Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 03 april 2013
gepubliceerd op 16 april 2013

Koninklijk besluit betreffende de tussenkomst van de Ministerraad, de overdracht van bevoegdheid en de machtigingen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken op federaal niveau

bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
numac
2013021025
pub.
16/04/2013
prom.
03/04/2013
ELI
eli/besluit/2013/04/03/2013021025/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

3 APRIL 2013. - Koninklijk besluit betreffende de tussenkomst van de Ministerraad, de overdracht van bevoegdheid en de machtigingen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken op federaal niveau


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerp van koninklijk besluit wordt genomen in uitvoering van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 alsook van de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied.

Het bevat voor de overheidsopdrachten, de ontwerpenwedstrijden en de concessies voor openbare werken die worden geplaatst op federaal niveau, de noodzakelijke regels op het vlak van het voorafgaande toezicht, de overdracht van bevoegdheid en de machtiging in geval van mogelijke belangenvermenging.

Voor de opdrachten die ressorteren onder de voormelde wet van 15 juni 2006 strekt het ontwerp tot vervanging van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 betreffende het voorafgaand toezicht en de overdracht van bevoegdheid inzake de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en inzake de toekenning van concessies voor openbare werken op federaal niveau. Voor de opdrachten die ressorteren onder de voormelde wet van 13 augustus 2011 worden door het ontwerp nieuwe analoge regels ingevoerd.

Het eerste hoofdstuk bevat de definities alsook een bepaling luidens dewelke alle bedragen dienen te worden beschouwd als bedragen zonder belasting over de toegevoegde waarde.

Hoofdstuk 2 bevat de bepalingen, enerzijds, betreffende de tussenkomst van de Ministerraad voor de overheidsopdrachten, de ontwerpenwedstrijden en de concessies voor openbare werken van de Staat en van de instellingen die, op federaal niveau, onder het hiërarchische gezag van een minister staan en, anderzijds, betreffende de tussenkomst van de bevoegde minister en van de minister die bevoegd is voor Begroting, voor de publiekrechtelijke personen die onderworpen zijn aan het voogdijtoezicht van een minister.

Hoofdstuk 3 is gewijd aan de overdracht van bevoegdheid inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten en concessies voor openbare werken. Het is voortaan ook toepasselijk op de ontwerpenwedstrijden.

Hoofdstuk 4 bepaalt de machtigingsregels wanneer de bevoegde autoriteit zich in een mogelijke toestand van belangenvermenging bevindt als bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 juni 2006 of in artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011, al naargelang. Dit hoofdstuk is voortaan ook toepasselijk op de ontwerpenwedstrijden.

Hoofdstuk 5 bevat gemeenschappelijke bepalingen en hoofdstuk 6 de slotbepalingen.

In dit ontwerp is grotendeels gevolg gegeven aan de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zijn advies 52.803/1 van 25 februari 2013.

De terminologische opmerking van de Raad van State om de begrippen « gunningsprocedure » en « gunningswijze » beter af te stemmen op de Franse begrippen « procédure de passation » en « mode de passation », wordt evenwel niet gevolgd. Immers, aangezien de noties « gunningsprocedure » en « gunningswijze » sterk ingeburgerd waren, werden deze ook stelselmatig overgenomen in de nieuwe wetgeving overheidsopdrachten, meer bepaald in de voormelde wetten van 15 juni 2006 en 13 augustus 2011 en de uitvoeringsbesluiten ervan. De koppeling van de noties « gunning » en « procedure » is overigens ook logisch vanuit de optiek dat de verschillen tussen de procedures net liggen in de manier waarop de beslissing over de keuze van de offerte zal gebeuren, waarmee dus wordt verwezen naar de gunning van de opdracht.

Ook de terminologische suggestie van de Raad van State om in het opschrift van dit ontwerp van besluit en in het opschrift van Hoofdstuk 2 het begrip « voorafgaand toezicht van de Ministerraad » te gebruiken in plaats van het begrip « tussenkomst van de Ministerraad », wordt niet gevolgd. De term « voorafgaand toezicht » dekt immers niet helemaal de lading. In de meeste gevallen dient de Ministerraad zijn goedkeuring inderdaad te geven vóór het opstarten van de gunningsprocedure (artikel 3, §§ 1 tot 4 van het ontwerp), maar in een aantal gevallen kan de Ministerraad zijn goedkeuring maar in een latere fase geven. Meer bepaald is zulks het geval wanneer het geraamde bedrag van een overheidsopdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie voor openbare werken lager is dan het toepasselijke drempelbedrag, maar het bedrag van de goed te keuren offerte het laatstgenoemde bedrag met meer dan vijftien procent overschrijdt (artikel 3, § 5, van het ontwerp). In dat geval kan de goedkeuring pas gegeven worden vóórdat tot de gunning van de betrokken opdracht wordt overgegaan. Verder dient te worden gewezen op de bepaling van artikel 4 van het ontwerp betreffende de gevallen van dringende noodzakelijkheid waarin het onmogelijk is de voorafgaande goedkeuring van de Ministerraad te verkrijgen. Gezien ten slotte het opschrift van het ontwerp algemeen is geformuleerd wat betreft de tussenkomst van de Ministerraad en de overdracht van bevoegdheid, lijkt het niet opportuun enkel voor de aanduiding van het derde luik - de machtigingen - een precisering aan te brengen.

Wat de overige opmerkingen van de Raad van State betreft waaraan geen gevolg is gegeven, worden in de commentaar bij de kwestieuze artikelen telkens de beweegredenen hiervoor uiteengezet. HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.Dit artikel bevat de afgekorte opschriften van de in het ontwerp vermelde wetten en koninklijke besluiten en eveneens een functionele definitie van federale aanbestedende overheid voor de toepassing van dit besluit.

Wat betreft de in artikel 1, 6°, vermelde definitie van federale aanbestedende overheid wordt erop gewezen dat de onder a) vermelde diensten van algemeen bestuur ook het Ministerie van Landsverdediging omvatten.

Art. 2.Dit artikel verduidelijkt dat elk in het ontwerp vermelde bedrag steeds een bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde is, teneinde de tekst niet nodeloos te verzwaren. HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst van de Ministerraad

Art. 3.Zoals artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 14 oktober 1996, bepaalt artikel 3 van het ontwerp voor welke voorstellen en vanaf welke drempelbedragen de voorafgaande goedkeuring van de Ministerraad vereist is. Deze bepaling is van toepassing op alle overheidsopdrachten en dus ook de promotieopdrachten van werken. Met het oog op het bepalen van een adequaat controleniveau worden de huidige drempelbedragen aangepast, en dit rekening houdende met, enerzijds, de hergroepering van de drempels naargelang de procedurevorm (zie infra) en, anderzijds, de inflatie die sinds het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 is opgetreden.

