Etaamb.openjustice.be
Decreet van 09 december 2005
gepubliceerd op 29 december 2005

Provinciedecreet

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2005036605
pub.
29/12/2005
prom.
09/12/2005
ELI
eli/decreet/2005/12/09/2005036605/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

9 DECEMBER 2005. - Provinciedecreet (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Provinciedecreet TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Art. 2.De provincies zijn het intermediair beleidsniveau tussen het Vlaamse en het gemeentelijke niveau. De provincies beogen om op het provinciale niveau bij te dragen tot het welzijn van de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het provinciale gebied.

Overeenkomstig artikel 41 van de gecoördineerde Grondwet zijn ze bevoegd voor de regeling van de provinciale belangen. Tot die provinciale belangen behoren met name : 1° de bovenlokale taakbehartiging.Een taakbehartiging is bovenlokaal als ze aangelegenheden van lokaal gemeentelijk belang overstijgt, voorzover ze streekgericht blijft en gericht is op realisaties binnen de grenzen van het grondgebied van de provincie; 2° ondersteunende taken op verzoek van andere overheden;3° het nemen van initiatieven met het oog op gebiedsgerichte samenwerking tussen besturen in een regio, met inbegrip van samenwerkingsverbanden met of zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de grenzen vastgelegd door de Vlaamse Regering, zonder afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking. Overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 46 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, oefenen de provincies ook de bevoegdheden uit die hen door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.

Enkel als dat bij decreet uitdrukkelijk is bepaald, kunnen de provincies de medewerking van de gemeenten regelen.

Art. 3.De provincies verzekeren een burgernabije, democratische, transparante en doelmatige uitoefening van de provinciale bevoegdheden.

Ze betrekken de inwoners zo veel mogelijk bij het beleid en zorgen voor openheid van bestuur.

Art. 4.Dit decreet is van toepassing op alle provincies van het Vlaamse Gewest.

TITEL II. - Het provinciebestuur HOOFDSTUK I. - De provincieraad Afdeling I. - De organisatie van de provincieraad

Art. 5.§ 1. De provincieraad vertegenwoordigt de hele bevolking van de provincie. Hij bestaat, met inbegrip van de leden van de deputatie van de provincieraad die als provincieraadslid werden verkozen, uit : 1° 75 leden in provincies met minder dan 1 000 000 inwoners;2° 84 leden in provincies met 1 000 000 of meer inwoners. § 2. Uiterlijk op 1 juni van het jaar waarin de provincieraadsverkiezingen zullen plaatsvinden, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het aantal te verkiezen provincieraadsleden per provincie op basis van de bevolkingsaantallen van de provincies die, overeenkomstig artikel 1bis, vierde lid, van de Provinciewet, door de minister van Binnenlandse Zaken in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt en wordt opdracht gegeven tot bekendmaking van de lijst in het Belgisch Staatsblad. Het inwonertal dat in aanmerking moet worden genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de provincieraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de gemeenten van de desbetreffende provincies hadden.

Art. 6.§ 1. De provincieraad wordt om de zes jaar volledig vernieuwd.

De leden worden rechtstreeks verkozen. Zij zijn herverkiesbaar. De verkiezingen geschieden per district. Een district bevat één of meer kieskantons als vermeld in artikel 88 van het Kieswetboek.

Ieder district telt zoveel keer een raadslid als de provinciale deler in zijn bevolkingscijfer begrepen is. Die deler wordt verkregen door het bevolkingscijfer van de provincie te delen door het totaal van de toe te kennen zetels. De overblijvende zetels worden toegewezen aan de districten met het grootste nog niet vertegenwoordigde bevolkingsoverschot.

De verdeling van de raadsleden over de kiesdistricten wordt bij elke volledige vernieuwing van de provincieraden door de Vlaamse Regering in overeenstemming gebracht met de bevolking op basis van de bevolkingscijfers. Het bevolkingsaantal dat in aanmerking moet worden genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar vóór dat van de volledige vernieuwing van de provincieraden hun hoofdverblijfplaats in de gemeenten van het desbetreffende district hadden.

Die lijst wordt uiterlijk vijf maanden voor de volledige vernieuwing van de provincieraden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Na een volledige vernieuwing van de provincieraad blijven de uittredende provincieraadsleden in functie tot de geloofsbrieven van de nieuw verkozen provincieraadsleden onderzocht zijn en hun installatie heeft plaatsgehad.

Art. 7.§ 1. Na de volledige vernieuwing van de provincieraad komen de nieuw verkozen raadsleden van rechtswege bijeen op een installatievergadering die plaatsvindt in het provinciehuis op de eerste werkdag van de maand december om 10 uur.

Ingeval bezwaar werd ingediend tegen de verkiezing en als die vervolgens toch geldig werd verklaard, worden de nieuw verkozen raadsleden door de uittredende voorzitter van de provincieraad bijeengeroepen op de installatievergadering binnen tien dagen na de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is. Als de nieuw verkozen raadsleden niet binnen tien dagen zijn bijeengeroepen door de uittredende voorzitter, gebeurt de bijeenroeping door een uittredend lid van de provincieraad dat opnieuw verkozen werd en dat de hoogste anciënniteit als provincieraadslid bezit of, bij gelijke anciënniteit, door de oudste van hen. § 2. De uittredende voorzitter van de provincieraad zit de installatievergadering voor. Hij blijft voorzitter van de provincieraad tot een nieuwe voorzitter verkozen is. Indien de uittredende voorzitter van de provincieraad de installatievergadering niet kan voorzitten, wordt ze voorgezeten door een uittredend lid van de provincieraad dat opnieuw verkozen werd, en dat de hoogste anciënniteit als provincieraadslid bezit of, bij gelijke anciënniteit, door de oudste van hen. § 3. De provincieraad onderzoekt de geloofsbrieven van de verkozen provincieraadsleden. De verkozen provincieraadsleden van wie de geloofsbrieven werden goedgekeurd, leggen, vóór ze het mandaat aanvaarden, in openbare vergadering de volgende eed af in handen van de voorzitter van de installatievergadering : « Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen. ». De uittredende voorzitter van de installatievergadering legt, indien hij herkozen is als provincieraadslid, de eed af in handen van het provincieraadslid dat de meeste anciënniteit bezit of bij gelijke anciënniteit, door de oudste van hen.

De Vlaamse Regering wordt binnen twintig dagen van de eedaflegging op de hoogte gebracht. § 4. De verkozen provincieraadsleden worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat indien zij : 1° aanwezig zijn op de installatievergadering en weigeren de eed vermeld in § 3, af te leggen;2° afwezig zijn op de installatievergadering en, na een uitdrukkelijke oproep, zonder geldige reden afwezig zijn op de eerste daaropvolgende vergadering.

Art. 8.§ 1. Op de installatievergadering verkiest de provincieraad een voorzitter onder de provincieraadsleden van Belgische nationaliteit. De voorzitter wordt verkozen op basis van een akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter, ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen. Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht tevens ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat werden verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-voorzitter voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Niemand kan meer dan één akte van voordracht ondertekenen.

De akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van de kandidaat-voorzitter vermelden, alsook de naam van diegene die hem zal opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de voorzitter bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum, neemt de opvolger vervroegd het mandaat op. Indien de persoon die als opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt voor vervanging gezorgd overeenkomstig § 4.

De akte wordt uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de provincieraad aan de provinciegriffier overhandigd. § 2. Nadat de provincieraadsleden de eed hebben afgelegd, overhandigt de provinciegriffier de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de installatievergadering.

De voorzitter van de installatievergadering gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in § 1. Alleen de handtekeningen van de provincieraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden hiervoor in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die nadien als provincieraadslid de eed hebben afgelegd.In voorkomend geval wordt de voorgedragen kandidaat-voorzitter verkozen verklaard. § 3. Als geen ontvankelijke akte van voordracht van kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de installatievergadering wordt overhandigd, gaat de provincieraad binnen veertien dagen over tot verkiezing van een voorzitter.

De provincieraadsleden kunnen hiertoe uiterlijk drie dagen voor de eerstvolgende vergadering van de provincieraad een gedagtekende akte van voordracht bezorgen aan de provinciegriffier.

Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van de personen, verkozen op de lijsten met hetzelfde letterwoord. Als de lijst waarop de kandidaat-voorzitter voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Onverminderd § 1 kan elk provincieraadslid slechts één akte van voordracht ondertekenen.

De verkiezing gebeurt bij geheime stemming.

De kandidaat die de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter van de provincieraad.

Als geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald en als meerdere kandidaten werden voorgedragen voor het vacante mandaat, vindt een tweede stemronde plaats, waarin wordt gestemd op de twee kandidaten die in de eerste stemronde de meeste stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen in de eerste stemronde komt de kandidaat die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, in aanmerking voor de tweede stemronde. De kandidaat die in de tweede stemronde de meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter. Bij staking van stemmen is de kandidaat die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, verkozen tot voorzitter. Als de naamstemmen bepalend zijn en de kandidaten een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, is de voorgedragen kandidaat verkozen van wie de lijst bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald. § 4. Als de voorzitter het mandaat niet aanvaardt, van zijn mandaat van provincieraadslid vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst is, ontslag genomen heeft of overleden is, wordt tot een nieuwe verkiezing van voorzitter overgegaan op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad, overeenkomstig § 1 tot en met § 3. Tot aan de nieuwe verkiezing wordt het voorzitterschap waargenomen overeenkomstig het tweede lid.

Als de voorzitter om een andere reden tijdelijk afwezig is of als hij bij een welbepaalde aangelegenheid betrokken partij is, neemt de ondervoorzitter het voorzitterschap waar.

De voorzitter die als verhinderd wordt beschouwd, die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt alleen vervangen zolang hij verhinderd, geschorst, of tijdelijk afwezig is. De provincieraad neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering of schorsing. § 5. Na de verkiezing van de voorzitter stelt de raad zijn bureau samen op basis van het huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement bepaalt vrij de samenstelling van het bureau, met dien verstande dat er minstens één ondervoorzitter moet gekozen worden en dat de fracties met minstens drie fractieleden alleszins moeten vertegenwoordigd zijn. § 6. De Vlaamse Regering wordt binnen twintig dagen na de verkiezing van de voorzitter hiervan op de hoogte gebracht.

Art. 9.Een verkozen provincieraadslid dat voor zijn installatie afstand wil doen van zijn mandaat, brengt de provinciegriffier daarvan schriftelijk op de hoogte. De afstand wordt definitief zodra de provincieraad er kennis van heeft genomen.

Art. 10.§ 1. Het mandaat van een provincieraadslid dat niet meer voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, wordt door de provincieraad voor vervallen verklaard nadat het betrokken provincieraadslid is gehoord.

De voorzitter van de provincieraad brengt het rechtscollege, vermeld in artikel 13, evenals de betrokkene, tegen ontvangstbewijs onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de provincieraad niet optreedt binnen twee maanden nadat hij kennis heeft van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt het rechtscollege, vermeld in artikel 13, in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een provincieraadslid of van het openbaar ministerie. De provincieraad wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander provincieraadslid of van het openbaar ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter aan het rechtscollege, vermeld in artikel 13. § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving van de uitspraak van het verval door de provincieraad of het rechtscollege, vermeld in artikel 13. Ze tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de provincieraad niet aan. § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met de straffen, bepaald in artikel 262 van het Strafwetboek.

Art. 11.De volgende personen kunnen geen deel uitmaken van een provincieraad : 1° de federale, Vlaamse of Europese parlementsleden en leden van de Vlaamse Regering, de federale regering of van de Europese Commissie;2° de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen voorzover hun ambtsgebied gelegen is in de provincie in kwestie;3° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Arbitragehof;4° de personeelsleden van de provincie in kwestie of van de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie;5° de personen die in een intermediair beleidsniveau van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van provincieraadslid, voorzitter van de provincieraad, gedeputeerde of provinciegouverneur;6° bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad of echtgenoten in de provincieraad van eenzelfde provincie. Worden bloed- of aanverwanten in een van die graden of twee echtgenoten gekozen bij eenzelfde verkiezing, dan wordt de voorkeur bepaald door de grootte van de quotiënten op grond waarvan de door die kandidaten verkregen zetels aan hun lijst zijn toegekend. Worden twee bloed- of aanverwanten in een verboden graad of twee echtgenoten gekozen, de een tot raadslid, de ander tot opvolger, dan geldt het verbod om zitting te nemen alleen voor de opvolger, tenzij de plaats waarvoor hij in aanmerking komt, is opengevallen vóór de verkiezing van zijn bloedverwant of aanverwant of echtgenoot. Tussen opvolgers die voor opengevallen plaatsen in aanmerking komen, wordt de voorrang allereerst bepaald door de tijdsorde van de vacatures. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld.

Aanverwantschap die later tot stand komt tussen raadsleden, brengt geen verval van hun mandaat mee. Dat geldt niet bij een huwelijk tussen raadsleden en in het geval dat er een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek werd afgelegd. De onverenigbaarheid wordt geacht op te houden door het overlijden van de persoon door wie ze tot stand is gekomen, door echtscheiding of door het beëindigen van de wettelijke samenwoning.

Art. 12.Het verkozen provincieraadslid dat zich op het ogenblik van de installatievergadering in een situatie bevindt die op basis van artikel 11 onverenigbaar is met het lidmaatschap van de provincieraad, kan de eed niet afleggen, tenzij hij aantoont dat hij ontslag genomen heeft uit de met het mandaat van provincieraadslid onverenigbare functie. Hij wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het hem toegekende mandaat.

Een provincieraadslid dat tijdens zijn mandaat in een situatie terechtkomt die onverenigbaar is met zijn mandaat en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de provincieraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de provincieraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 10.

Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met de straffen, bepaald in artikel 262 van het Strafwetboek.

Art. 13.Het administratief rechtscollege, vermeld in de Provinciekieswet, doet uitspraak over geschillen die rijzen in verband met de afstand of het verval van mandaat van provincieraadslid en van voorzitter van de provincieraad en in verband met het goedkeuren van hun geloofsbrieven, hun eedaflegging en de kennis van de bestuurstaal, bepaald in artikel 44, § 4.

Art. 14.De provincieraad neemt akte van de verhindering van de volgende personen : 1° het provincieraadslid dat om medische redenen, om studieredenen of wegens verblijf in het buitenland gedurende een minimale termijn van twaalf weken niet aanwezig kan zijn op de vergaderingen van de provincieraad en vervangen wil worden.Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de provincieraad. Bij het verzoek tot verhindering wegens medische redenen wordt een geneeskundig getuigschrift van maximaal vijftien dagen oud gevoegd, dat tevens de minimale termijn van afwezigheid om medische redenen aangeeft. Als het provincieraadslid dat om medische redenen afwezig blijft, niet in staat is om dat verzoek tot de voorzitter te richten, wordt hij van rechtswege als verhinderd beschouwd vanaf de derde opeenvolgende vergadering waarop hij afwezig is en zolang hij afwezig blijft. Bij het verzoek tot verhindering om studieredenen of verblijf in het buitenland wordt een attest gevoegd van de onderwijsinstelling of opdrachtgever; 2° het provincieraadslid dat ouderschapsverlof wil nemen voor de geboorte of adoptie van een kind.Dat provincieraadslid richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de provincieraad. Het provincieraadslid wordt vervangen, ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de achtste week na de adoptie of geboorte. Op schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een duur die gelijk is aan die gedurende welke het raadslid zijn mandaat heeft uitgeoefend tijdens de periode van zeven weken die aan de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan.

Art. 15.Het provincieraadslid kan schriftelijk ontslag indienen bij de voorzitter van de provincieraad. Het ontslag wordt definitief zodra de provincieraad hiervan kennis heeft genomen.

Art. 16.Het provincieraadslid dat afstand doet van zijn mandaat, dat van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, dat als verhinderd wordt beschouwd, dat ontslag genomen heeft, of dat overleden is, wordt vervangen door zijn opvolger, die wordt aangewezen overeenkomstig de Provinciekieswet.

De geloofsbrieven worden onderzocht overeenkomstig artikel 7, § 3. De eedaflegging gebeurt in openbare vergadering in de handen van de voorzitter van de provincieraad.

Het provincieraadslid dat als verhinderd wordt beschouwd, wordt vervangen zolang de toestand van verhindering duurt. De provincieraad neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering.

De Vlaamse Regering wordt binnen twintig dagen van de eedaflegging of van de beëindiging van de periode van verhindering op de hoogte gebracht.

Art. 17.§ 1. De provincieraadsleden ontvangen ten laste van de provincie presentiegeld voor hun aanwezigheid op vergaderingen van de provincieraad. De Vlaamse Regering stelt een lijst op van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatsverplichtingen van de provincieraadsleden waarvoor de provincieraad bij huishoudelijk reglement de hoegrootheid van het presentiegeld en van de verplaatsingsvergoeding bepaalt. § 2. De provincieraad bepaalt het bedrag van de presentiegelden binnen de grenzen die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering.

De provincieraad kan op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt, de presentiegelden van het provincieraadslid dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen ontvangt, aanvullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de grenzen waarbinnen de provincieraad kan bepalen welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van provincieraadslid, voorzitter, bureaulid van de provincieraad en fractie- of commissievoorzitter, voor terugbetaling in aanmerking komen. § 4. De provincieraadsleden die hun woonplaats hebben op ten minste vijf kilometer van de plaats van de vergadering, ontvangen een vergoeding wegens reiskosten gelijk aan de prijs van de reis van hun woonplaats naar de zetel van de provincieraad op de lijnen van de openbare vervoerdiensten. Als zij van hun eigen voertuig gebruikmaken, wordt die vergoeding berekend volgens het tarief, vastgesteld op het stuk van de reiskosten toegekend aan het personeel van de provincie.

De vergoeding voor reiskosten wordt bepaald volgens de dagen aanwezigheid, zoals die is vastgesteld in registers die voor dat doel worden bijgehouden.

Het bedrag van de vergoeding voor reiskosten wordt door de provincieraad vastgesteld.

Art. 18.Het provincieraadslid dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit de provincieraadskiezers, op voorwaarde dat hij aan de verkiesbaarheidsvereisten voldoet en zich niet bevindt in een situatie als vermeld in artikelen 11 en 14.

Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een provincieraadslid met een handicap.

Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het provincieraadslid, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft eveneens recht op presentiegeld en een vergoeding voor reiskosten onder dezelfde voorwaarden als het provincieraadslid. Afdeling II. - De werking van de provincieraad

Art. 19.De provincieraad vergadert zo dikwijls als de zaken die tot de bevoegdheid ervan behoren het vereisen en ten minste tienmaal per jaar in de hoofdplaats van de provincie, tenzij de provincieraad wegens een buitengewone gebeurtenis door zijn voorzitter in een andere gemeente van de provincie wordt bijeengeroepen.

Art. 20.De voorzitter van de provincieraad beslist tot bijeenroeping van de provincieraad en stelt de agenda van de vergadering op. De agenda bevat in ieder geval de punten die door de deputatie aan de voorzitter worden meegedeeld.

Op verzoek van de deputatie of van een derde van de zittinghebbende leden is de voorzitter verplicht de provincieraad bijeen te roepen op de aangewezen dag en het aangewezen uur en met de voorgestelde agenda.

Art. 21.Behalve in spoedeisende gevallen en behalve in geval van toepassing van artikel 7, § 1, wordt de oproeping ten minste acht dagen vóór de dag van de vergadering aan het raadslid bezorgd.

De oproeping vermeldt in elk geval de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergadering en bevat een toelichtende nota bij elk agendapunt, alsook de voorstellen van beslissing. De agendapunten moeten voldoende duidelijk omschreven zijn. Voor elk agendapunt wordt het dossier dat erop betrekking heeft, ter beschikking van de provincieraadsleden gesteld vanaf de verzending van de agenda.

Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de oproeping van de provincieraadsleden wordt verzonden en de wijze waarop het dossier dat op de agenda betrekking heeft, ter beschikking wordt gesteld.

De provinciegriffier of de door hem aangewezen ambtenaren verstrekken aan de provincieraadsleden die erom verzoeken, technische inlichtingen over stukken die in het dossier voorkomen. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop die inlichtingen worden verstrekt.

Art. 22.Provincieraadsleden en de deputatie kunnen uiterlijk vijf dagen vóór de vergadering punten aan de agenda toevoegen. Hiertoe bezorgen ze hun voorstel van beslissing, vergezeld van een toelichtende nota, aan de provinciegriffier, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter van de provincieraad.

Van deze mogelijkheid kan geen gebruik gemaakt worden door een individueel lid van de deputatie.

De provinciegriffier deelt de aanvullende agendapunten zoals vastgesteld door de voorzitter van de provincieraad, samen met de bijbehorende voorstellen en de toelichtende nota's, onverwijld mee aan de provincieraadsleden.

Art. 23.§ 1. Plaats, dag, tijdstip en agenda van de vergaderingen van de provincieraad worden uiterlijk acht dagen voor de vergadering openbaar gemaakt op het provinciehuis, zodat het publiek er te allen tijde kennis van kan nemen. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels over de wijze van openbaarmaking.

Als agendapunten aan de agenda worden toegevoegd overeenkomstig artikel 22, wordt de aangepaste agenda uiterlijk 24 uur nadat hij is vastgesteld, op het provinciehuis openbaar gemaakt overeenkomstig het eerste lid. § 2. De provincie is verplicht aan ieder natuurlijke persoon en iedere rechtspersoon of groepering ervan die erom verzoekt, de agenda van de provincieraad en de stukken die erop betrekking hebben, openbaar te maken door er inzage in te verlenen, er uitleg over te verschaffen of er een afschrift van te overhandigen overeenkomstig het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Art. 24.De voorzitter zit de vergaderingen van de provincieraad voor, en opent en sluit de vergaderingen.

Art. 25.De voorzitter is belast met de handhaving van de orde in de vergadering. Hij kan, na een voorafgaande waarschuwing, elke toehoorder die openlijk tekens van goedkeuring of van afkeuring geeft of die op enigerlei wijze wanorde veroorzaakt, uit de zaal doen verwijderen.

De voorzitter kan bovendien een proces-verbaal opmaken tegen die persoon en hem verwijzen naar de politierechtbank, die hem kan veroordelen tot een geldboete van één tot vijftien euro of tot een gevangenisstraf van één dag tot drie dagen, behoudens andere vervolgingen, als het feit daartoe grond oplevert.

Het huishoudelijk reglement bepaalt de maatregelen die de voorzitter kan nemen tot handhaving van de orde tijdens de vergadering indien een raadslid de orde verstoort.

Art. 26.De provincieraad kan enkel een besluit nemen als de meerderheid van de zittinghebbende provincieraadsleden aanwezig is.

De raad kan echter, als hij tweemaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden aanwezig is, na een derde oproeping, ongeacht het aantal aanwezige leden, op geldige wijze een besluit nemen over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda voorkomen.

De termijnen, vermeld in artikelen 21 en 23, worden voor de tweede en derde oproeping teruggebracht tot twee dagen. In deze oproepingen wordt vermeld dat het om een tweede of derde oproeping gaat. In de derde oproeping worden de bepalingen van dit artikel overgenomen.

Art. 27.§ 1. Het is voor een provincieraadslid verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming : 1° over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.Dat verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, afzettingen en schorsingen. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld; 2° over de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening van een instantie waaraan hij rekenschap verschuldigd is of waarvan hij tot het uitvoerend orgaan behoort. Deze bepaling is niet van toepassing op het provincieraadslid dat zich in bovenvermelde omstandigheden bevindt louter op grond van het feit dat hij als vertegenwoordiger van de provincie is aangewezen in andere rechtspersonen. § 2. Het is voor een provincieraadslid verboden : 1° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling te werken in geschillen ten behoeve van de provincie.Dat verbod geldt ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het provincieraadslid werken; 2° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris te werken in geschillen ten behoeve van de tegenpartij van de provincie of ten behoeve van een personeelslid van de provincie aangaande beslissingen in verband met de tewerkstelling binnen de provincie.Dit verbod geldt ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het provincieraadslid werken; 3° rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst te sluiten of deel te nemen aan een opdracht voor aanneming van werken, levering of diensten, verkoop of aankoop voor de provincie of de provinciaal extern verzelfstandigde agentschappen;4° op te treden als afgevaardigde of deskundige van een vakorganisatie in een onderhandelings- of overlegcomité van de provincie. § 3. Dit artikel is eveneens van toepassing op de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 18.

