld worden, indien hij niet voldoet aan de onderstaande voorwaarden als hij deze aanstelling toegewezen krijgt : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het te begeven ambt, zoals bepaald bij artikel 82;4° a) indien het om een aanstelling voor bepaalde tijd gaat, bij de indiensttreding een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeesleden in gevaar kan brengen;b) indien het om een aanstelling voor onbepaalde tijd gaat, een medisch onderzoek succesvol te hebben ondergaan ter controle van de lichamelijke geschiktheid zoals bepaald door de Regering;5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten. § 2. Bij de eerste aanstelling in het onderwijs, legt het personeelslid de eed af in de woorden bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.

Onderafdeling 2. - Aanstelling voor een bepaalde tijd van (hoog)leraren en begeleiders

Art. 235.Niemand kan als tijdelijk personeelslid in het ambt van (hoog)leraar of begeleider aangesteld worden, indien hij op het ogenblik van deze aanstelling, naast de voorwaarden bepaald bij artikel 234, ook de volgende voorwaarden niet vervult : 1° een pedagogisch en artistiek project indienen en aan de Wervingscommissie voorstellen;2° het bewijs leveren van een nuttige ervaring buiten het onderwijs van vijf jaar in een kunstpraktijk voor de betrekkingen van (hoog)leraar voor kunstvakken en begeleider;3° het bewijs leveren van een nuttige ervaring buiten het onderwijs van twee jaar voor de betrekkingen van (hoog)leraar technische vakken. De nuttige ervaring buiten het onderwijs, bedoeld bij lid 1, 2° en 3° dient in direct verband te staan met de toe te kennen cursussen.

Art. 236.§ 1. Uiterlijk op het einde van de zittijd juni, stelt de directeur van de hogere kunstschool een verslag op over de manier waarop het personeelslid zijn opdracht heeft vervuld.

Dit verslag, dat door betrokkene dient te worden geviseerd en gedateerd, wordt aan de inrichtende macht toegezonden. Het personeelslid krijgt er een afschrift van.

Op het verslag verschijnt een van de volgende meldingen : « heeft voldaan », « heeft gedeeltelijk voldaan », « heeft niet voldaan ».

Indien het door de directeur opgestelde verslag de melding « heeft voldaan » draagt en het personeelslid dat een vakante betrekking bekleedde opnieuw aangesteld wordt, zo gebeurt dit voor onbepaalde tijd. Deze nieuwe aanstelling gebeurt prioritair tegenover elke wijziging van affectatie, ambt, mutatie of opdrachtuitbreiding.

Wanneer de directeur van de hogere kunstschool geen verslag met de vermelding « heeft voldaan » heeft opgesteld, moet de inrichtende macht het personeelslid horen alvorens een beslissing te nemen.

Gedurende dit verhoor, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde of in ruste gestelde personeelsleden van het onderwijs van de inrichtende macht of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie. De procedure gaat door wanneer het personeelslid weigert het verslag te viseren of niet verschijnt op het verhoor. Indien het door de directeur opgestelde verslag de melding « heeft gedeeltelijk voldaan » draagt, en het personeelslid dat een vakante betrekking bekleedde opnieuw wordt aangesteld, wordt hij verplicht als tijdelijke voor bepaalde tijd aangesteld. Wanneer de betrekking vacant blijft op het begin van het academiejaar, heeft de nieuwe aanstelling plaats voor maximum één academiejaar prioritair aan elke wijziging van affectatie, ambt, mutatie of opdrachtuitbreiding.

Indien het door de directeur van de Hogere kunstchool opgestelde verslag de melding « heeft niet voldaan » draagt, mag de inrichtende macht in geen geval de aanstelling opnieuw bevestigen.

Bij gebrek aan verslag, wordt het personeelslid geacht een verslag te hebben bekomen met de melding « heeft voldaan ». § 2. Wanneer het personeelslid een verslag met de melding « heeft gedeeltelijk voldaan » heeft gekregen en hij opnieuw voor dezelfde betrekking wordt gekozen voor maximaal één jaar, bestaan er voor de directeur van de hogere kunstschool enkel twee beoordelingen : een verslag met de melding « heeft voldaan » en een met de melding « heeft niet voldaan ».

Onderafdeling 3. - Aanstelling voor bepaalde tijd van assistenten

Art. 237.Niemand kan als tijdelijke aangesteld worden in een ambt van assistent als hij, op het ogenblik van de aanstelling, de bij artikel 234 bedoelde voorwaarden niet vervult en hij geen pedagogisch en artistiek project heeft ingediend en voor een Wervingscommissie voorgesteld.

Art. 238.De kandidaturen voor een ambt van assistent worden door de bij de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet bedoelde Wervingscommissie onderzocht. Na onderzoek van de door de kandidaten ingediende projecten, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking worden genomen voor een individueel onderhoud. De Wervingscommissie zendt voor iedere kandidaat een gemotiveerd verslag over aan de pedagogische beheersraad. De directeur zendt het verslag met het advies van de pedagogische beheersraad over aan de inrichtende macht.

Onderafdeling 4. - Aanstelling voor onbepaalde tijd van (hoog)leraren en begeleiders

Art. 239.De inrichtende macht stelt tijdelijk voor onbepaalde tijd de personeelsleden aan op het begin van het academiejaar, op de voordracht van de directeur van de hogere kunstschool na advies van de pedagogische beheersraad.

Onderafdeling 5. - Afdanking

Art. 240.§ 1. De inrichtende macht kan elk tijdelijk voor bepaalde tijd aangeworven personeelslid wegens zware tekortkoming zonder vooropzegging afdanken.

Wordt geacht als zware tekortkoming, elke tekortkoming die onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt elke beroepsmedewerking te onderhouden tussen het personeelslid en de inrichtende macht. § 2. Vanaf het ogenblik dat zij kennis heeft van elementen die van natuur zijn om de vaststelling van een zware tekortkoming te verantwoorden, roept de inrichtende macht bij een ter post aangetekende brief het personeelslid op een verhoor bij te wonen dat plaats moet vinden ten vroegste vijf dagen en uiterlijk tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief. De procedure gaat door wanneer het personeelslid niet op het verhoor verschijnt. § 3. Als de inrichtende macht acht dat er genoeg elementen zijn die een zware tekortkoming bewijzen, kan zij overgaan tot de afdanking binnen de drie dagen die volgen op de datum van het verhoor.

De afdanking gaat vergezeld van het bewijs van de werkelijkheid van de tenlastgelegde feiten.

Ze wordt medegedeeld aan het personeelslid, hetzij bij exploot van een gerechtsdeurwaarder, hetzij bij een ter post aangetekende brief met uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van verzending. § 4. Bij het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde personeelsleden of de gepensioneerden van het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie.

Art. 241.Mits vooropzegging van vijftien dagen, kan de inrichtende macht het personeelslid dat tijdelijk aangesteld werd voor bepaalde tijd op gemotiveerd voorstel van de directeur van de hogere kunstschool, na advies van de pedagogische beheersraad, afdanken. Het personeelslid wordt vooraf door de inrichtende macht gehoord binnen een termijn van vijf werkdagen vanaf zijn oproeping bij een ter post aangetekende brief. De procedure gaat door wanneer het personeelslid niet op het verhoor verschijnt.

Op straffe van nietigheid dient de afdanking met redenen omkleed te zijn.

Het tijdelijke personeelslid dat zijn vooropzeg heeft gekregen, kan binnen de tien dagen van de kennisgeving van de vooropzegging, een beroep instellen tegen de beslissing tot afdanking bij de raad van beroep.

Het beroep heeft geen schorsende kracht.

De raad van beroep zendt een advies over aan de inrichtende macht binnen een maximale termijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van het beroep.

De beslissing wordt genomen door de inrichtende macht binnen de dertig dagen na de ontvangst van het advies van de raad van beroep.

Art. 242.§ 1. De inrichtende macht kan elk tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven personeelslid wegens zware tekortkoming zonder vooropzegging afdanken.

Wordt geacht als zware tekortkoming, elke tekortkoming die onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt elke beroepsmedewerking te onderhouden tussen het personeelslid en de inrichtende macht. § 2. Vanaf het ogenblik dat zij kennis heeft van elementen die van natuur zijn om de vaststelling van een zware tekortkoming te verantwoorden, roept de inrichtende macht bij een ter post aangetekende brief het personeelslid op een verhoor bij te wonen dat plaats moet vinden ten vroegste vijf dagen en uiterlijk tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief. De procedure gaat door wanneer het personeelslid niet op het verhoor verschijnt. § 3. Als de inrichtende macht acht dat er genoeg elementen zijn die een zware tekortkoming bewijzen, kan zij overgaan tot de afdanking binnen de drie dagen die volgen op de datum van het verhoor.

De afdanking gaat vergezeld van het bewijs van de werkelijkheid van de tenlastgelegde feiten.

Ze wordt medegedeeld aan het personeelslid, hetzij bij exploot van een gerechtsdeurwaarder, hetzij bij een ter post aangetekende brief met uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van verzending. § 4. Bij het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde personeelsleden of de gepensioneerden van het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie.

Art. 243.In het geval van een afdanking van een tijdelijke voor onbepaalde tijd, is de procedure bepaald bij artikel 241 van toepassing, met uitzondering van de duur van de vooropzeg die minstens drie maanden bedraagt en van het advies van de raad van beroep dat, in dit geval, bindend is voor de inrichtende macht.

De termijn van de vooropzeg wordt vermeerderd met minstens drie maanden vanaf het begin van iedere nieuwe periode van aanstelling van vijf jaar. Afdeling 3. - Mandaten

Onderafdeling 1. - Mandaten van lector

Art. 244.Het mandaat van lector wordt toegewezen door de inrichtende macht op de voordracht van de directeur, na advies van de pedagogische beheersraad, voor een bepaalde duur.

Art. 245.Wanneer het mandaat een opdracht inhoudt die gelijk is aan of groter is dan de helft van een volledige opdracht, wordt de duur ervan tot zes maanden beperkt. In de andere gevallen wordt het tot negen maanden beperkt.

Onderafdeling 2. - Mandaten van adjunct-directeurs

Art. 246.Het mandaat van de adjunct-directeurs wordt hun toegewezen door de inrichtende macht voor een periode van vijf jaar, die vernieuwd kan worden.

Art. 247.Niemand kan een mandaat om het ambt van adjunct-directeur te bekleden toegewezen krijgen, indien hij niet voldoet aan de onderstaande voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° indien het om een eerste ambtsbekleding in het onderwijs gaat, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten.6° een pedagogisch en artistiek project indienen betreffende het bedoelde mandaat en het aan de Wervingscommissie voorstellen.

Art. 248.De kandidaturen voor een mandaat in een ambt van adjunct-directeur worden door de bij de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet bedoelde Wervingscommissie onderzocht. Zij beoordeelt het curriculum vitae van de kandidaten en onderzoekt hun pedagogisch et artistiek project. Na onderzoek van de projecten, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking werden genomen voor een afzonderlijk onderhoud. De Wervingscommissie zendt de pedagogische beheersraad een met reden omkleed verslag toe voor iedere kandidaat.

De directeur zendt het verslag met het advies van de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht over.

Onderafdeling 3. - Mandaat van directeur

Art. 249.Het mandaat van directeur wordt toegewezen door de inrichtende macht voor een periode van vijf jaar. Het mandaat kan vernieuwd worden op basis van een evaluatie verwezenlijkt door de pedagogische beheersraad bedoeld bij artikel 16.

Art. 250.Niemand kan een mandaat om het ambt van directeur te bekleden toegewezen krijgen, indien hij niet voldoet aan de onderstaande voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° indien het om een eerste ambtsbekleding in het onderwijs gaat, een medisch attest overleggen, dat niet langer dan zes maanden tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat de kandidaat in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten, noch die van de andere personeelsleden in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten.6° een pedagogisch en artistiek project indienen betreffende het bedoelde mandaat en het aan de Wervingscommissie voorstellen.

Art. 251.De kandidaturen voor een mandaat in een ambt van adjunct-directeur worden door de bij de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet bedoelde Wervingscommissie onderzocht. In afwijking van artikel 66 van dit decreet, wordt deze commissie voorgezeten door de vertegenwoordiger van de inrichtende macht of zijn afgevaardigde. De Wervingscommissie beoordeelt het curriculum vitae van de kandidaten en onderzoekt hun pedagogisch et artistiek project. Na onderzoek van de projecten, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking werden genomen voor een afzonderlijk onderhoud. De Wervingscommissie zendt de pedagogische beheersraad een met reden omkleed verslag toe voor iedere kandidaat. In afwijking van de artikelen 17 en 19 van dit decreet wordt deze pedagogische beheersraad voorgezeten door de vertegenwoordiger van de inrichtende macht of zijn afgevaardigde.

De voorzitter zendt het verslag met het advies van de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht over.

Onderafdeling 4. - Vervroegde beëindiging van de mandaten van directeur en adjunct-directeur

Art. 252.De inrichtende macht kan een vervroegd eind stellen aan ieder mandaat van een directeur of een adjunct-directeur die niet behoort tot het vastbenoemd onderwijzend personeel overeenkomstig de bepalingen over de afdanking bepaald bij de artikelen 240 en 241 van dit decreet.

Het vastbenoemd onderwijzend personeelslid kan ontheven worden van zijn mandaat van directeur of adjunct-directeur bij een beslissing van de inrichtende macht. Afdeling 4. - De vaste benoeming in een ambt van (hoog)leraar of

begeleider

Art. 253.Het personeelslid wordt vastbenoemd door de inrichtende macht, in het ambt waarvoor hij kandidaat was, indien hij het voorwerp was van een gemotiveerd voorstel van vaste benoeming geformuleerd door de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad.

Art. 254.Niemand kan vast benoemd worden, indien hij niet voldoet aan de onderstaande voorwaarden op het ogenblik van de vaste benoeming : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het te begeven ambt, zoals bepaald bij artikel 82;4° de vereiste lichamelijke geschiktheid bezitten, gecontroleerd door de Administratieve Gezondheidsdienst;5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;8° tijdelijk aangesteld zijn voor onbepaalde tijd;9° deze betrekking bekleden als hoofdambt;10° aan de voorwaarden inzake anciënniteit voldoen zoals bedoeld bij artikel 10, § 7, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs en, voor de (hoog)leraren kunst- of technische vakken, mits een nuttige ervaring in een kunst- of technische praktijk bedoeld bij artikel 235 van dit besluit.

Art. 255.De inrichtende macht benoemt in vast verband het personeelslid dat tijdelijk voor onbepaalde tijd aangesteld is en dat, voor het betrokken ambt en de toe te kennen cursussen, de grootste dienstanciënniteit telt, zoals bedoeld bij artikel 278 van dit decreet.

Het personeelslid kan drie jaar dienstanciëniteit laten gelden, verworven als vastbenoemde in een ander onderwijsniveau van dezelfde inrichtende macht voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld bij lid 1. Afdeling 5. - Opdrachtuitbreiding

Art. 256.Wanneer de betrekking bedoeld bij artikel 225 aan een vastbenoemd personeelslid wordt toegewezen, via een opdrachtuitbreiding, in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursussen, gebeurt deze opdrachtuitbreiding onmiddellijk als tijdelijke voor onbepaalde tijd.

Wanneer de betrekking bedoeld bij artikel 225 via een opdrachtuitbreiding wordt toegekend, op advies van de Wervingscommissie bedoeld bij de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet, aan een vastbenoemd onderwijzend personeelslid binnen dezelfde inrichting, in hetzelfde ambt en de toe te kennen cursussen waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit, gebeurt deze opdrachtuitbreiding als tijdelijke voor een onbepaalde duur. Afdeling 6. - Mutatie

Art. 257.De inrichtende macht die een vakante betrekking moet toekennen, kan de mutatie toekennen aan een personeelslid dat die aanvraagt, als gevolg van de oproeping bedoeld bij artikel 225.

De aanvragen tot mutatie worden bij een ter post aangetekende brief toegezonden. In aanmerking genomen worden, de aanvragen tot mutatie ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald door de bij lid 1 bedoelde oproep.

De voorlopige mutatie kan enkel gebeuren met de instemming van de inrichtende machten van beide betrokken hogere kunstscholen.

Art. 258.De aanvraag tot mutatie in een ambt van (hoog)leraar of begeleider wordt door de Wervingscommissie onderzocht, die een advies uitbrengt ter bestemming van de pedagogische beheersraad van de hogere school die over de beoogde betrekking beschikt.

De directeur van de hogere kunstschool zendt het gemotiveerd verslag van de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht over.

De inrichtende macht spreekt zich uit over de aanvraag tot mutatie.

Art. 259.Op het einde van een academiejaar in de nieuwe hogere kunstschool, stelt de directeur, op advies van de pedagogische beheersraad, aan de inrichtende macht voor het personeelslid dat een voorlopige mutatie had gekregen, vast te benoemen. Zoniet, gaat het personeelslid terug naar de hogere kunstschool waar hij aangesteld was voor zijn aanvraag tot mutatie. Afdeling 7. - Overneming van een hogere kunstschool van een andere

inrichtende macht

Art. 260.§ 1. Als een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs een hogere kunstschool of een deel van een hogere kunstschool ingericht door de Franse Gemeenschap of een andere Overheid overneemt, worden de volgende bepalingen van toepassing : 1° de vastbenoemde personeelsleden die hun ambt bekleden op het ogenblik van de overneming krijgen ambtshalve hun hoedanigheid als vastbenoemd personeelslid in het overeenstemmend ambt binnen de inrichtende macht die overneemt;2° de personeelsleden benoemd in een hogere kunstschool, die op het ogenblik van de overneming, een mandaat van directeur of adjunct-directeur uitoefenen, worden in het ambt heropgenomen waarin ze vastbenoemd waren voordat zij hun mandaat uitoefenden;3° de effectieve diensten gepresteerd voor de overneming door de personeelsleden bedoeld bij 1° en 2° worden gelijkgesteld met de effectieve diensten gepresteerd als personeelslid van de overnemende inrichtende macht. De overnemingsovereenkomst die tussen de betrokken inrichtende machten te sluiten is, kan bijkomende regels vastleggen, naast de hierboven vermelde bepalingen, en, in voorkomend geval, voorwaarden voor de overneming van tijdelijke personeelsleden nader bepalen. Deze bijkomende regels zullen binnen de Plaatselijke paritaire commissie die onder de overnemende inrichtende macht ressorteert, voorbereid worden. § 2. De voorwaarden voor de overneming door een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs of van een hogere kunstschool of van een deel van een gesubsidieerde vrij hogere kunstschool worden bepaald volgens de bewoordingen van een overeenkomst die gesloten moet worden tussen de betrokken inrichtende machten. Voornoemde regels zullen binnen de plaatselijke paritaire commissie van de overnemende inrichtende macht worden voorbereid. Afdeling 8. - Fusies van hogere kunstscholen

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 261.De dienstanciënniteit geeft de doorslag tussen de betrokken personeelsleden en, bij gelijke dienstanciënniteit, beslist de ambtsanciënniteit. Bij gelijke dienst- en ambtsanciënniteit, wordt voorrang verleend aan het oudste personeelslid.

Onderafdeling 2. - Bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van wie de school een fusie op gelijke voet ondergaat

Art. 262.§ 1. De personeelsleden van de gefuseerde scholen worden aangesteld in de school voortkomend uit de fusie op gelijke voet binnen de perken van de beschikbare betrekkingen en mits inachtneming van de volgende volgorde : 1° de onderwijzende personeelsleden die vastbenoemd zijn in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen;2° de onderwijzende personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor onbepaalde tijd in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen;3° de onderwijzende personeelsleden bedoeld bij § 1, 1°, die niet meer aangesteld kunnen worden, worden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. De bij § 1, 3°, bedoelde personeelsleden die geen wijziging van voorlopige aanstelling kunnen genieten, worden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

Onderafdeling 3. - alingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van wie de hogere kunstschool een fusie door overneming ondergaat

Art. 263.Voor de toepassing van deze onderafdeling, dient verstaan te worden onder : 1° School A : de hogere kunstschool die een of meerdere andere hogere kunstscholen overneemt;2° School B : de hogere kunstschool of de hogere kunstscholen die overgenomen wordt (worden).

Art. 264.De onderwijzende personeelsleden van School B die vastbenoemd zijn in het ambt dat zij uitoefenen in die hoedanigheid en de onderwijzende personeelsleden van School B die een voorlopige aanstelling genieten, worden respectief ter beschikking en opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking op de datum van de fusie.

Uiterlijk op de dag voor de fusie door overneming wordt een einde gesteld aan de prestaties in School B uitgeoefend door onderwijzende personeelsleden die niet bedoeld zijn bij het vorig lid.

Art. 265.§ 1. De betrekkingen die beschikbaar zijn in school A worden toegewezen op de datum van de fusie met inachtneming van de volgende volgorde : 1° aan de onderwijzende personeelsleden van school A die vastbenoemd zijn in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen;2° aan de onderwijzende personnelsleden van school A die tijdelijk aangesteld worden voor onbepaalde tijd in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenen;3° aan de onderwijzende personeelsleden die een wijziging van voorlopige aanstelling genieten in school A in het ambt waarin zij benoemd zijn;4° bij een wijziging van de voorlopige aanstelling, aan de onderwijzende personeelsleden van school B die vastbenoemd zijn in het ambt dat zij in deze hoedanigheid uitoefenden;5° aan de onderwijzende personeelsleden van de school B die tijdelijk voor onbepaalde tijd aangesteld zijn in het ambt waarin zij benoemd zijn;6° aan de onderwijzende personeelsleden die een wijziging van voorlopige aanstelling genieten in school B in het ambt waarin zij benoemd zijn. § 2. De bij § 1, 4°, bedoelde personeelsleden aan wie geen betrekking kan worden toegewezen, blijven ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking.

De bij § 1, 6°, bedoelde personeelsleden die geen wijziging van voorlopige aanstelling kunnen genieten, worden opnieuw ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking gesteld.

Art. 266.Voor zover een vakante betrekking hun kan worden toegewezen in school A, worden de bij artikel 265, § 1, 3° en 4°, bedoelde personeelsleden opnieuw aangesteld in deze school op de datum van de fusie. HOOFDSTUK III. - Administratieve standen van (hoog)leraren en begeleiders Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 267.Het personeelslid bevindt zich in een van de volgende administratieve standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. Afdeling 2. - Dienstactiviteit

Art. 268.Het personeelslid wordt altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden behoudens uitdrukkelijke bepaling waarbij hij in een andere administratieve of dienststand wordt ingedeeld.

Art. 269.Het in dienstactiviteit zijnde personeelslid heeft recht op een wedde-toelage en op bevordering tot een hogere wedde onder dezelfde voorwaarden als in de Hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap.

Hij kan zijn rechten op een benoeming in vast verband of op het uitoefenen van een mandaat van directeur of adjunct-directeur laten gelden.

Het personeelslid bekomt een verlof van de inrichtende macht onder dezelfde voorwaarden als in de hogere kunstschool van de Franse Gemeenschap.

Ieder verlof waarvoor een beslissing van de Regering nodig is om de wedde in de hogere kunstschool van de Franse Gemeenschap te kunnen genieten, wordt ter goedkeuring aan dezelfde overheid voorgelegd door de inrichtende macht.

Art. 270.De Regering bepaalt de verlofregeling van het personeel van de Hogere kunstscholen.

De personeelsleden hebben recht op minstens twaalf weken verlof per academiejaar. Afdeling 3. - Non-activiteit

Art. 271.Het personeelslid bevindt zich in de stand non-activiteit onder dezelfde voorwaarden als in de Hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap. Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling

Art. 272.Het personeelslid kan ter beschikking worden gesteld door zijn inrichtende macht onder dezelfde voorwaarden als in de Hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap.

Elke terbeschikkingstelling waarvoor een beslissing van de Regering of van zijn afgevaardigde nodig is met het oog op het toekennen van een wachtwedde in de Hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap wordt voorgelegd door dezelfde inrichtende macht aan dezelfde overheid.

Art. 273.Er kunnen weddetoelagen worden toegekend aan de terbeschikkinggestelde personeelsleden. Deze wachtwedden-toelagen, uitkeringen en vergoedingen die eventueel aan deze personeelsleden worden toegekend, worden onderworpen aan de mobiliteitregeling die van toepassing is op de bezoldiging van de in dienstactiviteit zijnde personeelsleden. HOOFDSTUK IV. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en gedeeltelijk opdrachtverlies Afdeling 1. - Voorafgaande maatregelen

Art. 274.§ 1. Wanneer een cursus gewijzigd wordt door de Regering, na advies van de Hogere kunstraad, op eigen initiatief of op aanvraag van de inrichtende macht van de hogere kunstschool, wordt het personeelslid dat vastbenoemd is in deze cursus ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of ten gevolge van een gedeeltelijk opdrachtverlies als hij niet over het geschikte bekwaamheidsbewijs beschikt om dit vak te onderwijzen. § 2. Wanneer een onderwijsactiviteit, gedeeltelijk of totaal, niet meer ingericht wordt omdat geen student ervoor ingeschreven is of omdat het aantal studenten er ingeschreven lager is geworden, wordt het personeelslid dat belast is met de betrokken activiteit ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies.

