Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 25 april 1997
gepubliceerd op 19 juni 1997

Koninklijk besluit houdende maatregelen om de toegang tot de regeling inzake verzekering voor geneeskundige verzorging te veralgemenen en te versoepelen, in het bijzonder voor de sociaal- economisch achtergestelde groepen, ter uitvoering van de art VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat U ter goedkeuring wordt voorgelegd, vindt zijn w(...)

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
1997022332
pub.
19/06/1997
prom.
25/04/1997
ELI
eli/besluit/1997/04/25/1997022332/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

Koninklijk besluit houdende maatregelen om de toegang tot de regeling inzake verzekering voor geneeskundige verzorging te veralgemenen en te versoepelen, in het bijzonder voor de sociaal- economisch achtergestelde groepen, ter uitvoering van de artikelen 11, 2°, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat U ter goedkeuring wordt voorgelegd, vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 11, 2° van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, alsook in artikel 41 van dezelfde wet.

Artikel 11, 2°, van voormelde wet biedt de Koning de mogelijkheid om alle maatregelen te nemen die nodig zijn voor een veralgemening en een versoepeling van de toegang tot de regeling inzake verzekering voor geneeskundige verzorging, in het bijzonder voor de minstbedeelde sociaal-economische bevolkingsgroepen.

Zoals in de memorie van toelichting bij de voormelde wet is vermeld, wil de hervorming van de verzekerbaarheid de natuurlijke evolutie van ons systeem van kwalitatief hoogstaande geneeskundige verzorging naar een veralgemeende toegang tot de verzekering voor geneeskundige verzorging voortzetten.

Historisch is de verzekering voor geneeskundige verzorging gebouwd op twee grote beroepsregelingen (algemene regeling voor de werknemers en met dezen gelijkgestelden, die de grote en de kleine risico's dekt; sociaal statuut van de zelfstandigen voor de zelfstandigen, dat de grote risico's dekt). De personen die niet tot die twee beroepscategorieën behoorden, zijn geleidelijk door specifieke regelingen, de zogenaamde residuaire regelingen, beschermd tegen de ziekterisico's.

Thans zijn er nog vijf van die regelingen: de regeling voor de minder-validen, de regeling voor de studenten van het hoger onderwijs, de regeling voor de gewezen koloniale ambtenaren, de regeling voor de kloostergemeenschappen en de regeling voor de nog niet beschermde personen.

Doordat de verzekering voor geneeskundige verzorging in zoveel verzekeringsregelingen is onderverdeeld, wordt de administratie zeer complex aangezien in elke regeling specifieke regels voor de overgang naar een andere regeling bestaan, die in acht moeten worden genomen.

Aldus kan worden gecontroleerd of een verzekerde daadwerkelijk tot de werkingssfeer van een bepaalde regeling behoort.

Het algemeen armoederapport stelt bovendien zeer duidelijk dat meer en meer personen worden uitgesloten uit de sociale zekerheid, ondanks de doeltreffendheid van ons sociaal zekerheidssysteem dat de armoede heeft verminderd en teruggebracht tot het laagste niveau in Europa.

Ter gelegenheid van het overleg dat gevoerd werd met organisaties die de belangen verdedigen van de armen en de daklozen, werd er door deze organisaties gepleit voor belangrijke vereenvoudigingen in de werking van de verzekering voor geneeskundige verzorging, in het bijzonder ten aanzien van de residuaire stelsels en de daarop betrekking hebbende administratieve en financiële regels. De armsten, de daklozen, de personen zonder inkomsten en de sociale uitkeringsgerechtigden zijn verzekerd binnen het stelsel van de niet-beschermde personen, dat kan aanzien worden als het meest residuaire van alle residuaire stelsels.

Als voorbeeld inzake de evolutie van dit regime sinds zijn ontstaan in 1969, kan worden vastgesteld dat de sociaal-economische samenstelling van de personen op wie de regeling van toepassing is, volkomen veranderd is: in 1996 maken de personen uit de laagste inkomensklassen of zonder enig inkomen 93 % uit van de verzekerden in dit regime (bestaansminimumtrekkers, personen die sociale hulp, gelijkwaardig met het bestaansminimum, genieten, daklozen, uit de echt gescheiden vrouwen die voorheen ten laste van hun echtgenoot waren, bejaarden die het volledig gewaarborgd inkomen genieten,...).

De huidige hervorming inzake verzekerbaarheid brengt concrete antwoorden aan op de eisen van de organisaties die de belangen verdedigen van de armsten en de daklozen, alsook op de aanbevelingen van het algemeen rapport over de armoede.

