Etaamb.openjustice.be
Wet van 27 december 2012
gepubliceerd op 31 december 2012

Wet tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

bron
programmatorische federale overheidsdienst wetenschapsbeleid
numac
2012021153
pub.
31/12/2012
prom.
27/12/2012
ELI
eli/wet/2012/12/27/2012021153/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)Kamer (parl. doc.)Senaat (fiche)
Document Qrcode

27 DECEMBER 2012. - Wet tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtingen hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.Het opschrift van de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt vervangen door het volgende opschrift : « Wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische-communicatienetwerken en -diensten en audiovisuele mediadiensten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad ».

Art. 3.Artikel 1 van de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zoals gewijzigd bij de wetten van 8 juli 2001, 12 mei 2003, 22 december 2003 en 16 maart 2007, wordt als volgt gewijzigd : 1° een punt 3/1 met de volgende tekst wordt toegevoegd : « 3/1.« Audiovisuele mediadienst » : een dienst die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten met als belangrijkste doel het aanbieden van programma's die het grote publiek willen informeren, vermaken en vormen via elektronische communicatienetwerken. Een audiovisuele mediadienst is ofwel een televisie-uitzending in de betekenis van punt 3/2 van dit artikel, ofwel een audiovisuele mediadienst op aanvraag in de zin van punt 3/3 van dit artikel, en/of een commerciële audiovisuele communicatie; »; 2° een punt 3/2 wordt ingevoegd, luidende : « 3/2.« televisieomroep » of « televisie-uitzending » : een lineaire audiovisuele mediadienst aangeboden door een aanbieder van mediadiensten voor het gelijktijdig bekijken van programma's op basis van een programmaschema; »; 3° een punt 3/3 wordt ingevoegd, luidende : « 3/3.« audiovisuele mediadienst op aanvraag » : een niet-lineaire audiovisuele mediadienst aangeboden door een aanbieder van mediadiensten voor het bekijken van programma's op een tijdstip dat de gebruiker zelf kiest en op individuele aanvraag op basis van een programmacatalogus opgesteld door de aanbieder van de mediadiensten; »; 4° punt 5 wordt vervangen als volgt : « 5.« programma » : een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die een afzonderlijk element vormen binnen een schema of een catalogus van een aanbieder van mediadiensten en waarvan de vorm en de inhoud vergelijkbaar zijn met die van televisieomroepen. Voorbeelden van programma's zijn bioscoopfilms, sportevenementen, sitcoms, documentaires, kinderprogramma's of originele fictie; »; 6° punt 6/1 wordt vervangen als volgt : « 6/1.« aanbieder van mediadiensten » : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de geluids- of audiovisuele inhoud van de geluids- of audiovisuele mediadiensten en die bepaalt hoe die wordt georganiseerd; »; 7° een punt 6/2 wordt ingevoegd, luidende : « 6/2.« televisieomroeporganisatie » : een aanbieder van televisieomroepmediadiensten; »; 8° een punt 6/3 wordt ingevoegd, luidende : « 6/3.« redactionele verantwoordelijkheid » : het uitoefenen van een effectieve controle over de keuze en de organisatie van de programma's in een chronologisch overzicht voor televisie-uitzendingen of in een catalogus voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag. De redactionele verantwoordelijkheid houdt niet noodzakelijk een juridische aansprakelijkheid in op grond van de nationale wet voor de inhoud of de geleverde diensten; »; 9° In punt 7 wordt het woord « televisieomroepprogramma » vervangen door « audiovisuele mediadienst »;10° In punt 8 worden de woorden « radio- of televisieomroepprogramma's » vervangen door « geluids- en audiovisuele mediadiensten »;11° In punt 9 wordt het woord « televisieomroepprogramma » vervangen door « audiovisuele mediadienst »;12° een punt 9/1 wordt ingevoegd, luidende : « 9/1.« commerciële audiovisuele communicatie » : beelden, al dan niet met geluid, die bedoeld zijn om de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent, rechtstreeks of onrechtstreeks te promoten.

Dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding, of als zelfpromotie.

Vormen van commerciële audiovisuele communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing; »; 13° in punt 11 wordt het woord « reclame » vervangen door de woorden »commerciële audiovisuele communicatie ».14° punt 12 wordt vervangen als volgt : « 12.« sponsoring » : elke bijdrage van een publieke of particuliere onderneming of van een natuurlijke persoon die zich niet bezighoudt met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten of met de productie van audiovisuele werken, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten of programma's met het doel de eigen naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven; »; 15° in punt 14 worden de woorden « van de omroeporganisatie » vervangen door « van de aanbieder van audiovisuele mediadiensten ».16° een punt 13/1 wordt ingevoegd, luidende : « 13/1.« productplaatsing » : elke vorm van commerciële audiovisuele communicatie die bestaat in de opname van of de verwijzing naar een product of dienst of een desbetreffend merk binnen het kader van een programma, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding; ».

Art. 4.In artikel 2, tweede en derde lid van dezelfde wet, wordt het woord « omroeporganisaties » vervangen door de woorden « aanbieders van mediadiensten » en de woorden « radio- en televisieomroepprogramma's » door het woord « geluids- en televisiemediadiensten ».

Art. 5.Een artikel 2/1 wordt in dezelfde wet ingevoegd, luidende : «

Art. 2/1.§ 1. In de zin van artikel 2, tweede en derde lid, wordt een aanbieder van mediadiensten in de volgende gevallen geacht in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gevestigd te zijn : a) de aanbieder van mediadiensten heeft zijn maatschappelijke zetel in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en de redactionele beslissingen over de audiovisuele media worden in het genoemde gebied genomen;b) als een aanbieder van mediadiensten zijn maatschappelijke zetel heeft in een lidstaat van de Europese Unie buiten het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, en de redactionele beslissingen over de audiovisuele mediadiensten in die andere lidstaat worden genomen, dan wordt de aanbieder geacht te zijn gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad als een aanzienlijk deel van de effectieve medewerkers zich in het genoemde gebied met de audiovisuele mediadiensten bezighoudt.Als een aanzienlijk deel van de effectieve medewerkers zich in het genoemde gebied en in de andere lidstaat met de audiovisuele media-activiteiten bezighoudt, dan wordt de aanbieder van mediadiensten geacht zijn maatschappelijke zetel in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad te hebben; als een aanzienlijk deel van de effectieve medewerkers zich noch in het voornoemd gebied, noch in de andere lidstaat met de audiovisuele media-activiteiten bezighoudt, dan wordt de aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, op voorwaarde dat hij daar wettelijk met zijn activiteiten is begonnen en voor zover hij een stabiele en reële economische band onderhoudt met voornoemd gebied; c) als een aanbieder van mediadiensten zijn maatschappelijke zetel in een lidstaat van de Europese Unie heeft, maar de beslissingen over de audiovisuele mediadiensten in een derde land worden genomen, of omgekeerd, dan wordt hij geacht gevestigd te zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wanneer een aanzienlijk deel van de effectieve medewerkers zich in voornoemd gebied met de audiovisuele media-activiteiten bezighoudt. § 2. Deze wet is van toepassing op de aanbieders van mediadiensten waarop paragraaf 1 geen betrekking heeft, die niet exclusief onder de bevoegdheid vallen van de Franse of de Vlaamse Gemeenschap en : a) die een verbinding naar een satelliet gebruiken in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;of b) die geen verbinding naar een satelliet in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gebruiken, maar wel satellietcapaciteit gebruiken die onder de bevoegdheid van voornoemd gebied valt;of c) die zijn gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad in de zin van de artikelen 49 tot 55 van het Verdrag over de werking van de Europese Unie voor zover zij niet worden bedoeld in punt a) en b) van paragraaf 2 hierboven. § 3. Deze wet is niet van toepassing op audiovisuele mediadiensten die exclusief zijn gericht op captatie in derde landen en die niet direct of indirect met standaardapparatuur door het publiek van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad kunnen worden ontvangen. ».