In het geval bedoeld bij artikel 1, mag de inrichtende macht geen ander personeelslid aanstellen voor het uitoefenen van dezelfde onderwijsactiviteit.

Art. 275.§ 1. Een personeelslid dat vastbenoemd is in een hoofdambt kan enkel door de inrichtende macht ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies, nadat er een einde werd gesteld, in de hierna volgende volgorde, aan de diensten van de personeelsleden die hetzelfde ambt uitoefenen en die dezelfde vakken onderwijzen : 1° als bijambt in de hogere kunstschool;2° tijdelijk voor bepaalde tijd in de hogere kunstschool en mits inachtneming van hun dienstanciënniteit;3° tijdelijk voor onbepaalde tijd in de hogere kunstschool en mits inachtneming van hun dienstanciënniteit. § 2. Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies en dat de uren van hetzelfde ambt en van dezelfde toe te kennen cursussen vakant worden, moet de inrichtende macht ze prioritair aan dit personeelslid toewijzen alvorens over te gaan tot de vakantverklaring zoals bedoeld bij artikel 225.

Wanneer een personeelslid met een gedeeltelijk opdrachtverlies zich kandidaat stelt voor een vakante betrekking van het ambt waarvoor hij vast benoemd werd, maar voor andere toe te kennen cursussen waarvoor hij over het vereiste bekwaamheidsbewijs beschikt ofwel waarvoor hij artistieke, beroeps- of wetenschappelijke beroemdheid is verworven en wanneer de betrekking bedoeld bij artikel 225 hem wordt toegekend, met inachtneming van de procedure bepaald bij artikel 229 van dit decreet, wordt het personeelslid onmiddellijk titularis van deze cursus in vast verband.

Art. 276.Na toepassing van de bepalingen bepaald in artikel 275, § 1, verliest zijn betrekking of een deel van zijn opdracht in het in acht genomen ambt en de toe te kennen cursussen, het vastbenoemd personeelslid dat de kleinste dienstanciënniteit telt.

Het personeelslid mag, in geval van terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies, maximaal tien jaar dienstanciënniteit laten gelden, die definitief verworven werd in een ander onderwijsniveau van dezelfde inrichtende macht voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld bij lid 1.

Art. 277.Bij gelijke dienstanciënniteit, verliest het jongste personeelslid zijn betrekking of een gedeelte van zijn opdracht.

Art. 278.De bij de artikelen 255, lid 2, 261, 275, § 1, 276 en 277 bedoelde dienstanciënniteit wordt als volgt berekend : 1° alle effectieve diensten als tijdelijke gepresteerd in de Hogere kunstscholen van de inrichtende macht tellen voor een anciënniteit die gelijk is aan het aantal dagen opgeteld vanaf het begin tot het einde van de gepresteerde diensten;2° de effectieve diensten als vastbenoemde gepresteerd in de Hogere kunstscholen van de inrichtende macht, in een ambt met volledige dagtaak, worden opgeteld per kalendermaand, waarbij deze die niet de hele maand dekken niet bijgeteld worden;3° de effectieve diensten gepresteerd in een ambt met onvolledige dagtaak, met minstens de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dagtaak, worden in aanmerking genomen zoals de diensten gepresteerd in een ambt met volledige dagtaak;4° het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige dagtaak die dit aantal uren niet bevat wordt gehalveerd;5° dertig dagen vormen één maand;6° de duur van de effectieve diensten gepresteerd in twee of meerdere ambten met volledige of onvolledige prestaties die gelijktijdig worden uitgeoefend, kunnen nooit de duur overschrijden van de diensten gepresteerd in een ambt met volledige dagtaak uitgeoefend gedurende dezelfde periode;7° de duur van de gepresteerde effectieve diensten die het personeelslid telt mag nooit twaalf maanden overschrijden per burgerlijk jaar;8° het bevallingsverlof, het verlof voor de opvang met het oog op de adoptie en pleegvoogdij worden in acht genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit.Voor de tijdelijk aangewezen personeelsleden, worden de verlofdagen in aanmerking genomen enkel tijdens de periode van de aanstelling. Afdeling 2. - Gedeeltelijk opdrachtverlies

Art. 279.Wanneer een personeelslid met een hoofdambt, binnen de hogere kunstschool, niet meer een aantal uren presteert dat gelijk is met hetgeen hij verrichtte bij zijn benoeming, wordt hij geacht een gedeeltelijk opdrachtverlies te ondergaan.

Het personeelslid dat gedeeltelijk zijn opdracht verliest, blijft ter beschikking van de hogere kunstschool ten belope van het aantal uren dat overeenstemt met de prestaties die hij uitoefende voordat hij wordt geacht een gedeeltelijk opdrachtverlies te ondergaan.

Hij behoudt het genot van zijn weddetoelage. Afdeling 3. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van

betrekking

Art. 280.§ 1. Overeenkomstig de artikelen 275 tot 277, wanneer de betrekking als hoofdambt van een vastbenoemd personeelslid afgeschaft wordt, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

Het personeelslid geniet een wachtwedde-toelage gelijk aan zijn laatste activiteitswedde-toelage en mag zijn rechten laten gelden op een mandaat van directeur of adjunct-directeur gedurende twee academiejaren.

Vanaf het derde academiejaar, wordt de weddetoelage ieder jaar met 10 % verminderd, zonder dat ze lager mag zijn dan zoveel keer een dertigste van de wedde als het aantal jaren dienst dat het personeelslid telt bij zijn terbeschikkingstelling.

Deze beslissing kan niet tot gevolg hebben dat de wachtwedde-toelage wordt teruggebracht op een bedrag dat lager zou zijn dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het betrokken personeelslid recht zou hebben indien hij de regeling van de sociale zekerheid voor werknemers zou genieten.

Voor de toepassing van deze paragraaf, dient verstaan te worden onder "dienstjaren", deze die in aanmerking komen voor het berekenen van het rustpensioen. § 2. Het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid blijft ter beschikking van de hogere kunstschool ten belope van het aantal uren dat overeenstemt met de prestaties die hij uitoefende voordat hij ter beschikking werd gesteld.

Het uitoefenen van de opdrachten hem toegewezen door de hogere kunstschool kan echter niet resulteren in het behouden van de betrekking van het afgeschafte ambt.

Wanneer overigens de wachtwedde-toelage van het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid verminderd wordt tot een gegeven percentage, wordt het aantal uren van de prestaties verminderd tot het passende beloop.

Art. 281.§ 1. Het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid blijft vervat in het aantal betrekkingseenheden toegekend aan de hogere kunstschool overeenkomstig artikel 52 van dit decreet. § 2. Het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid blijft kandidaat voor een wijziging van voorlopige aanstelling in een vakante betrekking van een hogere kunstschool van hetzelfde net. § 3. Het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid kan zich kandidaat stellen voor een wijziging van voorlopige aanstelling in een vakante betrekking van een hogere kunstschool van een ander net.

De verandering van voorlopige aanstelling kan enkel geschieden met de instemming, naargelang het geval, van de Regering of van de inrichtende machten van beide Hogere kunstscholen. De wijziging van voorlopige aanstelling schorst de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking.

Art. 282.Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking geeft er de directeur van de hogere kunstschool kennis van aan de Regering binnen de tien dagen.

Wanneer een personeelslid binnen zijn inrichting wegens ontstentenis van betrekking niet meer een aantal uren presteert dat gelijk is met hetgeen waarvoor hij bezoldigd wordt, geeft er de directeur kennis van binnen de tien dagen aan de Regering. HOOFDSTUK V. - Preventieve schorsing

Art. 283.§ 1. Wanneer het belang van de dienst of van het onderwijs het vergt, kan een procedure tot preventieve schorsing worden ingesteld tegen het vastbenoemd personeelslid : 1° indien hij aan strafvervolgingen onderhevig is;2° zodra een tuchtprocedure tegen hem ingesteld wordt door de inrichtende macht;3° zodra de inrichtende macht hem kennis geeft, bij een ter post aangetekende brief, van de vaststelling van een onverenigbaarheid. § 2. De preventieve schorsing geregeld door dit hoofdstuk is een zuiver administratieve maatregel die geen straf is.

Ze wordt uitgesproken door de inrichtende macht en wordt met redenen omkleed. Ze heeft tot gevolg dat het personeelslid van zijn ambt wordt verwijderd.

Gedurende de preventieve schorsing, blijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit. § 3. Alvorens elke maatregel tot preventieve schorsing te treffen, dient de inrichtende macht het personeelslid op te roepen om gehoord te worden.

De oproeping voor het verhoor alsook de redenen die de preventieve schorsing verantwoorden, worden ter kennis gebracht van het personeelslid minstens drie werkdagen voor het verhoor, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs met uitwerking drie werkdagen na de datum van verzending ervan, hetzij door het overhandigen van een brief met ontvangstbewijs met uitwerking op de datum die op het ontvangstbewijs staat.

Gedurende het verhoor, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in dienst zijn of in ruste gesteld, of door een afgevaardigde van een erkende vakvereniging.

Binnen de drie werkdagen die volgen op deze bepaald voor het verhoor en zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet werden gehoord, deelt de inrichtende macht het personeelslid haar beslissing mede bij een ter post aangetekende brief.

Indien deze beslissing tot de preventieve schorsing van het personeelslid leidt, heeft deze uitwerking met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van de verzending ervan. § 4. In afwijking van lid 1 van § 3, kan het personeelslid onmiddellijk van zijn ambt verwijderd worden als er een zware tekortkoming bestaat waarvoor er ontdekking op heterdaad is of wanneer de hem verweten grieven zo erg zijn dat het wenselijk is, in het belang van het onderwijs, dat het personeelslid niet meer op school aanwezig zou zijn.

Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke verwijdering werd genomen, wordt de inrichtende macht ertoe gehouden de procedure tot preventieve schorsing in te stellen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Zoniet, dan zal de maatregel tot onmiddellijke verwijdering een eind nemen op het einde van de bepaalde termijn en zal het personeelslid enkel verwijderd kunnen worden van de hogere kunstschool wegens dezelfde zware tekortkoming of grieven als de procedure tot preventieve schorsing zoals bedoeld inzonderheid in § 3 van dit artikel in acht wordt genomen.

Het personeelslid dat onmiddellijk wordt verwijderd, blijft in de administratieve stand dienstactiviteit. § 5. In het kader van een tuchtprocedure of in het kader van de vaststelling van een onverenigbaarheid, mag de duur van de preventieve schorsing één jaar niet overschrijden en, in het kader van een tuchtprocedure, verstrijkt in elk geval : 1° 45 kalenderdagen na de datum bepaald voor het verhoor bedoeld bij artikel 294 indien binnen deze termijn, de inrichtende macht aan het personeelslid niet kennis heeft gegeven van de beslissing bedoeld bij artikel 289, § 1; 2°, de derde werkdag die volgt op de kennisgeving aan het personeelslid van de beslissing bedoeld bij artikel 289, § 1, indien deze beslising de terechtwijzing, de berisping of de afhouding op de wedde is; 3° de dag waarop de beslissing tot tuchtstraf uitwerking heeft. In het kader van strafvervolgingen, is de duur van de preventieve schorsing niet beperkt tot één jaar.

Wanneer een tuchtprocedure ingesteld is of voortgezet na een gerechtelijke beslissing tot definitieve strafveroordeling, begint de termijn van één jaar bedoeld bij lid 1 te lopen vanaf de uitspraak van deze definitieve veroordeling. § 6. In het kader van een tuchtprocedure, dient de preventieve schorsing schriftelijk bevestigt te worden door de inrichtende macht om de drie maand vanaf de uitwerking ervan.

Deze bevestiging wordt ter kennis gebracht van de betrokkene bij een ter post aangetekende brief.

Bij gebrek aan bevestiging van de preventieve schorsing binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn ambt opnieuw bekleden na de inrichtende macht er bij een ter post aangetekende brief van te hebben verwittigd, en dit minstens tien werkdagen voor de werkelijke nieuwe indiensttreding.

Na ontvangst van deze kennisgeving, kan de inrichtende macht het behoud van de preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure bepaald bij lid 2.

Art. 284.Elk preventief geschorst personeelslid behoudt zijn recht op een wedde.

In afwijking van lid 1, wordt de wedde van elk preventief geschorst personeelslid dat het voorwerp is van : 1° een beschuldiging of een tenlastelegging in het kader van strafvorderingen;2° een niet-definitieve strafveroordeling waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft gebruikt;3° een tuchtprocedure ingesteld of voortgezet ten gevolge van een definitieve strafveroordeling;4° een tuchtprocedure ten gevolge van een zware tekortkoming waarvoor ontdekking op heterdaad, ofwel bewijsaanwijzingen bestaat (bestaan) en waarvan de beoordeling tot de inrichtende macht behoort;5° een beslissing tot tuchtstraf bepaald bij artikel 288, 4° tot 7° en waartegen het personeelslid een beroep heeft ingesteld, overeenkomstig artikel 289, § 2, op de helft van de activiteitswedde vastgelegd. Deze vermindering van de wedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde teruggebracht zou worden op een bedrag dat lager zou zijn dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben indien hij de regeling voor sociale zekerheid voor werknemers zou genieten.

Voor de toepassing van lid 2, 1° en 2°, heeft deze vermindering van wedde uitwerking de eerste dag van de maand die op de dag volgt van de beschuldiging of tenlastelegging of uitspraak van de niet-definitieve veroordeling.

Voor de toepassing van lid 2, 3°, wordt deze vermindering van wedde die al uitgevoerd werd krachtens lid 2, 1° of 2°, behouden na de definitieve veroordeling indien de inrichtende macht aan het personeelslid kennis geeft van haar bedoeling om de tuchtprocedure voort te zetten of aan te spannen.

Voor de toepassing van lid 2, 4°, heeft de vermindering van wedde uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving door de inrichtende macht aan het personeelslid van de toepassing van dat lid 2, 4°.

Voor de toepassing van lid 2, 5°, heeft deze vermindering van wedde uitwerking met ingang van de dag waarop het personeelslid zijn beroep heeft ingesteld.

Art. 285.Op het einde van de tuchtprocedure of van de strafprocedure wordt de maatregel tot weddevermindering ingetrokken, behalve als : 1° op het einde van de tuchtvordering, de inrichtende macht het personeelslid één van de straffen bedoeld bij artikel 288, 4° tot 7° oplegt;2° er toepassing wordt gedaan van artikel 324, 2°, b) en 5°;3° het personeelslid onderworpen is aan een definitieve strafveroordeling al dan niet gevolgd door een tuchtprocedure. Wanneer de maatregel tot weddevermindering ingetrokken is met toepassing van lid 1, krijgt het personeelslid het resterende bedrag van zijn wedde-toelage dat initieel werd afgehouden, vermeerderd met de verwijlinteresten berekend volgens de wettelijke rentevoet en die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering uitgevoerd werd. De bedragen die door het personeelslid ontvangen werden gedurende de preventieve schorsing mag hij behouden.

Indien de wedde van het personeelslid verminderd werd met toepassing van artikel 284, lid 2, 4° of 5°, en indien op het einde van de tuchtprocedure een straf tot schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor een duur die korter is dan de duur van de maatregel tot weddevermindering, wordt deze laatste ingetrokken voor de periode die de duur van de schorsing bij tuchtmaatregel overschrijdt en ontvangt het personeelslid het resterende bedrag van de weddetoelage dat onrechtmatig werd afgehouden gedurende deze periode, vermeerderd met de verwijlinteresten berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sedert de dag waarop de vermindering werd uitgevoerd.

Lid 4 is niet van toepassing in het kader van een tuchtprocedure die ingesteld of voortgezet werd na een definitieve strafveroordeling.

Art. 286.De preventieve schorsing wordt ter kennis gebracht van de Regering om de onmiddellijke uitvoering van de maatregel te garanderen.

Art. 287.Voor de toepassing van dit hoofdstuk, dient onder « inrichtende macht » te worden verstaan : het College van burgemeester en schepenen. HOOFDSTUK VI. - Tuchtregeling Afdeling 1. - Tuchtstraffen

Art. 288.De hiërarchie van de tuchtstraffen die aan de vastbenoemde personeelsleden kunnen worden opgelegd, is de volgende : 1° de terechtwijzing;2° de blaam;3° de afhouding op de wedde;4° de schorsing bij tuchtmaatregel;5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;6° het ontslag van ambtswege;7° de afzetting.

Art. 289.§ 1. Behalve voor de nadere gegevens van dit artikel, worden de tuchtstraffen uitgesproken door de overheid die de benoemingsbevoegdheid uitoefent.

In de Hogere kunstscholen die onder het gemeentelijk onderwijs ressorteren, heeft het college van burgemeester en schepenen de bevoegdheid om de volgende straffen uit te spreken : de terechtwijzing, de blaam, de afhouding op de wedde en de schorsing bij tuchtmaatregel voor een duur die één maand niet zal overschrijden. § 2. Voorafgaandelijk geven dezelfde overheden kennis van een voorstel tot tuchtstraf aan het personeelslid.

Binnen een termijn van twintig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving, kan het personeelslid een beroep instellen tegen het voorstel tot tuchtstraf bij de raad van beroep bedoeld bij artikel 300.

Het beroep schorst de procedure.

Behalve in de gevallen van strafvordering, brengt de raad van beroep een gemotiveerd advies uit binnen de negentig dagen die volgen op de ontvangst van het beroep ingesteld door het personeelslid. § 3. De beslissing wordt door de overheid die de bevoegdheid heeft om de straf uit te spreken binnen de maand die volgt op de ontvangst van het advies getroffen.

Zij geeft het met redenen omkleed advies van de raad van beroep weer.

Zelf wordt zij gemotiveerd als zij niet het advies volgt of de motivering ervan.

De overheid geeft kennis van haar beslissing aan de raad van beroep en aan de verzoeker.

Indien zij zich niet uitspreekt binnen de vereiste termijn, wordt de beslissing geacht conform te zijn met het advies.

Art. 290.De afhouding op de wedde wordt gedurende minstens één maand en hoogstens drie maanden toegepast. Zij mag een vijfde van de laatste bruto activiteits- of wachtwedde niet overschrijden.

Art. 291.De schorsing bij tuchtmaatregel wordt voor maximaal één jaar uitgesproken.

Betrokkene wordt van zijn ambt verwijderd en geniet de helft van zijn laatste bruto activiteits- en wachtwedde.

Art. 292.De duur van de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel mag niet korter zijn dan één maand en niet langer dan vijf jaar.

Het personeelslid wordt van zijn ambt verwijderd en geniet gedurende de eerste twee maanden een wachtwedde die gelijk is aan de helft van de activiteitswedde. Zonder dat bedrag ooit te kunnen overschrijden, wordt de wachtwedde, daarna, op het cijfer van het pensioen dat betrokkene zou bekomen indien hij vroegtijdig tot het pensioen zou worden toegelaten, bepaald.

Na de helft van zijn straf te hebben doorstaan, mag het personeelslid zijn wederopneming in het onderwijs aanvragen.

Art. 293.De afhouding op de wedde of de toekenning van een wachtwedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid teruggebracht wordt op een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij recht zou hebben indien hij de regeling voor sociale zekerheid voor werknemers zou genieten.

Art. 294.Geen straf mag worden uitgesproken zonder dat het personeelslid eerst gehoord of opgeroepen werd.

Tijdens het verhoor, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, die in dienst zijn of in ruste gesteld, of door een afgevaardigde van een erkende vakvereniging.

Art. 295.De tuchtprocedure mag enkel betrekking hebben op feiten die vastgesteld werden gedurende het jaar dat voorafgaat aan de datum waarop de procedure werd ingesteld.

In geval van strafvordering, dient de tuchtprocedure binnen de zes maanden van de kennisneming van de definitieve gerechtelijke beslissing door de overheid die de tuchtstraf moet voorstellen, te worden aangevangen.

Art. 296.Geen straf mag uitwerking hebben voor de periode die voorafgaat aan de uitspraak ervan.

Art. 297.De ten laste van een personeelslid ingestelde tuchtvordering heeft enkel de verwijdering van de betrokkene uit zijn ambt ten gevolge na de kennisgeving van de tuchtbeslissing, of betrokkene al dan niet een beroep ingesteld heeft.

Art. 298.De strafvordering met betrekking tot de feiten waarvoor een tuchtprocedure aan de gang is, is schorsend voor de tuchtprocedure en -uitspraak, behalve in de gevallen van ontdekking op heterdaad of indien de vastgestelde feiten, die betrekking hebben op de beroepsactiviteit, toegegeven werden door het personeelslid.

De administratieve overheid alleen oordeelt over de toepassing van de tuchtstraffen, ongeacht de uitslag van de strafvordering.

Doch is de tuchtoverheid, in deze beoordeling, gebonden door de materialiteit der feiten, die definitief werd vastgesteld door de strafbeslissing. Afdeling 2. - Schrapping van tuchtstraffen

Art. 299.De tuchtstraf wordt van ambtswege geschrapt na een termijn van : 1° één jaar voor de terechtwijzing en de blaam;2° drie jaar voor de afhouding op de wedde;3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel. De bij lid 1 bedoelde termijn begint te lopen, naargelang het geval, vanaf de uitspraak van de tuchtstraf of bij het verstrijken van de bij artikel 289, § 3 bedoelde termijn.

Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf, heeft de schrapping tot gevolg dat de straf geen uitwerking meer mag hebben, inzonderheid voor de toegang tot een mandaat van directeur of adjunct-directeur.

De tuchtstraf wordt geschrapt in het dossier van het personeelslid. HOOFDSTUK VII. - De raad van beroep

Art. 300.Er wordt door de Regering, na raadpleging van de meest representatieve groepen van inrichtende machten en groeperingen van het personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs erkend in de zin van de wet van 19 december 1974 en van het koninklijk besluit van 28 september 1984, een raad van beroep ingesteld voor de gesubsidieerde officiële Hogere kunstscholen.

De raad van beroep stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast mits goedkeuring door de Regering.

Art. 301.De raad van beroep behandelt : 1° de beroepen ingesteld inzake onverenigbaarheid;2° de beroepen ingesteld tegen elk voorstel tot tuchtstraf;3° de beroepen ingesteld door tijdelijk aangewezen personeelsleden die afgedankt werden door de inrichtende macht in de gevallen bedoeld bij de artikelen 241 en 243.

Art. 302.De raad van beroep wordt samengesteld uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de leden van het personeel der gesubsidieerde officiële Hogere kunstscholen;2° een voorzitter gekozen onder de in activiteit zijnde of in ruste gestelde magistraten;3° een secretaris en twee adjunct-secretarissen. De Regering bepaalt het aantal leden van de raad van beroep alsook de duur van hun mandaat, waarbij iedere raad minstens vier werkende leden bevat die de inrichtende machten vertegenwoordigen en vier werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen.

Voor ieder werkend lid zijn er twee plaatsvervangende leden.

De werkende en plaatsvervangende leden worden door de Regering benoemd op de voordracht van de groeperingen bedoeld bij artikel 300. Bij gebrek aan overeenstemming onder deze, benoemt de Regering rechtstreeks.

Art. 303.Zodra een zaak aanhangig wordt gemaakt, deelt de voorzitter aan het personeelslid en aan de inrichtende macht de lijst mede van de werkende en plaatsvervangende leden. Binnen de tien dagen die volgen op de ontvangst van deze lijst, kunnen de personeelsleden en de inrichtende macht maximum drie leden wraken. Hij mag evenwel geen werkend lid en zijn twee plaatsvervangers terzelfdertijd wraken.

De voorzitter en plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangende leden mogen geen zitting houden voor een zaak betreffende hun echtgenoot of een bloed- of aanverwante tot en met de vierde graad.

Elk lid dat weet dat hij gewraakt kan worden dient zich te onthouden.

Een lid mag vragen ontheven te worden, ingeval hij meent in de zaak een zedelijk belang te hebben of hij de mening is toegedaan dat men hem zou kunnen verwijten niet onpartijdig te zijn. De voorzitter beslist over het gevolg dat aan dit verzoek moet worden gegeven. Om dezelfde redenen, kan hij ook een lid van ambtswege ontheffen.

Art. 304.De partijen worden opgeroepen door de voorzitter binnen de twintig dagen die volgen op de ontvangst van het beroep en worden gehoord door de raad van beroep.

De bij lid 1 vermelde termijn wordt opgeheven tijdens 15 juli en 15 augustus.

Het personeelslid kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een verdediger gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, die in dienst zijn of in ruste gesteld, of door een afgevaardigde van een erkende vakvereniging.