Enerzijds beoogt de hervorming van de verzekerbaarheid de afschaffing van alle bestaande residuaire regelingen. Degenen die ertoe behoren, zullen voortaan verzekerd zijn in de algemene regeling of in de regeling voor de zelfstandigen. Zo worden, krachtens het koninklijk besluit dat U wordt voorgelegd, de minder-validen, de studenten van het hoger onderwijs en de nog niet beschermde personen opgenomen in de algemene regeling. De gewezen koloniale ambtenaren worden gelijkgesteld met de gepensioneerden van de algemene regeling. De minder-valide zelfstandigen en de leden van de koostergemeenschappen zullen worden opgenomen in de regeling voor de zelfstandigen. Dat integratieschema wijzigt geenszins de huidige rechten van de betrokkenen en evenmin de regels betreffende de financiële dekking van de residuaire regelingen. Op 1.1.1998 zullen er dus nog slechts twee regelingen inzake verzekering voor geneeskundige verzorging zijn : een grote algemene regeling en de regeling voor de zelfstandigen.

Die integratie heeft tot gevolg dat de administratieve procedures die de sociaal verzekerden worden opgelegd, worden vereenvoudigd en dat op praktisch vlak de toegang tot de geneeskundige verzorging wordt versoepeld aangezien de overgang van een regeling naar een andere grotendeels wordt afgeschaft.

Die laatste problematiek zal vooral betrekking hebben op de overgang van de regeling voor de zelfstandigen naar de algemene regeling; ingeval van faillissement of van stopzetting van een activiteit als zelfstandige gaat die overgang gepaard met een toestand van grote onzekerheid. Daarom beoogt de hervorming van de verzekerbaarheid eveneens een versoepeling van de regels betreffende het keuzerecht tussen de regeling voor de zelfstandigen en de algemene regeling, met name door het behoud en de verruiming van de rechten van de gewezen zelfstandigen in de hand te werken door een totale gelijkstelling van hun periode van verzekerbaarheid in de regeling voor de zelfstandigen indien deze eveneens wordt gedekt door een tijdvak van vrijwillige verzekering die recht geeft op de kleine risico's. Een bijkomende bijdrage voor de verlenging van het recht zal worden behouden ingeval de gewezen zelfstandige zo'n vrijwillige verzekering niet heeft aangegaan.

Anderzijds heeft men zich met de hervorming van de verzekerbaarheid beijverd om de interne administratieve en financiële bepalingen van de residuaire regelingen betreffende de inschrijving, de herinschrijving en de betaling van de maandelijkse persoonlijke bijdrage grondig te wijzigen. Die bepalingen beperkten in aanzienlijke mate de toegang tot de dekking door de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de minstbedeelden, de personen zonder vaste woonplaats en degen die hun rechten in de algemene regeling (uit de echt gescheiden vrouwen, uitgesloten werklozen,...), in de regeling voor de zelfstandigen (gefailleerde zelfstandigen,...), ja zelfs in de ene of andere residuaire regeling (niet betalen van de persoonlijke bijdrage,...) hadden verloren.

Aan de hand van een precies voorbeeld kan men de draagwijdte vatten van de hervorming die U wordt voorgelegd. Iemand die sedert meer dan vijf jaar geen vaste woonplaats heeft, moet thans, om toegang te hebben tot verzorging die in de regeling voor de nog niet beschermde personen wordt vergoed, sinds zes maanden zijn ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen en een bijkomende wachttijd van zes maanden vervullen. Bovendien moet hij die wachttijd financieren door een maandelijkse persoonlijke bijdrage (2.064 F). Ten slotte wordt zijn laatste aansluiting bij een ziekenfonds opgezocht waarbij ten hoogste vijf jaar wordt teruggegaan, opdat hem een intrederecht (eerste bijdrage) kan worden gevraagd dat overeenstemt met de betaling van de tijdens die periode verschuldigde persoonlijke bijdragen. Kortom, hij moet in die toestand van grote uitsluiting een jaar wachten tussen het tijdstip waarop hij zijn aanvraag tot inschrijving bij een ziekenfonds indient en het tijdstip van de eerste vergoeding van verzorging door de sociale zekerheid. Voorts moet hij ook vooraf een bedrag van zowat 140.000 F aan bijdragen vereffenen.

De hervorming van de verzekerbaarheid schaft die toestand en die verplichtingen af. De algemene regeling zal toegankelijk zijn voor al wie is ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen (afschaffing van de inschrijvingsduur).

Die veralgemeende toegang voor elke persoon die gemachtigd is om zijn woonplaats te kiezen in het Koninkrijk, kan slechts worden overwogen voor zover de persoon er bestendig verblijft of zich in dergelijke omstandigheden bevindt die een bestendig verblijf doen vermoeden.

De stabiliteit van het recht op de verzekering voor geneeskundige verzorging is immers één van de meest afdoende antwoorden op het verschijnsel van uitsluiting uit de dekking van de verzorging die door de sociale zekerheid wordt vergoed. Die stabiliteit kan slechts worden overwogen voor zover de verzekerde zelf zijn recht kan doen gelden op een inschrijving bij een verzekeringsinstelling die twee jaar geldig blijft en op een verzekeringsplicht van ten minste een jaar.