Art. 6.Artikel 3 van dezelfde wet wordt aangevuld met punten 6° en 7°, luidende : « 6° Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 11 december 2007 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van televisieomroepen; 7° Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (Richtlijn « Audiovisuele mediadiensten »).».

Art. 7.Het opschrift van hoofdstuk II van dezelfde wet wordt als volgt gewijzigd : « Elektronische-communicatienetwerken, elektronische-communicatiediensten en audiovisuele mediadiensten ».

Art. 8.Art. 13 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 13.§ 1. Om het pluralistische karakter en de culturele diversiteit van het televisieprogramma-aanbod op de elektronische-communicatienetwerken van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad te behouden en de televisiekijkers van dit gebied de toegang tot voor hen bedoelde televisieprogramma's te garanderen, moet de operator, voor zover een relevant aantal personen gebruik maken van zijn netwerk als belangrijkste middel voor de ontvangst van televisieprogramma's, de volgende programma's, en in voorkomend geval bijhorende diensten, digitaal en zo nodig analoog rechtstreeks en volledig uitzenden : - alle televisieprogramma's uitgezonden door de openbare televisieomroeporganisaties van de Franse en Vlaamse Gemeenschap; - alle of een deel van de televisieprogramma's uitgezonden door elke andere televisieomroeporganisatie die de bevoegde minister aanwijst volgens de procedure beschreven in de volgende paragrafen.

In deze paragraaf worden onder bijhorende diensten onder meer verstaan : ondertiteling, audiobeschrijving, gebarentaal en auditive ondertiteling. § 2. De bevoegde minister wijst, overeenkomstig de in paragrafen 3 tot 6 beschreven procedure, als rechthebbenden op verplichte distributie aan : - de internationale televisieomroeporganisaties waaraan de openbare televisieomroeporganisaties participeren die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse of de Franse Gemeenschap, voor al of een gedeelte van hun programma's voor de televisiekijkers van het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad; - de lokale, gemeenschapsgebonden of regionale televisiezenders die onder de bevoegdheid van de Franse en Vlaamse Gemeenschap vallen, voor al of een gedeelte van hun programma's waarvan de uitzendingen speciaal bedoeld zijn voor de televisiekijkers van het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad. § 3. Het recht op verplichte distributie wordt verleend voor een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de lijst van de televisieomroeporganisaties en van de programma's die dat recht genieten. § 4. De televisieomroeporganisatie die het recht op verplichte distributie wil genieten voor al of een gedeelte van haar programma's dient per aangetekende brief met bericht van ontvangst een aanvraag in bij de bevoegde minister en bij het Instituut. § 5. De aanvraag moet vóór 1 juli van het lopend jaar worden ingediend. Voor de volgende termijnen moet de aanvraag worden ingediend tussen de negende en de zesde maand voor de beëindiging van de lopende termijn. § 6. Het Instituut heeft drie maanden om de bevoegde minister een met redenen omkleed advies voor te leggen over de wettelijkheid en de opportuniteit om de door de televisieomroeporganisatie ingediende aanvraag in te willigen. § 7. Nadat die termijn van drie maanden is verstreken, heeft de bevoegde minister twee maanden om de aanvrager zijn beslissing mee te delen over het al dan niet toekennen van het recht op verplichte distributie.

Zo de bevoegde minister niets meedeelt binnen de termijn als bedoeld in het vorige lid, wordt zijn beslissing geacht positief te zijn. § 8. De minister kan een operator op advies van het Instituut vrijstellen van de verplichting om alle of een deel van de televisieprogramma's uit te zenden als hij technisch niet in staat is om alle of een deel van de programma's uit te zenden die vallen binnen het recht op verplichte distributie. Een operator die deze vrijstelling wil genieten, moet een met redenen omklede aanvraag aan het Instituut richten.