De inrichtende macht kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van de inrichtende machten, door een advocaat of door een verdediger onder de vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van de inrichtende machten behartigt.

Bij gebrek aan verschijning van de regelmatig opgeroepen partij of van haar verdediger, beraadslaagt en beslist de raad van beroep geldig tijdens de tweede zitting. De twee zittingen moeten minstens vijf dagen van elkaar verwijderd worden.

Alvorens te beraadslagen en te beslissen, kan de raad van beroep een bijkomend onderzoek bevelen en getuigen horen.

Art. 305.De raad van beroep kan zich enkel uitspreken als ten minste twee leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en twee leden die de personeelsleden vertegenwoordigen, aanwezig zijn.

De leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en de leden die de personeelsleden vertegenwoordigen moeten in gelijk aantal zijn om aan de stemming deel te nemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meer leden na loting.

Indien het bij artikel 1 bedoeld quorum niet bereikt wordt, roept de voorzitter een nieuwe vergadering bijéén binnen de vijftien dagen.

Gedurende deze vergadering, zal een beslissing kunnen worden genomen wat ook het aantal aanwezige leden is.

Het advies wordt uitgebracht bij meerderheid der aanwezige leden. De stemming is geheim. De blanco stemmen en de onthoudingen worden niet als stemming beschouwd. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.

Er wordt kennis gegeven aan de partijen bij ter post aangetekende brief van het gemotiveerd advies van de raad van beroep, binnen de vijf dagen die volgen op de vergadering gedurende welke het werd uitgebracht.

Art. 306.De werkingskosten van de raad van beroep zijn ten laste van de Franse Gemeenschap. De Regering bepaalt de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters recht hebben. HOOFDSTUK VIII. - Paritaire commissies Eerste afdeling. - Algemene bepalingen

Art. 307.Na raadpleging van de meest representatieve groeperingen van de inrichtende machten en van de groeperingen van het personeel van het gesubsidieerd officieel hoger kunstonderwijs erkend in de zin van de wet van 19 december 1974 en van het koninklijk besluit van 28 september 1984, stelt de Regering : 1° een centrale paritaire commissie in, waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt tot de hogere kunstscholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs;2° plaatselijke paritaire commissies in, waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt tot eenzelfde inrichtende macht.Na advies van de plaatselijke paritaire commissie opgericht op basis van het decreet van 6 juni 1994, kan de inrichtende macht de Regering voorstellen een specifieke paritaire commissie op te richten, waarvan de bevoegdheid zich uitstrekt tot de hogere kunstschool van de inrichtende macht.

Het besluit van de Regering tot instelling van een paritaire commissie bepaalt met nauwkeurigheid haar bevoegdheid.

Art. 308.De beslissingen van de paritaire commissie bedoeld bij artikel 307, lid 1, 1°, kunnen, op haar aanvraag, bindend gemaakt worden bij besluit van de Regering.

Indien de Regering geen gevolg meent te kunnen geven aan deze aanvraag, laat zij de redenen ervan aan de commissie kennen.

Art. 309.De bijkomende regels genomen door de plaatselijke paritaire commissies kunnen afwijken noch van de regels van dit decreet noch van de bijkomende regels bepaald door de centrale paritaire commissie en worden bindend gemaakt bij een besluit van de Regering.

Overigens, kunnen de bijkomende regels genomen door de plaatselijke paritaire commissies enkel bindend gemaakt worden indien ze door beraadslaging van de gemeenteraad goedgekeurd werden. Afdeling 2. - Centrale paritaire commissie

Art. 310.Het algemeen reglement van de paritaire commissie wordt door de Regering bepaald.

De commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast, mits goedkeuring door de Regering.

Art. 311.De paritaire commissie wordt samengesteld uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden;2° een voorzitter en een ondervoorzitter;3° referendarissen, die als opdracht hebben aan de commissie adviezen te geven;4° een secretaris en een adjunct-secretaris. Het aantal leden van de paritaire commissie, alsook de duur van hun mandaat wordt door de Regering bepaald.

De voorzitter, ondervoorzitter, referendarissen, secretaris en adjunct-secretaris zijn niet stemgerechtigd.

De commissie bestaat uit ten minste zes werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en zes werkende leden die het personeel vertegenwoordigen en gekozen worden op de voordracht van de vakverenigingen die de personeelsleden van het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad, vertegenwoordigen.

De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en de personeelsleden kunnen zich laten bijstaan door technische adviseurs waarvan het maximum aantal door het huishoudelijk reglement bedoeld bij artikel 310 zal worden bepaald.

Art. 312.De werkende en plaatsvervangende leden van de paritaire commissie worden door de Regering benoemd op de voordracht van de groeperingen bedoeld bij artikel 307. Bij gebrek aan overeenkomst tussen deze groeperingen, bepaalt de Regering het aantal mandaten die aan elk van hen worden toegewezen.

De voorzitter en ondervoorzitter worden door de Regering gekozen onder de personnen die geen belang hebben bij de zaken die de commissie aanbelangen.

De referendarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen worden door de Regering benoemd.

Het uitoefenen van het ambt van voorzitter en ondervoorzitter is onverenigbaar met het uitoefenen van een parlementsmandaat.

Art. 313.De paritaire commissie heeft voornamelijk tot opdracht : 1° over de algemene arbeidsvoorwaarden te beraadslagen;2° bijkomende regels te bepalen voor de personeelsleden naast de statutaire bepalingen van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten;3° advies uit te brengen over alle problemen betreffende de organisatie, de verdediging en de promotie van de Hogere kunstscholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

Art. 314.De beslissingen van de paritaire commissie worden bij eenparigheid getroffen, waarbij de meerderheid der leden bereikt wordt in iedere groep.

Indien de eenparigheid niet bereikt kan worden of indien de meerderheid niet aanwezig is binnen iedere groep, roept evenwel de commissie een nieuwe vergadering bijeen binnen de veertien dagen.

In dat geval, zullen de beslissingen geldig worden genomen op voorwaarde dat ze de instemming krijgen van twee derde van de stemmen onder de aanwezige leden binnen iedere groep.

Voor de toepassing van de leden 1 tot 3, worden de blanco stemmen en de onthoudingen niet als stemmingen in aanmerking genomen. Afdeling 3. - Plaatselijke paritaire commissies

Art. 315.Het algemeen reglement van de plaatselijke paritaire commissies wordt vastgelegd bij een besluit van de Regering.

Iedere commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.

Art. 316.De plaatselijke paritaire commissies omvatten : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende macht en van de personeelsleden;2° een voorzitter en een ondervoorzitter;3° een secretaris en een adjunct-secretaris. De samenstelling en de nadere regels voor de werking van deze commissies worden door de Regering bepaald.

Het voorzitterschap van deze commissies wordt uitgeoefend door de burgemeester of diens afgevaardigde.

De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden kunnen zich laten bijstaan door technische adviseurs waarvan het maximum aantal bepaald zal worden door het huishoudelijk reglement bedoeld bij artikel 315.

De ondervoorzitter wordt gekozen onder de vertegenwoordigers van de personeelsleden.

Art. 317.De plaatselijke paritaire commissies hebben voornamelijk tot opdracht, ieder wat hun bevoegdheden betreft : 1° over de algemene arbeidsvoorwaarden te beraadslagen;2° bijkomende regels te bepalen voor de personeelsleden naast de statutaire bepalingen van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten en naast de bijkomende regels bepaald door de centrale paritaire commissie die bindend zijn gemaakt door de Regering;3° de Regering een advies uit te brengen over de statutaire verrichtingen;4° advies uit te brengen over alle problemen betreffende de organisatie, de verdediging en de promotie van de Hogere kunstscholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

Art. 318.De beslissingen van de paritaire commissie worden bij eenparigheid getroffen, waarbij de meerderheid der leden bereikt wordt in iedere groep.

Indien de eenparigheid niet bereikt kan worden of indien de meerderheid niet aanwezig is binnen iedere groep, roept evenwel de commissie een nieuwe vergadering bijeen binnen de veertien dagen.

In dat geval, zullen de beslissingen geldig worden genomen op voorwaarde dat ze de instemming krijgen van twee derde van de stemmen onder de aanwezige leden binnen iedere groep.

Voor de toepassing van de leden 1 tot 3, worden de blanco stemmen en de onthoudingen niet als stemmingen in aanmerking genomen. Afdeling 4. - Nazicht en bekrachtiging van de bindend gemaakte

beslissingen

Art. 319.§ 1. De uitvoering van de beslissingen die bindend werden gemaakt overeenkomstig artikel 308 wordt gecontroleerd, onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, door ambtenaren die door de Regering worden aangesteld. § 2. Bij overtreding, maken de ambtenaren vermeld bij § 1 processen-verbaal op die zij aan de bevoegde procureur des Konings overzenden en een afschrift ervan wordt bij een ter post aangetekende brief toegezonden, binnen de acht dagen, aan de overtreder, dit alles op straffe van nietigheid. § 3. De bij lid 1 bedoelde ambtenaren treden in de lokalen binnen waar de personeelsleden hun opdracht uitvoeren, mits inachtneming van het recht op woonplaats.

De directeurs alsook de personeelsleden die verantwoordelijk zijn voor het administratieve beheer worden ertoe gehouden hun de inlichtingen te geven die zij nodig hebben voor het uitvoeren van hun opdracht. § 4. Iedere overtreding van de beslissingen die bindend werden gemaakt overeenkomstig artikel 308, wordt gestraft met een boete van 2,50 tot 2.500 EUR. De boete kan opgelegd worden zoveel keren als er personen zijn die tewerk worden gesteld in overtreding van genoemde beslissingen, zonder dat het totaal van de boeten meer dan 5.000 EUR mag bedragen.

De straffen bepaald bij vorig lid zijn van toepassing op elk personeelslid dat deze bepalingen overtreedt. § 5. De inrichtende machten en de directeurs, alsook het onderwijzend personeel, die het nazicht ingericht krachtens dit decreet hebben belemmerd, worden gestraft met een boete van 26 tot 100 EUR, onverminderd, desnoods, de toepassing van de straffen uitgevaardigd door de artikelen 269 en 274 van het Strafwetboek. § 6. Gestraft wordt met een boete van 2,50 tot 2.500 EUR eenieder die, met als doel op een dwaalspoor te brengen, onware verklaringen aflegt gedurende de onderzoeken verricht door de nazichtdienst. § 7. De inrichtende machten zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten uitgesproken ten laste van hun directeurs. HOOFDSTUK IX. - Ambtsneerlegging Eerste afdeling. - Ambtsneerlegging van de voor bepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden

Art. 320.De voor bepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden worden ambtshalve en zonder vooropzegging uit hun ambt ontslagen : 1° indien zij niet regelmatig tijdelijk aangewezen werden, voor zover de onregelmatigheid niet door de inrichtende macht is begaan;2° indien zij niet meer voldoen aan de volgende voorwaarden : a) onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn, behoudens afwijking toegekend door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;3° indien zij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° indien zij zonder geldige reden hun betrekking verlaten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° indien zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke wetten en strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;6° indien vastgesteld wordt dat er een permanente arbeidsongeschiktheid bestaat zoals erkend overeenkomstig de wet of de verordening die zij ervan verhindert hun ambt behoorlijk uit te oefenen;7° indien zij de normale leeftijd voor de inrustestelling hebben bereikt;8° op het einde van de termijn vermeld in de aanwijzingsakte en uiterlijk de laatste dag van het academiejaar gedurende hetwelk de aanwijzing plaatsheeft;9° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken in een welbepaald ambt en toe te kennen cursussen voor een personeelslid van dezelfde hogere kunstschool, dat definitief benoemd of voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen is;10° op het ogenblik van de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, in het geval van een aanwijzing zoals bedoeld bij artikel 105, § 1;11° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen beroep zoals bedoeld bij artikel 348 wordt ingesteld of het personeelslid een einde weigert te stellen, na uitputting van de procedure, aan de onverenigbare bezigheid;12° vanaf de ontvangst van het advies van de administratieve gezondheidsdienst waarbij het tijdelijk personeelslid definitief ongeschikt wordt verklaard;13° in het geval van een vaste benoeming in een ambt naar rata van de uren die het voorwerp uitmaken van deze nieuwe benoeming, ten belope van een volledig ambt;14° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool in een bepaald ambt en toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet wordt door een voor bepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid;15° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken in een welbepaald ambt en toe te kennen cursussen voor een personeelslid van dezelfde hogere kunstschool, dat definitief benoemd of voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen is.In dat geval, verliest het personeelslid met de kleinste dienstanciënniteit zoals bedoeld bij artikel 278 voor het in acht genomen ambt en de toe te kennen cursussen, zijn betrekking.

Art. 321.Een voor bepaalde tijd tijdelijk aangesteld personeelslid kan vrijwillig zijn ambt neerleggen, mits vooropzegging van veertien dagen.

Het personeelslid geeft er kennis van aan de Regering bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag volgend op de datum van zijn verzending, en licht de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing in. Afdeling 2. - Ambtsneerlegging van de voor onbepaalde tijd tijdelijk

aangestelde personeelsleden

Art. 322.De voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelsleden worden ambtshalve en zonder vooropzegging uit hun ambt ontslagen : 1° indien zij niet regelmatig tijdelijk aangewezen werden, voor zover de onregelmatigheid niet door de inrichtende macht is begaan;2° indien zij niet meer voldoen aan de volgende voorwaarden : a) onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn, behoudens afwijking toegekend door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;3° indien zij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° indien zij zonder geldige reden hun betrekking verlaten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° indien zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke wetten en strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;6° indien vastgesteld wordt dat er een permanente arbeidsongeschiktheid bestaat zoals erkend overeenkomstig de wet of de verordening die zij ervan verhindert hun ambt behoorlijk uit te oefenen;7° indien zij de normale leeftijd voor de inrustestelling hebben bereikt;8° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken voor een vastbenoemd onderwijzend personeelslid van dezelfde hogere kunstschool.In dat geval, verliest zijn betrekking het voor bepaalde tijd aangewezen personeelslid dat de kleinste dienstanciënniteit telt zoals bedoeld bij artikel 278 voor het betrokken ambt en de toe te kennen cursussen; 9° om het toekennen van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken voor een voor onbepaalde tijd tijdelijk aangesteld onderwijzend personeelslid van dezelfde hogere kunstschool. In dat geval, verliest zijn betrekking, het personeelslid dat de kleinste dienstanciënniteit telt zoals bedoeld bij artikel 278 voor het betrokken ambt en de toe te kennen cursussen; 10° indien een onverenigbaarheid wordt vastgesteld en geen beroep zoals bedoeld bij artikel 222 wordt ingesteld of indien het personeelslid een einde weigert te stellen, na uitputting van de procedure, aan de onverenigbare bezigheid;11° vanaf de ontvangst van het advies van de administratieve gezondheidsdienst waarbij het personeelslid definitief ongeschikt wordt verklaard;12° in het geval van een vaste benoeming in een ambt naar rata van de uren die het voorwerp uitmaken van deze nieuwe benoeming, ten belope van een volledig ambt;13° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool in een bepaald ambt en toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet wordt door een voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid.

Art. 323.Een voor onbepaalde tijd tijdelijk aangewezen personeelslid kan vrijwillig zijn ambt neerleggen, mits vooropzegging van veertien dagen.

Het personeelslid geeft er kennis van aan de Regering bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag volgend op de datum van zijn verzending, en licht de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing in. Afdeling 3. - Ambtsneerlegging van vastbenoemde personeelsleden

Art. 324.De vastbenoemde personeelsleden worden ambtshalve en zonder vooropzegging uit hun ambt ontslagen : 1° indien zij niet regelmatig vast benoemd werden, voor zover de onregelmatigheid niet door de inrichtende macht is begaan.De personeelsleden behouden de rechten die voortvloeien uit de vorige regelmatige toestand; 2° indien zij niet meer voldoen aan de volgende voorwaarden : onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn, behoudens afwijking toegekend door de Regering; de burgerlijke en politieke rechten genieten; voldaan hebben aan de dienstplichtwetten; 3° indien zij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° indien zij zonder geldige reden hun betrekking verlaten en voor een onafgebroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° indien zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke wetten en strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;6° indien vastgesteld wordt dat er een permanente arbeidsongeschiktheid bestaat zoals erkend overeenkomstig de wet of de verordening die zij ervan verhindert hun ambt behoorlijk uit te oefenen;7° indien zij de normale leeftijd voor de inrustestelling hebben bereikt;8° indien zij van ambtswege worden ontslagen of afgezet;9° indien zij, na uitputting van de procedure, een einde weigeren te stellen aan een bezigheid die onverenigbaar is met de hoedanigheid van personeelslid van een gesubsidieerde officiële hogere kunstschool;10° indien zij, zonder geldige reden, een nieuwe aanstelling toegekend na een verandering van aanstelling of na een mutatie weigeren;11° indien zij, zonder geldige reden, de uren die hun toegekend worden krachtens artikel 165, § 2, weigeren;12° indien zij in ruste worden gesteld wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid;13° in het geval van een vaste benoeming in een ambt naar rata van de uren die het voorwerp uitmaken van deze nieuwe benoeming, ten belope van een volledig ambt;14° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool in een bepaald ambt en toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet wordt door een vastbenoemd personeelslid dat een bijambt uitoefent. Wanneer de definitieve ambtsneerlegging de toepassing van artikel 10 van de wet van 20 juli 1991 met zich meebrengt, stort de Franse Gemeenschap de bijdragen bepaald in dat artikel ter bestemming van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 325.Bij vrijwillige ontslagneming, mag het personeelslid zijn dienst enkel verlaten op voorwaarde ertoe behoorlijk gemachtigd te zijn geweest of na een vooropzegging van veertien dagen. Het personeelslid geeft er kennis van aan de Regering bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag volgend op de datum van zijn verzending. Hij licht de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing in. HOOFDSTUK X. - Bestraffing van de niet-nakoming van de verplichtingen van de inrichtende macht

Art. 326.§ 1. De inrichtende macht verliest het genot van de weddetoelage voor elk personeelslid van wie zij de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of het gedeeltelijke opdrachtverlies niet zou melden.

In het geval van het gedeeltelijk opdrachtverlies, blijft het verlies van de weddetoelage beperkt tot het aantal verloren uren. § 2. De inrichtende macht die nalaat de bezetting van een betrekking door een tijdelijk personeeslid te vermelden en indien deze betrekking vermeld zou kunnen worden voor een wijziging van aanstelling en een wijziging van voorlopige aanstelling, verliest het genot van de wedde-toelage die toegekend wordt aan dat lid. § 3. De inrichtende macht die, zonder geldige reden, geweigerd heeft gevolg te geven aan een verandering van aanstelling of aan een verandering van voorlopige aanstelling of die niet voldoet aan zijn verplichtingen inzake verlenging van de wijzigingen van aanstelling en van voorlopige aanstellingen, verliest het genot van de weddetoelage toegekend aan het tijdelijke personeelslid dat de betrekking toegewezen aan deze verandering van aanstelling of verandering van voorlopige aanstelling bezet. § 4. De Regering zendt een ingebrekestelling aan de inrichtende macht toe waarbij deze laatste ertoe uitgenodigd wordt, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de ingebrekestelling, het bewijs te leveren dat zij niet meer in een geval is waarvoor de toepassing van de §§ 1 tot 3 mogelijk is. De Regering, kan, per besluit, deze bevoegdheid delegeren aan de functioneel bevoegde minister.

Indien, op het einde van deze termijn van dertig dagen, de inrichtende macht het bewijs niet heeft geleverd dat zij zich niet meer in één van de gevallen van toepassing van de paragrafen 1 tot 3 bevindt, verliest zij, zoals vermeld in deze paragrafen, het genot van de weddetoelage voor een periode die begint op het einde van de voornoemde termijn van dertig dagen en die loopt tot op de dag waarop de inrichtende macht het bewijs heeft geleverd dat zij zich niet meer bevindt in een geval van toepassing van de §§ 1 tot 3.

Er wordt een afschrift van de bij lid 1 bedoelde ingebrekestelling ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid. HOOFDSTUK XI. - De bepalingen die in strijd zijn met het statuut kunnen niet worden tegengeworpen

Art. 327.Elke bepaling die in een aanstellings-, benoemingsakte of in een arbeidsreglement zou voorkomen en die in strijd zou zijn met de dwingende wettelijke bepalingen, inzonderheid de artikelen 12bis, § 1, en 45 van de wet van 29 mei 1959, met dit decreet of de bijkomende regels bepaald door de bevoegde paritaire commissies, kan niet worden tegengeworpen.

TITEL V. - Statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde vrije hogere kunstscholen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 328.Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder "bijkomende regels van de bevoegde centrale paritaire commissie", de regels die bepaald worden als aanvulling van dit statuut door de centrale paritaire commissie bedoeld bij artikel 437, die dankzij een besluit van de Regering bindende kracht hebben bekomen, overeenkomstig artikel 443.

Art. 329.Van nul en gener waarde is iedere contractclausule, iedere bepaling van een arbeidsreglement die in strijd is met de dwingende wettelijke bepalingen, met dit statuut of met de bijkomende regels van de bevoegde centrale paritaire commissie.

Art. 330.Wanneer de personeelsleden door de inrichtende macht de uitvoering van delegatieopdrachten toegewezen worden, worden ze van rechtswege geacht als mandataris op te treden van de inrichtende macht in de betrekkingen met de andere personeelsleden. Het bewijs van het tegendeel wordt niet toegelaten.

Art. 331.In geval van schade veroorzaakt door het personeelslid aan de inrichtende macht of aan derden gedurende de uitvoering van het contract dat voortvloeit uit dit statuut, is het personeelslid enkel verantwoordelijk voor zijn bedrog of zijn zware tekortkoming en voor zijn lichte tekortkoming indien deze een gewoonte is meer dan een toeval in zijn handelen.

Art. 332.Het personeelslid is noch aansprakelijk voor de beschadiging of de sleet die voortvloeien uit het normale gebruik van het ding, noch voor het ongewenste verlies.

Art. 333.Wanneer het schriftelijk niet vereist is, wordt het getuigenbewijs toegelaten, wat ook de waarde van de betwisting zij, en dit zelfs voor de raden van beroep.

Art. 334.De handelingen die uit het contract voortvloeien, verstrijken één jaar na de beëindiging ervan of vijf jaar na het feit dat aanleiding gaf tot de handeling zonder dat deze laatste termijn één jaar mag overschrijden na de beëindiging van het contract. HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden Eerste afdeling. Plichten van de inrichtende macht

Art. 335.De inrichtende macht heeft tot verplichting : 1° het personeelslid te laten werken onder de voorwaarden, op de tijd en de plaats die overeengekomen zijn, inzonderheid door het terbeschikkingstellen van de instrumenten en de materies die noodzakelijk zijn voor het volbrengen van zijn opdracht;2° als een goede huisvader te zorgen voor het volbrengen van het werk in behoorlijke omstandigheden vanuit het standpunt van de veiligheid en de gezondheid van het personeelslid, en voor de eerste zorg in geval van ongeval;3° het betalen van de bezoldiging volgens de voorwaarden, op de tijd en op de plaats die overeengekomen zijn;4° voldoende aandacht en zorg te schenken aan de opvang van de personeelsleden, en meer specifiek, de jonge personeelsleden;5° als een goed huisvader te zorgen voor het onderhoud van de werkinstrumenten van de personeelsleden. In geen enkel geval heeft zij het recht deze werkinstrumenten te behouden.

Art. 336.Wanneer het contract tot zijn einde komt, heeft de inrichtende macht tot verplichting alle sociale documenten aan de personeelsleden te bezorgen.

Art. 337.Heeft recht op de weddetoelage die hem toegekomen zou zijn indien hij zijn normale dagtaak had kunnen volbrengen, het personeelslid dat geschikt is om te werken op het ogenblik dat hij zich naar het werk begeeft : 1° dat, op de normale weg naar het werk, er slechts met vertraging of er niet aankomt voor zover deze vertraging of afwezigheid te wijten is aan een oorzaak opgedoken op de weg van en naar het werk of die niet van zijn wil afhangt;2° dat, met uitzondering van het geval van de staking, wegens een reden die onafhankelijk is van zijn wil, zijn werk niet kan aanvatten, terwijl hij zich normaal naar de plaats van het werk begaf, ofwel voltooien als hij er al mee bezig is.

Art. 338.De personeelsleden hebben recht om van hun werk afwezig te zijn, met behoud van de normale bezoldiging, bij gezinsevenementen, voor het volbrengen van verplichtingen inzake burgertrouw en burgerlijke opdrachten, en in geval van een dagvaarding voor het gerecht. Afdeling 2. - Plichten van de personeelsleden

Art. 339.De personeelsleden moeten in alles steeds de belangen van het onderwijs waarin zijn hun ambt uitoefenen, behartigen.

