Etaamb.openjustice.be
Decreet van 28 maart 2014
gepubliceerd op 22 augustus 2014

Decreet betreffende de landinrichting

bron
vlaamse overheid
numac
2014035709
pub.
22/08/2014
prom.
28/03/2014
ELI
eli/decreet/2014/03/28/2014035709/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

28 MAART 2014. - Decreet betreffende de landinrichting (1)


Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet betreffende de landinrichting Deel 1. - Algemene bepalingen TITEL 1. - Definities en doelstelling Artikel 1.1.1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 1.1.2. In dit decreet wordt verstaan onder: 1° administratieve overheid: het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, de besturen die onderworpen zijn aan het administratieve toezicht van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut;2° agentschap: de Vlaamse Landmaatschappij opgericht bij het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij;3° basiskwaliteit voor milieu en natuur: de bestaande kwaliteit die bereikt wordt door naleving van de eisen, vermeld in artikel 4, 5 en 6 van verordening nr.73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 en door naleving van de voorschriften in de regelgeving rond milieu en natuur; 4° bedrijf: het geheel van productie-eenheden die bestaan uit grond en een of meer bedrijfsgebouwen, al dan niet van een landbouwbedrijf, met inbegrip van de bedrijfswoning;5° gebruiker: de persoon die als eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of houder van een recht van gebruik of bewoning het onroerend goed exploiteert of die het onroerend goed huurt overeenkomstig boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek;6° landbouwbedrijf: het geheel van productie-eenheden van een bedrijf die bestaan uit grond en een of meer bedrijfsgebouwen, met inbegrip van de bedrijfswoning, die deel uitmaken van dat bedrijf vanwege de aanwezige commerciële landbouwproductie; 7° landcommissie: een landcommissie als vermeld in artikel 2.2.1; 8° project, plan of programma: een ander project, plan of programma dan een landinrichtingsproject met betrekking tot de planning, de inrichting of het beheer van een gebied dat is goedgekeurd door de Vlaamse Regering, het provinciebestuur, het gemeentebestuur;9° Vlaamse Grondenbank: de Vlaamse Grondenbank opgericht bij het decreet van 16 juni 2006 houdende oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;10° werkingsmiddelen: de administratieve kosten en personeelskosten die verbonden zijn met taken ingevolge de uitvoering van het decreet. Art. 1.1.3. Dit decreet heeft tot doel de afstemming en de toepassing op geïntegreerde wijze van instrumenten en de uitvoering van maatregelen die gericht zijn op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de ruimte.

Art. 1.1.4. § 1. Om het doel van de landinrichting te realiseren kunnen een of meerdere instrumenten als vermeld in deel 2 toegepast worden.

Deze instrumenten kunnen meer bepaald worden toegepast: 1° ter uitvoering van een landinrichtingsplan voor de realisatie van een landinrichtingsproject, volgens de bepalingen van deel 3;2° ter uitvoering van een inrichtingsnota voor de realisatie van een project, plan of programma, volgens de bepalingen van deel 4;3° ter uitvoering van een beheervisie volgens de bepalingen van deel 5, voor de instrumenten beheerovereenkomsten en dienstenvergoedingen. § 2. De instrumenten, vermeld in deel 2, kunnen worden gebruikt los van of in combinatie met andere instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de inzet en de combinatie van de instrumenten, vermeld in deel 2, en andere instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer vastgelegd in de Vlaamse regelgeving. § 3. In geval van toepassing van de instrumenten, vermeld in deel 2, al dan niet in combinatie met andere instrumenten, gebeurt dat op zodanige wijze dat een optimale mix wordt bereikt met het oog op het zo doelmatig, billijk en efficiënt mogelijk inzetten van de beschikbare middelen.

TITEL 2. - Financiering Art. 1.2.1. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de betaling van werkingsmiddelen aan het agentschap voor wat haar taken ingevolge de uitvoering van dit decreet betreft.

Het agentschap kan de voorbereiding of de uitvoering van een landinrichtingsproject of een inrichting voor een project, plan of programma prefinancieren.

Deel 2. - Bepalingen met betrekking tot de instrumenten en de organisatie TITEL 1. - De instrumenten Hoofdstuk 1. - Inrichting Afdeling 1. - Inrichtingswerken

Art. 2.1.1. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kunnen de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9, inrichtingswerken uitvoeren.

Inrichtingswerken die uitgevoerd kunnen worden zonder instemming van degene die persoonlijke of zakelijke rechten heeft op het terrein en die gedoogd moeten worden, worden inrichtingswerken uit kracht van wet genoemd. Inrichtingswerken die verband houden met landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, natuurtechnische milieubouw, het verbeteren van de landbouwstructuur, conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen, alsook werken aan waterlopen, wegen en wegenpatroon en grondwerken kunnen uitgevoerd worden uit kracht van wet voor zover zij het openbaar nut dienen.

In voorkomend geval is een vergoeding verschuldigd wegens schade tijdens de uitvoering van de werken of als de werken hinderlijk zijn voor het genot van de gronden. Het agentschap stelt die vergoeding vast en keert ze dadelijk uit. Bij betwisting stelt de rechter de vergoeding vast.

Art. 2.1.2. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inrichtingswerken die kunnen worden uitgevoerd met toepassing van dit decreet. Afdeling 2. - Vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut

Art. 2.1.3. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kunnen volgende erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd: 1° erfdienstbaarheden tot openbaar nut gekoppeld aan inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid; 2° andere erfdienstbaarheden tot openbaar nut als vermeld in het derde lid. Erfdienstbaarheden tot openbaar nut gekoppeld aan inrichtingswerken uit kracht van wet zijn gericht op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid. Diegene die het betrokken landinrichtingsplan of inrichtingsnota heeft vastgesteld, stelt na uitvoering van de betrokken inrichtingswerken uit kracht van wet vast welke erfdienstbaarheden tot openbaar nut gevestigd worden en op welke kadastrale percelen deze erfdienstbaarheden gevestigd worden. Het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut bevat ten minste de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd.

Andere erfdienstbaarheden tot openbaar nut zijn gericht op landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, mobiliteit, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, verbeteren van de landbouwstructuur of conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen. Deze erfdienstbaarheden worden gevestigd door de opname van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut in het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure voor het vestigen en de beschrijving van erfdienstbaarheden tot openbaar nut, alsook voor de tegenstelbaarheid aan derden en voor vergoedingen ter schadeloosstelling. Afdeling 3. - Vergoeding voor waardeverlies van gronden

Art. 2.1.4. § 1. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kent de landcommissie in de volgende gevallen een vergoeding voor waardeverlies van gronden toe: 1° als de uitvoering van een inrichtingswerk uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid, een daling veroorzaakt van de venale waarde of de gebruikswaarde van de onroerende goederen; 2° als de vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut als vermeld in artikel 2.1.3 een daling veroorzaakt van de venale waarde of de gebruikswaarde van de onroerende goederen. § 2. De vergoeding voor waardeverlies van gronden is verschuldigd aan de eigenaar, vruchtgebruiker of gebruiker van de betrokken grond. De vergoeding voor waardeverlies van gronden die toekomt aan de eigenaar of vruchtgebruiker wordt bepaald op basis van de daling van de venale waarde van het onroerend goed. De vergoeding voor waardeverlies van gronden die toekomt aan de gebruiker wordt bepaald op basis van de reële daling van de gebruikswaarde van het onroerend goed. § 3. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke instantie of persoon de vergoeding voor waardeverlies van gronden verschuldigd is.

Als de landcommissie een vergoeding vaststelt voor een waterpeilaanpassing, vraagt de landcommissie het advies van de betrokken waterbeheerder van de geklasseerde waterloop. Als de landcommissie binnen een maand na de verzending van het verzoek om advies geen antwoord heeft ontvangen van de betrokken waterbeheerder, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

Als de vergoeding voor waardeverlies van gronden bepaalde milieu- of natuurdoelstellingen beoogt, kan alleen vergoed worden als een hogere kwaliteit voor milieu en natuur wordt bereikt dan de basiskwaliteit voor milieu en natuur.

Art. 2.1.5. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop het waardeverlies wordt bepaald en voor de wijze van betaling van de vergoeding.

Hoofdstuk 2. - Beheer Afdeling 1. - Beheerovereenkomsten

Art. 2.1.6. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma of een beheervisie te realiseren, kan een administratieve overheid met gebruikers van een grond een beheerovereenkomst sluiten.

Een beheerovereenkomst is een overeenkomst waarbij de gebruiker of een groep van gebruikers van een grond zich er vrijwillig toe verbinden om gedurende een bepaalde termijn een vooraf bepaalde prestatie te leveren. De gebruiker of een groep van gebruikers ontvangen daarvoor een jaarlijkse vergoeding die in verhouding staat tot de geleverde inspanningen en de eventuele inkomstenderving en de transactiekosten die hiermee gepaard gaan.

Beheerovereenkomsten die gesloten worden om bepaalde milieu- of natuurdoelstellingen te realiseren, zijn alleen mogelijk als door de beheerovereenkomst een hogere kwaliteit voor milieu en natuur wordt bereikt dan de basiskwaliteit voor milieu en natuur.

Art. 2.1.7. Het agentschap treedt op voor de administratieve overheid bij het sluiten en het opvolgen van beheerovereenkomsten. Het agentschap rekent daarvoor werkingsmiddelen aan.

In afwijking van het eerste lid, kan een administratieve overheid, op gronden in haar eigendom, zelf instaan voor het sluiten en het opvolgen van beheerovereenkomsten.

Art. 2.1.8. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de voorwaarden voor het sluiten van een beheerovereenkomst, de maatregelen en de vergoeding, de financiering, de controle, de organisatie en de procedure, de bepaling van de administratieve overheden die een beheerovereenkomst kunnen sluiten, alsook voor de taak van het agentschap. Afdeling 2. - Dienstenvergoeding

Art. 2.1.9. § 1. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma of een beheervisie te realiseren, kan een jaarlijkse dienstenvergoeding toegekend worden als ten gevolge van een opgelegd beheer of opgelegde inrichting een bijkomende dienst op het vlak van beheer gewenst is. De dienstenvergoeding kan toegekend worden door de instanties of personen, vermeld in artikel 3.3.7 en 3.3.8, aan een gebruiker of een groep van gebruikers van een grond waarop de bijkomende dienst wordt uitgevoerd.

De Vlaamse Regering bepaalt de bijkomende diensten waarvoor een dienstenvergoeding toegekend kan worden en per bijkomende dienst de toekenningsvoorwaarden waaraan voldaan moet zijn en de verbintenissen die nageleefd moeten worden, alsook het bedrag van de vergoeding voor deze bijkomende dienst. Het bedrag van de dienstenvergoeding staat in verhouding tot de geleverde inspanningen, de eventuele inkomstenderving en de transactiekosten die ermee gepaard gaan. De dienstenvergoeding wordt toegekend als voldaan is aan de toekenningsvoorwaarden.

Diensten die bepaalde milieu- of natuurdoelstellingen realiseren kunnen alleen vergoed worden als een hogere kwaliteit voor milieu en natuur wordt bereikt dan de basiskwaliteit voor milieu en natuur. § 2. In het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie wordt bepaald welke bijkomende dienst gewenst is en het gebied waarbinnen de bijkomende dienst gewenst is.

Art. 2.1.10. Het agentschap treedt op voor de administratieve overheid bij het uitbetalen en het opvolgen van de dienstenvergoedingen. Het agentschap rekent daarvoor werkingsmiddelen aan.

In afwijking van het eerste lid, kan een administratieve overheid, op gronden in haar eigendom, zelf instaan voor het uitbetalen en het opvolgen van de dienstenvergoedingen.

Art. 2.1.11. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de voorwaarden voor het uitbetalen van een dienstenvergoeding, de financiering, de controle, de organisatie en de procedure, alsook voor de taak van het agentschap.

Hoofdstuk 3. - Verwerving en grondmobiliteit Afdeling 1. - Verwerving

Art. 2.1.12. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kunnen de instanties en de personen vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9 onroerende goederen verwerven. Afdeling 2. - Recht van voorkoop

Art. 2.1.13. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kan de Vlaamse Grondenbank een recht van voorkoop uitoefenen. Het recht van voorkoop is van toepassing bij verkoop van onroerende goederen die liggen binnen de zones die door de Vlaamse Regering zijn aangeduid als een zone waar het recht van voorkoop geldt met toepassing van dit decreet. Het besluit dat de zone waarbinnen het recht van voorkoop geldt, aanduidt, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De Vlaamse Regering stelt regels vast voor de totstandkoming van de aanduiding van zones waar het recht van voorkoop geldt, de afbakening en de opheffing van het recht van voorkoop, alsook voor de wijze van bekendmaking van het recht van voorkoop.

