Etaamb.openjustice.be
Wet van 10 juli 2006
gepubliceerd op 20 juli 2006

Wet tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en van de artikelen 323bis en 327bis van het Gerechtelijk Wetboek

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2006009569
pub.
20/07/2006
prom.
10/07/2006
ELI
eli/wet/2006/07/10/2006009569/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
Document Qrcode

10 JULI 2006. - Wet tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en van de artikelen 323bis en 327bis van het Gerechtelijk Wetboek (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten

Art. 2.Het opschrift van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten wordt vervangen als volgt : « Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse ».

Art. 3.Artikel 1, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 april 1999, wordt vervangen als volgt : « Er wordt, enerzijds, een Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en, anderzijds, een Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ingesteld. Het toezicht heeft in het bijzonder betrekking op : 1° de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen en de coördinatie en de doelmatigheid, enerzijds, van de politiediensten en, anderzijds, van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;2° de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen en de coördinatie en de doelmatigheid van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;3° de wijze waarop de andere ondersteunende diensten voldoen aan de verplichting opgenomen in de artikelen 6 en 14 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging.

Art. 4.Artikel 3, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 november 1998, 7 december 1998 en 1 april 1999, wordt aangevuld als volgt : 3° « Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse », de dienst bedoeld in de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;4° « Andere ondersteunende diensten », diensten, andere dan de in deze wet bedoelde politiediensten, inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die, ingevolge de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging, de verplichting hebben om inlichtingen over te zenden aan het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;5° « Wet inzake de dreigingsanalyse », de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;6° « Ministerieel Comité », het Ministerieel Comité zoals bedoeld in artikel 3, 1°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Art. 5.In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het derde lid, 6°, wordt vervangen als volgt : « 6° houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim » krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.»; 2° het vierde lid wordt aangevuld als volgt : « , van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of van een andere ondersteunende dienst.»

Art. 6.Artikel 5, eerste lid, 8°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 april 1999, wordt vervangen als volgt : « 8° houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim » krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. »

Art. 7.In artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt aangevuld als volgt : « 3° het Ministerieel Comité voor het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of voor de andere ondersteunende diensten.»; 2° § 2 wordt aangevuld als volgt : « 4° de directeur van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. ».

Art. 8.Artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Indien het onderzoek betrekking heeft op een politiedienst, treedt het Vast Comité P op ofwel uit eigen beweging, ofwel op verzoek van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, van de Senaat, van de bevoegde minister of van de bevoegde overheid. Indien het onderzoek betrekking heeft op de uitvoering van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging, treedt het Vast Comité P op ofwel uit eigen beweging, ofwel op verzoek van de bevoegde minister of van de bevoegde overheid. ».

Art. 9.In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 1 april 1999 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Binnen het kader van de in artikel 1 vermelde doelstellingen stelt het Vast Comité P onderzoeken in naar de activiteiten en de werkwijze van de politiediensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten, naar hun interne reglementen en richtlijnen, alsmede naar alle documenten die de handelwijze van de leden van die diensten regelen, met uitzondering van de richtlijnen inzake het opsporings- en vervolgingsbeleid en inzake het beleid met betrekking tot de bestuurlijke politie.»; 2° in het tweede lid worden tussen de woorden « De politiediensten » en « zenden » de woorden « , het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten » ingevoegd.

Art. 10.In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 1 april 1999 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Binnen het kader van de in artikel 1 vermelde doelstellingen behandelt het Vast Comité P de klachten en aangiften die het ontvangt betreffende de werking, het optreden, het handelen of het nalaten te handelen van de politiediensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten en hun personeelsleden.»; 2° tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgend lid ingevoegd : « Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 22, kan het Vast Comité P, gezamenlijk met het Vast Comité I, besluiten geen gevolg te geven aan een klacht of een aangifte die betrekking heeft op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten en hun personeelsleden en die kennelijk niet gegrond is.»; 3° in het achtste lid, dat het negende lid wordt, worden de woorden « of van de leiding van de politiediensten bedoeld in artikel 3 » vervangen door de woorden « , van de leiding van de politiediensten bedoeld in artikel 3, van de directeur van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of van de leidinggevende ambtenaar van de andere ondersteunende dienst.».

