Etaamb.openjustice.be
Decreet van 20 juli 2000
gepubliceerd op 26 augustus 2000

Decreet tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdhuizen, van ontmoetings- en accommodatiecentra, van jongeren informatiecentra en van hun federaties

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2000029296
pub.
26/08/2000
prom.
20/07/2000
ELI
eli/decreet/2000/07/20/2000029296/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

20 JULI 2000. - Decreet tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdhuizen, van ontmoetings- en accommodatiecentra, van jongeren informatiecentra en van hun federaties (1)


De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen wat volgt : TITEL I. - De erkenning HOOFDSTUK I. - De erkenning van jeugdhuizen, van ontmoetings- en accommodatiecentra en van jongeren informatiecentra Afdeling 1. - Algemene voorwaarden

Artikel 1.Om door de Regering voor onbepaalde tijd te worden erkend als jeugdhuis, ontmoetings- en accommodatiecentrum of jongeren informatiecentrum, moet de vereniging : § 1. De volgende criteria in acht nemen : 1° open staan voor alle jongeren, de rechten van de mens indachtig;2° zoals ieder verantwoordelijk persoon, de beginselen uit de universele verklaring van de rechten van de mens en het internationaal verdrag over de rechten van het kind eerbieden en naleven;3° zich als doel stellen een kritische, actieve en verantwoordelijke burgerzin te ontwikkelen, voornamelijk bij de jongeren van 12 tot 26 jaar, door zich bewust te zijn van de maatschappelijke realiteit, van de zin voor verantwoordelijkheid en van deelname aan het sociaal, economisch, cultureel en politiek leven alsook sociaal-culturele en creatieve activiteiten ontplooien en promoten;4° die methodes en technieken aanwenden die het best aangepast zijn aan de noden van het potentieel publiek en aan de verwezenlijking van het in 2° gestelde doel;5° niet erkend zijn in het raam van het decreet van 20 juni 1980 tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning van en de subsidies aan jongerenorganisaties. § 2. De volgende werkingsvoorwaarden in acht nemen : 1° activiteiten uitoefenen die overeenstemmen met het in § 1, 2°, bedoelde doel;2° een vereniging zonder winstoogmerk zijn, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 tot toekenning van de rechtspersoonlijkheid aan verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut;3° een animatieteam hebben waarvan één lid een voltijds gekwalificeerd animator-coördinator is erkend door de in artikelen 37 tot 39 bedoelde subcommissie voor kwalificatie. In afwijking hiervan kan een vereniging, voor een maximumduur van 6 jaar, toelating krijgen om collegiaal samen te werken met een team waarvan één lid een gekwalificeerd animator-coördinator is erkend door de in artikelen 37 tot 39 bedoelde subcommissie kwalificatie. Deze afwijking wordt enkel toegekend op aanvraag van de vereniging en mits eensluidend advies van de adviescommissie voor jeugdhuizen en jeugdcentra. Het aantal verenigingen dat geniet van deze afwijking mag niet meer bedragen dan 20 % van het totaal aantal verenigingen wier actieplan zal zijn erkend. De commissie draagt de verenigingen voor die van deze afwijking kunnen genieten en bepaalt, desgevallend, een volgorde op grond van door haar vastgestelde criteria; 4° over een infrastructuur beschikken die is aangepast aan de activiteiten van de vereniging en wiens beheer geheel in haar handen is op grond van hetzij een eigendomsrecht, hetzij van een contract dat haar een legitiem gebruiksrecht van de ruimten garandeert voor de verwezenlijking van haar doelstellingen;5° het exclusief recht hebben over het gebruik van een telefoonnummer;6° een burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering aangaan voor iedere activiteit van de vereniging;7° een reguliere boekhouding bijhouden en een rekening openen bij een kredietinstelling;8° zorgen voor een voortgezette opleiding van het hele animeerteam; ieder jaar minstens één personeelslid toelaten minimum 5 dagen opleiding te nemen tijdens zijn werkuren; 9° de informatie ten behoeve van de leden of gebruikers bekendmaken alsmede de regels inzake de toegang tot de activiteiten, programma's, voorzieningen en de voorwaarden om lid te worden van de vereniging.

Art. 2.Om erkend te blijven moet de vereniging uiterlijk één jaar na de betekening en bovenop de eerbiediging van de voorwaarden uiteengezet in artikel 1 en in artikelen 3 of 4 of 5 en 7, naargelang het type : - ofwel een actieplan laten erkennen zoals bedoeld in artikelen 10, vijfde lid of 11, vijfde lid of 14, vijfde lid; - ofwel partner zijn van een vereniging in het raam van zijn actieplan dat is erkend krachtens de in artikelen 16 tot 18 bedoelde bijzondere maatregelen inzake het sociocultureel gelijkekansenbeleid, het partnerschapsverband of de decentralisatie. Afdeling 2. - De bijzondere erkenningsvoorwaarden van jeugdhuizen,

ontmoetings- en accommodatiecentra en jongeren informatiecentra Onderafdeling 1. - De jeugdhuizen

Art. 3.Om de erkenning als jeugdhuis te verkrijgen en te behouden, moet de vereniging, naast de in artikelen 1 en 2 bedoelde voorwaarden : § 1. Volgend criterium eerbiedigen : een vereniging zijn die is gebaseerd op de opvang van jongeren, hun deelname aan de programmabepaling en de realisatie van gezamenlijke initiatieven van socioculturele bedrijvigheden die tegemoet komen aan de noden van het vestigingsmilieu, onder de verantwoordelijkheid van een gekwalificeerd animator-coördinator. § 2. Volgende werkingsvoorwaarden in acht nemen : 1° een raad van bestuur hebben, permanent samengesteld uit minstens eenderde bestuurders ouder dan 26 jaar;2° een vrije opvang organiseren.Hiervoor : a) moeten de openingsuren aangepast zijn aan de beschikbaarheid van het potentieel publiek;b) mag de vereniging, in geval zij lidgeld vraagt, geen belemmering vormen voor de toegang of deelname van de jongere;c) de gecumuleerde duur van de sluitingsperiode mag niet meer bedragen dan 6 weken per jaar.Bij grote verbouwingswerken mag deze periode worden verlengd tot deze werken zijn voltooid; 3° zorgen voor een actieve deelname van de jongeren in het beheer van de vereniging, met name door de oprichting van advies- en besluitvormingsstructuren die de gebruikers toelaten mee te werken aan de opzet, de realisatie, het beheer en de evaluatie van de initiatieven van de jeugdhuizen;4° een huishoudelijk reglement aannemen na voorafgaande raadpleging van de gebruikers.Daartoe wordt op de algemene vergadering gevraagd voorstellen in te dienen; 5° ieder jaar een raadgevende vergadering beleggen waaraan iedere jongere die woont in haar actiegebied, indien hij dit wenst, deelneemt net als de vertegenwoordigers van de verenigingen die er actief zijn. Deze vergadering heeft als doel het jeugdhuis zo open mogelijk op te stellen naar de bewoners van haar actieterrein en zo veel mogelijk informatie te verstrekken omtrent haar activiteiten.

