Etaamb.openjustice.be
Decreet van 03 maart 2004
gepubliceerd op 02 april 2004

Decreet tot wijziging van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2004029094
pub.
02/04/2004
prom.
03/03/2004
ELI
eli/decreet/2004/03/03/2004029094/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
Document Qrcode

3 MAART 2004. - Decreet tot wijziging van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie (1)


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.1. In het decreet van de Raad van de Franse Gemeenschap van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 5bis.- Voor de toepassing van dit decreet, dient verstaan te worden onder : 1° bevoegdheid : georganiseerde ontwikkeling van kennis, vaardigheden en vaardigheden inzake gedragingen waarbij het verrichten van een gegeven aantal taken mogelijk gemaakt wordt;2° onderwijsactiviteiten : a) theoretische cursussen, toepassingsactiviteiten, praktische activiteiten, labo-activiteiten, didactische activiteiten, ontwerpen en andere activiteiten ingericht met toepassing van de pedagogische dossiers;b) eindwerken en -projecten van de opleidingseenheden;c) de stages bepaald in de pedagogische dossiers, individueel of in groep georganiseerd, met degelijke begeleiding en evaluatie;d) de leerberoepsactiviteiten, met degelijke begeleiding en evaluatie;e) de opleidingsberoepsactiviteiten, met degelijke begeleiding en evaluatie;f) de sessies, examens en tests;g) het bijkomende gedeelte;h) de bijkomende lestijden;3° leerberoepsactiviteiten : in het secundair onderwijs, elke beroepsactiviteit verwezenlijkt in samenwerking met de beroepskringen, en die erkend en beoordeeld wordt door de studieraad overeenkomstig de pedagogische dossiers;4° opleidingsberoepsactiviteiten : in het secundair onderwijs, elke beroepsactiviteit verwezenlijkt in samenwerking met de beroepskringen, en die erkend en beoordeeld wordt door de studieraad overeenkomstig de pedagogische dossiers;5° bijkomend gedeelte : lestijden die ingericht worden ten gunste van één of meer studenten die bij het begin van of tijdens de opleiding problemen ervaren, of die, alhoewel ze aan de toelatingsvoorwaarden van de opleidingseenheid voldoen inzake studiebewijs, niet over sommige vereiste voorafgaande kennis beschikken;6° bijkomende lestijden : lestijden ingericht, enkel in het kader van de bekrachtiging van de studies, ten gunste van een of meer studenten met als doel het bekomen van het attest van slagen voor een of meer opleidingseenheden die noodzakelijk zijn voor het erkennen via een getuigschrift van een afdeling.»

Art. 2.In artikel 8, lid 1, van hetzelfde decreet, worden de woorden "in andere onderwijsvormen" vervangen door de woorden "in alle onderwijsvormen".

Art. 3.In artikel 13, § 1, van hetzelfde decreet, worden de woorden "kennis en/of knowhow" vervangen door de woorden "vaardigheden".

Art. 4.In artikel 20, lid 1, 1°, van hetzelfde decreet, worden de woorden "onder wie, één vertegenwoordiger van het vrij niet confessioneel onderwijs" vervangen door de woorden " onder wie, twee vertegenwoordigers van het vrij niet confessioneel onderwijs".

Art. 5.Artikel 28, lid 3, van hetzelfde decreet, wordt vervangen door het volgende lid : « Een kwalificatieopleidingseenheid geeft de student toegang tot een kwalificatieniveau ten gevolge van het examen ingericht op het einde van een afdeling en biedt de mogelijkheid om studies voort te zetten, met inbegrip van het niveau hoger onderwijs. »

Art. 6.In artikel 30 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 24 juli 1997, wordt lid 3 door het volgende lid vervangen : « Nochtans, in het geval van opleidingseenheden voor een aantal lestijden dat lager dan of gelijk is met 25, uitgebouwd en exclusief ingericht in het raam van een overeenkomst, worden de attesten van welslagen niet uitgereikt. »

Art. 7.In artikel 38 van hetzelfde decreet worden na het eerste lid de volgende leden toegevoegd : « Iedere leerling heeft het recht om schriftelijk een beroep in te stellen bij de inrichtingshoofd, als gevolg op de beslissingen van de Studieraad vergaderend in het raam van een opleidingseenheid "geïntegreerde proef" of van een beslissende eenheid ingericht in het kader van een afdeling of het eindexamen van een afdeling van stelsel 2. In dit beroep dienen de ingeroepen redenen van slechte werking vermeld te worden. Het betrokken inrichtingshoofd organiseert een bemiddeling binnen de vier werkdagen die de kennisgeving van de uitslagen volgen. Wanneer de bemiddeling faalt, stuurt de leerling aan het inrichtingshoofd per ter post aangetekende brief het schriftelijke beroep toe binnen de vier werkdagen die de bemiddeling volgen.