Art. 2.1.14. De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen is van toepassing op het recht van voorkoop, vermeld in artikel 2.1.13.

Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op het recht van voorkoop, vermeld in artikel 2.1.13. Afdeling 3. - Vrijwillige herverkaveling

Art. 2.1.15. Als een herschikking van de percelen het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma helpt realiseren, kunnen de instanties en de personen, vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9, overgaan tot een vrijwillige herverkaveling.

Art. 2.1.16. Vrijwillige herverkaveling is de schriftelijke overeenkomst tussen alle eigenaars en gebruikers van minstens twee percelen, waarin ze overeenkomen de onroerende zaken die aan hen toebehoren, samen te voegen, het resulterende geheel op bepaalde wijze te herverkavelen en onder elkaar bij akte te verdelen.

Art. 2.1.17. Bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.1.16 kunnen partijen tegen betaling van een geldsom onroerende zaken of tegen inbreng van onroerende zaken een geldsom bedingen.

Art. 2.1.18. De akte van een vrijwillige herverkaveling geldt als titel voor de eigendom, de zakelijke rechten en de schuldvorderingen die erdoor worden geregeld.

De akte van een vrijwillige herverkaveling bevat: 1° de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals die voortkomen uit de in artikel 2.1.16 bedongen overeenkomst, inbegrepen de regeling voor de overdracht van zakelijke rechten; 2° de data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe kavels; 3° de betaling of inbreng van ieder belanghebbende, vermeld in artikel 2.1.17.

De instrumenterende ambtenaar overhandigt een uittreksel uit de akte en uit de bijlagen ervan aan iedere rechthebbende.

Art. 2.1.19. Bij het opmaken van pachtovereenkomsten voor kavels die ten gevolge van de vrijwillige herverkaveling op een andere verpachter of pachter overgaan, kunnen de partijen afwijken van het bepaalde in de wetgeving met betrekking tot de duur van pachtovereenkomsten. Deze bepaling is ook van toepassing op de erfpacht, alsook op het opstal-, het gebruiks- en het bewoningsrecht.

Art. 2.1.20. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud van de schriftelijke overeenkomst, de taak van het agentschap en de werkwijze voor de totstandkoming van een vrijwillige herverkaveling. Afdeling 4. - Herverkaveling uit kracht van wet

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 2.1.21. In deze afdeling wordt verstaan onder: 1° vroeger perceel: elk perceel in zijn toestand voor de herverkaveling;2° nieuw perceel: elk perceel in zijn toestand na de herverkaveling;3° blok: het geheel van onroerende goederen in een herverkaveling;4° eigenaar: iedere eigenaar of blote eigenaar van onroerende goederen die deel uitmaken van het blok;5° gebruiker: de persoon die als eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of houder van een recht van gebruik of bewoning het onroerend goed exploiteert dat deel uitmaakt van het blok of die het onroerend goed dat deel uitmaakt van het blok huurt overeenkomstig boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek;6° rechthebbende: een eigenaar, vruchtgebruiker of een gebruiker van onroerende goederen die deel uitmaken van het blok;7° rechter: de vrederechter van het kanton waarin het grootste deel van het blok ligt;8° beveiligde zending: een aangetekende brief, een afgifte tegen ontvangstbewijs of elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld. Art. 2.1.22. Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren kan de landcommissie overgaan tot herverkaveling uit kracht van wet van de gebieden, aangeduid met toepassing van artikel 3.3.1 en 4.2.2 waar het instrument herverkaveling uit kracht van wet kan worden toegepast. Herverkaveling beoogt een optimaler grondgebruik mogelijk te maken door een herschikking van de percelen en een aanpassing van het openbaar domein.

Onderafdeling 2. - Op te maken stukken Art. 2.1.23. De landcommissie omschrijft het blok en maakt de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden op.

Daarvoor worden de volgende lijsten en het volgend plan opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens: 1° een perceelsplan met de vroegere percelen en het openbaar domein die behoren tot het blok;2° een lijst van de vroegere percelen met van elk perceel de oppervlakte, het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening, de eigenaars, vruchtgebruikers en de gebruikers;3° een lijst van de eigenaars en vruchtgebruikers met per eigenaar en vruchtgebruiker zijn vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening;4° een lijst van de gebruikers met per gebruiker zijn vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening. Voor de opmaak van de lijsten vraagt de landcommissie per beveiligde zending aan de eigenaars, vruchtgebruikers of verpachters binnen dertig dagen mededeling te doen van de naam en het adres van de gebruikers, van de door ieder van hen in bedrijf genomen oppervlakten en van elke andere inlichting die de landcommissie nuttig acht. Zo niet kan de landcommissie de nodige opzoekingen doen op kosten van de in gebreke gebleven eigenaars, vruchtgebruikers en verpachters.

De landcommissie gaat zo nodig over tot afpaling van de blokgrens. Van het plan van afpaling wordt per beveiligde zending kennis gegeven aan de eigenaars van de percelen die aan weerszijden van de blokgrens liggen en bij de afpaling betrokken zijn.

Binnen vijftien dagen na de kennisgeving kunnen de voormelde eigenaars bij beveiligde zending gericht aan de landcommissie de afpaling betwisten. De landcommissie dagvaardt bij betwisting de betrokken eigenaars voor de rechter om een gerechtelijke afpaling te verkrijgen.

Over de omschrijving van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 6, gehouden.

Art. 2.1.24. De landcommissie bepaalt de toestand voor herverkaveling, hierna de inbreng te noemen. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens hun ruilwaarde en volgens hun gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens: 1° een lijst van de eigenaars en vruchtgebruikers met per eigenaar en per vruchtgebruiker: - de ruilwaarde van elk vroeger perceel; - de totale ruilwaarde van alle vroegere percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker; 2° een classificatieplan met aanduiding van de gebruikswaardezones, gevormd door het groeperen van percelen met dezelfde gebruikswaarde;3° een lijst van de gebruikers met per gebruiker: - de gebruikswaarde van elk vroeger perceel; - de totale gebruikswaarde van alle vroegere percelen van de gebruiker; 4° een plan met de vroegere percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zijn bezwaard;5° een lijst van de vroegere percelen met voor elk perceel de eigenaars, vruchtgebruikers en de gebruikers en de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, of erfpacht, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht. Over de inbreng wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 7, gehouden.

Art. 2.1.25. De landcommissie bepaalt de toestand na herverkaveling, hierna de toedeling te noemen. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens hun ruilwaarde en volgens hun gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens: 1° het herverkavelingsplan met de nieuwe percelen en het openbaar domein die behoren tot het blok;2° een lijst van de nieuwe percelen met van elk perceel de oppervlakte, het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening, de eigenaars, de vruchtgebruikers en gebruikers;3° een lijst van de eigenaars en de vruchtgebruiker met van elke eigenaar en elke vruchtgebruiker: a) de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening;b) de ruilwaarde voor elk nieuw perceel;c) de totale ruilwaarde van alle nieuwe percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker;4° een lijst van de gebruikers met van elke gebruiker: a) de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening;b) de gebruikswaarde van elk nieuw perceel;c) de totale gebruikswaarde van alle nieuwe percelen van de gebruiker;5° een plan met de nieuwe percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zullen worden bezwaard;6° een lijst waarop voor iedere eigenaar en iedere vruchtgebruiker de volgende gegevens zijn vermeld: de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, de erfpacht-, opstal-, gebruiks- en bewoningsrechten, met vermelding van de vroegere percelen en van de nieuwe percelen die in de plaats daarvan komen;7° het herverkavelingsplan met de erfdienstbaarheden die worden gevestigd en de erfdienstbaarheden die worden afgeschaft.De andere erfdienstbaarheden worden behouden.

Over de toedeling wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 7, gehouden.

Art. 2.1.26. De ruilwaarde, vermeld in artikel 2.1.24 en 2.1.25, wordt bepaald op basis van de oppervlakte, de ligging, het bestemmingsgebied dat van kracht is in de ruimtelijke ordening, de aanwezige constructies en opstanden, de cultuurwaarde en het bestaan van pacht of van erfdienstbaarheden, namelijk de objectieve factoren die de waarde van een grond kunnen beïnvloeden.

De gebruikswaarde, vermeld in artikel 2.1.24 en 2.1.25, wordt bepaald op basis van de geschiktheid van het perceel voor het actuele grondgebruik. Daarbij wordt rekening gehouden met alle relevante factoren zoals bodemgesteldheid, drainageklasse, de geldende reglementaire gebruiksbeperkingen zoals bemestingsnormen.

Art. 2.1.27. De landcommissie bepaalt de financiële regeling en maakt daarvoor de volgende lijsten op: 1° een lijst met de financiële compensatie per eigenaar en per vruchtgebruiker;2° een lijst met de gebruikersvergoeding per gebruiker. De financiële compensatie ten bate of ten laste van een eigenaar of een vruchtgebruiker is het verschil tussen de totale ruilwaarde van alle vroegere percelen van de eigenaar of vruchtgebruiker zoals vastgesteld bij de inbreng en de totale ruilwaarde van alle nieuwe percelen van de eigenaar of vruchtgebruiker zoals vastgesteld bij de toedeling.

De gebruikersvergoeding ten bate of ten laste van een gebruiker is het verschil tussen de totale gebruikswaarde van alle vroegere percelen van de gebruiker zoals vastgesteld bij de inbreng en de totale gebruikswaarde van alle nieuwe percelen van de gebruiker zoals vastgesteld bij de toedeling.

Over de financiële regelingen wordt een raadpleging van rechthebbenden, vermeld in onderafdeling 7, gehouden.

Onderafdeling 3. - Wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken Art. 2.1.28. De landcommissie maakt het plan van de aangepaste, de nieuwe en de af te schaffen wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken op.

De landcommissie vraagt over het plan, vermeld in het eerste lid, advies van de betrokken gemeenten, advies van de betrokken provincie, advies van in voorkomend geval, andere wegbeheerder en advies van de betrokken waterbeheerder van de geklasseerde waterloop. Het advies van de betrokken gemeenten wordt gegeven na een openbaar onderzoek dat wordt georganiseerd door elke betrokken gemeente. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking. Het plan, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in elke betrokken gemeente. Als de landcommissie binnen drie maanden na de verzending van het verzoek om advies geen antwoord heeft ontvangen van de betrokken gemeenten, provincie of waterbeheerder, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De Vlaamse Regering keurt het plan, vermeld in het eerste lid, goed.

De Vlaamse Regering bepaalt tot welke groep van wegen de aangepaste en de nieuwe wegen zullen behoren en rangschikt eventueel de aangepaste en de nieuwe waterlopen in een van de categorieën, vermeld in artikel 2 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen.

De Vlaamse Regering bepaalt daarbij aan welk openbaar bestuur de aangepaste en de nieuwe wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken worden toegewezen.

De Vlaamse Regering schaft de buiten gebruik gestelde wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken af en bepaalt dat ze worden opgenomen in het geheel van de gronden die tot de herverkaveling behoren.

De Vlaamse Regering brengt op basis van het plan van de aangepaste, de nieuwe en de af te schaffen wegen en waterlopen met de bijbehorende kunstwerken de nodige wijzigingen aan aan de atlas van de buurtwegen en aan de beschrijvende tabellen, opgemaakt ter uitvoering van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen.

Onderafdeling 4. - Randvoorwaarden voor de herverkaveling Art. 2.1.29. De toewijzing van de nieuwe percelen aan een eigenaar en een vruchtgebruiker gebeurt op zodanige wijze dat de totale ruilwaarde van zijn nieuwe percelen gelijk is aan de totale ruilwaarde van zijn vroegere percelen.

Als aan de regel, vermeld in het eerste lid, niet wordt voldaan, worden aan een eigenaar of vruchtgebruiker meer of minder gronden toebedeeld, hierna een over- of onderbedeling van gronden aan een eigenaar of vruchtgebruiker te noemen. Het verschil tussen de totale ruilwaarde van de nieuwe percelen en de totale ruilwaarde van de vroegere percelen van een eigenaar of vruchtgebruiker wordt vergoed via een financiële compensatie ten koste of ten bate van de eigenaar en van de vruchtgebruiker.

De over- of onderbedeling van gronden aan een eigenaar of vruchtgebruiker mag de vijf procent van de totale ruilwaarde van zijn vroegere percelen niet overschrijden tenzij na toestemming van de eigenaar en de vruchtgebruiker.