Onderafdeling 2. - De ontmoetings- en accommodatiecentra

Art. 4.Om de erkenning als ontmoetings- en accommodatiecentrum te verkrijgen en te behouden, moet de vereniging, naast de in artikelen 1 en 2 bedoelde voorwaarden, volgende voorwaarden in acht nemen : 1° verblijfsactiviteiten van beperkte duur organiseren;2° jongeren opvangen in groep of individueel;3° groepen en individuen die de vereniging bezoeken met elkaar in contact brengen en zorgen voor openheid naar de lokale gemeenschap en voor multiculturele uitwisselingen;4° de jongeren informatie verstrekken omtrent de verschillende aspecten van de actieradius van de vereniging;5° de animatieteams van de onthaalde jongerengroepen, op hun verzoek, bijstaan in de realisatie van hun programma;6° vertrekken en voorzieningen hebben om minstens 50 jongeren in vol pension op te vangen en onderdak te bieden.

Art. 5.In afwijking van artikel 1, § 2, 2° en 7°, kan het centrum een activiteitenzetel zijn van een jeugdorganisatie onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, erkend in het raam van het decreet van 20 juni 1980 tot bepalingen van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdorganisaties.

In dit geval moet de vereniging een boekhouding bijhouden waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen haar financieel beheer en dat van andere centra die eveneens erkend zijn dan de in het eerste lid bedoelde jeugdorganisatie.

Onderafdeling 3. - De Jongeren informatiecentra

Art. 6.Om de erkenning als jongeren informatiecentrum te verkrijgen en te behouden, moet de vereniging, naast de in artikelen 1 en 2 bedoelde voorwaarden : § 1. Volgende voorwaarden in acht nemen : 1° een dienstverlenende vereniging zijn die de jongeren informatie en informatiemiddelen wil toeeigenen in een streven naar pluralisme, onafhankelijkheid en volledigheid;2° twee functies vervullen, namelijk : a) een technische functie, om te kunnen antwoorden op rechtstreekse vragen;b) een socioculturele functie, via de jongeren, om te komen tot een betere analyse en bewustwording van de sociale, culturele, economische en politieke elementen van hun bestaan. § 2. Volgende werkingsvoorwaarden in acht te nemen : 1° een anonieme, vrije en gratis toegang tot informatie garanderen;2° zorgen voor de opvang in haar vertrekken, met vrije toegang, minstens 46 weken per jaar, op grond van een regelmatige uurregeling en rekening houdend met de school- of beroepsactiviteiten van de jongeren.

Art. 7.In afwijking van artikel 1, § 2, 2° en 7°, kan het centrum een activiteitenzetel zijn van een jeugdorganisatie onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, erkend in het raam van het decreet van 20 juni 1980 tot bepalingen van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdorganisaties.

In dit geval moet de vereniging een boekhouding bijhouden waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen haar financieel beheer en dat van andere centra die eveneens erkend zijn dan de in het eerste lid bedoelde jeugdorganisatie. HOOFDSTUK II. - De erkenning als federatie

Art. 8.Om de erkenning als federatie te verkrijgen en te behouden, moet een vereniging volgende voorwaarden eerbiedigen : 1° zorgen voor de vertegenwoordiging van de in het raam van onderhavig decreet erkende verenigingen;2° ten behoeve van voornoemde zorgen voor coördinatie, informatie-advies, stimuleren van nieuwe initiatieven, opleidingen en pedagogische begeleiding;3° minstens in een federatie verenigen : a) hetzij vijftien erkende jeugdhuizen;b) hetzij vijf erkende ontmoetings- en accommodatiecentra;c) hetzij vijf erkende jongeren informatiecentra. Deze tehuizen en centra moeten minstens in vier van de volgende zes gebieden ondergebracht zijn : de provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Luxemburg, Namen, Luik met uitzondering van de gemeenten bedoeld in artikel 5 van de wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van het tweetalig gewest Brussel-Hoofdstad.

Indien meerdere federaties onder hun leden eenzelfde jeugdhuis, eenzelfde ontmoetings- en accommodatiecentrum of eenzelfde jongeren informatiecentrum tellen, duidt dit centrum de federatie aan bij wie het lid is om de in het eerste lid, 3°, bedoelde telling te verrichten. HOOFDSTUK III. - De procedure voor de toekenning en de intrekking van de erkenning

Art. 9.De Regering legt, na advies van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra, de procedures vast voor de toekenning en intrekking van de erkenning die minstens voorzien in : 1° de wijzen voor de indiening van de erkenningsaanvraag;2° de mogelijkheid voor de vereniging om beroep aan te tekenen tegen de weigering of intrekking van de erkenning alsook de vormen en termijnen hiervoor;3° de raadgevende bevoegdheid van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra inzake beroepszaken;4° de mogelijkheid voor de vereniging om te worden gehoord tijdens een beroepsprocedure;5° de wijzen (vormen en termijnen) volgens dewelke de beslissingen moeten worden genomen inzake de toekenning, intrekking of weigering van een erkenning of een beroep. TITEL II. - De goedkeuring van het actieplan van de jeugdhuizen, de ontmoetings- en accommodatiecentra en de jongeren informatiecentra HOOFDSTUK I. - De goedkeuring van het actieplan Afdeling 1. - De erkenning van het actieplan van het jeugdhuis

Art. 10.Het vierjaarlijks actieplan van het jeugdhuis definieert de socioculturele en economische leefomgeving van het jeugdhuis, de opdrachten die zij wenst te volbrengen, haar prioritaire doelstellingen alsook de middelen die moeten worden aangewend om deze doelstellingen te realiseren.

Het actieplan wordt erkend als niveau J.H.1, J.H.2 of J.H.3, naargelang het aantal socioculturele activiteiten, collectieve initiatieven, uren dat de jongeren worden opgevangen en de nagestreefde doelstellingen. De socioculturele activiteit is een regelmatig of tijdelijk initiatief van educatieve of recreatieve aard.

Het collectief initiatief wordt gerealiseerd in meerdere fasen en in groep uitgewerkt en concreet uitgevoerd.

Opdat het actieplan zou worden erkend als niveau J.H.1, moet het jeugdhuis minstens : 1° 26 socioculturele activiteiten per maand organiseren in samenwerking met de jongeren en met een minimum van 3 activiteiten per week;2° zorgen dat de jongeren worden opgevangen en toegang krijgen tot de verschillende door het jeugdhuis georganiseerde activiteiten met een minimum van 1600 uren per jaar, verdeeld over minstens 20 uren per week;3° jaarlijks 3 collectieve acties ondernemen;4° jaarlijks minstens drie activiteiten organiseren waaraan de plaatselijke bevolking kan deelnemen. Opdat het actieplan zou worden erkend als niveau J.H.2, moet het jeugdhuis minstens : 1° 18 socioculturele activiteiten per maand organiseren in samenwerking met de jongeren en met een minimum van 2 activiteiten per week;2° zorgen dat de jongeren worden opgevangen en toegang krijgen tot de verschillende door het jeugdhuis georganiseerde activiteiten met een minimum van 1200 uren per jaar, verdeeld over minstens 15 uren per week;3° jaarlijks 2 collectieve acties ondernemen;4° jaarlijks minstens twee activiteiten organiseren waaraan de plaatselijke bevolking kan deelnemen. Opdat het actieplan zou worden erkend als niveau J.H.3, moet het jeugdhuis minstens : 1° 10 socioculturele activiteiten per maand organiseren in samenwerking met de jongeren en met een minimum van één activiteit per week;2° zorgen dat de jongeren worden opgevangen en toegang krijgen tot de verschillende door het jeugdhuis georganiseerde activiteiten met een minimum van 800 uren per jaar, verdeeld over minstens 10 uren per week;3° jaarlijks 1 collectieve acties ondernemen;4° jaarlijks minstens één activiteit organiseren waaraan de plaatselijke bevolking kan deelnemen. Bij grote verbouwingswerken, mag een jeugdhuis gesloten blijven totdat deze werken voltooid zijn. Deze periode waarbij het centrum geheel of gedeeltelijk gesloten is, geeft geen gevolgen voor de evaluatie. Afdeling 2. - De goedkeuring van het actieplan van het ontmoetings- en

accommodatiecentrum

Art. 11.Het vierjaarlijks actieplan van het ontmoetings- en accommodatiecentrum definieert de kwaliteit van de opvang, de infrastructuur, de bijdrage van het centrum tot de verwezenlijking van de activiteiten van de onthaalde groepen alsmede de versterking van de regionale integratie.