Het Instituut deelt zijn advies uiterlijk zes weken na ontvangst van die aanvraag aan de minister mee, behalve als het Instituut aanvullende informatie wenst van de aanvrager. In dat geval wordt die termijn opgeschort tot de gevraagde informatie wordt ontvangen.

De minister deelt zijn beslissing over de vrijstelling mee binnen de vijftien dagen nadat de in het vorige lid vastgelegde termijn is vervallen. § 9. De lijst van de televisieomroeporganisaties en van hun programma's die het recht op verplichte distributie genieten, wordt daarna uiterlijk op 1 februari in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. § 10. Voor de aanduiding van de televisieprogramma's als bedoeld in het tweede streepje van § 1, dient rekening te worden gehouden met de volgende criteria van algemeen belang : - de televisiekanalen verzorgen, in hun programma's, dagelijkse nieuwsuitzendingen; - met hun programma's dragen zij bij tot de ontwikkeling van de cultuur in de audiovisuele sector door mee Belgische en Europese audiovisuele werken te produceren en aan te kopen. »

Art. 9.Art. 18 van dezelfde wet wordt hersteld als volgt : «

Art. 18.De aanbieders van mediadiensten bieden de gebruikers van de dienst een gemakkelijke, directe en permanente toegang tot de volgende informatie aan : a) de naam van de aanbieder van de mediadiensten;b) het geografische adres waar de aanbieder van de mediadiensten is gevestigd;c) de gegevens van de aanbieder van de mediadiensten, met inbegrip van zijn e-mailadres of zijn website, zodat de gebruikers snel, direct en efficiënt met hem contact kunnen opnemen;d) indien nodig de bevoegde regulatoren of supervisoren.».

Art. 10.§ 1. De titel van hoofdstuk III van dezelfde wet wordt als volgt gewijzigd : « Uitoefening van de activiteiten van aanbieder van geluids- en audiovisuele mediadiensten ». § 2. De titel van de eerste afdeling van hoofdstuk III van dezelfde wet wordt als volgt gewijzigd : « Toestemming om de activiteiten van aanbieder van geluids- en audiovisuele mediadiensten uit te oefenen ».

Art. 11.In artikel 28/1 van dezelfde wet, wordt het woord « omroeporganisaties » vervangen door de woorden « aanbieders van mediadiensten » en worden de woorden « een radio- of televisieprogramma » vervangen door « een of meerdere geluids- en audiovisuele diensten ».

Art. 12.In artikel 28/2 van dezelfde wet, wordt het woord « omroeporganisaties » vervangen door de woorden « aanbieders van mediadiensten » en worden de woorden « hun radio- of televisieprogramma » vervangen door de woorden « hun geluids- of audiovisuele mediadiensten ».

Art. 13.In artikel 28/3 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord « omroeporganisaties » vervangen door de woorden « aanbieders van mediadiensten »;2° in paragraaf 1, punt 1°, worden de woorden « van de omroeporganisatie » vervangen door de woorden »van de aanbieder van mediadiensten »;3° in paragraaf 1, punt 2°, worden de woorden « het radio- of televisieomroepprogramma in kwestie » vervangen door « hun geluids- of audiovisuele mediadiensten »;4° in paragraaf 1 worden de punten 8° en 9° ingevoegd, luidende : « 8° de verplichting om de aangeboden diensten binnen een termijn van maximaal vijf jaar geleidelijk toegankelijk te maken voor personen met een visuele of auditieve beperking;9° de verplichting om deontologische codes voor ongepaste commerciële audiovisuele communicatie rond of in kinderprogramma's uit te werken aangaande levensmiddelen of dranken met voedingsstoffen of substanties met een voedings- of fysiologisch effect, vooral stoffen zoals vetten, vetzuren, zout/natrium en suikers, waarvan te grote hoeveelheden in de algemene voeding niet wordt aanbevolen.»; 5° in paragrafen 2 en 3 worden de woorden « de omroeporganisatie » vervangen door de woorden « de aanbieder van mediadiensten » en de woorden « het radio- of televisieomroepprogramma » door « de geluids- en audiovisuele mediadienst »;6° in paragraaf 4 wordt het woord « omroeporganisatie » vervangen door de woorden « aanbieder van mediadiensten » en de woorden « het radio- of televisieprogramma » door « de geluids- en audiovisuele mediadienst ».