Gedurende de uitoefening van hun ambt, komen zij persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen na die hun zijn opgelegd door de wetten, decreten, besluiten en verordeningen, door bijkomende regels van de bevoegde paritaire commissie, door het arbeidsreglement en door de wervingsovereenkomst.

Art. 340.De personeelsleden moeten zich met de meest volstrekte correctheid gedragen zowel in hun dienstbetrekkingen als in hun omgang met het publiek en de studenten. Zij moeten elkaar bijstaan in de mate waarin het belang van de hogere kunstschool zulks vereist. Zij moeten alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt vermijden.

Art. 341.De personeelsleden mogen de leerlingen niet gebruiken om politieke of commerciële propagandadoeleinden.

Art. 342.De personeelsleden moeten, binnen de perken gesteld door de reglementering, de bijkomende regels van de bevoegde paritaire commissie, het arbeidsreglement en de wervingsovereenkomst, de diensten verstrekken die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de hogere kunstschool waar zij hun ambt uitoefenen.

Zij mogen zonder voorafgaande toelating van de inrichtende macht of van zijn vertegenwoordiger de uitoefening van hun ambt niet onderbreken.

Art. 343.Het is de personeelsleden verboden feiten bekend te maken, die zij zouden kennen ter oorzake van hun ambt en die van nature geheim zijn.

Art. 344.Het is de personeelsleden verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel te vragen, te eisen of aan te nemen.

Art. 345.Zij mogen zich niet inlaten met enige werkzaamheid die in strijd is met de Grondwet en de wetten van het Belgisch volk, die de vernietiging van 's Lands onafhankelijkheid op het oog heeft of die de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België strekkend tot het verzekeren van zijn veiligheid in gevaar brengt.

Zij mogen niet toetreden tot, noch hun medehulp verlenen aan een beweging, groepering, organisatie of vereniging met een soortgelijke werkzaamheid.

De uitoefening van de rechten van het Belgisch of Europees Staatsburgerschap, die de personeelsleden bezitten, wordt steeds geëerbiedigd.

Art. 346.De personeelsleden moeten de verplichtingen in acht nemen, die schriftelijk in de wervingsovereenkomst worden bepaald en die voortvloeien uit de specifieke aard van het pedagogisch en artistiek project van de hogere kunstschool waar zij hun ambt uitoefenen. Afdeling 3. - Onverenigbaarheden

Art. 347.Elke activiteit die het vervullen van de ambtsplichten zou kunnen belemmeren of die in strijd is met de waardigheid van hun ambt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van een gesubsidieerde vrije hogere kunstschool.

Art. 348.Onstaat er een betwisting over het bestaan van een onverenigbaarheid bedoeld bij artikel 347, dan kan de inrichtende macht het advies aanvragen van de bevoegde paritaire commissie.

De paritaire commissie brengt haar advies uit binnen de dertig dagen na ontvangst van de aanvraag.

Art. 349.Elke bezigheid die van natuur zou zijn om de specifieke aard van het pedagogisch en artistiek project van een gesubsidieerde vrije hogere kunstschool in het gedrang te brengen, is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van deze school.

Art. 350.De bij artikel 347 bedoelde onverenigbaarheden worden schriftelijk in de wervingsovereenkomst bepaald.

Art. 351.De inrichtende macht die vaststelt dat een personeelslid voortdurend een bezigheid beoefent die, in de zin van artikel 347, onverenigbaar is met zijn ambt in het onderwijs of die, in de zin van artikel 349, onverenigbaar is met de specifieke aard van het pedagogisch en artistiek project van de hogere kunstschool, geeft er hem kennis van bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft met ingang van de derde werkdag na de datum van verzending.

Behoudens zware tekortkoming, kan het personeelslid zich voorhoeden tegen elk risico tot beëindiging van zijn overeenkomst door te bewijzen dat hij de hem verweten bezigheid niet meer uitoefent.

Onder voorbehoud van de toepassing van het vorig lid, heeft de kennisgeving tot gevolg dat de overeenkomst van het personeelslid beëindigd wordt, behalve als hij een beroep instelt, binnen de maand, voor de arbeidsrechtbank.

Het personeelslid dat een beroep instelt, blijft in dienstactiviteit. Afdeling 4. - Bescherming van het privé-leven

Art. 352.Het recht van de inrichtende macht om een geëngageerd onderwijs in te richten, wordt gewaarborgd, zonder dat daarbij de bescherming van het privé-leven van de personeelsleden beperkt zou worden. HOOFDSTUK III. - Werving Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 353.§ 1. De personeelsleden worden tijdelijk aangeworven, vastbenoemd of krijgen een mandaat toegewezen door de inrichtende macht. § 2. De personeelsleden worden door de inrichtende macht aangeworven op advies van een Wervingscommissie die door haar te dien einde wordt opgericht, overeenkomstig de artikelen 15 en 63 tot 67.

De kandidaten voor een mandaat van lector worden niet bij § 2 bedoeld.

Art. 354.De personeelsformatie wordt aan de inrichtende macht ter goedkeuring voorgelegd door de directeur van de hogere kunstschool, op advies van de pedagogische beheersraad. Deze personeelsformatie wordt jaarlijks bepaald.

De werving, benoeming in vast verband en terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking van de personeelsleden worden voorgelegd door de directeur van de hogere kunstschool aan de inrichtende macht, op advies van de pedagogische beheersraad.

De Regering geeft kennis, uiterlijk op 30 juni, van het aantal betrekkingseenheden die aan de hogere kunstschool voor het volgende academiejaar worden toegewezen.

Art. 355.De inrichtende macht maakt, uiterlijk op 1 mei, een oproep tot de kandidaten voor elke toe te kennen vacante betrekking in het Belgisch Staatsblad bekend.

Die betrekkingen zijn toegankelijk voor de in vast verband aangeworven personeelsleden, door mutatie of opdrachtuitbreiding, voor de voor onbepaalde tijd tijdelijk aangeworven personeelsleden, door opdrachtuitbreiding, en voor de kandidaten voor een tijdelijke aanwerving.

Art. 356.De inrichtende macht maakt, uiterlijk op 1 mei, een oproep tot de kandidaten voor elk toe te kennen mandaat in het Belgisch Staatsblad bekend. De mandaten van directeur en adjunct-directeur zijn toegankelijk voor de in vast verband aangeworven personeelsleden, de tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven personeelsleden, de tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven personeelsleden en iedere andere kandidaat die voldoet aan de in de artikelen 377 en 380 bedoelde voorwaarden.

Art. 357.Voor de werving van de (hoog)leraren, begeleiders en assistenten, bepaalt de oproep in het Belgisch Staatsblad : 1° het ambt en de toe te kennen cursussen;2° de omvang van de opdracht;3° de dossiers die ingediend moeten worden, met, inzonderheid, de documenten met betrekking tot de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld bij artikel 68, de meldingen van de wetenschappelijke publicaties en de diverse elementen die tot bewijs van de beroepservaring dienen;4° het pedagogisch en artistiek project dat ingediend dient te worden, met betrekking tot de te begeven cursus;5° de vorm en de termijnen die vereist zijn voor de indiening van de dossiers en projecten bedoeld bij 3° en 4° 6° de vorm en de termijn die vereist zijn voor de mogelijke verschijning van de kandidaat voor de wervingscommissie. Voor de werving van de directeurs en de adjunct-directeurs, bepaalt de oproep in het Belgisch Staatsblad : 1° de aard van het mandaat en, in voorkomend geval, de te begeven onderwijsactiviteiten;2° de omvang van de opdracht;3° de dossiers die ingediend moeten worden met inzonderheid de documenten met betrekking tot de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring bedoeld bij artikel 68, de meldingen van de wetenschappelijke publicaties en de diverse elementen die tot bewijs van de beroepservaring dienen;4° het pedagogisch en artistiek project dat ingediend dient te worden, met betrekking tot het te begeven mandaat;5° de vorm en de termijnen die vereist zijn voor de indiening van de dossiers en projecten bedoeld bij 3° en 4° 6° de vorm en de termijn die vereist zijn voor de mogelijke verschijning van de kandidaat voor de wervingscommissie.

Art. 358.De kandidaat die naar verschillende betrekkingen solliciteert, dient een afzonderlijke kandidatuur voor elke betrekking in. Op straffe van nietigheid, worden de kandidaturen bij een ter post aangetekend schrijven bij de inrichtende macht ingediend.

Art. 359.§ 1. De kandidaturen voor de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel die de voorwaarden bepaald bij artikel 357 in acht nemen, worden door de Wervingscommissie onderzocht. Deze commissie onderzoekt de pedagogische en artistieke projecten van de kandidaten. Na onderzoek van de projecten selecteert de Commissie de kandidaten die gekozen werden voor een individueel onderhoud. De Wervingscommissie overhandigt de pedagogische beheersraad een met redenen omkleed verslag voor iedere kandidaat. De directeur zendt het verslag met het advies van de pedagogische beheersraad aan de inrichtende macht over. § 2. Voor de betrekkingen van (hoog)leraar en begeleider, is de Wervingscommissie er niettemin toe gehouden prioritair de aanvragen tot verandering van aanstelling van de personeelsleden van de hogere kunstscholen van de inrichtende macht te behandelen.

De directeur legt daarna een met redenen omkleed voorstel aan de inrichtende macht die beslist voor.

Art. 360.§ 1. Wanneer een hogere kunstschool een vervanging van een onderwijzend personeelslid wenst te verrichten, kan de inrichtende macht een persoon aanwijzen in afwijking van de procedure bedoeld bij de artikelen 355 en 356 op de voordracht van de directeur, na advies van de Wervingscommissie en van de pedagogische beheersraad.

Deze aanstelling neemt een einde bij de terugkeer van de titularis van de betrekking en in elk geval op het einde van het academiejaar gedurende hetwelk de aanstelling plaats heeft gevonden. Deze aanstelling mag in geen enkel geval aanleiding geven tot een aanstelling voor onbepaalde tijd. § 2. Wanneer de hogere kunstschool een betrekking wenst te begeven, die vakant is geworden na de bekendmaking van de oproep bedoeld bij de artikelen 355 en 356, dan is de procedure bepaald bij lid 1 van § 1 van toepassing.

Deze werving kan in geen enkel geval aanleiding geven tot een aanstelling voor onbepaalde tijd. Afdeling 2. - Tijdelijk aangeworven personeelsleden

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 361.Uiterlijk op het moment van de aanwerving wordt een schriftelijke overeenkomst gesloten, getekend door beide partijen en in twee exemplaren opgesteld, waarvan één aan het personeelslid wordt overhandigd.

In deze overeenkomst wordt het volgende vermeld : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° het uit te oefenen ambt alsmede de kenmerken en het volume van de opdracht;4° in voorkomend geval, de verplichtingen bedoeld in artikel 346 en de onverenigbaarheden bedoeld in de artikelen 347 en 349;5° de begindatum en de einddatum van de aanwerving;6° of de betrekking vacant verklaard is overeenkomstig de oproep bedoeld in de artikelen 355 en 356;7° indien de betrekking niet vacant is, de identiteit van de titularis. Bij gebrek aan een schriftelijke overeenkomst, wordt het personeelslid geacht binnen het ambt, de opdracht en de betrekking die hij werkelijk bezet, te worden aangeworven. Hij wordt, overeenkomstig artikel 363, naargelang van het geval, geacht te worden aangeworven voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd.

Art. 362.Na elke activiteitsperiode, overhandigt de inrichtende macht aan het tijdelijk personeelslid een attest met de gepresteerde diensten per uitgeoefend ambt, met de begindatum en de einddatum alsmede het volume van de opdracht.

Art. 363.§ 1. Voor iedere betrekking binnen het ambt van (hoog)leraar of begeleider die vacant werd verklaard volgens de procedure bedoeld in artikel 355, worden de tijdelijke aanwerving door de inrichtende macht uitgeoefend. Eerst geschiedt die voor bepaalde tijd, maximaal voor een academiejaar. Deze aanwerving voor bepaalde tijd is verlengbaar voor hoogstens een academiejaar. Op het einde van de aanwerving of de aanwervingen bedoeld in het eerste lid, wordt het personeelslid dat opnieuw moet worden aangeworven, voor onbepaalde tijd aangeworven, voor zover het personeelslid een hoofdambt uitoefent. De aanwerving voor onbepaalde tijd kan echter alleen plaatshebben als de gecumuleerde duur van de aanwervingen voor bepaalde tijd minimaal één jaar bedraagt. § 2. Voor een betrekking in het ambt van assistent, vacant verklaard volgens de procedure bedoeld in artikel 355, worden de tijdelijke aanwervingen door de inrichtende macht uitgevoerd. Dit gebeurt voor een termijn van één academiejaar, vijf keer hernieuwbaar op het gebied van muziek, en voor een termijn van twee academiejaren, twee keer hernieuwbaar, wat de andere gebieden betreft.

Art. 364.§ 1. Niemand kan tijdelijk in dienst worden aangeworven als hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet bij de aanwerving: 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het toe te kennen ambt, zoals bepaald in artikel 82;4° a) indien het over een aanwerving gaat voor bepaalde tijd, bij de indiensttreding een medisch attest overleggen dat niet langer dan zes maanden tevoren werd opgegeven en waaruit blijkt dat de gezondheid van de kandidaat in een zodanige toestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten en andere personeelsleden niet in gevaar kan brengen;b) indien het over een aanwerving voor onbepaalde tijd gaat, een medisch onderzoek hebben ondergaan met als doel de lichamelijke geschiktheid na te gaan, vastgesteld door de Regering;5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° aan de dienstplichtwetten voldoen. § 2. Bij de eerste aanwerving in het onderwijs, legt het personeelslid de eed af met de woorden bedoeld in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.

Onderafdeling 2. - Aanwerving voor bepaalde tijd van (hoog)leraren en begeleiders

Art. 365.Niemand kan tijdelijk worden aangeworven in het ambt van (hoog)leraar of begeleider als hij, op het moment van deze aanwerving, naast de voorwaarden bedoeld in artikel 364, niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° een pedagogisch en artistiek project overleggen en dit aan de Wervingscommissie voorleggen;2° een nuttige ervaring buiten het onderwijs van vijf jaar hebben opgedaan binnen een artistiek domein voor de betrekkingen van (hoog)leraar voor kunstlessen en begeleider;3° een nuttige ervaring buiten het onderwijs van twee jaar hebben opgedaan voor de betrekkingen van (hoog)leraar technische cursussen. De nuttige ervaring buiten het onderwijs opgedaan, bedoeld in de leden 1, 2 en 3, moet een verband hebben met de toe te kennen cursus.

Art. 366.§ 1. Uiterlijk op het einde van de examenzittijd in juni, stelt de directeur van de hogere kunstschool een verslag op over de manier waarop het personeelslid zijn taak heeft vervuld.

Dit verslag, geviseerd en gedateerd door de betrokkene, wordt naar de inrichtende macht opgestuurd. Het personeelslid ontvangt een afschrift ervan.

Het verslag draagt, volgens het geval, een van de volgende vermeldingen : « heeft voldaan », « heeft gedeeltelijk voldaan », « heeft niet voldaan ». Indien het verslag de vermelding « heeft voldaan » draagt, en de betrekking van het personeelslid dat een vacante betrekking had, vernieuwd wordt, dan moet die betrekking voor onbepaalde tijd zijn. Deze vernieuwing gebeurt met voorrang boven elke verandering van aanstelling, ambt, mutatie of opdrachtuitbreiding.

Wanneer de directeur van de hogere kunstschool geen verslag heeft opgesteld met als vermelding « heeft voldaan », moet de inrichtende macht het personeelslid horen vooraleer een beslissing te nemen. Bij deze hoorzitting, kan het personeelslid bijgestaan worden of vertegenwoordigd worden door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de in actieve dienst zijnde of gepensioneerde personeelsleden van het onderwijs van de inrichtende macht of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakvereniging. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid weigert het verslag te viseren of niet naar de hoorzitting komt.

Indien het verslag de vermelding « heeft gedeeltelijk voldaan » draagt, en de betrekking van het personeelslid dat een vacante betrekking uitoefende, verlengd wordt, is dit verplicht tijdelijk en voor bepaalde tijd. Wanneer de betrokken betrekking vacant blijft in het begin van het academiejaar, geschiedt de vernieuwing voor maximal een academiejaar met voorrang boven elke verandering van aanstelling, ambt, mutatie of opdrachtuitbreiding.

Indien het door de directeur van de hogere kunstschool opgesteld verslag de vermelding « heeft niet voldaan » draagt, kan de inrichtende macht geenszins deze aanwerving vernieuwen.

Bij gebrek aan een verslag, wordt het personeelslid geacht een verslag te hebben ontvangen met als vermelding « heeft voldaan ». § 2. Wanneer over het personeelslid een verslag is opgesteld met als kenmerk « heeft gedeeltelijk voldaan » en zijn betrekking wordt vernieuwd voor een academiejaar maximaal, zijn er voor de directeur van de hogere kunstschool slechts twee evaluatiemogelijkheden: een verslag met de vermelding « heeft voldaan » of een verslag met de vermelding « heeft niet voldaan ».

Onderafdeling 3. - Aanwerving voor bepaalde tijd van de assistenten

Art. 367.Niemand kan tijdelijk worden aangeworven voor een ambt van assistent als hij op het moment van deze aanwerving niet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 364 voldoet en als hij geen pedagogisch of artistiek project ingediend en voorgesteld heeft aan de Wervingscommissie.

Art. 368.De kandidaturen voor een ambt van assistent worden onderzocht door de Wervingscommissie bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet. Na onderzoek van de door de kandidaten voorgelegde projecten, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking komen voor een individueel interview. De Wervingscommissie geeft een gemotiveerd verslag voor elke kandidaat aan de pedagogische beheersraad. De directeur geeft het verslag, samen met het advies van de pedagogische beheersraad, aan de inrichtende macht door.

Onderafdeling 4. - Aanwerving voor onbepaalde tijd van de (hoog)leraren en begeleiders

Art. 369.In het begin van het academiejaar worden de personeelsleden tijdelijk aangeworven voor een onbepaalde duur door de inrichtende macht op de voordracht van de directeur van de hogere kunstschool, na advies van de pedagogische beheersraad.

Onderafdeling 5. - Afdanking

Art. 370.§ 1. De inrichtende macht kan elk personeelslid tijdelijk aangeworven voor onbepaalde tijd, afdanken zonder opzegging, wegens een zware tekortkoming.

Als zware tekortkoming wordt elke tekortkoming beschouwd die elke professionele medewerking tussen het personeelslid en de inrichtende macht onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2. Vanaf het moment dat de inrichtende macht op de hoogte is van de elementen die de zware tekortkoming kunnen staven, roept hij bij een ter post aangetekende brief het personeelslid op voor een hoorzitting die plaats moet grijpen minstens vijf dagen en hoogstens tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief. De procedure verloopt verder wanneer het personeelslid niet naar de hoorzitting komt. § 3. Indien de inrichtende macht beschouwt dat voldoende elementen de zware tekortkoming staven, kan hij de afdanking uitvoeren binnen de drie dagen volgend op de datum van de hoorzitting. De afdanking gaat vergezeld van het bewijs dat de feiten werkelijk zijn gebeurd. Zij wordt ofwel bij gerechtsdeurwaardersexploot, ofwel bij een ter post aangetekende brief, die uitwerking heeft met ingang van de derde werkdag volgend op de datum van de verzending, aan de andere partij meegedeeld. § 4. Bij de hoorzitting mag het personeelslid begeleid of vertegenwoordigd worden door een vertegenwoordiger van een representatieve vakvereniging, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde leden of gepensioneerde leden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Art. 371.Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen, kan de inrichtende macht een einde maken aan de opdracht van een tijdelijk personeelslid voor een bepaalde duur, op gemotiveerde voordracht van de directeur van de hogere kunstschool na advies van de pedagogische beheersraad. Het personeelslid wordt vooraf gehoord door de inrichtende macht. De procedure verloopt verder wanneer het personeelslid niet naar de hoorzitting komt.

Art. 372.§ 1. De inrichtende macht kan elk personeelslid tijdelijk aangeworven voor onbepaalde tijd ontslaan, zonder opzegging, wegens een zware tekortkoming.

Als zware tekortkoming wordt elke tekortkoming beschouwd die elke professionele samenwerking tussen het personeelslid en de inrichtende macht onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2. Vanaf het moment dat de inrichtende macht op de hoogte is van de elementen die de zware tekortkoming staven, roept hij bij een ter post aangetekende brief het personeelslid op voor een hoorzitting die plaats moet grijpen minstens vijf dagen en hoogstens tien dagen na de verzending van de oproepingsbrief. De procedure verloopt verder wanneer het personeelslid niet naar de hoorzitting komt. § 3. Indien de inrichtende macht oordeelt dat voldoende elementen de zware tekortkoming staven, kan hij de afdanking uitvoeren binnen de drie dagen volgend op de datum van de hoorzitting. De afdanking gaat vergezeld van het bewijs dat de feiten werkelijk zijn gebeurd. Zij wordt ofwel bij gerechtsdeurwaardersexploot, ofwel bij een ter post aangetekende brief, die uitwerking heeft met ingang van de derde werkdag na de verzending, aan de andere partij meegedeeld. § .4. Bij de hoorzitting kan het personeelslid begeleid of vertegenwoordigd worden door een vertegenwoordiger van een representatieve vakvereniging, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde of gepensioneerde leden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Art. 373.Een personeelslid tijdelijk aangeworven voor onbepaalde tijd kan afgedankt worden door de inrichtende macht.

De opzeggingstermijn bedraagt minstens drie maanden voor het personeelslid aangeworven voor onbepaalde tijd sinds minder dan vijf jaar.

De termijn wordt vermeerderd met minstens drie maanden vanaf het begin van elke nieuwe wervingsperiode van vijf jaar bij dezelfde inrichtende macht.

Het tijdelijk personeelslid voor onbepaalde tijd aangeworven, tegen wie een gemotiveerd afdankingsvoorstel wordt geformuleerd, kan binnen de tien dagen een schriftelijke klacht indienen bij de inrichtende macht die ervan ontvangst bericht.

De inrichtende macht stuurt, op de dag van ontvangst, de klacht door naar de raad van beroep. Het beroep is niet schorsend.

Het personeelslid en de inrichtende macht worden gehoord door de raad van beroep.

Het personeelslid mag bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een vertegenwoordiger van een representatieve vakvereniging, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde of gepensioneerde personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs.

De inrichtende macht mag bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat, door een verdediger uitgekozen onder de leden van de inrichtende machten van een hogere kunstschool van dezelfde aard of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van de inrichtende machten behartigt.

Het niet-verschijnen van het personeelslid of van zijn vertegenwoordiger, alsmede het niet-verschijnen van de inrichtende macht of van haar vertegenwoordiger bij de hoorzitting, verhindert de raad niet zich uit te spreken.

De raad van beroep geeft zijn gemotiveerd advies aan de inrichtende macht binnen een termijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van de klacht. De inrichtende macht neemt een beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het advies.

De afdanking wordt gemotiveerd, op straffe van nietigheid. Afdeling 2. - Mandaten

Onderafdeling 1. - Mandaat van lector

Art. 374.Het mandaat van lector wordt toegekend door de inrichtende macht op de voordracht van de directeur, na advies van de pedagogische beheersraad, voor een bepaalde duur.

Art. 375.Wanneer het mandaat overeenkomt met een opdracht gelijk aan of hoger dan een halve volledige opdracht, is de duur beperkt tot zes maanden. In de andere gevallen is hij beperkt tot negen maanden.

Onderafdeling 2. - Mandaat van adjunct-directeur

Art. 376.Het mandaat van adjunct-directeur wordt toegekend door de inrichtende macht voor een vernieuwbare termijn van vijf jaar.

Art. 377.Niemand kan een mandaat krijgen om een ambt uit te oefenen van adjunct-directeur als hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° indien het over een eerste aanwerving gaat voor bepaalde tijd, bij de indiensttreding een medisch attest overleggen dat niet langer dan zes maanden tevoren werd opgegeven en waaruit blijkt dat de gezondheid van de kandidaat in een zodanige toestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten en andere personeelsleden niet in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° aan de dienstplichtwetten voldoen;6° een pedagogisch en artistiek project betreffende het bedoelde mandaat indienen en aan de Wervingscommissie voorstellen.

Art. 378.De kandidaturen voor een mandaat in een ambt van adjunct-directeur worden onderzocht door de Wervingscommissie bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet. Zij beoordeelt het curriculum vitae van de kandidaten en onderzoekt hun pedagogisch en artistiek project. Na het onderzoek van de projecten, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking komen voor een individueel interview. De Wervingscommissie dient een gemotiveerd verslag in voor elke kandidaat aan de pedagogische beheersraad. De directeur zendt het verslag, samen met het advies van de pedagogische beheersraad, naar de inrichtende macht over.