Het actieplan wordt erkend in niveau O.A.C.1, O.A.C2 of O.A.C.3, naargelang het aantal lokalen, de duur van de sluitingsperioden, de bezettingsgraad en de nagestreefde doelstellingen.

Opdat het actieplan zou worden erkend in niveau O.A.C.1, moet het ontmoetings- en accommodatiecentrum minstens : 1° beschikken over 3 activiteitenlokalen, naast de opvang-, eet- en slaapzalen;2° de jaarlijkse sluitingsperioden beperken tot 6 weken;3° een bezettingsgraad hebben van minstens 40 %, hetzij in overnachtingen hetzij in dagactiviteiten, berekend op basis van 323 dagen per jaar en maximum 100 bedden. Opdat het actieplan zou worden erkend in niveau O.A.C.2, moet het ontmoetings- en accommodatiecentrum minstens : 1° beschikken over 2 activiteitenlokalen, naast de opvang-, eet- en slaapzalen;2° de jaarlijkse sluitingsperioden beperken tot 9 weken;3° een bezettingsgraad hebben van minstens 35 %, hetzij in overnachtingen hetzij in dagactiviteiten, berekend op basis van 302 dagen per jaar en maximum 100 bedden. Opdat het actieplan zou worden erkend in niveau O.A.C.3, moet het ontmoetings- en accommodatiecentrum minstens : 1° beschikken over één activiteitenlokaal, naast de opvang-, eet- en slaapzalen;2° de jaarlijkse sluitingsperioden beperken tot 12 weken;3° een bezettingsgraad hebben van minstens 30 %, hetzij in overnachtingen hetzij in dagactiviteiten, berekend op basis van 281 dagen per jaar en maximum 100 bedden. Bij grote verbouwingswerken mag een centrum gesloten blijven totdat deze werken voltooid zijn. Deze periode waarbij het centrum geheel of gedeeltelijk gesloten is, geeft geen gevolgen voor de evaluatie.

Voor de berekening van de in het derde lid, 3°, het vierde lid, 3° en het vijfde lid, 3°, bedoelde graden telt een dag voorgegaan of gevolgd door een nacht als een geheel, zoals een nacht alleen of een dag alleen.

Art. 12.De schoolactiviteiten, met name de bosklassen en gelijkaardige verblijven, mogen niet meer dan 50 % omhelzen van de minimumactiviteiten die in aanmerking worden genomen voor de goedkeuring van een actieplan in een bepaald niveau.

Art. 13.Het centrum mag niet meer dan 30 % van haar activiteiten wijden aan de leden van de jeugdorganisatie die is erkend in de categorie beweging in het raam van het decreet van 20 juni 1980 tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdorganisaties, of de permanente organisatie die is erkend in het raam van het decreet van 8 april 1976 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de toekenning van toelagen aan de organisaties voor permanente vorming van de volwassenen in het algemeen en aan de organisaties voor de sociaal-culturele bevordering van de arbeiders, waarbij het is aangesloten. Afdeling 3. - De goedkeuring van het actieplan van het jongeren

informatiecentrum

Art. 14.De vierjaarlijks actieplan van het jongeren informatiecentrum definieert de wijzen voor de conceptie van informatie en voor de verspreiding.

Het actieplan wordt erkend in niveau J.I.C.1, J.I.C.2 of J.I.C.3 naargelang de duur van de opvang, het aantal informatiethema's en de nagestreefde doelstellingen. De subcommissie voor overleg over jongereninformatie stelt een lijst op van de informatiedomeinen die zij ter goedkeuring voorlegt aan de Regering.

Opdat het actieplan erkend zou worden in het niveau J.I.C.1, moet het jongeren informatiecentrum minstens : 1° informatie uit 7 domeinen vergaren en bijhouden;2° zorgen voor de opvang van jongeren gedurende minstens 25 uren per week gespreid over minstens 5 dagen. Opdat het actieplan erkend zou worden in het niveau J.I.C.2, moet het jongeren informatiecentrum minstens : 1° informatie uit 6 domeinen vergaren en bijhouden;2° zorgen voor de opvang van jongeren gedurende minstens 20 uren per week gespreid over minstens 4 dagen. Opdat het actieplan erkend zou worden in het niveau J.I.C.3, moet het jongeren informatiecentrum minstens : 1° informatie uit 5 domeinen vergaren en bijhouden;2° zorgen voor de opvang van jongeren gedurende minstens 15 uren per week gespreid over minstens 3 dagen. Bij grote verbouwingswerken mag een centrum gesloten blijven totdat deze werken voltooid zijn. Deze periode waarbij het centrum geheel of gedeeltelijk gesloten is, geeft geen gevolgen voor de evaluatie. Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepaling

Art. 15.Het actieplan van een vereniging die geniet van de afwijking bedoeld in artikel 1, § 2, 3°, kan enkel worden erkend in niveau J.H.3, O.A.C.3 of J.I.C.3. HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen

Art. 16.Het actieplan van een jeugdhuis kan daarenboven in het raam van de bijzondere bepaling voor een sociocultureel gelijkekansenbeleid worden erkend indien het, in het raam van zijn actieplan, een bijzondere actie op het getouw zet voor jongeren wier economische, sociale of culturele omstandigheden minder gunstig zijn.

Deze bijzondere actie omhelst een programma van specifieke acties zoals bepaald in het derde lid en gebaseerd op een aangepaste pedagogische benadering die rekening houdt met de maatschappelijke, economische en culturele realiteit van het actiegebied van het jeugdhuis en van zijn potentieel publiek.

De subcommissie voor het sociocultureel gelijkekansenbeleid, bedoeld in artikelen 40 en 41, bepaalt welke elementen moet vervat zijn in het programma en kenmerkt de sociale problematiek alsook de sociaal-economische en culturele context die de goedkeuring van deze actie mogelijk maken in het raam van deze bepaling. Zij legt deze elementen en problematiek ter goedkeuring voor aan de Regering.

De programmeringselementen gaan met name over : 1° de realisatie van socioculturele activiteiten gebaseerd op actieve pedagogieën dewelke de socioculturele ontplooiing van de doelgroep bevorderen;2° de koppeling van de culturele actie aan de andere bijzondere dienstverleningen;3° de totstandkoming, op eigen initiatief of in partnerschapsverband, van gemeenschappelijke acties ter bevordering van de maatschappelijke veranderingen en de valorisatie van de doelgroep;4° een analyse van het interventiemilieu, rekening houdend met de jongeren en hun leefomgeving, door meer rekening te houdend met hun vragen en noden ten aanzien van het jeugdhuis;5° de realisatie van een socioculturele activiteit die kan worden aangevuld met een interculturele dynamiek en acties ten behoeve van de jongsten. De elementen die in aanmerking worden genomen om de sociale, economische en culturele context van de kansarme jongeren die het jeugdhuis bezoeken, te omschrijven zijn : 1° de schoolplicht;2° het familiaal milieu;3° de woonomstandigheden;4° de sociaal-economische omstandigheden van de jongeren;5° de kenmerken van het interventiegebied;6° de noden en behoeften van het publiek.