Art. 11.Artikel 11 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 1 april 1999, 20 juli 2000 en 3 mei 2003, wordt aangevuld als volgt : « 4° tweemaal per jaar of telkens wanneer het dit nuttig acht, door een verslag op te stellen over de uitvoering van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging. »

Art. 12.In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste en het derde lid worden na de woorden « de politiediensten » telkenmale de woorden « en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse » toegevoegd;2° in het tweede lid worden na de woorden « een politiedienst » de woorden « en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse » toegevoegd.

Art. 13.In artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « In opdracht van het Vast Comité P of, behoudens ten aanzien van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten, uit eigen beweging, en in dit geval licht hij daarover zonder verwijl de voorzitter van het Vast Comité P in, houdt de Dienst Enquêtes voor de politiediensten, hierna genoemd « de Dienst Enquêtes P », door onderzoeken in te stellen, toezicht op de werking van de politiediensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de ondersteunende diensten, rekening houdend met de bij artikel 1 opgelegde beperkingen.»; 2° de eerste zin van het tweede lid wordt aangevuld als volgt : « , het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of een andere ondersteunende dienst.»; 3° in het derde en het vierde lid worden na de woorden « leden van de politiediensten » telkenmale de woorden « en van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse » toegevoegd;4° het derde lid wordt aangevuld als volgt : « Wat betreft de leden van de andere ondersteunende diensten geldt deze bepaling alleen ten aanzien van de bij artikelen 6 en 14 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging ingestelde verplichting.»

Art. 14.In artikel 17 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 2000 en 3 mei 2003, wordt tussen het derde en het vierde lid het volgend lid ingevoegd : « Zij moeten houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim » krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. »

Art. 15.Artikel 20, vijfde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 april 1999, wordt aangevuld als volgt : « Minstens vier leden van de Dienst Enquêtes moeten over deze veiligheidsmachtiging beschikken. ».

Art. 16.In artikel 24 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° na de woorden « van de politiediensten », « van politiediensten » en « van de politiedienst » worden telkenmale de woorden « , van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten » toegevoegd;2° het derde lid van paragraaf 2 wordt aangevuld als volgt : « of aan de voorzitters van de beide Vaste Comités die gezamenlijk uitspraak doen indien het een lid van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of van een andere ondersteunende dienst betreft.»

Art. 17.Artikel 27, tweede lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « Zij mogen te allen tijde, in aanwezigheid van hun diensthoofd of zijn plaatsvervanger en van de betrokken korpschef, directeur of leidinggevend ambtenaar of zijn plaatsvervanger, de plaatsen betreden waar leden van een politiedienst, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of de andere ondersteunende dienst hun functie uitoefenen, teneinde er materiële vaststellingen te doen. Zij kunnen in deze plaatsen alle voorwerpen en documenten die nuttig zijn voor hun onderzoek in beslag nemen, behalve indien ze betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek. Indien de korpschef of zijn plaatsvervanger van oordeel is dat door het beslag een persoon fysiek gevaar kan lopen, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité P, die uitspraak doet. Indien de directeur of leidinggevend ambtenaar of zijn plaatsvervanger van oordeel is dat door het beslag een persoon fysiek gevaar kan lopen, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitters van de beide Vaste Comités die gezamenlijk uitspraak doen. De in beslag genomen voorwerpen en documenten worden vermeld in een daartoe speciaal bij te houden register. »

Art. 18.Artikel 28, vierde lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : « , van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of van een andere ondersteunende dienst. »

Art. 19.Artikel 31 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 30 november 1998 en 1 april 1999, wordt aangevuld als volgt : « 5° het Ministerieel Comité voor het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of voor de andere ondersteunende diensten.