Art. 28.§ 1. De vergaderingen van de provincieraad zijn openbaar, behalve als : 1° het om aangelegenheden gaat die de persoonlijke levenssfeer raken. Zodra een dergelijk punt aan de orde is, beveelt de voorzitter de behandeling in besloten vergadering; 2° de provincieraad met twee derde van de aanwezige leden en op gemotiveerde wijze beslist tot behandeling in besloten vergadering, in het belang van de openbare orde of op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid. De vergaderingen over het organogram, de personeelsformatie, de rechtspositieregeling, het meerjarenplan en de aanpassingen ervan, het budget, een budgetwijziging of de jaarrekening zijn in elk geval openbaar. § 2. De besloten vergadering kan enkel plaatsvinden na de openbare vergadering, uitgezonderd in tuchtzaken. Als tijdens de openbare vergadering blijkt dat de behandeling van een punt in besloten vergadering moet worden voortgezet, kan de openbare vergadering, enkel met dit doel, worden onderbroken.

Art. 29.Een punt dat niet op de agenda voorkomt, mag niet in bespreking worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen als het geringste uitstel gevaar zou kunnen opleveren.

Tot spoedbehandeling kan enkel worden besloten door ten minste twee derde van de aanwezige leden. De namen van die leden en de motivering van de spoedeisendheid worden in de notulen vermeld.

Art. 30.De provincieraadsleden hebben het recht van inzage in alle dossiers, stukken en akten die het bestuur van de provincie betreffen alsook in deze die betrekking hebben op aan de deputatie toegewezen taken. De provincieraadsleden kunnen een afschrift verkrijgen van die dossiers, stukken en akten. De vergoeding die eventueel wordt gevraagd voor het afschrift, mag in geen geval meer bedragen dan de kostprijs.

De provincieraadsleden mogen alle inrichtingen en diensten bezoeken die de provincie opricht en beheert.

De provincieraad bepaalt bij huishoudelijk reglement de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift, en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de provinciale inrichtingen en diensten.

Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de provincieraadsleden wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Art. 31.De gedeputeerde die buiten de provincieraad is benoemd, is aanwezig op de vergaderingen van de provincieraad. Hij beschikt in de provincieraad enkel over een raadgevende stem.

Art. 32.De provincieraadsleden hebben het recht aan de deputatie mondelinge en schriftelijke vragen te stellen over het bestuur van de provincie alsook over zaken die betrekking hebben op de aan de deputatie toegewezen taken. Het vraagrecht kan niet uitgeoefend worden als de deputatie optreedt als rechtscollege.

De provinciegouverneur kan bevraagd worden in het kader van de taken die hij behartigt voor de provincie.

Art. 33.De notulen van de vergadering van de provincieraad worden onder de verantwoordelijkheid van de provinciegriffier opgesteld overeenkomstig artikelen 176 en 177.

Behalve in spoedeisende gevallen, worden de notulen van de vorige vergadering ten minste acht dagen voor de dag van de vergadering ter beschikking gesteld van de provincieraadsleden. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de notulen ter beschikking worden gesteld.

Elk provincieraadslid heeft het recht tijdens de vergadering opmerkingen te maken over de redactie van de notulen van de vorige vergadering. Als die opmerkingen door de provincieraad worden aangenomen, worden de notulen in die zin aangepast.

Als er geen opmerkingen worden gemaakt, worden de notulen als goedgekeurd beschouwd en worden ze door de voorzitter van de provincieraad en de provinciegriffier ondertekend.

Art. 34.De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Onder volstrekte meerderheid van stemmen wordt verstaan, meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen, onthoudingen niet meegerekend. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.

Art. 35.§ 1. De stemmingen in de provincieraad zijn openbaar. § 2. Over de volgende aangelegenheden wordt geheim gestemd : 1° de vervallenverklaring van het mandaat van provincieraadslid en van gedeputeerde;2° de aanwijzing van de leden van de provinciale bestuursorganen en van de vertegenwoordigers van de provincie in overlegorganen en in de organen van andere rechtspersonen en feitelijke verenigingen;3° individuele personeelszaken. § 3. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in § 2 stemmen de leden van de provincieraad mondeling. Het huishoudelijk reglement kan een regeling invoeren die gelijkwaardig is met een mondelinge stemming. Als dusdanig worden de mechanisch uitgebrachte naamstemming en de stemming bij zitten en opstaan of bij handopsteking beschouwd. Ongeacht de bepalingen van het huishoudelijk reglement wordt er mondeling gestemd telkens als een derde van de aanwezige leden hierom verzoekt. Stemmingen over aangelegenheden als vermeld in § 2 kunnen ook geschieden door middel van een elektronisch systeem, dat de geheime stemming waarborgt. § 4. De voorzitter stemt het laatst, behalve bij geheime stemming.

Art. 36.Als bij de benoeming of de voordracht van kandidaten de vereiste meerderheid niet wordt verkregen bij de eerste stemming, wordt opnieuw gestemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.

De voorzitter stelt daartoe een lijst op met tweemaal zoveel namen als er benoemingen of voordrachten moeten gebeuren. Hebben bij de eerste stemming sommige kandidaten een gelijk aantal stemmen behaald, dan wordt de jongste kandidaat tot de herstemming toegelaten. De stemmen kunnen alleen worden uitgebracht op de kandidaten die op de lijst voorkomen. De benoeming of de voordracht gebeurt bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de jongste kandidaat de voorkeur.

Art. 37.De provincie is verplicht aan ieder natuurlijke persoon en iedere rechtspersoon of groepering ervan die erom verzoekt, de besluiten van de provincieraad en andere bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen, er uitleg over te verschaffen of er een afschrift van te overhandigen overeenkomstig het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Art. 38.Het provincieraadslid of de provincieraadsleden die op eenzelfde lijst verkozen zijn of op lijsten die zich onderling verenigd hebben, vormen één fractie. In de mate dat zulks is voorzien door de Provinciekieswet, kan de verkiezing op eenzelfde lijst aanleiding geven tot de vorming van meer dan één fractie. De onderlinge vereniging om één fractie te vormen of de vorming van meer dan één fractie, geldt tot de eerstvolgende volledige vernieuwing van de provincieraad.

Het huishoudelijk reglement legt de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de fracties, alsook, binnen de grenzen die door de Vlaamse Regering worden bepaald, voor de financiering ervan.

Art. 39.§ 1. De provincieraad kan commissies oprichten die zijn samengesteld uit provincieraadsleden. De commissies hebben als taak, het voorbereiden van de besprekingen in de provincieraadszittingen, het verlenen van advies en het formuleren van voorstellen over de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de inspraak van de bevolking telkens als dat voor de beleidsvoering wenselijk wordt geacht. De commissies kunnen steeds deskundigen en belanghebbenden horen. § 2. Artikelen 28 en 35 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen en de stemmingen in de commissies. § 3. De mandaten in iedere commissie worden door de provincieraad evenredig verdeeld over de fracties waaruit de provincieraad is samengesteld, op basis van de voordrachten die worden ingediend door de fracties.

Tot de eerstvolgende volledige vernieuwing van de provincieraad wordt een fractie geacht eenzelfde aantal leden in de commissies te behouden. Indien een fractie zich tijdens de zittingsperiode splitst, als sommige leden zich als onafhankelijk raadslid opstellen of overgaan naar een andere fractie, dan behoudt de fractie haar oorspronkelijke aantal leden in de commissies.

Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht voor elk van de kandidaat-commissieleden ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van de leden van de fractie waarvan het kandidaat-commissielid deel van uitmaakt. Indien de fractie van het kandidaat-commissielid slechts uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van een van hen. Niemand kan meer dan een akte ondertekenen per beschikbaar mandaat voor de fractie.

Als ten gevolge van de toepassing van de evenredige vertegenwoordiging overeenkomstig het eerste lid een fractie niet vertegenwoordigd is in een commissie, kan de fractie een raadslid aanwijzen dat als lid met raadgevende stem in de commissie zetelt. § 4. De gedeputeerden kunnen geen voorzitter zijn van een provincieraadscommissie. § 5. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels voor de samenstelling en de werkwijze van de commissie, alsook voor de toekenning van presentiegelden.

Art. 40.De provincieraad stelt bij de aanvang van de zittingsperiode een huishoudelijk reglement vast waarin aanvullende maatregelen worden opgenomen in verband met de werking van de raad en waarin minstens bepalingen worden opgenomen over : 1° de vergaderingen waarvoor presentiegeld en een verplaatsingsvergoeding wordt verleend, het bedrag van het presentiegeld en verplaatsingsvergoeding en de nadere regels in verband met de eventuele terugbetaling van specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van provincieraadslid;2° de wijze van verzending van de oproeping en het ter beschikking stellen van het dossier aan de provincieraadsleden, alsook de wijze waarop de provinciegriffier of de door hem aangewezen ambtenaren aan de raadsleden die erom verzoeken, technische inlichtingen verstrekken over die stukken;3° de wijze waarop de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen van de provincieraad openbaar worden gemaakt;4° de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift voor provincieraadsleden en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de provinciale diensten;5° de voorwaarden waaronder de provincieraadsleden hun recht uitoefenen om aan de deputatie mondelinge en schriftelijke vragen te stellen;6° de voorwaarden waaronder de provincieraadsleden hun recht uitoefenen om aan de provinciegouverneur mondelinge vragen te stellen;7° de wijze van notulering en de wijze waarop de notulen van de vorige vergadering ter beschikking worden gesteld van de provincieraadsleden;8° de nadere regels voor de samenstelling en de werking van de commissies en de fracties;9° de samenstelling van het bureau. De provincieraad kan het huishoudelijk reglement te allen tijde wijzigen.

Art. 41.De provincieraad neemt een deontologische code aan. Afdeling III. - De bevoegdheden van de provincieraad

Art. 42.§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen beschikt de provincieraad over de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, vermeld in artikel 2. § 2. De provincieraad bepaalt het beleid van de provincie en kan daartoe algemene regels vaststellen. § 3. De provincieraad stelt de provinciale reglementen vast.

Onverminderd de federale wetgeving in verband met de bevoegdheid van de provincieraad tot het vaststellen van politieverordeningen, kunnen de reglementen onder meer betrekking hebben op het provinciaal beleid, de provinciale belastingen en retributies, en op het inwendige bestuur van de provincie.

Een afschrift van elk reglement waarin een strafbepaling of een administratieve sanctie wordt opgenomen, wordt dadelijk verzonden aan de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg en aan die van de politierechtbanken waarvan het rechtsgebied betrekking heeft op het geheel of een gedeelte van het grondgebied van de provincie.

Art. 43.§ 1. Behalve bij uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid als vermeld in artikel 2, derde lid, aan de provincieraad, kan de provincieraad bij reglement bepaalde bevoegdheden toevertrouwen aan de deputatie. § 2. De volgende bevoegdheden kunnen niet aan de deputatie worden toevertrouwd : 1° de aan de provincieraad toegewezen bevoegdheden in titel II, hoofdstuk I, afdelingen I en II;2° het vaststellen van provinciale reglementen en het bepalen van straffen op de overtreding van die reglementen;3° het vaststellen van het meerjarenplan en de aanpassingen ervan, het budget en de budgetwijzigingen en de jaarrekeningen;4° het vaststellen van het organogram, de personeelsformatie en de rechtspositieregeling;5° het oprichten van extern verzelfstandigde agentschappen en het beslissen tot oprichting van, deelname aan of vertegenwoordiging in instellingen, verenigingen en ondernemingen;6° het goedkeuren van beheersovereenkomsten en samenwerkingsovereenkomsten als vermeld in artikelen 228 en 240;7° het aanstellen en ontslaan van de provinciegriffier en de financieel beheerder, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van die personeelsleden;8° het goedkeuren van het interne controlesysteem zoals bepaald in artikel 96;9° het vaststellen van wat onder het begrip dagelijks bestuur in de zin van artikel 155 moet worden verstaan;10° het vaststellen van de opdrachten voor werken, leveringen en diensten die beschouwd kunnen worden als opdrachten van dagelijks bestuur;11° het vaststellen van de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten worden toegewezen, en het vaststellen van de voorwaarden ervan, behalve indien de opdracht nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen en onverminderd de bevoegdheden van de deputatie inzake opdrachten van dagelijks bestuur;12° het stellen van daden van beschikking met betrekking tot roerende en onroerende goederen voorzover de verrichting niet behoort tot de aangelegenheden van dagelijks bestuur en niet nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen;13° het definitief aanvaarden van schenkingen en het aanvaarden van legaten;14° het inrichten van adviesraden en overlegstructuren;15° het vaststellen van de provinciale belastingen en retributies;16° het vaststellen van een systeem van klachtenbehandeling;17° de samenstelling van het bureau. HOOFDSTUK II. - De deputatie Afdeling I. - De inrichting van de deputatie

Art. 44.§ 1. De deputatie van de provincieraad bestaat uit zes leden.

Het voorzitterschap wordt geregeld conform artikel 52.

Leden van een provincieraad, die hetzij echtgenoten, hetzij bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad zijn, kunnen niet tegelijk deel uitmaken van de deputatie van die raad.

Aanverwantschap tot stand gekomen tijdens de duur van het lidmaatschap, maakt hieraan geen einde. Dit geldt niet voor het geval van huwelijk tussen leden van de deputatie.

Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld. § 2. De deputatie bestaat uit personen van verschillend geslacht.

Indien de deputatie niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid van artikel 11bis van de Grondwet, wordt de laatste gedeputeerde in rang, verkozen overeenkomstig artikel 45, § 3, of artikel 50, § 1, van rechtswege vervangen door het op dezelfde lijst verkozen provincieraadslid van het andere geslacht met procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving. Als er geen verkozen provincieraadsleden van het andere geslacht op die lijst voorkomen, wordt de gedeputeerde van rechtswege vervangen door het niet-verkozen provincieraadslid van het andere geslacht met procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving op diezelfde lijst. § 3. Een gedeputeerde die overeenkomstig § 2 buiten de provincieraad is benoemd, is in alle gevallen stemgerechtigd in de deputatie. § 4. Ieder die het mandaat van gedeputeerde of voorzitter van de raad uitoefent of waarneemt, moet beschikken over de kennis van de bestuurstaal die vereist is voor de uitoefening van het mandaat.

Door hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in het vorige lid bedoelde mandatarissen de vereiste taalkennis bezitten. Dat vermoeden kan worden weerlegd op verzoek van een provincieraadslid op basis van ernstige aanwijzingen, de bekentenis van de mandataris of de wijze waarop de betrokkene het mandaat uitoefent.

Het in het vorige lid bedoelde verzoek wordt ingediend bij het rechtscollege, bedoeld in artikel 13. Als het rechtscollege beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is de verkiezing of de benoeming vernietigd vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing van het rechtscollege, onverminderd de mogelijkheid van beroep bij de Raad van State. Dit beroep schort de uitspraak van het rechtscollege niet op. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw benoemd of verkozen worden tot gedeputeerde of voorzitter van de raad, noch een dergelijk mandaat waarnemen.

De miskenning van de bepalingen van dit artikel door diegene van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van artikel 69.

Art. 45.§ 1. Behalve de gedeputeerden die benoemd zijn overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede lid, worden de gedeputeerden door de provincieraad onder de provincieraadsleden verkozen op basis van een gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-gedeputeerden, ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen. Om ontvankelijk te zijn moet die gezamenlijke akte van voordracht voor elk van de kandidaat-gedeputeerden tevens ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst werden verkozen als de voorgedragen kandidaten. Als de lijst waarop een kandidaat-gedeputeerde voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Niemand kan meer dan één gezamenlijke akte van voordracht ondertekenen.

De gezamenlijke akte van voordracht is enkel ontvankelijk indien de voordracht betrekking heeft op personen van verschillend geslacht.

De gezamenlijke akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van een kandidaat-gedeputeerde vermelden, alsook de naam van diegene die hem zal opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de gedeputeerde bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum, neemt de opvolger vervroegd het mandaat op. Indien de persoon die als opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt hij vervangen overeenkomstig artikel 50.

Die akte wordt uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de provincieraad aan de provinciegriffier overhandigd. De provinciegriffier bezorgt een afschrift van de akte aan de uittredende voorzitter van de provincieraad of aan degene die hem overeenkomstig artikel 7, § 1, vervangt. § 2. Nadat de provincieraadsleden de eed hebben afgelegd, overhandigt de provinciegriffier de gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-gedeputeerden aan de voorzitter van de provincieraad.

De voorzitter van de provincieraad gaat na of de gezamenlijke akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, bepaald in § 1. Enkel de handtekeningen van de provincieraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden hiertoe in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die nadien als provincieraadslid de eed hebben afgelegd.In voorkomend geval worden de voorgedragen kandidaat-gedeputeerden verkozen verklaard. § 3. Als geen ontvankelijke gezamenlijke akte van voordracht van kandidaat-gedeputeerden aan de voorzitter van de installatievergadering wordt overhandigd, wordt binnen veertien dagen overgegaan tot afzonderlijke verkiezing van de gedeputeerden onder de provincieraadsleden. De provincieraadsleden kunnen hiertoe kandidaat-gedeputeerden voordragen.

De akte van voordracht kan tevens de einddatum van het mandaat van de kandidaat-gedeputeerde vermelden, alsook de naam van diegene die hem zal opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de gedeputeerde bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Indien het mandaat eindigt voor de in de akte vermelde einddatum, neemt de opvolger vervroegd het mandaat op. Indien de persoon die als opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, wordt hij vervangen overeenkomstig artikel 50.

Per mandaat wordt uiterlijk drie dagen voor de eerstvolgende vergadering van de provincieraad een gedagtekende akte van voordracht aan de provinciegriffier bezorgd.

Om ontvankelijk te zijn, moet de akte van voordracht ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst werden verkozen als de voorgedragen kandidaat. Als de lijst waarop de kandidaat-gedeputeerde voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. Onverminderd § 1 kan elk provincieraadslid slechts één akte van voordracht ondertekenen per mandaat. Als de schriftelijk voorgedragen kandidaturen niet volstaan om de deputatie volledig samen te stellen, kunnen kandidaten mondeling op de zitting worden voorgedragen.

De verkiezing gebeurt bij geheime stemming, door evenveel afzonderlijke stemmingen als er gedeputeerden te kiezen zijn.

De kandidaat die de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot gedeputeerde. Als geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald en als meerdere kandidaten werden voorgedragen voor het vacante mandaat, vindt een tweede stemronde plaats. Daarin wordt gestemd op de twee kandidaten die in de eerste stemronde de meeste stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen in de eerste stemronde komt de kandidaat die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, in aanmerking voor de tweede stemronde. De kandidaat die in de tweede stemronde de meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot gedeputeerde. Bij staking van stemmen is de kandidaat die bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, verkozen tot gedeputeerde.

Als de naamstemmen bepalend zijn en de kandidaten een gelijk percentage aan naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving hebben behaald, is de voorgedragen kandidaat verkozen van wie de lijst bij de provincieraadsverkiezingen procentueel de meeste stemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald. § 4. De rang van de gedeputeerden wordt bepaald door de rangorde op de gezamenlijke akte van voordracht. In geval van afzonderlijke verkiezing van de gedeputeerden wordt de rang van de gedeputeerden bepaald door de volgorde van de stemmingen. De gedeputeerden die op grond van § 1, derde lid, § 3, tweede lid, of op grond van artikel 44, § 2, tweede lid, een gedeputeerde opvolgen, nemen de rang in in volgorde van hun verkiezing of benoeming.

Art. 46.§ 1. Voor ze hun mandaat aanvaarden, leggen de gedeputeerden in openbare vergadering van de provincieraad de volgende eed af in handen van de provincieraadsvoorzitter : « Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen. » De Vlaamse Regering wordt binnen twintig dagen van de eedaflegging op de hoogte gebracht. § 2. De gedeputeerde die de eed na twee achtereenvolgende uitnodigingen niet aflegt, wordt geacht zijn mandaat van gedeputeerde niet te aanvaarden

Art. 47.De gedeputeerden worden, behoudens de toepassing van artikel 45, § 1, derde lid en § 3, tweede lid, artikelen 49 en 50, verkozen voor een periode van zes jaar. De uittredende gedeputeerden blijven na een volledige vernieuwing van de provincieraad in functie tot de installatie van de nieuwe deputatie heeft plaatsgevonden.

De personen, vermeld in artikel 11, kunnen evenmin deel uitmaken van een deputatie, respectievelijk van de deputatie in een welbepaalde provincie. Artikelen 10, 12, tweede lid, 13 en 30, zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van de deputatie.

Art. 48.De provincieraad neemt akte van de verhindering van de volgende personen : 1° de gedeputeerde die om medische redenen, om studieredenen of wegens verblijf in het buitenland vervangen wil worden gedurende een minimale termijn van twaalf weken.Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de provincieraad. Bij het verzoek wordt een geneeskundig getuigschrift van maximaal vijftien dagen oud gevoegd, dat tevens de minimale termijn van afwezigheid om medische redenen aangeeft. Als de gedeputeerde die om medische redenen afwezig blijft, niet in staat is om dat verzoek tot de voorzitter te richten, wordt hij van rechtswege als verhinderd beschouwd vanaf de derde opeenvolgende vergadering waarop hij afwezig is en zolang hij afwezig blijft. Bij het verzoek tot verhindering om studieredenen of verblijf in het buitenland wordt een attest gevoegd van de onderwijsinstelling of opdrachtgever; 2° de gedeputeerde die ouderschapsverlof wil nemen wegens de geboorte of de adoptie van een kind.Die gedeputeerde richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de provincieraad. Hij wordt vervangen, ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de achtste week na de adoptie of geboorte. Op schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een duur die gelijk is aan die gedurende welke de gedeputeerde het mandaat heeft uitgeoefend tijdens de periode van zeven weken die aan de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan.

Art. 49.De gedeputeerde kan schriftelijk zijn ontslag indienen bij de provinciegriffier. Het ontslag wordt definitief zodra de provincieraad hiervan kennis heeft genomen.

De ontslagnemende gedeputeerde oefent zijn mandaat uit tot hij als gedeputeerde vervangen is.

Art. 50.§ 1. Als een gedeputeerde zijn mandaat van gedeputeerde niet aanvaardt, van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst is, ontslag heeft genomen of overleden is, wordt tot een nieuwe verkiezing van een gedeputeerde overgegaan binnen twee maanden na het openvallen van het mandaat van gedeputeerde. De gedeputeerde wordt verkozen op basis van een akte van voordracht van de kandidaat-gedeputeerde, ondertekend door meer dan de helft van de verkozen provincieraadsleden. Om ontvankelijk te zijn moet die akte van voordracht voor de kandidaat-gedeputeerden tevens ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat werden verkozen. Als de lijst waarop een kandidaat-gedeputeerde voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen. De voorzitter van de provincieraad gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is. In voorkomend geval wordt de voorgedragen kandidaat-gedeputeerde verkozen verklaard op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad.

Als twee maanden na het openvallen van het mandaat van gedeputeerde nog geen nieuwe gedeputeerde is benoemd overeenkomstig het eerste lid, wordt op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad overgegaan tot verkiezing van de gedeputeerde overeenkomstig artikel 45, § 3.

Tot aan de nieuwe verkiezing wordt het mandaat waargenomen overeenkomstig § 2. § 2. De gedeputeerde die om andere redenen tijdelijk afwezig is, kan worden vervangen door het provincieraadslid met de meeste anciënniteit van dezelfde lijst. Bij gelijke anciënniteit, geniet het provincieraadslid dat bij de laatste volledige vernieuwing van de provincieraad het hoogste percentage van naamstemmen in verhouding tot het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald, de voorkeur. Als het provincieraadslid met de meeste anciënniteit de gedeputeerde in die gevallen niet kan vervangen, wordt het mandaat van gedeputeerde waargenomen door een ander provincieraadslid in volgorde van hun anciënniteit. Bij gelijke anciënniteit wordt het mandaat van gedeputeerde waargenomen door het provincieraadslid dat bij de verkiezingen procentueel de meeste naamstemmen in verhouding tot het totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen in de kiesomschrijving heeft behaald. § 3. De gedeputeerde die als verhinderd wordt beschouwd of die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt alleen vervangen zolang hij verhinderd, geschorst, of tijdelijk afwezig is. De provincieraad neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering of schorsing. Afdeling II. - De werking van de deputatie

Art. 51.De deputatie vergadert regelmatig, op de dagen en uren die ze bepaalt, en zo dikwijls als de behandeling van de zaken dat vereist.