De Vlaamse Regering bepaalt de mate van onderbedeling waarvoor een wederbeleggingsvergoeding wordt toegevoegd aan de financiële compensatie. De wederbeleggingsvergoeding komt ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.30. De toewijzing van de nieuwe percelen aan een gebruiker gebeurt op zodanige wijze dat de totale gebruikswaarde van zijn nieuwe percelen gelijk is aan de totale gebruikswaarde van zijn vroegere percelen.

De toedeling aan een gebruiker gebeurt op zodanige wijze dat de aan hem toebedeelde nieuwe percelen geschikt zijn voor hetzelfde grondgebruik als zijn vroegere percelen tenzij de desbetreffende gebruiker ermee akkoord gaat om zijn grondgebruik aan te passen.

Als aan de regel, vermeld in het eerste lid, niet wordt voldaan, krijgt de gebruiker een over- of onderbedeling van gronden. Het verschil tussen de totale gebruikswaarde van de nieuwe percelen en de totale gebruikswaarde van de vroegere percelen van een gebruiker wordt financieel gecompenseerd ten koste of ten bate van de gebruiker via een gebruikersvergoeding.

De over- of onderbedeling van gronden aan een gebruiker mag de vijf procent van de totale gebruikswaarde van zijn vroegere percelen niet overschrijden, tenzij na toestemming van de gebruiker.

Art. 2.1.31. Het verschil tussen de totale ruilwaarde van de nieuwe percelen in het blok en de totale ruilwaarde van de vroegere percelen in het blok komt ten goede of ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Het verschil tussen de totale gebruikswaarde van de nieuwe percelen in het blok en de totale gebruikswaarde van de vroegere percelen in het blok komt ten goede of ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Onderafdeling 5. -Overgang van pachtovereenkomsten, huurovereenkomsten, zakelijke rechten en regeling van erfdienstbaarheden Art. 2.1.32. § 1. Ten gevolge van de herverkaveling treedt het geheel van de nieuwe percelen die aan een eigenaar worden toegewezen, in de plaats van het geheel van de vroegere percelen van die eigenaar. § 2. Ten gevolge van de herverkaveling worden de rechten die de pachter op zijn vroegere percelen bezit, overgedragen op zijn nieuwe percelen.

Als er in het belang van de herverkaveling wijzigingen aan de pacht moeten worden aangebracht, roept de landcommissie de betrokken eigenaars en pachters op en zoekt mee naar een oplossing waarmee de betrokken eigenaars en pachters kunnen instemmen.

Als een overeenkomst wordt bereikt, stelt de landcommissie dat schriftelijk vast. De overeenkomst wordt door de partijen ondertekend en opgenomen in de stukken van toedeling.

Als er geen overeenkomst wordt bereikt, verzoekt de landcommissie hen, per beveiligde zending, het geschil voor de bevoegde rechter te brengen. Als de partijen het geschil niet voor de bevoegde rechter brengen binnen een termijn van dertig dagen vanaf het voormelde verzoek van de landcommissie, brengt de landcommissie het geschil voor de rechter.

Bij het opmaken van pachtovereenkomsten voor kavels die ten gevolge van de herverkaveling op een andere verpachter of pachter zijn overgegaan, kunnen de partijen of, als er geen overeenkomst wordt bereikt, kan de rechter afwijken van het bepaalde in de wetgeving met betrekking tot de duur van pachtovereenkomsten. Voor de nieuwe percelen kan namelijk dezelfde duur bepaald worden als die van het pachtrecht dat op andere door dezelfde pachter geëxploiteerde kavels bestaat, krachtens huurovereenkomsten die gesloten zijn door dezelfde verpachter of door andere verpachters.

De rechterlijke beslissing wordt aan de herverkavelingsakte gehecht. § 3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 2, zijn van toepassing op de overgang van andere huurovereenkomsten dan pacht.

Art. 2.1.33. Het vruchtgebruik dat slaat op het geheel van de vroegere percelen van een eigenaar, gaat over op het geheel van de nieuwe percelen van die eigenaar.

Als een vruchtgebruik een of sommige van de vroegere percelen van een eigenaar bezwaart, bepaalt de landcommissie de nieuwe percelen van die eigenaar waarop dat recht overgaat.

Art. 2.1.34. De voorrechten en hypotheken, de bevelen en beslagen, en de onroerende vorderingen, die slaan op het geheel van de vroegere percelen van een eigenaar of van een vruchtgebruiker, gaan over op het geheel van de nieuwe percelen en op de ontvangen financiële compensatie van de eigenaar en vruchtgebruiker.

Als de voorrechten en hypotheken, bevelen en beslagen, en de onroerende vorderingen een vroeger perceel van een eigenaar of van een vruchtgebruiker bezwaren, bepaalt de landcommissie het nieuwe perceel van die eigenaar of vruchtgebruiker en het gedeelte van de door die eigenaar of vruchtgebruiker te ontvangen financiële compensatie waarop die rechten overgaan.

Art. 2.1.35. De bepalingen, vermeld in artikel 2.1.32 en 2.1.33, zijn van toepassing op het recht van gebruik en bewoning, het opstal- en erfpachtrecht.

Art. 2.1.36. Het jachtrecht blijft ter plaatse en gaat bij herverkaveling niet over op het nieuwe perceel. De nieuwe eigenaar van een perceel treedt in de rechten en verplichtingen van de oude eigenaar.

Als het jachtrecht door de eigenaar zelf werd uitgeoefend en als die per beveiligde zending aan de landcommissie de wens heeft geuit om verder op het perceel te blijven jagen, worden de voorwaarden van de jacht vastgesteld als vermeld in artikel 2.1.32 betreffende de wijzingen aan de pacht, zonder dat de duur van de jachtovereenkomst langer dan negen jaar kan zijn.

De duur van de jachtovereenkomsten die gesloten zijn vanaf de goedkeuring van het landinrichtingsplan of het project, plan of programma, wordt van rechtswege beperkt tot de overschrijving van de herverkavelingsakte op het hypotheekkantoor.

Art. 2.1.37. De landcommissie brengt op het herverkavelingsplan de erfdienstbaarheden aan die ze vestigt en de erfdienstbaarheden die ze afschaft. De andere erfdienstbaarheden blijven behouden.

Onderafdeling 6. - Procedure voor de raadpleging van rechthebbenden, over de omschrijving van het blok, de lijst van vroegere percelen en de lijst van rechthebbenden Art. 2.1.38. De omschrijving van het blok, de lijst van vroegere percelen en de lijsten van rechthebbenden, vermeld in artikel 2.1.23, worden door de landcommissie gedurende de raadpleging die dertig dagen duurt ter inzage neergelegd in elke betrokken gemeente.

De raadpleging van rechthebbenden wordt in elke betrokken gemeente bekendgemaakt door aanplakking.

De landcommissie brengt elke rechthebbende voorafgaand aan de terinzagelegging per beveiligde zending op de hoogte van de mogelijkheid tot inzage en van de mogelijkheid tot indiening van schriftelijke opmerkingen en bezwaren bij de landcommissie.

Art. 2.1.39. § 1. Elke rechthebbende kan gedurende de raadpleging schriftelijk opmerkingen en bezwaren indienen bij de landcommissie over de lijsten en de plannen, vermeld in artikel 2.1.23. § 2. De landcommissie onderzoekt de opmerkingen en bezwaren en wijzigt indien nodig de omschrijving van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijsten van de rechthebbenden.

De landcommissie kan daarbij de rechthebbenden die opmerkingen of bezwaren hebben ingediend of andere rechthebbenden die het aanbelangt, horen. Als een rechthebbende niet verschijnt na deze oproep, kan de landcommissie zonder verder uitstel de omschrijving van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden definitief vaststellen. § 3. De landcommissie brengt de rechthebbenden met een beveiligde zending op de hoogte van de definitieve omschrijving van het blok, de definitieve lijst van de vroegere percelen en de definitieve lijsten van de rechthebbenden.

Onderafdeling 7. - Procedure voor de raadpleging van rechthebbenden over inbreng, toedeling en financiële regelingen Art. 2.1.40. Behalve als alle rechthebbenden door middel van een overeenkomst met de landcommissie vrijwillig afzien van een raadpleging van rechthebbenden worden de lijsten en plannen, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27, gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in elke betrokken gemeente.

De raadpleging voor rechthebbenden wordt in elke betrokken gemeente bekendgemaakt door aanplakking.

De landcommissie brengt elke rechthebbende voorafgaand aan de terinzagelegging per beveiligde zending op de hoogte van de mogelijkheid tot inzage en van de mogelijkheid tot het indienen van schriftelijke opmerkingen en bezwaren bij de landcommissie.

De landcommissie kan ook beslissen de terinzagelegging van de documenten, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27, afzonderlijk te laten verlopen gedurende telkens dertig dagen.

Art. 2.1.41. Elke eigenaar, vruchtgebruiker en gebruiker kan gedurende de raadpleging van rechthebbenden opmerkingen en bezwaren indienen bij de landcommissie over de lijsten en de plannen, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27.

Art. 2.1.42. De landcommissie onderzoekt de opmerkingen en bezwaren en wijzigt indien nodig de lijsten en de plannen, vermeld in artikel 2.1.24, 2.1.25 en 2.1.27.

De landcommissie kan de betrokken rechthebbenden horen. Als een rechthebbende niet verschijnt na de oproep, kan de landcommissie zonder verder uitstel de inbreng en de toedeling en de bijbehorende plannen en lijsten definitief vaststellen.

De landcommissie brengt elke rechthebbende van wie de toestand gewijzigd wordt door de inwilliging van een bezwaar per beveiligde zending op de hoogte van de wijziging.

Art. 2.1.43. Na de behandeling van de opmerkingen en bezwaren stelt de landcommissie de toedeling en de inbreng met de bijbehorende plannen, de lijst met de financiële compensatie per eigenaar en vruchtgebruiker en de lijst met de gebruikersvergoeding per gebruiker definitief vast.

De landcommissie brengt de betrokken eigenaar, de vruchtgebruiker en de gebruiker met een beveiligde zending op hoogte van het volgende: 1° de ruilwaarde of de gebruikswaarde van zijn vroegere percelen;2° de oppervlakte, de ruilwaarde of de gebruikswaarde van zijn nieuwe percelen;3° de financiële compensatie of de gebruikersvergoeding. Onderafdeling 8. - Beroepsprocedure Art. 2.1.44. Elke rechthebbende kan bij de rechter het volgende betwisten: 1° de ruilwaarde of gebruikswaarde van zijn vroegere percelen;2° de oppervlakte, de ruilwaarde of de gebruikswaarde van zijn nieuwe percelen;3° de financiële compensatie of de gebruikersvergoeding. Art. 2.1.45. Als de rechter de betwistingen over de ruilwaarde of de gebruikswaarde van de vroegere percelen of de oppervlakte, de ruilwaarde of de gebruikswaarde van de nieuwe percelen gegrond vindt, kan een schadevergoeding worden toegekend naast de financiële compensatie van de eigenaar en de vruchtgebruiker of naast de gebruikersvergoeding van de gebruiker. De schadevergoeding komt ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.46. Als de rechter de betwistingen over de financiële compensatie van de eigenaar en vruchtgebruiker of de gebruikersvergoeding gegrond vindt, verbetert hij de financiële compensatie of de gebruikersvergoeding. Het verschil tussen de oorspronkelijke en de verbeterde financiële compensatie of gebruikersvergoeding komt ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.47. De rechthebbende moet de betwistingen, vermeld in artikel 2.1.44, stellen binnen drie maanden na de kennisgeving, vermeld in artikel 2.1.43.

Onderafdeling 9. - Herverkavelingsakte Art. 2.1.48. Als het herverkavelingsplan, vermeld in artikel 2.1.25, definitief is vastgesteld, gaat de landcommissie zo nodig over tot de afpaling van de nieuwe percelen. Hiernavolgend wordt de instrumenterend ambtenaar belast met de opmaak van de herverkavelingsakte en het verlijden ervan.

Art. 2.1.49. De herverkavelingsakte omvat: 1° de vaststelling van de rechten en plichten die voortvloeien uit de plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in de artikelen 2.1.24, 2.1.25, 2.1.27, 2.1.36 en 2.1.37; 2° de door de landcommissie vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe percelen;3° de financiële afrekening die de financiële compensatie en de gebruikersvergoeding bevat, alsook de tijdstippen voor de vereffening van die vergoedingen. De plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in het eerste lid, 1°, en de overeenkomsten en de rechterlijke beslissingen, vermeld in de artikelen 2.1.32, 2.1.35, 2.1.45 en 2.1.46, worden aan de herverkavelingsakte gehecht.