Als het anders was geweest, zou elke persoon krachtens de bepalingen van dit ontwerp van hervorming, een vergoeding van zijn verzorging door de sociale zekerheid kunnen genieten, zodra hij zelfs tijdelijk verzorging nodig heeft. Die evolutie naar een verzekering « op maat » kan tot gevolg hebben dat een beroep wordt gedaan op de georganiseerde vormen van medisch toerisme die de grondvesten van het Belgisch stelsel van de sociale zekerheid zouden vernietigen en die de doeltreffendheid en de duurzame financiering van dat stelsel zouden aantasten.

Daarom zijn de personen die recht hebben of kunnen hebben op geneeskundige verzorging krachtens een andere Belgische of buitenlandse regeling inzake verzekering voor geneeskundige verzorging en de vreemdelingen die niet van rechtswege tot een verbijf van meer dan drie maanden in het Rijk zijn toegelaten of die niet zijn gemachtigd tot vestiging of een verblijf van meer dan zes maanden, uitgesloten van de toegang tot de verzekering voor geneeskundige verzorging. De Koning zal deze bepaling voor andere bepaalde categorieën en voor een bepaalde periode kunnen uitbreiden. Hij zal eveneens deze bepaling niet van toepassing kunnen verklaren.

Die beperking op de toegang tot de verzekering voor geneeskundige verzorging, moet enerzijds kunnen worden aangepast aan de evolutie van de eventuele vormen van misbruiken en anderzijds moet ze rekening houden met bestaande situaties zoals de dekking door de sociale zekerheid van de geneeskundige verzorging van sommige kandidaat politieke vluchtelingen, in afwachting van een beslissing ten gronde over de ontvankelijkheid van hun aanvraag en van sommige slachtoffers van conflicten die in het kader van onze buitenlandse politiek in ons land worden opgevangen.

De Koning zal daartoe deze beperking voor andere bepaalde categorieën en voor een bepaalde periode kunnen uitbreiden. Hij zal eveneens deze beperking niet van toepassing kunnen verklaren.

Voorts zal het voldoende zijn om een eerste maandelijkse bijdrage te betalen om een sociale identiteitskaart inzake verzekering voor geneeskundige verzorging te verkrijgen, die gedurende een jaar recht geeft op de vergoeding van verzorging en geneesmiddelen. De bedragen van die bijdragen zullen worden herzien om de personen met het laagste inkomen te beschermen. Zo zal U later worden voorgesteld om de voor deze personen verschuldigde maandelijkse persoonlijke bijdrage vast te stellen op nul frank. Voor diezelfde personen wordt de wachttiijd afgeschaft. Ten slotte wordt het toegangsrecht afgeschaft voor alle verzekerden.

Samengevat en om terug te keren tot het bijzondere geval dat hiervoor als voorbeeld is vermeld, zal de persoon zonder vaste woonplaats contact moeten opnemen met een O.C.M.W. om een referentie-adres te verkrijgen, alsook de sociale hulp waarop hij recht heeft, en zal hij ook contact moeten opnemen met een ziekenfonds om verzorging te krijgen die door de sociale zekerheid wordt vergoed.

Bijna 100.000 personen zijn vandaag in België volledig uitgesloten uit het verzorgingssysteem. In 1998 zou deze situatie moeten worden opgelost. Er zijn nog tienduizenden personen die slechts toegang tot geneeskundige verzorging hebben omdat de residuaire sociale hulp de kosten voor verzorging, geneesmiddelen, ziekenhuisverpleging en bijdragen ten laste neemt. Die financiële last wordt gedragen ten nadele van het beleid inzake sociale en beroepsintegratie. Met de inwerkingtreding van de hervorming van de verzekerbaarheid zal de sociale zekerheid het grootste gedeelte van die financiële last voor haar rekening nemen, om voor eenieder de toegang tot een echt sociaal-economisch burgerschap in de hand te werken. Deze hervorming van de verzekerbaarheid zorgt, in de geest van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, voor een versterking van de plaats, rol en efficiëntie van de sociale zekerheid ten einde de sociale samenhang van het land te garanderen.

Het laatste element van de hervorming van de verzekerbaarheid vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 41 van de voormelde wet van 26 juli 1996, die de Koning de mogelijkheid biedt om alle nuttige maatregelen te nemen met het oog op de veralgemening en het gebruik van een sociale identiteitskaart.

Het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de bovengenoemde wet bepaalt in zijn artikel 2, vierde lid dat de sociale identiteitskaart elektronisch leesbare gegevens bevat van persoonlijke aard met name met betrekking tot het identificatienummer van het ziekenfonds van de sociaal verzekerde, zijn aansluitings- of inschrijvingsnummer bij een verzekeringsinstelling, de begin- en einddatum van verzekerbaarheid inzake de verplichte verzekering, de aanduiding van zijn statuut inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen alsmede een aanduiding van het recht van de sociaal verzekerde op de sociale franchise.

Artikel 3 van het voormeld koninklijk besluit bepaalt eveneens dat de verzekeringsinstellingen belast zijn met het uitreiken van die sociale identiteitskaart. Alle sociaal verzekerden die aangesloten of ingeschreven zijn bij een verzekeringsinstelling zullen dus een sociale identiteitskaart ontvangen ongeacht hun verzekerbaarheidstoestand.