De voorzitter kan in spoedeisende gevallen buitengewone vergaderingen bijeenroepen, op de dag en het uur die hij bepaalt.

De deputatie kan enkel beraadslagen en beslissen als de meerderheid van de leden aanwezig is.

Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de deputatie.

De vergaderingen van de deputatie zijn niet openbaar, behalve overeenkomstig artikel 104bis van de Provinciewet, als de deputatie een rechtsprekende functie uitoefent.

Alleen de beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen, en alleen die beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben. De notulen worden goedgekeurd op de eerstvolgende gewone vergadering van de deputatie. De goedgekeurde notulen worden onverwijld aan de provincieraadsleden bezorgd.

Art. 52.De deputatie wordt voorgezeten door de provinciegouverneur, die de vergaderingen opent en sluit. Als de provinciegouverneur de deputatie niet kan voorzitten, wijst de deputatie een van haar leden aan om het voorzitterschap waar te nemen. De procedure wordt geregeld in het huishoudelijk reglement van de deputatie.

De provinciegouverneur is niet stemgerechtigd, behalve op grond van artikel 104, eerste lid, van de Provinciewet, wanneer de deputatie een rechtsprekende taak uitoefent.

Art. 53.De deputatie beslist collegiaal.

Art. 54.De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Onder volstrekte meerderheid van stemmen wordt verstaan, meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen, onthoudingen niet meegerekend. Elke beslissing van de deputatie vermeldt de naam van de aanwezige leden en, in voorkomend geval, van de verslaggever.

Bij staking van stemmen wordt het voorstel verworpen.

Als de deputatie een rechtsprekende taak uitoefent, kunnen, overeenkomstig artikel 104, vijfde lid, van de provinciewet, alleen de leden die de volledige procedure hebben gevolgd, deelnemen aan de stemming. Bij staking van stemmen is, overeenkomstig dezelfde bepaling, de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Artikel 35, § 2 tot en met 3, en artikel 36 zijn van overeenkomstige toepassing op de stemmingen in de deputatie.

Art. 55.De deputatie organiseert haar werkzaamheden en legt dat vast in een huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt vastgelegd bij de aanvang van de zittingsperiode en wordt aan de provincieraad ter kennis gebracht. De deputatie kan het huishoudelijk reglement te allen tijde wijzigen.

Met het oog op de voorbereiding van haar beraadslagingen en besluiten verdeelt de deputatie onder haar verkozen leden de aangelegenheden die tot haar bevoegdheid behoren. Ze stelt de raad in kennis van de verdeling.

De deputatie kan de verslaggever aanwijzen die het dossier inleidt en de voorstellen formuleert.

Art. 56.De deputatie neemt een deontologische code aan, die minstens de deontologische code zoals aangenomen door de provincieraad omvat. Afdeling III. - De bevoegdheden van de deputatie

Art. 57.§ 1. De deputatie bereidt de beraadslagingen en de besluiten van de provincieraad voor.

Zij voert haar eigen beslissing en die van de raad uit. Ze kan een van de gedeputeerden daarmee belasten. Ze kan eveneens één of meer gedeputeerden belasten met een opdracht en het onderzoek van een zaak.

Ze beslist over alle zaken die tot het dagelijks bestuur van de provincie behoren. § 2. De deputatie oefent de bevoegdheden uit die eraan zijn toevertrouwd overeenkomstig artikel 43, § 1, of overeenkomstig andere wettelijke en decretale bepalingen. § 3. De deputatie is bevoegd voor : 1° de daden van beheer over de provinciale inrichtingen en eigendommen, binnen de door de provincieraad vastgestelde algemene regels;2° het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de tucht ten aanzien van het personeel, onverminderd de bevoegdheid van de provincieraad overeenkomstig artikel 43, § 2, 7°;3° het financieel beheer, onverminderd de bevoegdheden van de provincieraad;4° het voeren van de gunningsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten;5° de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten als het gaat om een opdracht van dagelijks bestuur;6° de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten als de opdracht nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen en de provincieraad de wijze van gunning en de voorwaarden niet zelf heeft vastgesteld;7° het aangaan van leningen voorzover die in het vastgestelde budget zijn opgenomen;8° het stellen van daden van beschikking met betrekking tot roerende en onroerende goederen voorzover de verrichting nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen;9° het vertegenwoordigen van de provincie in rechte overeenkomstig artikel 186. § 4. De deputatie is verantwoordelijk voor de zorg voor het provinciearchief waaronder de titels. § 5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheden die overeenkomstig hoofdstuk III, afdeling II, aan de provinciegouverneur zijn toegekend.

Art. 58.Behalve bij uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid als vermeld in artikel 2, derde lid, aan de deputatie, kan de deputatie de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de provinciegriffier toevertrouwen.

De bevoegdheden van de deputatie, vermeld in artikel 57, § 1, eerste zin, en § 3, 6°, 7°, 8°, 9°, en artikel 186, kunnen evenwel niet aan de provinciegriffier worden toevertrouwd. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van de deputatie inzake financieel beheer vermeld in artikelen 151, 153, 155, § 2, eerste en tweede lid, en § 3, 156, § 4, 157, 159, § 2, en 164.

De provinciegriffier oefent de bevoegdheden die hem overeenkomstig het eerste lid zijn toevertrouwd, persoonlijk uit. De deputatie kan bij de delegatie van een bepaalde bevoegdheid bepalen dat de provinciegriffier de uitoefening van die gedelegeerde bevoegdheid kan toevertrouwen aan andere personeelsleden van de provincie. Deze delegatie door de provinciegriffier aan andere personeelsleden is evenwel niet mogelijk voor de bevoegdheden vermeld in artikel 57, § 3, 2°. HOOFDSTUK III. - De provinciegouverneur Afdeling I. - De benoeming van de provinciegouverneur

Art. 59.De provinciegouverneur is commissaris van de Vlaamse Regering in de provincie, onverminderd zijn functie als commissaris van de federale Regering. Hij wordt, overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, derde lid, BWHI, benoemd en afgezet door de Vlaamse Regering, op eensluidend advies van de ministerraad.

De Vlaamse Regering stelt het statuut van de provinciegouverneur vast.

De provinciegouverneur verblijft in de hoofdplaats van de provincie of op iedere andere plaats van de provincie die de Vlaamse Regering aanwijst na advies van de provincieraad.

Art. 60.De volgende personen kunnen geen provinciegouverneur zijn : 1° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffier bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Arbitragehof;2° de leden van het operationeel kader van de politiediensten;3° de personen die een ambt uitoefenen dat rechtstreeks onder het gezag staat van de provinciegouverneur, van de provincieraad of van de deputatie;4° de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of functie uitoefenen, gelijkwaardig aan een ambt of functie, als vermeld in deze bepaling en de personen die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van provincieraadslid, lid van de deputatie of provinciegouverneur.

Art. 61.Alvorens zijn ambt te aanvaarden legt de provinciegouverneur de volgende eed af voor de Vlaamse Regering : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. » De provinciegouverneur kan vrijwillig zijn ontslag indienen. Hij brengt de Vlaamse Regering hiervan aangetekend op de hoogte. Het ontslag wordt definitief zodra de Vlaamse Regering het aanvaard heeft.

Art. 62.De provinciegouverneur kan geen enkel financieel voordeel verwerven uit zijn deelname aan raden van bestuur of andere vergaderingen van private vennootschappen of openbare instellingen. Afdeling II. - De bevoegdheden van de provinciegouverneur

Art. 63.De provinciegouverneur heeft het recht de beraadslagingen van de provincieraad bij te wonen. Hij krijgt het woord als hij het vraagt.

De provinciegouverneur kan de provincieraad verzoeken om bepaalde aangelegenheden te behandelen. De provincieraad is gehouden over deze aangelegenheden te beslissen.

Art. 64.De provinciegouverneur is bevoegd voor de uitvoering van de wetten, de decreten en de uitvoeringsbesluiten van de federale overheid het gewest of de gemeenschap, tenzij die bevoegdheid uitdrukkelijk aan een ander orgaan van de provincie is opgedragen.

De provinciegouverneur informeert de provincieraad, als die daarom verzoekt, over de wijze waarop hij zijn bevoegdheid uitoefent.

Art. 65.De provinciegouverneur is belast met de handhaving van de openbare orde in de provincie, overeenkomstig artikelen 128 en 129 van de Provinciewet. HOOFDSTUK IV. - De arrondissementscommissarissen

Art. 66.§ 1. De arrondissementscommissaris is een commissaris van de Vlaamse Regering, onverminderd zijn functie als commissaris van de federale Regering. Hij wordt, overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, derde lid, BWHI, benoemd en afgezet door de Vlaamse Regering, op eensluidend advies van de ministerraad.

De Vlaamse Regering bepaalt het aantal arrondissementscommissarissen en regelt hun rechtspositie.

De arrondissementscommissarissen oefenen hun opdracht uit onder gezag van de provinciegouverneur.

Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de arrondissementscommissarissen de volgende eed af in handen van de provinciegouverneur : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. » Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 52 wijst de provinciegouverneur in geval van afwezigheid een arrondissementscommissaris aan om hem te vervangen. § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 139bis van de Provinciewet op de bevoegdheden en de opdrachten van de provinciegouverneur die betrekking hebben op de politie, kan de provinciegouverneur de uitoefening van andere bevoegdheden of opdrachten die hem zijn toegekend, eveneens opdragen aan een of meer arrondissementscommissarissen. HOOFDSTUK V. - Rechtspositie, tucht en aansprakelijkheid Afdeling I. - Rechtspositie

Art. 67.De Vlaamse Regering kent de eretitels toe onder de voorwaarden die ze vaststelt, en bepaalt de ambtskledij en de onderscheidingstekens van de gedeputeerden.

Art. 68.§ 1. De gedeputeerden genieten ten laste van de provincies een salaris, waarvan het bedrag gelijk is aan de parlementaire vergoeding van de leden van het Vlaams Parlement.

In geval van verhindering of schorsing overeenkomstig artikelen 48 en 69 wordt het aan het ambt verbonden salaris toegekend aan diegene die het verhinderde of geschorste lid van de deputatie vervangt. De verhinderde of geschorste gedeputeerde ontvangt geen salaris voor de periode van verhindering of schorsing. § 2. De gedeputeerden ontvangen een forfaitaire onkostenvergoeding die alle kosten, verbonden aan de uitoefening van het ambt, dekt. Het bedrag van de onkostenvergoeding is gelijk aan de forfaitaire vergoeding die voor de in het raam van het mandaat van Vlaamse volksvertegenwoordiger gemaakte kosten wordt toegekend.

Gedeputeerden die buiten de provinciehoofdplaats verblijven, ontvangen evenwel een reiskostenvergoeding overeenkomstig de door de provincieraad vastgestelde regels. § 3. De gedeputeerden mogen, buiten de in dit artikel vastgestelde vergoedingen, geen bijkomende vergoedingen genieten ten laste van de provincie en de extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie, om welke reden of onder welke benaming ook. § 4. Het bedrag van de vergoedingen, salarissen of presentiegelden die gedeputeerden ontvangen als bezoldiging voor naast hun mandaat als gedeputeerde uitgeoefende activiteiten, mag de helft van het bedrag van de in § 1 vastgestelde salarissen niet overschrijden. Voor de berekening van dat bedrag komen de vergoedingen, de salarissen of de presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, in aanmerking.

Als de grens vastgesteld in het eerste lid, wordt overschreden, wordt de som van de in het voorgaande lid vermelde vergoedingen, salarissen of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, verminderd tot het passende beloop.

De gedeputeerden brengen de provincieraad schriftelijk op de hoogte van de bezoldigde activiteiten die ze naast hun mandaat als gedeputeerde uitoefenen. § 5. Er wordt een uittredingsvergoeding toegekend aan de gedeputeerden die hun mandaat beëindigen, onder dezelfde voorwaarden als de uittredingsvergoeding van de leden van het Vlaams Parlement. § 6. De gewezen gedeputeerden of hun rechtverkrijgende ontvangen een pensioen waarvan de provincieraad de voorwaarden en de wijze van toekenning vaststelt, zoals bepaald in artikel 105, § 5, van de Provinciewet. Afdeling II. - Tucht

Art. 69.De Vlaamse Regering kan een gedeputeerde of voorzitter van de provincieraad schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. De betrokken persoon wordt vooraf gehoord. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere procedureregels vast.

De afgezette gedeputeerde of voorzitter van de provincieraad kan pas na verloop van twee jaar opnieuw in die functie worden aangesteld. Afdeling III. - Aansprakelijkheid

Art. 70.De gedeputeerde tegen wie een vordering tot schadevergoeding is ingesteld voor de burgerlijke rechter of de strafrechter naar aanleiding van schade die hij bij de uitoefening van zijn mandaat aan derden heeft berokkend, brengt, naar gelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie hiervan op de hoogte. Hij kan naar gelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie in het geding betrekken. De federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of de provincie kunnen vrijwillig tussenkomen.

Art. 71.Behalve in geval van herhaling is de provincie burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboeten waartoe een gedeputeerde wordt veroordeeld wegens een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn ambt.

De regresvordering van de provincie ten aanzien van de veroordeelde gedeputeerde is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomen.

Art. 72.De provincie sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de gedeputeerden bij de normale uitoefening van hun mandaat.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling. HOOFDSTUK VI. - De provinciale diensten Afdeling I. - Algemene bepaling

Art. 73.De provincieraad stelt het organogram van de provinciale diensten vast.

Het organogram geeft de organisatiestructuur van de provinciale diensten weer en geeft de gezagsverhoudingen aan. Afdeling II. - De provinciegriffier, de financieel beheerder en het

managementteam Onderafdeling I. - Gemeenschappelijke belangen

Art. 74.Er is in elke provincie een provinciegriffier en een financieel beheerder.

De ambten, vermeld in het eerste lid, worden uitgeoefend door personeelsleden van de provincie.

Art. 75.Voor ze het ambt opnemen, leggen de personeelsleden, vermeld in artikel 74, tijdens een openbare vergadering van de provincieraad de volgende eed af in handen van de voorzitter : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. » Een personeelslid als vermeld in het eerste lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief uitgenodigd is om de eed af te leggen op de eerstvolgende vergadering van de provincieraad, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. De weigering tot eedaflegging staat gelijk met het verzaken aan de aanstelling.

Art. 76.Het ambt van provinciegriffier en financieel beheerder is onverenigbaar met andere ambten binnen dezelfde provincie.

Het ambt van provinciegriffier en financieel beheerder is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid, belast met het bestuurlijk toezicht of met taken van externe audit bij de provincies.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast.

Art. 77.Het is voor de provinciegriffier en de financieel beheerder verboden zelf of door een tussenpersoon daden van koophandel te stellen in de zin van artikel 2 van het Wetboek van koophandel.

Art. 78.§ 1. De provincieraad regelt de vervanging van de provinciegriffier en de financieel beheerder. § 2. De provincieraad kan een waarnemend provinciegriffier of een waarnemend financieel beheerder aanstellen om de provinciegriffier of de financieel beheerder bij zijn afwezigheid of verhindering te vervangen.

In spoedeisende gevallen kan een waarnemend provinciegriffier of een waarnemend financieel beheerder door de deputatie worden aangesteld.

De aanstelling vervalt als de provincieraad ze in de eerstvolgende vergadering niet bekrachtigt. § 3. De provincieraad stelt in ieder geval, overeenkomstig de procedure van § 2, een waarnemend provinciegriffier of waarnemend financieel beheerder aan, als de afwezigheid of de verhindering van de provinciegriffier of de financieel beheerder langer dan drie maanden duurt, of bij vacature van het ambt.

Art. 79.De waarnemend provinciegriffier en de waarnemend financieel beheerder moeten voldoen aan de voorwaarden voor de uitoefening van het ambt dat zij waarnemen. Van deze regel kan enkel en slechts voor een maximale duur van zes maanden worden afgeweken, indien er bij de provincie geen personeelslid is dat aan alle voorwaarden voldoet. De waarnemend provinciegriffier en de waarnemend financieel beheerder oefenen alle bevoegdheden uit die aan dat ambt verbonden zijn.

Art. 80.De provincieraad stelt de provinciegriffier en de financieel beheerder aan binnen zes maanden nadat het ambt vacant is geworden.

Art. 81.De provincieraad kan een nieuwe provinciegriffier aanstellen voor de uittredende provinciegriffier zijn ambt beëindigt. De nieuwe provinciegriffier kan op zijn vroegst zes maanden voor de beëindiging van het ambt van de uittredende provinciegriffier in dienst treden.

De nieuwe provinciegriffier staat de uittredende provinciegriffier bij in de vervulling van zijn taken en de uitoefening van zijn bevoegdheden. Bij de beëindiging van het ambt van de uittredende provinciegriffier neemt de nieuwe provinciegriffier het ambt van provinciegriffier op.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de financieel beheerder.

Art. 82.Artikel 27, § 2, is van overeenkomstige toepassing op de provinciegriffier en de financieel beheerder.

Onderafdeling II. - De provinciegriffier

Art. 83.De provinciegriffier staat in voor de algemene leiding van de provinciale diensten.

Behoudens wat de personeelsleden van de provincie betreft die tewerkgesteld zijn bij een provinciaal intern verzelfstandigd agentschap, staat de provinciegriffier aan het hoofd van het provinciepersoneel en is hij bevoegd voor het dagelijkse personeelsbeheer.

Hij rapporteert aan de deputatie.

Art. 84.§ 1. De provinciegriffier staat in voor de werking van de provinciale diensten inzake de voorbereiding, de uitvoering en de ambtelijke voorbereiding van de evaluatie van het beleid. De provinciegriffier volgt de onderrichtingen die hem worden gegeven door de provincieraad, de voorzitter van de provincieraad, de deputatie of de provinciegouverneur in zijn hoedanigheid van voorzitter van de deputatie, naar gelang van hun respectievelijke bevoegdheden, tenzij anders bepaald in de afsprakennota, vermeld in § 2.

Hij staat in voor de interne controle op de werking van de provinciale diensten, overeenkomstig artikelen 95 en 96. § 2. Ten minste na iedere volledige vernieuwing van de provincieraad sluit de provinciegriffier mede namens het managementteam een afsprakennota met de deputatie over de wijze waarop de provinciegriffier en de overige leden van het managementteam met de deputatie samenwerken om de beleidsdoelstellingen te realiseren, en over de omgangsvormen tussen bestuur en administratie.

In die afsprakennota wordt bepaald op welke wijze de provinciegriffier de bevoegdheden uitoefent die de deputatie overeenkomstig artikel 58 aan hem heeft gedelegeerd. § 3. De provinciegriffier bereidt de zaken voor die aan de provincieraad, aan de provincieraadscommissies, en aan de deputatie worden voorgelegd. § 4. De provinciegriffier zorgt in overleg met het managementteam voor het opstellen van het voorontwerp van : 1° het organogram;2° de personeelsformatie;3° de rechtspositieregeling van het personeel;4° de strategische nota van het meerjarenplan en de herziening ervan;5° de beleidsnota van het budget;6° de verklarende nota van een budgetwijziging.

Art. 85.De provinciegriffier woont de vergaderingen bij van de provincieraad en van de deputatie. Hij kan de vergaderingen van de provincieraadscommissies bijwonen.

De provinciegriffier adviseert de provincieraad, en de deputatie op beleidsmatig, bestuurskundig en juridisch vlak. Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels, vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de door de regelgeving voorgeschreven vermeldingen in de beslissingen worden opgenomen.

Artikel 27, § 1, is van overeenkomstige toepassing op de provinciegriffier.

Art. 86.De provinciegriffier organiseert de behandeling van de briefwisseling.

Onverminderd artikel 57, § 4, organiseert hij het beheer van het archief waaronder de titels.

Art. 87.De provinciegriffier oefent de bevoegdheden uit die overeenkomstig artikel 58 of overeenkomstig andere wettelijke of decretale bepalingen aan hem zijn toevertrouwd.

Art. 88.De provinciegriffier kan de uitoefening van het dagelijkse personeelsbeheer toevertrouwen aan de leidinggevende personeelsleden die in het organogram zijn aangeduid.

Onderafdeling III. - De financieel beheerder

Art. 89.De financieel beheerder staat onder de functionele leiding van de provinciegriffier in voor : 1° het opstellen, in overleg met het managementteam, van : a) het voorontwerp van de financiële nota van het meerjarenplan en van de jaarlijkse herziening ervan;b) het voorontwerp van de financiële nota van het jaarlijkse budget en van de budgetwijzigingen;c) het voorontwerp van de interne kredietaanpassingen;2° het voeren en het afsluiten van de boekhouding en het opmaken van de boekhoudkundige inventaris, de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening;3° het verzorgen van financiële analyse en financiële beleidsadvisering in de ruimste zin;4° het thesauriebeheer. Over de taken, vermeld in het eerste lid, rapporteert de financieel beheerder aan de provinciegriffier.

Art. 90.De financieel beheerder staat in volle onafhankelijkheid in voor : 1° de voorafgaande kredieten wetmatigheidscontrole van de beslissingen van de provincie met budgettaire en financiële impact, overeenkomstig de voorwaarden, vastgesteld in titel IV;2° het debiteurenbeheer, inzonderheid de invordering van de fiscale en niet-fiscale ontvangsten. Met het oog op de invordering van onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen kan de financieel beheerder een dwangbevel uitvaardigen. Een dergelijk dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot.

Met betrekking tot de vervulling van de opdrachten, bedoeld in dit artikel, rapporteert de financieel beheerder in volle onafhankelijkheid aan de deputatie en aan de provincieraad.

Art. 91.De financieel beheerder oefent de taken van rekenplichtige uit die door of krachtens de wet of het decreet aan de provincieontvanger werden toevertrouwd. Hij staat in voor de uitvoering van de betalingen van de uitgaven, na uitdrukkelijke betalingsopdracht van de provinciegriffier overeenkomstig artikel 159.

Onderafdeling IV. - Het managementteam

Art. 92.Er is in elke provincie een managementteam.

Het managementteam bestaat uit de provinciegriffier, de financieel beheerder en, desgevallend, de personeelsleden die andere functies vervullen waaraan het organogram het lidmaatschap van het managementteam verbindt.

De provincieraad is bevoegd voor de aanstelling en het ontslag van de leden van het managementteam en treedt ten aanzien van hen op als tuchtoverheid.

Art. 93.Het managementteam vergadert geregeld onder het voorzitterschap van de provinciegriffier.

Art. 94.Het managementteam ondersteunt de coördinatie van de provinciale diensten bij de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering en de beleidsevaluatie. Het managementteam bewaakt de eenheid in de werking, de kwaliteit van de organisatie en de werking van de provinciale diensten, alsook de interne communicatie. Afdeling III. - Interne controle

Art. 95.§ 1. De provincies zijn belast met de interne controle van hun activiteiten.

Interne controle is het geheel van maatregelen en procedures die ontworpen zijn om een redelijke zekerheid te verschaffen over : 1° het bereiken van de doelstellingen;2° het naleven van wetgeving en procedures;3° de beschikbaarheid van betrouwbare financiële en beheersinformatie;4° het efficiënt en economisch gebruik van middelen;5° de bescherming van activa;6° het voorkomen van fraude.

Art. 96.§ 1. De provinciegriffier stelt het interne controlesysteem vast, na overleg met het managementteam. Het is onderworpen aan de goedkeuring van de provincieraad.

Het interne controlesysteem bepaalt op welke wijze de interne controle wordt georganiseerd, met inbegrip van de te nemen controlemaatregelen en -procedures en de aanwijzing van de personeelsleden die ervoor verantwoordelijk zijn, en de rapporteringsverplichtingen van de personeelsleden die bij het systeem van interne controle betrokken zijn. § 2. Het interne controlesysteem beantwoordt minstens aan het principe van functiescheiding waar mogelijk en is verenigbaar met de continuïteit van de werking van de provinciale diensten.

Art. 97.Onverminderd de opdrachten inzake interne controle die krachtens dit decreet of door de provincieraad aan andere organen of personeelsleden worden opgedragen, staat de provinciegriffier in voor de organisatie en de werking van het interne controlesysteem. Hij rapporteert daarover jaarlijks aan de deputatie en aan de provincieraad.

De provinciegriffier brengt het personeel op de hoogte van het interne controlesysteem, alsook van de wijzigingen ervan.