In dit hoofdstuk wordt onder « de bevoegde overheid » verstaan, de directeur van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. »

Art. 20.Artikel 32, eerste lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « Indien het onderzoek betrekking heeft op een inlichtingendienst, treedt het Vast Comité I op ofwel uit eigen beweging, ofwel op verzoek van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat of van de bevoegde minister. Indien het onderzoek betrekking heeft op de uitvoering van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging treedt het Vast Comité I op ofwel uit eigen beweging, ofwel op verzoek van de bevoegde minister of van de bevoegde overheid. »

Art. 21.In artikel 33 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 1 april 1999 en 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Binnen het kader van de in artikel 1 vermelde doelstellingen stelt het Vast Comité I onderzoeken in naar de activiteiten en de werkwijze van de inlichtingendiensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten, naar hun interne reglementen en richtlijnen, alsmede naar alle documenten die de handelwijze van de leden van die diensten regelen.»; 2° in het tweede lid worden de woorden « De inlichtingendiensten » vervangen door de woorden « De inlichtingendiensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten »;3° in het derde, vijfde en zesde lid worden na de woorden « de bevoegde minister » telkenmale de woorden « of de bevoegde overheid » toegevoegd.

Art. 22.Artikel 34 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Binnen het kader van de in artikel 1 vermelde doelstellingen behandelt het Vast Comité I de klachten en aangiften die het ontvangt betreffende de werking, het optreden, het handelen of het nalaten te handelen van de inlichtingendiensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten en hun personeelsleden.

Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 46, kan het Vast Comité I, gezamenlijk met het Vast Comité P, besluiten geen gevolg te geven aan een klacht of een aangifte die betrekking heeft op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten en hun personeelsleden en die kennelijk niet gegrond is.

Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 46, kan het Vast Comité I besluiten geen gevolg te geven aan een klacht of een aangifte die kennelijk niet gegrond is. Het kan die bevoegdheid overdragen aan het hoofd van de Dienst Enquêtes voor de inlichtingendiensten.

Het besluit van het Vast Comité I om geen gevolg te geven aan een klacht of aangifte en om het onderzoek af te sluiten, wordt gemotiveerd en schriftelijk ter kennis gebracht van de partij die de klacht heeft ingediend of de aangifte heeft gedaan.

In geval van afsluiten van het onderzoek wordt in de kennisgeving het resultaat van het onderzoek in algemene bewoordingen meegedeeld.

Het Vast Comité I brengt de besluiten van het onderzoek naar gelang van het geval ter kennis van de leidinggevende ambtenaar van de inlichtingendienst, van de directeur van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of van de leidinggevende ambtenaar van de andere ondersteunende dienst. »

Art. 23.In artikel 35 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 1 april 1999 en 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « 15 april » worden vervangen door de woorden « 1 juni »;2° het artikel wordt aangevuld als volgt : « 4° tweemaal per jaar of telkens wanneer het dit nuttig acht, door een verslag op te stellen over de uitvoering van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging.»

Art. 24.In artikel 37, eerste lid, van dezelfde wet worden na de woorden « de bevoegde ministers » de woorden « of de bevoegde overheid » toegevoegd.

Art. 25.In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° na de woorden « de inlichtingendiensten » worden telkenmale de woorden « en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse » toegevoegd;2° tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgend lid ingevoegd : « De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de Federale Procureur of de Procureur-generaal bij het Hof van beroep, al naar het geval, brengt de voorzitter van het Comité I op de hoogte telkens als tegen een lid van een inlichtingendienst of van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wegens misdaad of wanbedrijf wordt ingesteld.»

Art. 26.In artikel 39, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 1 april 1999 en 20 juli 2000, worden de woorden « of de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof » vervangen door de woorden « of de Federale Procureur ».

Art. 27.In artikel 40 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « In opdracht van het Vast Comité I of, behoudens ten aanzien van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten, uit eigen beweging, en in dit geval licht hij daarover zonder verwijl de voorzitter van het Vast Comité I in, houdt de Dienst Enquêtes voor de inlichtingendiensten, hierna genoemd « de Dienst Enquêtes I », door onderzoeken in te stellen, toezicht op de werking van de inlichtingendiensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de andere ondersteunende diensten, rekening houdend met de bij artikel 1 opgelegde beperkingen.»; 2° de eerste zin van het tweede lid wordt aangevuld als volgt : « , het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of een andere ondersteunende dienst.»; 3° het derde lid wordt aangevuld als volgt : « en van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.Wat betreft de leden van de andere ondersteunende diensten geldt deze bepaling alleen ten aanzien van de bij artikelen 6 en 14 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging ingestelde verplichting. »

Art. 28.In artikel 43, eerste lid, van dezelfde wet worden na de woorden « de bevoegde minister » de woorden « of de bevoegde overheid » toegevoegd.