Tijdens de voorbereidende besprekingen over de invoering van de sociale identiteitskaart en dit hervormingsontwerp, hebben de verzekeringsinstellingen en het R.I.Z.I.V. besloten dat het, met het oog op de administratieve vereenvoudiging en de duidelijkheid voor de sociaal verzekerde, passend was de sociale identiteitskaart en de huidige verzekeringskaart voor de geneeskundige verzorging tot één kaart samen te smelten, zodat de uitgave van een nieuw document en de bijbehorende kosten vermeden kunnen worden. Hiervoor is het van belang te zorgen voor een grotere stabiliteit van de verzekerbaarheidsvoorwaarden.

In het koninklijk besluit dat U is voorgelegd, is aldus bepaald dat het jaarrecht dat aan elke rechthebbende op geneeskundige verzorging is toegekend, geldt voor een kalenderjaar.

Deze bepaling vult de huidige hervormig aan en beoogt te waarborgen dat de inschrijving van een verzekerde bij een verzekeringsinstelling geldig blijft tot twee jaar na de uiterste datum waarop het recht nog bestond. Verder voert ze een parallellisme in tussen de periode van verzekerbaarheid en de referteperiode voor de toepassing van sommige bestaande rechten inzake verzekering voor geneeskundige verzorging, zoals het recht op de sociale franchise.

De noodzakelijke coördinatie van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zal later worden uitgevoerd op grond van arti kel 52 van voormelde wet van 26 juli 1996.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Sociale zaken, Mevr. M. DE GALAN

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 15 april 1997 door de Minister van Sociale Zaken verzocht haar, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende maatregelen om de toegang tot de regeling inzake verzekering voor geneeskundige verzorging te veralgemenen en te versoepelen, in het bijzonder voor de sociaal-economisch achtergestelde groepen, ter uitvoering van artikel 11, 2°, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels", heeft op 17 april 1997 het volgende advies gegeven : Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan.

In het onderhavige geval luidt die motivering als volgt : « Cette urgence est motivée par le fait que d'une part, en raison du contexte financier et de la complexité administrative et juridique de l'assurance-soins de santé obligatoire, les discussions menées en vue de la réforme de l'assurabilité furent compliquées et longues alors que les pouvoirs accordés au Roi en application de l'article 11, 2°, de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, expirent le 30 avril 1997 et que d'autre part les organismes assureurs chargés d'appliquer les nouvelles dispositions doivent être informés sans retard afin de pouvoir adapter leurs programmes informatiques et de garantir à tous les assurés sociaux le renouvellement de leur carte d'assurance avant le 1er juillet 1997. ».

Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot « het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan ».

Dat onderzoek noopt tot het maken van de volgende opmerkingen : STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP 1. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit bevat in essentie twee categorieën maatregelen. De eerste categorie maatregelen heeft betrekking op de zogeheten « Residuaire stelsels » inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging. Teneinde te komen tot een vereenvoudiging van die verzekering wordt in het ontwerp een einde gemaakt aan het bestaan van de residuaire stelsels, wat inhoudt dat de betrokken personen moeten worden geïntegreerd hetzij in het algemene verzekeringsstelsel voor de werknemers, hetzij in de regeling voor de zelfstandigen. Voorts worden wijzigingen mogelijk gemaakt op het vlak van de vereiste wachttijd en de persoonlijke bijdragen. Zo zal de wachttijd enkel nog moeten worden doorlopen door gerechtigden die tot het betalen van persoonlijke bijdragen gehouden zijn en wordt de mogelijkheid geschapen om, door middel van een uitvoeringsbesluit, personen met een inkomen dat een bepaalde grens niet overstijgt, vrij te stellen van het betalen van de betrokken bijdragen.

Een maatregel welke vermits hij een algemene draagwijdte heeft en niet beperkt blijft tot de residuaire stelsels, van een andere aard is, bestaat erin dat het jaarlijks recht op geneeskundige verzorging voortaan met een kalenderjaar samenvalt. Deze wijziging hangt volgens de gemachtigde van de regering samen met de veralgemeende invoering van de sociale identiteitskaart. 2. Blijkens het eerste lid van de aanhef van het ontwerp kan een rechtsgrond ervoor worden gevonden in de artikelen 11, 2°, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. 2.1. Artikel 11, 2°, van de voornoemde wet van 26 juli 1996 luidt als volgt : « De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, in de bepalingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, alle nuttige wijzigingen aanbrengen teneinde : 2° de toegang tot het stelsel van geneeskundige verzorging te veralgemenen en te versoepelen, inzonderheid voor de sociaal-economisch achtergestelde bevolkingsgroepen; Uit de parlementaire voorbereiding van deze bepaling blijkt dat eraan de bedoeling heeft ten grondslag gelegen op « de nog overblijvende regelingen in het algemene stelsel te integreren » (1) en dat ermee tevens naar het harmoniseren (2) van de diverse stelsels inzake de verzekering voor geneeskundige verzorging is gestreefd, waarbij dat streven zelfs niet noodzakelijk en uitsluitend betrekking hoeft te hebben op de sociaal-economisch achtergestelde bevolkingsgroepen waarvan sprake in artikel 11, 2°, van de voornoemde wet van 26 juli 1997.