De concurrentiedialoog, die toepasselijk is in de zogenaamde klassieke sectoren en voor de opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied, maakt voortaan ook deel uit van de vermelde gunningsprocedures.

In paragraaf 1 worden vooreerst de drempelbedragen vermeld tot bepaling van de overheidsopdrachten die, naargelang de aard van de opdracht en de voorgestelde gunningswijze, aan de voorafgaande goedkeuring van de Ministerraad moeten worden voorgelegd. De bepaling onder 1° verschilt van die in de huidige regelgeving in de zin dat, naast de aanpassing van de bedragen, dezelfde drempels gelden voor alle procedures met voorafgaande bekendmaking, ongeacht of ze één of meerdere fasen omvatten. Het huidige verschil is immers niet langer gerechtvaardigd aangezien er voor al deze procedurevormen in een bekendmaking is voorzien en bovendien in de beperkte en met name ook in de onderhandelingsprocedure met bekendmaking voldoende waarborgen zijn ingebouwd om een effectieve mededinging te garanderen.

In de bepaling onder 2° worden de drempels gegroepeerd voor de opdrachten geplaatst via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.

Zoals vandaag wordt in paragraaf 2 verder een bedrag vermeld ter bepaling van de concessies voor openbare werken die aan de voorafgaande goedkeuring van de Ministerraad moeten worden voorgelegd.

Deze paragraaf is voortaan ook van toepassing op de voorstellen van ontwerpenwedstrijd die een bepaald geraamd bedrag bereiken.

Ingevolge de opmerking van de Raad van State dat er geen voldoende rechtsgrond aanwezig is voor artikel 3, § 3, van het ontwerp in verband met de in artikel 18, § 2, 3°, van de wet van 13 augustus 2011 bedoelde overheidsopdrachten, is de kwestieuze bepaling uit het ontwerp weggelaten. De nummering van de hierop volgende paragrafen is dienvolgens aangepast.

Paragraaf 3 bevat een bepaling die vergelijkbaar is met die van artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996, volgens dewelke de voorafgaande goedkeuring van de Ministerraad vereist is voor elk ontwerp van overeenkomst dat tot gevolg kan hebben dat de Staat of een instelling die onder het hiërarchische gezag van een minister staat, zich zou verbinden op het gebied van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor een samengevoegde opdracht die door een gemeenschap of een gewest, mede voor rekening van de Staat zou worden geplaatst. Voortaan worden in dat verband ook de toepassingsdrempels bepaald waarbij verwezen wordt naar die vermeld in de paragrafen 1 tot 3 van artikel 3.

Paragraaf 4 stemt overeen met artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996. Hij bepaalt dat de goedkeuring van de Ministerraad vereist is vóór de gunning van de opdracht indien het geraamde opdrachtbedrag lager is dan de in artikel 3, § 1 tot 3, vermelde bedragen, maar het goed te keuren offertebedrag die bedragen met vijftien procent overschrijdt.

Art. 4.Dit artikel neemt de bepaling over van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996. Hij bepaalt dat de goedkeuring van de Ministerraad door de goedkeuring van de Eerste Minister kan worden vervangen wanneer het gebruik van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking gebaseerd is op dwingende spoed die voortvloeit uit onvoorziene gebeurtenissen of uit een urgentie als gevolg van een crisis op defensie- en veiligheidsgebied.

Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 dat bepaalt dat de goedkeuring van de Ministerraad geacht wordt verworven te zijn bij ontstentenis van een andersluidende beslissing binnen een termijn van dertig dagen, is daarentegen niet behouden. Deze bepaling is immers van weinig praktisch nut gebleken en bovendien moeilijk toepasbaar.

Art. 5.Dit artikel stemt overeen met artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996. Het verduidelijkt de gevallen waarin de voorafgaande goedkeuring van de Ministerraad niet vereist is. Naast enkele formele aanpassingen, met name wat betreft de vermelding in de bepalingen onder 2° en 5° van de toepasselijke artikelen van de wetten van 15 juni 2006 en 13 augustus 2011, is onder 2° een bijkomend toepassingsgeval ingevoegd voor de aanvullende opdrachten die bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking worden geplaatst. Wanneer het bedrag van deze aanvullende opdrachten niet groter is dan tien procent van het oorspronkelijke bedrag van de opdracht, is de goedkeuring van de Ministerraad niet vereist. De bedoeling van deze nieuwe bepaling is te vermijden dat voor elke kleine aanvullende opdracht opnieuw een goedkeuring moet worden gevraagd.

Op aangeven van de Raad van State werd de afwijking opgenomen onder 5° aan een bijkomend onderzoek onderworpen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de verwijzing naar artikel 74 van de wet van 15 juni 2006, respectievelijk artikel 45 van de wet van 13 augustus 2011 moet worden gewijzigd in een verwijzing naar artikel 2, 1° tot 3°, van de respectieve wetten. Die verwijzing stemt immers overeen met de dienovereenkomstige verwijzing naar artikel 4 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in artikel 4, 5°, van het huidige koninklijk besluit van 14 oktober 1996. De bedoeling van de onderhavige bepaling is immers de opdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken die worden geplaatst in naam en voor rekening van een andere dan een Belgische aanbestedende overheid en enkel deze aan de controle van de Ministerraad te onttrekken. Meer bepaald betreft het de opdrachten die in naam en voor rekening van internationale organisaties worden geplaatst. In de commentaar bij artikel 4, 5°, van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 wordt in dat verband het voorbeeld gegeven van de Noord Atlantische Verdragsorganisatie. De ratio legis van deze uitzondering is dat de onderhavige interne controleregels doorgaans moeilijk verzoenbaar zijn met de controleregels die gelden in het kader van internationale organisaties.

Art. 6.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996. Het maakt de artikelen 3 en 5 toepasselijk op de opdrachten van de personen die, op federaal niveau, aan de voogdij van een minister onderworpen zijn, zoals bijvoorbeeld de openbare instellingen van sociale zekerheid. Er wordt nu evenwel een meer concrete regeling ingevoerd voor het geval er geen tegengestelde beslissing van de bevoegde ministers is binnen de daartoe bepaalde termijn van dertig dagen. HOOFDSTUK 3. - Overdracht van bevoegdheid inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, van ontwerpenwedstrijden en van concessies voor openbare werken

Art. 7.Deze bepaling neemt de inhoud over van artikel 6 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 en breidt dit uit tot de ontwerpenwedstrijd. Ze omvat het principe van de overdracht van bevoegdheid inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten en concessies voor openbare werken. Een dergelijke overdracht is enkel toegestaan binnen de perken van de artikelen 8 tot 11 en onder voorbehoud van eventuele bijzondere wettelijke of reglementaire bepalingen.