Art. 17.Het actieplan van een jongeren informatiecentrum kan daarenboven in het raam van de bijzondere bepaling inzake het partnerschapsverband worden erkend indien zijn actieplan samenwerkingsverbanden tot stand laat komen met één of meerdere overheden, parastatale socioculturele instellingen om de jongereninformatie bij een welbepaald publiek meer ingang te doen vinden. De adviescommissie van de jeugdhuizen en centra kan evenwel via afwijking, de regering vragen in te stemmen met andere partners.

De samenwerkingsverbanden vertalen zich in partnerschapsovereenkomsten waarin iedere instelling een aanzienlijk aandeel levert voor de verwezenlijking van het uiteindelijk doel. De overeenkomsten moeten handelen over wederkerende activiteiten omtrent jongerenvoorlichting die zijn gespreid over de duur van het vierjarenplan en een welbepaalde doelgroep beogen.

De overlegcommissie voor overleg over de jongereninformatie bepaalt welke elementen moeten vervat zitten in de partnerschapsovereenkomst (met name de uitbouw van de activiteiten van het centrum die uit dit partnerschapsverband voortvloeien) en legt deze ter goedkeuring voor aan de Regering.

Art. 18.Een vierjarenactieplan kan daarenboven worden erkend in het raam van de bijzondere bepaling inzake decentralisatie die de vereniging bewerkstelligt. Dit plan omhelst een programma van specifieke acties of diensten gericht naar jongeren of jongerengroepen wiens toegang tot de vereniging belemmert is door geografische factoren of cultureel-sociologische factoren gekoppeld aan de woonomgeving.

De adviescommissie voor jeugdhuizen en centra bepaalt welke elementen moeten vervat zitten in het programmering van de bepaling inzake de decentralisatie en de stereotypering van het publiek waarop de decentralisering van toepassing is. Deze berust immers op het feit dat de betrokken jongeren leven in andere wijken of dorpskernen dan deze waar de vereniging is gelegen. De adviescommissie legt deze elementen ter goedkeuring voor aan de Regering.

Art. 19.Het actieplan van een jeugdhuis, een ontmoetings- of accommodatiecentrum of van een jongeren informatiecentrum kan enkel worden erkend in het raam van één van de in artikelen 16 tot 18 bedoelde bepalingen en kan, tijdens de uitvoering van het vierjarenactieplan, niet genieten van een enkele toelage met betrekking tot de in artikel 44, 2°, bedoelde bijzondere bepaling. HOOFDSTUK III. - De goedkeuringsprocedure voor de actieplannen

Art. 20.Na advies van de adviescommissie voor jeugdhuizen en centra legt de Regering de procedures vast inzake de goedkeuring van de actieplannen dewelke minstens voorzien in : 1° de wijzen voor de indiening van de goedkeuringsaanvragen;2° de wijzen van het toezicht op de uitvoering van de actieplannen;3° de wijzen voor de wijziging van goedkeuringsniveau die slechts één maal tijdens de vier jaren van het actieplan mag worden doorgevoerd;4° de mogelijkheid voor de vereniging om een beroep aan te tekenen tegen de weigering of wijziging van de goedkeuring van een actieplan alsook de vormen en termijnen hiervoor;5° de raadgevende bevoegdheid van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra inzake beroepszaken;6° de mogelijkheid voor de vereniging om te worden gehoord tijdens een beroepsprocedure;7° de wijzen volgens dewelke de beslissingen moeten worden genomen inzake de goedkeuring, de wijziging van een goedkeuring of een beroep. TITEL III. - De commissie en subcommissies HOOFDSTUK I. - De adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra

Art. 21.Er wordt bij de Franse Gemeenschapsregering een adviescommissie van de jeugdhuizen en centra opgericht, hierna de commissie genoemd.

De commissie heeft tot doel : 1° adviezen te verstrekken : a) over de procedures inzake de toekenning en de intrekking van de erkenning, van de wijziging van de erkenning van de actieplannen, de schorsing van het recht op toelage en van de erkenning van de animatoren-coördinatoren en de beroepen hiertegen;b) over de dossiers ingediend door de verenigingen met het oog op hun erkenning, de goedkeuring van hun actieplannen en de wijzigingen van de erkenning hiervan;c) over de aanvragen om buitengewone toelagen die worden ingediend door erkende verenigingen;2° op eigen initiatief of op verzoek van de Regering, adviezen of voorstellen formuleren over : a) de jaar- of meerjarenplanning : - voor de verlening van erkenningen; - van de erkenningen in het raam van de bijzondere bepalingen van het decreet bedoeld in artikelen 16 tot 18; - voor de toekenning van de verschillende in artikelen 44, 46 en 47 bedoelde toelagen; b) de promotie van erkende verenigingen;3° in overleg met de Conseil de la Jeunesse d'Expression française en volgens de wijze bepaald door de Regering, op eigen intiatief of op verzoek van de Regering of van de Raad van de Franse Gemeenschap, adviezen of voorstellen formuleren met betrekking tot de beleidslijnen die gevolgen hebben voor de jeugd op plaatselijk niveau;4° zich uit te spreken over de adviezen en voorstellen die worden uitgebracht door de subcommissies voor het sociocultureel gelijkekansenbeleid en voor het overleg over de jongereninformatie;5° de follow-up van deze adviezen en voorstellen verzorgen en coördineren.De adviezen van de subcommissies worden systematisch gevoegd bij de adviezen van de commissie.

Art. 22.De commissie bestaat uit : 1° de leden, die er in zetelen en stemgerechtigd zijn, als volgt verdeeld : a) drie leden die de Conseil de la Jeunesse d'Expression française vertegenwoordigen;b) drie leden aangeduid door de Regering op basis van hun bevoegdheid in jeugdzaken;c) twee leden per erkende vereniging waarvan de meerderheid van de ledenverenigingen erkend is als jeugdhuis;d) een lid per erkende vereniging waarvan de meerderheid van de ledenverenigingen erkend is als ontmoetings- of accommodatiecentrum of als jongeren informatiecentrum;e) acht leden verdeeld onder de federaties naar rato van het aantal erkende jeugdhuizen, ontmoetings- en accommodatiecentra en jongeren informatiecentra waartoe zij respectievelijk behoren;2° de leden met raadgevende stem, namelijk : a) een vertegenwoordiger van iedere Franstalige provincie en een vertegenwoordiger van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, respectievelijk aangeduid door iedere permanente deputatie of door het College van de Franse Gemeenschapscommissie;b) drie vertegenwoordigers van het bestuur, voorgedragen door deze laatste en aangeduid door de Regering.Zij staan in voor het secretariaat.

Art. 23.De leden van de commissie worden door de Regering aangeduid op voordracht van de in artikel 22 bedoelde organen of instanties.

Art. 24.Voor ieder werkend lid stelt de Regering, onder dezelfde voorwaarden, een plaatsvervanger aan.

De plaatsvervanger neemt deel aan de werkzaamheden van de commissie in afwezigheid van het werkend lid en is stemgerechtigd. Hij ontvangt ambtshalve, ter informatie, iedere oproeping of ieder document gericht aan alle werkende leden.

Art. 25.De commissie vergadert minstens een maal per kwartaal en daarnaast op verzoek van de Regering of minstens een vijfde van de leden van de commissie.