Onderafdeling 3. - Mandaat van directeur

Art. 379.Het mandaat van directeur wordt toegekend door de inrichtende macht voor een termijn van vijf jaar. Dit mandaat is hernieuwbaar op basis van een evaluatie gevoerd door de pedagogische beheersraad bedoeld in artikel 16.

Art. 380.Niemand kan een mandaat krijgen om een ambt van directeur uit te oefenen als hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° indien het over een eerste aanwerving gaat voor bepaalde tijd, bij de indiensttreding een medisch attest overleggen dat niet langer dan zes maanden tevoren werd opgegeven en waaruit blijkt dat de gezondheid van de kandidaat in een zodanige toestand verkeert, dat hij de gezondheid van de studenten en andere personeelsleden niet in gevaar kan brengen;4° van onberispelijk gedrag zijn;5° aan de dienstplichtwetten voldoen;6° een pedagogisch en artistiek project betreffende het bedoelde mandaat indienen en aan de Wervingscommissie voorstellen.

Art. 381.De kandidaturen voor een mandaat in een ambt van directeur worden onderzocht door de Wervingscommissie bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet. In afwijking van artikel 66 van dit decreet, wordt deze commissie voorgezeten door de vertegenwoordiger van de inrichtende macht of zijn afgevaardigde. De Wervingscommissie beoordeelt het curriculum vitae van de kandidaten en onderzoekt hun pedagogisch en artistiek project. Na het onderzoek van de projecten, selecteert de Commissie de kandidaten die in aanmerking komen voor een individueel interview. De Wervingscommissie dient een gemotiveerd verslag in voor elke kandidaat van de pedagogische beheersraad. In afwijking van de artikelen 17 en 19 van dit decreet, wordt deze pedagogische beheersraad voorgezeten door de vertegenwoordiger van de inrichtende macht of zijn afgevaardigde.

De voorzitter zendt het verslag, samen met het advies van de pedagogische beheersraad, naar de inrichtende macht over.

Onderafdeling 4. - Vervroegde beëindiging van de mandaten van directeur en adjunct-directeur

Art. 382.De inrichtende macht kan vervroegd een einde maken aan elk mandaat van een directeur of een adjunct-directeur die niet deel uitmaakt van het onderwijzend personeel definitief aangeworven overeenkomstig de bepalingen inzake afdanking bedoeld in de artikelen 370 en 372 van dit decreet.

Het onderwijzend personeelslid dat definitief aangeworven is, kan van zijn mandaat van directeur of adjunct-directeur worden ontheven bij beslissing van de inrichtende macht. Afdeling 4. - Aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar

of begeleider

Art. 383.Het personeelslid wordt in vast verband aangeworven door de inrichtende macht, voor het ambt waarvoor hij zich kandidaat stelt, als hij een gemotiveerd voorstel tot aanwerving in vast verband van de directeur gekregen heeft, op advies van de pedagogische beheersraad.

Art. 384.Niemand kan in vast verband worden aangeworven als hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet bij de definitieve aanwerving : 1° Belg zijn of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen voor het te begeven ambt, zoals bedoeld in artikel 82;4° over de vereiste lichamelijke geschiktheid beschikken, gecontroleerd door de Administratieve Gezondheidsdienst;5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;6° van onberispelijk gedrag zijn;7° aan de dienstplichtwetten voldoen;8° tijdelijk aangeworven zijn voor onbepaalde tijd;9° deze betrekking als hoofdambt bezetten;10° aan de anciënniteitsvoorwaarden voldoen, vastgesteld bij artikel 10, § 7 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, en, voor de (hoog)leraren artistieke of technische cursussen, aan de voorwaarde van nuttige ervaring voldoen binnen een artistieke of technische praktijk bedoeld in artikel 365 van dit decreet.

Art. 385.De inrichtende macht werft in vast verband het tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven personeelslid aan dat, voor het betrokken ambt en de te kennen cursussen, de grootste dienstanciënniteit, zoals bedoeld in artikel 410, telt.

Het personeelslid kan drie jaar dienstanciënniteit, verkregen in vast verband in een ander niveau van het onderwijs van hetzelfde net en van dezelfde aard, laten gelden voor de berekening van de in lid 1 bedoelde dienstanciënniteit. Afdeling 5. - Opdrachtuitbreiding

Art. 386.Wanneer de betrekking bedoeld in artikel 355 wordt toegekend bij opdrachtuitbreiding aan een personeelslid in vast verband aangeworven in hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursussen, wordt deze opdrachtuitbreiding onmiddellijk uitgevoerd in de hoedanigheid van tijdelijk personeelslid voor onbepaalde tijd.

Wanneer de betrekking bedoeld in artikel 355 bij opdrachtuitbreiding, op advies van de Wervingscommissie bedoeld in de artikelen 15 en 63 tot 67 van dit decreet, wordt toegekend aan een onderwijzend personeelslid in vast verband aangeworven binnen dezelfde instelling, binnen hetzelfde ambt en andere toe te kennen cursussen waarvoor het personeelslid over een bekwaamheidsbewijs beschikt, wordt deze opdrachtuitbreiding uitgevoerd in de hoedanigheid van tijdelijk personeelslid voor onbepaalde tijd. Afdeling 6. - Mutatie

Art. 387.De inrichtende macht die een vacante betrekking toe te kennen heeft, kan de mutatie aan een personeelslid toekennen dat die aanvraagt in antwoord op de oproep bedoeld in artikel 355. De aanvragen om mutatie worden bij een ter post aangetekende brief opgestuurd. Er wordt rekening gehouden met de aanvragen om mutatie die ingediend worden in de vorm en binnen de termijn vastgesteld bij de oproep bedoeld in het eerste lid.

De tijdelijke mutatie kan echter slechts met de instemming, volgens het geval, van de inrichtende machten van de twee betrokken Kunstscholen gebeuren.

Art. 388.De aanvraag om mutatie in een ambt van (hoog)leraar of begeleider wordt onderzocht door de Wervingscommissie die een advies uitbrengt aan de pedagogische beheersraad van de hogere kunstschool die over de betrekking waarnaar wordt gesolliciteerd, beschikt. De directeur van de hogere kunstschool stuurt het gemotiveerd verslag van de pedagogische beheersraad door naar de inrichtende macht.

De inrichtende macht beslist over de aanvraag om mutatie.

Art. 389.Op het einde van het academiejaar in de nieuwe hogere kunstschool en op advies van de pedagogische beheersraad, stelt de directeur aan de inrichtende macht voor het personeelslid dat een tijdelijke mutatie gekregen had, een aanstelling in vast verband te geven. Indien dit niet het geval is, komt het betrokken personeelslid terug naar de school waar hij werkte voordat hij zijn mutatie aanvroeg. Afdeling 7. - Overneming van een hogere kunstschool van een andere

inrichtende macht

Art. 390.§ 1. In geval van overneming door een vrije gesubsidieerde inrichtende macht van een vrije gesubsidieerde hogere kunstschool of van een deel van een vrije gesubsidieerde hogere kunstschool, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° De personeelsleden die in vast verband aangeworven zijn en hun ambt uitoefenen op het moment van de overneming, worden van rechtswege vastbenoemd personeelslid in de overeenkomstige ambten binnen de inrichtende macht die overneemt;2° de personeelsleden die in vast verband aangeworven zijn in een hogere kunstschool die, op het moment van de overneming, een mandaat uitoefenen van directeur of adjunct-directeur, worden terug aangeworven voor het ambt waarvoor ze in vast verband waren aangeworven voordat ze hun mandaat uitoefenden;3° de werkelijke diensten gepresteerd voor de overneming door de personeelsleden bedoeld in 1° en 2° worden gelijkgesteld met werkelijke diensten gepresteerd als personeelslid van de inrichtende macht die overneemt. De overnemingsovereenkomst te sluiten tussen de betrokken inrichtende machten kan bijkomende regels vaststellen bij de hierboven vermelde bepalingen en, in voorkomend geval, overnemingvoorwaarden bepalen voor de tijdelijk aangeworven personeelsleden. § 2. De voorwaarden voor de overneming door een inrichtende macht van het vrij gesubsidieerd onderwijs, van een officiële gesubsidieerde hogere kunstschool of van een hogere kunstschool van de Franse Gemeenschap of voor de overneming van een deel van een officiële gesubsidieerde hogere kunstschool of een deel van een hogere kunstschool van de Franse Gemeenschap zullen worden vastgesteld volgens een overeenkomst te sluiten tussen de betrokken inrichtende machten. Afdeling 8. - Fusies van de hogere kunstscholen

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 391.De dienstanciënniteit scheidt de betrokken personeelsleden en, bij gelijke dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit. Bij gelijke dienst- en ambtsanciënniteit, gaat de voorrang naar het oudste personeelslid.

Onderafdeling 2. - Bepalingen toepasselijk op de personeelsleden waarvan de hogere kunstschool een fusie op gelijke voet ondergaat

Art. 392.§ 1. De personeelsleden van de gefusioneerde scholen worden aangeworven op de school die uit de fusie op gelijke voet is ontstaan, binnen de perken van de beschikbare betrekkingen en in de volgende volgorde : 1° de leden van het onderwijzend personeel definitief aangeworven in het ambt dat zij uitoefenen;2° de leden van het onderwijzend personeel tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven in het ambt dat zij uitoefenen;3° de leden van het onderwijzend personeel die een verandering van voorlopige aanstelling genieten. § 2. De personeelsleden bedoeld in § 1, 1°, die niet kunnen worden aangesteld, worden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld.

De in § 1, 3°, bedoelde personeelsleden die geen verandering van aanstelling kunnen genieten, worden terug ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

Onderafdeling 3. Bepalingen van toepassing op de personeelsleden waarvan de hogere kunstschool een fusie door overneming ondergaat.

Art. 393.Voor de toepassing van deze onderafdeling, moet verstaan worden onder : 1° School A : de hogere kunstschool die één of meer andere hogere kunstscholen overneemt;2° School B : de hogere kunstschool(scholen) die wordt(worden) overgenomen.

Art. 394.De leden van het onderwijzend personeel van School B die in vast verband aangeworven zijn in het ambt dat ze uitoefenen in die hoedanigheid en de leden van het onderwijzend personeel van School B die een verandering van tijdelijke aanstelling genieten, worden respectievelijk ter beschikking gesteld en opnieuw ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking op de datum van de fusie.

Er wordt, uiterlijk de dag voor de fusie door overneming, een einde gemaakt aan de prestaties die de leden van het onderwijzend personeel, niet bedoeld in het vorige lid, uitoefenen in School B.

Art. 395.De beschikbare betrekkingen in School A worden toegekend op de dag van de fusie, in de volgende volgorde: 1° aan de leden van het onderwijzend personeel van School A in vast verband aangeworven voor het ambt dat ze in die hoedanigheid uitoefenen;2° aan de leden van het onderwijzend personeel van School A tijdelijk aangeworven voor onbepaalde tijd in het ambt dat ze in die hoedanigheid uitoefenen;3° aan de leden van het onderwijzend personeel die een verandering van tijdelijke aanstelling genieten in School A in het ambt waarvoor ze in vast verband worden aangeworven;4° door verandering van tijdelijke aanstelling, aan de leden van het onderwijzend personeel van School B, in vast verband aangeworven voor het ambt dat ze in deze hoedanigheid uitoefenden;5° aan de leden van het onderwijzend personeel van School B tijdelijk aangeworven voor onbepaalde tijd voor het ambt waarvoor ze zijn aangeworven;6° aan de leden van het onderwijzend personeel die een verandering van tijdelijke aanstelling genieten in School B in het ambt waarvoor ze in vast verband zijn aangeworven. § 2. De personeelsleden bedoeld in § 1, 4°, aan wie geen betrekking kan worden toegekend, blijven ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking.

De personeelsleden bedoeld in § .1., 6° die geen verandering van aanstelling kunnen genieten, worden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

Art. 396.Voor zover een vacante betrekking hun kan worden toegekend in School A, worden de personeelsleden bedoeld in artikel 395, § 1, 3° en 4°, in deze School op de datum van de fusie gereaffecteerd. HOOFDSTUK IV. - Opschorting van de aanwerving

Art. 397.Onverminderd de van kracht zijnde reglementering, wordt de uitvoering van de aanwerving opgeschort : 1° gedurende de periode van werkonderbreking en verlof wegens bevalling;2° gedurende de tijd die, voor het personeelslid, nodig is om te zetelen als adviseur of sociale rechter voor de arbeidshoven en -rechtbanken;3° gedurende de periode van oproeping of wederoproeping van het personeelslid onder de wapens;4° gedurende het verblijf van het personeelslid in een centrum voor werving en selectie;5° gedurende de observatie in een inrichting van de gezondheidsdienst van het leger;6° gedurende de ziekenhuisopname in een militaire inrichting ten gevolge van een ongeluk of een ziekte die opgelopen of verergerd is gedurende het medisch onderzoek of de selectieproeven;7° voor de duur van de dienst gepresteerd bij de civiele bescherming;8° gedurende de uitvoering van de dienst opgelegd aan de gewetensbezwaarde;9° gedurende de periode tijdens welke het onmogelijk was voor het personeelslid om zijn werk te verrichten ten gevolge van een ziekte of een ongeluk.

Art. 398.Op aanvraag van het personeelslid, is de inrichtende macht ertoe gehouden hem vrijaf te geven ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoede bevallingsdatum.

Het personeelslid geeft hem uiterlijk acht weken voor de vermoede bevallingsdatum een medisch attest dat deze datum bevestigt.

Indien de bevalling slechts voorkomt na de datum voorzien door de arts, wordt het verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling.

Het personeelslid mag geen enkele arbeid verrichten vanaf de zevende dag voor de vermoede bevallingsdatum tot het einde van een periode van acht weken die begint op de dag van de bevalling.

De arbeidsonderbreking wordt op haar aanvraag verlengd, na de achtste week, voor een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode gedurende welke zij verder heeft gewerkt vanaf de zevende week voor de exacte datum van de bevalling. Deze periode is, in geval van vroeggeboorte, verminderd met het aantal dagen gedurende welke zij gewerkt heeft in de periode van zeven dagen voor de bevalling.

Wanneer echter het pasgeboren kind in het ziekenhuis moet blijven gedurende ten minste acht weken vanaf de geboorte, kan het personeelslid de verlenging van arbeidsonderbreking waar ze recht op heeft, uitstellen tot het moment waarop het pasgeboren kind thuiskomt.

Daartoe geeft het personeelslid aan de inrichtende macht : 1° bij de hervatting van het werk, een attest van het ziekenhuis, dat bevestigt dat het pasgeboren kind in het ziekenhuis is opgenomen sinds minstens acht weken;2° op het moment van de aanvraag om verlenging van arbeidsonderbreking, een attest van het ziekenhuis dat de datum van ontslag van het pasgeboren kind bevestigt. Het personeelslid bewaart zijn recht op de verlenging van werkonderbreking in geval van overlijden van zijn kind binnen het jaar van zijn geboorte.

Art. 399.In geval van ziekte of ongeval, moet het personeelslid, behalve ingeval van overmacht, onmiddellijk de inrichtende macht op de hoogte brengen van zijn arbeidsongeschiktheid.

Indien een bijkomende regel van de bevoegde paritaire commissie die bindend is geworden, overeenkomstig artikel 437, het voorschrijft of, bij gebrek aan zulk voorschrift, indien de inrichtende macht hem ertoe uitnodigt, geeft het personeelslid deze laatste een medisch attest.

Behalve bij overmacht, stuurt hij het of geeft hij het af binnen de twee werkdagen vanaf de dag van arbeidsongeschiktheid of de dag van ontvangst van de uitnodiging, behalve indien een andere termijn vastgesteld is door een collectieve arbeidsovereenkomst of door het arbeidsreglement. Wanneer het getuigschrift opgesteld is na de opgelegde termijn, kan het personeelslid zijn bezoldiging verliezen voor de dagen van ongeschiktheid voorafgaand aan het geven of opsturen van een attest.

Daarenboven mag het personeelslid niet weigeren een arts te ontvangen die afgevaardigd en bezoldigd wordt door de inrichtende macht, noch zich te laten onderzoeken. Behalve indien de huisarts van het personeelslid beschouwt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich te verplaatsen, moet het personeelslid, als hij ertoe wordt uitgenodigd, naar de arts gaan die afgevaardigd en bezoldigd wordt door de inrichtende macht. De reiskosten van het personeelslid zijn ten laste van de inrichtende macht.

De arts die afgevaardigd en bezoldigd wordt door de inrichtende macht kijkt na of de arbeidsongeschiktheid werkelijk is, houdende rekening met het feit dat alle andere vaststellingen beschermd worden door het beroepsgeheim. HOOFDSTUK V. - Administratieve standen van de (hoog)leraren en de begeleiders Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 400.Het personeelslid bevindt zich in een van de volgende administratieve standen: 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. Afdeling 2. - Dienstactiviteit

Art. 401.Het personeelslid wordt altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden behoudens uitdrukkelijke bepaling waarbij hij in een andere administratieve stand of een dienststand wordt ingedeeld.

Art. 402.Het personeelslid in actieve dienst heeft recht op een weddetoelage en op de bevordering tot een hogere wedde.

Hij kan zijn aanspraken laten gelden op een aanwerving in vast verband of voor de uitoefening van een mandaat als directeur of adjunct-directeur.

Hij krijgt van de inrichtende macht verlof binnen dezelfde voorwaarden als op de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap.

Elk verlof waarvoor een beslissing van de Regering nodig is om de bezoldiging te kunnen genieten in de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap, moet door de inrichtende macht ter goedkeuring aan de Regering worden voorgelegd.

Art. 403.De Regering stelt de vakantieregeling van de personeelsleden van de hogere kunstscholen vast.

De personeelsleden hebben recht op minimaal twaalf weken vakantie per academiejaar. Afdeling 3. - Non-activiteit

Art. 404.Een personeelslid bevindt zich in de stand non-activiteit wanneer schorsing bij tuchtmaatregel op hem is toegepast. Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling

Art. 405.Een personeelslid kan ter beschikking worden gesteld door zijn inrichtende macht onder dezelfde voorwaarden als in de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap. Elke terbeschikkingstelling waarvoor een beslissing van het bevoegd Regeringslid, of van diens gemachtigde, nodig is om een bezoldiging te kunnen genieten in de hogere kunstscholen van de Gemeenschap, wordt door de inrichtende macht ter goedkeuring aan dezelfde overheid voorgelegd. HOOFDSTUK VI. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en gedeeltelijk opdrachtverlies Afdeling 1. - Voorafgaande maatregelen

Art. 406.§ 1. Wanneer een cursus gewijzigd wordt door de Regering, na advies van de Hoge Kunstraad, op eigen initiatief of op aanvraag van de inrichtende macht van de hogere kunstschool, wordt het personeelslid, dat in vast verband aangeworven is voor deze cursus, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of bij gedeeltelijk opdrachtverlies als hij het bekwaamheidsbewijs niet heeft om deze cursus te geven. § 2. Wanneer een onderwijsactiviteit geheel of gedeeltelijk niet meer georganiseerd wordt omdat geen enkele student ervoor ingeschreven is of omdat het aantal ingeschreven studenten verminderd is, wordt het personeelslid belast met de betrokken activiteit ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of in gedeeltelijk opdrachtverlies.

In het geval bedoeld in het eerste lid, kan de inrichtende macht geen ander lid aanwerven om dezelfde onderwijsactiviteit uit te voeren.

Art. 407.§ 1. Een personeelslid dat in vast verband aangeworven is voor een hoofdambt wordt slechts ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking of bij gedeeltelijk opdrachtverlies door de inrichtende macht nadat er een einde werd gemaakt, in de volgorde hierna vastgesteld, aan de diensten van de personeelsleden die hetzelfe ambt uitoefenen en dezelfde cursussen geven : 1° in een bijambt op de hogere kunstschool;2° tijdelijk voor bepaalde tijd, op de hogere kunstschool en met inachtneming van hun dienstanciënniteit;3° tijdelijk voor onbepaalde tijd, op de hogere kunstschool en met inachtneming van hun dienstanciënniteit. § 2. Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking of bij gedeeltelijk opdrachtverlies en de uren van hetzelfde ambt en dezelfde toe te kennen cursussen vrij worden, moet de inrichtende macht die prioritair toekennen aan dit personeelslid vooraleer de verklaring tot vacante betrekking zoals bedoeld in artikel 355 te maken.

Wanneer een personeelslid in gedeeltelijk opdrachtverlies zijn kandidatuur stelt voor een vacante betrekking van het ambt waarvoor hij in vast verband is aangeworven, maar voor andere toe te kennen cursussen waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs bezit of waarvoor hij een artistieke, professionele of wetenschappelijke bekendheid heeft verkregen en de betrekking bedoeld in artikel 355 hem wordt toegekend met inachtneming van de procedure bedoeld in artikel 359, wordt het personeelslid onmiddellijk en definitief titularis van deze cursussen.

Art. 408.Na de toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 407, § 1, verliest het personeelslid dat in vast verband is aangeworven en dat de kleinste dienstanciënniteit telt, zijn betrekking of een deel van zijn opdracht binnen het betrokken ambt en de toe te kennen cursussen.

Het personeelslid kan, in geval van terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of gedeeltelijk opdrachtverlies, maximaal tien jaren dienstanciënniteit die in vast verband werd verkregen in een ander niveau van het onderwijs van hetzelfde net laten gelden voor de berekening van de dienstanciënniteit bedoeld in het 1ste lid.

Art. 409.Bij gelijke dienstanciënniteit, verliest het jongste personeelslid zijn betrekking of een deel van zijn opdracht.

Art. 410.De dienstanciënniteit bedoeld in de artikelen 391, 407, 408 en 409 wordt als volgt berekend : 1° alle werkelijke diensten tijdelijk gepresteerd in de hogere kunstscholen van de inrichtende macht komen in aanmerking voor een anciënniteit die gelijk is aan het aantal dagen geteld van het begin tot het einde van de gepresteerde diensten;2° de werkelijke diensten in vast verband gepresteerd in de hogere kunstscholen van dezelfde inrichtende macht in een ambt met volledige dienstprestaties, worden geteld per kalendermaand;deze die niet over een hele maand lopen, tellen niet mee; 3° de werkelijke diensten gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties die minstens de helft van het aantal vereiste uren bedragen van het ambt met volledige dienstprestaties, worden in acht genomen evenals de diensten gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties;4° het aantal dagen behaald in een ambt met onvolledige dienstprestaties dat niet dit aantal uren telt, wordt met de helft verminderd;5° dertig dagen vormen een maand;6° de duur van de werkelijke diensten gepresteerd in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige dienstprestaties, kan nooit meer bedragen dan de duur van de diensten gepresteerd in een ambt met volledige opdracht dat tijdens dezelfde periode uitgeoefend wordt;7° de duur van de gepresteerde werkelijke diensten die het personeelslid telt mag nooit twaalf maanden overschrijden per kalenderjaar;8° het bevallingsverlof en het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij worden in acht genomen voor de berekening van de dienstanciënniteit.Voor de personeelsleden tijdelijk aangeworven, worden de verlofdagen slechts in acht genomen gedurende de wervingsperiode. Afdeling 2. - Gedeeltelijk opdrachtverlies

Art. 411.Wanneer een personeelslid dat een hoofdambt uitoefent binnen de hogere kunstschool niet meer het aantal uren presteert gelijk aan het aantal dat hij presteerde toen hij in vast verband werd aangeworven, wordt hij geacht een gedeeltelijk opdrachtverlies te ondergaan.

Het personeelslid dat een gedeeltelijk opdrachtverlies ondergaat, blijft ter beschikking van de hogere kunstschool tot hij het aantal uren bereikt dat gelijk is aan de prestaties die hij leverde voordat hij geacht werd een gedeeltelijk opdrachtverlies te ondergaan.

Hij geniet een weddetoelage. Afdeling 3. - Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van

betrekking

Art. 412.§ 1. Met inachtneming van de artikelen 407 tot 409, wordt een in vast verband aangeworven personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking wanneer de betrekking in hoofdambt van dit personeelslid wordt afgeschaft.

Het personeelslid geniet een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde en kan zijn aanspraken op een mandaat als directeur of adjunct-directeur gedurende twee academiejaren laten gelden.

Vanaf het derde academiejaar, wordt het wachtgeld elk jaar verminderd met 10 percent, zonder lager te zijn dan zoveel keer een dertigste van de wedde als een personeelslid dienstjaren telt vanaf zijn terbeschikkingstelling.

Deze beslissing kan niet tot gevolg hebben het wachtgeld te verminderen tot een bedrag dat lager ligt dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het bedoeld personeelslid recht zou hebben als hij de regeling van sociale zekerheid voor werknemers zou genieten.