Art. 8.Dit artikel neemt, met een precisering voor de ontwerpenwedstrijden en de concessies voor openbare werken, de inhoud over van artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996. Het behandelt de overdracht van bevoegdheid wat betreft de handelingen die het sluiten van de opdracht, de wedstrijd of de concessie voorafgaan.

Hiermee worden bedoeld de keuze van de gunningswijze, de goedkeuring van de opdrachtdocumenten, de wedstrijddocumenten of de concessiedocumenten en het opstarten van de procedure.

De overdracht van bevoegdheid houdt in dat het voorwerp van de opdracht, de wedstrijd of de concessie vooraf werd goedgekeurd door de bevoegde overheid, wat kan gebeuren ofwel door de goedkeuring van een programma waarin de opdracht, de wedstrijd of de concessie begrepen is, ofwel door een specifieke beslissing over de opdracht, de wedstrijd of concessie in kwestie, met name indien het programma nog niet werd goedgekeurd.

Deze voorafgaande goedkeuring is in principe niet vereist voor de opdrachten waarvan de uitgave onder de toepasselijke drempel voor het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking blijft, maar de bevoegde overheid kan dit uiteraard steeds opleggen.

Het mag duidelijk zijn dat de gemachtigde ambtenaar overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken moet handelen.

Hij dient inzonderheid rekening te houden met de voorwaarden voor de keuze van de gunningswijze en bijgevolg, in voorkomend geval, de goedkeuring te krijgen bepaald bij de artikelen 3 en 4 van dit ontwerp.

Art. 9.Dit artikel voorziet erin dat de bevoegdheid om de kandidaten te selecteren eveneens kan worden overgedragen, binnen de grenzen die door de bevoegde overheid worden bepaald. Het neemt aldus de inhoud over van artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 en breidt dit uit tot de ontwerpenwedstrijden en de concessies voor openbare werken. De drempelbedragen worden afgestemd op de drempelbedragen opgenomen in artikel 10 over de overdracht van bevoegdheid inzake gunning en sluiting. Voor de ontwerpenwedstrijden wordt in een drempelwaarde voorzien van 350.000 euro, dit naar analogie met die vermeld in artikel 3, § 2, 1°.

Art. 10.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 9 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996, dat de overdracht van bevoegdheid inzake de gunning en de sluiting van de opdracht betreft.

De bedragen zijn andermaal aangepast rekening houdende met, enerzijds, de hergroepering van de drempels naargelang de procedurevorm en, anderzijds, de inflatie die sinds het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 is opgetreden. Het gaat hier voor alle duidelijkheid over vastgestelde bedragen en dus niet over geraamde bedragen, vermits de bedragen van de offertes gekend zijn.

Een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, de open procedures, beperkte procedures, de onderhandelingsprocedure met bekendmaking alsook de concurrentiedialoog en, anderzijds, de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking en de ontwerpenwedstrijden.

De bepaling onder 3° van de eerste paragraaf is, zoals in het koninklijk besluit van 14 oktober 1996, gewijd aan de concessies voor openbare werken.

Net zoals in het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 voorziet paragraaf 2, 1°, erin dat afgeweken kan worden van de bepalingen van de eerste paragraaf voor opdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken die worden geplaatst door in het buitenland gevestigde diensten. Het betreft meer bepaald diensten die onder het personeel toepassingsgebied van dit ontwerp vallen maar die fysisch en op permanente basis gevestigd zijn in het buitenland, zoals bijvoorbeeld ambassades.

In paragraaf 2, 2°, wordt de mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen van de eerste paragraaf voortaan ook van toepassing voor de opdrachten te gunnen door de Europese openbare instantie als bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 13 augustus 2011, zoals bijvoorbeeld het Europes Defensieagentschap.

Art. 11.Dit artikel beoogt de bevoegdheidsoverdracht inzake de uitvoering van overheidsopdrachten, van ontwerpenwedstrijden en van concessies voor openbare werken alsook inzake dadingen. Het neemt de inhoud over van artikel 10, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996.

In het kader van de uitvoering worden allerhande beslissingen van uiteenlopend belang genomen. Een overdracht van bevoegdheid is slechts vereist wanneer, bij de toepassing van de algemene uitvoeringsregels, het nodig is een gemotiveerde beslissing te nemen die afwijkt van de toepassing van de essentiële bepalingen en voorwaarden van de gesloten opdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie. Hier dient de bevoegde overheid eveneens de grenzen voor deze overdracht te bepalen.

Het tweede lid van artikel 10 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 wordt evenwel niet overgenomen. De huidige grenzen voor de bedoelde overdracht stemmen immers overeen met de bedragen die het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking mogelijk maken ingevolge het geringe opdrachtbedrag, wat als onnodig strikt wordt beschouwd. HOOFDSTUK 4. - Machtiging inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken in geval van toepassing van artikel 8 van de wet van 15 juni 2006 en van artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011

Art. 12.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 10bis van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996, betreffende de machtigingen ingeval de bevoegde gezagsdrager, meer bepaald de bevoegde minister of staatssecretaris, zich in een mogelijke toestand van belangenvermenging bevindt die hem verplicht zichzelf te wraken. HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 13.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996. Het bepaalt de berekeningswijze voor de raming van de bedragen bedoeld in dit ontwerp. De tekst verwijst naar de berekeningswijzen van de koninklijke besluiten die in uitvoering van de wetten van 15 juni 2006 en 13 augustus 2011 zijn genomen. In geval van een aanvullende opdracht te plaatsen bij onderhandelingsprocedure als bedoeld in de artikelen 26, § 1, 2°, a, 3°, b en c, en 53, § 2, 2°, 3°, 4°, a en b, van de wet van 15 juni 2006 en van artikel 25, 3°, a, en 4°, a, van de wet van 13 augustus 2011, moet daarenboven niet alleen het bedrag van de aanvullende, maar ook dat van de oorspronkelijk gegunde opdracht in aanmerking worden genomen. HOOFDSTUK 6. - Slotbepaling

Art. 14.Dit artikel gaat nader in op de inwerkingtreding van het ontwerp.

Wat betreft de opdrachten gebaseerd op de wet van 13 augustus 2011 treden de bepalingen van het ontwerp in werking vijf dagen na de bekendmaking van het besluit in het Belgisch Staatsblad. De nieuwe wetgeving voor de opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied is immers zelf in werking getreden op 6 februari 2012. Het is dan ook aangewezen dat de bepalingen van dit ontwerp in dat kader onmiddellijk toepassing kunnen vinden.