Art. 2.1.50. De herverkavelingsakte geldt als titel van eigendom en van de zakelijke rechten die erin worden geregeld, en als titel voor de financiële compensatie en de gebruikersvergoeding.

Art. 2.1.51. Na de hypothecaire overschrijving bezorgt de instrumenterende ambtenaar een eensluidend verklaard uittreksel uit de herverkavelingsakte en de bijlagen erbij aan de rechthebbenden.

De bepalingen, vermeld in artikel 139, 140 en 141 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, zijn van toepassing.

De ingebruikneming van de nieuwe percelen vindt plaats op de tijdstippen en onder de voorwaarden die bepaald zijn in de herverkavelingsakte.

Art. 2.1.52. Als in de herverkavelingsakte geen rekening is gehouden met rechten die rusten op vroegere percelen ten gevolge van ofwel vergissingen, onnauwkeurigheden of weglatingen in de herverkavelingsakte, ofwel van overdrachten of vestigingen van rechten voor de datum van overschrijving van de herverkavelingsakte of nog van vernietigingen, verbrekingen of herroepingen van rechten, bepaalt de rechter, op verzoek van de rechthebbenden, op welke nieuwe percelen of gedeelten hiervan deze rechten overgaan. In dat geval kan de rechter, ambtshalve of op verzoek, na de rechthebbenden te hebben opgeroepen, de nadelige of batige saldo's herzien, alsook de rechten en verplichtingen, met de voorwaarden en termijnen van betaling, die eruit voortvloeien.

Alleen als de rechthebbenden vrijwillig verschijnen, kan de vordering worden ingeleid bij verzoekschrift, ingediend ter griffie of met een aangetekende brief die gericht is aan de rechter, in zoveel exemplaren als er ter zake op te roepen partijen zijn.

Als er een overeenkomst wordt bereikt over de onderwerpen van betwisting, kan de instrumenterend ambtenaar op verzoek van de landcommissie, die overeenkomst bij akte vastleggen.

Onderafdeling 10. - Gebruiksruil Art. 2.1.53. In een herverkaveling die in uitvoering is uit kracht van wet, kan versneld een gebruiksruil worden doorgevoerd. De daaropvolgende herverkaveling uit kracht van wet omvat minstens de percelen die betrokken zijn bij de gebruiksruil. De gebruiksruil wijzigt op geen manier de rechten en verplichtingen van de pachters en verpachters onderling en maakt geen onderpacht noch pachtoverdracht uit.

Art. 2.1.54. De landcommissie omschrijft het blok voor de gebruiksruil volgens de bepalingen, vermeld in artikel 2.1.23. De landcommissie voert daarover een raadpleging van rechthebbenden conform artikel 2.1.38 en 2.1.39.

Voor de opmaak van de lijsten vraagt de landcommissie per beveiligde zending aan de eigenaars, vruchtgebruikers of verpachters binnen dertig dagen mededeling te doen van de naam en het adres van de gebruikers, van de door ieder van hen in bedrijf genomen oppervlakten en van elke andere inlichting die de landcommissie nodig acht. Zo niet kan de landcommissie de nodige opzoekingen doen op kosten van de in gebreke gebleven eigenaars, vruchtgebruikers en verpachters.

Art. 2.1.55. Na de definitieve vaststelling van het blok, de lijst van de vroegere percelen en de lijst van de rechthebbenden stelt de landcommissie de volgende stukken op: 1° een kavelplan waarop de vroegere kavels en de kadastrale percelen aangeduid zijn;2° de lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker de kavels die hij in gebruik heeft, de oppervlakte ervan en hun totale oppervlakte, alsook de naam van de eigenaars, vermeld zijn;3° een gebruiksruilplan waarop de nieuwe kavels aangeduid zijn;4° de lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker vermeld zijn de nieuwe kavels die hem toebedeeld worden, de oppervlakte ervan en hun totale oppervlakte, alsook de naam van de eigenaars;5° de lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker de jaarlijkse vergoeding vermeld is die hij aan de landcommissie moet betalen of die de landcommissie aan hem moet betalen;6° een plan van de voorlopige maatregelen van overgang en afwatering binnen het blok en een plan van de erfdienstbaarheden op gronden buiten het blok, die door toedoen van de landcommissie gevestigd, gewijzigd of afgeschaft worden tot nut van kavels die binnen het blok liggen. Art. 2.1.56. Het gebruiksruilplan wordt zo opgemaakt dat aan iedere gebruiker zo veel mogelijk gronden met dezelfde oppervlakte en die geschikt zijn voor hetzelfde grondgebruik worden toegewezen.

De totale oppervlakte van de aan de gebruiker toebedeelde kavels mag niet meer dan vijf procent kleiner zijn dan de totale oppervlakte van zijn vroegere kavels, behalve als hij daar schriftelijke toestemming voor verleent.

De landcommissie berekent de jaarlijkse vergoeding die aan of door de gebruiker verschuldigd is als de totale oppervlakte van de kavels die hem toebedeeld zijn, kleiner of groter is dan de totale oppervlakte van zijn vroegere kavels. Voormelde vergoeding wordt verrekend in de financiële afrekening van herverkaveling uit kracht van wet die volgt op de gebruiksruil als vermeld in artikel 2.1.49.

Het verschil tussen de totale vergoeding die de gebruikers aan de landcommissie moeten betalen en de totale vergoeding die de landcommissie aan de gebruikers moet betalen, komt ten goede of ten laste van de administratieve overheid die instaat voor de financiering.

Art. 2.1.57. De stukken, vermeld in artikel 2.1.55, worden gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in de betrokken gemeenten. De neerlegging wordt bekendgemaakt door aanplakking in deze gemeenten.

De landcommissie brengt de gebruikers, eigenaars en vruchtgebruikers die vermeld zijn op de lijsten, per beveiligde zending op de hoogte van die neerlegging.

De landcommissie onderzoekt de ingediende opmerkingen en bezwaren. Ze brengt de nodige wijzigingen aan in de plannen en lijsten, vermeld in artikel 2.1.55, en voert eventueel een aanvullend onderzoek uit bij de betrokken eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers. De landcommissie brengt daarna elke definitieve wijziging van het blok per beveiligde zending ter kennis van de betrokken eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers. Hierna stelt de landcommissie de plannen en lijsten definitief vast en belast ze de instrumenterend ambtenaar met het verlijden van de akte van gebruiksruil.

Art. 2.1.58. De akte van gebruiksruil omvat: 1° de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de plannen en lijsten, vermeld in artikel 2.1.55; 2° de door de landcommissie vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe kavels. Art. 2.1.59. De akte van gebruiksruil geldt als titel voor de ingebruikneming van de nieuwe kavels tot op het ogenblik van de overschrijving van de akte, vermeld in artikel 2.1.51.

Art. 2.1.60. De landcommissie duidt zo nodig de nieuwe kavels aan op het terrein en brengt de gebruikers daarvan op de hoogte. Bij betwisting lokt de landcommissie een gerechtelijke afpaling uit door de betrokken eigenaars voor de rechter te dagvaarden. Afdeling 5. - Herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 2.1.61. Herverkaveling uit kracht van wet kan gepaard gaan met een planologische ruil waarbij de bestemmingsgebieden van kracht in de ruimtelijke ordening en de betrokken eigenaars en gebruikers gelijktijdig worden omgewisseld. Herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil beoogt een optimaler en evenwichtiger grondgebruik.

De gelijktijdige omwisseling van de bestemmingsgebieden en van de betrokken eigenaars en gebruikers kan gebeuren volgens de bepalingen, vermeld in onderafdeling 2.

Art. 2.1.62. De definities, vermeld in artikel 2.1.21, gelden voor de toepassing van deze afdeling.

Onderafdeling 2. - Integratie van de herverkaveling in de procedure voor opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan Art. 2.1.63. De instantie die instaat voor de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, bepaalt het gebied binnen het plangebied van het ruimtelijk uitvoeringsplan dat in aanmerking komt voor een herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil.

Voor dat gebied bepaalt de landcommissie het blok en de lijst van de vroegere percelen en van rechthebbenden conform artikel 2.1.23, eerste tot en met derde lid.

Art. 2.1.64. § 1. Om de omwisseling van eigenaars en gebruikers uit kracht van wet te realiseren, maakt de landcommissie voor de percelen die binnen het blok liggen een grondruilplan op. § 2. Het grondruilplan wordt gelijktijdig met het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk uitvoeringsplan opgemaakt en wordt tegelijk met het ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan de procedureregels voor het opmaken van dat uitvoeringsplan, vermeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, voor zover in dit hoofdstuk niet wordt afgeweken van de voormelde procedureregels.

De instantie die bevoegd is voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan stelt tegelijk met de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan het grondruilplan voorlopig vast.

De instantie die bevoegd is voor de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan stelt tegelijk met de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan het grondruilplan definitief vast.

Art. 2.1.65. § 1. Het grondruilplan bestaat uit de volgende delen: 1° de toestand voor de herverkaveling, hierna de inbreng te noemen;2° de toestand na de herverkaveling, hierna de toedeling te noemen;3° de financiële regeling. § 2. De landcommissie bepaalt de inbreng. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens hun ruilwaarde en volgens hun gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens: 1° een lijst van de vroegere percelen met voor elk perceel de oppervlakte, de eigenaars, de vruchtgebruikers en de gebruikers, de bestemmingsgebieden van kracht in de ruimtelijke ordening voor de wijziging van het bestemmingsgebied ten gevolge van de planologische ruil;2° een lijst van de eigenaars en vruchtgebruikers met per eigenaar en per vruchtgebruiker: a) de vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied van kracht in de ruimtelijke ordening voor de wijziging van het bestemmingsgebied ten gevolge van de planologische ruil;b) de ruilwaarde van elk vroeger perceel;c) de totale ruilwaarde van alle vroegere percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker;3° een classificatieplan met aanduiding van de gebruikswaardezones, gevormd door het groeperen van percelen met dezelfde gebruikswaarde;4° een lijst van de gebruikers met per gebruiker: a) de vroegere percelen met vermelding van het bestemmingsgebied van kracht in de ruimtelijke ordening voor de wijziging van het bestemmingsgebied ten gevolge van de planologische ruil;b) de gebruikswaarde van elk vroeger perceel;c) de totale gebruikswaarde van alle vroegere percelen van de gebruiker;5° een plan met de vroegere percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zijn bezwaard;6° een lijst van de vroegere percelen met voor elk perceel de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, of erfpacht, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht. De ruilwaarde van de vroegere percelen wordt bepaald op basis van de oppervlakte, de ligging, het bestemmingsgebied van kracht in de ruimtelijke ordening, de aanwezige constructies en opstanden, de cultuurwaarde en het bestaan van pacht of van erfdienstbaarheden en de verwervingswaarde, namelijk de objectieve factoren die de waarde van een grond kunnen beïnvloeden.

De gebruikswaarde van de vroegere percelen wordt bepaald conform artikel 2.1.26, tweede lid. § 3. De landcommissie bepaalt de toedeling. De landcommissie maakt daarvoor de classificatie volgens ruilwaarde en volgens gebruikswaarde op van het geheel van de onroerende goederen die bij de herverkaveling zijn betrokken. De volgende lijsten en de volgende plannen worden opgemaakt op basis van de kadastrale gegevens en andere beschikbare gegevens: 1° het herverkavelingsplan met de nieuwe percelen en het openbaar domein die behoren tot het blok;2° een lijst van de nieuwe percelen met voor elk perceel de oppervlakte, de eigenaars, de vruchtgebruikers en de gebruikers, en het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;3° een lijst van de eigenaars en de vruchtgebruikers met per eigenaar en per vruchtgebruiker: a) de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;b) de ruilwaarde van elk nieuw perceel;c) de totale ruilwaarde van alle nieuwe percelen van de eigenaar en van de vruchtgebruiker;4° een lijst van de gebruikers met per gebruiker: a) de nieuwe percelen met vermelding van het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan;b) de gebruikswaarde van elk nieuw perceel;c) de totale gebruikswaarde van alle nieuwe percelen van de gebruiker;5° een plan met de nieuwe percelen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal-, gebruiks- of bewoningsrecht zullen worden bezwaard;6° een lijst waarop voor iedere eigenaar en iedere vruchtgebruiker de volgende gegevens zijn vermeld: de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, de erfpacht-, opstal-, gebruiks- en bewoningsrechten, met vermelding van de vroegere percelen en van de nieuwe percelen die in de plaats daarvan komen;7° het herverkavelingsplan met de erfdienstbaarheden die worden gevestigd en de erfdienstbaarheden die worden afgeschaft.De andere erfdienstbaarheden worden behouden.