Voor de toepassing van deze paragraaf moet verstaan worden onder de dienstjaren, de jaren die gelden voor de vaststelling van het rustpensioen. § 2. Het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking blijft ter beschikking van de hogere kunstschool tot hij hetzelfde aantal uren presteert als zijn prestaties die hij uitoefende voordat hij ter beschikking werd gesteld.

De uitoefening van de taken die hem door de hogere kunstschool worden toevertrouwd, kan echter niet leiden tot het behoud van de betrekking van het afgeschafte ambt.

Overigens wordt het aantal prestatie-uren tot het passende beloop verminderd wanneer het wachtgeld van het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, beperkt is tot een bepaald percentage.

Art. 413.§ 1. Het personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking blijft inbegrepen in het aantal betrekkingseenheden toegekend aan de hogere kunstschool overeenkomstig artikel 52 van dit decreet. § 2. Het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking blijft kandidaat voor een verandering van voorlopige aanstelling in een vacante betrekking van een hogere kunstschool van hetzelfde net. § 3. Het personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking kan zich kandidaat stellen voor een verandering van voorlopige aanstelling in een vacante betrekking van een hogere kunstschool van een ander net. De verandering van voorlopige aanstelling kan slechts geschieden met de toestemming, volgens het geval, van de Regering of van de inrichtende machten van beide betrokken hogere kunstscholen. De verandering van voorlopige aanstelling schort de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking op.

Art. 414.Wanneer een personeelslid ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking, deelt de directeur van de hogere kunstschool dit binnen de tien dagen aan de Regering mee.

Wanneer een personeelslid in zijn inrichting, wegens ontstentenis van betrekking, niet meer hetzelfde aantal uren presteert gelijk aan het aantal waarvoor hij bezoldigd wordt, deelt de directeur van de hogere kunstschool dit binnen de tien dagen aan de Regering mee. HOOFDSTUK VII. - Preventieve schorsing

Art. 415.§ 1. Wanneer het belang van de dienst of van het onderwijs het vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld ten aanzien van een personeelslid dat in vast verband is aangeworven : 1° als hij strafrechtelijk wordt vervolgd;2° zodra een tuchtprocedure tegen hem wordt ingesteld door de inrichtende macht;3° zodra de inrichtende macht hem bij een ter post aangetekende brief de vaststelling van een onverenigbaarheid meedeelt. § 2. De preventieve schorsing georganiseerd door dit hoofdstuk is een louter administratieve maatregel en heeft geen straf tot gevolg. De schorsing wordt uitgesproken door de inrichtende macht en wordt gemotiveerd. Zij heeft tot gevolg het personeelslid uit zijn ambt te verwijderen.

Gedurende de preventieve schorsing, blijft het personeelslid in de administratieve stand dienstactiviteit. § 3. Voordat een preventieve schorsingsmaatregel wordt getroffen, moet het personeelslid uitgenodigd worden te worden gehoord door de inrichtende macht.

De oproeping voor de hoorzitting alsmede de motieven die de preventieve schorsing rechtvaardigen, worden minstens drie werkdagen voor de hoorzitting aan het personeelslid meegedeeld, ofwel bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst, die uitwerking heeft drie werkdagen na de verzendingsdatum, ofwel bij het overhandigen van de brief met bericht van ontvangst, die uitwerking heeft op de datum die op het bericht van ontvangst vermeld is.

Gedurende de horzitting mag het personeelslid bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een vertegenwoordiger van een representatieve vakvereniging, door een advocaat of een verdediger gekozen onder de in dienstactiviteit zijnde of gepensioneerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Binnen de drie werkdagen na de dag van de hoorzitting en zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet werden gehoord, deelt de inrichtende macht haar beslissing mee aan de betrokkene bij een ter post aangetekende brief.

Als deze beslissing als gevolg heeft het personeelslid preventief te schorsen, heeft ze uitwerking vanaf de derde werkdag na de datum van verzending. § 4. In afwijking van het eerste lid van § .3., kan het personeelslid onmiddellijk uit zij ambt worden verwijderd in geval van zware tekortkoming waarvoor er heterdaad is of de bezwaren die hem worden verweten zodanig ernstig zijn dat het beter is dat het personeelslid, in het belang van het onderwijs, niet meer op school aanwezig is.

De verwijderingsmaatregel moet worden getroffen binnen de drie werkdagen na de dag waarop de zware tekortkoming of voornoemde bezwaren werden vastgesteld.

Binnen de drie werkdagen na de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke verwijdering werd getroffen, moet de inrichtende macht de procedure voor preventieve schorsing instellen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

Indien dit niet het geval is, zal de maatregel tot onmiddellijke verwijdering beëindigd worden op het einde van de voornoemde termijn en zal het personeelslid alleen opnieuw kunnen worden verwijderd van de inrichting, voor dezelfde zware tekortkoming of dezelfde bezwaren, als mits de naleving van de procedure voor de preventieve schorsing zoals inzonderheid bedoeld in § 3 van dit artikel.

Het personeelslid dat onmiddellijk wordt verwijderd, blijft in de administratieve stand dienstactiviteit. § 5. In het kader van een tuchtprocedure, kan de duur van de preventieve schorsing geen jaar overschrijden en loopt in ieder geval af: 1° na vijfenveertig kalenderdagen, indien het voorstel tot tuchtstraf bedoeld in artikel 419 niet binnen deze termijn werd meegedeeld aan het personeelslid;2° de derde werkdag na de mededeling aan het personeelslid van het voorstel tot tuchtstraf bedoeld in artikel 419, als dit voorstel de terechtwijzing, de blaam of de afhouding op wedde is;3° voor een ander voorstel tot tuchtstraf dat verschilt van datgene bedoeld in punt 2°, veertig kalenderdagen na de mededeling van het voorstel tot tuchtstraf geformuleerd door de inrichtende macht aan het personeelslid als deze laatste geen beroep heeft ingediend tegen dit voorstel;4° voor een voorstel tot tuchtstraf dat ander is als deze bedoeld in punt 2°, dertig kalenderdagen na de mededeling aan de inrichtende macht van het advies van de raad van beroep over het voorstel betreffende de tuchtstraf geformuleerd door de inrichtende macht ten aanzien van het personeelslid;5° de dag waarop de tuchtstraf uitwerking krijgt. In het kader van strafrechtelijke vervolgingen of in het kader van een beroep bij de arbeidsrechtbank tegen de vaststelling van een onverenigbaarheid, is de duur van de preventieve schorsing niet tot een jaar beperkt.

Wanneer een tuchtprocedure in gang wordt gezet of wordt vedergezet na een gerechtelijke beslissing tot definitieve strafrechtelijke veroordeling, begint de termijn van een jaar bedoeld in het eerste lid slechts te lopen vanaf de uitspraak van de definitieve veroordeling. § 6. In het kader van een tuchtprocedure, moet de preventieve schorsing schriftelijk worden bevestigd door de inrichtende macht om de drie maanden vanaf de inwerkingtreding.

Deze bevestiging wordt bij een ter post aangetekende brief aan de betrokken persoon meegedeeld.

Indien de preventieve schorsing niet wordt bevestigd binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn ambt hervatten nadat hij er de inrichtende macht ervan op de hoogte heeft gebracht bij een ter post aangetekende brief, ten minste tien werkdagen voor de effectieve hervatting van het werk.

Na ontvangst van deze kennisgeving, kan de inrichtende macht het behoud van de preventieve schorsing bevestigen volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.

Art. 416.Elk personeelslid dat preventief wordt geschorst, behoudt zijn recht op een bezoldiging.

In afwijking van het eerste lid, wordt de wedde van elk personeelslid preventief geschorst : 1° dat verdacht of beklaagd wordt in het kader van strafrechtelijke vervolgingen;2° tegen wie een niet definitieve strafrechtelijke veroordeling werd uitgesproken, waartegen het personeelslid gebruik heeft gemaakt van zijn gewone beroepsrechten;3° dat een tuchtprocedure ondergaat, in gang gezet of voortgezet ten gevolge van een definitieve strafrechtelijke veroordeling;4° dat een tuchtprocedure ondergaat wegens een zware tekortkoming waarvoor er ofwel heterdaad is, ofwel duidelijke bewijzen zijn en waarvan de beoordeling tot de inrichtende macht toebehoort;5° een voorstel gekregen heeft tot tuchtstraf bedoeld in artikel 419, 4°, 5° en 6°, op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld. Deze weddevermindering mag niet als gevolg hebben de wedde te verminderen tot een bedrag dat lager ligt dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben als hij de regeling van de sociale zekerheid voor werknemers zou genieten.

Voor de toepassing van het 2e lid, 1° en 2°, krijgt deze weddevermindering slechts uitwerking op de eerste dag van de maand na de dag waarop hij verdacht of beklaagd wordt of vanaf de uitspraak van de definitieve veroordeling.

Voor de toepassing van het 2e lid, 3°, wordt deze weddevermindering die reeds werd uitgevoerd volgens het 2e lid, 1° of 2°, behouden na de definitieve veroordeling als de inrichtende macht het personeelslid op de hoogte brengt van zijn voornemen om de tuchtprocedure in gang te zetten of voort te zetten.

Voor de toepassing van het 2e lid, 4°, krijgt de weddevermindering uitwerking op de eerste dag van de maand na de mededeling van de toepassing van dit 2e lid, 4°, door de inrichtende macht aan het personeelslid.

Voor de toepassing van het 2e lid, 5°, krijgt deze weddevermindering uitwerking de dag waarop de inrichtende macht het voorstel tot tuchtstraf meedeelt.

Art. 417.Op het einde van de tuchtprocedure of de strafrechtelijke procedure, wordt de maatregel tot vermindering ingetrokken, behalve als: 1° op het einde van de tuchtvordering de inrichtende macht het personeelslid straft met een van de sancties bedoeld in artikel 419, 4°, 5° en 6°;2° artikel 455, 2°, b , en 5° wordt toegepast;3° het personeelslid definitief strafrechtelijk wordt veroordeeld, met of zonder een tuchtprocedure nadien. Wanneer de maatregel tot weddevermindering ingetrokken wordt bij toepassing van het eerste lid, krijgt het personeelslid het complement van zijn initieel afgehouden weddetoelage, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sinds de dag waarop de vermindering werd uitgevoerd.

De bedragen verkregen door het personeelslid gedurende de preventieve schorsing blijven hem toegewezen.

Indien de wedde van het personeelslid verminderd werd bij toepassing van artikel 416, 2e, 4e of 5e lid, en op het einde van de tuchtprocedure een sanctie van schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor een duur die korter is dan de duur van de maatregel tot vermindering van de wedde, wordt deze laatste ingetrokken voor de periode die de duur van de schorsing bij tuchtstraf overschrijdt en krijgt het personeelslid in dit geval het complement van zijn weddetoelage ten onrechte afgehouden gedurende deze periode, vermeerderd met de verwijlintresten berekend volgens de wettelijke rentevoet en verschuldigd sinds de dag van de vermindering.

Het 4de lid wordt niet toegepast in het kader van een tuchtprocedure in gang gezet of voortgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling.

Art. 418.De preventieve schorsing wordt aan de Regering bekendgemaakt opdat de onmiddellijke uitvoering van deze maatregel verzekerd zou zijn. HOOFDSTUK VIII. - Tuchtregeling Afdeling 1. - Tuchtstraffen

Art. 419.Als de personeelsleden die definitief aangeworven zijn, hun plicht niet nakomen, zullen hun de volgende straffen worden opgelegd: 1° de terechtwijzing;2° de blaam;3° de afhouding op de wedde;4° de schorsing bij tuchtmaatregel;5° de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;6° de afdanking wegens zware tekortkoming.

Art. 420.De tuchtstraffen worden uitgeroepen door de inrichtende macht van de hogere kunstschool waar het personeelslid in vast verband is aangeworven.

De inrichtende macht deelt van tevoren een voorstel tot tuchtstraf aan het personeelslid mee.

Binnen een termijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving, kan het personeelslid een beroep indienen tegen het voorstel tot tuchtstraf voor de bevoegde raad van beroep bedoeld in artikel 429.

Het beroep schort de procedure op. § 2. Het personeelslid en de inrichtende macht worden gehoord door de raad van beroep.

Het personeelslid kan worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger van een representatieve vakvereniging, door een advocaat of een verdediger van het in dienstactiviteit zijnde of gepensioneerd personeel van het vrij gesubsidieerd onderwijs.

De inrichtende macht mag bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de leden van de inrichtende machten van een hogere kunstschool van dezelfde aard of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van deze inrichtende machten behartigt.

De niet-verschijning van het personeelslid of zijn vertegenwoordiger, alsmede de niet-verschijning van de inrichtende macht of zijn vertegenwoordiger op de vergadering verhindert de raad van beroep niet zich uit te spreken. § 3. De raad van beroep geeft een gemotiveerd advies aan het personeelslid en aan de inrichtende macht binnen een termijn van negentig dagen vanaf de datum van ontvangst van het beroep ingediend door het personeelslid.

De inrichtende macht vermeldt, in voorkomend geval, de redenen waarom het advies niet werd gevolgd.

Art. 421.De afhouding op de wedde wordt gedurende minstens een maand en hoogstens drie maanden toegepast. Ze kan niet één vijfde van de laatste brutoactiviteitswedde of het laatste bruto wachtgeld overschrijden.

Art. 422.De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor één jaar maximaal. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van zijn laatste brutoactiviteitswedde of zijn laatste brutowachtgeld.

Art. 423.De duur van de terbeschikkingsstelling bij tuchtmaatregel kan niet minder dan één jaar en meer dan vijf jaar zijn.

Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet gedurende de eerste twee jaren een wachtgeld waarvan het bedrag gelijk is aan de helft van de activiteitswedde. Het wachtgeld wordt, zonder ooit dit laatste bedrag te overschrijden, daarna vastgesteld op het tarief van het pensioen dat de betrokken persoon zou ontvangen als hij vroeger zou gepensioneerd zijn.

Nadat het personeelslid de helft van zijn straf heeft ondergaan, mag hij zijn herstel in het onderwijs vragen.

Art. 424.De afhouding op het wachtgeld of de toekenning van een wachtgeld kan slechts als gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid beperkt wordt tot een bedrag dat lager is dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop het personeelslid recht zou hebben als hij het stelsel van sociale zekerheid voor werknemers zou genieten.

Art. 425.De tuchtprocedure kan slechts worden getroffen voor feiten die werden vastgesteld gedurende het jaar voor de datum waarop de procedure in gang werd gezet.

In geval van strafvordering, moet de tuchtprocedure binnen de zes maanden van de kennisneming van de definitieve gerechtelijke beslissing door de overheid die de tuchtstraf moet voorstellen, worden gestart.

Art. 426.Geen enkele straf kan uitwerking hebben voor de periode die aan de verklaring voorafgaat.

Art. 427.De strafrechtelijke vordering betreffende de feiten die tot een tuchtprocedure hebben geleid, schorst de tuchtprocedure en de uitspraak van de straf, behalve bij heterdaad of als de vastgestelde feiten, die verbonden zijn aan de professionele activiteit, erkend zijn door het personeelslid.

Wat ook het resultaat van de strafvordering moge zijn, toch oordeelt de inrichtende macht over de toepassing van de tuchtstraffen.

De inrichtende macht is echter voor deze beoordeling gebonden door het objectieve karakter van de feiten definitief vastgesteld door de strafrechtelijke beslissing. Afdeling 2. - Doorhaling van de tuchtstraffen

Art. 428.De doorhaling van de tuchtstraffen wordt van ambtswege uitgevoerd na een termijn waarvan de duur vastgesteld wordt op : 1° één jaar voor de terechtwijzing en de blaam;2° drie jaar voor de afhouding op de wedde;3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel. Het termijn gaat in op de datum van de beslissing inzake tucht.

Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf, heeft de doorhaling als gevolg dat er geen rekening meer kan worden gehouden met de doorgehaalde tuchtstraf, inzonderheid voor de toegang tot een mandaat als directeur of adjunct-directeur, of bij de toekenning van de evaluatie die na de doorhaling plaatsvindt. De doorgehaalde tuchtstraf wordt geschrapt in het dossier van het personeelslid. HOOFDSTUK IX. - Raad van beroep

Art. 429.Na de raadpleging van de meest representatieve groeperingen van de inrichtende machten en de groeperingen van het gesubsidieerd onderwijspersoneel ingeschreven bij een vakvereniging vertegenwoordigd bij de Nationale Arbeidsraad, stelt de Regering een raad van beroep in voor de vrije gesubsidieerde hogere kunstscholen.

De raad van beroep stelt haar huishoudelijk reglement vast onder voorbehoud van de goedkeuring door de Regering.

Art. 430.De raad van beroep behandelt de beroepen ingediend door de personeelsleden voor elke tuchtstraf alsmede de beroepen ingediend door de personeelsleden tijdelijk aangeworven voor onbepaalde tijd tegen een voorstel tot afdanking, zoals bedoeld in artikel 373.

Art. 431.De raad van beroep bestaat uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en de personeelsleden van de vrije gesubsidieerde hogere kunstscholen.De Regering benoemt twee plaatsvervangende leden voor ieder werkend lid; 2° een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters;3° een secretaris en een adjunct-secretaris. Het aantal leden van de raad van beroep alsmede de duur van hun mandaat worden vastgesteld bij besluit van de Regering; de raad kent minstens vier werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en vier werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen.

De werkende en plaatsvervangende leden van de raad van beroep worden benoemd door de Regering op de voordracht van de groeperingen waarvan sprake is in artikel 429. Bij gebrek aan een akkoord tussen deze, neemt de Regering de beslissing.

De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters worden gekozen door de Regering onder de in dienstactiviteit zijnde of gepensioneerde magistraten.

Art. 432.Zodra een zaak wordt ingevoerd, geeft de voorzitter de lijst van de werkende en plaatsvervangende leden door aan het personeelslid en aan de inrichtende macht. Binnen de tien dagen na de ontvangst van deze lijst, kan het personeelslid of de inrichtende macht de wraking vragen van maximaal drie leden. Zij kunnen echter niet tegelijkertijd een werkend lid en zijn twee plaatsvervangers wraken.

Een lid mag vragen om te worden ontheven als hij denkt een zedelijk belang te hebben bij de zaak of als hij denkt dat men over zijn onpartijdigheid kan twijfelen. De voorzitter beslist over het gevolg dat moet worden gegeven aan deze aanvraag. Hij kan zo ook van rechtswege een lid ontheffen om dezelfde redenen.

De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangende leden mogen niet zetelen voor een zaak die hun echtgenoot(ote) of een bloed- of aanverwante, tot en met de vierde graad, betreft.

Art. 433.De partijen worden opgeroepen door de voorzitter binnen de twintig dagen volgend op de ontvangst van het beroep. De partijen mogen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman overeenkomstig de bepalingen, volgens het geval, van artikel 420, § 2 of artikel 373.

De raad van beroep kan bevelen een aanvullende enquête in gang te zetten en de getuigen horen.

De in het eerste lid vermelde termijn wordt opgeschort tussen 15 juli en 15 augustus.

Art. 434.De raad van beroep kan zich slechts uitspreken als tenminste twee leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en twee leden die de personeelsleden vertegenwoordigen, aanwezig zijn. De leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en de leden die de personeelsleden vertegenwoordigen moeten in gelijk aantal zijn om aan de stemming te mogen deelnemen. In voorkomend geval, wordt de gelijkheid hersteld door doorhaling van één of meer leden na loting.

Indien het quorum bedoeld in het vorige lid niet wordt bereikt, roept de voorzitter een nieuwe vergadering bijeen binnen de vijftien dagen.

Gedurende deze vergadering kan een beslissing worden genomen welk ook het aantal aanwezige leden is.

Het advies wordt gegeven na een geheime stemming bekomen bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.

Voor de toepassing van het derde lid, worden de blanco stemmen en de onthoudingen niet beschouwd als stemmen.

Art. 435.Het advies van de raad wordt aan de partijen medegedeeld bij een ter post aangetekende brief binnen de vijf dagen na de vergadering gedurende welke het werd gegeven. Het advies wordt gemotiveerd.

Art. 436.De werkingskosten van de raad van beroep zijn ten laste van de Franse Gemeenschap. De Regering bepaalt de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters recht hebben. HOOFDSTUK X. - Paritaire commissie Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 437.Na beraadslaging van de meest representatieve groeperingen van de inrichtende machten en de personeelsgroeperingen van het vrij gesubsidieerd hoger kunstonderwijs, ingeschreven bij een vakvereniging vertegenwoordigd bij de Nationale Arbeidsraad, richt de Regering voor het vrij confessioneel onderwijs een centrale paritaire commissie op die bevoegd is voor de hogere kunstscholen.

Het besluit van de Regering tot oprichting van deze paritaire commissie vermeldt de bevoegdheid ervan.

Art. 438.Het algemeen reglement van de paritaire commissies wordt opgesteld bij een besluit van de Regering. De centrale paritaire commissie bedoeld in artikel 437 stelt haar bijzonder huishoudelijk reglement op onder voorbehoud van goedkeuring door de Regering.

Art. 439.De paritaire commissie bestaat uit : 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en personeelsleden.Er zijn evenveel plaatsvervangende leden als werkende leden voor elke categorie; 2° een voorzitter en een ondervoorzitter;3° de referendarissen;4° een secretaris en een adjunct-secretaris. De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en de vertegenwoordigers van de personeelsleden mogen begeleid worden door technische adviseurs waarvan het maximum aantal zal worden vastgesteld in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 438.

Het aantal leden van elke paritaire commissie alsmede de duur van hun mandaat worden vastgesteld bij besluit van de Regering.

Elke Commissie telt minstens vier werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en vier werkende leden die het personeel vertegenwoordigen.

Art. 440.De werkende en plaatsvervangende leden van de Commissie worden benoemd door de Regering op de voordracht van de groeperingen waarvan sprake is in artikel 437. Bij gebrek aan een akkoord onder hen, zal de Regering beslissen.

De voorzitter en de ondervoorzitter worden door de Regering gekozen onder de terzake bevoegde personen, die onafhankelijk moeten zijn ten opzichte van de belangen waarvan de commissie kennis kan nemen. Binnen de mogelijke perken kan het gaan over sociale bemiddelaars. De referendarissen, de secretaris en adjunct-secretaris worden door de Regering benoemd.

De uitoefening van de ambten als voorzitter en ondervoorzitter is onverenigbaar met een parlementair mandaat.

Art. 441.De paritaire commissie heeft voornamelijk als opdracht : 1° te beraadslagen over de algemene arbeidsvoorwaarden;2° elk geschil te voorkomen of te beslechten dat zou kunnen rijzen of zou zijn gerezen tussen de inrichtende machten en de personeelsleden die onder de toepassing van dit decreet vallen.3° bijkomende regels vast te stellen voor de statutaire bepalingen van dit decreet;4° de evolutie te volgen van het sociaal recht en er de bijkomende regels aan toe te passen. De Regering kan de commissie uitnodigen bijkomende regels vast te stellen bedoeld in 2° binnen een vaste termijn.

Art. 442.De beslissingen van de paritaire commissie worden eenparig genomen door de aanwezige leden. De voorzitter, de ondervoorzitter, de referendarissen en de secretarissen zijn niet stemgerechtigd. Afdeling 2. - Controle van het naleven en bestraffing van het

niet-naleven van de beslissingen die bindend zijn geworden

Art. 443.Op aanvraag van de commissie of van een representatieve organisatie zoals bedoeld in artikel 437, kan een besluit van de Regering bindende kracht geven aan de genomen beslissingen. Ingeval deze niet bindend zouden worden, laat de Regering aan de commissie weten waarom hij geen gevolg heeft gegeven aan deze aanvraag.

Art. 444.De uitvoering van de beslissingen die bindend zijn geworden, overeenkomstig artikel 443, wordt gecontroleerd door de ambtenaren aangewezen door de Regering onverminderd de plichten van de ambtenaren van de gerechtelijke politie.

Art. 445.In geval van overtreding, stellen de in artikel 444 vernoemde ambtenaren processen-verbaal op die zij aan de bevoegde Procureur des Koning doorgeven en wordt een afschrift ervan bij een ter post aangetekende brief binnen de acht dagen aan de overtreder opgestuurd, dit alles op straffe van nietigheid.

Art. 446.De in artikel 444 vermelde ambtenaren gaan, met inachtneming van het woningsrecht, zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, de lokalen binnen waar de personeelsleden hun opdracht uitoefenen.

De directeurs van de hogere kunstscholen alsmede de personeelsleden die voor het administratief beheer zorgen, zijn ertoe gehouden hun inlichtingen te verschaffen die ze nodig hebben om hun opdracht te vervullen.

Art. 447.Elke overtreding van de beslissingen die bindend zijn geworden overeenkomstig artikel 443, wordt gestraft met een geldboete van 2,50 tot 2.500 EUR. Er mogen zoveel geldboetes zijn als er aangeworven personen in overtreding zijn van deze beslissingen, zonder dat het totaal van de geldboetes 5.000 EUR overschrijdt.