Gelet op de draagwijdte van het merendeel van de bepalingen van het ontwerp kan dit worden geacht een voldoende rechtsgrond te putten uit artikel 11, 2°, van de betrokken wet van 26 juli 1996. Enkel voor wat de hierna onder punt 2.2 vermelde bepalingen betreft, lijkt de laatsgenoemde wetsbepaling echter geen rechtsgrond te kunnen bieden. 2.2. Sommige bepalingen van het ontwerp hebben niet zozeer betrekking op de toegang tot het stelsel van geneeskundige verzorging als zodanig, doch strekken tot een administratieve vereenvoudiging welke niet in artikel 11, 2°, van de meermaals genoemde wet van 26 juli 1996 kan worden ingepast. De desbetreffende bepalingen van het ontwerp zijn die welke het jaarlijks recht op geneeskundige verzorging doen samenvallen met het kalenderjaar of die daarmee in verband staan (zie de ontworpen artikelen 122 en 123, inleidende zin, van de gecoördineerde wet en, voor zover zij door dat aspect van de regeling is ingegeven, de onvergangsbepaling van artikel 11 van het ontwerp).

Wellicht om die reden wordt in het eerste lid van de aanhef ook aan artikel 41 van de wet van 26 juli 1996 gerefereerd als biedende een rechtsgrond voor het ontwerp.

Deze laatste wetsbepaling luidt als volgt : « De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen treffen met het oog op de veralgemening en het gebruik van een sociale identiteitskaart, waarop het identificatienummer van de sociale zekerheid, dat de sociaal verzekerde op een ondubbelzinnige wijze identificeert, vermeldt wordt en ten aanzien van de wijze waarop deze kaart in het kader van de toepassing van de sociale zekerheid en het arbeidsrecht de sociaal verzekerde in staat stelt zijn rechten te laten gelden en de verplichtingen na te komen.

De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen treffen om de kwaliteit van de gegevens vermeld op deze kaart te waarborgen. ».

Door de gemachtigde van de regering werd verduidelijkt dat de maatregelen welke in het ontwerp zijn vervat en welke in verband staan met de duurtijd van het jaarlijks recht op geneeskundige verzorging moeten worden begrepen in het licht van de veralgemening en het gebruik van de sociale identiteitskaart. Opdat evenwel het verband tussen de betrokken bepalingen van het ontwerp en het aangehaalde artikel 41 van de wet van 26 juli 1996 duidelijker tot uiting zou komen en er met andere woorden niet over zou kunnen worden getwijfeld dat deze laatste bepaling wel degelijk van aard is een voldoende rechtsgrond te bieden voor het betrokken aspect van de ontworpen regeling, verdient het aanbeveling om in het verslag aan de Koning een meer substantiële toelichting te geven omtrent de precieze bedoeling welke aan de desbetreffende bepalingen van het ontwerp ten grondslag ligt. 3. Uit de sub 1 beschreven strekking van het ontwerp blijkt dat daarin een aantal vrij technische aangelegenheden wordt geregeld.Het zou dan ook aanbeveling verdienen het verslag aan de Koning aan te vullen met een artikelsgewijze en verduidelijkende bespreking van de diverse maatregelen welke het ontwerp bevat. Aldus zal het verslag aan de Koning meer bijdragen tot een beter begrip van de ontworpen regeling dan nu het geval is. De aan de Raad van State, afdeling wetgeving, toegezonden tekst van het verslag aan de Koning beperkt zich immers tot louter een algemene omschrijving van de met het ontwerp nagestreefde doeleinden.

ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef 1. Naar het zeggen van de gemachtigde van de regering werd de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging met toepassing van artikel 15, tweede lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, om een spoedeisend advies verzocht en werd op 7 april 1997 door de Algemene raad over het ontwerp beraadslaagd. Tijdens de betrokken vergadering van de Algemene raad werd evenwel niet het aanwezigheidsquorum bereikt dat is vereist voor een geldige beraadslaging. Omwille van de duidelijkheid op het vlak van de doorlopen administratieve procedure verdient het dan ook aanbeveling om in de aanhef van het ontwerp niet algemene verwijzing te maken naar artikel 15 van de wet van 25 april 1963 en voor het overige geen melding te maken van het feit dat de Algemene raad wel degelijk om advies is verzocht, doch wel om uitdrukkelijk te refereren aan artikel 15, tweede lid, van de voornoemde wet, en in aansluiting daarop een lid in de aanhef in te voegen waarin wordt vermeld in welke omstandigheden de Algememe raad tot zijn advies is gekomen. 2. Het advies van de Inspectie van Financiën werd op 4 april 1997 uitgebracht en niet op 7 april 1997, zoals verkeerdelijk wordt vermeld in de Nederlandse tekst van het vijfde lid van de aanhef, welke derhalve op dat punt zal moeten worden gecorrigeerd. Artikel 1 1. Het ontworpen artikel 32, eerste lid, 15°, van de gecoördineerde wet, sluit een aantal categorieën personen uit van het recht op de in titel III, hoofdstuk III, van dezelfde wet, omschreven verstrekkingen. Tevens behoudt de Koning zich de bevoegdheid voor om, bij een in Ministerraad overlegd besluit, te bepalen dat de voornoemde uitsluiting niet of mede geldt voor sommige categorieën van personen, waarbij Hij kan voorschrijven dat de inperking of de uitbreiding van de uitsluiting slechts voor een welomschreven periode zal gelden. Het ontwerp voorziet evenwel niet in criteria met toepassing waarvan de Koning deze bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Deze laatste komt op dat punt derhalve als te weinig afgebakend over.