De ruilwaarde en de gebruikswaarde van de nieuwe percelen worden bepaald conform artikel 2.1.26. Bij het bepalen van die waarden wordt echter rekening gehouden met het bestemmingsgebied dat aangewezen is in het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan. § 4. De landcommissie bepaalt de financiële regeling conform artikel 2.1.27. § 5. De artikelen 2.1.29 tot en met 2.1.37 zijn van toepassing op het grondruilplan. § 6. Het grondruilplan wordt tegelijk met het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 2.2.7, 2.2.10 of 2.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. De landcommissie brengt elke rechthebbende voorafgaand aan het openbaar onderzoek over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en grondruilplan per beveiligde zending op de hoogte van zijn toestand, zoals opgenomen in het grondruilplan, en van de mogelijkheid om adviezen, opmerkingen of bezwaren in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.

Op basis van de adviezen, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek over het grondruilplan, kan de landcommissie het grondruilplan wijzigen.

Als ten gevolge van het openbaar onderzoek over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt gewijzigd, past de landcommissie waar nodig het grondruilplan aan.

De landcommissie brengt elke rechthebbende van wie de toestand die opgenomen is in het grondruilplan wijzigt ten gevolge van het openbaar onderzoek over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en grondruilplan, per beveiligde zending op de hoogte van die wijziging. § 7. De instantie die instaat voor het opmaken van het ruimtelijk uitvoeringsplan bezorgt alle informatie aan de landcommissie die deze nodig heeft voor de uitvoering van haar taken in het kader van de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil. De landcommissie bezorgt alle informatie aan de instantie die instaat voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan die deze nodig heeft voor de uitvoering van haar taken in het kader van de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil.

Art. 2.1.66. Als het grondruilplan definitief is vastgesteld, gaat de landcommissie zo nodig over tot de afpaling van de nieuwe percelen.

Hiernavolgend wordt de instrumenterende ambtenaar belast met de opmaak van de herverkavelingsakte en het verlijden ervan.

De herverkavelingsakte omvat: 1° de vaststelling van de rechten en plichten die voortvloeien uit de plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.1.65, § 2, § 3 en § 4, en artikel 2.1.36 en 2.1.37; 2° de door de landcommissie vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe percelen;3° de financiële afrekening die de financiële compensatie en de gebruikersvergoeding bevat, alsook de tijdstippen voor de vereffening van die vergoedingen. De plannen, de lijsten en de overeenkomsten, vermeld in het tweede lid, 1°, en de overeenkomsten en rechterlijke beslissingen, vermeld in artikel 2.1.32 en 2.1.35, worden aan de herverkavelingsakte gehecht.

Artikel 2.1.50, 2.1.51 en 2.1.52 zijn van toepassing op de herverkavelingsakte.

Hoofdstuk 4. - Andere instrumenten Afdeling 1. - Vergoedingen bij lokale grondenbanken

Art. 2.1.67. Als de wijziging van de eigendoms- of gebruikstoestand vereist is om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, dan kan de Vlaamse Grondenbank een lokale grondenbank inzetten conform artikel 15/2 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen, en kunnen door de Vlaamse Grondenbank ver- goedingen worden toegekend: 1° aan de eigenaar, bovenop de verkoopprijs van het onroerend goed bij verkoop aan de Vlaamse Grondenbank;2° aan de houder van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht, bovenop de conventionele of wettelijke vergoeding voor de beëindiging van het gebruik;3° aan de eigenaar van een onroerend goed voor het afsluiten, op verzoek van de Vlaamse Grondenbank, van een pachtovereenkomst op het onroerend goed. Art. 2.1.68. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vaststelling van de vergoedingen, vermeld in artikel 2.1.67, de criteria die daarvoor gelden, de werkingsmiddelen, en over de wijze van betaling ervan. Afdeling 2. - Vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting en

bedrijfsreconversie Art. 2.1.69. De gebruiker kan een vergoeding aanvragen voor een vrijwillige bedrijfsverplaatsing, een vrijwillige bedrijfsstopzetting of een vrijwillige bedrijfsreconversie als ten minste een van de volgende situaties zich voordoet: 1° de aanwezigheid van het bedrijf belemmert rechtstreeks de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma;2° de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering komt ernstig in het gedrang door de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma. Art. 2.1.70. Een vrijwillige bedrijfsverplaatsing betreft het vrijwillig overbrengen van een bedrijf naar een gebied waar het zich duurzaam kan ontwikkelen. Een vrijwillige bedrijfsverplaatsing is van toepassing op een bedrijf.

Art. 2.1.71. Een vrijwillige bedrijfsstopzetting betreft de vrijwillige en vervroegde volledig stopzetting van alle commerciële landbouwactiviteiten door de gebruiker van dat landbouwbedrijf. Een vrijwillige bedrijfsreconversie betreft de omschakeling van een commerciële landbouwactiviteit, waarbij de commerciële landbouwactiviteit in overeenstemming komt met de doelstellingen van het landinrichtingsproject of met de doelstellingen van het plan, project of programma. Een vrijwillige bedrijfsstopzetting en een vrijwillige bedrijfsreconversie zijn van toepassing op een landbouwbedrijf.

Art. 2.1.72. De gebruiker van een bedrijf of een landbouwbedrijf dient de aanvraag van een vergoeding in bij de landcommissie.

De landcommissie stelt vast of het bedrijf of het landbouwbedrijf voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.1.69, 2.1.70 en 2.1.71, en aldus in aanmerking komt. De landcommissie houdt daarbij rekening met cumulatieve effecten van landinrichtingsprojecten of van projecten, plannen en programma's.

De landcommissie bepaalt in overleg met de initiatiefnemers van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma, welke onderdelen van het bedrijf die door de aanvrager te koop worden aangeboden, in aanmerking komen voor verwerving.

Art. 2.1.73. § 1. De gebruiker ontvangt een vergoeding.

De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bestaat uit een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de vrijwillige bedrijfsverplaatsing en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en investeringen die verbonden zijn aan de bedrijfsverplaatsing.

De vergoeding voor de vrijwillige stopzetting bestaat uit een vergoeding voor het verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de vrijwillige bedrijfsstopzetting, en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en het inkomensverlies die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsstopzetting.

De vergoeding voor de reconversie van het landbouwbedrijf bestaat uit een vergoeding voor het eventuele verlies van het gebruik van onroerende goederen dat gepaard gaat met de vrijwillige bedrijfsreconversie en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en de investeringen die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsreconversie. § 2. De gronden en gebouwen die betrokken zijn bij de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting of de vrijwillige bedrijfsreconversie komen slechts eenmaal in aanmerking voor een vergoeding. § 3. Als de aanwezigheid van het bedrijf de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma belemmert, wordt de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting of de vrijwillige bedrijfsreconversie pas uitgevoerd als er een blijvende oplossing wordt verkregen en de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma niet verder, of in de toekomst niet opnieuw kan worden belemmerd door een gebruik van gronden en gebouwen die betrokken zijn bij de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting of de vrijwillige bedrijfsreconversie.

Art. 2.1.74. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, voor de wijze van berekening en bepaling van de verkoopprijs, de vergoeding, de eenmaligheid van de vergoeding, en de werkwijze bij de toekenning van de vergoeding, alsook voor de taak van de landcommissies daarbij.

De instanties en personen, vermeld in artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9, kunnen het bedrijf of onderdelen van het bedrijf, vermeld in artikel 2.1.72, derde lid, verwerven.

De landcommissie bepaalt de verkoopprijs en de vergoeding met inachtneming van de nadere regels, vermeld in het eerste lid. Afdeling 3. - De koopplicht

Art. 2.1.75. De eigenaar van een onroerend goed kan de verwerving ervan eisen als hij aantoont dat, ten gevolge van de uitvoering van het landinrichtingsplan of het project, plan of programma, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.

De tot aankoop verplichte entiteit is de instantie, vermeld in artikel 3.3.7 of 3.3.8, die belast is met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan of die belast is met de uitvoering van de inrichtingsnota.

Bij het bepalen van de aankoopprijs wordt geen rekening gehouden met de waardevermindering die voortvloeit uit het landinrichtingsplan of het project, plan of programma.

Het bedrag dat de eigenaar van de tot aankoop verplichte entiteit ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Als de eigenaar toepassing maakt van de koopplicht kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of andere koopplicht van het Vlaamse Gewest voor hetzelfde onroerend goed.

Art. 2.1.76. De bepalingen van titel IV, hoofdstuk I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75.

Art. 2.1.77. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure voor de koopplicht, vermeld in artikel 2.1.75. Ze bepaalt ook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft.

Hoofdstuk 5. - Diverse bepalingen Art. 2.1.78. De vergoedingen, vermeld in deel 2, zijn onderling niet cumuleerbaar, tenzij het anders vermeld is. De vergoedingen, vermeld in deel 2, zijn ook niet cumuleerbaar, tenzij het anders vermeld is, met vergoedingen, planschade, kapitaalschade, gebruikerscompensatie op grond van een andere wetgeving, als ze betrekking hebben op dezelfde kosten, gebruiks-, inkomsten- of waardeverlies, prestatie of investering.

Art. 2.1.79. Als ten gevolge van de uitvoering van een instrument als vermeld in deel 2, een eigenaar of gebruiker een vordering tot toewijzing van een uitweg moet instellen met toepassing van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de administratieve overheid die met toepassing van artikel 3.3.7. tot en met 3.3.9. belast is met de uitvoering van dat instrument in voorkomend geval de kosten voor haar rekening.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de kosten die vergoed worden.

TITEL 2. - De landcommissies Art. 2.2.1. Per provincie wordt een landcommissie opgericht.

De landcommissies vervullen de opdrachten die door dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan aan hen zijn opgedragen in het kader van de volgende instrumenten, vermeld in deel 2: 1° de herverkaveling uit kracht van wet;2° de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil;3° de vergoeding voor waardeverlies van gronden;4° de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting, bedrijfsreconversie;5° de koopplicht. Binnen de grenzen van hun bevoegdheid vervullen de landcommissies hun taken volledig onafhankelijk en kunnen ze van geen enkele instantie instructies of bevelen ontvangen.

Art. 2.2.2. § 1. Een landcommissie is samengesteld uit de volgende leden: 1° de voorzitter, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud;2° de secretaris, voorgedragen door het agentschap;3° een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening;4° een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting;5° een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij;6° een lid, voorgedragen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken;7° de leden die met toepassing van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het gronden pandenbeleid benoemd zijn als deskundige op voordracht van de gewestelijke administratie die belast is met de uitvoering van het beleid over landbouw en visserij, en de gewestelijke administratie die belast is met de uitvoering van het beleid over natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu en van het milieubeleid van de kapi- taalschadecommissie voor de provincie in kwestie. Voor de leden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, worden op dezelfde wijze plaatsvervangende leden aangewezen.

Voor de leden, vermeld in het eerste lid, 7°, zijn de plaatsvervangende leden die met toepassing van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid benoemd zijn als plaatsvervangend lid van de kapitaalschadecommissie voor de provincie in kwestie ook plaatsvervangend lid in de landcommissie in kwestie.

De leden en de plaatsvervangende leden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, zijn personeelslid bij de Vlaamse administratie.

De voorzitter van de vijf landcommissies is altijd dezelfde persoon.

De plaatsvervangende voorzitter van de vijf landcommissies is altijd dezelfde persoon. § 2. De Vlaamse Regering benoemt de leden en de plaatsvervangende leden van de landcommissies, met uitzondering van de leden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 7°, en vermeld in paragraaf 1, derde lid. § 3. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de werking, de organisatie en de taken van de landcommissies.

Art. 2.2.3. § 1. Elke landcommissie heeft rechtspersoonlijkheid. De landcommissie vestigt haar zetel bij het agentschap.

De secretaris en de plaatsvervangende secretaris van de landcommissie hebben geen stemrecht. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter beslissend.

De landcommissie kan alleen geldig beslissen als de meerderheid van de stemgerechtigde leden aanwezig is. Bij afwezigheid van de meerderheid van de stemgerechtigde leden wordt de landcommissie opnieuw samengeroepen om bij meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden te beslissen over dezelfde agendapunten.