TITEL III. - Personeel HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Art. 98.Deze titel is van toepassing op de leden van het provinciepersoneel, onder voorbehoud van de toepassing van de bijzondere regelingen die in titel II, hoofdstuk VI, of door of krachtens andere wettelijke of decretale bepalingen zijn vastgesteld.

Voor het provinciaal onderwijzend personeel dat niet gesubsidieerd wordt, bepaalt de provincieraad de afwijkingen van de rechtspositieregeling, vermeld in artikel 101, rekening houdend met de onderwijsopdracht. Die afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de decreten en besluiten betreffende het onderwijs. HOOFDSTUK II. - De personeelsformatie

Art. 99.De provincieraad stelt de personeelsformatie vast. De personeelsformatie bevat de opsomming van het aantal en de soorten betrekkingen, met uitzondering van de betrekkingen in contractueel dienstverband ter uitvoering van de werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheden.

De personeelsformatie maakt in voorkomend geval een duidelijk onderscheid tussen het personeel dat in de provinciale diensten tewerkgesteld is enerzijds, en het kabinetsen fractiepersoneel, vermeld in artikel 100, § 3, anderzijds. HOOFDSTUK III. - De rechtspositie van het personeel Afdeling I. - Algemene bepaling

Art. 100.§ 1. Het personeel van de provincie bestaat uit personeelsleden in statutair dienstverband. § 2. In afwijking van § 1 kunnen personeelsleden in contractueel verband in dienst worden genomen om : 1° aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen, voor in de tijd beperkte acties, of voor een buitengewone toename van werk;2° personeelsleden te vervangen die hun betrekking niet of slechts deeltijds bekleden of die tijdens een periode afwezig zijn die zo lang duurt dat vervanging noodzakelijk is;3° aanvullende of specifieke opdrachten te vervullen;4° te voorzien in de personeelsbehoeften voor activiteiten die door een andere overheid gesubsidieerd worden;5° te voorzien in de personeelsbehoeften voor activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers;6° te voorzien in uitvoering van taken die een bijzondere expertise vereisen. § 3. Binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de provincie personeel in contractueel verband in dienst nemen om te voorzien in de personeelsbehoeften van het kabinet van de provinciegouverneur of van de gedeputeerden, of van de fracties in de provincieraad. Die personeelsleden worden, naar gelang van het geval, kabinetsof fractiepersoneel genoemd.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de aanwerving of terbeschikkingstelling van het kabinets- en fractiepersoneel. Afdeling II. - De rechtspositieregeling

Art. 101.§ 1. De provincieraad stelt de rechtspositieregeling van het personeel vast. § 2. De rechtspositieregeling voor het personeel in statutair dienstverband regelt minstens : 1° de bezoldiging van de personeelsleden en de salarisschalen die van toepassing zijn, rekening houdend met onder meer de gestelde bekwaamheidsvereisten en functievereisten;2° de toekenning van toelagen en vergoedingen;3° de voorwaarden en procedures voor aanwerving en bevordering.Die procedures waarborgen de objectiviteit van de aanwervingen en bevorderingen en de gelijke behandeling van de kandidaten. Alle personeelsleden worden steeds op proef aangesteld; 4° de bekendmaking van de vacatures en de proeftijd;5° de evaluatie, de wijze van aanwijzing van evaluatoren, de daarbijbehorende procedures, de periodiciteit en de rechtsgevolgen ervan, rekening houdend met de aard van de functie;6° de organisatie van de loopbaan van de personeelsleden en van de interne mobiliteit;7° de administratieve standen en de anciënniteit van de ambtenaren, alsook de dienstbeëindiging;8° de arbeidsduur, het verlof en de afwezigheden;9° de onverenigbaarheden, en de beperkingen en voorwaarden voor cumulatie van activiteiten in overheids- of in privé-dienst;10° de nadere regels betreffende het tuchtstelsel; 11° de toepasselijkheid van de nieuwe regels ten aanzien van het statutair personeel dat al in dienst is van de provincie;. 12° het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de ambtsneerlegging. § 3. Met uitzondering van 7°, 10°, 11° en 12°, is § 2 van overeenkomstige toepassing op de rechtspositie van de personeelsleden in contractueel verband. § 4. De rechtspositieregeling kan in een mandaatstelsel voorzien. Afdeling III. - Aanstelling, ontslag en eedaflegging van het personeel

Art. 102.De deputatie is bevoegd voor de aanstelling en het ontslag van de personeelsleden, behalve in de gevallen waarin door of krachtens de wet of het decreet die bevoegdheid aan de provincieraad is opgedragen.

De deputatie kan de uitoefening van die bevoegdheid toevertrouwen aan de provinciegriffier. In voorkomend geval kan de provinciegriffier die gedelegeerde bevoegdheid niet toevertrouwen aan andere personeelsleden van de provincie.

Onverminderd artikel 75 leggen de personeelsleden van de provincie de volgende eed af in handen van de provinciegriffier : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. » De weigering tot eedaflegging staat gelijk met verzaking van de aanstelling. Afdeling IV. - Deontologische rechten en plichten

Art. 103.§ 1. De personeelsleden oefenen hun ambt op een loyale en correcte wijze uit.

De personeelsleden zetten zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de provincie. § 2. De personeelsleden respecteren de persoonlijke waardigheid van iedereen.

Art. 104.§ 1. De personeelsleden hebben spreekrecht ten aanzien van derden met betrekking tot de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt.

Onder voorbehoud van de toepassing van de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur is het voor hen verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op : 1° de veiligheid van het land;2° de bescherming van de openbare orde;3° de financiële belangen van de overheid;4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;5° het medische geheim;6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;7° het vertrouwelijke karakter van de beraadslagingen. Het is voor hen verboden feiten bekend te maken als dat een inbreuk vormt op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om de gegevens die op haar of hem betrekking hebben, openbaar te maken.

Deze paragraaf geldt eveneens voor personeelsleden die hun ambt hebben beëindigd. § 2. De personeelsleden die in de uitoefening van hun ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven vaststellen, brengen een hiërarchische meerdere hiervan onmiddellijk op de hoogte.

Art. 105.De personeelsleden behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie.

De personeelsleden mogen, zelfs buiten hun ambt, noch rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel dat verband houdt met het ambt, vragen, eisen of aannemen.

Art. 106.De hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor : 1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld;2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt;3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;4° een belangenconflict ontstaat.

Art. 107.De personeelsleden hebben recht op informatie en vorming zowel met betrekking tot aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van de functie als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten.

De personeelsleden zorgen ervoor dat ze op de hoogte zijn van de ontwikkelingen en de nieuwe inzichten in de materies waarmee zij beroepshalve belast zijn.

De vorming is een plicht als ze noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een dienst, of als ze een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe werkmethodes en infrastructuur.

Art. 108.De provincieraad stelt een deontologische code voor het provinciepersoneel vast. Die concretiseert de bepalingen van deze afdeling en kan aanvullende deontologische rechten en verplichtingen opnemen. Afdeling V. - De evaluatie van het personeel

Art. 109.De evaluatie is de procedure waarbij een oordeel wordt geformuleerd over de manier waarop een personeelslid functioneert.

Art. 110.Onverminderd de nadere regeling van de gevolgen van de evaluatie in de rechtspositieregeling, neemt de provinciegriffier naar aanleiding van de evaluatie in voorkomend geval de passende maatregelen met het oog op het verbeteren van de wijze waarop het betrokken personeelslid functioneert.

Art. 111.De personeelsleden van de provincie worden geëvalueerd op ambtelijk niveau.

De provinciegriffier en de financieel beheerder worden echter geëvalueerd door een bijzondere provincieraadscommissie, samengesteld overeenkomstig artikel 39, § 3. Die commissie wordt voorgezeten door de voorzitter van de provincieraad. Die evaluatie vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door externe deskundigen in het personeelsbeleid, en op basis van een verslag van de deputatie. Bij staking van stemmen wordt het betrokken personeelslid geacht te voldoen. HOOFDSTUK IV. - Verdere uitvoeringsmaatregelen

Art. 112.§ 1. De Vlaamse Regering stelt de minimale voorwaarden vast voor : 1° de personeelsformatie;2° de rechtspositieregeling van het personeel;3° de toepassing van een mandaatstelsel. § 2. De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen voor de externe mobiliteit van het provinciepersoneel. HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht

Art. 113.§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of wegens strijdigheid met het algemeen belang overeenkomstig artikelen 245 tot en met 252, schorst de Vlaamse Regering de uitvoering van de besluiten tot vaststelling of wijziging van de personeelsformatie als die worden aangenomen zonder dat de financiële haalbaarheid door middel van de financiële nota van het meerjarenplan wordt aangetoond.

De Vlaamse Regering kan de schorsing beperken tot een of meer delen van het besluit, op voorwaarde dat het niet-geschorste deel nog op samenhangende wijze kan worden uitgevoerd. § 2. In geval van schorsing is artikel 249 van toepassing, met dien verstande dat de Vlaamse Regering besluit tot vernietiging van het aangepaste of gerechtvaardigde besluit tot vaststelling of wijziging van de personeelsformatie in de gevallen, vermeld in § 1.

De Vlaamse Regering kan de vernietiging beperken tot een of meer delen van het besluit, op voorwaarde dat het niet-vernietigde deel nog op samenhangende wijze kan worden uitgevoerd. HOOFDSTUK VI. - Tucht Afdeling I. - Toepassingsgebied

Art. 114.Dit hoofdstuk is van toepassing op de leden van het provinciepersoneel in statutair dienstverband. Afdeling II. - De tuchtvergrijpen

Art. 115.Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, alsook een inbreuk op de rechtspositieregeling, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf. Afdeling III. - De tuchtstraffen

Art. 116.De volgende tuchtstraffen kunnen worden opgelegd : 1° de blaam;2° de inhouding van salaris;3° de schorsing;4° het ontslag van ambtswege;5° de afzetting.

Art. 117.§ 1. De tuchtstraf waarbij salaris wordt ingehouden mag een termijn van zes maanden niet overschrijden. Er mag niet meer dan twintig procent van het jaarlijkse brutosalaris worden ingehouden. § 2. De provincie garandeert aan de betrokkenen een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld.

In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties.

Art. 118.§ 1. De schorsing wordt uitgesproken voor maximaal zes maanden. De schorsing heeft, zolang ze duurt, verlies van salaris tot gevolg. § 2. De provincie garandeert aan de betrokkenen een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld.

In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties. Afdeling IV. - De tuchtoverheid

Art. 119.De aanstellende overheid treedt op als tuchtoverheid.

Als de deputatie overeenkomstig artikel 102 de uitoefening van zijn bevoegdheid tot aanstellen van personeelsleden aan de provinciegriffier toevertrouwd heeft, treedt de provinciegriffier op als tuchtoverheid voor de personeelsleden die door de deputatie zijn aangesteld, ten aanzien van de feiten die de provinciegriffier vaststelt of waarvan hij kennis heeft gekregen na delegatie.

De provincieraad kan onder zijn leden een tuchtcommissie oprichten, die de tuchtbevoegdheid van de provincieraad uitoefent.

De tuchtcommissie wordt samengesteld volgens de regels die gelden voor de samenstelling van de provincieraadscommissies. Afdeling V. - De tuchtprocedure

Art. 120.De tuchtoverheid voert het tuchtonderzoek. Als het tuchtonderzoek is afgerond, stelt de tuchtoverheid een verslag op dat minstens de ten laste gelegde feiten bevat. De tuchtoverheid stelt een tuchtdossier samen, dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten.

Als de provincieraad als tuchtoverheid optreedt, belast hij de provinciegriffier met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier. Indien er een tuchtvordering is tegen de provinciegriffier, wordt de voorzitter van de provincieraad hiermee belast.

Als de deputatie als tuchtoverheid optreedt, belast het de provinciegriffier met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier.

Als de provinciegriffier als tuchtoverheid optreedt, belast hij een leidinggevend personeelslid met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier.

Art. 121.Een tuchtstraf kan pas worden opgelegd nadat het personeelslid en desgevallend zijn raadsman de gelegenheid hebben gekregen om door de tuchtoverheid te worden gehoord in zijn middelen van verdediging, over alle feiten die hem ten laste worden gelegd.

Art. 122.De betrokkene mag zich te allen tijde laten bijstaan en vertegenwoordigen door een raadsman van zijn keuze.

Art. 123.Voor de hoorzitting wordt het personeelslid op de hoogte gebracht van het tuchtverslag en wordt hem en desgevallend zijn raadsman een kopie van het tuchtdossier bezorgd.

De tuchtoverheid kan ambtshalve, op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman, getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene of van zijn raadsman.

De hoorzitting, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord, zijn niet openbaar tenzij het betrokken personeelslid er zelf om verzoekt.

De tuchtoverheid mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman, behalve bij de beraadslaging en de stemming.

Art. 124.De betrokkene wordt van de beslissing van de tuchtoverheid op de hoogte gebracht met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs. In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid, opgenomen in afdeling VIII, en van de termijn waarbinnen dat beroep kan worden aangetekend.

Art. 125.De Vlaamse Regering stelt de termijnen en de nadere procedureregels van de tuchtprocedure vast, met inbegrip van de wijze van de oproeping, het getuigenverhoor, de raadpleging van het tuchtdossier, de beraadslaging en de uitspraak. Afdeling VI. - De verjaring van de tuchtvordering

Art. 126.§ 1. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennis-name door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek als vermeld in artikel 120 op te starten. § 2. Als in verband met dezelfde feiten de strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van § 1 gestuit tot op de dag dat de gerechtelijke overheid de tuchtoverheid ervan op de hoogte brengt dat er een beslissing werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan en die de strafvordering beëindigt. § 3. Het strafrechtelijke onderzoek doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken.

Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, kan het betrokken personeelslid binnen zestig dagen na de kennisneming ervan bij de tuchtoverheid een verzoek tot intrekking van de opgelegde tuchtsanctie instellen. § 4. Als de tuchtstraf wordt vernietigd, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de kennisgeving van de vernietiging, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in § 1 vermelde termijn dat overbleef bij het instellen van de vervolging en minstens gedurende een termijn van drie maanden.

Als de tuchtstraf wordt ingetrokken, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de intrekking, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in de § 1 bedoelde termijn dat overbleef bij het instellen van de vervolging. Afdeling VII. - De preventieve schorsing

Art. 127.Als tegen een personeelslid een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek loopt en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de tuchtoverheid het personeelslid preventief schorsen bij wijze van ordemaatregel, al dan niet met inhouding van salaris.

Art. 128.De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van maximaal vier maanden. Als er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan de overheid die termijn voor perioden van maximaal vier maanden verlengen zolang de strafrechtelijke procedure duurt, op voorwaarde dat het personeelslid daarover vooraf wordt gehoord.

Als binnen de genoemde termijnen geen tuchtstraf wordt opgelegd, vervallen de gevolgen van de preventieve schorsing.

Art. 129.§ 1. Als tegen een personeelslid een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek loopt, kan de tuchtoverheid die de preventieve schorsing uitspreekt, beslissen tot een inhouding van salaris, op voorwaarde dat het personeelslid daarover vooraf wordt gehoord. § 2. Er mag niet meer dan de helft van het salaris worden ingehouden.

De provincie waarborgt aan het personeelslid een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld.

In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties.

Art. 130.Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, geen tuchtstraf oplegt of de tuchtstraf blaam oplegt, wordt de preventieve schorsing ingetrokken en betaalt de provincie het ingehouden salaris uit.

Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, de tuchtstraf inhouding van salaris, schorsing of ontslag van ambtswege oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan. In dit geval wordt het bedrag van het tijdens de schorsing ingehouden salaris, in mindering gebracht op het bedrag van het salarisverlies, verbonden aan de tuchtstraf. Als het bedrag van het ingehouden salaris groter is dan het bedrag van het salarisverlies, verbonden aan de tuchtstraf, betaalt de provincie het verschil uit.

Art. 131.Voor de tuchtoverheid beslist tot een preventieve schorsing, al dan niet met inhouding van salaris, hoort ze de betrokkene.

In hoogdringende gevallen kan de tuchtoverheid de preventieve schorsing al dan niet met inhouding van salaris onmiddellijk uitspreken, met de verplichting het personeelslid binnen acht dagen na de uitspraak te horen over de preventieve schorsing, en in voorkomend geval over de inhouding van salaris. De preventieve schorsing vervalt als ze niet wordt bevestigd binnen vijftien dagen nadat de betrokkene is gehoord.

Art. 132.De Vlaamse Regering stelt de termijnen en de nadere procedureregels vast. Afdeling VIII. - Beroep

Art. 133.De Beroepscommissie voor tuchtzaken, opgericht bij artikel 137 van het Gemeentedecreet, treedt ook op als beroepsinstantie voor tuchtsancties van provinciale besturen.

Art. 134.De Beroepscommissie voor tuchtzaken is een bestuurlijk orgaan. De Vlaamse Regering regelt de samenstelling, de werking en de vergoeding van de leden ervan.

Art. 135.Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing over het opleggen van een tuchtstraf of een preventieve schorsing kan het personeelslid tegen die beslissing beroep aantekenen bij de Beroepscommissie voor tuchtzaken. Behalve in geval van preventieve schorsing, schorst het beroep de beslissing.

Art. 136.De Beroepscommissie voor tuchtzaken mag pas uitspraak doen nadat aan het personeelslid en aan de tuchtoverheid en hun respectieve raadsman de gelegenheid werd geboden om te worden gehoord. Die hoorzittingen zijn niet openbaar tenzij het betrokken personeelslid erom verzoekt.

Art. 137.De Beroepscommissie voor tuchtzaken beschikt over een hervormingsrecht.

Art. 138.Binnen zestig dagen na de dag van ontvangst van het tuchtdossier spreekt de Beroepscommissie voor tuchtzaken zich uit over het beroep. Ze kan evenwel de oorspronkelijke termijn met zestig dagen verlengen indien ze, voor het verstrijken van de termijn, de tuchtoverheid en het personeelslid ervan op de hoogte brengt dat ze pas binnen de verlengde termijn kan beslissen.

Art. 139.De Vlaamse Regering stelt de nadere procedureregels vast. Afdeling IX. - De doorhaling van de tuchtstraf

Art. 140.De tuchtstraffen blaam, inhouding van salaris en schorsing worden in het persoonlijk dossier van de personeelsleden doorgehaald na verloop van een termijn van één jaar voor de blaam, drie jaar voor de inhouding van salaris en vier jaar voor de schorsing. Die termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf werd uitgesproken door de tuchtoverheid of, indien beroep werd aangetekend overeenkomstig artikel 135, vanaf de datum van de uitspraak van de Beroepscommissie voor tuchtzaken. De doorhaling heeft enkel uitwerking voor de toekomst.

TITEL IV. - Planning en financieel beheer HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Art. 141.Het financieel boekjaar van de provincie begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar.

Met het begrip begroting uit de Provinciewet wordt bedoeld : het meerjarenplan en het budget. HOOFDSTUK II. - Strategische meerjarenplanning

Art. 142.Vóór het einde van het jaar dat volgt op de provincieraadsverkiezingen en voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende boekjaar, stelt de provincieraad een meerjarenplan vast. Behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, kan het meerjarenplan pas worden vastgesteld nadat het advies van de externe auditcommissie bedoeld in artikel 254 over het voorontwerp van meerjarenplan wordt voorgelegd. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. Het heeft betrekking op de hele periode waarvoor de provincieraad werd verkozen, te rekenen vanaf de datum van vaststelling ervan.

In de strategische nota worden de beleidsdoelstellingen en de beleidsopties voor het extern en intern te voeren provinciebeleid op elkaar afgestemd en geïntegreerd weergegeven.

In de financiële nota wordt verduidelijkt hoe het financiële evenwicht wordt gehandhaafd en worden de financiële consequenties van de beleidsopties van de strategische nota weergegeven.

Het ontwerp van meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.

Art. 143.De provincieraad past jaarlijks indien nodig het meerjarenplan aan in de loop van het vierde kwartaal en voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende boekjaar.

De aanpassing van het meerjarenplan in het laatste jaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen, is facultatief.

De provincieraad houdt bij de aanpassing rekening met de termijn waarop het meerjarenplan betrekking heeft. Vanaf het voorlaatste jaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen, beschrijft de financiële nota de financiële consequenties voor ten minste drie boekjaren na het lopende boekjaar.

Het ontwerp van de jaarlijkse aanpassing van het meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd. HOOFDSTUK III. - Het budget

Art. 144.Voor het begin van ieder boekjaar stelt de provincieraad op basis van het meerjarenplan het budget van de provincie vast.

Behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, kan het budget pas worden vastgesteld nadat het advies van de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel, over het ontwerp van budget aan de provincieraad wordt voorgelegd.

In afwijking van de eerste paragraaf kan de provincieraad het budget voor het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad is verkozen, vaststellen in de loop van het eerste kwartaal van dat boekjaar.

Het budget voor het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode hoeft niet te passen in het meerjarenplan.

De provincieraad stemt over het budget in zijn geheel. Elk provincieraadslid kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen van het budget die hij aanwijst. In dat geval mag over het geheel pas gestemd worden na de stemming over een of meer onderdelen die aldus zijn aangewezen. De stemming over het geheel heeft dan betrekking op de onderdelen waarover geen enkel provincieraadslid afzonderlijk wil stemmen, en op de onderdelen die al bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen.

Het ontwerp van budget wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.

Art. 145.Het budget van de provincie omvat een beleidsnota en een financiële nota.

Art. 146.De beleidsnota verwoordt het beleid dat de provincie gedurende het boekjaar zal voeren en concretiseert de beleidsdoelstellingen. De beleidsnota omvat een toelichting over de financiële toestand van de provincie en verwoordt de aansluiting met de financiële nota.

Art. 147.§ 1. De financiële nota bevat minstens het exploitatiebudget, het investeringsbudget en het liquiditeitenbudget. § 2. Het exploitatiebudget omvat alle verwachte kosten en opbrengsten. § 3. Het liquiditeitenbudget is een financieel plan van de geldstromen van de provincie. § 4. Het investeringsbudget is een financieel plan van de uitgaven en ontvangsten, en van de kosten en opbrengsten die verbonden zijn aan de aanschaf, het gebruik en de vervreemding van duurzame middelen.

Een investeringsbudget bestaat uit een of meer investeringsenveloppes.

Als een investeringsenveloppe eenmaal in het budget werd goedgekeurd, blijft ze drie jaar geldig als de investering nog niet in uitvoering is. Als de investering eenmaal in uitvoering is, blijft het budget geldig tot 31 december van het boekjaar na het jaar waarin de investering definitief opgeleverd wordt. Verlenging van die termijnen is mogelijk voorzover de provincieraad die goedkeurt. § 5. De volgende kosten en uitgaven worden in ieder geval in het budget opgenomen : 1° de vaststaande en opeisbare schulden van de provincie, alsmede de schulden die ze moet vereffenen ten gevolge van tegen haar uitgesproken veroordelingen;2° de provinciale bijdragen aan de besturen van de erkende erediensten georganiseerd op provinciaal niveau, bedoeld in het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, en aan de bisschopshuizen en bisschoppelijke seminaries, overeenkomstig de geldende bepalingen;3° de vergoeding voor huisvesting van de bedienaren van de erediensten als geen woning wordt verschaft, overeenkomstig de geldende bepalingen;4° de uitgaven en de kosten met betrekking tot de instellingen voor niet-confessionele morele dienstverlening zoals vermeld in artikel 27 van de wet van 21 juni 2002.

Art. 148.Tot het budget van de provincie is vastgesteld, kan de provincie enkel beschikken over voorlopige kredieten onder de voorwaarden en binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt.

Art. 149.Als verscheidene provincies betrokken zijn bij een uitgave die door of krachtens wettelijke of decretale bepalingen aan de provincie is opgelegd, dragen ze allemaal daarin bij naar evenredigheid van het belang dat ze erbij kunnen hebben. In geval van weigering of van onenigheid over de verhouding van dat belang en van de te dragen lasten, beslist de Vlaamse Regering.

Art. 150.Budgetwijzigingen zijn die kredietaanpassingen aan het budget die niet door middel van een interne kredietaanpassing kunnen worden doorgevoerd.

De provincieraad stelt de budgetwijzigingen vast op basis van de voorgelegde cijfers en de verklarende nota ervan.

Art. 151.Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, beslist de deputatie over de interne kredietaanpassingen. De deputatie brengt de provincieraad, de financieel beheerder en de betrokken budgethouders daarvan onverwijld op de hoogte.