Art. 14.Artikel 28/4 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende : « Het is de omroeporganisaties verboden audiovisuele mediadiensten op aanvraag aan te bieden die de fysieke, mentale of morele ontwikkeling van minderjarigen ernstig kunnen schaden, tenzij in omstandigheden waarin minderjarigen die audiovisuele mediadiensten op aanvraag normaal niet kunnen horen of zien. De Koning bepaalt deze omstandigheden. ».

Art. 15.In artikel 28/6 van dezelfde wet, wordt het woord « omroeporganisaties » vervangen door de woorden « aanbieders van mediadiensten ».

Art. 16.In artikel 28/8 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « de omroeporganisatie » worden vervangen door de woorden « de aanbieder van mediadiensten »;2° de woorden « het radio- of televisieomroepprogramma » worden vervangen door de woorden « programma of mediadienst »;3° in paragraaf 2 in fine worden de volgende woorden opgeheven : « waarvan het radio- of televisieprogramma deel uitmaakte ».

Art. 17.In artikel 28/9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt opgeheven;2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.De televisieomroeporganisaties moeten hun exclusieve rechten zodanig uitoefenen dat ze een groot deel van het publiek van een andere lidstaat de mogelijkheid niet ontnemen om evenementen die deze andere lidstaat als van aanzienlijk belang acht, integraal of gedeeltelijk rechtstreeks of, indien dat om objectieve redenen van algemeen belang noodzakelijk of gepast is, integraal of gedeeltelijk op een later tijdstip op een vrij toegankelijke televisie te kunnen bekijken. De Koning bepaalt de regels die de televisieomroeporganisaties daartoe moeten naleven. ».

Art. 18.Een artikel 28/10 wordt in dezelfde wet ingevoegd, luidende : «

Art. 28/10.§ 1. Om korte nieuwsreportages te maken krijgt elke televisieomroeporganisatie die in de Europese Unie gevestigd is, onder billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang tot evenementen van groot belang voor het publiek waarvan een televisieomroeporganisatie het exclusieve uitzendrecht heeft. § 2. Indien een andere televisieomroeporganisatie die in dezelfde lidstaat van de Europese Unie is gevestigd als de televisieomroeporganisatie die toegang wil krijgen, de exclusieve rechten voor een evenement van groot belang voor het publiek heeft verworven, moet de toegang aan die organisatie worden gevraagd. § 3. Een dergelijke toegang wordt gegarandeerd door de televisieomroeporganisaties hun korte fragmenten vrij te laten kiezen vanaf het ogenblik dat de omroeporganisatie die de uitzending verzorgt hiervoor toestemming heeft gegeven. In ruil daarvoor moet minstens de herkomst van de beelden worden vermeld, tenzij dat om praktische redenen onmogelijk is. § 4. De korte fragmenten mogen alleen in algemene nieuwsprogramma's worden gebruikt en mogen niet in het kader van audiovisuele mediadiensten op aanvraag worden geëxploiteerd, tenzij dezelfde aanbieder van de mediadiensten hetzelfde programma op een later tijdstip aanbiedt. § 5. Onverminderd de paragrafen 1 tot 4 worden de wijze van en de voorwaarden voor het aanbieden van die korte fragmenten in een koninklijk besluit gedefinieerd, inzonderheid de regels voor financiële vergoeding, de maximale lengte van de korte fragmenten en de termijn waarin ze mogen worden uitgezonden. Als een financiële vergoeding is bepaald, dan mag die de directe extra kosten van het aanbieden van de toegang niet overschrijden. ».