Er kan bij de in artikel 21, tweede lid, bedoelde adviezen en voorstellen een minderheidsnota gevoegd worden. Het huishoudelijk reglement bepaalt de voorwaarden voor het opstellen van een dergelijke minderheidsnota. Deze mag in geen geval meer tekens bevatten dan de meerheidstekst.

De commissie heeft drie maand de tijd, vanaf de ontvangst van het verzoek, om de door de Regering of de Raad van de Franse Gemeenschap gevraagde adviezen of voorstellen te formuleren. Deze bepaling is niet van toepassing op de in artikelen 9, 20 en 37, vierde lid, bedoelde materies.

Indien de commissie vergadert met minder dan 1/3 van haar leden, dienen de aangenomen adviezen en voorstellen opnieuw gestemd worden als, binnen de acht werkdagen na de verzending van de notulen van de zitting, 5 leden van de commissie die tijdens de eerste vergadering voorafgaandelijk waren verontschuldigd, hierom verzoeken. De tweede stembeurt is definitief ongeacht het aantal aanwezige leden in de zitting.

De commissie neemt, bij 3/4 meerderheid van de aanwezige leden, een huishoudelijk reglement aan dat zij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt. Dit reglement begat tevens de regels inzake de werking van de subcommissies.

Art. 26.De commissie kiest, door en onder haar stemgerechtigde leden, een voorzitter die : 1° de activiteiten van de commissie plant en de commissie samenroept;2° instaat voor de vertegenwoordiging van de commissie naar buiten toe;3° toeziet op de toepassing van de beslissingen van de commissie;4° tussen twee vergaderingen in, elke nuttige maatregel treft voor de algemene opdrachten en doelstellingen van de commissie.

Art. 27.De commissie mag werkgroepen oprichten en bepaalt hiervan de opdracht en samenstelling. Deze worden voorgezeten door een lid van de commissie dat door haar wordt aangeduid.

Art. 28.Bij de vernieuwing van de mandaten maakt de commissie een activiteitenverslag op voor de Regering, de Raad en de in het raam van dit decreet erkende verenigingen.

Art. 29.De Regering installeert de commissie binnen de vier maanden na de inwerkingtreding van het decreet.

Art. 30.Om lid te worden van de commissie moet men afgevaardigd zijn door de instantie die het recht heeft om krachtens artikel 22 te worden vertegenwoordigd.

Het mandaat van de werkende en plaatsvervangende leden duurt 4 jaar; dit mandaat is hernieuwbaar.

Art. 31.§ 1. Het mandaat van de werkende leden verstrijkt : 1° op de vervaldag na 4 jaar;2° bij vrijwillig ontslag of bij overlijden;3° bij terugtrekking betekend bij het secretariaat van de commissie op initiatief van de instantie waarvan het lid de mandataris is;4° door de terugtrekking of de niet-hernieuwing van de erkenning van een vertegenwoordigde federatie die krachtens artikel 22 het recht had er te worden vertegenwoordigd;5° door verlies van het recht om te zetelen in de commissie.Dit verlies is het gevolg van de voorafgaandelijk onverantwoorde afwezigheid van het werkend of plaatsvervangend lid tijdens drie opeenvolgende vergaderingen of tijdens de helft van de jaarlijkse zittingen. Dit recht kan worden herwonnen op verzoek van de betrokken instantie en na beslissing van de commissie. § 2. Er wordt voorzien in de vervanging van het werkend of plaatsvervangend lid volgens de in artikel 24 bedoelde procedure.

De aldus te beurt gevallen mandaten van de werkende of plaatsvervangende leden zijn slechts geldig voor de resterende periode van de gewone looptijd van vier jaren.

Art. 32.De commissie neemt haar beslissingen bij gewone meerderheid van de door de aanwezigde leden uitgebrachte stemmen, voorzover 1/3 van de stemgerechtigde leden aanwezig zijn.

Art. 33.De commissie kan tijdens haar werkzaamheden personen uitnodigen wier aanwezigheid haar nuttig lijkt om de agendapunten te onderzoeken. Deze personen zijn niet stemgerechtigd.

Art. 34.De Regering verleent de commissie werkingsmiddelen of personeel.

Zij geeft haar de door haar nuttig geachte bijstand en informatie. Zij belast meer in het bijzonder de dienst jeugdzaken met het secretariaat en de betrekkingen met de betrokken besturen en met de verzending van de notulen van de commissievergaderingen naar de Regering.

Art. 35.De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de commissieleden en de adviesverlenende personen waarop deze beroep doet, presentiegelden en verplaatsingsvergoedingen. HOOFDSTUK II. - De subcommissies

Art. 36.Artikelen 24, 29 en 35 zijn mutatis mutandis van toepassing op de in artikelen 37 tot 43 bedoelde subcommissies. Afdeling 1. - De subcommissie kwalificatie

Art. 37.Er wordt, in de schoot van de commissie, een subcommissie kwalificatie opgericht, hierna de subcommissie genoemd, met als opdracht : 1° de compententie van de kandidaten voor de functie gekwalificeerd animator-coördinator erkennen;2° op eigen initiatief of op verzoek van de Regering adviezen uitbrengen betreffende de bekwaamheidsprofielen voor de bepaling van de functie gekwalificeerd animator-coördinator;3° op eigen initiatief of op verzoek van de Regering, adviezen verstrekken over de opleidingen die recht kunnen geven op een kwalificatie-erkenning. De subcommissie bepaalt de kwalificatiecriteria, de bekwaamheidsprofielen en de vereiste opleidingen die recht geven op een kwalificatie-erkenning, legt deze, na akkoord van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra, ter goedkeuring voor aan de Regering. De kwalificatie is van het type 1 wanneer de kandidaat geheel voldoet aan het profiel. De kwalificatie is van het type 2 wanneer de kandidaat voldoet aan een deel van het profiel.

De subcommissie kan volgende beslissingen nemen : 1° beslissing tot kwalificatie van het type 1 en 2;2° beslissing tot niet-kwalificatie, met toekenning van een termijn om deze kwalificatie te verkrijgen;3° beslissing tot niet-kwalificatie. Na advies van de adviescommissie voor jeugdhuizen en centra legt de Regering de procedures vast inzake de beroepen tegen de in het derde lid bedoelde beslissingen, dewelke minstens voorzien in : 1° de mogelijkheid voor de vereniging om een beroep in te dienen;2° de vormen en termijnen waarbij dit moet worden gedaan;3° de raadgevende bevoegdheid van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra inzake beroepszaken;4° de mogelijkheid voor de vereniging om te worden gehoord tijdens een beroepsprocedure;5° de vormen en termijnen volgens dewelke de beslissingen moeten worden genomen.

Art. 38.Binnen één jaar vanaf de erkenning van de vereniging of binnen de 12 maand na de aanstelling of aanduiding van de animator-coördinator, als dit gebeurt na de erkenning van de vereniging, moet zij een aanvraag om erkenning van de kwalificatie van haar animator-coördinator indienen bij de in artikel 37 bedoelde subcommissie kwalificatie.

Indien de vereniging deze aanvraag niet indient binnen de toegekende termijnen, wordt een procedure tot intrekking van de erkenning opgestart tegen haar.

Indien een beslissing tot niet-kwalificatie van de animator wordt genomen zonder dat een termijn wordt toegekend met toepassing van artikel 37, derde lid, 3° moet de vereniging binnen de 6 maanden de animator vervangen. Zoniet wordt een procedure tot intrekking van de erkenning opgestart.