Art. 152.Een verbintenis mag alleen worden aangegaan door de bevoegde budgethouder op grond van een goedgekeurde, op het budget voorkomende post of op grond van een voorlopig krediet.

De personeelsleden of de leden van de deputatie die in strijd hiermee verbintenissen hebben aangegaan, zijn hiervoor persoonlijk verantwoordelijk, behoudens in de gevallen die door of krachtens dit decreet worden bepaald en onverminderd de eventuele medeverantwoordelijkheid van andere organen of personeelsleden van de provincie.

Art. 153.De provincieraad kan zonder voorafgaande budgetwijziging voorzien in uitgaven die door dwingende en onvoorziene omstandigheden worden vereist, op voorwaarde dat hij daartoe een met redenen omkleed besluit neemt.

In dezelfde omstandigheden en als het geringste uitstel onbetwistbare schade zou veroorzaken, kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid in de uitgave voorzien. De deputatie brengt de provincieraad en, behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel, daarvan onverwijld op de hoogte.

In de gevallen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden de nodige kredieten onverwijld ingeschreven door een budgetwijziging. De betaling mag evenwel worden uitgevoerd, zonder de budgetwijziging af te wachten. HOOFDSTUK IV. - Uitvoering van het budget, budgethouderschap en beheer van de middelen Afdeling I. - Budgethouderschap

Art. 154.Het budgethouderschap is de toegekende bevoegdheid tot beheer van een budget dat taakstellend is in die zin dat het een norm inhoudt waarvan de budgethouder de realisatie nastreeft.

Art. 155.§ 1. Het budgethouderschap komt toe aan de deputatie, behoudens de uitzonderingen, bepaald door of krachtens dit decreet en onverminderd de toepassing van § 2 en § 3. § 2. De deputatie kan het budgethouderschap voor aangelegenheden van dagelijks bestuur toekennen aan de provinciegriffier, die verantwoordelijk is voor de uitvoering ervan.

De provincieraad bepaalt, op voorstel van de deputatie, wat onder dagelijks bestuur wordt begrepen.

De provinciegriffier kan deze bevoegdheid met betrekking tot bepaalde budgetten betreffende activiteitencentra delegeren aan andere personeelsleden. Hij houdt daarbij rekening met het organogram van de provinciale diensten. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap. § 3. Onder de voorwaarden die door de provincieraad vastgesteld worden en na advies van de provinciegriffier kan de deputatie het budgethouderschap met betrekking tot bepaalde budgetten betreffende activiteitencentra of projecten delegeren aan bepaalde personeelsleden van de provincie, ook voor aangelegenheden die het dagelijks bestuur te boven gaan. De deputatie houdt daarbij rekening met het organogram van de provinciale diensten. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap.

De provinciegriffier brengt het advies, vermeld in het eerste lid, uit binnen dertig dagen na daarom te zijn verzocht ter kennis van de deputatie. Bij gebrek aan kennisgeving van het advies binnen de voormelde termijn kan aan die adviesvereiste worden voorbijgegaan.

Dergelijke delegatie vervalt in ieder geval zes maanden na de algehele vernieuwing van de provincieraad.

Art. 156.§ 1. De budgethouder gaat de verbintenissen aan overeenkomstig het hem toevertrouwde budget. Hij voert, in voorkomend geval binnen de perken van de delegatie, de procedures voor opdrachten van aanneming van werken, leveringen of diensten, wijst de opdracht toe en keurt de te betalen bedragen goed overeenkomstig het aan hem toevertrouwde budget. § 2. De voorgenomen financiële verbintenissen zijn onderworpen aan een voorafgaand visum, voordat enige verbintenis kan worden aangegaan.

De financieel beheerder onderzoekt de wettigheid en regelmatigheid van deze voorgenomen verbintenissen in het kader van zijn opdracht, vermeld in artikel 90, 1°. Hij verleent zijn visum, indien uit dit onderzoek de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenis blijkt.

De provincieraad bepaalt de nadere voorwaarden waaronder de financieel beheerder de controle, vermeld in het tweede lid, uitoefent. De provincieraad kan binnen de perken die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering, bepaalde categorieën van verrichtingen van dagelijks bestuur uitsluiten van de visumverplichting.

Verrichtingen die door de provincieraad overeenkomstig het derde lid zijn uitgesloten van de visumverplichting, kunnen door de betrokken budgethouder en, indien de betrokken budgethouder de deputatie is, door een lid van de deputatie wanneer het stemgedrag niet wordt genotuleerd, voordat enige verbintenis werd aangegaan, worden voorgelegd aan de financieel beheerder. In dat geval wordt gehandeld overeenkomstig het tweede lid. § 3. De budgethouder is verantwoordelijk voor de facturatie van de opbrengsten van het aan hem toevertrouwde budget. § 4. De provincieraad en de deputatie kunnen als bevoegde budgethouder beslissen, onder de door hen bepaalde voorwaarden, de goedkeuring van de te betalen bedragen toe te vertrouwen aan de provinciegriffier. De provinciegriffier kan die bevoegdheid niet delegeren.

Art. 157.Als de financieel beheerder, bij gemotiveerde beslissing, aan een door een budgethouder voorgenomen verbintenis waarvoor nog voldoende kredieten zijn, weigert visum te verlenen, kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid viseren. In dit geval bezorgt de deputatie de gemotiveerde beslissing van de financieel beheerder aan de Vlaamse Regering, tegelijkertijd met het afschrift van zijn beslissing. Behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, wordt de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel, van de beslissing op de hoogte gesteld.

De beslissing van de deputatie is pas uitvoerbaar als de toezichttermijn, vermeld in artikel 248, is verstreken.

Art. 158.§ 1. Om de betaling mogelijk te maken van geringe exploitatie-uitgaven van het dagelijkse bestuur, die zonder uitstel moeten gebeuren of die onmiddellijk moeten worden gedaan voor de goede werking van de dienst, kan de provinciegriffier onder zijn verantwoordelijkheid na advies van de financieel beheerder beslissen aan bepaalde budgethouders of personeelsleden een provisie ter beschikking te stellen. Deze beslissing van de provinciegriffier wordt ter goedkeuring aan de provincieraad voorgelegd indien ze niet overeenstemt met het advies van de financieel beheerder dat hij in volle onafhankelijkheid heeft verstrekt.

Het personeelslid dat verantwoordelijk is voor de betalingen overhandigt de voorgeschreven som tegen ontvangstbewijs aan de betrokken budgethouder of het betrokken personeelslid of stort het bedrag op een daartoe speciaal geopende rekening die nooit een debetsaldo kan vertonen. Die budgethouders of personeelsleden zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het beheer ervan. De op de kasprovisie gedane uitgaven van de gemachtigde personeelsleden worden periodiek op voorlegging van een staat van uitgaven en de erbij horende bewijsstukken opgenomen in de boekhouding van de provincie.

Als de titularis van de provisie ervan wordt ontlast, stort hij het bedrag ervan terug, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de uitgaven die hij reeds regelmatig heeft verricht met de provisie, mits voorlegging van bewijsstukken betreffende de gedane uitgaven. § 2. De provinciegriffier kan, na advies van de financieel beheerder, onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde personeelsleden van de provincie die onder zijn gezag staan, belasten met de inning van geringe dagontvangsten. Deze beslissing van de provinciegriffier wordt ter goedkeuring aan de provincieraad voorgelegd indien ze niet overeenstemt met het advies van de financieel beheerder dat hij in volle onafhankelijkheid heeft verstrekt.

Deze personeelsleden storten op geregelde tijdstippen het totale bedrag van hun inningen in de provinciekas en verantwoorden die bedragen door een nauwkeurige invorderingsstaat volgens de onderrichtingen van de financieel beheerder. De ontvangsten en de storting ervan in de provinciekas worden in een kasboekhouding geregistreerd. § 3. Minstens eenmaal per jaar verifieert de financieel beheerder of een door hem aangestelde persoon, onder zijn verantwoordelijkheid, de boekhouding en de geldvoorraad van de houders van de provisie, vermeld in § 1, en de personeelsleden die belast zijn met de inning van geringe dagontvangsten, vermeld in § 2.

Van zijn bevindingen wordt een proces-verbaal gemaakt dat wordt bezorgd aan de provinciegriffier, aan de bevoegde budgethouder of aan het betrokken personeelslid en behoudens in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel.

Dat proces-verbaal wordt zowel door het verantwoordelijke personeelslid als door de financieel beheerder ondertekend. § 4. De provincieraad bepaalt de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van provisies en de voorwaarden waaronder personeelsleden van de provincie kunnen worden belast met de inning van geringe dagontvangsten. Afdeling II. - Uitvoering van de betalingen, inning van de ontvangsten

en beheer van de kasmiddelen

Art. 159.§ 1. De financieel beheerder staat in voor de uitvoering van alle girale betalingen. Hij of zijn gemachtigde plaatst hiervoor als tweede zijn handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling. Betalingen in uitvoering van uitgaven kunnen nooit door de financieel beheerder gebeuren zonder een uitdrukkelijke betalingsopdracht van de provinciegriffier. Deze opdracht van de provinciegriffier blijkt uit een eerste handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling door de provinciegriffier of zijn gemachtigde. De provinciegriffier bevestigt hiermee dat de uitgave wettig en regelmatig is.

Betalingen in verband met het thesauriebeheer gebeuren autonoom door de financieel beheerder.

De provinciegriffier kan, na eensluidend advies van de financieel beheerder, de kasverrichtingen opdragen aan een of meer personeelsleden van de provincie, met uitsluiting van de financieel beheerder. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen toevertrouwde bevoegdheden niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet.

De in dit artikel vermelde personeelsleden zijn binnen de grenzen van de aan hen toevertrouwde bevoegdheid rekenplichtig. § 2. Indien de provinciegriffier of een door hem met betalingsverrichtingen belast personeelslid weigert een betalingsopdracht aan een financiële instelling te ondertekenen, kan de deputatie op eigen verantwoordelijkheid bevelen de betaling uit te voeren. Een dergelijk bevel kan niet worden geweigerd.

In dat geval bezorgt de deputatie een afschrift van haar beslissing aan de Vlaamse Regering en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel. De beslissing van de deputatie is slechts uitvoerbaar zodra de in artikel 248 vermelde toezichttermijn is verstreken. HOOFDSTUK V. - Boekhouding, financiële rapportering en kascontrole

Art. 160.Elke provincie voert een voor de aard en de omvang van haar activiteiten passende boekhouding, volgens de methode van het dubbel boekhouden.

Art. 161.De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per semester aan de provincieraad en de deputatie. Dat rapport omvat minstens een overzicht van de thesaurietoestand, de liquiditeitsprognose, de beheerscontrole, alsook de evolutie van de budgetten. De financieel beheerder stelt tegelijkertijd een afschrift ter beschikking aan de provinciegriffier en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie bedoeld in dat artikel.

Art. 162.De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per semester aan de provincieraad over de uitvoering van zijn taak van voorafgaande controle van de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenissen.

Hij stelt tegelijkertijd een afschrift van dat rapport ter beschikking aan de deputatie, de provinciegriffier en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel.

Art. 163.Bij toepassing van artikel 155, § 2, rapporteert de provinciegriffier minstens eenmaal per kwartaal aan de deputatie over de uitvoering van het budgethouderschap. De provinciegriffier rapporteert tegelijk over de uitvoering van het budgethouderschap door de door hem met het budgethouderschap belaste personeelsleden.

De door de provinciegriffier met budgethouderschap belaste personeelsleden rapporteren minstens eenmaal per kwartaal aan de provinciegriffier over de uitvoering van hun budgethouderschap.

Bij toepassing van artikel 155, § 3, rapporteert het met budgethouderschap belaste personeel minstens eenmaal per kwartaal aan de deputatie over de uitvoering van het budgethouderschap.

Behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, heeft de externe auditcommissie toegang tot de in dit artikel vermelde rapporten.

Art. 164.De deputatie rapporteert minstens eenmaal per semester aan de provincieraad over de uitvoering van het budgethouderschap. Een afschrift van dit rapport wordt ter beschikking gesteld van de provinciegriffier en behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, aan de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel.

Art. 165.§ 1. Minstens eenmaal per jaar verifieert een door de provincieraad aangeduid personeelslid de kas van de provinciegriffier of, in voorkomend geval, van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159. Het proces-verbaal van verificatie wordt bezorgd aan de provincieraad, aan de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen bedoeld in artikel 159. De opdracht omschreven in het eerste lid vervalt indien er minstens jaarlijks een kascontrole door het Rekenhof of door de externe auditcommissie bedoeld in artikel 254 wordt uitgevoerd. § 2. De provinciegriffier of, in voorkomend geval, de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159, brengen de controlerende of auditerende instantie onverwijld op de hoogte van elk tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.

In voorkomend geval wordt er onverwijld overgegaan tot verificatie van de kas.

Aan het proces-verbaal van verificatie wordt een toelichting gevoegd over de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de provinciegriffier en de door hem aangestelde rekenplichtigen hebben genomen. § 3. Indien het de provinciegriffier of de rekenplichtige, vermeld in artikel 159, onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, vermeld in § 1 en § 2, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen. § 4. Behalve in het geval dat de aansprakelijkheid van de rekenplichtigen bedoeld in § 1 wordt vastgesteld door het Rekenhof zijn in afwijking van de §§ 1 tot en met 3 de §§ 5 tot en met 9 van toepassing. § 5. Minstens eenmaal per jaar verifieert de externe auditcommissie de kas van de provinciegriffier of, in voorkomend geval, van de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159.

De externe auditcommissie maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin haar opmerkingen, alsmede die van de in het eerste lid bedoelde personen, worden vermeld. Het proces-verbaal wordt ondertekend door een lid van de externe auditcommissie en de in het eerste lid bedoelde personen.

De externe auditcommissie bezorgt het proces-verbaal aan de provincieraad, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159.

De externe auditcommissie stelt een aanvullend rapport op van de verificatie indien een tekort werd vastgesteld. Dat rapport bevat aanbevelingen betreffende de vereffening daarvan. Het rapport wordt uiterlijk tien dagen na verificatie en tegelijkertijd met het proces-verbaal bezorgd aan de Vlaamse Regering, de provincieraad, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159. § 6. De provinciegriffier of, in voorkomend geval, de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, brengen de externe auditcommissie onverwijld op de hoogte van elk tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.

In voorkomend geval wordt er onverwijld overgegaan tot verificatie van de kas, overeenkomstig § 5, om het bedrag van het tekort vast te stellen.

Aan het proces-verbaal van verificatie wordt een toelichting toegevoegd over de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de provinciegriffier of de door hem aangestelde rekenplichtigen hebben genomen. § 7. Als verificatie uitwijst dat er een kastekort is, dan deelt de provincieraad binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal en het rapport van de externe auditcommissie, aan de Vlaamse Regering zijn advies mee betreffende de mate waarin de provinciegriffier of de door hem aangestelde rekenplichtige voor het tekort aansprakelijk gesteld moeten worden en, in voorkomend geval, hoeveel het tekort bedraagt dat moet worden vereffend.

De Vlaamse Regering neemt een beslissing, na kennisname van het advies van de provincieraad, het proces-verbaal en het aanvullend rapport van de externe auditcommissie.

De betrokkene wordt onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten. Een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering wordt onverwijld bezorgd aan de provincie. § 8. Binnen zestig dagen na die kennisgeving kan de betrokkene beroep instellen bij het rechtscollege, bedoeld in artikel 13. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.

Het rechtscollege doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de provinciegriffier of de door hem aangestelde rekenplichtige en bepaalt het bedrag dat te zijnen laste wordt gelegd.

De beslissing van het rechtscollege is uitvoerbaar, zelfs indien daartegen een beroep is ingesteld bij de Raad van State. Deze beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dit beroep. § 9. Indien het de provinciegriffier of de in artikel 159 bedoelde rekenplichtige onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, daarbij opmerkingen te maken en het proces-verbaal van verificatie te ondertekenen, zoals bedoeld in § 5 en § 6, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen.

Art. 166.§ 1. Als het ambt van de financieel beheerder, de provinciegriffier of de opdracht van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 159, een einde neemt, wordt binnen veertien dagen een eindrekening opgemaakt. Deze personen zijn overeenkomstig artikel 171 rekenplichtig. § 2. De verplichting vermeld in § 1 is enkel van toepassing in de gevallen dat het Rekenhof zich uitspreekt over de aansprakelijkheid van de in § 1 bedoelde personeelsleden. In de overige gevallen zijn de §§ 3 tot en met 8 van toepassing. § 3. Als het ambt van de financieel beheerder, de provinciegriffier of de opdracht van de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, een einde neemt, controleert de externe auditcommissie de juistheid en volledigheid van de boekhouding en wijst op ieder tekort. Zij brengt hierover verslag uit.

De externe auditcommissie maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin haar opmerkingen en, in voorkomend geval, die van de financieel beheerder, de provinciegriffier en de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, of, in geval van overlijden, van hun erfgenamen worden vermeld. Het proces-verbaal wordt, naar gelang van het geval, ondertekend door een lid van de externe auditcommissie en door de financieel beheerder, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, de rekenplichtige of, in geval van overlijden, hun erfgenamen indien aanwezig.

De externe auditcommissie bezorgt het proces-verbaal aan de provincieraad, de financieel beheerder, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, of hun erfgenamen. § 4. De externe auditcommissie stelt een aanvullend rapport op van de verificatie indien een onjuistheid of onvolledigheid werd vastgesteld.

Dat rapport omvat aanbevelingen betreffende de vereffening daarvan.

Het rapport wordt uiterlijk dertig dagen na verificatie en tegelijkertijd met het proces-verbaal bezorgd aan de Vlaamse Regering, de provincieraad, de financieel beheerder, de provinciegriffier en, in voorkomend geval, aan de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, of hun erfgenamen. § 5. Als er onjuistheden of onvolledigheden werden vastgesteld, deelt de provincieraad binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal en het rapport van de externe auditcommissie aan de Vlaamse Regering zijn advies mee betreffende de mate waarin de financieel beheerder, de provinciegriffier, of de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 159, aansprakelijk gesteld moeten worden voor de vastgestelde onregelmatigheden. In voorkomend geval wordt aangegeven welk bedrag in de provinciekas moet worden gestort.

De Vlaamse Regering neemt een beslissing, na kennisname van het advies van de provincieraad, het proces-verbaal en het aanvullend rapport van de externe auditcommissie.

De betrokkene, of diens erfgenamen in geval van overlijden, indien bekend, worden onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten. Een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering wordt onverwijld bezorgd aan de provincie. § 6. Artikel 165, § 8, is van overeenkomstige toepassing als een van de personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, of hun rechtverkrijgenden worden verzocht een tekort te vereffenen. § 7. Indien het de provinciegriffier, de in artikel 159 bedoelde rekenplichtige of de financieel beheerder onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, daarbij opmerkingen te maken en het proces-verbaal van verificatie te ondertekenen, zoals bedoeld in § 3, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen. § 8. Bij afwezigheid of verhindering die aanleiding geeft tot vervanging in de zin van artikel 78, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de provinciegriffier of de financieel beheerder. § 9. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de waarnemende financieel beheerder en de waarnemende provinciegriffier, als de vervanging een einde neemt. HOOFDSTUK VI. - Inventaris, jaarrekening en kwijting

Art. 167.Onder leiding van de financieel beheerder en in overleg met het managementteam worden uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen gedaan om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van de provincie van welke aard ook.

Art. 168.§ 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat opgenomen in het ontwerp van de jaarrekening.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de consolidatie van de jaarrekening van de provincie met de jaarrekeningen van de autonome provinciebedrijven en de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen met privaatrechtelijke vorm. § 2. De externe auditcommissie controleert, behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, of het ontwerp van de jaarrekening juist en volledig is, of ze een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van de provincie en of de erin opgenomen opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven wettelijk en regelmatig zijn. De externe auditcommissie rapporteert over haar bevindingen in een verslag. Zij deelt dit verslag mee aan de provincie binnen dertig dagen nadat de jaarrekening haar voor controle werd bezorgd.

Art. 169.§ 1. De provincieraad spreekt zich in de loop van het eerste semester van het boekjaar dat volgt op datgene waarop de rekening betrekking heeft uit over de vaststelling van de jaarrekening. Behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, spreekt de provincieraad zich slechts uit na kennis te hebben genomen van het in artikel 168, § 2, bedoelde verslag.

Tijdens de vergadering waarop de provincieraad over de jaarrekening beraadslaagt, brengt de deputatie verslag uit over de financiële toestand, over het gevoerde beleid en beheer tijdens het voorafgaande jaar en over de uitvoering van het budget.

Een afschrift van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de Vlaamse Regering. § 2. In de gevallen dat het Rekenhof de rekeningen van de rekenplichtige niet afsluit is, in afwijking van § 1, § 3 van toepassing. § 3. Na kennisname van het verslag van de externe auditcommissie over het ontwerp van de jaarrekening spreekt de provincieraad zich in de loop van het eerste semester van het boekjaar dat volgt op datgene waarop de rekening betrekking heeft uit over de vaststelling van de jaarrekening.

Als de provincieraad bepaalde verrichtingen verworpen heeft, formuleert hij een advies over de aansprakelijkheid van de bij die verrichtingen betrokken actoren. Dat advies wordt als bijlage bij de jaarrekening gevoegd.

Tijdens de vergadering waarop de provincieraad over de jaarrekening beraadslaagt, brengt de deputatie verslag uit over de financiële toestand, over het gevoerde beleid en beheer tijdens het voorafgaande jaar en over de uitvoering van het budget.

Een afschrift van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de Vlaamse Regering en de externe auditcommissie.

Art. 170.§ 1. Artikel 144, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de stemming door de provincieraad over de jaarrekening. § 2. Het ontwerp van de jaarrekening wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de provincieraad bezorgd.

Art. 171.§ 1. De provinciegriffier, de aangestelde budgethouders, de personen die door de provinciegriffier zijn aangesteld om betalingen te verrichten of ontvangsten te innen, en de financieel beheerder zijn rekenplichtig in de zin van artikel 7 van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof. § 2. De deputatie legt jaarlijks gecentraliseerd rekening af aan het orgaan dat belast is met het verlenen van kwijting van het beheer. Die rekening omvat alle rekeningen van de rekenplichtigen. § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2 zijn de §§ 4 tot en met 8 van toepassing wanneer het Rekenhof zich niet uitspreekt over de effenverklaring van de rekeningen van de provincie. § 4. Na ontvangst van het afschrift van de jaarrekening, overeenkomstig artikel 169, § 3, vierde lid, rapporteert de externe auditcommissie binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering over de door de provincieraad vastgestelde rekening in het geval de externe auditcommissie of de provincieraad van mening zijn dat een bepaalde ambtenaar of bepaalde ambtenaren aansprakelijk zijn. Indien de provincieraad geen rekening gehouden heeft met de bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, wordt dat door de externe auditcommissie expliciet vermeld.

De externe auditcommissie bezorgt een afschrift van dit rapport aan de provincie. § 5. Indien de provincieraad geen verrichtingen verworpen heeft en de externe auditcommissie in zijn rapport, vermeld in § 4, er geen melding van maakt dat de provincieraad met bevindingen van de externe auditcommissie geen rekening heeft gehouden, is de vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad definitief.

De definitieve vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad houdt van rechtswege kwijting in van het beheer van de provinciegriffier, de financieel beheerder en van de door de provinciegriffier aangestelde rekenplichtigen en de budgethouders, voorzover de ware toestand niet werd verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de jaarrekening. § 6. Indien de provincieraad bepaalde verrichtingen verworpen heeft of indien de externe auditcommissie in haar rapport, vermeld in § 4, er melding van maakt dat de provincieraad geen rekening heeft gehouden met bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, beslist de Vlaamse Regering over de aansprakelijkheid van de bij de betwiste verrichtingen betrokken actoren en beslist zij over de kwijting. Zij brengt in voorkomend geval, de nodige wijzigingen aan in de jaarrekening en stelt de rekening definitief vast.