Art. 19.Artikel 30 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende : « Op advies van het Instituut bezorgt de bevoegde minister de Europese Commissie om de twee jaar een rapport over de toepassing van de artikelen 29 en 30. Dat rapport omvat inzonderheid een statistisch overzicht van de gehaalde verhouding als bedoeld in de artikelen 29 en 30 voor elk van de televisieprogramma's van de aanbieders van mediadiensten als bedoeld in artikel 2/1, § 1 en § 2 hiervoor, de redenen waarom in elk van die gevallen die verhouding niet werd gehaald en de genomen of geplande maatregelen om die alsnog te halen. ».

Art. 20.Een artikel 30/1 wordt in dezelfde wet ingevoegd, luidende : « Art.30/1. § 1. De audiovisuele mediadiensten op aanvraag aangeboden door de aanbieders van mediadiensten bevorderen de productie van en toegang tot Europese werken als dat haalbaar is en dat met de gepaste middelen kan gebeuren. Die bevordering kan onder andere gebeuren via een financiële bijdrage van die diensten aan de productie van Europese werken en de verwerving van de rechten op die werken, of door een belangrijk deel en/of een belangrijke plaats voor Europese werken te reserveren in de programmacatalogus van de aanbieder van de audiovisuele dienst op aanvraag. § 2. Op advies van het Instituut legt de bevoegde minister uiterlijk op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, en daarna om de vier jaar, een rapport over de toepassing van paragraaf 1 van deze bepaling aan de Europese Commissie voor. ».

Art. 21.In artikel 31, § 1 van dezelfde wet, wordt punt c) vervangen door de volgende woorden : « coproducties die zijn vervaardigd in het kader van tussen de Unie en derde landen gesloten overeenkomsten met betrekking tot de audiovisuele sector en die voldoen aan de voorwaarden van de betrokken overeenkomsten ».

Art. 22.In artikel 32 van dezelfde wet wordt het woord « televisieomroeporganisatie » vervangen door de woorden « aanbieder van mediadiensten ».

Art. 23.Het opschrift van sectie II van dezelfde wet wordt vervangen door « Commerciële audiovisuele communicatie, televisiereclame, telewinkelen, sponsoring en productplaatsing ».

Art. 24.In artikel 33 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Televisiereclame en telewinkelen moeten gemakkelijk en als dusdanig herkenbaar zijn en ze moeten duidelijk te onderscheiden zijn van de redactionele inhoud. Zonder afbreuk te doen aan het gebruik van nieuwe reclametechnieken, moeten televisiereclame en telewinkelen met optische, akoestische en/of ruimtelijke middelen duidelijk worden gescheiden van de rest van het programma. »; 2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.De geïsoleerde reclamespots en telewinkelblokken moeten de uitzondering blijven, tenzij tijdens de uitzending van sportevenementen. ».

Art. 25.In artikel 34 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, worden de woorden « paragrafen 2 tot en met 5 » vervangen door « paragrafen 2 tot 4 »;2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.De uitzending van films voor televisie (met uitzondering van series, feuilletons en documentaires), van cinematografische werken en televisiejournalen mag één keer per programmaschijf van minstens dertig minuten worden onderbroken door televisiereclame en/of telewinkelblokken. De uitzending van kinderprogramma's mag één keer per programmaschijf van minstens dertig minuten worden onderbroken door televisiereclame en/of telewinkelblokken op voorwaarde dat het programma meer dan dertig minuten duurt. De uitzending van religieuze diensten mag niet worden onderbroken door televisiereclame of telewinkelen. »; 3° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : « § 4.De bepaling als bedoeld in paragraaf 3 is niet van toepassing op televisiekanalen die zich exclusief richten op reclame, telewinkelen en zelfpromotie. »; 4° paragraaf 5 wordt opgeheven.