Art. 39.De subcommissie is paritair samengesteld uit : 1° een vertegenwoordiger van iedere erkende federatie en overigens lid van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra;2° vertegenwoordigers van het bestuur, bij voorkeur leden van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra. De leden zijn allen stemgerechtigd. Afdeling 2. - De subcommissie sociocultureel gelijkekansenbeleid

Art. 40.Er wordt, in de schoot van de commissie, een subcommissie sociocultureel gelijkekansenbeleid opgericht, hierna de subcommissie genoemd, met als opdracht : 1° de verzoeken om advies vanwege de commissie in het raam van deze bijzondere bepaling beantwoorden; 2°aanzetten tot bezinning, voorstellen laten formuleren en projecten doen uitwerken door de jeugdhuizen die van deze bepaling genieten; 3° een advies voorbereiden over het vierjarenactieplan van iedere instelling die een bijkomstig actieplan indient, zoals voorzien in artikel 16.

Art. 41.De subcomissie is samengesteld uit : 1° twee vertegenwoordigers van iedere erkende federatie, waarvan de meederheid van de aangesloten verenigingen erkend zijn als jeugdhuizen, en leden van de adviescommissie voor jeugdhuizen en centra;2° twee vertegenwoordigers van het bestuur waarvan minstens één lid van de adviescommissie voor jeugdhuizen en centra. De leden die de federaties vertegenwoordigen, zijn stemgerechtigd; deze die het bestuur vertegenwoordigen hebben een raadgevende stem. Afdeling 3. - De subcommissie voor overleg over jongereninformatie

Art. 42.Er wordt, in de schoot van de commissie, een subcommissie voor overleg over jongereninformatie opgericht, hierna de subcomissie genoemd, met als opdracht op eigen initiatief of op verzoek adviezen uit te brengen bij de adviescommissie voor jeugdhuizen en centra aangaande ieder onderwerp dat verband houdt met de voorlichting van de jongeren van de Franse Gemeenschap, het beleid en de evolutie ter zake.

Art. 43.De subcommissie is samengesteld uit : 1° de drie leden van de commissie die de Conseil de la Jeunesse d'Expression française vertegenwoordigen;2° een vertegenwoordiger : a) van ieder erkend jongeren informatiecentrum;b) van iedere erkende federatie, waarvan het merendeel van de leden erkend is als jongeren informatiecentrum, lid van de commissie;c) iedere jeugdorganisatie of jeugdbeweging erkend in het raam van het decreet van 20 juni 1980 en wiens maatschappelijk hoofddoel bestaat in de voorlichting van de jongeren;3° twee vertegenwoordigers van het bestuur waarvan minstens één lid van de commissie. De in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde leden zijn stemgerechtigd; de in 3° bedoelde leden hebben raadgevende stem.

TITEL IV. - De toelagen HOOFDSTUK I. - De toelagen aan jeugdhuizen, ontmoetings- en accommodatiecentra en jongeren informatiecentra Afdeling 1. - De gewone toelage

Art. 44.De vereniging die is erkend als jeugdhuis, ontmoetings- en accommodatiecentrum of als jongeren informatiecentrum geniet, ten belope van de beschikbare begrotingskredieten, een gewone jaarlijkse toelage, omvattende : 1° een eerste deel dat bestaat uit : a) ongeacht het niveau waarin het vierjarenactieplan is erkend, een tegemoetkoming in de personeelskosten die, tot maximum 800 000 BEF, 85% van de uitgaven dekt voor de lonen die de vereniging ten laste neemt voor haar animator-coördinator;b) een bijkomende forfaitaire tegemoetkoming voor de bezoldiging van de animator-coördinator ten belope van 225 000 BEF of 75 000 BEF, naargelang deze respectievelijk is gekwalificeerd als type 1 of 2 overeenkomstig artikel 37, tweede lid;c) indien de vereniging beroep doet op een collegiaal team, zoals bedoeld in artikel 1, § 2, 3°, een forfaitaire tegemoetkoming van 200 000 BEF voor de onkosten die voortvloeien uit de activiteiten van dit team; d) een forfaitaire tegemoetkoming, voor de werkingsuitgaven en gekoppeld aan de tenuitvoerlegging van het actieplan, van ten minste : - 700 000 BEF indien het algemeen actieplan is erkend in het niveau J.H.1, O.A.C.1 of J.I.C.1; - 600 000 BEF indien het algemeen actieplan is erkend in het niveau J.H.2, O.A.C.2 of J.I.C.2; - 400 000 BEF indien het algemeen actieplan is erkend in het niveau J.H.3, O.A.C.3 of J.I.C.3; e) een tegemoetkoming voor de retributie die de vereniging ten laste neemt voor bijkomend technisch, administratief en cultureel personeel. De Regering bepaalt de wijzen en het bedrag van deze tegemoetkoming. 2° een tweede deel, indien haar actieplan erkend is in het raam van de bijzondere bepalingen inzake het sociocultureel gelijkekansenbeleid, het partnerschapsverband of inzake de decentralisatie bedoeld in artikelen 16 tot 18, bestaande uit een tegemoetkoming in de loonlast van een bijkomende werknemer indien de vereniging waarvan het actieplan is erkend in het raam van deze bijzondere bepalingen hierom verzoekt.De Regering bepaalt de wijzen en het bedrag van deze tegemoetkoming.

Art. 45.De Regering kan, ieder jaar, binnen de perken van de beschikbare kredieten, de in artikel 44 bedoelde bedragen aanwenden voor indexen hoger dan 1. Afdeling 2. - De toelagen voor inrichtingen en voorzieningen

Art. 46.De pas erkende vereniging geniet, ten belope van de beschikbare begrotingskredieten, een tegemoetkoming voor de eerste voorzieningen van 200 000 BEF die wordt uitbetaald in gelijke schijven : 1° de eerste schijf tijdens het jaar waarin zij haar jaarlijkse gewone toelage ontvangt;2° de tweede schijf het daaropvolgend jaar. Na 10 jaar ononderbroken gewone jaarlijkse toelagen te hebben ontvangen, krijgt de vereniging, iedere 5 jaar, ten belope van de beschikbare begrotingskredieten, een toelage van 75 000 BEF voor nieuwe voorzieningen.

Tijdens het jaar dat de vereniging een toelage krijgt voor de eerste voorzieningen of voor nieuwe voorzieningen, kan zij geen andere toelage krijgen voor inrichtingen of voorzieningen ten laste van de kredieten van de Franse Gemeenschap.

De Regering kan, ieder jaar en binnen de perken van de beschikbare kredieten, de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen aanwenden voor indexen hoger dan 1. HOOFDSTUK II. - De gewone toelage voor de federaties

Art. 47.De vereniging die erkend is als federatie geniet, ten belope van de beschikbare begrotingskredieten, van een jaarlijkse gewone toelage van 200 000 BEF. HOOFDSTUK III. - De uitbetaling, rechtvaardiging, beperking en schorsing van de toelagen

Art. 48.Vanaf 1 januari van ieder jaar en voorzover de algemene uitgavenbegroting voorafgaandelijk werd aangenomen, krijgt de Regering maximum zes maand om de gewone toelage uit te betalen.

Art. 49.De gewone toelage wordt toegekend voor een kalenderjaar en wordt verantwoord door de werkelijke uitgaven die door de vereniging zijn toegestaan tijdens het voorgaand kalenderjaar.

Ieder jaar moet de vereniging uiterlijk tegen 15 februari een overzichtstabel voorleggen aan de Regering betreffende de inkomsten en uitgaven met betrekking tot het verstreken jaar waarin de uitgaven afzonderlijk worden weergegeven volgens de onderafdelingen bedoeld in artikel 44.