Indien de Vlaamse Regering zich niet uitgesproken heeft binnen de honderd dagen na ontvangst van de jaarrekening, wordt zij geacht de vaststelling van de jaarrekening door de provincieraad te bevestigen en, in voorkomend geval, wordt zij geacht aangaande de aansprakelijkheid van de bij verworpen verrichtingen betrokken actoren te hebben beslist overeenkomstig het advies van de provincieraad. § 7. De betrokkenen worden onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de Vlaamse Regering. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de provinciekas te storten. Behoudens in geval van toepassing van § 6, tweede lid, wordt onverwijld een afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering bezorgd aan de provincie. § 8. Degenen aan wie kwijting is geweigerd kunnen binnen zestig dagen na deze kennisgeving een beroep instellen bij het rechtscollege, bedoeld in artikel 13, tegen de beslissingen van de Vlaamse Regering, bedoeld in § 6. Dat beroep heeft schorsende werking. Het rechtscollege doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de betrokkene en bepaalt het bedrag dat te zijnen laste wordt gelegd of verleent definitief kwijting.

Als de verwerping van bepaalde verrichtingen aanleiding gaf tot het definitief afwijzen van bepaalde uitgaven, kan degene die beroep heeft ingesteld de personen die hij aansprakelijk of medeaansprakelijk acht ter verantwoording roepen in het geding voor het rechtscollege om de beslissing van het rechtscollege voor hen bindend en tegenstelbaar te horen verklaren. In dat geval doet het rechtscollege mee uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.

De beslissing van het rechtscollege is uitvoerbaar, zelfs indien daartegen een beroep is ingesteld bij de Raad van State. Deze beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep. HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht

Art. 172.§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, overeenkomstig de artikelen 245 tot 252, schorst de Vlaamse Regering de uitvoering van het meerjarenplan en de beslissing tot wijziging ervan : 1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat het financieel evenwicht gevrijwaard blijft in de boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;2° als bekende en verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;4° als het meerjarenplan geen of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder goedgekeurde investeringsenveloppes. Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing het evenwicht van het meerjarenplan niet in gevaar brengen, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het meerjarenplan. § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering. § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het meerjarenplan of de wijziging ervan die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang stelt de Vlaamse Regering het meerjarenplan of de wijziging ervan opnieuw vast in de hierna volgende gevallen : 1° als niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat het financieel evenwicht gevrijwaard blijft in de boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;2° als bekende en verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;3° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;4° als het meerjarenplan geen of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder goedgekeurde investeringsenveloppen. In het eerste geval neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het evenwicht te herstellen. In het tweede geval schrijft de Vlaamse Regering de opbrengsten of verplichte kosten ambtshalve in. In het derde geval schrapt de Vlaamse Regering de vermelde ontvangsten of schrijft ze die op het juiste bedrag in. In het laatste geval verhoogt de Vlaamse Regering de kredieten, zodat de reeds eerder goedgekeurde investeringsenveloppes passen in het vastgestelde meerjarenplan.

De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen vijftig dagen, die ingaan op de dag na het inkomen van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.

Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het door de Vlaamse Regering ontvangen meerjarenplan of de wijzigingen ervan definitief. § 4. De schorsing van het meerjarenplan of van de wijziging ervan impliceert van rechtswege de schorsing van het budget dat werd vastgesteld op basis van het geschorste meerjarenplan of het meerjarenplan zoals gewijzigd bij de geschorste wijziging. Deze schorsing neemt een einde op de datum van de gemotiveerde beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in § 3.

Art. 173.§ 1. Onverminderd de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang overeenkomstig artikelen 245 tot 252, schorst de Vlaamse Regering het budget of de budgetwijzigingen : 1° als die niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;2° als die een negatief resultaat op kasbasis vertonen voorzover de financiële nota van het budget of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar waarvoor de provincieraad werd verkozen;3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget worden opgenomen;4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het budget heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht. Voorzover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing niet tot gevolg hebben dat het budget niet meer past in het meerjarenplan, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het budget. § 2. De provincieraad spreekt zich uit over het schorsingsbesluit en stelt het budget of de budgetwijziging opnieuw vast. Hij stuurt zijn gemotiveerde beslissing naar de Vlaamse Regering. § 3. De Vlaamse Regering neemt een gemotiveerde beslissing over het budget of de budgetwijziging die de provincieraad opnieuw heeft vastgesteld. Onverminderd haar bevoegdheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, stelt de Vlaamse Regering het budget of de budgetwijzigingen opnieuw vast in de hierna volgende gevallen : 1° als ze niet passen in het meerjarenplan, voorzover het budget of de budgetwijzigingen geen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de provincieraad werd verkozen;2° als ze een negatief resultaat op kasbasis vertonen, voorzover het budget of de budgetwijzigingen betrekking hebben op het eerste volledige boekjaar waarvoor de provincieraad werd verkozen;3° als bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het budget betrekking heeft ten gunste of ten laste van de provincie komen, geheel of gedeeltelijk niet in het budget worden opgenomen;4° als bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de provincieraad op het budget heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan de provincie toekomen of als het budget in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht. In het eerste geval neemt de Vlaamse Regering alle vereiste maatregelen om het budget te doen passen in het meerjarenplan. In het tweede geval neemt de Vlaamse Regering de nodige maatregelen om het evenwicht op kasbasis te herstellen. In het derde geval schrijft de Vlaamse Regering de opbrengsten of verplichte kosten ambtshalve in. In het laatste geval schrapt de Vlaamse Regering de vermelde ontvangsten of schrijft ze die op het juiste bedrag in.

De Vlaamse Regering neemt haar beslissing binnen vijftig dagen, die ingaan op de dag na het inkomen van het besluit van de provincieraad en verstuurt haar beslissing naar de provincieraad uiterlijk de laatste dag van die termijn.

Als binnen de in het derde lid bepaalde termijn geen beslissing naar de provincieraad is verstuurd, is het budget of de budgetwijziging definitief die door de provincieraad opnieuw is vastgesteld.

Art. 174.Behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, kan de toezichthoudende overheid te allen tijde de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel, vragen de beslissingen met financiële impact, de boekhouding en de provinciekas te onderzoeken. HOOFDSTUK VIII. - Nadere uitwerking door de Vlaamse Regering

Art. 175.De Vlaamse Regering bepaalt nadere voorschriften voor de uitvoering van deze titel, evenals aangaande de daarbijbehorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen.

De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vereisten waaraan de informaticasystemen die door de provincie worden gehanteerd moeten voldoen.

TITEL V. - Bepalingen over de werking van de provincie HOOFDSTUK I. - Akten van de provincie Afdeling I. - Opmaken en ondertekenen van akten

Art. 176.De provinciegriffier woont de vergaderingen van de provincieraad en van de deputatie bij en is verantwoordelijk voor het opstellen van de notulen ervan, alsook voor de bewaring van de originelen.

De originelen van de notulen van de provincieraad worden, na goedkeuring, ondertekend door de voorzitter van de provincieraad en de provinciegriffier. De originelen van de notulen van de deputatie worden, na goedkeuring, door de provinciegouverneur en door de provinciegriffier ondertekend.

Art. 177.§ 1. De notulen van de vergaderingen van de provincieraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, alsook het gevolg dat werd gegeven aan de punten waarover de provincieraad geen beslissing heeft genomen. Ze maken melding van alle beslissingen en het resultaat van de stemmingen. Behalve bij geheime stemming, vermelden de notulen hoe elk lid gestemd heeft. § 2. De notulen van de vergaderingen van de deputatie vermelden de beslissingen van de deputatie.

Als de deputatie overeenkomstig artikel 157 op eigen verantwoordelijkheid een voorgenomen verbintenis viseert of overeenkomstig artikel 159 op eigen verantwoordelijkheid de provinciegriffier of de in artikel 159 vermelde rekenplichtige bevel geeft tot betaling van een uitgave, wordt, op verzoek van een lid van de deputatie, een verklaring inzake zijn stemgedrag in de notulen opgenomen.

Art. 178.§ 1. De reglementen, verordeningen en beslissingen van de provincieraad worden ondertekend door zijn voorzitter en mede ondertekend door de provinciegriffier. § 2. De reglementen en beslissingen van de deputatie worden ondertekend door de provinciegouverneur en mede ondertekend door de provinciegriffier. § 3. De beslissingen, de stukken en de briefwisseling van personeelsleden, belast met het budgethouderschap, worden door deze personeelsleden ondertekend als ze enkel betrekking hebben op hun budgethouderschap. § 4. Onverminderd § 1 en § 3, bepaalt de deputatie in haar huishoudelijk reglement welke personen gemachtigd zijn om de briefwisseling en de akten van de provincie en de contracten waarbij de provincie partij is, te ondertekenen, evenals de omvang van hun bevoegdheden en de wijze waarop zij die uitoefenen. Als de deputatie die werkwijze niet vaststelt, worden deze briefwisseling, akten en contracten ondertekend door de provinciegouverneur. De briefwisseling, de akten van de provincie en de contracten waarbij de provincie partij is, worden mede ondertekend door de provinciegriffier. § 5. De deputatie bepaalt in haar huishoudelijk reglement door wie en op welke wijze de andere stukken van de provincie, die niet vermeld worden in de voorgaande leden, worden ondertekend, en, als dat nodig wordt geacht, mede ondertekend. Als de deputatie die werkwijze niet vaststelt, worden deze stukken ondertekend door de provinciegouverneur en mede ondertekend door de provinciegriffier. § 6. De provinciegriffier kan zijn bevoegdheid tot medeondertekening, vermeld in § 4 en § 5, opdragen aan een of meer personeelsleden van de provincie. Deze opdracht wordt schriftelijk gegeven en is te allen tijde herroepbaar; de provincieraad wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. De personeelsleden aan wie de opdracht tot medeondertekening is gegeven, moeten boven hun handtekening, naam en functie tevens melding maken van die opdracht.

Art. 179.De provinciegriffier maakt in de rand van de notulen van de provincieraad of van de deputatie kantmelding van de intrekking van een besluit van de provincieraad of de deputatie, van de vernietiging of de niet-goedkeuring van een besluit door een toezichthoudende overheid en van het feit dat een besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan met toepassing van artikel 249, vierde lid.

De provinciegriffier brengt de provincieraad en de deputatie van elke kantmelding op de hoogte op de eerstvolgende vergadering van respectievelijk de provincieraad of de deputatie. Afdeling II. - Bekendmaking en inwerkingtreding

Art. 180.De reglementen en verordeningen van de provincieraad en de deputatie worden bekendgemaakt door middel van publicatie in het bestuursmemoriaal.

Art. 181.De reglementen en verordeningen, vermeld in artikel 180, treden in werking de vijfde dag na de bekendmaking ervan, tenzij het anders bepaald is. Afdeling III. - Wijze van kennisgeving

Art. 182.Stukken van de provincie worden met een gewone brief aan de betrokkene bezorgd, tenzij de wet, dit decreet of een ander decreet een andere vorm van mededeling of kennisgeving oplegt. Het huishoudelijk reglement van de provincieraad kan bepalen dat stukken bovendien op een andere wijze meegedeeld of ter kennis gebracht worden. Afdeling IV. - Briefwisseling aan de provincie

Art. 183.Alle briefwisseling aan de provincie wordt gericht aan de deputatie, behalve bij andersluidende beslissing van de provincieraad.

Er wordt een register van alle ingaande en uitgaande briefwisseling, van welke aard ook, aangelegd. HOOFDSTUK II. - Wijze van berekening van termijnen

Art. 184.Voor de toepassing van dit decreet wordt de termijn berekend vanaf de dag na de dag van de akte of de gebeurtenis die de termijn doet ingaan, en omvat de termijn alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de wettelijke feestdagen. De vervaldag is in de termijn begrepen. Als die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

Bij gebrek aan een akte of gebeurtenis die de termijn doet ingaan, wordt de termijn berekend door terug te tellen vanaf de gebeurtenis die de termijn doet eindigen. In dat geval wordt de dag van de gebeurtenis die de termijn doet eindigen in de termijn begrepen. De dag van verzending is niet in de termijn begrepen. HOOFDSTUK III. - Afwijking van het domeinrecht

Art. 185.De provincie en de autonome provinciebedrijven kunnen, op voorwaarde van bijzondere en omstandige motivering, zakelijke rechten vestigen op openbare domeingoederen voorzover die rechten niet kennelijk onverenigbaar zijn met de bestemming van die goederen. HOOFDSTUK IV. - Optreden in rechte

Art. 186.De deputatie beslist tot het optreden in rechte namens de provincie.

Art. 187.Als de deputatie niet in rechte optreedt, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de provincie, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.

Dit recht staat ook open voor de rechtspersonen waarvan de maatschappelijke zetel in de provincie is gevestigd.

De provincie kan over het geding geen dading aangaan of er afstand van doen zonder instemming van degene die het geding in haar naam heeft gevoerd. HOOFDSTUK V. - Deelname van de provincies aan rechtspersonen

Art. 188.§ 1. Zonder afbreuk te doen aan het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, kunnen de provincies verenigingen, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen voorzover die verenigingen, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk niet belast worden met de verwezenlijking van welbepaalde taken van provinciaal belang.

Onder dezelfde voorwaarden kunnen de provincies een andere vennootschap in de zin van het Wetboek Vennootschappen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen indien die vennootschap de realisatie van lokale PPS-projecten in de zin van het decreet betreffende publiek-private samenwerking als uitsluitende doelstelling heeft.

De deputatie houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van de verenigingen, stichtingen en vennootschappen waarin de provincie deelneemt.

Minstens eenmaal per jaar wordt de provincieraad in kennis gesteld van dit geactualiseerd overzicht met een toelichting over alle wijzigingen dewelke zich sinds de vorige toelichting aan deze overzichtslijst hebben voorgedaan. § 2. Deze oprichting, deelname of vertegenwoordiging mag niet gepaard gaan met de overdracht of terbeschikkingstelling van provinciaal personeel of met de overdracht van provinciale infrastructuur. § 3. Het is de provincies verboden om, rechtstreeks of onrechtstreeks, rechtspersonen die niet belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk of er voor die oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat. HOOFDSTUK VI. - Contracten tussen provincies

Art. 189.De provincies kunnen onderling overeenkomsten sluiten.

TITEL VI. - Participatie van de burger HOOFDSTUK I. - Klachtenbehandeling

Art. 190.De provincieraad organiseert bij reglement een systeem van klachtenbehandeling.

Art. 191.§ 1. Het systeem van klachtenbehandeling moet worden georganiseerd op het ambtelijke niveau van de provincie en maximaal onafhankelijk van de diensten waarop de klachten betrekking hebben. § 2. Elke provincie kan een ombudsdienst inrichten die als volgt kan gerealiseerd worden : 1° in eigen beheer;2° via een overeenkomst met de Vlaamse Ombudsdienst, opgericht bij decreet van 7 juli 1998, volgens nader te bepalen modaliteiten. HOOFDSTUK II. - Inspraak

Art. 192.De provincieraad neemt initiatieven om de betrokkenheid en de inspraak van de burgers of van de doelgroepen te verzekeren bij de beleidsvoorbereiding, bij de uitwerking van de provinciale dienstverlening en bij de evaluatie ervan.

Art. 193.§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de op dit gebied geldende wettelijke en decretale bepalingen, kan alleen de provincieraad overgaan tot de organisatie van raden en overlegstructuren die tot opdracht hebben op regelmatige en systematische wijze het provinciebestuur te adviseren. § 2. Ten hoogste twee derde van de leden van de hier bedoelde raden en overlegstructuren is van hetzelfde geslacht. Zo niet kan niet op rechtsgeldige wijze advies worden uitgebracht. § 3. De provincieraad stelt de nadere voorwaarden vast voor de representativiteit en regelt de samenstelling, de werkwijze en de procedures van de hier bedoelde raden en overlegstructuren. Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald op welke wijze het gevolg dat aan de adviezen wordt gegeven, zal worden meegedeeld. De provincieraad waakt erover dat de nodige middelen ter beschikking worden gesteld voor de vervulling van de adviesopdracht.

De verslagen en einddocumenten van de hier bedoelde raden en overlegstructuren worden meegedeeld aan de provincieraad. § 4. Provincieraadsleden en leden van de deputatie kunnen geen stemgerechtigd lid zijn van de hier bedoelde raden en overlegstructuren. HOOFDSTUK III. - Verzoekschriften aan de provincieraad

Art. 194.Ieder heeft het recht verzoekschriften, door een of meer personen ondertekend, schriftelijk bij de provincieraad in te dienen.

Verzoekschriften die een onderwerp betreffen dat niet tot de bevoegdheid van de provincie behoort, zijn onontvankelijk.

Art. 195.De provincieraad kan de bij hem ingediende verzoekschriften naar de deputatie of naar een provincieraadscommissie verwijzen met het verzoek om over de inhoud ervan uitleg te verstrekken.

De verzoeker of, indien het verzoekschrift door meer personen ondertekend is, de eerste ondertekenaar van het verzoekschrift, kan worden gehoord door de provincieraad of een provincieraadscommissie.

In dat geval heeft de verzoeker of de eerste ondertekenaar van een verzoekschrift het recht zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze.

Art. 196.De provincieraad verstrekt binnen drie maanden na de indiening van het verzoekschrift een gemotiveerd antwoord aan de verzoeker of, indien het verzoekschrift door meer personen ondertekend is, aan de eerste ondertekenaar van het verzoekschrift.

Art. 197.Het huishoudelijk reglement van de provincieraad bepaalt de nadere voorwaarden waaronder dit recht wordt uitgeoefend en de wijze waarop de verzoekschriften worden behandeld. HOOFDSTUK IV. - De provinciale volksraadpleging

Art. 198.De provincieraad kan, op eigen initiatief of op verzoek van de inwoners van de provincie, beslissen om de inwoners te raadplegen over de aangelegenheden, vermeld in artikel 2, eerste lid.

Het initiatief dat uitgaat van de inwoners van de provincie moet worden gesteund door ten minste 10 % van de inwoners.

Art. 199.Elk verzoek tot het houden van een raadpleging op initiatief van de inwoners van de provincie wordt met een aangetekende brief gericht aan de deputatie.

Bij het verzoek worden een gemotiveerde nota gevoegd en de stukken die de provincieraad kunnen voorlichten.

Art. 200.Het verzoek is alleen ontvankelijk als het wordt ingediend door middel van een formulier, afgegeven door de provincie, en als het, buiten de naam van de provincie en de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek, de volgende vermeldingen bevat : 1° de vraag of vragen waarop de voorgenomen raadpleging betrekking heeft;2° de familienaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van iedereen die het verzoekschrift heeft ondertekend;3° de familienaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de personen die het initiatief nemen tot de raadpleging.

Art. 201.Na ontvangst van het verzoek onderzoekt de deputatie of het verzoek gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen.

Naar aanleiding van dat onderzoek schrapt de deputatie : 1° de dubbele handtekeningen;2° de handtekeningen van de personen die niet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 202;3° de handtekeningen van de personen voor wie de verschafte gegevens ontoereikend zijn om toetsing van hun identiteit mogelijk te maken. De controle wordt beëindigd als het aantal geldige handtekeningen is bereikt. In dit geval organiseert de provincieraad een volksraadpleging.

Art. 202.§ 1. Een persoon kan verzoeken om een volksraadpleging of eraan deelnemen als hij : 1° in het bevolkingsregister van een gemeente in de provincie ingeschreven of vermeld is;2° de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;3° niet het voorwerp uitmaakt van een veroordeling of beslissing die voor een provincieraadskiezer de uitsluiting of schorsing van het kiesrecht meebrengt. § 2. De voorwaarden in § 1 moeten vervuld zijn op de datum waarop het verzoekschrift werd ingediend voor wie verzoekt om een volksraadpleging.

Voor wie deelneemt aan de volksraadpleging moeten de voorwaarden, vermeld in § 1, 2° en 3°, vervuld zijn op de dag van de raadpleging, en de voorwaarde, vermeld in § 1, 1°, op de datum waarop de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten.

De deelnemers die na de datum waarop de lijst van de deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten, het voorwerp zijn van een veroordeling of van een beslissing die voor een provincieraadskiezer ofwel de uitsluiting van het kiesrecht, ofwel de schorsing van dat recht op de dag van de raadpleging meebrengt, worden van de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging geschrapt. § 3. Artikel 13 van het Kieswetboek is van toepassing op alle categorieën van personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in § 1.

Voor niet-Belgische onderdanen en voor Belgische onderdanen die jonger zijn dan achttien jaar wordt de kennisgeving door de parketten van de hoven en rechtbanken gedaan als de veroordeling of de internering, waartegen met geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden opgekomen, zou hebben geleid tot uitsluiting van het kiesrecht of opschorting van dit recht als ze ten laste van een provincieraadskiezer werd uitgesproken.

In geval van kennisgeving nadat de lijst van deelnemers is opgemaakt, worden de betrokkenen van deze lijst geschrapt.

Art. 203.Op de dertigste dag voor de raadpleging maakt de deputatie een lijst op van deelnemers aan de volksraadpleging.

Op die lijst worden de volgende personen vermeld : 1° de personen die op de vermelde datum in het bevolkingsregister van een gemeente van de provincie ingeschreven of vermeld zijn en die de andere deelnemingsvoorwaarden vervullen, vermeld in artikel 202, § 1;2° de deelnemers die tussen deze datum en de datum van de raadpleging de leeftijd van zestien jaar bereiken;3° de personen voor wie de schorsing van het kiesrecht een einde neemt of zou nemen uiterlijk op de dag die is vastgesteld voor de raadpleging. Voor elke persoon die voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden vermeldt de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging per provincie de familienaam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht en de hoofdverblijfplaats. De lijst wordt volgens een doorlopende nummering en eventueel per wijk van de gemeente opgemaakt, ofwel in alfabetische volgorde van de deelnemers, ofwel geografisch volgens de straten.

Art. 204.De deelname aan de volksraadpleging is niet verplicht. Elke deelnemer heeft recht op één stem. De stemming is geheim.

De volksraadpleging kan enkel op een zondag plaatsvinden. De deelnemers worden tot de stemming toegelaten van 8 tot 13 uur. De personen die zich voor 13 uur in het stemlokaal bevinden, worden nog tot de stemming toegelaten.

Art. 205.Tot stemopneming wordt pas overgegaan als ten minste 10 % van de inwoners aan de raadpleging heeft deelgenomen.

Art. 206.De bepalingen van titel V van het Kieswetboek, met uitzondering van artikel 194, zijn van overeenkomstige toepassing op de provinciale volksraadpleging, met dien verstande dat de woorden « kiezer » en « kiezers » steeds worden vervangen door respectievelijk de woorden « deelnemer » en « deelnemers », de woorden « verkiezing », « verkiezingen » en « kiesverrichtingen » door het woord « volksraadpleging » en het woord « kiescollege » door « college ».

Art. 207.§ 1. Persoonlijke aangelegenheden en aangelegenheden betreffende de rekeningen, de budgetten, de provinciebelastingen en retributies kunnen niet het voorwerp zijn van een raadpleging. § 2. Een raadpleging kan niet worden georganiseerd in een periode van twaalf maanden voor de gewone vergadering van de kiezers voor de vernieuwing van de provincieraden. Bovendien kan er geen raadpleging worden georganiseerd in een periode van veertig dagen voor de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Gemeenschapsen Gewestparlementen, en het Europees Parlement.

De inwoners van de provincie kunnen slechts eenmaal om de zes maanden worden geraadpleegd, met een maximum van zes raadplegingen per zittingsperiode. Gedurende het tijdvak tussen twee vernieuwingen van de provincieraad kan slechts één volksraadpleging over hetzelfde onderwerp worden gehouden.

Art. 208.Een verzoek tot het houden van een volksraadpleging wordt ingeschreven op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de deputatie en van de provincieraad.

Tot de inschrijving wordt overgegaan nadat de controle, vermeld in artikel 201, werd afgesloten.

De voorzitter van de provincieraad is verplicht om tot inschrijving op de agenda van de provincieraad over te gaan, tenzij de provincieraad kennelijk onbevoegd is om over het verzoek te beslissen. Als hieromtrent twijfel bestaat, beslist de provincieraad.

Art. 209.Elke beslissing over het al dan niet houden van een volksraadpleging wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.

Het voorgaande lid is tevens van toepassing op elke beslissing die rechtstreeks betrekking heeft op een aangelegenheid die het onderwerp is geweest van een raadpleging.

Art. 210.Ten minste één maand voor de dag van de raadpleging stelt de provincie aan de inwoners een brochure ter beschikking waarin het onderwerp van de raadpleging op een objectieve manier wordt uiteengezet. Deze brochure bevat bovendien de gemotiveerde nota, vermeld in artikel 199, tweede lid, alsmede de vraag of vragen waarover de inwoners zullen worden geraadpleegd.

Art. 211.De vraag moet zo geformuleerd zijn dat met ja of nee kan worden geantwoord.