Daarenboven rijst de vraag of de aldus omschreven bevoedgheid van de Koning voldoende waarborgen biedt op het vlak van de eerbiediging van het gelijkheids- en het niet-discriminatiebeginsel. Deze vraag lijkt trouwens even pertinent voor wat de uitsluiting betreft van de categorieën personen, vermeld in het ontworpen artikel 32, eerste lid, 15°, van de gecoördineerde wet. Alhoewel het uiteindelijk enkel aan het Arbitragehof zal toekomen om erover te oordelen of de voornoemde uitsluiting en 's Konings bevoegdheid terzake in overeenstemming zijn met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, eenmaal de ontworpen regeling door de wetgever zal zijn bekrachtigd, kan het niettemin nuttig zijn dat nu reeds in het verslag aan de Koning duidelijk zou worden aangegeven welke objectieve en in redelijkheid verantwoorde motieven vallen aan te wijzen voor de regeling die is vervat in het tweede en het derde lid van het ontworpen artikel 32, eerste lid, 15°, van de gecoördineerde wet. 2. In fine van de eerste zin van het ontworpen artikel 32, tweede lid, van de gecoördineerde wet (artikel 1.2 van het ontwerp), dient te worden geschreven « ... en onder de in het eerste lid, 20°, bedoelde « kinderen van de gerechtigden » wordt verstaan ».

Artikel 8 Artikel 8.1 van het ontwerp beoogt artikel 191, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet, te wijzigen. De Raad van State, afdeling wetgeving, stelt evenwel vast dat artikel 1, 3°, van het ontwerp van koninklijk besluit waarover heden het advies L. 26.327/1 wordt uitgebracht (3), punt 3° van artikel 191, eerste lid, van de gecoördineerde wet, beoogt op te heffen (4). De beide ontwerpen zullen wat dat betreft beter op elkaar moeten worden afgestemd.

Artikel 11 Voor zover in artikel 11, § 4, van het ontwerp, dezelfde personen worden bedoeld als die welke in de daaraan voorafgaande paragrafen worden beoogd, dient dezelfde terminologie te worden gebruikt. In dat geval gewage men in artikel 11, § 4, van « gerechtigden » (Fr. : « titulaires ») en niet van « rechthebbenden » (Fr. : « bénéficiaires »).

De kamer was samengesteld uit : De heren : J. De Brabandere, kamervoorzitter;

M. Van Damme, D. Albrecht, straatsraden;

Mevr. A. Beclers, griffier.

De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. D. Albrecht.

Het verslag werd uitgebracht door Mevr. R. Thielemans, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de H. J. Drijkoningen, referendaris.

De griffier, A. Beckers.

De voorzitter, J. De Brabandere.

(1) Gedr.St., Kamer van volksvertegenwoordigers, 1995-1996, nr. 607/9, blz. 210. (2) Voor het gebruik van die term zie Gedr.St., Kamer van volksvertegenwoordigers, 1995-1996, nr. 607/1, memorie van toelichting, blz. 10. (3) Het betreft het ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van de verzekeringsinkomsten in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen". (4) In tegenstelling tot wat het geval is voor artikel 8.1 van het voorliggende ontwerp, dat normaliter in werking zal treden op 1 januari 1998, voorziet het ontwerp L. 26.327/1 niet in een speciefieke datum van inwerkingtreding voor artikel 1, 3°, ervan.