De vereniging is overigens verplicht haar goedgekeurde jaarrekeningen voor te leggen aan de Regering tijdens het eerste semester van het jaar.

De vereniging is verplicht om gedurende vijf jaar alle boekhoudkundige documenten die het gebruik van de toegekende toelagen verantwoorden, bij te houden en deze ter beschikking te houden in geval van controle, overeenkomstig artikelen 55 tot 58 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.

Art. 50.Worden beschouwd als gerechtvaardigde uitgaven : 1° de in artikel 44, 1°, a), b) en c) bedoelde tegemoetkomingen : het bedrag van de jaarlijkse bruto-wedde van de betrokken werknemers, de bijdrage die de werkgever krachtens de wet op de sociale zekerheid van de werknemers moet storten en de andere lasten die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen;2° de in artikel 44, 2°, bedoelde tegemoetkoming : het bedrag van de jaarlijkse bruto-wedde van de betrokken werknemers, de bijdrage die de werkgever krachtens de wet op de sociale zekerheid voor werknemers moet storten en de andere lasten die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen inzake de aanwerving van personeel voor de uitvoering van aspecten van zijn actieplan die zijn erkend in het raam van de bijzondere bepalingen inzake het sociocultureel gelijkekansenbeleid, het partnerschapsverband of de decentralisatie, respectievelijk bedoeld in artikelen 16 tot 18. De in artikel 46, eerste en tweede lid, bedoelde tegemoetkoming worden beschouwd als gerechtvaardigde uitgaven : de uitgaven die de vereniging doet voor de aankoop van meubilair en didactisch materiaal, uitgezonderd de uitgave voor verbruiksgoederen.

De in artikel 49, tweede lid, bedoelde overzichtstabel van inkomsten en uitgaven rechtvaardigt de forfaitaire tegemoetkomingen, bedoeld in artikelen 44, 1°, c) en d), en 47 en, in afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 44, 1°, a) en b), het eerste jaar dat de vereniging ervan geniet.

Art. 51.De Regering kan, in het raam van het decreet, het recht op de toekenning van een toelage van een erkende vereniging schorsen voor een duur van één jaar of meer wanneer deze laatste een of meerdere door het decreet bepaalde erkenningscriteria niet langer eerbiedigt.

Na advies van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en centra legt de Regering de procedures vast voor de schorsing dewelke minstens voorzien in : 1° de vormen en termijnen waarbinnen de beslissingen moeten worden genomen;2° de mogelijkheid voor de vereniging om een beroep aan te tekenen tegen de beslissing tot schorsing alsmede de vormen en termijn hiervoor;3° de raadgevende bevoegdheid van de adviescommissie voor jeugdhuizen en centra in schorsings- en beroepszaken;4° de mogelijkheid voor de vereniging om te worden gehoord tijdens een beroepsprocedure. Deze schorsing is niet hernieuwbaar.

Op het einde van deze schorsing herwint de vereniging haar rechten als zij de vereiste criteria opnieuw in acht neemt. Zoniet wordt een procedure tot intrekking van de erkenning opgestart.

Art. 52.De vereniging, wiens erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 9, krijgt een laatste gewone toelage, voorzover deze is gerechtvaardigd overeenkomstig het voorschrift van artikel 50, gelijk is aan zoveel twaalfden van de gewone toelage die tijdens het voorgaand jaar werd uitbetaald dan volle maanden vanaf 1 januari tot de datum waarop haar erkenning ten einde loopt.

TITEL V. - Bescherming van de benamingen

Art. 53.Enkel de erkende verenigingen en de verenigingen die een aanvraag hebben ingediend die nog niet is behandeld, mogen de benaming « jeugdhuis », « ontmoetings- en accommodatiecentrum », « jongeren informatiecentrum », « jeugdcentrum » en gelijkaardige benamingen dragen.

Onverminderd de toepassing van andere boetes uit het Strafwetboek of bijzondere wetten, krijgt diegene die een van de in het eerste lid bedoelde benamingen een boete van 1 000 BEF tot 2 000 BEF wegens schending van deze bepaling.

Onverminderd de door of krachtens wettelijke of decretale bepalingen erkende bevoegdheid aan andere ambtenaren, wordt het statuut van officier van de gerechtelijke politie verleend aan de beëdigde agenten van niveau 1 van de Diensten van de Franse Gemeenschapsregering die deel uitmaken van de Algemene Dienst voor de Jeugd en de Permanente Opleiding en van de Dienst Jeugdzaken (en/of aangeduid door de Regering) om de in het tweede lid bedoelde inbreuken vast te stellen.

TITEL VI. - Overgangs-, opheffings- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepalingen

Art. 54.Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 1 augustus 1979, bij besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 maart 1985 en bij de besluiten van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 1995 en 14 oktober 1997;2° het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 24 april 1984 tot bepaling van de nadere regelen van de toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;3° het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 24 maart 1987 betreffende nadere regelen van de toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen, gewijzigd bij besluit van 11 juli 1989;4° het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 1995 betreffende de nadere regelen voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;5° het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 1995 betreffende de nadere regelen voor de toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;6° het ministerieel besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden waaronder de hoedanigheid van jeugdhuis kan toegekend worden aan sommige instellingen met specifiek karakter, gewijzigd door het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 1995. HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen Afdeling 1. - De goedkeuring en wijziging van het goedkeuringsniveau

van de actieplannen

Art. 55.De verenigingen, die zijn erkend in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen, zijn van rechtswege erkend voor één jaar vanaf de inwerkingtreding van het decreet.

Tijdens dit jaar krijgen deze verenigingen de tegemoetkomingen die zijn voorzien voor de verenigingen wier actieplannen zijn erkend als : 1° J.H.1, O.A.C.1 of J.I.C.1 voor de vroeger in categorie A geplaatste verenigingen; 2° J.H.2, O.A.C.2 of J.I.C.2 voor de vroeger in categorie B geplaatste verenigingen; 3° J.H.3, O.A.C.3 of J.I.C.3 voor de vroeger in categorie C geplaatste verenigingen.

Art. 56.De verenigingen die, vóór de inwerkingtreding van het decreet, in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiering van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen waren erkend en hierdoor beroep mogen doen op een collegiaal team, mogen dit blijven doen gedurende het eerste jaar van de toepassing van het decreet en dit in afwijking van de toepassing van artikel 15.

Art. 57.De verenigingen die, vóór de inwerkingtreding van het decreet, in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiering van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen erkend waren in categorie A of B en een collegiaal team ter beschikking hebben, wijken af van de toepassing van artikel 15 en worden gerangschikt per commissie, met toepassing van artikel 21, tweede lid, 2°, a), om eerst te kunnen genieten van de toepassing van artikel 44, 1°, a).

Art. 58.De verenigingen die in het raam van het het ministerieel besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden waaronder de hoedanigheid van jeugdhuis kan toegekend worden aan sommige instellingen met specifiek karakter erkend waren, zien hun actieplan van rechtswege erkend voor een duur van een jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het decreet in het raam van de bepaling inzake het sociocultureel gelijkekansenbeleid bepaald in artikel 16.

Tijdens de eerste vier jaren dat dit decreet wordt toegepast, blijven de in het eerste lid bedoelde verenigingen die een bijkomende toelage kregen, deze toelage behouden en dit ten behoeve van de enige werknemer die in het raam hiervan was aangenomen vóór de inwerkingtreding van het decreet.