Wat daarentegen de opdrachten gebaseerd op de wet van 15 juni 2006 betreft, is momenteel enkel de nieuwe procedure van de concurrentiedialoog in werking getreden. De bepalingen van dit ontwerp kunnen bijgevolg eveneens onmiddellijk op deze procedure worden toegepast. Buiten de voormelde specifieke toepassingsvelden, zal de inwerkingtreding van dit ontwerp evenwel afhankelijk zijn van het tijdstip waarop de nieuwe wetgeving overheidsopdrachten, gebaseerd op de wet overheidsopdrachten van 15 juni 2006 zelf integraal in werking zal kunnen treden.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Eerste Minister, E. DI RUPO

RAAD VAN STATE AFDELING WETGEVING ADVIES 52.803/1 VAN 25 FEBRUARI 2013 Over een ontwerp van koninklijk besluit 'betreffende de tussenkomst van de Ministerraad, de overdracht van bevoegdheid en de machtigingen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken op federaal niveau' Op 24 januari 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Eerste Minister verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de tussenkomst van de Ministerraad, de overdracht van bevoegdheid en de machtigingen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken op federaal niveau'.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 7 en 14 februari 2013.

De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison, assessoren, en Wim Geurts, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Pierrot T'Kindt, auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 25 februari 2013. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 2. Met het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit wordt een drieledig oogmerk nagestreefd. Er wordt vooreerst voorzien in een regeling van voorafgaand toezicht op het vlak van de plaatsing van bepaalde overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken (hoofdstuk 2 van het ontwerp). Voorts worden de voorwaarden vastgelegd waaronder diverse bevoegdheden inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken kunnen worden overgedragen (hoofdstuk 3). Tot slot strekt het ontwerp ertoe een machtigingsregeling vast te stellen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken, die geldt indien zich met toepassing van artikel 8 van de wet van 15 juni 2006 (1) of artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011 (2) een belangenconflict voordoet dat een lid van de federale regering ertoe verplicht zichzelf te wraken (hoofdstuk 4) (3). 3.1. Onder voorbehoud van hetgeen onder de volgende nummers zal worden opgemerkt in verband met de rechtsgrond van sommige bepalingen van het ontwerp, kan dat laatste worden geacht rechtsgrond te vinden in een aantal delegatiebepalingen van de wet van 15 juni 2006 of van de wet van 13 augustus 2011, al naargelang de ontworpen regeling betrekking heeft op overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken in de zin van de eerstvermelde wet, dan wel op overheidsopdrachten als bedoeld in de laatstvermelde wet. 3.2.1. Wat betreft de rechtsgrond biedende bepalingen in de wet van 15 juni 2006 kan, benevens van de bepalingen die worden opgesomd in het tweede lid van de aanhef van het ontwerp, melding worden gemaakt van de hierna volgende wetsartikelen.

Artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 15 juni 2006 strekt het ontwerp tot rechtsgrond voor zover de bepalingen van hoofdstuk 2 van het ontwerp, binnen het raam van titel II van die wet, betrekking hebben op de ontwerpenwedstrijd in de zin van artikel 3, 10°, van dezelfde wet. Artikel 34, § 1, van de wet van 15 juni 2006 biedt rechtsgrond voor zover de bepalingen van hoofdstuk 2, binnen het raam van titel II van die wet, handelen over de concessie voor openbare werken in de zin van artikel 3, 12°, van dezelfde wet.

Artikel 53, § 1, tweede lid, van de wet van 15 juni 2006 biedt rechtsgrond voor zover de bepalingen van hoofdstuk 2 van het ontwerp betrekking hebben op de plaatsing bij open of beperkte aanbesteding en open of beperkte offerteaanvraag, dan wel op de onderhandelingsprocedure met bekendmaking, van overheidsopdrachten in de zin van artikel 3, 1°, en titel III van de voornoemde wet. Voor zover de bepalingen van hoofdstuk 2 van het ontwerp, binnen het raam van titel III van de wet van 15 juni 2006, handelen over de ontwerpenwedstrijd in de zin van artikel 3, 10°, van dezelfde wet, wordt daarvoor rechtsgrond geboden door artikel 55 van die wet, gelezen in samenhang met artikel 33, § 1, eerste lid, van dezelfde wet. 3.2.2. Sommige bepalingen van het ontwerp geven als zodanig geen uitvoering aan een uitdrukkelijke delegatiebepaling van de wet van 15 juni 2006, maar kunnen niettemin worden ingepast in de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Koning zoals die voortvloeit uit artikel 108 van de Grondwet, gelezen in samenhang met sommige bepalingen van de voornoemde wet.

Dat is het geval voor zover de bepalingen van hoofdstuk 2 van het ontwerp handelen over, enerzijds, de plaatsing bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, van overheidsopdrachten in de zin van artikel 3, 1°, en titel III van de wet van 15 juni 2006 of, anderzijds, over de concessie voor openbare werken in de zin van artikel 3, 12°, van dezelfde wet, binnen het raam van titel III van die wet. De betrokken bepalingen kunnen worden geacht rechtsgrond te vinden in de artikelen 45 en 53, § 2, van de voornoemde wet, telkens gelezen in samenhang met artikel 108 van de Grondwet.

Voorts biedt ook artikel 8 van de wet van 15 juni 2006, gelezen in samenhang met artikel 108 van de Grondwet, rechtsgrond voor zover artikel 12 van het ontwerp handelt over overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken in de zin van de wet van 15 juni 2006. 3.3.1. Wat de rechtsgrond biedende bepalingen in de wet van 13 augustus 2011 betreft, kan worden verwezen naar de bepalingen van die wet welke worden opgesomd in het derde lid van de aanhef van het ontwerp (4). Wel is het zo dat niet artikel 22, tweede lid, van die wet (5), doch wel het derde lid van dat artikel rechtsgrond biedt, voor zover de bepalingen van hoofdstuk 2 van het ontwerp handelen over de plaatsing bij open of beperkte aanbesteding en open of beperkte offerteaanvraag, dan wel over de onderhandelingsprocedure met bekendmaking, van overheidsopdrachten in de zin van artikel 3, 1°, en titel 2 van de laatstgenoemde wet. 3.3.2. Ook artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011 kan worden geacht rechtsgrond te bieden, zij het gelezen in samenhang met artikel 108 van de Grondwet. Meer specifiek wordt op die wijze rechtsgrond geboden voor artikel 12 van het ontwerp, voor zover erin wordt gehandeld over overheidsopdrachten in de zin van de laatstgenoemde wet. 3.4. De ontworpen ramingsregels, in artikel 13 van het ontwerp, vinden rechtsgrond in diverse van de in de aanhef en in dit advies vermelde artikelen van de wetten van 15 juni 2006 en 13 augustus 2011, gelezen in samenhang met artikel 108 van de Grondwet. 3.5. De Raad van State, afdeling Wetgeving, ziet niet de rechtsgrond voor artikel 3, § 3, van het ontwerp. In de inleidende zin van artikel 3, § 3, eerste lid, wordt immers verwezen naar « de in artikel 18, § 2, 3°, van de wet van 13 augustus 2011 bedoelde overheidsopdrachten », terwijl de overheidsopdrachten die in die bepaling worden bedoeld erdoor precies van het toepassingsgebied van de voornoemde wet worden uitgesloten. Het valt derhalve niet in te zien op welke wijze in die wet (6) rechtsgrond zou kunnen worden gevonden voor het bepaalde in artikel 3, § 3, van het ontwerp (7).