25 APRIL 1997. - Koninklijk besluit houdende maatregelen om de toegang tot de regeling inzake verzekering voor geneeskundige verzorging te veralgemenen en te versoepelen, in het bijzonder voor de sociaal- economisch achtergestelde groepen, ter uitvoering van de artikelen 11, 2°, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op de artikelen 11, 2°, 41 en 49;

Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op de artikelen 32, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, 33, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, 121, 122, 123, 124, 125, 191 en 192 zoals deze tot nog toe zijn gewijzigd en 203;

Gelet op het advies, uitgebracht door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging op 7 april 1997;

Gelet op artikel 15, tweede lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;

Gelet op de onmogelijheid van de Algemene raad om een advies uit te brengen omdat het vereiste aantal leden om geldig te kunnen beraadslagen, niet is bereikt;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, uitgebracht op 4 april 1997;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd doordat, eensdeels, wegens de financiële context en de administratieve en juridische complexiteit van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, de besprekingen met het oog op de hervorming van de verzekerbaarheid ingewikkeld en lang waren, terwijl de machtiging die aan de Koning is verleend met toepassing van artikel 11, 2°, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, verstrijkt op 30 april 1997, en, anderdeels, de verzekeringsinstellingen die ermee belast zijn de nieuwe bepalingen toe te passen, onverwijld moeten worden ingelicht om hun informaticaprogramma's te kunnen aanpassen en om de vernieuwing van de verzekeringskaart te kunnen waarborgen voor alle verzekerden vóór 1 juli 1997;

Gelet op het advies van de Raad van State, uitgebracht op 17 april 1997 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 32 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In het eerste lid worden de punten 12° tot 16° vervangen door de volgende bepalingen: « 12°.de door de Koning bepaalde personen op wie het decreet van 4 augustus 1959 tot vervanging van het decreet van 5 september 1955 op de verzekering voor gezondheidszorg van de administratieve en militaire ambtenaren en gewezen ambtenaren, van de beroepsmagistraten en gewezen beroepsmagistraten, van de ambtenaren en gewezen ambtenaren van de rechterlijke orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, van toepassing was voor 1 januari 1994; 13°. de personen die wegens hun gezondheidstoestand als ongeschikt zijn erkend om arbeid ter verkrijging van inkomen te verrichten; 14°. de studenten die onderwijs van het derde niveau volgen in een instelling voor dagonderwijs. De Koning stelt de verplichtingen vast waaraan die instellingen moeten voldoen om de opsporing van de verzekeringsplichtigen mogelijk te maken; 15°. de andere dan de in artikel 33 opgesomde personen die zijn ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen.

Zijn evenwel uitgesloten: - de personen die recht hebben of kunnen hebben op geneeskundige verzorging krachtens een andere Belgische of buitenlandse regeling inzake verzekering voor geneeskundige verzorging; - de vreemdelingen die niet van rechtswege tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk zijn toegelaten of die niet zijn gemachtigd tot vestiging of tot een verblijf van meer dan zes maanden.

De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de bovenvermelde uitsluiting voor bepaalde categorieën en eventueel voor een bepaalde periode niet van toepassing verklaren of uitbreiden. 16°. de weduwnaars en weduwen van de voornoemde gerechtigden; 17°. de personen ten laste van de onder 1° tot 16° en 20° bedoelde gerechtigden; 18°. de personen ten laste van de onder 1° tot 16° en 20° bedoelde gerechtigden die hun legerdienst doen; 19°. de personen ten laste van de werknemers van Belgische nationaliteit die onder een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid vallen wanneer zij in België zijn of terugkomen terwijl die werknemers hun legerdienst doen; 20°. de kinderen van de onder 1° tot 16° bedoelde gerechtigen, die volle wezen zijn en recht geven op kinderbijslag. »; 2. Het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling: « De Koning stelt vast wat onder « gecontroleerde werkloosheid », onder « persoon ten laste » en onder de in het eerste lid, 20°, bedoelde « kinderen van de gerechtigden » wordt verstaan.Hij stelt eveneens bij in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden vast waaronder de in het eerste lid, 13° tot 15°, bedoelde personen als rechthebbenden op tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging en inzonderheid van de verhoogde tegemoetkoming van de verzekering worden beschouwd en Hij bepaalt de volgorde inzake voorrang van de verschillende in het eerste lid opgesomde hoedanigheden, alsmede de voorwaarden waaronder de persoon ten laste voor de hoedanigheid van gerechtigde mag opteren. ».

Art. 2.In artikel 33, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 november 1996, worden de punten 3° tot 6° opgeheven.

Art. 3.Artikel 121 van dezelfde gecoördineerde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 121.§ 1. De gerechtigden omschreven in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° en 20°, hebben voor henzelf en voor de personen te hunnen laste recht op prestaties bedoeld in titel III. De Koning bepaalt het of de bijdragebescheid(en) volgens welke de hoedanigheid van gerechtigde wordt vastgesteld, alsook de frekwentie volgens welke dit of deze bijdragebescheid(en) aan de verzekeringsinstelling moet(en) worden overgemaakt. § 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de gerechtigden omschreven in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° en 20°, en die persoonlijke bijdragen betalen, een wachttijd zullen moeten volbrengen alvorens recht te verkrijgen op deze prestaties. Hij bepaalt de refertedatum die in aanmerking moet genomen worden voor het bepalen van het begin van de wachttijd. De duur van deze wachttijd bedraagt maximum 6 maanden.

De Koning kan de gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, evenwel vrijstellen van de wachttijd, onder de voorwaarden die Hij bepaalt.