Deze in het vorig lid bepaalde straffen zijn toepasselijk op elk personeelslid dat dezelfde bepalingen overtreedt.

Art. 448.De inrichtende machten en de directeurs van de hogere kunstscholen alsmede het onderwijzend personeel die de controle georganiseerd bij toepassing van dit decreet hebben tegengewerkt, worden gestraft met een geldboete van 26 tot 100 EUR, onverminderd, in voorkomend geval, de toepassing van de straffen bedoeld in de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek.

Art. 449.Wie onjuiste verklaringen doet gedurende de onderzoeken gevoerd door de controledienst, met als doel op een dwaalspoor te brengen, wordt met een geldboete van 2,50 tot 2500 EUR gestraft.

Art. 450.De inrichtende machten zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes uitgesproken ten laste van hun directeurs. HOOFDSTUK XI. - Einde van de overeenkomst Afdeling 1. - Tijdelijk voor bepaalde tijd aangeworven personeelsleden

Art. 451.De overeenkomsten gesloten met de personeelsleden tijdelijk aangeworven voor bepaalde tijd worden beëindigd zonder opzegging : 1° als zij niet regelmatig tijdelijk zijn aangeworven, voor zover de onregelmatigheid niet aan de inrichtende macht toe te schrijven is;2° als de personeelsleden niet meer aan de volgende voorwaarden voldoen : a) onderdaan zijn van één van de lidstaten van de Europese Unie, behoudens vrijstelling toegestaan door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) aan de dienstplichtwetten voldoen.3° als, na een toegelaten afwezigheid, zij zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° als zij zonder geldige reden hun werk verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dantien dagen afwezig blijven;5° als zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke en strafrechtelijke wetten de beëindiging van de ambten als gevolg heeft;6° als zij zich in een toestand van erkende permanente arbeidsongeschiktheid bevinden, overeenkomstig de wet of de verordening, die hen verhindert hun ambt correct uit te voeren;7° als zij de leeftijd hebben bereikt van de normale oppensioenstelling;8° op de dag vermeld in de overeenkomst bedoeld in artikel 361 en uiterlijk de laatste dag van het academiejaar gedurende hetwelk de aanwerving werd gedaan;9° om de toekenning, in een bepaald ambt en in toe te kennen cursussen, van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht, mogelijk te maken voor een personeelslid van dezelfde hogere kunstschool dat in vast verband aangeworven is of tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven is;10° op het ogenblik van de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, in het geval van een aanwerving zoals bedoeld in artikel 360, § 1;11° wanneer geen enkel beroep werd ingediend tegen de kennisgeving van de vaststelling van een onverenigbaarheid of wanneer de onverenigbaarheid wordt vastgesteld bij een definitief vonnis of een definitief arrest van een arbeidsgerecht;12° vanaf de ontvangst van het advies van de administratieve gezondheidsdienst waaruit blijkt dat het tijdelijk personeelslid definitief ongeschikt is;13° in geval van aanwerving in vast verband in een ambt naar evenredigheid van de uren die voor deze aanwerving in aanmerking komen, ten belope van een volledig ambt;14° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool voor een bepaald ambt en de toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet wordt door een personeelslid tijdelijk aangeworven voor een bepaalde duur;15° om de toekenning, in een bepaald ambt en in toe te kennen cursussen, van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht, mogelijk te maken voor een ander onderwijzend personeelslid dat tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven is.In dat geval verliest het onderwijzend personeelslid met de kleinste dienstanciënniteit zoals bedoeld in artikel 410 voor het bedoelde ambt en de toe te kennen cursussen zijn betrekking.

Art. 452.Een personeelslid tijdelijk aangeworven voor een bepaalde duur kan eenzijdig een einde maken aan de overeenkomst, mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen.

Hij brengt er de inrichtende macht van op de hoogte bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending ervan en brengt de directeur van de hogere kunstschool op de hoogte van zijn beslissing. Afdeling 2. - Tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven

personeelsleden

Art. 453.De overeenkomsten gesloten met de tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven personeelsleden worden zonder opzegging beëindigd : 1° als zij niet regelmatig zijn aangeworven, voor zover de onregelmatigheid niet aan de inrichtende macht toe te schrijven is;2° als de personeelsleden niet meer aan de volgende voorwaarden voldoen : a) onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, behoudens vrijstelling toegestaan door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) aan de dienstplichtwetten voldoen;3° als, na een toegelaten afwezigheid, zij zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° als zij zonder geldige reden hun werk verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° als zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke en strafrechtelijke wetten het stopzetten van de ambten als gevolg heeft;6° als zij zich in een toestand van erkende permanente arbeidsongeschiktheid bevinden, overeenkomstig de wet of de verordening, die hen verhindert hun ambt correct uit te voeren;7° als zij de leeftijd hebben bereikt van de normale oppensioenstelling;8° om de toekenning van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken voor een personeelslid van dezelfde hogere kunstschool dat in vast verband aangeworven is.In dat geval verliest het tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven personeelslid met de kleinste dienstanciënniteit zoals bedoeld in artikel 410 voor het bedoelde ambt en de toe te kennen cursussen zijn betrekking. 9° om de toekenning van een volledige opdracht of van een deel van een opdracht mogelijk te maken voor een ander onderwijzend personeelslid van dezelfde hogere kunstschool dat tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven is.In dat geval verliest het onderwijzend personeelslid met de kleinste dienstanciënniteit zoals bedoeld in artikel 410 voor het bedoelde ambt en de toe te kennen cursussen zijn betrekking. 10° wanneer geen enkel beroep werd ingediend tegen de kennisgeving van de vaststelling van een onverenigbaarheid of wanneer de onverenigbaarheid wordt vastgesteld bij een definitief vonnis of een definitief arrest van een arbeidsgerecht;11° vanaf de ontvangst van het advies van de administratieve gezondheidsdienst waaruit blijkt dat het tijdelijk personeelslid definitief ongeschikt is;12° in geval van definitieve aanwerving in een ambt naar evenredigheid van de uren die voor deze aanwerving in aanmerking komen, ten belope van een volledig ambt;13° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool voor een bepaald ambt en de toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet wordt door een tijdelijk voor onbepaalde tijd aangeworven personeelslid;

Art. 454.Een personeelslid tijdelijk aangeworven voor een onbepaalde duur kan eenzijdig een einde maken aan de overeenkomst, mits een opzegging van vijftien dagen.

Hij brengt de inrichtende macht ervan op de hoogte bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de verzendingsdatum en informeert de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing. Afdeling 3. - In vast verband aangeworven personeelsleden

Art. 455.De overeenkomsten die gesloten zijn met de in vast verband aangeworven personeelsleden worden zonder opzegging beëindigd :. 1° als ze niet regelmatig in vast verband zijn aangeworven, voor zover de onregelmatigheid niet aan de inrichtende macht toe te schrijven is. De personeelsleden behouden de verworven rechten gebonden aan hun vorige regelmatige situatie; 2° als de personeelsleden niet meer aan de volgende voorwaarden voldoen : a) onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, behoudens vrijstelling toegestaan door de Regering;b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;c) aan de dienstplichtwetten voldoen.3° als, na een toegelaten afwezigheid, zij zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° als zij zonder geldige reden hun werk verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;5° als zij zich in de gevallen bevinden waarbij de toepassing van de burgerlijke en strafrechtelijke wetten het stopzetten van de ambten als gevolg heeft;6° als zij zich in een toestand van erkende permanente arbeidsongeschiktheid bevinden, overeenkomstig de wet of de verordening, die hen verhindert hun ambt correct uit te voeren;7° als zij de leeftijd hebben bereikt van de normale oppensioenstelling;8° door afdanking wegens een zware tekortkoming;9° wanneer geen enkel beroep werd ingediend tegen de kennisgeving van de vaststelling van een onverenigbaarheid of wanneer de onverenigbaarheid wordt vastgesteld bij een definitief vonnis of een definitief arrest van een arbeidsgerecht;10° als zij weigeren zonder geldige reden een nieuwe aanstelling te bekleden die bekomen wordt ten gevolge van een verandering van aanstelling of een mutatie;11° als zij de uren toegekend met toepassing van artikel 407, § 2 zonder geldige reden weigeren;12° als zij op pensioen worden gesteld voor definitieve fysieke ongeschiktheid;13° in geval van aanwerving in vast verband in een ander ambt naar evenredigheid van de uren die voor deze nieuwe aanwerving in aanmerking komen, in verhouding tot een volledig ambt;14° in geval van afschaffing van de enige betrekking binnen de hogere kunstschool voor een bepaald ambt en de toe te kennen cursussen, wanneer deze betrekking bezet wordt door een in vast verband aangeworven personeelslid dat een bijambt uitoefent. Wanneer de definitieve beëindiging van de ambten als gevolg heeft dat artikel 10 van de wet van 20 juli 1991 wordt toegepast, stort de Franse Gemeenschap de in dit artikel bepaalde premies aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid

Art. 456.De overeenkomst gesloten met de in vast verband aangeworven personeelsleden wordt beëindigd door ontslag van het personeelslid mits een toelating aan het personeelslid zijn dienst te verlaten of een opzegging van vijftien dagen. Deze opzegging wordt aan de inrichtende macht meegedeeld bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Het personeelslid informeert de directeur van de hogere kunstschool over zijn beslissing. HOOFDSTUK XII. - Bestraffing van het niet-nakomen van de verplichtingen door de inrichtende macht

Art. 457.§ 1. De inrichtende macht verliest het voordeel van de weddetoelage voor elk personeelslid waarvoor hij de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of het gedeeltelijk opdrachtverlies niet zou melden.

In geval van gedeeltelijk opdrachtverlies, wordt het verlies van de weddetoelage beperkt tot het aantal verloren lestijden. § 2. De inrichtende macht die nalaat de betrekking te melden die door een tijdelijk personeelslid wordt bekleed en die kan worden aangekondigd naar aanleiding van de reaffectatie, de hervatting van het werk of de voorlopige wederoproeping in dienst, verliest het genot van de weddetoelage die aan dat personeelslid werd toegekend. § 3. De inrichtende macht die zonder geldige reden geweigerd heeft gevolg te geven aan een reaffectatie, aan een hervatting van het werk of een voorlopige wederoproeping in dienst of die niet zijn plichten nakomt inzake verlenging van de reaffectatie, hervatting van het werk of voorlopige wederoproeping in dienst, verliest het voordeel van de weddetoelage toegekend aan het tijdelijk personeelslid dat de aan deze reaffectatie, hervatting van het werk of voorlopige wederoproeping in dienst toegekende betrekking bekleedt. § 4. De Regering verstuurt de inrichtende macht een ingebrekestelling waarbij zij haar binnen een termijn van dertig dagen vanaf deze ingebrekestelling verzoekt te bewijzen dat hij zich niet meer in een geval van toepassing van de paragrafen 1 tot 3 bevindt. De Regering kan, bij besluit, deze bevoegdheid delegeren aan de minister die functioneel bevoegd is.

Indien, op het einde van deze termijn van dertig dagen, de inrichtende macht geen bewijs heeft geleverd dat hij zich niet meer in een geval bevindt dat valt onder de toepassing van de paragrafen 1 tot 3, verliest hij zoals in deze paragrafen wordt aangeduid, het voordeel van de weddetoelage voor een periode die begint op het einde van de voornoemde termijn van dertig dagen en die duurt tot de dag waarop de inrichtende macht het bewijs heeft geleverd dat hij zich niet meer in een geval bevindt dat valt onder de toepassing van de paragrafen 1 tot 3.

Er wordt een afschrift van de ingebrekestelling bedoeld in het eerste lid aan het personeelslid bezorgd.

VIJFDE DEEL. - WIJZIGINGS-, OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN TITEL 1. - Overgangsbepalingen

Art. 458.De personeelsleden die in vast verband benoemd of aangeworven zijn voor de inwerkingtreding van dit decreet worden geacht in vast verband benoemd of aangeworven te zijn in de zin van dit decreet welke ook de vroegere classificatie van de cursussen die zij geven moge zijn en naar evenredigheid van het percentage van de opdracht waarvoor zij in vast verband benoemd of aangewezen werden.

Het eerste lid wordt toegepast op het geheel van de personeelsleden die in vast verband benoemd of aangeworven zijn in het artistiek hoger onderwijs en in het hoger kunstonderwijs, ook wanneer de cursussen die deze personeelsleden verstrekten, worden georganiseerd in het lange of het korte type, overeenkomstig het decreet.

Art. 459.De titularissen van het ambt van docent in het hoger kunstonderwijs van de derde graad worden geacht de bekwaamheidsbewijzen en de nodige ervaring te bezitten om het ambt van (hoog)leraar te kunnen uitoefenen in het hoger kunstonderwijs van het lange type.

De titularissen van het ambt van (hoog)leraar in een niet exclusief ambt in het kunstonderwijs worden geacht de vereiste bekwaamheidsbewijzen en de nodige ervaring te bezitten om het ambt van (hoog)leraar in het hoger kunstonderwijs van het lange type te kunnen uitoefenen.

De titularissen van het ambt van onderdirecteur in het hoger kunstonderwijs van het korte type worden geacht de vereiste bekwaamheidsbewijzen en de nodige ervaring te bezitten om het ambt van onderdirecteur in het hoger kunstonderwijs van het korte en het lange type te kunnen uitoefenen.

Art. 460.Prioritair boven elke benoeming of elke tijdelijke aanwerving voor bepaalde tijd, worden geacht als tijdelijk aangewezen of aangeworven voor onbepaalde tijd, de personeelsleden die, tijdelijk aangewezen of aangeworven in de inrichting voor het academiejaar 2001-2002, voor het bedoelde ambt en de toe te kennen cursussen, een vacante betrekking bekleden en die, bij de inwerkingtreding van dit decreet een dienstanciënniteit tellen van minimaal twee jaar, berekend volgens de vroeger toepasselijke regels.

Art. 461.§ .1. Bij overgangsmaatregel, kunnen de (hoog)leraren en begeleiders die, op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, benoemd zijn in een ambt aan het Conservatorium en een ander ambt in het onderwijs, een statutair ambt of een ambt als werknemer uitoefenen, deze mogelijkheid van cumulatie in een niet exclusief ambt behouden overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 voorlaatste lid van het koninklijk besluit van 15 april 1958, zoals gewijzigd bij artikel 473 van dit decreet.

Daartoe moeten de betrokken (hoog)leraren en begeleiders hun keuze meedelen bij een ter post aangetekende brief gericht aan de Algemene Administratie van het onderwijspersoneel binnen de dertig dagen van de datum van toepassing van dit decreet. Zij moeten hun keuze uiterlijk op 1 mei voor elk academiejaar herhalen.

Indien dit niet wordt gedaan, worden de nieuwe regels van dit decreet op hen toegepast. § 2. Als zij de cumulatie kiezen, worden hun prestaties op het Conservatorium beperkt tot maximaal vier uur per week voor de (hoog)leraren en maximaal 6 uur per week voor de begeleiders.

Hun bezoldiging in dit ambt stemt, in voorkomend geval, overeen met de werkelijk gepresteerde uren volgens de volgende weddeschaal : 1° (Hoog)leraar voor kunst in het muziekonderwijs (ambt van 6 uur per week) : die onderwijs verstrekt in een cursus van de eerste categorie : 610; die onderwijs verstrekt in een cursus van de tweede categorie : 606. 2° Begeleider in het muziekonderwijs (ambt van 12 uur per week): 607. Zij bewaren de anciënniteit van hun vroeger niet-exclusief ambt overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs die geldend zou zijn op de dag van de aanneming van dit decreet. § 3. Bij uitzonderlijk geval in verband met dringende pedagogische redenen, mogen de prestaties op het Conservatorium worden opgevoerd tot maximaal acht uur per week voor de (hoog)leraren.

Op straffe van nietigheid, moet het voordeel van de uitzonderlijke toestand aangevraagd worden door de Directeur van de betrokken inrichting bij een ter post aangetekende brief, gemotiveerd en gericht aan het Ministerie waarvan de inrichting afhangt, uiterlijk binnen de dertig dagen volgend op de feiten waarvoor beroep werd aangetekend.

Het voordeel van de uitzonderlijke situatie kan slechts worden toegekend op beslissing genomen door de Minister tot wiens bevoegdheid het hoger Kunstonderwijs behoort.

De beslissing is slechts geldig voor de duur van het betrokken schooljaar.

De bezoldiging van de uren gepresteerd binnen het kader van een uitzonderlijke situatie zal overeenstemmen met de werkelijk gepresteerde uren, volgens het referentiebarema hieronder bedoeld.

Maar boven zes uur voor de (hoog)leraren zullen de gepresteerde uren voor de helft worden betaald. § 4. Bij overgangsmaatregel en binnen de perken van het kader zoals bepaald in uitvoering van artikel 99 van dit decreet, kunnen de personeelsleden van de conservatoria die voor het academiejaar 2001-2002 werden aangewezen voor een mandaat van docent en opnieuw zijn aangewezen volgens dit decreet, ten belope van de uren en de cursussen waarvoor zij in 2001-2002 werden bezoldigd, de benaming van docent blijven genieten, in plaats van de benaming assistent en, zonder beperking van het aantal mandaten en in afwijking van de bepalingen van § 2 van artikel 108 van dit decreet. Deze mogelijkheid moet echter gebonden zijn aan de activiteit van de (hoog)leraar met wie zij verbonden zijn tot 2001-2002 met toepassing van de bepalingen van artikel 18 van het koninklijk besluit van 25 juni 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toelating van de leerlingen en van de duur van de lessen in de Koninklijke Muziekconservatoria en moet beëindigd worden zodra de (hoog)leraar niet meer in dienst is.

Het globaal urenvolume dat een conservatorium zou reserveren voor de toepassing van deze bepaling wordt afgetrokken van het aantal betrekkingseenheden als assistent bepaald bij toepassing van artikel 55 van dit decreet.

De betrokken docenten moeten hun keuze meedelen bij een ter post aangetekende brief gericht aan de Algemene Administratie Onderwijspersoneel binnen de dertig dagen na de bekendmaking van dit decreet. Dit document moet de naam van de (hoog)leraar vermelden aan wie zij waren verbonden in de context van het voornoemd koninklijk besluit van 25 juni 1973.

In dat geval wordt hun bezoldiging vastgesteld per weekuur op grond van een jaarlijks uurpercentage van 1.182,28 euro, gekoppeld aan de index 100 op 1 november 1993. Het mandaat van docent wordt geacht een ambt met volledige prestaties te zijn in de zin van artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wanneer het 18 uren telt.

Art. 462.De regelmatige leerlingen van de koninklijke muziekconservatoria die aan het studeren zijn om de eerste prijs te behalen bij de inwerkingtreding van dit decreet, worden toegelaten het begonnen studiecyclus voort te zetten tot het bekomen van de eerste prijs en uiterlijk op 31 augustus 2006.

Deze leerlingen worden toegelaten, zodra zij hun diploma van eerste prijs ontvangen, hun opleiding voort te zetten in het eerste jaar van de tweede cyclus van het nieuw studiesysteem ingevoerd bij toepassing van dit decreet. Zij zijn echter ertoe gehouden hun schoolcursus aan te vullen voor het einde van dit eerste schooljaar door het slagen voor de vakken bepaald in het nieuw studieprogramma die niet zouden gezien zijn gedurende de studies die leiden tot de eerste prijs.

De studenten die regelmatig zijn ingeschreven, anderen dan die bedoeld in het eerste lid, worden toegelaten hun studies verder te zetten in de optie en het jaar die overeenkomen in het nieuw studiesysteem ingevoerd bij toepassing van dit decreet, en met inachtneming van de voorwaarden gesteld door de Regering.

Art. 463.De regelmatige leerlingen van de koninklijke muziekconservatoria die aan het studeren zijn om een hoger diploma te bekomen bij de inwerkingtreding van dit decreet, worden toegelaten het begonnen studiecyclus verder te zetten tot het bekomen van het hoger diploma en uiterlijk op 31 augustus 2005.

Art. 464.De regelmatige leerlingen van de koninklijke muziekconservatoria die aan het studeren zijn om een diploma van pedagogische bekwaamheid te bekomen bij de inwerkingtreding van dit decreet, worden toegelaten het studiecyclus verder te zetten tot het bekomen van het diploma van pedagogische bekwaamheid en uiterlijk op 31 augustus 2003.

Art. 465.Voor de toepassing van de artikelen 462 tot 464 van dit decreet is de regelmatige leerling diegene die het geheel van de vakken volgt, vastgesteld bij de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 maart 1972 voor het behalen van het bedoeld diploma.

Art. 466.Voor het academiejaar 2002-2003 en in afwijking van de bepalingen vastgesteld voor de aanwerving bij dit decreet, kan de inrichtende macht nieuwe benoemingen of aanwervingen doen voor bepaalde tijd. Deze tijdelijke aanstellingen of aanwervingen kunnen niet het volgend academiejaar worden verlengd als de betrekking niet vacant is verklaard overeenkomstig artikel 101, 225 of 355, of als het personeelslid niet voldoet aan de voorwaarden vastgesteld, volgens het geval, bij de artikelen 109, 110, 112 of 234, 235, 237, 238 of 364, 365, 367, 368.

Art. 467.Voor de toepassing van artikel 108 § 2, 233 § 2, 363 § 2 van dit decreet, wordt, voor de berekening van de mandaten als assistent, geen rekening gehouden met enige aanwerving van voor de toepassing van dit decreet.

Art. 468.Vanaf het academiejaar 2002-2003 kan geen enkele betrekking van de categorie van het administratief personeel, van de categorie van het opvoedend hulppersoneel, leiden tot een tijdelijke aanstelling of aanwerving, behalve als het gaat om een vervanging van een personeelslid in dienst op de datum van inwerkingtreding van dit decreet.

Art. 469.Vanaf het academiejaar 2002-2003 kan geen enkele betrekking van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel dat, voor de inwerkingtreding van dit besluit, de ambten van afdelingschef voor studies, van practicumchef, van (hoog)leraar beroepspraktijk en van assistent in het onderwijs voor de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie uitoefent, leiden tot een tijdelijke aanstelling of aanwerving behalve als het gaat om de vervanging voor bepaalde tijd in de gevallen bepaald bij de geldende decreetsbepalingen en verordeningsbepalingen.

Art. 470.In afwijking van de artikelen 468 en 469 en bij wijze van overgangsmaatregel, behouden de personeelsleden die tijdelijk aangesteld of aangeworven zijn voor de inwerkingtreding van dit decreet, hun ambt, tot er een statutaire oplossing wordt gevonden.

Art. 471.Zolang de artikelen 151, 152, 156, 270 en 403 niet worden toegepast bij specifieke bepalingen, blijven de personeelsleden de geldende decreets- en verordeningsbepalingen genieten.

TITEL 2. - Wijzigingsbepalingen

Art. 472.Artikel 4 van de wet van 14 mei 1955 tot regeling van het kunstonderwijs, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met de volgende bepaling : « Zij wordt niet toegepast op de hogere kunstscholen. »

Art. 473.De volgende wijzigingen worden aangebracht aan het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zoals gewijzigd : 1° het eerste lid van artikel 5 wordt aangevuld met de volgende bepaling : In afwijking van de bepalingen b) en c) hierboven, behouden de leerkrachten van de hogere kunstscholen die een artistiek beroep uitoefenen ofwel als zelfstandige, onder arbeidsovereenkomst, het voordeel van het hoofdambt welke ook de bedragen van hun inkomsten en het urenvolume van hun artistieke activiteit moge zijn.»; 2° Het voorlaatste lid van artikel 5 wordt vervangen door de volgende bepaling : « De uitdrukking « niet-exclusief ambt » duidt het ambt aan dat, in een of verschillende scholen of inrichtingen voor kunstonderwijs van de Staat, uitgeoefend wordt door de (hoog)leraar belast met de artistieke vakken en de begeleider die in vast verband benoemd zijn voor 1 september 2002 en die hebben geopteerd voor het behoud van de vorige cumulaties.3° Een lid r) , luidend als volgt, wordt in artikel 16, § 1, A ingevoerd : « r) de effectieve diensten die het personeelslid gepresteerd heeft voor 1 september 2002 in een inrichting voor kunstonderwijs georganiseerd door de Staat of door de Franse Gemeenschap als titularis van een niet-exclusief ambt dat een volledige wedde begrijpt, voor zover dat niet-exclusieve ambt niet tegelijkertijd met een ander ambt of beroep beschouwd als hoofdambt werd uitgeoefend »; 4° Het eerste lid van artikel 16, § 1., B , wordt als volgt aangevuld : « alsmede de tijd die het personeelslid heeft doorgebracht voor 1 september 2002 als titularis van een niet-uitsluitend ambt dat geen volledige wedde begrijpt, in een inrichting voor kunstonderwijs georganiseerd door de Staat of door de Franse Gemeenschap, voor zover dit niet-uitsluitend ambt niet tegelijkertijd is uitgevoerd met een ander ambt of beroep beschouwd als hoofdambt ». 5° Artikel 17, § 1, wordt aangevuld met de woorden, « ofwel in het kunstonderwijs », na de woorden : « ofwel in het technisch en landbouwkundig onderwijs »;6° Artikel 41, § 2, wordt aangevuld met het cijfer 12 tussen de cijfers 8 en 16, in de kolom minimumaantal lesuren en met het cijfer 12 op dezelfde plaats in de kolom Deler;7° Artikel 44ter , § 2, wordt aangevuld met het cijfer 12 tussen de cijfers 8 en 16 in de kolom Minimumaantal lesuren en met het cijfer 15 tussen de cijfers 12 en 18 in de kolom Deler.