Binnen de acht werkdagen die de ontvangst van het beroep volgen, vergadert een nieuwe Studieraad, met alle docenten van de opleidingseenheden die de afdeling vormen en die ingericht werden gedurende het in aanmerking genomen schooljaar, onder het voorzitterschap van het inrichtingshoofd. Deze laatste deelt per ter post aangetekende brief de beslissing mede aan de betrokken leerling binnen de twee werkdagen die de vergadering van de Studieraad volgen.

De leerling die genoemde beslissing betwist, stuurt een brief aan de Adjunct-directeur-generaal van het onderwijs voor sociale promotie binnen de acht werkdagen die het verzenden van de beslissing van de Studieraad door het inrichtingshoofd volgen.

De Adjunct-directeur-generaal beslist op basis van de door het betrokken inrichtingshoofd en de pedagogische bestuurder medegedeelde inlichtingen en deelt zijn beslissing aan de leerling en het inrichtingshoofd mede binnen de dertig werkdagen. Deze beslissing is onherroepelijk. »

Art. 7.Artikel 52 van hetzelfde decreet wordt met volgend lid aangevuld : « Nochtans, voor de toegang tot de studies die leiden tot de graad gegradueerd verpleger, is de Studieraad ertoe verplicht, vanaf het schooljaar 2003 - 2004, na te gaan of de leerling aan één van de volgende drie voorwaarden voldoet : - voor het voorexamen bedoeld bij artikel 12 van het Koninklijk besluit van 17 augustus 1957 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder het diploma van vroedvrouw, verpleger of verpleegster wordt toegekend, geslaagd zijn; - houder zijn van het Getuigschrift hoger secundair onderwijs; - houder zijn van het bekwaamheidsbewijs gebrevetteerd verpleger. »

Art. 8.Artikel 56 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende leden : « Iedere leerling heeft het recht om schriftelijk een beroep in te stellen bij de inrichtingshoofd, als gevolg op de beslissingen van de Studieraad vergaderend in het raam van een opleidingseenheid "geïntegreerde proef" of van een beslissende eenheid ingericht in het kader van een afdeling of het eindexamen van een afdeling van stelsel 2. In dit beroep dienen de ingeroepen redenen van slechte werking vermeld te worden. Het betrokken inrichtingshoofd organiseert een bemiddeling binnen de vier werkdagen die de kennisgeving van de uitslagen volgen. Wanneer de bemiddeling faalt, stuurt de leerling aan het inrichtingshoofd per ter post aangetekende brief het schriftelijke beroep toe binnen de vier werkdagen die de bemiddeling volgen.

Binnen de acht werkdagen die de ontvangst van het beroep volgen, vergadert een nieuwe Studieraad, met alle docenten van de opleidingseenheden die de afdeling vormen en die ingericht werden gedurende het in aanmerking genomen schooljaar, onder het voorzitterschap van het inrichtingshoofd. Deze laatste deelt per ter post aangetekende brief de beslissing mede aan de betrokken leerling binnen de twee werkdagen die de vergadering van de Studieraad volgen.

De leerling die genoemde beslissing betwist, stuurt een brief aan de Adjunct-directeur-generaal van het onderwijs voor sociale promotie binnen de acht werkdagen die het verzenden van de beslissing van de Studieraad door het inrichtingshoofd volgen.

De Adjunct-directeur-generaal beslist op basis van de door het betrokken inrichtingshoofd en de pedagogische bestuurder medegedeelde inlichtingen en deelt zijn beslissing aan de leerling en het inrichtingshoofd mede binnen de dertig werkdagen. Deze beslissing is onherroepelijk. »

Art. 9.In artikel 79 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 februari 1999, in lid 1, worden de woorden "twee ondervoorzitters" vervangen door de woorden "drie ondervoorzitters".

Art. 10.Artikel 87 van hetzelfde decreet wordt door de volgende bepaling vervangen : «

Artikel 87.Elk jaar wordt de in artikel 86 bedoelde lestijdendotatie aangepast aan de behoeften en aan de kredieten toegekend aan het onderwijs voor sociale promotie.

De regering bepaalt de nadere regels voor de bij lid 1 bedoelde aanpassingen voor elke onderwijsactiviteit van iedere afdeling of opleidingseenheid ingericht in het onderwijs voor sociale promotie van stelsel 1 of stelsel 2. Behoudens schommelingen van de globale envelop, moeten de regels voor de aanpassing een percentage van de lestijdendotatie van het vorige jaar, jaarlijks door de regering bepaald, per kalenderjaar garanderen.

In geen enkel geval mag de lestijdendotatie van een inrichting het jaarlijks door de regering bepaald percentage inperken.

Bovendien, dienen deze regels rekening te houden met het aantal regelmatige leerlingen van de in aanmerking genomen onderwijsactiviteiten."