Art. 212.De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedureregels voor het houden van een provinciale volksraadpleging, naar analogie van de procedure, vermeld in de Provinciekieswet voor de verkiezing van de provincieraadsleden.

Art. 213.De gemeenten staan in voor de organisatie van de volksraadpleging. De daaraan verbonden kosten worden gedragen door de provincie.

Art. 214.De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uitslag van de raadpleging aan de bevolking wordt bekendgemaakt.

TITEL VII. - De provinciale verzelfstandigde agentschappen HOOFDSTUK I. - De provinciale intern verzelfstandigde agentschappen

Art. 215.§ 1. De intern verzelfstandigde agentschappen zijn diensten zonder eigen rechtspersoonlijkheid die door de provincie belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang en die beschikken over operationele autonomie als vermeld in artikel 216.

Ze worden beheerd buiten de algemene diensten van de provincies, vermeld in titel II, hoofdstuk VI. § 2. De provincieraad is bevoegd om intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid op te richten. § 3. Het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap is het personeelslid dat, onverminderd de eventuele mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid, belast is met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap.

Art. 216.Het oprichtingsbesluit van een intern verzelfstandigd agentschap omvat minstens de volgende punten : 1° een opsomming van de beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang die aan het intern verzelfstandigd agentschap worden toevertrouwd;2° een beschrijving van de operationele autonomie die aan het hoofd van het agentschap wordt gedelegeerd.Deze autonomie kan betrekking hebben op : a) het vaststellen en wijzigen van de organisatiestructuur van het agentschap;b) de organisatie van de operationele processen met het oog op de realisatie van de afgesproken doelstellingen;c) de uitvoering van het personeelsbeleid;d) het aanwenden van de ter beschikking gestelde middelen voor de werking van het agentschap, de uitvoering van de doelstellingen en taken van het agentschap en het sluiten van contracten ter verwezenlijking van de opdrachten van het agentschap;e) de interne controle binnen het intern verzelfstandigd agentschap;f) specifieke delegaties naar gelang van de eigen aard van het intern verzelfstandigd agentschap.

Art. 217.§ 1. Tussen de deputatie en het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. De beheersovereenkomst, evenals elke verlenging, wijziging, schorsing of ontbinding ervan, wordt verzonden aan de Vlaamse Regering en ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie. § 2. De beheersovereenkomst regelt minstens de volgende aangelegenheden : 1° de concretisering van de wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen en van de doelstellingen ervan;2° de toekenning van middelen voor de eigen werking en de uitvoering van de taken van het agentschap;3° de voorwaarden waaronder eigen inkomsten of andere financieringen mogen worden verworven en aangewend;4° de informatieverstrekking aan de deputatie. § 3. Met behoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst, wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de provincieraad.

De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de provincieraad.

Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd.

Art. 218.§ 1. De bepalingen van titel IV zijn van overeenkomstige toepassing op de provinciale intern verzelfstandigde agentschappen, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die opgenomen zijn in de hiernavolgende paragrafen. § 2. Het budget en de jaarrekening van het intern verzelfstandigd agentschap worden geconsolideerd, overeenkomstig de nadere regels die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld. § 3. Het hoofd van het agentschap is budgethouder voor het budget van het provinciale intern verzelfstandigd agentschap.

Hij kan het budgethouderschap delegeren aan andere personeelsleden binnen de grenzen die bepaald zijn in de beheersovereenkomst. HOOFDSTUK II. - De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 219.§ 1. De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen zijn diensten met een eigen rechtspersoonlijkheid die door de provincie worden opgericht of waarin de provincie deelneemt en die belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang. Vanuit hun taakstelling inzake beleidsuitvoering kunnen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen tevens betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding. De Vlaamse Regering kan de taken van provinciaal belang nader bepalen waarvoor provinciale extern verzelfstandigde agentschappen kunnen worden opgericht.

Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke en decretale bepalingen mogen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen hun taken van provinciaal belang noch geheel, noch gedeeltelijk overdragen aan andere rechtspersonen. § 2. Het is de provincies verboden om, rechtstreeks of onrechtstreeks, rechtspersonen die belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen of om aan die rechtspersonen personeel, financiële middelen, infrastructuur of andere activa ter beschikking te stellen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften van deze titel of er voor de oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat. § 3. Met het oog op de toepassing van § 2, wordt vermoed dat een rechtspersoon door een provincie met welbepaalde taken van provinciaal belang is belast als hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet : 1° een of meer van zijn organen bestaan voor meer dan de helft uit provincieraadsleden of leden van de deputatie van de provincie in kwestie of de leden van de organen worden voor meer dan de helft aangewezen of voorgedragen door die personen;2° de provincie of haar vertegenwoordigers beschikken over de meerderheid van de stemrechten in een of meer van zijn organen;3° zijn financiële middelen vallen voor meer dan de helft ten laste van het provinciebudget.

Art. 220.Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen, bestaan er twee vormen van provinciale extern verzelfstandigde agentschappen : 1° het autonoom provinciebedrijf;2° het provinciale extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm.

Art. 221.De beslissing tot oprichting van of deelname in een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap kan niet worden genomen in de loop van een periode van twaalf maanden voor de datum van de volledige vernieuwing van de provincieraden.

Elk provinciaal extern verzelfstandigd agentschap legt in de loop van het eerste jaar na de volledige vernieuwing van de provincieraden een evaluatieverslag voor aan de provincieraad over de uitvoering van de beheers- of samenwerkingsovereenkomst sinds de inwerkingtreding ervan.

Dat verslag omvat ook een evaluatie van de verzelfstandiging, waarover de provincieraad zich binnen drie maanden uitspreekt.

De deputatie houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van alle extern verzelfstandigde agentschappen van de provincie, hun statuten en hun overeenkomsten met de provincie.

Art. 222.De provinciale extern verzelfstandigde agentschappen zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake formele motivering en openbaarheid van bestuur die gelden voor de provincie.

Art. 223.De volgende personen kunnen niet worden voorgedragen of aangewezen als vertegenwoordiger of bestuurder in een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap : 1° de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de provinciegriffiers, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen voorzover het provinciale extern verzelfstandigd agentschap gevestigd is in hun ambtsgebied;2° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Arbitragehof;3° de leden van een bestuurs- of controleorgaan van een rechtspersoon of de werknemer van een rechtspersoon waarin het agentschap niet deelneemt en die activiteiten uitoefent in dezelfde beleidsdomeinen als het agentschap;4° de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een functie uitoefenen, gelijkwaardig aan een ambt of een functie als vermeld in dit artikel, en de personen die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van provincieraadslid, gedeputeerde of provinciegouverneur.

Art. 224.Bij provincieraadsbesluit kan de provincie aan haar provinciale extern verzelfstandigde agentschappen middelen, infrastructuur of, mits de terzake geldende rechtspositieregeling nageleefd wordt, personeel ter beschikking stellen of overdragen. Afdeling II. - Het autonoom provinciebedrijf

Art. 225.Een autonoom provinciebedrijf wordt opgericht bij provincieraadsbeslissing op grond van een door de deputatie opgemaakt verslag. In dat verslag worden de voor- en de nadelen van externe verzelfstandiging tegen elkaar afgewogen en wordt aangetoond dat beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de provincie niet dezelfde voordelen kan bieden. De oprichtingsbeslissing stelt de statuten van het autonoom provinciebedrijf vast. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen inzake het goedkeuringstoezicht verkrijgt het autonoom provinciebedrijf rechtspersoonlijkheid op de datum van voormelde oprichtingsbeslissing.

De oprichtingsbeslissing wordt samen met het in het eerste lid vermelde verslag en met de statuten van het autonoom provinciebedrijf binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de oprichtingsbeslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing genomen heeft en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

De goedgekeurde oprichtingsbeslissing en de statuten worden samen met het in het eerste lid vermelde verslag ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf.

Art. 226.De statuten van het autonoom provinciebedrijf vermelden ten minste : 1° de naam en eventueel de afkorting;2° het maatschappelijke doel, inzonderheid een omschrijving van de beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang waarmee het autonoom provinciebedrijf belast wordt;3° de maatschappelijke zetel, gevestigd in de oprichtende provincie;4° de samenstelling, de vergaderwijze, de werkingsvoorwaarden en de bevoegdheden van de organen;5° de wijze van opmaak van het budget, de rekeningen en het jaarlijkse ondernemingsplan, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 236;6° de wijze van ontbinding en vereffening van het autonoom provinciebedrijf.

Art. 227.De wijzigingen in de statuten worden aangebracht bij beslissing van de provincieraad, op voorstel of na advies van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf in kwestie.

De beslissing van de provincieraad tot wijziging van de statuten wordt, samen met bijbehorende documenten waaronder het voorstel of het advies van de raad van bestuur, binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de wijzigingsbeslissing al dan niet goed. Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing genomen heeft en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

De statutenwijzigingen worden op dezelfde wijze als de oprichtingsbeslissing en de statuten neergelegd. Een volledig gecoördineerde tekst van de statuten wordt ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en op het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf.

Art. 228.§ 1. Tussen de provincie en het autonoom provinciebedrijf wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. Bij het onderhandelen over de beheersovereenkomst wordt de provincie vertegenwoordigd door de deputatie en het autonoom provinciebedrijf door de raad van bestuur.

De beheersovereenkomst, evenals elke verlenging, wijziging, schorsing of ontbinding ervan, wordt verzonden aan de Vlaamse Regering en ter inzage neergelegd op de griffie van de oprichtende provincie en op het secretariaat van het autonoom provinciebedrijf. § 2. De beheersovereenkomst regelt minstens de volgende aangelegenheden : 1° de concretisering van de wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen en van de doelstellingen ervan;2° de toekenning van middelen voor de eigen werking en de uitvoering van de doelstellingen van het autonoom provinciebedrijf;3° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het autonoom provinciebedrijf worden toegekend;4° de voorwaarden waaronder eigen inkomsten of andere financieringen mogen worden verworven en aangewend;5° de wijze waarop de tarieven voor de geleverde prestaties door de raad van bestuur vastgesteld en berekend worden;6° de gedragsregels inzake dienstverlening door het autonoom provinciebedrijf;7° de voorwaarden waaronder het autonoom provinciebedrijf andere personen kan oprichten, erin kan deelnemen of zich erin kan laten vertegenwoordigen;8° de informatieverstrekking door het autonoom provinciebedrijf aan de provincie.Er wordt minstens voorzien in een jaarlijks ondernemingsplan en een operationeel plan op middellange en lange termijn; 9° de rapportering door het autonoom provinciebedrijf aan de provincie op basis van beleidsen beheersrelevante indicatoren en kengetallen. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in artikel 221, tweede lid, wordt minstens voorzien in een jaarlijks rapport betreffende de uitvoering van de beheersovereenkomst gedurende het afgelopen kalenderjaar; 10° de wijze waarop het autonoom provinciebedrijf zal voorzien in een systeem van interne controle, de wijze waarop de auditinstantie bij het autonoom provinciebedrijf de audittaken uitoefent die aan de auditinstantie zijn opgedragen overeenkomstig artikel 254, en de wijze van rapportering van die auditinstantie aan de provincieraad;11° de maatregelen bij niet-naleving door een partij van haar verbintenissen uit hoofde van de beheersovereenkomst en de bepalingen inzake beslechting van geschillen die rijzen bij de uitvoering van de beheersovereenkomst;12° de omstandigheden waarin en de wijze waarop de beheersovereenkomst kan worden verlengd, gewijzigd, geschorst en ontbonden. § 3. Met behoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de provincieraad.

De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de provincieraad.

Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd.

Als geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden binnen één jaar na de in het derde lid vermelde verlenging, of als een beheersovereenkomst werd ontbonden of geschorst, kan de provincieraad na overleg met het autonoom provinciebedrijf voorlopige regels vaststellen inzake de in de beheersovereenkomst vermelde aangelegenheden. Die voorlopige regels zullen als beheersovereenkomst gelden tot op het ogenblik dat een nieuwe beheersovereenkomst in werking treedt.

Art. 229.§ 1. Het autonoom provinciebedrijf beschikt over een raad van bestuur.

De raad van bestuur is bevoegd voor alles wat niet uitdrukkelijk bij decreet, in de statuten of in de beheersovereenkomst aan de provincieraad is voorbehouden.

De raad van bestuur vertegenwoordigt het autonoom provinciebedrijf in rechte als eiser of als verweerder.

De raad van bestuur is binnen de grenzen, vastgesteld in de statuten, bevoegd voor alle personeelsaangelegenheden. § 2. Het aantal leden van de raad van bestuur bedraagt ten hoogste een vijfde van het aantal provincieraadsleden. Ten hoogste twee derde van de leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht.

De leden van de raad van bestuur worden benoemd door de provincieraad.

Elke fractie kan minstens één lid van de raad van bestuur voordragen en dat voordrachtrecht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging in de raad van bestuur. Indien de gewaarborgde vertegenwoordiging evenwel afbreuk zou doen aan de mogelijkheid voor de fracties die vertegenwoordigd zijn in de deputatie om minstens de helft van de leden van de raad van bestuur voor te dragen, worden de mandaten evenredig verdeeld over de fracties waaruit de provincieraad is samengesteld.

Het mandaat van lid van de raad van bestuur is hernieuwbaar. De leden van de raad van bestuur kunnen te allen tijde door de provincieraad worden ontslagen. Na de volledige vernieuwing van de provincieraad wordt tot volledige vernieuwing van de raad van bestuur overgegaan. In dat geval blijven de leden van de raad van bestuur in functie tot de nieuwe provincieraad tot hun vervanging is overgegaan.

De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter die deel moet uitmaken van de deputatie van de oprichtende provincie. § 3. De bestuurders zijn niet persoonlijk gebonden door de verbintenissen van het autonoom provinciebedrijf.

De bestuurders zijn aansprakelijk zonder hoofdelijkheid voor de tekortkomingen in de normale uitoefening van hun bestuur. Ten aanzien van de overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de bestuurders van die aansprakelijkheid ontheven als hun geen schuld kan worden verweten en als zij die overtredingen hebben aangeklaagd bij de provincieraad binnen een maand nadat zij er kennis van hebben gekregen.

Jaarlijks beslist de provincieraad over de aan de bestuurders te verlenen kwijting, na goedkeuring van de rekeningen. Die kwijting is alleen rechtsgeldig als de ware toestand van het autonoom provinciebedrijf niet wordt verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de rekeningen of in de rapportering betreffende de uitvoering van de beheersovereenkomst. § 4. Een bestuurder mag niet : 1° aanwezig zijn bij de bespreking of stemming over aangelegenheden waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot of zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben.Dit verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, afzettingen en schorsingen.

Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld; 2° rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst sluiten met het autonoom provinciebedrijf;3° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling werkzaam zijn in geschillen ten behoeve van het autonoom provinciebedrijf.Dit verbod geldt met name ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken; 4° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris werkzaam zijn in geschillen ten behoeve van de tegenpartij van het autonoom provinciebedrijf of ten behoeve van een personeelslid van het autonoom provinciebedrijf aangaande beslissingen in verband met de tewerkstelling binnen het autonoom provinciebedrijf.Dit verbod geldt met name ook ten aanzien van de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken.

Art. 230.De statuten kunnen de raad van bestuur toelaten om het dagelijkse bestuur, de vertegenwoordiging met betrekking tot dat bestuur en de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur toe te vertrouwen aan een directiecomité of aan een gedelegeerd bestuurder al dan niet met de mogelijkheid van subdelegatie aan personeelsleden van het autonoom provinciebedrijf.

De leden van het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder worden door de raad van bestuur benoemd.

Art. 231.De vergaderingen van de raad van bestuur en het directiecomité zijn niet openbaar. De notulen van die vergaderingen en alle documenten waarnaar verwezen wordt in de notulen, alsook de beslissingen van de gedelegeerd bestuurder, worden ter inzage neergelegd op de griffie van de provincie.

Art. 232.Er zijn geen andere bestuursorganen met beslissingsbevoegdheid dan de in de voorgaande artikelen bepaalde organen.

Art. 233.De controle op de financiële toestand en op de jaarrekening en op de regelmatigheid van de verrichtingen, weer te geven in de jaarrekening, vanuit het oogpunt van dit decreet, de statuten of de beheersovereenkomst, wordt, behalve in de gevallen voorzien in artikel 254, § 4, uitgeoefend door de externe auditcommissie, bedoeld in dat artikel. De procedure inzake de jaarrekening van de provincie is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de opdracht van de deputatie wordt uitgeoefend door de raad van bestuur. Onder rekenplichtigen moeten de personen worden verstaan die opdrachten vervullen die overeenstemmen met die van de personen, vermeld in artikel 171.

Art. 234.Het personeel van het autonoom provinciebedrijf kan in statutair of contractueel verband worden aangesteld.

De overeenstemmende rechtspositieregeling van het provinciepersoneel is van toepassing op het personeel van het autonoom provinciebedrijf.

Het autonoom provinciebedrijf stelt de afwijkingen op deze rechtspositieregeling vast, voorzover het specifieke karakter van het autonoom provinciebedrijf dat verantwoordt. Het provinciebedrijf bepaalt de rechtspositieregeling van de betrekkingen die niet bestaan binnen de provincie.

Art. 235.§ 1. Het autonoom provinciebedrijf kan leningen aangaan en giften of toelagen ontvangen binnen de grenzen, gesteld in de statuten en de beheersovereenkomst. § 2. Het autonoom provinciebedrijf kan door de Vlaamse Regering gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen. § 3. Het autonoom provinciebedrijf beslist vrij, binnen de grenzen van zijn doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van zijn goederen, over de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op die goederen, alsook over de uitvoering van dergelijke beslissingen en over hun financiering. § 4. Het autonoom provinciebedrijf stelt de tarieven en de tariefstructuren voor de door het bedrijf geleverde prestaties vast binnen de grenzen van de in de beheersovereenkomst bepaalde grondregelen inzake tarifering. De maximumtarieven of de formules voor hun berekening die niet in de beheersovereenkomst zijn geregeld, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de provincieraad. § 5. Het autonoom provinciebedrijf kan andere rechtspersonen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen, voorzover dat past in zijn opdrachten. De oprichting, deelname of vertegenwoordiging mag geen speculatieve oogmerken nastreven en gebeurt in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving inzake mededinging en staatssteun en de voorwaarden, bepaald in de beheersovereenkomst. De beslissing tot oprichting, deelname of vertegenwoordiging toont aan dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan.

De deelname is onderworpen aan de voorwaarde dat aan het autonoom provinciebedrijf minstens een mandaat van bestuurder wordt toegekend.

De beslissing tot oprichting, deelname of vertegenwoordiging wordt binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Tot de oprichting, deelname of vertegenwoordiging kan pas worden overgegaan nadat de beslissing hiertoe werd goedgekeurd. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissing al dan niet goed.

Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en die beslissing heeft verzonden aan het autonoom provinciebedrijf, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

Art. 236.Het autonoom provinciebedrijf maakt een budget op overeenkomstig de regels die krachtens artikelen 145, 146, 147, § 1, § 2, eerste lid, § 3 en § 4, en 175, worden gesteld voor het budget van de provincie. De boekhouding wordt gevoerd en de jaarrekening wordt opgesteld overeenkomstig de regelen die krachtens artikelen 160, 168 en 175 worden gesteld voor de boekhouding en de jaarrekening van de provincie. Het autonoom provinciebedrijf doet uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van het autonoom provinciebedrijf, van welke aard ook.

De boekhouding wordt gevoerd onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de raad van bestuur.

De raad van bestuur stelt de jaarrekening vast en legt jaarlijks en uiterlijk op 30 maart de jaarrekening van het voorbije jaar ter goedkeuring voor aan de provincieraad.

De raad van bestuur stelt het budget vast en legt jaarlijks en uiterlijk op 31 oktober het budget van het volgende boekjaar ter goedkeuring voor aan de provincieraad.

Art. 237.§ 1. De provincieraad kan steeds beslissen om tot ontbinding en vereffening van een autonoom provinciebedrijf over te gaan.

In de beslissing tot ontbinding wijst de provincieraad de vereffenaars aan. Alle andere organen vervallen op het ogenblik van de ontbinding. § 2. Het personeel in statutair dienstverband van het ontbonden autonoom provinciebedrijf wordt overgenomen door de provincie.

De provincie waarborgt de rechten die het autonoom provinciebedrijf op het ogenblik van ontbinding voor het overgenomen personeel had vastgesteld. § 3. De rechten en verplichtingen van het ontbonden autonoom provinciebedrijf worden overgenomen door de provincie. § 4. In afwijking van § 2 en § 3 kan de provincieraad in het ontbindingsbesluit de personeelsleden, die daarmee moeten instemmen, en de rechten en verplichtingen aanwijzen die overgenomen worden door de overnemer of de overnemers van de activiteiten van het provinciebedrijf. Afdeling III. - Het provinciale extern verzelfstandigd agentschap in

privaatrechtelijke vorm

Art. 238.§ 1. De provincie is gemachtigd om onder de voorwaarden, bepaald in deze afdeling, een vennootschap in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, of een vereniging of stichting in de zin van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, op te richten en te belasten met het verwezenlijken van welbepaalde beleidsuitvoerende taken van provinciaal belang. Vanuit hun taakstelling inzake beleidsuitvoering kunnen de provinciale extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm tevens betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding.

De oprichting gebeurt in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving inzake mededinging en staatssteun.

Naast de provincie mogen aan de oprichting van die provinciale vennootschap, vereniging of stichting andere personen deelnemen met uitzondering van gemeenten, gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, andere provincies en hun provinciale extern verzelfstandigde agentschappen, de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.

Onder dezelfde voorwaarden is de provincie gemachtigd om deel te nemen in een vennootschap in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, of in een vereniging in de zin van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. § 2. De provincieraad beslist over de oprichting of deelname, vermeld in § 1, op grond van een door de deputatie opgemaakt verslag. In dat verslag worden de vooren de nadelen van externe verzelfstandiging in de gekozen vorm afgewogen en wordt aangetoond dat het beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de provincie of in de vorm van een autonoom provinciebedrijf niet de vereiste voordelen kan bieden.

Tot de oprichting of deelname kan pas worden overgegaan nadat de provincieraadsbeslissing hiertoe werd goedgekeurd overeenkomstig § 3. § 3. De beslissing tot oprichting of deelname wordt samen met het verslag, vermeld in § 2, en het ontwerp van statuten binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissing al dan niet goed.

Als die termijn verstrijkt zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en die beslissing verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. § 4. De goedgekeurde oprichtings- of deelnemingsbeslissing en de statuten van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting worden samen met het in § 2 vermelde verslag ter inzage neergelegd op de griffie van de provincie in kwestie.

Art. 239.§ 1. Ongeacht de grootte van de eventuele inbreng van de verschillende partijen, beschikt de provincie steeds over een meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering van de provinciale vennootschap of vereniging en draagt de provincie steeds een meerderheid voor van de leden van de raad van bestuur van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting. Die voordracht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging. Ten hoogste twee derde van de door de provincie voorgedragen leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht. § 2. De vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering van de provinciale vennootschap en vereniging worden door de provincieraad uit zijn leden gekozen. De vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering handelen overeenkomstig de instructies van de provincieraad. § 3. De provincieraad en de vertegenwoordigers van de provincie in de algemene vergadering, kunnen te allen tijde beslissen om respectievelijk de aanwijzingen en voordrachten te herroepen. De statuten van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting bepalen dat de betrokken vertegenwoordigers door die herroeping van rechtswege ontslagnemend zijn. Er wordt tot hun vervanging overgegaan.

Alle aanwijzingen en voordrachten worden herroepen door de volledige vernieuwing van de provincieraad. De vertegenwoordigers blijven in functie totdat hun vervangers zijn aangewezen of benoemd.