Art. 26.In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « televisiereclame en telewinkelen mogen » worden vervangen door de woorden « commerciële audiovisuele communicatie mag »;2° punt b) wordt vervangen als volgt : « b) leiden tot discriminatie op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, nationaliteit, godsdienst of overtuiging, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, noch een dergelijke discriminatie aanmoedigen;».

Art. 27.In artikel 37 van dezelfde wet, worden de woorden « televisiereclame mag » vervangen door de woorden « commerciële audiovisuele communicatie mag ».

Art. 28.In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « televisieprogramma's » wordt vervangen door de woorden « audiovisuele mediadiensten of audiovisuele programma's », de woorden « van de omroeporganisatie, » door de woorden « van de aanbieder van mediadiensten »;2° punt b) van paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « b) de kijkers worden duidelijk ingelicht over het bestaan van een sponsoringsovereenkomst.Gesponsorde programma's moeten als dusdanig duidelijk herkenbaar zijn met de naam, het logo en/of een ander symbool van de sponsor, bijvoorbeeld door op passende wijze bij het begin of op het einde van een programma of tijdens het programma zelf met een duidelijk teken naar zijn producten of diensten te verwijzen. ».

Art. 29.Art. 39 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 39.§ 1. Behalve bij de televisiekanalen die exclusief zijn gericht op reclame, telewinkelen en zelfpromotie, mag het percentage van de uitzendtijd voor reclamespots en telewinkelblokken niet meer dan 20 % van een klokuur bedragen. § 2. Paragraaf 1 geldt niet voor mededelingen van de televisieomroeporganisatie over de eigen programma's en verwante, ervan afgeleide producten, voor sponsorberichten of voor productplaatsing. § 3. De telewinkelblokken moeten duidelijk met optische en akoestische middelen als dusdanig worden geïdentificeerd en moeten een minimale onafgebroken duur van vijftien minuten hebben. ».

Art. 30.Een artikel 39/1 wordt in dezelfde wet ingevoegd, luidende : «

Art. 39/1.Productplaatsing is verboden.

In afwijking van het eerste lid is productplaatsing in de volgende gevallen toegestaan : a) in cinematografische werken, films en series voor audiovisuele mediadiensten, alsook voor sport- en ontspanningsprogramma's;b) indien er voor de levering van bepaalde goederen of diensten niet wordt betaald, maar die enkel gratis worden aangeboden, zoals rekwisieten en prijzen, om te worden opgenomen in een programma. De afwijking in punt a) geldt niet voor kinderprogramma's.

Programma's met productplaatsing moeten minstens aan alle volgende eisen voldoen : a) de inhoud en, in het geval van tv-omroepactiviteiten, de programmering mag in geen geval zodanig worden beïnvloed dat afbreuk wordt gedaan aan de redactionele verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid van de aanbieder van de mediadiensten;b) ze mogen niet direct aanzetten tot het kopen of verhuren van goederen of diensten, vooral niet met specifieke promotieverwijzingen naar die producten of diensten;c) ze mogen het betreffende product niet op een niet te rechtvaardigen manier op de voorgrond plaatsen;d) de televisiekijkers moeten duidelijk worden ingelicht over de aanwezigheid van productplaatsing.Programma's met productplaatsing worden op een gepaste manier geïdentificeerd bij het begin en op het einde van hun uitzending, alsook tijdens een programmahervatting na een reclameonderbreking om elke verwarring bij de kijker te voorkomen.

De bepaling in punt d) is niet van toepassing wanneer de aanbieder van de mediadiensten of een dochteronderneming van de aanbieder van de mediadiensten het betreffende programma niet zelf heeft geproduceerd of besteld. ».