De voorzitter en de secretaris van de landcommissie in kwestie voeren de beslissingen van de landcommissie uit en ze treden voor haar op in alle openbare en onderhandse akten, alsook in de rechtsvorderingen, zonder tegenover derden te moeten doen blijken van een beslissing van de landcommissie. De dagvaardingen en kennisgevingen aan de landcommissie worden geldig gedaan aan de voorzitter of aan de secretaris van de landcommissie in kwestie. § 2. Als een instrument als vermeld in artikel 2.2.1, tweede lid, wordt toegepast, kan een vertegenwoordiger van de initiatiefnemer van een project, plan of programma of van de instantie die met toepassing van artikel 3.3.7 tot en met 3.3.9 belast is met de uitvoering van het landinrichtingsplan of gedeelten ervan, aanwezig zijn tijdens de vergaderingen van de landcommissie en advies verlenen aan de landcommissie. § 3. De Vlaamse Regering stelt het huishoudelijk reglement van de landcommissies vast.

Art. 2.2.4. Het agentschap voert het secretariaat van de landcommissies. Het agentschap is verantwoordelijk voor de verwerking van alle informatie, met inbegrip van persoonsgegevens als vermeld in artikel 2.2.5. Het agentschap is rekenplichtig voor de uitgaven en ontvangsten waartoe de landcommissie heeft besloten.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de werking en de taken van het secretariaat van de landcommissies.

Art. 2.2.5. Elke administratieve overheid stelt op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging alle informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten opgedragen aan de landcommissies. Die informatie wordt opgevraagd door en ter beschikking gesteld aan de landcommissie in kwestie.

Elke eigenaar van onroerende goederen stelt op eenvoudig verzoek informatie over de gebruikers en de houders van zakelijke rechten in kwestie, ter beschikking die nodig is voor de uitvoering van de opdrachten opgedragen aan de landcommissies. Die informatie wordt opgevraagd door en ter beschikking gesteld aan de landcommissie in kwestie.

Deel 3. - De toepassing van de instrumenten via landinrichtingsprojecten TITEL 1. - De landinrichtingsprojecten Art. 3.1.1. De Vlaamse Regering kan een landinrichtingsproject instellen als het landinrichtingsproject bijdraagt tot de realisatie van het beleid dat: 1° ofwel de Vlaamse Regering voert op het vlak van het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de open ruimte;2° ofwel een provincie of een gemeente voert op het vlak van het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de open ruimte, als dat beleid past binnen de prioriteiten van de Vlaamse Regering;3° ofwel een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest is belast met taken van openbaar nut op het vlak van het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de open ruimte, als de uitvoering van dat beleid past binnen de prioriteiten van de Vlaamse Regering. Een landinrichtingsproject wordt voorbereid en uitgevoerd met het oog op een participatieve, geïntegreerde en gebiedsgerichte aanpak. Dit houdt in dat de verschillende functies, kenmerken en kwaliteiten die in het gebied voorkomen mee in overweging worden genomen bij het bepalen en het uitwerken van doelstellingen, maatregelen en de daarvoor in te zetten instrumenten, als die functies, kenmerken en kwaliteiten kunnen worden beïnvloed door de gevraagde inrichting of het gevraagde beheer van de open ruimte.

In het eerste en het tweede lid wordt verstaan onder open ruimte: een gebied waarin de onbebouwde ruimte overweegt maar waarin elementen van bebouwing en infrastructuur die samenhangen met de onbebouwde ruimte kunnen voorkomen en plaatselijk kunnen overwegen.

Art. 3.1.2. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de advisering, de voorbereiding, de coördinatie, de instelling, de stopzetting, de gebiedsafbakening en het tijdspad van de landinrichtingsprojecten.

TITEL 2. - De programmacommissie Art. 3.2.1. De Vlaamse Regering richt een programmacommissie op.

De programmacommissie heeft de volgende taken: 1° ze adviseert de Vlaamse Regering over de instelling van het landinrichtingsproject, met inbegrip van de gebiedsafbakening van het landinrichtingsproject.Ze gaat daarbij na of het landinrichtingsproject voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 1.1.4 en 3.1.1; 2° ze verleent advies aan de Vlaamse Regering over het landinrichtingsbeleid in Vlaanderen en de programmering van de landinrichtingsprojecten;3° ze staat in voor de beleidsmatige opvolging en evaluatie van de uitvoering van de landinrichtingsprojecten. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de samenstelling, de werking, de taken en de adviesbevoegdheid van de programmacommissie.

De programmacommissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Vlaamse administratie, provincies en gemeenten.

TITEL 3. - De opmaak en uitvoering van landinrichtingsplannen Hoofdstuk 1. - De landinrichtingsplannen Art. 3.3.1. De Vlaamse Regering stelt voor elk landinrichtingsproject een of meerdere landinrichtingsplannen vast.

Een landinrichtingsplan bestaat ten minste uit de volgende elementen: 1° een beschrijving van het doel van het landinrichtingsplan, van de wijze waarop het landinrichtingsplan bijdraagt tot de realisatie van het doel van het landinrichtingsproject en van de gewenste maatregelen;2° een instrumentafweging met het oog op het bereiken van de optimale mix gericht op het doelmatig, billijk en efficiënt inzetten van de beschikbare middelen voor de realisatie van het landinrichtingsproject;3° de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan wordt opgemaakt met aanduiding van het gebied waar een bepaald instrument wordt toegepast;4° de motivering waarom een instrument wordt toegepast;5° als het instrument erfdienstbaarheid tot openbaar nut wordt ingezet: de omschrijving van het algemeen nut waarvoor het instrument wordt toegepast;6° een uitvoeringsprogramma en een financieringsplan. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure voor de opmaak en de vaststelling van de landinrichtingsplannen.

Art. 3.3.2. Het agentschap is belast met de opmaak van de landinrichtingsplannen en met de coördinatie van de uitvoering van de landinrichtingsplannen.

Om het doel van een landinrichtingsproject te realiseren, kan de Vlaamse Regering het agentschap machtigen om onroerende goederen te verwerven door onteigening ten algemenen nutte.

Art. 3.3.3. Het agentschap oefent controle uit op de verrichtingen van de ontwerpers, aannemers en technici die op grond van de landinrichtingsplannen zijn belast met studies, werken of opdrachten.

Vertegenwoordigers van het agentschap mogen bij de uitoefening van hun controleopdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen die bestemd zijn voor privé- of bedrijfsactiviteiten.

Art. 3.3.4. Elke administratieve overheid stelt op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging alle informatie en kennis, met inbegrip van persoonsgegevens, ter beschikking die nodig zijn voor de voorbereiding en de uitvoering van landinrichtingsplannen.

Voor de voorbereiding en de uitvoering van landinrichtingsplannen stelt elke eigenaar van onroerende goederen die binnen de gebiedsafbakening van het landinrichtingsproject liggen, op eenvoudig verzoek informatie ter beschikking over de gebruikers en de houders van zakelijke rechten in kwestie.

De informatie, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt opgevraagd door en ter beschikking gesteld aan het agentschap of aan de persoon of instantie die belast is met de uitvoering zoals vastgelegd in het landinrichtingsplan.

Het agentschap is verantwoordelijk voor de verwerking van de informatie, vermeld in het eerste en tweede lid.

Art. 3.3.5. Niemand mag de uitvoering hinderen van werken die nodig zijn voor de realisatie van het landinrichtingsplan, noch de plaatsing hinderen van materialen, gereedschappen en werktuigen die nodig zijn voor de uitvoering van die werken.

Hoofdstuk 2. - De planbegeleidingsgroepen Art. 3.3.6. Voor elk landinrichtingsproject wordt een planbegeleidingsgroep opgericht. De planbegeleidingsgroep bestaat uit vertegenwoordigers van administratieve overheden en doelgroepen die betrokken zijn bij het landinrichtingsproject.

De planbegeleidingsgroep bepaalt welke landinrichtingsplannen worden opgemaakt en ondersteunt het agentschap bij de opmaak van landinrichtingsplannen.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de planbegeleidingsgroep.

Hoofdstuk 3. - Instanties en personen die belast kunnen worden met de uitvoering van landinrichtingsplannen Art. 3.3.7. Departementen en agentschappen van de Vlaamse overheid kunnen door de Vlaamse Regering belast worden met de uitvoering van een landinrichtingsplan of gedeelten ervan.

Art. 3.3.8. Provincies, gemeenten, en publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen met hun instemming door de Vlaamse Regering belast worden met de uitvoering van een landinrichtingsplan of gedeelten ervan.

Art. 3.3.9. Privaatrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen kunnen met hun instemming door de Vlaamse Regering belast worden met de uitvoering van een landinrichtingsplan of gedeelten ervan.

Als de gebruiker van het goed in kwestie belast wordt met de uitvoering van een landinrichtingsplan of gedeelten ervan en als die gebruiker geen zakelijk recht heeft op het goed, moeten de betrokken eigenaars en de andere houders van een zakelijk recht ook instemmen met de uitvoering van het landinrichtingsplan of de gedeelten in kwestie ervan, behalve voor de toepassing van beheerovereenkomsten of dienstenvergoedingen als vermeld in artikel 2.1.6 en 2.1.9.

Art. 3.3.10. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de instanties en personen, vermeld in dit hoofdstuk, belast kunnen worden met de uitvoering van een landinrichtingsplan of gedeelten ervan.

TITEL 4. - Subsidies Art. 3.4.1. Binnen de grenzen van de begroting kan het Vlaamse Gewest een subsidie toekennen voor de kosten die het gevolg zijn van de voorbereiding van de landinrichtingsplannen. Die subsidie kan worden toegekend voor voorbereidingen die worden getroffen na de instelling van een landinrichtingsproject.

Art. 3.4.2. Het agentschap kan, op voorstel van de planbegeleidingsgroep en na instelling van een landinrichtingsproject, instanties en personen oproepen om projectvoorstellen voor uitvoeringsinitiatieven in te dienen.

Uitvoeringsinitiatieven moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° passen binnen de doelstelling van de landinrichting;2° bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het landinrichtingsproject;3° op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Binnen de grenzen van de begroting kan het Vlaamse Gewest een subsidie toekennen voor uitvoeringsinitiatieven die door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure voor het indienen en het vaststellen van uitvoeringsinitiatieven.

Art. 3.4.3. Binnen de grenzen van de begroting kan het Vlaamse Gewest voor de gevallen, vermeld in het tweede, derde en vierde lid, een subsidie toekennen voor de kosten en de vergoedingen die het gevolg zijn van de uitvoering van een landinrichtingsproject.

Een subsidie kan worden toegekend voor de volgende instrumenten, vermeld in deel 2, als ze zijn opgenomen in het landinrichtingsplan: 1° inrichtingswerken;2° beheerovereenkomsten;3° dienstenvergoeding;4° vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting, bedrijfsreconversie;5° vergoedingen voor lokale grondenbanken;6° vergoeding voor waardeverlies van gronden. Een subsidie kan worden toegekend voor grondverwerving als de grondverwerving nodig is om het landinrichtingsproject te realiseren.

Een subsidie kan worden toegekend voor de opmaak van een onderhoudsplan als vermeld in artikel 3.5.1.

Art. 3.4.4. De Vlaamse Regering bepaalt de tegemoetkoming van het Vlaamse Gewest die toegekend kan worden aan de instanties en personen die belast kunnen worden met de uitvoering van landinrichtingsplannen, vermeld in artikel 3.3.7, 3.3.8 en 3.3.9.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de subsidievoorwaarden en de procedure om de subsidies toe te kennen en te controleren.

TITEL 5. - Instandhouding en onderhoud Art. 3.5.1. Voor de instandhouding en het onderhoud van de maatregelen die uitgevoerd worden overeenkomstig het landinrichtingsplan of in het kader van uitvoeringsinitiatieven als vermeld in artikel 3.4.2, kan een onderhoudsplan opgemaakt worden. Het onderhoudsplan bevat bepalingen over de wijze waarop de uitgevoerde inrichtingswerken beheerd moeten worden.

Als beheerplannen, inclusief de herzieningen ervan, overeenkomstig andere wetgeving worden uitgewerkt, kan het onderhoudsplan, vermeld in het eerste lid, daarin geïntegreerd worden.

Art. 3.5.2. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud en de uitvoering van het onderhoudsplan en de werkwijze en procedure voor de totstandkoming van het onderhoudsplan.

Deel 4. - De toepassing van de instrumenten voor de realisatie van projecten, plannen of programma's TITEL 1. - Projecten, plannen of programma's Art. 4.1.1. De Vlaamse Regering kan beslissen een of meerdere instrumenten als vermeld in deel 2, toe te passen voor de realisatie van een project, plan of programma, als de toepassing van de instrumenten bijdraagt tot de realisatie van het beleid dat ze voert op het vlak van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de ruimte.