Art. 29.In artikel 48 van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 1 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° na de woorden « van de inlichtingendiensten », « van inlichtingendiensten » en « van de inlichtingendienst » worden telkenmale de woorden « , van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en van de andere ondersteunende diensten » toegevoegd;2° § 2, derde lid, wordt aangevuld als volgt : « of aan de voorzitters van de beide Vaste Comités die gezamenlijk uitspraak doen indien het een lid van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of van een andere ondersteunende dienst betreft.»

Art. 30.Artikel 51, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 november 1998, wordt vervangen als volgt : « Zij mogen te allen tijde, in aanwezigheid van hun diensthoofd of zijn plaatsvervanger en van de betrokken korpschef, directeur of leidinggevend ambtenaar of zijn plaatsvervanger, de plaatsen betreden waar leden van een inlichtingendienst, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of de andere ondersteunende dienst hun functie uitoefenen, teneinde er materiële vaststellingen te doen. Zij kunnen in deze plaatsen alle voorwerpen en documenten die nuttig zijn voor hun onderzoek in beslag nemen, behalve indien ze betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek. Indien de korpschef of zijn plaatsvervanger van oordeel is dat het beslag van geclassificeerde gegevens van die aard is dat het een bedreiging vormt voor de uitoefening van de opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst of dat een persoon daardoor fysiek gevaar dreigt te lopen, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité I, die uitspraak doet. Indien de directeur of leidinggevend ambtenaar of zijn plaatsvervanger van oordeel is dat het beslag van geclassificeerde gegevens van die aard is dat het een bedreiging vormt voor de uitoefening van de opdrachten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in de artikelen 7, 8 en 11 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst of dat een persoon daardoor fysiek gevaar dreigt te lopen, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitters van de beide Vaste Comités die gezamenlijk uitspraak doen. De in beslag genomen voorwerpen en documenten worden vermeld in een daartoe speciaal bij te houden register. »

Art. 31.In artikel 53, eerste lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « in de artikelen 9, 11, 33 en 35 » worden vervangen door de woorden « in de artikelen 9, 10, 11, 33, 34 en 35 »;2° het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « 6° ten aanzien van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse of een andere ondersteunende dienst.» HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 32.Artikel 323bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2000 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, wordt aangevuld met een § 3, luidende : « § 3. De uitoefening van de functie van directeur of van adjunct-directeur bij het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse wordt beschouwd als een opdracht in de zin van § 1 ».

Art. 33.In artikel 327bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 2000 en 10 april 2003, worden tussen de woorden « Federale Overheidsdienst Justitie » en de woorden « en bij de Cel voor de financiële informatieverwerking » de woorden « , het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse » ingevoegd. HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling

Art. 34.Met uitzondering van artikel 1 en onderhavige bepaling, die in werking treden de dag waarop zij worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, treden de bepalingen van deze wet in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 december 2006.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 10 juli 2006.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT De Minister van Mobiliteit en Vervoer, R. LANDUYT Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's (1) Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 51-2330 - 2005/2006 : Nr.1 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.

Integraal Verslag : 8 en 9 maart 2006.

Stukken van de Senaat : 3-1612 - 2005/2006 : Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Nr. 2 : Amendementen.

Nr. 3 : Verslag.

Nr. 4 : Tekst verbeterd door de Commissie.

Nr. 5 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd.

Handelingen van de Senaat : 15 juni 2006.

Zie ook : Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 51-2032 - 2005/2006 : Nr. 1 : Wetsontwerp.

Nr. 2 : Erratum.

Nrs. 3 tot 5 : Amendementen.

Nr. 6 : Verslag.

Nr. 7 : Tekst aangenomen door de commissies (art. 78 van de Grondwet).

Nr. 8 : Tekst aangenomen door de commissies (art. 77 van de Grondwet).

Nr. 9 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.

Integraal Verslag : 8 en 9 maart 2006.

^