Art. 31.In artikel 40 van dezelfde wet wordt een paragraaf 4 ingevoegd luidend als volgt : « § 4. Wat de audiovisuele diensten op aanvraag betreft, kan de Koning op eigen initiatief of op voorstel van het Instituut maatregelen nemen om de uitzending van een bepaalde dienst op te schorten indien de onderstaande voorwaarden zijn vervuld. a) De maatregelen zijn : i) om een van de volgende redenen noodzakelijk : - om de openbare orde, in het bijzonder strafrechtelijke inbreuken, onderzoeken en vervolgingen te voorkomen, vooral dan ter bescherming van minderjarigen en in de strijd tegen het aanzetten tot haat op basis van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit, en tegen aantastingen van de menselijke waardigheid, - de bescherming van de volksgezondheid, - de openbare veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de nationale veiligheid en de landsverdediging, - de bescherming van de consumenten, met inbegrip van de investeerders; ii) worden getroffen tegen een audiovisuele mediadienst op aanvraag die afbreuk doet aan de doelstellingen als bedoeld in punt i), of wanneer er een groot en ernstig risico bestaat dat hij afbreuk zal doen aan die doelstellingen; iii) in verhouding tot die doelstellingen. b) Alvorens die maatregelen te treffen en onverminderd een gerechtelijke procedure, met inbegrip van de precontentieuze procedure en de handelingen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, heeft de Koning : i) gevraagd aan de lidstaat onder wiens bevoegdheid de dienstenaanbieder valt om maatregelen te treffen voor zover deze laatste geen of geen gepaste maatregelen heeft getroffen; ii) de Europese Commissie en de lidstaat onder wiens bevoegdheid de dienstenaanbieder valt, op de hoogte gebracht van zijn intentie om dergelijke maatregelen te treffen. § 5. De Koning kan in dringende gevallen van de voorwaarden van paragraaf 4, punt b) afwijken. In dat geval worden de maatregelen zo vlug mogelijk betekend aan de Europese Commissie en de lidstaat onder wiens bevoegdheid de dienstenaanbieder valt. Daarbij worden de redenen opgegeven waarom de Koning de kwestie als dringend beschouwt. De maatregelen worden enkel gehandhaafd wanneer de Europese Commissie oordeelt dat de getroffen maatregelen overeenstemmen met het gemeenschapsrecht. ».

Art. 32.Art. 42ter van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Art.42ter. Het Instituut wordt belast met de regulering van de audiovisuele sector in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, met betrekking tot de instellingen die niet onder de bevoegdheid van de Vlaamse of van de Franse Gemeenschap vallen in de zin van artikel 127, § 2 van de Grondwet. In die hoedanigheid bezorgt het de Europese Commissie de informatie die de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten vereist. Het gaat hierbij om de lokalisatiecriteria voor de aanbieders van audiovisuele mediadiensten, de bevordering van de productie en verspreiding van Europese producties, de mogelijke beperkingen voor (her)uitzendingen van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten die te maken hebben met de bescherming van minderjarigen, en maatregelen ten opzichte van televisieomroeporganisaties die onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallen en waarvan de televisie-uitzendingen volledig of vooral bedoeld zijn voor de gebruikers en kijkers in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. ».

Art. 33.Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 27 december 2012.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Wetenschapsbeleid, P. MAGNETTE Met 's Lands zegel gezegeld : Voor de Minister van Justitie, afwezig : De Minister van Pensioen, A. DE CROO _______ Nota (1) Zitting 2012-2013 Kamer van volksvertegenwoordigers. Stukken. - Wetsontwerp, 53 2488/001. - Amendement, 53 2488/002. - Verslag, 53 2488/003. - Tekst aangenomen door de commissie, 53 2488/004. - Amendement, 53 2488/005.

Senaat Stuk. - ...

^