Art. 240.Tussen de provincie en de provinciale vennootschap, vereniging of stichting wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten betreffende de uitvoering van de toevertrouwde taken van provinciaal belang. De samenwerkingsovereenkomst regelt de volgende aangelegenheden : 1° in voorkomend geval de aanwending van de aan het agentschap ter beschikking gestelde of overgedragen personeelsleden, middelen en infrastructuur;2° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het agentschap worden toegekend;3° de wijze waarop de provinciale vennootschap, vereniging of stichting zal voorzien in een systeem van interne controle;4° de instemming van de provinciale vennootschap, vereniging of stichting met de toekenning van audittaken in de provinciale vennootschap, vereniging of stichting overeenkomstig artikel 254 aan de externe auditcommissie, het Rekenhof, indien het deze taak kan opnemen, of aan een of meer commissarissen, alsook de wijze waarop die audittaken worden uitgevoerd. TITEL VIII. - Bestuurlijk toezicht en externe audit HOOFDSTUK I. - Bestuurlijk toezicht Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 241.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° provincieoverheid : de organen en personeelsleden van de provincie en de autonome provinciebedrijven die een beslissing nemen;2° toezichthoudende overheid : de overheid die met de uitoefening van het bestuurlijk toezicht wordt belast, namelijk de Vlaamse Regering.

Art. 242.Bij de uitoefening van het door dit decreet ingestelde toezicht beperkt de toezichthoudende overheid zich tot een toetsing aan het recht en aan het algemeen belang, met name elk belang dat ruimer is dan het provinciaal belang.

Art. 243.De toezichthoudende overheid kan bij de provincieoverheid alle documenten en inlichtingen opvragen of die ter plaatse raadplegen. Ze bepaalt de informatiedrager en de vorm waarin deze gegevens worden verstrekt.

Art. 244.Alle kennisgevingen tussen de provincieoverheid en de toezichthoudende overheid gebeuren met een aangetekende brief of worden afgegeven tegen ontvangstbewijs. De kennisgevingen aan de provincieoverheid worden, naar gelang van het geval, gericht aan de provinciegriffier of aan de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf.

Buiten de gevallen waarin een provincieoverheid krachtens dit decreet besluiten ter kennis van de toezichthoudende overheid moet brengen, heeft het verzenden van een beslissing aan de toezichthoudende overheid niet tot gevolg dat de termijn om het toezicht uit te oefenen een aanvang neemt.

Voor de berekening van de toezichtstermijn wordt de vervaldag in de termijn gerekend. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.

Op straffe van nietigheid gebeurt de verzending van het besluit dat in het kader van het toezicht wordt genomen uiterlijk de laatste dag van de voorgeschreven termijn. Afdeling II. - Algemeen bestuurlijk toezicht

Art. 245.Van de besluiten van de provincieraad en van de besluiten van de raad van bestuur van de autonome provinciebedrijven wordt binnen twintig dagen na het nemen van het besluit een lijst met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden verzonden aan de Vlaamse Regering.

Vanaf de dag van de verzending aan de Vlaamse Regering wordt de in het eerste lid vermelde lijst gedurende minstens tien dagen ter inzage gelegd van het publiek. Dezelfde lijst wordt gepubliceerd in het bestuursmemoriaal.

Art. 246.§ 1. Binnen twintig dagen na het besluit wordt naar de Vlaamse Regering een afschrift verzonden van : 1° de besluiten van de provincieraad betreffende de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel, de vaststellingen en wijzigingen van de personeelsformatie;2° de besluiten van de provincieraad betreffende het budget, de budgetwijzigingen en het meerjarenplan van de provincie;3° de besluiten van de provincieraad betreffende de belastingen en de retributies;4° de besluiten van de provincieraad en van de deputatie betreffende de kosten die door dwingende en onvoorziene omstandigheden worden vereist;5° de besluiten van de provincieraad tot oprichting van provinciale intern verzelfstandigde agentschappen;6° de besluiten van de provincieraad betreffende de herschikking van de financiële lasten van opgenomen leningen;7° de besluiten van de provincieraad betreffende het aangaan van beheersen samenwerkingsovereenkomsten met een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap, evenals de besluiten tot wijziging ervan;8° de besluiten van de provincieraad tot het opnemen van leningen ter sanering van de financiën;9° de besluiten betreffende de deelname aan intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, als vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;10° de besluiten van de provincieraad, genomen op basis van het rapport van het Rekenhof, vermeld in artikel 254. § 2. Binnen twintig dagen na het besluit wordt naar de Vlaamse Regering een afschrift verzonden van : 1° de besluiten van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf waarbij wordt afgeweken van de rechtspositieregeling van het provinciepersoneel;2° de besluiten van de raad van bestuur van het autonoom provinciebedrijf betreffende retributies.

Art. 247.Onder voorbehoud van de toepassing van artikelen 245 en 246 kan de toezichthoudende overheid besluiten van een provincieoverheid ambtshalve opvragen.

Bij ontvangst van een klacht vraagt de toezichthoudende overheid het besluit en het bijbehorende dossier op.

Art. 248.§ 1. De Vlaamse Regering beschikt over dertig dagen om de uitvoering van de besluiten van een provincieoverheid te schorsen en om de provincieoverheid daarvan kennis te geven. Als het een besluit betreft waarvan overeenkomstig artikel 246 een afschrift aan de Vlaamse Regering moet worden gezonden, wordt de termijn op vijftig dagen gebracht.

Behoudens de vernietiging van de besluiten waarvan de uitvoering is geschorst door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikelen 113, 172, 173 en 248, § 1, eerste lid, kan de Vlaamse Regering de besluiten van de provincieoverheid rechtstreeks vernietigen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. § 2. De termijn, vermeld in § 1, gaat in op de derde dag die volgt op de verzending van de besluiten, vermeld in artikel 246, of van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 245, of van de besluiten van een provincieoverheid die door de toezichthoudende overheid ambtshalve of na ontvangst van een klacht werden opgevraagd. § 3. De termijn, vermeld in § 1, wordt geschorst door de verzending van een aangetekende brief waarbij de Vlaamse Regering een bepaald besluit, het dossier, bepaalde documenten of inlichtingen betreffende een bepaald besluit bij de provincieoverheid opvraagt.

In geval van schorsing overeenkomstig deze paragraaf beschikt de Vlaamse Regering over een nieuwe termijn als vermeld in § 1, om de uitvoering van het besluit te schorsen of rechtstreeks te vernietigen.

Deze termijn gaat in op de derde dag die volgt op de dag van de verzending van alle gevraagde gegevens. § 4. De termijn, vermeld in § 1, wordt gestuit door de aangetekende verzending van een klacht aan de toezichthoudende overheid op voorwaarde dat die verzending gebeurt binnen de in de eerste paragraaf vermelde termijn.

De termijn, vermeld in § 1, gaat vervolgens pas opnieuw in op de derde dag die volgt op de verzending van de overeenkomstig artikel 247, tweede lid, gevraagde documenten.

Art. 249.In geval van schorsing beschikt de provincieoverheid over honderd dagen volgend op de dag van de verzending van het schorsingsbesluit aan de provincieoverheid, om een van de volgende beslissingen te nemen en ter kennis te brengen van de Vlaamse Regering.

De provincieoverheid kan het geschorste besluit intrekken en geeft daarvan kennis aan de Vlaamse Regering.

Als de provincieoverheid het besluit waarvan de uitvoering is geschorst, gemotiveerd rechtvaardigt of aanpast, beschikt de Vlaamse Regering over vijftig dagen om tot vernietiging over te gaan. Deze termijn gaat in op de derde dag die volgt op de dag van de verzending van de rechtvaardigingsbeslissing. Bij gebrek aan vernietiging binnen deze termijn is de schorsing opgeheven.

Als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen besluit aan de Vlaamse Regering wordt verzonden, wordt het besluit waarvan de uitvoering is geschorst geacht nooit te hebben bestaan.

Art. 250.Als een klacht wordt ingediend tegen een besluit van de provincieoverheid, brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht regelmatig op de hoogte van de behandeling van de klacht.

De toezichthoudende overheid brengt de indiener van de klacht via een gewone brief op de hoogte van : 1° de ontvangst van de klacht, binnen tien dagen nadat ze toegekomen is;2° het verzoek van de toezichthoudende overheid aan de provincieoverheid om het besluit en het bijbehorende dossier te bezorgen, binnen tien dagen na dat verzoek;3° de motieven van de toezichthoudende overheid om het besluit van de provincieoverheid waartegen de klacht was ingediend niet te schorsen of te vernietigen, binnen tien dagen na het nemen van dit besluit of na het verstrijken van de termijn;4° het gemotiveerde besluit van de toezichthoudende overheid waarbij het bestreden besluit van de provincieoverheid wordt geschorst of vernietigd, binnen tien dagen na het nemen van dit besluit;5° de stand van het dossier als de behandeling van de klacht verschillende weken of maanden in beslag neemt.In dat geval informeert de toezichthoudende overheid de indiener van een klacht minstens om de drie maanden over de stand van zaken. Zodra de toezichthoudende overheid het onderzoek heeft afgerond, stuurt ze haar definitieve antwoord aan de indiener van de klacht en geeft ze er ook kennis van aan de provincieoverheid in kwestie.

De bepalingen van dit artikel zijn zowel van toepassing op de besluiten van de provincieoverheid, waarvan met toepassing van artikel 246 een afschrift naar de Vlaamse Regering gestuurd moet worden, als op de besluiten waarvan geen afschrift naar de Vlaamse Regering gestuurd moet worden.

Art. 251.De termijn om een beroep in te stellen bij de Raad van State tegen een beslissing van de provincieoverheid wordt gestuit ten voordele van degene die een klacht indient bij de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat deze klacht aangetekend wordt verzonden voor het verstrijken van de beroepstermijn en voor het verstrijken van de termijn voor het uitoefenen van het toezicht.

De stuiting duurt tot de ontvangst van de mededeling aan de indiener van de klacht van het gevolg dat aan zijn klacht wordt gegeven, voorzover die mededeling melding maakt van de beroepsmogelijkheden bij de Raad van State.

Art. 252.De kwijting bedoeld in artikel 171 brengt met zich mee dat de beslissingen van de provincieoverheid die genomen werden in de loop van het jaar waarop de rekening betrekking heeft en die niet werden opgevraagd, geschorst of vernietigd, niet langer vatbaar zijn voor schorsing of vernietiging. Afdeling III. - Dwangtoezicht

Art. 253.§ 1. De toezichthoudende overheid kan, na een schriftelijke ingebrekestelling, een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen van de provincieoverheid of om de maatregelen ten uitvoer te brengen die in rechte zijn voorgeschreven.

De toezichthoudende overheid kan pas optreden na het verstrijken van de in de ingebrekestelling bepaalde termijn. § 2. Het optreden van een of meer commissarissen gebeurt op de persoonlijke kosten van de personen die verzuimd hebben aan de ingebrekestelling gevolg te geven.

De kosten worden ingevorderd door de financieel beheerder op zicht van een daartoe genomen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld dat geldt als een door de financieel beheerder ambtshalve uit te voeren bevelschrift. HOOFDSTUK II. - Externe audit

Art. 254.§ 1. Per provincie wordt een uit personeelsleden van het Vlaamse Gewest bestaande externe auditcommissie samengesteld, die instaat voor de externe audit bij de provincie in kwestie, de intern verzelfstandigde agentschappen en de autonome provinciebedrijven van de provincie in kwestie en, voorzover die daarmee instemmen, de extern verzelfstandigde agentschappen met privaatrechtelijke vorm van de provincie. § 2. Onder externe audit wordt begrepen : 1° de controle op de wettigheid en regelmatigheid van de handelingen van het betrokken bestuur;2° de controle op de correctheid en volledigheid van de financiële bescheiden van het betrokken bestuur;3° de controle van de inventarislijsten van het betrokken bestuur;4° de controle op het waar en getrouw beeld van de boekhouding en de jaarrekening van het betrokken bestuur;5° de evaluatie van het systeem van interne controle van het betrokken bestuur en de naleving ervan.Die evaluatie omvat het formuleren van aanbevelingen tot verbetering van de systemen van interne controle.

De in § 1 bedoelde besturen kunnen aan de externe auditcommissie onderstaande taken opleggen : 1° het beoordelen van de mate waarin de uitoefening van de activiteiten van het betrokken bestuur in overeenstemming is met de vastgestelde doelstellingen of met andere vastgestelde criteria en in welke mate de afgesproken doelstellingen werden gerealiseerd;2° het identificeren van mogelijkheden tot verbetering van de effectiviteit en de efficiëntie van de werking van het betrokken bestuur. § 3. Voor de vervulling van haar opdrachten verricht de externe auditcommissie een financiële audit, een nakomingsaudit en operationele audit en is ze ertoe gemachtigd alle bedrijfsprocessen en activiteiten te onderzoeken. § 4. Indien de controletaak van het Rekenhof grotendeels gelijk loopt met de aan de externe auditcommissie gegeven opdrachten, vervalt de opdracht van de in § 1 bedoelde externe auditcommissie. De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de controle van het Rekenhof grotendeels gelijk loopt met deze toegewezen aan de externe auditcommissie bedoeld in § 1.

In dat geval zal het betrokken bestuur rapporteren aan het Rekenhof in plaats van aan de externe auditcommissie.

Art. 255.De externe auditcommissie stelt jaarlijks, indien ze bevoegd is, een geconsolideerd rapport op van haar externe audit van de provincie, van de intern verzelfstandigde agentschappen en van de autonome provinciebedrijven. Dit rapport wordt bezorgd aan de provincie in kwestie en aan de autonome provinciebedrijven in kwestie.

De externe auditcommissie neemt in haar rapport aanbevelingen op betreffende de door de provincie uit haar bevindingen te trekken gevolgen.

Art. 256.Om haar bevoegdheid te kunnen uitoefenen, heeft de externe auditcommissie of het Rekenhof, naar gelang het geval, toegang tot alle informatie en documenten van het te auditeren of te controleren bestuur, ongeacht de drager ervan. Ze kan aan ieder personeelslid de inlichtingen vragen die ze voor de uitvoering van haar opdrachten nodig acht. Ieder personeelslid is ertoe gehouden zo snel mogelijk en zonder voorafgaande machtiging op een volledige wijze te antwoorden en alle relevante informatie en documenten te verstrekken.

Elk personeelslid heeft het recht om de externe auditcommissie of het Rekenhof rechtstreeks op de hoogte te brengen van onregelmatigheden die hij in de uitoefening van zijn functie vaststelt.

Een dergelijke rapportering aan de externe auditcommissie of aan het Rekenhof kan nooit aanleiding geven tot een tuchtsanctie of een ontslag tenzij er misbruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid.

Dergelijke verklaringen vallen niet onder het inzagerecht, tenzij het betrokken personeelslid zijn instemming geeft.

Art. 257.De besturen dragen bij in de kosten van de externe audit georganiseerd door de Vlaamse overheid onder de voorwaarden die bepaald worden door de Vlaamse Regering.

Art. 258.De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de samenstelling van de externe auditcommissies en de wijze waarop die hun taken vervullen.

TITEL IX. - Diverse bepalingen HOOFDSTUK I. - Schrijfwijze van de naam van de provincie

Art. 259.De Vlaamse Regering bepaalt de schrijfwijze van de namen van de provincie. HOOFDSTUK II. - Wijziging van grenzen

Art. 260.De provincieraad geeft binnen de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest zijn advies over de veranderingen die worden voorgesteld betreffende de grenzen van de provincie, van de arrondissementen, kiesdistricten, kantons en gemeenten en betreffende de aanwijzing van de hoofdplaatsen.

TITEL X. - Slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepalingen

Art. 261.De volgende bepalingen van de Provinciewet worden opgeheven : 1° artikel 1;2° artikel 1bis, behalve voor de vaststelling van de bevolkingscijfers en de bekendmaking ervan;3° artikel 2;4° artikel 3;5° artikel 4, behalve het vijfde lid;6° artikel 42;7° artikel 44;8° artikel 47;9° artikel 49;10° artikel 50;11° artikel 50bis ;12° artikel 51;13° artikel 52;14° artikel 53;15° artikel 54;16° artikel 55;17° artikel 56;18° artikel 56bis ;19° artikel 57;20° artikel 57bis ;21° artikel 58;22° artikel 59;23° artikel 60;24° artikel 61;25° artikel 62;26° artikel 63;27° artikel 63bis ;28° artikel 63ter ;29° artikel 65;30° artikel 65bis ;31° artikel 66, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheid van het Rekenhof;32° artikel 67;33° artikel 68;34° artikel 69, met uitzondering van de federale verplichte uitgaven en met uitzondering van het 14° over de pensioenen van gewezen bedienden van de provincie;35° artikel 70, 1°, 4°, 5°, 6°;36° artikel 71, behalve als het betrekking heeft op pensioenen;37° artikel 72;38° artikel 73;39° artikel 74;40° artikel 75;41° artikel 76;42° artikel 78;43° artikel 79;44° artikel 83, behalve wat de federale aspecten betreft;45° artikel 84;46° artikel 85, behalve als het betrekking heeft op politieverordeningen;47° artikel 91;48° artikel 96;49° artikel 97;50° artikel 97bis ;51° artikel 98;52° artikel 99;53° artikel 100;54° artikel 101;55° artikel 102;56° artikel 104, behalve voorzover het betrekking heeft op de rechtsprekende taak van de deputatie;57° artikel 105, § 1 tot § 4, en § 6;58° artikel 106;59° artikel 106bis ;60° artikel 106ter ;61° artikel 107;62° artikel 108;63° artikel 109;64° artikel 110;65° artikel 111;66° artikel 112;67° artikel 113;68° artikel 113bis tot en met artikel 113undecies, behalve als ze betrekking hebben op de pensioenen en met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;69° artikel 114, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;70° artikelen 114bis tot en met 114terdecies, met uitzondering van de bepalingen over de bevoegdheden van het Rekenhof;71° artikel 116;72° artikel 116bis ;73° artikel 117;74° artikel 118;75° artikel 119;76° artikel 120, met uitzondering van het vijfde en het zesde lid voorzover die leden betrekking hebben op het rijkspersoneel dat bij de provincie werkt;77° artikel 121;78° artikel 122;79° artikel 123;80° artikel 124, eerste lid;81° artikel 126, eerste en vierde lid;82° artikel 127;83° artikel 130;84° artikel 131;85° artikel 136, behalve voorzover het betrekking heeft op de politie;86° artikel 139bis, behalve voorzover het betrekking heeft op de politie;87° artikel 140;88° artikel 140, punt 1° tot en met punt 12°;89° artikel 144;90° artikel 146.

Art. 262.De volgende regelingen worden opgeheven : 1° artikel 72, laatste zin, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel;2° het koninklijk besluit van 9 maart 1988 tot vaststelling van de voorwaarden voor benoeming, schorsing of afzetting van de provinciegriffier;3° het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van het administratief toezicht op de provincies;4° het koninklijk besluit van 25 juni 1990 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de weddenschalen van het provincie- en gemeentepersoneel;5° het koninklijk besluit van 9 maart 1999 tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de provincieraad een autonoom provinciebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten;6° het koninklijk besluit van 2 juni 1999 houdende de algemene regeling van de provinciale boekhouding, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 oktober 2001;7° het koninklijk besluit van 15 juni 1999 tot vaststelling van het minimumen het maximumbedrag van de door de provincieontvanger te stellen zekerheid. HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen Afdeling I. - Overgangsbepalingen inzake de provinciale diensten en

het personeel

Art. 263.De provincieraad treedt op als tuchtoverheid voor de provinciegriffier en voor de provincieontvanger die vóór de inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel III van dit decreet werd aangesteld.

De deputatie treedt op als tuchtoverheid voor de overige personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet werden aangesteld.

Indien de deputatie overeenkomstig artikel 102, tweede lid, de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het aanstellen van personeel toevertrouwd heeft aan de provinciegriffier, treedt de provinciegriffier als tuchtoverheid op ten aanzien van de feiten die hij vaststelt of waarvan hij kennis heeft gekregen na de delegatie.

De tuchtvorderingen die op het moment van inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel III van dit decreet hangende zijn, worden verder afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die vóór de inwerkingtreding van toepassing waren. De tuchtstraf terugzetting in graad kan evenwel niet meer worden opgelegd.

Art. 264.§ 1. De Vlaamse Regering stelt de overgangsregelen vast betreffende het administratief en geldelijk statuut van de provincieontvangers die op het moment van de volledige inwerkingtreding van hoofdstuk VI van titel II van dit decreet in dienst van de provincies zijn, met inachtneming van de volgende principes : 1° de waarborg van aanstelling in het ambt van financieel beheerder in de provincie in kwestie tot het einde van de loopbaan;2° het behoud van de verworven rechten inzake het geldelijk statuut. § 2. Het mandaatstelsel, bedoeld in artikel 101, § 4, treedt slechts in werking bij de eerste nieuwe benoeming of aanstelling in de betrekking, nadat het mandaatstelsel voor deze betrekking in de rechtspositieregeling werd voorzien. De in § 1 vermelde gewaarborgde aanstelling van de provincieontvanger in het ambt van financieel beheerder, wordt niet geacht een nieuwe benoeming of aanstelling te zijn. § 3. In afwijking van § 2 kan de provincieraad beslissen dat voor de vacatures uitgeschreven na de publicatie van onderhavig decreet het mandaatstelsel kan worden toegepast. Afdeling II. - Overgangsbepalingen voor de provinciale financiën

Art. 265.De kwijting, vermeld in artikel 171, die wordt verleend voor de eerste jaarrekening, vastgesteld en goedgekeurd met de toepassing van dit decreet, geldt tevens als kwijting voor alle voorgaande door de bevoegde organen definitief vastgestelde jaarlijkse rekeningen van de provincie. Afdeling III. - Overgangsbepalingen voor de provinciale externe

verzelfstandiging

Art. 266.§ 1. De werking en de statuten van de op het ogenblik van de inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel VII van dit decreet in het Vlaamse Gewest bestaande provinciebedrijven, autonome provinciebedrijven en personen die door de provincie belast zijn met welbepaalde taken van provinciaal belang en die niet voldoen aan de voorschriften van titel VII, hoofdstuk II, en die geen andere decretale of wettelijke rechtsgrond hebben, worden bij provincieraadsbeslissing in overeenstemming gebracht met de bepalingen van dit decreet binnen een periode van drie jaar vanaf die inwerkingtreding.

Voor die provinciebedrijven en personen treedt dit decreet in werking de dag volgend op de ontvangst van de in § 2 vermelde goedkeuringsbeslissing en uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van titel VII, hoofdstuk II, van het decreet overeenkomstig artikel 268. Ze zijn bij de inwerkingtreding van titel VII, hoofdstuk II, van dit decreet overeenkomstig artikel 268, echter onmiddellijk onderworpen aan artikelen 222, 223 en 224. § 2. De beslissingen, vermeld in § 1, worden binnen dertig dagen aan de Vlaamse Regering verzonden. Binnen honderd dagen na verzending keurt de Vlaamse Regering de beslissingen al dan niet goed. Verstrijkt die termijn zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen en verzonden heeft aan de provincie, dan wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend. Afdeling IV. - Overgangsbepalingen voor het bestuurlijk toezicht

Art. 267.De besluiten van de provincieoverheden, genomen voor de inwerkingtreding van titel VIII van dit decreet, blijven onderworpen aan de regels die op dat ogenblik van kracht waren. HOOFDSTUK III. - Inwerkingtreding

Art. 268.§ 1. Onverminderd § 2 en § 3 bepaalt de Vlaamse Regering voor elk artikel, of onderdelen ervan, van dit decreet de dag waarop het in werking treedt.

Voor de artikelen, vermeld in artikel 257, bepaalt de Vlaamse Regering per artikel de datum waarop de opheffing in werking treedt.

Voor de wetten, decreten en besluiten, vermeld in artikel 258, bepaalt de Vlaamse Regering per wet, decreet of besluit de datum waarop de opheffing in werking treedt. § 2. De volgende bepalingen treden in werking op 1 januari 2006 : 1° artikelen 1 tot en met 5;2° artikelen 98 tot en met 113;3° artikelen 184 tot en met 187;4° artikelen 241 tot en met 253;5° artikel 259. § 3. Artikelen 62 en 264 treden in werking op datum van publicatie van onderhavig decreet in het Belgisch Staatsblad.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 9 december 2005.

De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN _______ Nota (1) Zitting 2005-2006. Stukken. - Ontwerp van decreet, 473 - Nr. 1. - Amendementen, 473 - Nr. 2. - Verslag over hoorzitting, 473 - Nr.3. - Amendementen, 473 - Nrs. 4 en 5. - Verslag, 473 - Nr. 6. - Reflectienota, 473 - Nr. 7. - Amendementen, 473 - Nrs. 8 tot 12. - In eerste lezing door de plenaire vergadering aangenomen artikelen, 473 - Nr. 13. - Aanvullend verslag, 473 - Nr. 14. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 473 - Nr. 15.

Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 16 november 2005. - Bespreking en aanneming : Vergaderingen van 30 november 2005.

^