Art. 59.Op het einde van de erkenningsprocedure van de verenigingen en de goedkeuring van hun actieplannen, opgestart in de loop van het eerste toepassingsjaar van het decreet, kunnen de actieplannen van de verenigingen die vroeger in categorie B of C erkend waren in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiering van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen, niet worden erkend in een niveau hoger dan respectievelijk J.H.2, O.A.C.2 en J.I.C.2 of J.H.3, O.A.C.3 en J.I.C.3.

Van de in het eerste lid gestelde bepaling kan worden afgeweken indien tegelijktijdig compenserende beslissingen worden genomen tot intrekking van de erkenning of tot declassering van het goedkeuringsniveau van het actieplan of tot verhoging van de kredieten voor de toepassing van het decreet tot meer dan de in artikel 45 bedoelde indexering. In dit geval rangschikt de commissie, volgens door haar vastgestelde criteria, de verenigingen die eerst van deze afwijking moeten genieten.

Art. 60.Tijdens de eerste vier jaren dat dit decreet van toepassing is, zal geen enkele beslissing worden genomen met het oog op hetzij de goedkeuring van een actieplan van een nieuw erkende vereniging, hetzij de goedkeuring van het actieplan van een vereniging in een niveau hoger dan datgeen waarin het zou zijn gerangschikt op het einde van de goedkeuringsprocedure ervan.

Van de in het eerste lid gestelde bepaling kan worden afgeweken indien tegelijktijdig compenserende beslissingen worden genomen tot intrekking van de erkenning of tot declassering van het goedkeuringsniveau van het actieplan of tot verhoging van de kredieten voor de toepassing van het decreet tot meer dan de in artikel 45 bedoelde indexering. In dit geval rangschikt de commissie, volgens door haar vastgestelde criteria, de verenigingen die eerst van deze afwijking moeten genieten. Afdeling 2. - De goedkeuring van de animatoren-coördinatoren

Art. 61.Een animator-coördinator die, vóór de inwerkingtreding van het decreet, is erkend « voor het hele netwerk, alle types inbegrepen » of « uitsluitend in het centrum waar de animator zijn functie vervult », krachtens het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 2 juni 1995 betreffende de nadere regelen voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiering van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen, verkrijgt van rechtswege de goedkeuring van respectievelijk type 1 of type 2, bedoeld in artikel 37, tweede lid, bij de inwerkingtreding van het decreet. Afdeling 3. - De adviescommissie voor jeugdhuizen en jeugdcentra

Art. 62.De adviescommissie voor jeugdhuizen en jeugdcentra, de erkenningscommissie en de permanente commissie voor jeugdhuizen in woonmilieu's, bedoeld in het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 en zijn wijzigingsbesluiten, blijven hun activiteiten voortzetten en oefenen, tot de installatie ervan, alle bevoegdheden uit die respectievelijk ressorteren onder de adviescommissie voor jeugdhuizen en jeugdcentra, de subcommissie kwalificatie en de subcommissie sociocultureel gelijkekansenbeleid, respectievelijk bedoeld in artikelen 21, 37 en 40. Afdeling 4. - De toelagen

Art. 63.Tijdens de eerste vier jaren dat het decreet van toepassing is, zijn de in artikel 47 bedoelde bepalingen niet van toepassing.

Art. 64.De in artikel 44, 1°, d, bedoelde jaarlijkse gewone toelagen bedragen, ten belope van de beschikbare begrotingskredieten, ten minste : 1° voor het begrotingsjaar 2000 : a) 600 000 BEF voor de vereniging erkend in categorie A in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;b) 500 000 BEF voor de vereniging erkend in categorie B in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;c) 300 000 BEF voor de vereniging erkend in categorie C in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;2° voor het begrotingsjaar 2001 : a) 625 000 BEF voor de vereniging erkend in categorie A in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;b) 525 000 BEF voor de vereniging erkend in categorie B in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen;c) 325 000 BEF voor de vereniging erkend in categorie C in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen; 3° voor het begrotingsjaar 2002 : a) 650 000 BEF voor de vereniging wiens actieplan is goedgekeurd in niveau J.H.1, O.A.C.1 of J.I.C.1; b) 550 000 BEF voor de vereniging wiens actieplan is goedgekeurd in niveau J.H.2, O.A.C.2 of J.I.C.2; c) 350 000 BEF voor de vereniging wiens actieplan is goedgekeurd in niveau J.H.3, O.A.C.3 of J.I.C.3; 4° voor het begrotingsjaar 2003 : a) 675 000 BEF voor de vereniging wiens actieplan is goedgekeurd in niveau J.H.1, O.A.C.1 of J.I.C.1; b) 575 000 BEF voor de vereniging wiens actieplan is goedgekeurd in niveau J.H.2, O.A.C.2 of J.I.C.2; c) 375 000 BEF voor de vereniging wiens actieplan is goedgekeurd in niveau J.H.3, O.A.C.3 of J.I.C.3.

Art. 65.Tijdens de eerste vier jaren dat het decreet van toepassing is of tot de in artikel 44, 2°, bedoeld bepaling in werking treedt, kunnen maximum 11 verenigingen, ten laste van de kredieten van de Franse Gemeenschap, genieten van de tegemoetkoming inzake de in artikel 16 bedoelde bepaling over het sociocultureel gelijkekansenbeleid.

Tijdens de procedure voor de hernieuwing van de erkenning en de goedkeuring van de actieplannen, opgestart in de loop van het eerste toepassingsjaar van het decreet, rangschikt de adviescommissie voor jeugdhuizen en centra, volgens door haar vastgestelde criteria, de pertinente aanvragen op basis van de prioriteit, indien hun aantal het in dit artikel vastgelegde quotum overschrijdt.

Art. 66.De verenigingen die vóór de inwerkingtreding van het decreet waren erkend in het raam van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 houdende vaststelling van de voorwaarden tot erkenning en subsidiëring van de jeugdhuizen en van de daarmee gelijkgestelde verenigingen : a) genieten niet van de toepassing van artikel 46, eerste lid, tijdens het jaar van hun eerste erkenning in het raam van het decreet;b) krijgen, als referentiedatum voor de toepassing van artikel 46 tweede lid, deze waarop zij erkend werden in het raam van dat besluit. HOOFDSTUK III. - Slotbepaling

Art. 67.Het decreet treedt in werking op 1 januari 2001, uitgezonderd artikelen 44, 1°, a), b) en c), 61 en 64, 1°, die van kracht worden op 1 januari 2000.

Verkondigen dit decreet, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad moet verschijnen.

Brussel, op 20 juli 2000.

De Minister-President, belast met Internationale Betrekkingen, H. HASQUIN De Minister van Begroting, Cultuur en Sport, R. DEMOTTE De Minister van Kinderwelzijn, belast met Lager Onderwijs, het Onthaal en de Opdrachten aan O.N.E., J.-M. NOLLET De Minister van Secundair Onderwijs, Kunsten en Letteren, P. HAZETTE De Minister van Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek, Mevr. F. DUPUIS De Minister van de Audiovisuele Sector, Mevr. C. DE PERMENTIER De Minister van Jeugdzaken, Openbaar Ambt en Onderwijs voor sociale promotie, W. TAMINIAUX De Minister van Jeugdzorg en Gezondheid, Mevr. N. MARECHAL _______ Nota (1) Zitting 1999-2000. Documenten van de Raad. - Ontwerpdecreet, nr. 88-1. - Amendementen van de Commissie, nr. 88-2. - Verslag, nr. 88-3.

Integraal verslag. - Bespreking en stemming. Zitting van 11 juli 2000.

^