Hierover om toelichting verzocht door de auditeur-verslaggever verklaarde de gemachtigde : « Inderdaad lijkt er geen rechtsgrond aanwezig te zijn in de wet van 13 augustus 2011. Op dit moment vinden we ook geen andere rechtsgrond terug. Ingevolge de verwijzing naar artikel 18, § 2, 3°, van voornoemde wet van 13 augustus 2011, betreft het overigens een zeer beperkt aantal overheidsopdrachten, meer bepaald overheidsopdrachten die worden geplaatst in het kader van bepaalde samenwerkingsprogramma's op basis van onderzoek en ontwikkeling door verschillende lidstaten. » Het bepaalde in artikel 3, § 3, dient derhalve bij gebrek aan een voldoende rechtsgrond uit het ontwerp te worden weggelaten.

Algemene opmerkingen 4. In eerdere adviezen heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, reeds de bekommernis uitgedrukt om te komen tot een meer eenvormig en consequent gebruik van bepaalde basisbegrippen met het oog op een beter begrijpelijke en toegankelijke regelgeving inzake overheidsopdrachten.Daarbij is onder meer gewezen op de noodzakelijk te onderscheiden betekenissen van de begrippen « plaatsing » en « gunning » van de overheidsopdracht.

Niettemin dient te worden vastgesteld dat ook in het voorliggende ontwerp bij herhaling de begrippen « procédure de passation » en « mode de passation », in de Franse tekst, worden weergegeven door respectievelijk de begrippen « gunningsprocedure » en « gunningswijze », in de Nederlandse tekst (8). Dat moet worden verholpen door de in de Nederlandse tekst gebruikte terminologie op dat punt af te stemmen op die welke voorkomt in de Franse tekst (9). 5. In de artikelen 7, 8, 10 en 11 van het ontwerp zou de vermelding van de « bevoegde overheid » de indruk kunnen wekken dat daarmee ook andere overheden worden beoogd dan de « federale aanbestedende overheid », zoals omschreven in artikel 1, 6°, van het ontwerp, hetgeen evenwel niet het geval is.Het is daarom beter om in de betrokken artikelen van het ontwerp telkens melding te maken van de « federale aanbestedende overheid » en niet van de « bevoegde overheid ».

Bijzondere opmerkingen Opschrift 6. Teneinde beter de draagwijdte van de ontworpen regeling tot uitdrukking te brengen, kan worden overwogen om het opschrift van het ontwerp te redigeren als volgt : « Koninklijk besluit betreffende het voorafgaand toezicht, de overdracht van bevoegdheid en de machtiging in geval van mogelijke belangenvermenging bij de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken op federaal niveau.» In overeenstemming met het voorgestelde opschrift van het ontwerp kan het opschrift van hoofdstuk 2 dan luiden « Voorafgaand toezicht » in plaats van « Tussenkomst van de Ministerraad » (10).

Aanhef 7. In het eerste lid van de aanhef dient de verwijzing naar artikel 37 van de Grondwet als zijnde overbodig te worden geschrapt. 8. Mede rekening houdend met hetgeen sub 3.2.1 en 3.2.2 is opgemerkt omtrent de rechtsgrond voor de ontworpen regeling passe men de redactie van het tweede lid van de aanhef aan als volgt : « Gelet op de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, artikel 23, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2011, artikel 26, § 3, tweede lid, artikel 27, tweede lid, artikel 33, § 1, eerste lid, artikel 34, § 1, artikel 53, § 1, tweede lid, artikel 55, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2011, en artikel 74, derde lid; ». 9. In het licht van de opmerkingen sub 3.3.1 en 3.3.2 dient het derde lid van de aanhef te worden aangepast als volgt : « Gelet op de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, artikelen 22, derde lid, 26, 27, tweede lid, en 45, derde lid; ».

Dispositief Artikel 3 10. De zinsnede « vóór de gunning van de overheidsopdracht », aan het einde van artikel 3, § 5, van het ontwerp, heeft een te beperkte draagwijdte aangezien in die bepaling het geval wordt beoogd waarin het geraamde bedrag « van een overheidsopdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie voor openbare werken » lager is dan het bedrag vermeld in de paragrafen 1 tot 3 van de betrokken bepaling.De eerstgenoemde zinsnede wordt derhalve best vervangen door de woorden « vóór de gunning van de betrokken opdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie ».

Artikel 5 11. In artikel 5, 1°, van het ontwerp is er een gebrek aan overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst.De woorden « zonder bekendmaking », die in de Nederlandse tekst worden gebruikt, komen immers niet voor in de Franse tekst. Deze discordantie moet worden weggewerkt. 12. Door de gemachtigde is erop gewezen dat het niet de bedoeling is dat herhalingsopdrachten in de zin van de artikelen 26, § 1, 2°, b), en 53, § 2, 3°, van de wet van 15 juni 2006 zouden worden onderworpen aan de afwijkingsregeling van artikel 5 van het ontwerp.De vermelding van genoemd artikel 53, § 2, 3°, moet bijgevolg worden geschrapt in artikel 5, 2°, van het ontwerp. Hetzelfde dient te gebeuren in artikel 13, tweede lid, van het ontwerp. 13. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, 5°, van het ontwerp is, in afwijking van artikel 3 van het ontwerp, de goedkeuring van de Ministerraad niet vereist voor « de opdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken geplaatst in naam en voor rekening van een andere overheid dan die bedoeld in artikel 74 van de wet van 15 juni 2006 en artikel 45 van de wet van 13 augustus 2011 ». Het is de vraag of de verwijzing naar artikel 74 van de wet van 15 juni 2006 en artikel 45 van de wet van 13 augustus 2011 niet te ruim is in de mate die verwijzing telkens mede betrekking heeft op het tweede lid van de voornoemde wetsbepalingen. Dat lid is immers van toepassing op« de andere publiekrechtelijke personen dan deze bedoeld in het eerste lid », waarvoor « de bevoegdheden voor het [plaatsen], gunnen en uitvoeren van overheidsopdrachten [worden] uitgeoefend door de overheden en organen bevoegd krachtens de bepalingen van een wet, decreet, ordonnantie, reglement of statuut » (11).

De in artikel 5, 5°, van het ontwerp voorkomende dubbele verwijzing dient op dat punt aan een bijkomend onderzoek te worden onderworpen.