Het provinciebestuur kan beslissen een of meer instrumenten als vermeld in deel 2, toe te passen voor de realisatie van een project, plan of programma, als het een project, plan of programma betreft dat door het provinciebestuur is goedgekeurd en als de toepassing van de instrumenten bijdraagt tot de realisatie van het beleid dat het voert op het vlak van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de ruimte. Voor de toepassing van de instrumenten inrichtingswerken uit kracht van wet, vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsreconversie, bedrijfsstopzetting, recht van voorkoop, vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut, herverkaveling uit kracht van wet, herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil en vergoeding voor waardeverlies van gronden, is een machtiging van de Vlaamse Regering vereist.

Het gemeentebestuur kan beslissen een of meerdere instrumenten als vermeld in deel 2, toe te passen voor de realisatie van een project, plan of programma, als het een project, plan of programma betreft dat door het gemeentebestuur is goedgekeurd en als de toepassing van de instrumenten bijdraagt tot de realisatie van het beleid dat het voert op het vlak van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van functies en kwaliteiten van de ruimte. Voor de toepassing van de instrumenten inrichtingswerken uit kracht van wet, vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsreconversie, bedrijfsstopzetting, recht van voorkoop, vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut, herverkaveling uit kracht van wet, herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil en vergoeding voor waardeverlies van gronden, is een machtiging van de Vlaamse Regering vereist.

TITEL 2. - De opmaak, de onderbouwing en uitvoering van inrichtingsnota's Hoofdstuk 1. - De opmaak van inrichtingsnota's Art. 4.2.1. De Vlaamse Regering, het provinciebestuur of het gemeentebestuur stelt voor de realisatie van het project, plan of programma een of meerdere inrichtingsnota's vast, voor zover de inzet van de instrumenten als vermeld in deel 2 noodzakelijk is.

Een inrichtingsnota wordt opgemaakt met het oog op een geïntegreerde en gebiedsgerichte aanpak. Dit houdt in dat de verschillende functies, kenmerken en kwaliteiten die in het gebied voorkomen mee in overweging worden genomen bij het bepalen en het uitwerken van doelstellingen, maatregelen en de daarvoor in te zetten instrumenten, als die functies, kenmerken en kwaliteiten kunnen worden beïnvloed door de gevraagde inrichting of het gevraagde beheer van de ruimte.

De inrichtingsnota's worden opgemaakt in overleg met het agentschap.

Als het een inrichtingsnota betreft die door het provinciebestuur of het gemeentebestuur wordt vastgesteld, is die vaststelling pas mogelijk nadat ze is goedgekeurd door het agentschap.

Art. 4.2.2. Een inrichtingsnota bestaat ten minste uit de volgende elementen: 1° een beschrijving van de opties uit het project, plan of programma en van de gewenste maatregelen;2° een instrumentafweging met het oog op het bereiken van de optimale mix gericht op het doelmatig, billijk en efficiënt inzetten van de beschikbare middelen voor de realisatie van het project, plan en programma;3° de aanduiding of afbakening van het gebied waar een instrument wordt toegepast;4° de motivering waarom een instrument wordt toegepast;5° als het instrument erfdienstbaarheid tot openbaar nut wordt ingezet: de omschrijving van het algemeen nut waarvoor het instrument wordt toegepast;6° een uitvoeringsprogramma en een financieringsplan. Art. 4.2.3. De artikelen 3.3.3 tot en met 3.3.5 zijn van overeenkomstige toepassing op de inrichtingsnota's.

Art. 4.2.4. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure voor de opmaak en de vaststelling van de inrichtingsnota's en de integratie ervan in een beslissing over het project, plan of programma waarmee ze samenhangen. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen een openbaar onderzoek vereist is over een inrichtingsnota en de wijze waarop dit openbaar onderzoek wordt georganiseerd.

Hoofdstuk 2. - De onderbouwing van inrichtingsnota's Art. 4.2.5. De inrichtingsnota's of onderdelen ervan, zoals onder meer een instrumentafweging, kunnen onderbouwd worden door procesbegeleiding en door studies met betrekking tot de verschillende functies, kenmerken en gebruiken van het gebied waarop het project, plan of programma betrekking heeft. Dat houdt in dat de verschillende functies, kenmerken en gebruiken die in het gebied voorkomen, mee in overweging worden genomen bij het bepalen en het uitwerken van de gewenste maatregelen en de instrumenten die daarvoor ingezet kunnen worden, als die functies, kenmerken en gebruiken kunnen worden beïnvloed door de in het project, plan of programma gevraagde inrichting of gevraagde beheer van de ruimte.

Art. 4.2.6. Een mogelijke studie als vermeld in artikel 4.2.5 is een landbouweffectenrapport. Een landbouweffectenrapport kan worden opgemaakt om het effect op de landbouw te onderzoeken van projecten, plannen of programma's.

Het landbouweffectenrapport is een rapportage van het onderzoek naar de effecten van projecten, plannen of programma's op de landbouw in zijn geheel en op de individuele landbouwbedrijven.

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de landbouweffectenrapportage.

Hoofdstuk 3. - Instanties en personen die belast kunnen worden met de uitvoering van inrichtingsnota's Art. 4.2.7. De artikelen 3.3.7 tot en met 3.3.10 zijn van overeenkomstige toepassing op de inrichtingsnota's.

Hoofdstuk 4. - De financiering Art. 4.2.8. De Vlaamse Regering, het provinciebestuur of het gemeentebestuur staat in voor de financiering van de opmaak en de uitvoering van de inrichtingsnota, alsook voor de financiering van de procesbegeleiding en de opmaak van de studies, vermeld in artikel 4.2.5 en 4.2.6.

Als het agentschap gevraagd wordt om de inrichtingsnota op te maken of betrokken is bij de toepassing van de instrumenten, vermeld in deel 2, rekent het daarvoor werkingsmiddelen aan, aan de Vlaamse Regering, het provinciebestuur of het gemeentebestuur.

Deel 5. - De toepassing van de instrumenten beheerovereenkomsten en de dienstenvergoedingen via een beheervisie Art. 5.1.1. § 1. De Vlaamse Regering duidt een gebied aan binnen de open ruimte waarbinnen beheerovereenkomsten en dienstenvergoedingen kunnen worden gesloten respectievelijk worden uitbetaald, conform artikel 2.1.6 tot en met 2.1.8, wat de beheerovereenkomsten betreft, en conform artikel 2.1.9 tot en met 2.1.11, wat de dienstenvergoedingen betreft.

In het eerste lid wordt verstaan onder open ruimte: een gebied waarin de onbebouwde ruimte overweegt maar waarin elementen van bebouwing en infrastructuur die samenhangen met de onbebouwde ruimte kunnen voorkomen en plaatselijk kunnen overwegen. § 2. Een gebied wordt aangeduid op basis van een beheervisie. De beheervisie omvat onder meer: 1° een omschrijving van de doelstellingen en maatregelen waarvoor de beheerovereenkomsten en de dienstenvergoedingen worden ingezet;2° de te verwachten resultaten;3° een omschrijving van de pakketten beheerovereenkomsten en dienstenvergoedingen die voor de uitvoering van de beheervisie kunnen worden gesloten respectievelijk uitbetaald; 4° de motivering voor de inzet van de instrumenten, zoals bepaald in artikel 1.1.4.

Deze beheervisie kan aangeleverd worden door het agentschap, door een administratieve overheid of door de door de Vlaamse Regering nader te bepalen instanties. § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de procedure van de aanduiding van een gebied en de inhoud van de beheervisie.

Deel 6. - Evaluatie Art. 6.1.1. Om de vijf jaar, vanaf het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet, en altijd voor 30 juni, bezorgt de Vlaamse Regering een rapport aan het Vlaams Parlement waarin de toepassing van dit decreet wordt geëvalueerd. Het agentschap staat in voor de opmaak van het rapport.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud van het rapport.

Deel 7. - Slotbepalingen TITEL 1. - Wijzigingen betreffende de Vlaamse Grondenbank Art. 7.1.1. In artikel 5 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen, gewijzigd bij de decreten van 25 mei 2007 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt: " § 5.De Vlaamse Grondenbank kan, op verzoek van de administratieve overheden in het Vlaamse Gewest, aan de personen die onteigend worden, gelijkwaardige gronden aanbieden. Het bedrag van de met toepassing van artikel 16 van de Grondwet verschuldigde geldelijke schadeloosstelling wordt in voorkomend geval vereffend of verminderd door de voorgestelde grondenruil. Dergelijke grondenruil kan nooit worden opgelegd aan de onteigende, met behoud van de toepassing van de wetgeving op de ruilverkaveling van landeigendommen. De ruiloperaties verlopen conform artikel 15/2."; 2° paragraaf 7 wordt vervangen door wat volgt: " § 7.De Vlaamse Grondenbank kan, op verzoek van de betrokken gewestelijke administratie, de conform artikel 4.4.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aangekochte goederen aanhouden, administratief beheren en zakelijke rechten daarop overdragen, en de ruiloperaties, vermeld in artikel 4.4.2, § 2, van de voormelde codex, doorvoeren. De ruiloperaties verlopen conform artikel 15/2.".

Art. 7.1.2. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 25 mei 2007, 20 februari 2009, 27 maart 2009, 8 mei 2009, 23 december 2010 en 1 maart 2013, wordt aan hoofdstuk I van titel IV een artikel 12/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 12/1.§ 1. Ten gevolge van een ruil als vermeld in artikel 5, § 2, 5°, en artikel 5, § 3, 1°, kunnen de rechten die de pachter op zijn vroegere perceel bezat, worden overgedragen op zijn nieuwe perceel.

Als die rechten worden overgedragen, kunnen wijzigingen worden aangebracht aan de pacht, inzonderheid met betrekking tot: 1° de pachtprijs;2° de duur van de pacht;3° de vergoedingen die overeenkomstig de Pachtwet verschuldigd zijn aan de pachter die de kosten heeft gedragen voor aanplantingen, bouwwerken en alle werken die noodzakelijk zijn voor de bewoonbaarheid van het gepachte goed of die dienstig zijn voor de exploitatie van dat goed en die stroken met de bestemming ervan. Als wijzigingen aan de pacht worden aangebracht, roept de Vlaamse Grondenbank de partijen op en doet hen zodanige voorstellen dat ze ermee instemmen. Als een overeenkomst wordt bereikt, stelt de Vlaamse Grondenbank dat schriftelijk vast.

De bepalingen van het eerste lid gelden in afwijking van de gemeenrechtelijke regeling. § 2. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, zijn van overeenkomstige toepassing op de erfpacht, het recht van opstal en het recht van gebruik en bewoning.".

Art. 7.1.3. In titel IV van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 23 december 2010, wordt een hoofdstuk IV/1, dat bestaat uit artikel 15/2, ingevoegd, dat luidt als volgt: "Hoofdstuk IV/1. - Lokale grondenbanken

Art. 15/2.Als de wijziging van de bestaande eigendoms- of gebruikstoestand in een gebied vereist is om de doelstellingen van een of meer administratieve overheden van het Vlaamse Gewest te realiseren, kan de Vlaamse Grondenbank onroerende goederen verwerven, administratief beheren of overdragen. De Vlaamse Grondenbank oefent die taak uit conform artikel 5 en volgens de richtlijnen en voorwaarden die bepaald worden door de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest. De werkwijze wordt vastgelegd in een overeenkomst gesloten tussen de Vlaamse Grondenbank en een of meer administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, en wordt benoemd als de inzet van lokale grondenbanken.

De instanties waarmee de overeenkomst lokale grondenbank wordt gesloten, staan in voor de kosten die voortvloeien uit het verwerven, vervreemden en administratief beheren van de onroerende goederen, zoals de aktekosten en de vergoedingen, overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de betaling van werkingsmiddelen aan het agentschap voor wat haar taken ingevolge de uitvoering van dit decreet betreft.

De wijziging van de eigendoms- en gebruikstoestand is alleen mogelijk als de eigenaars en andere houders van zakelijke rechten op het onroerend goed en de gebruikers instemmen met de wijziging.".

Art. 7.1.4. In artikel 19 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan § 1 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt: "5° het recht van voorkoop, vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn binnen de in het landinrichtingsplan aangeduide zone waar het recht van voorkoop geldt conform het voormelde decreet betreffende de landinrichting;"; 2° aan § 2 wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt: "9° het recht van voorkoop, vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, voor aanbiedingen van goederen die gelegen zijn binnen de in de inrichtingsnota aangeduide zone waar het recht van voorkoop geldt conform het voormelde decreet betreffende de landinrichting.".