Art. 11.Aan artikel 87bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 24 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de inleidende zin, wordt het woord "lestijden" vervangen door de woorden "lestijden onderwijsactiviteiten";2° bij het 1e streepje, worden de woorden "de lestijden die niet voorkomen" vervangen door de woorden "de lestijden onderwijsactiviteiten die niet voorkomen";3° bij het tweede streepje, worden de woorden "alle lestijden" vervangen door de woorden "alle lestijden onderwijsactiviteiten";4° bij het zesde streepje, worden de woorden "- De cursuslestijden van een vormingsafdeling of -eenheid die een nieuw vormingsgebied samenstellen en die georganiseerd worden zonder het voorwerp uit te maken van het voorafgaandelijk advies voorzien in artikel 92, lid 2. Deze straf wordt echter niet toegepast indien de zonale advies- en coördinatiecommissie bedoeld onder artikel 123bis haar advies niet gegeven heeft binnen een tijdsspanne van 45 kalenderdagen na de indiening van de aanvraag, deze tijdsspanne wordt geschorst gedurende de duur van de schoolvakantie" afgeschaft.

Art. 12.Aan artikel 92 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 24 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in lid 1, worden de woorden "elke student de aangevatte studies tot een goed einde kan brengen" vervangen door de woorden "elke student de aangevatte studies tot een goed einde kan brengen volgens de nadere regels die hem medegedeeld werden door de betrokken inrichting.» ; 2° de leden 2 en 3 worden opgeheven.

Art. 13.In artikel 93, lid 4, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 april 1995 en 8 februari 1999, worden de woorden "De lestijdendotatie toegekend aan de inrichtende macht voor het derde jaar berekend voor het derde burgerlijk jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk de overschrijding werd vastgesteld, wordt met die overschrijding vermeerderd. » afgeschaft.

Art. 14.Hoofdstuk VII, ingevoegd in hetzelfde decreet bij het decreet van 24 juli 1997, wordt door de volgende bepaling vervangen : « " Hoofdstuk VII. - De sub-regionale commissies «

Artikel 123bis.§ 1. Er wordt een sub-regionale commissie opgericht in elke zone bepaald in § 2. § 2. De zones bedoeld in § 1 zijn de volgende geografische zones : 1° de provincie Luxemburg;2° de provincie Namen;3° de provincie Henegouwen;4° de provincie Luik, met uitzondering van het Duits taalgebied;5° de provincie Waals-Brabant;6° Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. § 3. De sub-regionale commissies hebben als opdracht : - na te gaan of het onderwijsaanbod overeenstemt met de socio-economische werkelijkheid waarop het betrekking heeft; - voor het verband zorgen met de structuren die de socio-economische acteurs van het sub-gewest bij elkaar brengen; - advies uit te brengen over deze materies aan de Hogere Raad bedoeld in artikel 78, op eigen initiatief of op aanvraag van deze laatste. § 4. Elke commissie bedoeld in § 1 is samengesteld uit een lid per instelling waarvan de zetel of een vestiging zich in de zone bevindt en uit een vertegenwoordiger van elke syndicale vereniging erkend krachtens de wet van 19 september 1974 die de relaties organiseert tussen de publieke autoriteiten en de syndicaten van de ambtenaren die van deze autoriteiten afhankelijk zijn.

In afwijking van lid 1, indien de zone meer dan 30 instellingen of vestigingen telt, wordt de syndicale vertegenwoordiging op drie vertegenwoordigers gebracht voor elke syndicale organisatie bedoeld in lid 1.

De leden die de inrichtingen vertegenwoordigen, worden aangesteld, wat betreft het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd onderwijs, door de inrichtende macht van de instelling en, wat het onderwijs ingericht door de Franse Gemeenschap betreft, door de directeur van de instelling.

De mandaten worden niet bezoldigd. Doch hebben de leden recht op de terugbetaling van hun reiskosten. »

Art. 15.In artikel 136 van hetzelfde decreet, wordt tussen de leden 2 en 3 volgend lid ingevoegd : « Wanneer deze afdelingen of opleidingseenheden goedgekeurd werden door de Regering, passen de inrichtende machten de betrokken bestaande structuren aan ten laatste op de eerste januari van het tweede kalenderjaar dat volgt op de datum van de goedkeuring, op basis van een lijst van de afdelingen of opleidingseenheden die door deze structuren vervangen worden. »

Art. 16.Dit decreet treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 3 maart 2004.

De Minister-President, belast met de Internationale Betrekkingen, H. HASQUIN De Minister van Cultuur, Ambtenarenzaken, Jeugdzaken en Sport, C. DUPONT De Minister van Kinderwelzijn, belast met het Basisonderwijs, de Opvang en de Opdrachten toegewezen aan de « O.N.E. », J.-M. NOLLET De Minister van Secundair Onderwijs en Buitengewoon Onderwijs, P. HAZETTE De Minister van Begroting, M. DAERDEN De Minister van Kunsten en Letteren en van de Audiovisuele Sector, O. CHASTEL De Minister van Hoger Onderwijs, Onderwijs voor Sociale Promotie en Wetenschappelijk Onderzoek, Mevr. F. DUPUIS De Minister van Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid, Mevr. N. MARECHAL _______ Nota's (1)Zitting 2003-2004.

Stukken van de Raad. - Ontwerp van decreet, nr. 487-1. - Verslag, nr. 487-2.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. - Vergadering van 17 februari 2004.

^