Artikel 7 14. Indien met de woorden « [o]nverminderd bijzondere wets- of reglementaire bepalingen » beoogd wordt tot uitdrukking te brengen dat bijzondere wets- of reglementaire bepalingen kunnen voorzien in afwijkende voorschriften die de mogelijkheid tot bevoegdheidsoverdracht kunnen beperken en die in dat geval voorrang hebben op de bepalingen van hoofdstuk 3 van het ontwerp, late men artikel 7 aanvangen met de woorden « Onder voorbehoud van bijzondere wets- of reglementaire bepalingen » (12). Artikel 9 15. In artikel 9, 1°, van het ontwerp wordt, wat de overheidsopdrachten betreft, in een grensbedrag van 2.000.000 euro voorzien. In het verslag aan de Koning wordt onder meer verduidelijkt dat artikel 9 van het ontwerp « de inhoud [overneemt] van artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 » en dat het « de nodige aangepaste bedragen [invoert], rekening houdende met de sinds het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 opgetreden inflatie ». De verwijzing naar artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1996 (13) valt evenwel niet goed te begrijpen aangezien in de betrokken bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit slechts één grensbedrag wordt vermeld, zijnde het bedrag van 2.700.000 euro voor een (overheids)opdracht, hetgeen derhalve een hoger bedrag is dan het bedrag dat wordt vermeld in artikel 9, 1°, van het ontwerp. De steller van het ontwerp doet er - duidelijkheidshalve - goed aan om ook de tekst van het verslag aan de Koning op dat punt aan een bijkomend onderzoek te onderwerpen.

Artikel 10 16. In artikel 10, § 2, 1°, van het ontwerp wordt melding gemaakt van « in het buitenland gevestigde diensten ».De gemachtigde verduidelijkte in dat verband : « Het betreft diensten die onder het toepassingsgebied van het ontwerp van besluit vallen, maar die fysisch en op min of meer permanente basis gevestigd zijn in het buitenland. Er moet vooral, en misschien zelfs uitsluitend, worden gedacht aan Belgische ambassades in het buitenland. ».

Het verdient aanbeveling om deze verduidelijking in het verslag aan de Koning op te nemen.

Artikel 14 17. De gemachtigde stelt voor om artikel 14, tweede lid, van het ontwerp op de volgende wijze aan te passen : « De overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken bekendgemaakt vóór deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een aankondiging van opdracht, vóór deze datum uitgenodigd wordt om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen, blijven onderworpen aan de regels inzake tussenkomst van de Ministerraad, overdracht van bevoegdheid en de machtigingen die gelden op het ogenblik van de bedoelde bekendmaking of uitnodiging.» Met het voorstel van de gemachtigde kan worden ingestemd, zij het dat de woorden « tussenkomst van de Ministerraad » in het tekstvoorstel moeten worden vervangen door de woorden « voorafgaand toezicht » (zie sub 6).

Men schrijve derhalve in de Franse tekst : « Les marchés publics, les concours de projets et les concessions de travaux publics publiés avant cette date ou pour lesquels, à défaut d'avis de marché, l'invitation à introduire une demande de participation ou à remettre une offre est lancée avant cette date, demeurent soumis aux dispositions en matière de contrôle préalable, de délégation de pouvoirs et d'habilitations en vigueur au moment de la publication ou de l'invitation visées ». (1) Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten' van 15 juni 2006.(2) Wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied'.(3) De bedragen van de overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken, die voor de toepassing van de ontworpen regeling moeten worden in acht genomen, worden geraamd overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 5 van het ontwerp.(4) De verwijzing naar « artikel 26, tweede lid » van de wet van 13 augustus 2011, in het derde lid van de aanhef, dient wel te worden vervangen door een verwijzing naar « artikel 26 » van die wet, dat slechts uit één enkel lid bestaat.(5) Aan die bepaling wordt gerefereerd in het derde lid van de aanhef. (6) Het lijkt evenmin evident dat de betrokken overheidsopdrachten onder de toepassing van de wet van 15 juni 2006 vallen, aangezien zij luidens genoemd artikel 18, § 2, 3°, « worden geplaatst in het kader van een samenwerkingsprogramma [...] dat door minimaal twee lidstaten [van de Europese Unie] samen wordt uitgevoerd » en artikel 3, § 3, van het ontwerp, blijkens de bewoordingen ervan, is gericht op een regeling van de beslissingen over dat programma als dusdanig. (7) Die rechtsgrond kan evenmin worden gevonden door een beroep te doen op de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Koning met toepassing van artikel 108 van de Grondwet.Deze laatste bepaling impliceert immers niet dat de Koning de toepasselijkheid van de wet van 13 augustus 2011 zou kunnen regelen. (8) Zie de inleidende zin van artikel 3, §§ 1 en 2, en artikel 8, § 1, eerste lid, en § 2, van het ontwerp.(9) In de inleidende zin van artikel 3, § 1, 1° en 2°, en in de artik len 5, 1°, 2° en 5°, en 6, eerste lid, van het ontwerp, stemmen de termen « plaatsing » en « passation » wel overeen.(10) De bepalingen van hoofdstuk 2 van het ontwerp hebben een ruimere draagwijdte dan enkel de « tussenkomst » van de Ministerraad.(11) De verwijzing naar de artikelen 74 en 45 van respectievelijk de wetten van 15 juni 2006 en 13 augustus 2011 vervangen door een verwijzing naar respectievelijk artikel 2, 1° tot 3°, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 2, 1° tot 3°, van de wet van 13 augustus 2011, zoals door de gemachtigde gesuggereerd, biedt geen sluitend antwoord op de gerezen vraag.Een verwijzing naar de laatstgenoemde wetsbepalingen zou immers verder reiken dan de omschrijving van het begrip « federale aanbestedende overheid », in artikel 1, 6°, a) en b), van het ontwerp, en zou bovendien onvoldoende rekening houden met de beperkte regelgevende bevoegdheid die op dit punt aan de federale overheid toekomt. (12) Beginselen van de wetgevingstechniek.Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbeveling nr. 3.2, a), te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst-consetat.be). (13) Koninklijk besluit van 14 oktober 1996 betreffende het voorafgaand toezicht en de overdracht van bevoegdheid inzake de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en inzake de toekenning van concessies voor openbare werken op federaal niveau.' De griffier, W. Geurts.

De voorzitter, M. Van Damme.