Art. 7.1.5. In titel IV van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 23 december 2010, wordt een hoofdstuk VI/1, dat bestaat uit artikel 19/1, 19/2 en 19/3 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Hoofdstuk VI/1. - Recht van voorkeur

Art. 19/1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder beveiligde zending: een aangetekende brief, een afgifte tegen ontvangstbewijs of elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.

Art. 19/2.De Vlaamse Grondenbank heeft een recht van voorkeur bij de verkoop door een administratieve overheid van het Vlaamse Gewest van onroerende goederen die in een gebied liggen dat valt onder de categorie `recreatie', `landbouw', `bos', `overig groen', `reservaat en natuur', `gemeenschaps- en nutsvoorzieningen' of `ontginning en waterwinning', vermeld in artikel 2.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.

Art. 19/3.§ 1. De administratieve overheid van het Vlaamse Gewest doet, voorafgaand aan de verkoop, een aanbod tot aankoop. Het aanbod tot aankoop wordt gedaan aan de Vlaamse Grondenbank met een beveiligde zending. Het aanbod tot aankoop bevat de vraagprijs en de verkoopsvoorwaarden. De vraagprijs mag niet hoger zijn dan de venale waarde, zoals geschat door het aankoopcomité, een ontvanger van het registratiekantoor of een beëdigde schatter. § 2. De Vlaamse Grondenbank oefent het recht van voorkeur uit met een beveiligde zending binnen een termijn van twee maanden na datum van de beveiligde zending, vermeld in paragraaf 1.

Als de Vlaamse Grondenbank het aanbod niet aanvaardt binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, kan de administratieve overheid van het Vlaamse Gewest het goed vrij verkopen aan een derde gedurende een periode van één jaar vanaf de datum van de beveiligde zending, vermeld in paragraaf 1, met dien verstande dat het goed niet verkocht mag worden tegen een prijs en onder voorwaarden die gunstiger zijn dan vermeld in het aanbod tot aankoop, vermeld in paragraaf 1. Na verloop van de voormelde periode van één jaar wordt de procedure vermeld in paragraaf 1, toegepast. § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor dit recht van voorkeur.".

Art. 7.1.6. In artikel 20 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan § 2 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt: "4° de koopplicht, vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, voor goederen die gelegen zijn binnen de in het landinrichtingsplan aangeduide zone waar de koopplicht geldt conform het voormelde decreet betreffende de landinrichting;"; 2° aan § 3 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt: "5° de koopplicht, vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, voor goederen die gelegen zijn binnen de in de inrichtingsnota aangeduide zone waar de koopplicht geldt conform het voormelde decreet betreffende de landinrichting.".

Art. 7.1.7. Op de overeenkomsten met betrekking tot een lokale grondenbank die werden gesloten tussen de Vlaamse Grondenbank en een administratieve overheid voor de inwerkingtreding van dit decreet blijven de bepalingen van de reeds gesloten overeenkomst van toepassing en worden niet vervangen door bepalingen van dit decreet.

TITEL 2. - Wijzigingen van het oprichtingsdecreet van de Vlaamse Landmaatschappij Art. 7.2.1. Aan artikel 1bis, § 2, van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij de decreten van 16 juni 2006 en 22 december 2006, worden een punt 7° en een punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt: "7° het decreet Landinrichting: het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting; 8° administratieve overheid: het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, de besturen die onderworpen zijn aan het administratieve toezicht van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut.".

Art. 7.2.2. In artikel 5 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij de decreten van 16 juni 2006 en 22 december 20, wordt punt 3° vervangen door wat volgt: "3° de landinrichting, vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;".

Art. 7.2.3. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, wordt een artikel 10/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 10/1.De administratieve overheden stellen aan de VLM op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging alle informatie, met inbegrip van persoonsgegevens, ter beschikking die nodig is voor de uitoefening van de volgende taken waarmee de VLM is belast: 1° ter uitvoering van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut: de berekening van de gebruikerscompensatie;2° ter uitvoering van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid: de uitoefening van de aankoopplicht en de vergoedingsplicht;3° ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu: a) de opmaak van rapporten, plannen en lijsten in het kader van natuurinrichting en de berekening van vergoedingen in het kader van natuurinrichting;b) de uitoefening van de koopplicht;c) de berekening van vergoedingen voor de verhoging van het waterpeil in het kader van de natuurrichtplannen;4° ter uitvoering van het decreet van 21 december 1988 houdende de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij: a) de opmaak van studies met betrekking tot de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van inrichtingsprojecten, gericht op de ondersteuning van de algemene inrichting van het buitengebied en de open ruimte;b) de opmaak van landbouwgevoeligheidsanalyses en landbouweffectenrapporten met betrekking tot de taken van de VLM die bijdragen aan de algemene beleidsondersteuning inzake de open ruimte en het buitengebied en met betrekking tot projecten en programma's die de VLM in samenwerking met andere beleidsdomeinen en de bevoegde lokale besturen voorbereidt, stimuleert en ondersteunt;5° ter uitvoering van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijzigingen van diverse bepalingen: a) de aanleg van grondreserves;b) het ruilen van onroerende goederen;c) het beheer van onroerende goederen;d) de verplaatsing van landbouwbedrijven;6° ter uitvoering van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting. Het agentschap is verantwoordelijk voor de verwerking van de informatie, vermeld in het eerste lid.".

Art. 7.2.4. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013, wordt hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 11 tot en met 14, opgeheven.

Art. 7.2.5. § 1. Op de projecten die op grond van hoofdstuk VII van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij zijn aangevat voor de inwerkingtreding van dit artikel, blijven de bepalingen van het voormelde decreet van toepassing zoals die geldig waren voor de inwerkingtreding van dit artikel. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen na de inwerkingtreding van dit artikel geen inrichtingsplannen meer worden opgemaakt met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken. Deze inrichtingsplannen worden opgemaakt als landinrichtingsplannen volgens de bepalingen van deel 3, titel 3, hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, van dit decreet. De bepalingen van deel 1, deel 2 en deel 3, titel 4 en titel 5, van dit decreet zijn ook van toepassing op deze landinrichtingsplannen. Bijgevolg zijn de artikelen 9, tweede lid, tot en met artikel 17, van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 niet van toepassing. De bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken zijn niet van toepassing op deze landinrichtingsplannen.

In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van artikel 3.3.6 van dit decreet van toepassing als er nog geen planbegeleidingsgroep voor het inrichtingsproject landinrichting in kwestie is opgericht met toepassing van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004. Als er al een planbegeleidingsgroep voor het inrichtingsproject landinrichting in kwestie is opgericht met toepassing van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004, dan wordt die planbegeleidingsgroep behouden en neemt hij de taken waar van de planbegeleidingsgroep als vermeld in artikel 3.3.6 van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

TITEL 3. - Wijzigingen betreffende de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening Art. 7.3.1. Aan artikel 2.2.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden een punt 8° en 9° toegevoegd, die luiden als volgt: "8° in voorkomend geval, het grondruilplan, vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting; 9° in voorkomend geval, de inrichtingsnota, vermeld in artikel 4.2.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.".

Art. 7.3.2. Aan artikel 2.2.6, § 1, derde lid, van dezelfde codex wordt de volgende zin toegevoegd: "Als het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting bevat, stuurt de Vlaamse Regering het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan naar de bevoegde landcommissie, vermeld in het voormelde decreet.".

Art. 7.3.3. Aan artikel 2.2.9, § 1, tweede lid, van dezelfde codex wordt de volgende zin toegevoegd: "Als het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting bevat, stuurt de deputatie het voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan naar de bevoegde landcommissie, vermeld in het voormelde decreet.".

Art. 7.3.4. Aan artikel 2.2.13, § 1, tweede lid, van dezelfde codex wordt de volgende zin toegevoegd: "Als het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting bevat, stuurt het college van burgemeester en schepenen het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan naar de bevoegde landcommissie, vermeld in het voormelde decreet.".

Art. 7.3.5. Aan artikel 2.6.1, § 4, van dezelfde codex wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als: "11° als het perceel is opgenomen in een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.".

Art. 7.3.6. Aan artikel 2.6.5 van dezelfde codex wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als: "8° als het perceel is opgenomen in een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.".

TITEL 4. - Wijzigingen van het decreet Grond- en pandenbeleid Art. 7.4.1. In artikel 2.1.3, § 1, tweede lid, 8°, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid wordt het woord "landinrichting" vervangen door de zinsnede "landinrichting als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting".

Art. 7.4.2. Aan artikel 6.2.4, 1°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede ", uitgezonderd de percelen die geregistreerd worden binnen de teeltgroep `geen cultuurgrond'" toegevoegd.

Art. 7.4.3. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2009, 9 juli 2010 en 23 december 2011, wordt een artikel 6.2.9/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 6.2.9/1. Als het perceel is opgenomen in een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting is geen bestemmingswijzigingscompensatie van toepassing op dat perceel.".

Art. 7.4.4. In artikel 6.2.11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden "de persoon" telkens vervangen door de woorden "de eigenaar"; 2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Het recht op bestemmingswijzigingscompensatie ontstaat ofwel bij een overdracht onder bezwarende titel van het goed, ofwel bij inbreng van het goed in een vennootschap.".

Art. 7.4.5. Aan artikel 7.4.1, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt: "10° het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.".

TITEL 5. - Andere wijzigingen Art. 7.5.1. In artikel 23, § 1, tweede lid, d), van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 wordt de zinsnede "ter realisatie van landinrichtingsplannen zoals bedoeld in artikel 13 van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij" vervangen door de woorden "voor de verwezenlijking van de doelstellingen inzake landinrichting".

Art. 7.5.2. In artikel 36, § 2, 2°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu worden de woorden "richtplan van een landinrichtingsproject" vervangen door het woord "landinrichtingsproject".

Art. 7.5.3. In artikel 8, § 5, tweede lid, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt punt 3° vervangen door wat volgt: "3° een landinrichtingsplan als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;".

Art. 7.5.4. Aan artikel 161 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011, worden een punt 15° tot en met 17° toegevoegd, die luiden als volgt: "15° de akten houdende ruiling, vermeld in artikel 5, § 2, 5°, § 3, 1°, § 5 en § 7, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen; 16° de natuurinrichtingsakten, vermeld in artikel 41 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; 17° de akten houdende vrijwillige herverkaveling, de akten houdende herverkaveling uit kracht van wet en de akten houdende herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil, vermeld in artikel 2.1.18, 2.1.49 en 2.1.66 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.".

Art. 7.5.5. In artikel 3, 4°, van het decreet van 27 maart 2009 houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut, wordt tussen de woorden "de inwerkingtreding van" en de woorden "een ruimtelijk uitvoeringsplan" de zinsnede "de gebruiksbeperkingen, veroorzaakt door" ingevoegd.

Art. 7.5.6. In artikel 4, § 1, van hetzelfde decreet wordt tussen de woorden "de inwerkingtreding van de" en de woorden "bestemmingswijziging of overdruk" de zinsnede "gebruiksbeperkingen, veroorzaakt door een" ingevoegd.

Art. 7.5.7. Aan artikel 6 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 7. De gebruikerscompensatie is niet verschuldigd ingeval het perceel op het moment van de aanvraag van de gebruikerscompensatie is opgenomen in een onteigeningsplan opgemaakt ter verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het plan van aanleg dat een gebruikersschade doet ontstaan. Bij verval van het onteigeningsplan komt de gebruiker alsnog in aanmerking voor een gebruikerscompensatie, voor zover de aanvrager niet eerder in aanmerking kwam voor de gebruikerscompensatie waarbij de vervaltermijn voor de aanvraag was verstreken.".

Art. 7.5.8. In hetzelfde decreet wordt een artikel 10/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 10/1.Als het perceel is opgenomen in een grondruilplan als vermeld in artikel 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting is geen gebruikerscompensatie van toepassing op dat perceel.".

Art. 7.5.9. Deel 3 en de artikelen 7.2.2, 7.2.4, 7.2.5, 7.4.1 en 7.5.3 treden in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 31 december 2016.

Art. 7.5.10. De artikelen 7.4.2, 7.4.4, 7.5.5, 7.5.6 en 7.5.7 treden in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 31 december 2016.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 28 maart 2014.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, J. SCHAUVLIEGE De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS _______ Nota (1) Zitting 2013-2014 Stukken - Ontwerp van decreet: 2361 - Nr.1 - Amendementen: 2361 - Nr. 2 - Verslag over de hoorzitting: 2361 - Nr. 3 - Verslag: 2361 - Nr. 4 - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering: 2361 - Nr. 5 Handelingen - Bespreking en aanneming: Vergadering van 19 maart 2014.

^