De bijdragen verschuldigd voor de sector geneeskundige verzorging moeten voor de duur van die wachttijd betaald zijn.

Die bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld.

De Koning bepaalt eveneens de wijze waarop het bewijs van die betalingen moet worden geleverd. ».

Art. 4.Artikel 122 van dezelfde gecoördineerde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 122.De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de gerechtigden wier recht ingaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 121, dat recht voor henzelf en voor de personen te hunnen laste behouden tot 31 december van het jaar dat volgt op dat tijdens hetwelk het recht ingaat. ».

Art. 5.Artikel 123 van dezelfde gecoördineerde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 123.De in artikel 122 bedoelde gerechtigden kunnen voor henzelf en de personen te hunnen laste de in titel III bedoelde prestaties een jaar lang blijven genieten, dat is tussen 1 januari en 31 december van hetzelfde jaar, als zij voor het tweede kalenderjaar dat aan het begin van die periode voorafgaat, refertejaar geheten: - hetzij aan hun verzekeringsinstelling onder de voorwaarden, bepaald door de Koning, bijdragebescheiden hebben overhandigd waarvan de waarde een minimumbedrag, bepaald door de Koning, bereikt of die de onder de voorwaarden, door Hem vastgesteld bij in Ministerraad overlegd besluit, eventueel vervolledigd worden met persoonlijke bijdragen; - hetzij aan hun verzekeringsinstelling persoonlijke bijdragen hebben betaald die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit zijn vastgesteld.

De gerechtigden en de personen te hunnen laste die met toepassing van deze gecoördineerde wet vrijgesteld zijn van de betaling van bijdragen, blijven de in titel III bedoelde prestaties genieten gedurende de in het eerste lid bedoelde periode.

De Koning stelt bij in Ministerraad overlegd besluit de tijdvakken en de situaties vast die worden beschouwd als zijnde gedekt door bijdragen die, pro rata temporis, het in het eerste lid bedoelde minimumbedrag bereiken. ».

Art. 6.Artikel 124 van dezelfde gecoördineerde wet wordt vervangen door de volgende bepaling: « De Koning kan afwijkingen op de bepalingen van dit hoofdstuk toestaan aan de gerechtigden en de personen ten laste bedoeld in artikel 32 en 33 die niet onderworpen zijn aan de betaling der bijdragen voorzien in toepassing van artikel 32, 33 of 125. »

Art. 7.Artikel 125 van dezelfde gecoördineerde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 125.De Koning bepaalt, na advies van het Verzekeringscomité, aan welke voorwaarden de personen ten laste moeten voldoen om geneeskundige verstrekkingen te genieten en stelt bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag vast van de persoonlijke bijdragen die kunnen verschuldigd zijn voor de ascendenten ten laste.

Hij stelt eveneens bij in Ministerraad overlegd besluit de persoonlijke bijdrage vast van de in artikel 32, eerste lid, 7°, 11° en 16°, bedoelde gerechtigden die een pensioen genieten dat overeenstemt met een beroepsloopbaan die korter is dan een derde van een volledige of als zodanig beschouwde loopbaan, alsmede de bijdrage die verschuldigd is door de in artikel 32, eerste lid, 12°, bedoelde gerechtigden. ».

Art. 8.In artikel 191, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, zoals zij tot nog toe is gewijzigd, wordt het « 22° » geschrapt.

Art. 9.In artikel 192 1°, j, van dezelfde gecoördineerde wet, zoals zij tot nog toe is gewijzigd, wordt het « 22° » geschrapt.

Art. 10.In artikel 203, § 5, van dezelfde gecoördineerde wet, worden de termen « 7° tot 12° en 16° » vervangen door de termen « 7° tot 12°, 16° en 20° ».

Art. 11.§ 1. De gerechtigden die tot 30 juni 1997 recht hebben op geneeskundige verstrekkingen overeenkomstig de bepalingen die tot die datum gelden, behouden dat recht tot 31 december 1997. § 2. De in § 1 bedoelde gerechtigden die overeenkomstig de tot 30 juni 1997 geldende regels het recht op geneeskundige verstrekkingen zouden hebben verlengd hebben tot 30 juni 1998, behouden dat recht tot 31 december 1998. § 3. De gerechtigden wier recht op geneeskundige verstrekkingen ingaat of aan wie dat recht opnieuw wordt toegekend tijdens het tijdvak van 1 juli 1997 tot 31 december 1997 overeenkomstig de tot 30 juni 1997 geldende bepalingen, behouden dat recht tot 31 december 1998. § 4. De Koning kan de voorwaarden vaststellen waaronder de rechthebbenden die niet voldoen aan de bepalingen van de §§ 1 tot 3, aanspraak kunnen maken op de geneeskundige verstrekkingen tijdens het tijdvak van 1 juli 1997 tot 31 december 1998.

Art. 12.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1998, uitgezonderd artikel 11 dat in werking treedt op 1 juli 1997.

Art. 13.Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 25 april 1997.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN

^