3 APRIL 2013. - Koninklijk besluit betreffende de tussenkomst van de Ministerraad, de overdracht van bevoegdheid en de machtigingen inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken op federaal niveau ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op artikel 108 van de Grondwet;

Gelet op de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, artikel 23, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2011, artikel 26, § 3, tweede lid, artikel 27, tweede lid, artikel 33, § 1, eerste lid, artikel 34, § 1, artikel 53, § 1, tweede lid, artikel 55, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2011, en artikel 74, derde lid;

Gelet op de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, de artikelen 22, derde lid, 26, 27, tweede lid, en 45, derde lid;

Gelet op de adviezen van de Commissie voor de overheidsopdrachten, gegeven op 19 maart en 21 mei 2012;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 3 januari 2013;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 16 januari 2013;

Gelet op het advies 52.803/1 van de Raad van State, gegeven op 25 februari 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Eerste Minister en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de wet van 15 juni 2006 : de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006;2° de wet van 13 augustus 2011 : de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied;3° het koninklijk besluit van 15 juli 2011 : het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011;4° het koninklijk besluit van 16 juli 2012 : het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren van 16 juli 2012;5° het koninklijk besluit van 23 januari 2012 : het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied van 23 januari 2012;6° federale aanbestedende overheid : a) het algemeen bestuur, dat alle federale overheidsdiensten hergroepeert, als bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat;b) de federale administraties met beheersautonomie maar zonder rechtspersoonlijkheid en de ondernemingen met een handels-, industrieel of financieel karakter, met een vorm van autonomie maar zonder rechtspersoonlijkheid, als bedoeld in artikel 2, 2° en 4°, van dezelfde wet;c) de federale overheidsinstellingen met rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 2, 3°, van dezelfde wet, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid van de categorie D van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en van de openbare instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid.

Art. 2.Elk bedrag vermeld in dit besluit is een bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde. HOOFDSTUK 2. - Tussenkomst van de Ministerraad

Art. 3.§ 1. Vóór het opstarten van de gunningsprocedure worden de voorstellen van de in artikel 74, eerste lid, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 45, eerste lid, van de wet van 13 augustus 2011 bedoelde overheidsopdrachten, van de federale aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 1, 6°, a en b, van dit besluit in de volgende gevallen ter goedkeuring aan de Ministerraad voorgelegd : 1° de overheidsopdrachten die bij aanbesteding, offerteaanvraag, concurrentiedialoog of onderhandelingsprocedure met bekendmaking als bedoeld in de artikelen 26, § 2, en 53, § 1, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 22, eerste lid, van de wet van 13 augustus 2011, worden geplaatst en waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger dan : a) 10.000.000 euro voor overheidsopdrachten voor werken; b) 6.000.000 euro voor overheidsopdrachten voor leveringen; c) 4.000.000 euro voor overheidsopdrachten voor diensten; 2° de overheidsopdrachten die bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de gevallen van de artikelen 26, § 1, en 53, § 2, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 25 van de wet van 13 augustus 2011 worden geplaatst, waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger dan : a) 2.000.000 euro voor overheidsopdrachten voor werken; b) 1.250.000 euro voor overheidsopdrachten voor leveringen; c) 350.000 euro voor overheidsopdrachten voor diensten. § 2. Vóór het opstarten van de gunningsprocedure worden ter goedkeuring aan de Ministerraad voorgelegd : 1° de voorstellen van ontwerpenwedstrijd waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger dan 350.000 euro; 2° de voorstellen van concessie voor openbare werken waarvan het geraamde bedrag van de werken of het bouwwerk gelijk is aan of hoger dan 3.500.000 euro. § 3. Elk ontwerp van overeenkomst dat tot gevolg zou kunnen hebben dat een federale aanbestedende overheid als bedoeld in artikel 1, 6°, a en b, zich zou verbinden op het gebied van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken, wordt aan de voorafgaande goedkeuring van de Ministerraad voorgelegd wanneer het geraamde bedrag van het ontwerp van overeenkomst gelijk is aan of hoger dan de toepasselijke bedragen vermeld in de paragrafen 1 en 2. § 4. Indien het geraamde bedrag van een overheidsopdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie voor openbare werken lager is dan het toepasselijke bedrag vermeld in de paragrafen 1 en 2, maar het bedrag van de goed te keuren offerte het laatstgenoemde bedrag met meer dan vijftien procent overschrijdt, is vóór de gunning van de betreffende opdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie, de goedkeuring van de Ministerraad vereist.

Art. 4.De goedkeuring van de Ministerraad als bedoeld in artikel 3 wordt vervangen door de goedkeuring van de Eerste Minister in de gevallen bedoeld in de artikelen 26, § 1, 1°, c, en 53, § 2, 1°, c, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 25, 1°, e en f, van de wet van 13 augustus 2011 en voor zover het, gelet op de dringende noodzakelijkheid, niet mogelijk is vooraf de goedkeuring van de Ministerraad te verkrijgen.

In dit geval licht de bevoegde minister de Ministerraad hierover onmiddellijk in, met motivering van de ingeroepen dringende noodzakelijkheid.

Art. 5.In afwijking van artikel 3 is de goedkeuring van de Ministerraad niet vereist voor : 1° de overheidsopdrachten geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de gevallen bedoeld in de artikelen 26, § 1, 1°, d en e, 3°, e, en 4°, en 53, § 2, 1°, d en g, 4°, d en e, en 5°, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 25, 1°, c en d, en 3°, c, van de wet van 13 augustus 2011;2° de overheidsopdrachten geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de gevallen bedoeld in de artikelen 26, § 1, 2°, a, 3°, b en c, en 53, § 2, 2° en 4°, a en b, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 25, 3°, a en 4°, a en b, van de wet van 13 augustus 2011, indien het gecumuleerde bedrag van de aanvullende werken, leveringen of diensten tien percent van het oorspronkelijke goedgekeurde bedrag van de hoofdopdracht niet overschrijdt;3° de overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken die in het raam van de ambtshalve maatregelen bepaald in de algemene uitvoeringsregels, met één of meerdere derden worden gesloten voor rekening van de in gebreke gebleven opdrachtnemer;4° de overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken waarvoor de controle door bijzondere wets- of reglementaire bepalingen is geregeld;5° de opdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken geplaatst in naam en voor rekening van een andere overheid dan die bedoeld in artikel 2, 1° tot 3°, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 2, 1° tot 3°, van de wet van 13 augustus 2011.

Art. 6.De plaatsing van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken door of in naam en voor rekening van federale aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 1, 6°, c, is onderworpen aan dezelfde regels als die bepaald in de artikelen 3 en 5, met dien verstande dat de goedkeuring van de Ministerraad wordt vervangen door de goedkeuring van de voogdijminister en van de minister die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft.

De goedkeuring van de voogdijminister en van de minister die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft, wordt geacht verworven te zijn bij ontstentenis van een tegengestelde beslissing, waarvan aan de betrokken federale aanbestedende overheid kennis werd gegeven binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de datum van de ontvangstmelding van het verzoek. Dit verzoek wordt dezelfde dag gericht aan de voogdijminister en de minister die de Begroting onder zijn bevoegdheid heeft. De datum van de ontvangstmelding van het laatst ontvangen verzoek geldt als vertrekdatum voor de bedoelde termijn van dertig dagen. HOOFDSTUK 3. - Overdracht van bevoegdheid inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, van ontwerpenwedstrijden en van concessies voor openbare werken

Art. 7.Onder voorbehoud van bijzondere wets- of reglementaire bepalingen kan iedere federale aanbestedende overheid, binnen de in dit hoofdstuk bepaalde grenzen, zijn bevoegdheid inzake overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken overdragen aan door hem aangewezen titularissen van ambten.