Art. 474.In artikel 12 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals gewijzigd, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) § 2, 1e lid wordt vervangen door het volgend lid : « Een inschrijvingsgeld wordt opgelegd aan de studenten van de inrichtingen voor hoger onderwijs van het korte of het lange type met volledig leerplan »;b) In § 2, 2e lid, 1°, worden de woorden « het onderwijs van de 2e graad, in de koninklijke muziekconservatoria en in het « Institut de musique et de pédagogie musicale de Namur » geschrapt;c) § 2, 2e lid, 2° wordt opgeheven; d) In § 2, 3e lid, worden de woorden « , onderwijs van de tweede graad, in de koninklijke muziekconservatoria alsmede op het I.K.M.P., » en de woorden « in het hoger onderwijs van de derde graad en » geschrapt; e) In § 2, 5e lid, worden de woorden » artistiek hoger of » geschrapt;f) § 2bis wordt vervangen door de volgende paragraaf : « § 2bis.De bedragen ontvangen door een hogere kunstschool als inschrijvingsgeld bedoeld in § 2, voor het geheel wat betreft het inschrijvingsgeld betaald door de studenten betaald die zich inschrijven voor studies die geklasseerd zijn in het onderwijs van het korte type en de helft voor wat betreft het inschrijvingsgeld betaald door de studenten die zich inschrijven voor studies geklasseerd in het hoger onderwijs van het lange type, alsmede de bedragen van de ontvangen specifieke inschrijvingsrechten, overeenkomstig de artikelen 59, 60 en 61 van de wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs, worden afgetrokken van het bedrag dat de Gemeenschap stort, naargelang van het geval, als werkingssubsidie of dotatie aan de betrokken hogere kunstschool »; g) § 2ter wordt met het volgend lid aangevuld : « Deze paragraaf is niet toepasselijk op de hogere kunstscholen ».

Art. 475.Artikel 14 van het koninklijk besluit van 22 maart 1961 houdende toepassing van artikel 5 van de wet van 14 mei 1955 en van de artikelen 24, 27 en 32 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Dit besluit wordt niet toegepast op de hogere kunstscholen, met uitzondering van artikel 13. »

Art. 476.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 november 1962 houdende algemene regeling van de studiën in het Hoger Technisch Onderwijs, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met de volgende bepaling : « Het kunsthoger onderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen is niet onderworpen aan de bepalingen van dit besluit. »

Art. 477.Artikel 1, 1e lid, 1. van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 1. De voorschools-, lagere, middelbare en hogere onderwijsinrichtingen, met uitsluiting van de hogescholen, de universitaire instellingen en de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen, met uitzondering van de leden van het onderwijzend personeel die de ambten van afdelingschef voor studies, practicumchef alsmede (hoog)leraar beroepspraktijk en assistent in het onderwijs betreffende de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie uitoefenen.

Artikel 2 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgend lid » Dit artikel wordt niet toegepast op de leden van het onderwijzend en bestuurspersoneel van de hogere kunstscholen met uitzondering van de leden van het onderwijzend personeel die een ambt als afdelingschef voor studies, practicumchef alsmede (hoog)leraar beroepspraktijk en assistent in het onderwijs betreffende de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie. »

Art. 478.In het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, zoals gewijzigd, wordt een artikel 5ter ingevoegd, luidend als volgt : Artikel 5ter . De bepalingen van dit besluit worden niet toegepast op de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen. »

Art. 479.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en onderwijs voor sociale promotie van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met het volgend lid : « Het wordt niet toegepast op de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen van de Franse Gemeenschap ». Er wordt in hetzelfde koninklijk besluit een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk XIbis - Overgangsbepalingen. » Hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld met een artikel 169bis, luidend als volgt : «

Artikel 169bis.De personeelsleden die, op datum van 30 juni 2002, de ambten uitoefenen van afdelingschef voor studies, practicumchef alsmede (hoog)leraar beroepspraktijk en assistent onderwijs betreffende de vertoningskunsten en technieken inzake verspreiding en communicatie, blijven de bepalingen van dit besluit genieten ».

Art. 480.De artikelen 10, 11 en 12 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april 1969, betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel en van het sociaal personeel van de inrichtingen voor voorschools, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en niet-universitair hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, alsmede van de internaten die van deze inrichtingen afhangen, zoals gewijzigd, worden aangevuld met de volgende woorden : « De bepalingen van dit artikel worden niet toegepast op de hogere kunstscholen ».

Art. 481.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juli 1969 tot vaststelling van de wervingsambten waarvan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen titularis moeten zijn om in een selectieambt te kunnen worden benoemd, zoals gewijzigd, wordt het eerste lid vervangen door het volgend lid : « Met uitsluiting van het personeel van de hogere kunstscholen, waarop de bepalingen van dit artikel niet worden toegepast, om te kunnen worden benoemd in de selectieambten van de categorie van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, in de volgende tabel opgenomen, moeten de personeelsleden titularis zijn van een van de wervingsambten vermeld naast het toe te kennen selectieambt en houder zijn van het bekwaamheidsbewijs dat eventueel naast het ambt vermeld is. »

Art. 482.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in een bevorderingsambt in de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel der rijksonderwijsinrichtingen, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met het volgend lid : « Dit besluit is niet van toepassing op de hogere kunstscholen ».

Art. 483.In het koninklijk besluit van 31 juli 1969 tot vaststelling van de wervings- en selectieambten waarvan de personeelsleden van het rijksonderwijs titularis moeten zijn om benoemd te kunnen worden in een bevorderingsambt in de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel der rijksonderwijsinrichtingen, zoals gewijzigd, wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 1bis.Dit besluit is niet van toepassing op de hogere kunstscholen ».

Art. 484.In het koninklijk besluit van 31 juli 1969 tot vaststelling van de regels betreffende de samenstelling van de bevorderingscommissies bedoeld in het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, zoals gewijzigd, wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 5bis.Dit besluit is niet van toepassing op de hogere kunstscholen ».

Art. 485.In artikel 1 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, zoals gewijzigd, wordt een vierde paragraaf ingevoegd, luidend als volgt : « § 4. Deze wet is niet van toepassing op de hogere kunstscholen, met uitzondering van de artikelen 1, 2, eerste lid, 8, §§ 1 en 2 en 10, § 7. »

Art. 486.Het koninklijk besluit van 23 november 1970 tot vaststelling van de ambtsbevoegdheden van de provisors en onderdirecteurs bij de rijksonderwijsinrichtingen, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met een artikel 1bis met de volgende bepaling : «

Artikel 1bis.De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 487.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst der inrichtingen van de Franse Gemeenschap, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt : « Dit besluit is niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 488.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 december 1973 houdende bepaling van de splitsings- en hergroeperingsnormen van studiejaren in het secundair technisch onderwijs, in het technisch, economisch, agrarisch, paramedisch, sociaal en pedagogisch hoger onderwijs van het korte type, in het technisch en agrarisch hoger onderwijs van de tweede graad, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met de volgende woorden « Zij zijn niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 489.In het eerste hoofdstuk van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen in uitvoering van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, zoals gewijzigd, wordt een artikel 3 octies ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 3octies . Hoofdstuk 1 van dit besluit is niet van toepassing op de hogere kunstscholen, met uitzondering van de artikelen 3bis en 3quater tot 3 septies. »

Art. 490.In artikel 77, § 2, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, zoals gewijzigd, worden de volgende woorden toegevoegd : « Deze paragraaf is niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 491.In hoofdstuk III van de wet van 18 februari 1977 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs en inzonderheid van het technisch en het agrarisch onderwijs van het lange type, zoals gewijzigd, wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 9bis.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 492.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 augustus 1977 tot vaststelling van het organiek reglement van de rijksinrichtingen voor hoger onderwijs van het lange type en met volledig leerplan, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Artikel 1.De bepalingen van dit besluit worden toegepast op de inrichtingen van de Staat voor hoger onderwijs van het lange type en met volledig leerplan, met uitzondering van de hogescholen en de hogere kunstscholen. »

Art. 493.In artikel 2, 3de lid van het koninklijk besluit van 28 december 1977 tot vaststelling van de modaliteiten tot het verlenen van de vrijstelling van examens in het hoger onderwijs van het korte en van het lange type, zoals gewijzigd, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « artistiek » wordt toegevoegd tussen de woorden « landbouwkundig » en « economisch »;2° de woorden « alsmede in het architectuuronderwijs » worden geschrapt.»

Art. 494.Artikel 1 van het ministerieel besluit van 23 januari 1978 tot vaststelling van de wijze van verkiezing van sommige leden van de raad van beheer in de rijksinrichtingen voor hoger onderwijs van het lange type, met volledig leerplan, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : »

Artikel 1.De bepalingen van dit besluit zijn noch op de hogescholen noch op de hogere kunstscholen van toepassing. »

Art. 495.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1978 tot vaststelling van de voorwaarden voor het bepalen van het aantal betrekkingen in de ambten van het administratief personeel van de inrichtingen voor het hoger onderwijs van het lange type, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Artikel 1.De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de inrichtingen met volledig leerplan van hoger onderwijs van het lange type met uitzondering van de hogere kunstscholen. »

Art. 496.In het koninklijk besluit nr. 79 van 21 juli 1982 tot vaststelling van het aantal aanvaardbare lestijden in het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, georganiseerd of gesubsidieerd door de Staat, zoals gewijzigd, wordt een artikel 10 bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 10bis.De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op het hoger kunstonderwijs van het korte type georganiseerd in de hogere kunstscholen. »

Art. 497.In het koninklijk besluit van 27 juli 1982 ter bepaling van de coëfficiënt die het maximum aantal toegelaten studiebegeleidingseenheden in het hoger onderwijs van het lange type vastlegt, wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 1bis.De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 498.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 februari 1984 houdende algemene regeling van de studiën in het hoger onderwijs van het lange type met volledig leerplan, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de inrichtingen van hoger onderwijs van het lange type en met volledig leerplan waarvan de onderwijstaal het Frans is, met uitzondering van de hogescholen en de hogere kunstscholen. »

Art. 499.In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd, wordt een lid ingevoegd, luidend als volgt : « Het is niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 500.Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 301 van 31 maart 1984 houdende vaststelling van de minimale studentenbevolking van afdelingen van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met de volgende woorden : « Het is niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 501.In artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 460 van 17 september 1986 tot vaststelling van het rationalisatieplan en het programmatieplan van het hoger onderwijs van het korte type en tot wijziging van de wetgeving betreffende de organisatie van het hoger onderwijs van het lange type, zoals gewijzigd, wordt het volgend lid toegevoegd : « De artikelen 4 tot 13 en 16 tot 22 van dit besluit zijn niet van toepassing op het kunsthoger onderwijs georganiseerd binnen de hogere kunstscholen. »

Art. 502.Het tweede lid van artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 november 1987 houdende algemeen reglement van de studie in het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, zoals gewijzigd, wordt vervangen door het volgende lid : « Dit besluit is noch op de hogescholen, noch op de hogere kunstscholen van toepassing. »

Art. 503.Artikel 1bis van het koninklijk besluit van 6 november 1987 tot vaststelling van de begrippen « regelmatig ingeschreven student » en « student die in aanmerking komt voor de financiering » in het hoger onderwijs met volledig leerplan, met uitzondering van het universitair onderwijs, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Artikel 1bis.Dit besluit is noch op de hogescholen, noch op de hogere kunstscholen van toepassing. »

Art. 504.Artikel 1, § 2, van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, zoals gewijzigd, wordt aangevuld met het volgend punt : « 3° op de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de vrije gesubsidieerde hogere kunstscholen ».

Artikel 110, 6e lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door een lid, luidend als volgt : « De personeelsleden die, op datum van 30 juni 2002, het ambt uitoefenen van (hoog)leraar beroepspraktijk in het onderwijs betreffende de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie, blijven de bepalingen van dit decreet genieten. »

Art. 505.Artikel 1 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, zoals gewijzigd, wordt door het volgend lid aangevuld : « Dit decreet is niet van toepassing op de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de vrije gesubsidieerde hogere kunstscholen. »

Art. 506.In het decreet van 5 augustus 1995 houdende diverse maatregelen inzake hoger onderwijs, zoals gewijzigd, wordt een artikel 16 toegevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 16.Dit decreet is niet van toepassing op de hogere kunstscholen. »

Art. 507.In artikel 2, 2e lid van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, zoals gewijzigd, worden de woorden « voor architectuur » ingevoegd tussen de woorden « studies » en « ressorterend onder het kunsthoger onderwijs ».

De laatste zin van dit lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Dit decreet is noch op de universitaire instellingen, noch op de hogere kunstscholen toegepast, met uitzondering van de artikelen 78 en 83. » Art.508. Het tweede lid van artikel 1 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het hoger onderwijs van het korte type alsmede het kunstonderwijs, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De bepalingen van dit besluit zijn noch op de personeelsleden van de officiële gesubsidieerde hogescholen, noch op de personeelsleden van de officiële gesubsidieerde hogere kunstscholen van toepassing. »

Art. 509.Het tweede lid van artikel 1 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het hoger onderwijs van het korte type alsmede het kunstonderwijs, zoals gewijzigd, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De bepalingen van dit besluit zijn noch op de personeelsleden van de vrije gesubsidieerde hogescholen noch op de personeelsleden van de hogere kunstscholen van toepassing. » TITEL 3. - Opheffingsbepalingen

Art. 510.Het koninklijk besluit van 30 november 1926 houdende oprichting te Brussel van een hogere school voor decoratiekunst, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 511.Het koninklijk besluit van 16 oktober 1933 houdende het organiek reglement van het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 512.Het koninklijk besluit van 16 oktober 1933 houdende het organiek reglement van het Koninklijk Muziekconservatorium te Luik, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 513.Het besluit van de Regent van 13 januari 1950 houdende het organiek reglement van het Koninklijk Muziekconservatorium te Bergen,, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 514.Het ministerieel besluit van 24 juni 1952 tot vaststelling van de huurtarieven van de instrumenten die toebehoren aan de Koninklijke Muziekconservatoria, wordt opgeheven.

Art. 515.Het koninklijk besluit van 4 oktober 1957 waarbij het inschrijvingsgeld voor de leerlingen van de Rijksinrichtingen voor kunstonderwijs wordt vastgesteld, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 516.Het koninklijk besluit van 19 januari 1961 betreffende bepaalde toekenningsvoorwaarden en de vorm der door de Koninklijke Muziekconservatoria uitgereikte attesten, getuigschriften en diploma's, alsook betreffende het virtuositeitsdiploma, zoals gewijzigd, wordt opgeheven op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, met uitzondering van de artikelen 1 tot 3, opgehen met uitwerking op 31 augustus 2006, van artikel 3bis, opgeheven met uitwerking op 31 augustus 2003, en artikel 4, §§ 3 tot 5, opgeheven met uitwerking op 31 augustus 2005.

Art. 517.Het koninklijk besluit van 15 april 1965 tot regeling, in de derde graad van het hoger technisch onderwijs, van de studiën, ter verkrijging van het diploma voor cultuurspreidingstechnieken, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 518.Het koninklijk besluit van 16 april 1965, houdende organiek reglement van het Hoger Rijkstechnisch Instituut voor Toneel en Cultuurspreiding zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 519.Het koninklijk besluit van 16 april 1965 houdende organiek kader van het Hoger Rijkstechnisch Instituut voor Toneel en Cultuurspreiding wordt opgeheven.

Art. 520.Het ministerieel besluit van 28 oktober 1969 tot vaststelling van de vakken die een bijzondere beroepservaring vergen, zoals bedoeld in artikel 10, 18°, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 april 1969, betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter- lager-, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, wordt opgeheven.

Art. 521.Het koninklijk besluit van 20 maart 1970 houdende vaststelling van de huurprijzen voor de concertzalen van het Koninklijk Muziekconservatorium te Luik en van de vergoedingen van het personeel nodig voor het benutten van deze zalen, wordt opgeheven.

Art. 522.Het koninklijk besluit van 20 juli 1971 tot regeling van de administratieve toestand der leraars aan de Koninklijke Muziekconservatoria van Brussel (Franstalige afdeling), Luik en Bergen, die een artistieke activiteit buiten de instelling uitoefenen, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 523.Het koninklijk besluit van 8 september 1971 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder rijkstoelagen worden verleend aan het Instituut voor Kerkmuziek en muziekpedagogie (I.K.M.P.), zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 524.Het koninklijk besluit van 20 oktober 1971 tot vaststelling van de huurprijzen van de concertzalen van het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel en de toelagen van het personeel nodig voor het gebruik van de zalen, wordt opgeheven.

Art. 525.Het koninklijk besluit van 21 februari 1972 tot regeling van de samenstelling, de bevoegdheid en de werkwijze van de Commissies van Toezicht bij de Koninklijke Muziekconservatoria van Brussel (Franstalige afdeling), Luik en Bergen, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 526.Het koninklijk besluit van 20 maart 1972 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de diploma's van eerste prijs en van de hogere diploma's in de koninklijke muziekconservatoria te Brussel (Franstalige afdeling), Luik en Bergen, zoals gewijzigd, wordt opgeheven op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, met uitzondering van artikel 4bis, opgeheven met uitwerking op 31 augustus 2003, van artikel 5, opgeheven met uitwerking op 31 augustus 2005, en de artikelen 1 tot 4, opgeheven met uitwerking op 31 augustus 2006.

Art. 527.Het ministerieel besluit van 20 juli 1972 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van de koninklijke muziekconservatoria te Brussel (Franstalige afdeling), Luik en Bergen, zoals gewijzigd, wordt opgeheven op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, met uitzondering van de artikelen 66bis en 67, die opgeheven zullen worden op 31 augustus 2005, en van de artikelen 26, 31 en 55 tot 61, die zullen worden opgeheven op 31 augustus 2006.

Art. 528.Het koninklijk besluit van 25 juni 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toelating van de leerlingen en van de duur van de lessen in de Koninklijke Muziekconservatoria, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 529.Het koninklijk besluit van 5 november 1973 tot organisatie van het onderwijs in de beeldende kunsten afhangend van de Minister van Franse Cultuur, wordt opgeheven.

Art. 530.Het koninklijk besluit van 5 mei 1976 houdende gelijkstelling van de titels van het kunstonderwijs, wordt opgeheven.

Art. 531.Het ministerieel besluit van 15 juli 1976 tot vaststelling van het kalender voor de examens, voorzien voor de parallelle leergangen in koninklijke muziekconservatoria, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 532.Het ministerieel besluit van 15 juli 1976 tot vaststelling van de toelatingsvoorwaarden tot de eerste technische en openbare wedstrijd alsook tot de openbare wedstrijd met het oog op het behalen van een eerste prijs van een koninklijk muziekconservatorium, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 533.Het Ministerieel besluit van 15 juli 1976, tot vaststelling van het kalender voor de examens, voorzien voor de parallelle leergangen in koninklijke muziekconservatoria, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 534.Het ministerieel besluit van 15 juli 1976 tot vaststelling van het model van het getuigschrift voor toelating tot de inrichtingen voor muziekonderwijs van hoger niveau, wordt opgeheven.

Art. 535.Het ministerieel besluit van 15 juli 1976 tot vaststelling van de praktische modaliteiten voor de opdracht van de Staatsafgevaardigde voor de examens voor toelating in de inrichtingen voor muziekonderwijs van hoger niveau, wordt opgeheven.

Art. 536.Het ministerieel besluit van 20 juli 1976 tot vaststelling van de vakken die een bijzondere beroepservaring vereisen zoals bedoeld in artikel 10, 18e, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 537.Het koninklijk besluit van 31 augustus 1978 betreffende de voorwaarden tot rangschikking van de studiën in de plastische kunsten met volledig leerplan in de drie graden van het hoger kunstonderwijs, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 538.Het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling op 1 april 1972 van de bezoldiging van de voordrachthouders en van de lesgevers der rijksinrichtingen voor kunstonderwijs ressorterend onder de Minister van Nederlandse Cultuur en de Minister van Franse Cultuur wordt opgeheven.

Art. 539.Het koninklijk besluit van 12 december 1979 tot vaststelling van de nieuwe structuren en de organisatie in de « Ecole superieure des arts plastiques et visuels » te Bergen, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 540.Het koninklijk besluit van 19 december 1979 tot rangschikking van de studies van de « Ecole supérieure des Arts plastiques et visuels de l'Etat », te Bergen, wordt opgeheven.

Art. 541.Het koninklijk besluit van 4 april 1980 tot vaststelling van de nieuwe structuren en de organisatie in de « Ecole nationale superieure des arts visuels de la Cambre », zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 542.Het ministerieel besluit van 22 april 1980 tot inrichting van de artistieke proef voor de toegang tot de inrichtingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan die een onderwijs in de plastische kunsten organiseren van de 1e, de 2e of de 3e graad, wordt opgeheven.

Art. 543.Het koninklijk besluit van 23 april 1980 tot inrichting van het examen over de algemene vorming voor de toelating tot de inrichtingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan die onderwijs in de plastische kunsten organiseren van de eerste of van de tweede graad, wordt opgeheven.

Art. 544.Het koninklijk besluit van 16 mei 1980 tot rangschikking van de studies van de « Ecole nationale supérieure des Arts visuels de la Cambre » wordt opgeheven.

Art. 545.Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 21 september 1983 tot vaststelling van het organiek reglement van de « Ecole supérieure des Arts plastiques et visuels à Mons », zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 546.Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 17 januari 1984 tot vaststelling van de procedure voor de samenstelling van de pedagogische raad en de raad van beheer van de « Ecole superieure des Arts plastiques et visuels de l'Etat » te Bergen, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 547.Het koninklijk besluit van 26 januari 1988 tot vrijstelling van bekwaamheidsbewijzen in het hoger artistiek muziekonderwijs, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

TITEL 4. - SLOTBEPALINGEN

Art. 548.De Regering kan de wets-, decreets- en verordeningsbepalingen coördineren inzake het hoger onderwijs georganiseerd binnen de hogere kunstscholen alsmede de bepalingen die deze opzettelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd op het moment waarop deze coördinatie zal worden opgesteld.

Daartoe kan zij : 1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen, onder andere afdelingen;2° de referenties wijzigen die de te coördineren bepalingen zouden bevatten, om die in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;3° de redactie wijzigen van de te coördineren bepalingen om die in overeenstemming met elkaar te brengen en de terminologie ervan te uniformiseren, zonder dat de principes ingeschreven in deze bepalingen geschonden kunnen worden. De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : « Decreet betreffende het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen, gecoördineerd op 20 december 2001. »

Art. 549.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2002, met uitzondering van de artikelen 1; 2; 5 tot 31, die in werking treden op de dag waarop dit decreet in het Belgisch Staatsblad verschijnt, en de artikelen 61 tot 67; 98 tot 105; 223 tot 230; 353 tot 360, die in werking treden op 1 januari 2002.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 20 december 2001.

De Minister-President, belast met de Internationale Betrekkingen, H. HASQUIN De Minister van Cultuur, Begroting, Ambtenarenzaken, Jeugdzaken en Sport, R. DEMOTTE De Minister van Kinderwelzijn, belast met het Basisonderwijs, de Opvang en de Opdrachten toegewezen aan de « O.N.E. », J.-M. NOLLET De Minister van Secundair Onderwijs en Buitengewoon Onderwijs, P. HAZETTE De Minister van Hoger Onderwijs, Onderwijs voor Sociale Promotie en Wetenschappelijk Onderzoek, Mevr. F. DUPUIS De Minister van Kunsten en Letteren en van de Audiovisuele Sector, R. MILLER De Minister van Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid, Mevr. N. MARECHAL (1) Zitting 2001-2002 Stukken van de Raad.- Ontwerp van decreet, nr. 207-1 - Commissie amendementen, nr. 207-2- Verslag, nr. 207-3 - Erratum, nr. 207-4.

Vergaderingsamendementen, nr. 207-5.

Integraal verslag. Bespreking en aanneming. Vergadering van 18 december 2001.

^