Art. 8.§ 1. De bevoegdheid om de gunningswijze van de opdracht te bepalen, de overheidsopdracht-, wedstrijd- of concessiedocumenten vast te stellen en de procedure in te zetten, kan worden overgedragen voor zover de federale aanbestedende overheid vooraf het voorwerp van de overheidsopdracht, de ontwerpenwedstrijd of de concessie heeft goedgekeurd.

Tenzij de federale aanbestedende overheid anders beslist, is deze goedkeuring evenwel niet vereist voor de opdrachten waarvan de uitgave de bedragen bepaald in artikel 105, § 1, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, artikel 110, § 1, van het koninklijk besluit van 23 januari 2012 en artikel 104, § 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 2012 niet overschrijdt. § 2. De besluiten of de gelijkwaardige beslissingen van de federale aanbestedende overheid beperken, naargelang het bedrag en de gunningswijze van de overheidsopdracht of het bedrag van de ontwerpenwedstrijd of de concessie voor openbare werken, de op grond van dit artikel overgedragen bevoegdheden.

Art. 9.De bevoegdheid om de kandidaten voor een overheidsopdracht, een ontwerpenwedstrijd of een concessie voor openbare werken te selecteren, kan worden overgedragen voor zover het geraamde bedrag van de opdracht volgende bedragen niet overschrijdt : 1° 2.000.000 euro voor de overheidsopdrachten; 2° 350.000 euro voor de ontwerpenwedstrijden; 3° 3.500.000 euro voor de concessies voor openbare werken.

Art. 10.§ 1. De bevoegdheid voor de gunning en de sluiting van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken kan worden overgedragen voor zover het bedrag ervan niet hoger ligt dan een grens vastgesteld door het besluit betreffende het overdragen van bevoegdheid of door een gelijkwaardige beslissing van de federale aanbestedende overheid.

Deze grens mag niet hoger liggen dan : 1° 2.000.000 euro voor de overheidsopdrachten geplaatst bij aanbesteding, offerteaanvraag, concurrentiedialoog of onderhandelingsprocedure met bekendmaking als bedoeld in de artikelen 26, § 2, en 53, § 1, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 22, eerste lid, van de wet van 13 augustus 2011; 2° 700.000 euro voor de overheidsopdrachten geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking in de gevallen van de artikelen 26, § 1, en 53, § 2, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 25 van de wet van 13 augustus 2011, alsook voor de ontwerpenwedstrijden; 3° 3.500.000 euro voor de concessies voor openbare werken. § 2. Van paragraaf 1 kan evenwel worden afgeweken voor de opdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken geplaatst : 1° door in het buitenland gevestigde diensten;2° door de diensten van het Ministerie van Landsverdediging samen met een andere Staat, een bevoorradings- of herstellingsinstelling opgericht door de lidstaten van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie of een Europese openbare instantie als bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 13 augustus 2011.

Art. 11.De hiertoe aangewezen titularissen van ambten kunnen, bij overdracht van bevoegdheid en binnen de grenzen die de federale aanbestedende overheid bepaalt, worden gemachtigd tot het nemen van elke beslissing in het kader van de uitvoering van de overheidsopdracht, de ontwerpenwedstrijd of de concessie voor openbare werken, overeenkomstig de algemene uitvoeringsregels, alsook tot het sluiten van dadingen. HOOFDSTUK 4. - Machtiging inzake de plaatsing en de uitvoering van overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken in geval van toepassing van artikel 8 van de wet van 15 juni 2006 en van artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011

Art. 12.Wanneer de bevoegde minister of staatssecretaris vaststelt dat hij zich voor een bepaalde overheidsopdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie voor openbare werken bevindt in één van de toestanden als bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 juni 2006 of artikel 9 van de wet van 13 augustus 2011, die hem verplichten zichzelf te wraken, machtigt hij een andere minister of staatssecretaris tot het nemen van de beslissingen inzake de plaatsing en de uitvoering van deze opdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie zolang deze toestand aanhoudt.

Deze machtiging wordt verleend : 1° door de Eerste Minister, aan de op hem volgende minister in de orde van voorrang van de regeringsleden;2° door een minister, aan de op hem volgende minister in de orde van voorrang van de regeringsleden of bij ontstentenis, aan de Eerste Minister;3° door een staatssecretaris, aan de minister aan wie hij is toegevoegd. Indien wordt vastgesteld dat de gemachtigde minister zich voor deze overheidsopdracht, ontwerpenwedstrijd of concessie voor openbare werken op zijn beurt in één van de in het eerste lid bedoelde toestanden bevindt, wordt de machtiging verleend aan de op hem volgende minister in de orde van voorrang van de regeringsleden of, bij ontstentenis, aan de Eerste Minister. HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 13.Voor de toepassing van dit besluit wordt het bedrag van de overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden of concessies voor openbare werken geraamd volgens de regels vastgesteld, naargelang het geval, door de artikelen 24 tot 27 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011, de artikelen 24 tot 27 van het koninklijk besluit van 16 juli 2012 en de artikelen 25 tot 28 van het koninklijk besluit van 23 januari 2012.

In geval van aanvullende werken, leveringen of diensten die worden geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking met toepassing van de artikelen 26, § 1, 2°, a, 3°, b en c, en 53, § 2, 2° en 4°, a en b, van de wet van 15 juni 2006 en artikel 25, 3°, a, en 4°, a, van de wet van 13 augustus 2011, wordt ook het bedrag van de hoofdopdracht meegerekend, onverminderd artikel 5, 2°, van dit besluit. HOOFDSTUK 6. - Slotbepaling

Art. 14.Dit besluit treedt in werking : 1° op de door Ons te bepalen datum voor de overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken onderworpen aan de toepassing van de wet van 15 juni 2006;2° vijf dagen na zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad voor de overheidsopdrachten onderworpen aan de toepassing van de wet van 13 augustus 2011 en de opdrachten geplaatst bij concurrentiedialoog onderworpen aan de toepassing van de wet van 15 juni 2006. De overheidsopdrachten, ontwerpenwedstrijden en concessies voor openbare werken bekendgemaakt vóór deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een aankondiging van opdracht, vóór deze datum uitgenodigd wordt om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen, blijven onderworpen aan de regels inzake tussenkomst van de Ministerraad, overdracht van bevoegdheid en de machtigingen die gelden op het ogenblik van de bedoelde bekendmaking of uitnodiging.

Art. 15.De Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 3 april 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, E. DI RUPO

^