Etaamb.openjustice.be
Decreet van 11 januari 2008
gepubliceerd op 05 maart 2008

Decreet houdende diverse maatregelen inzake hoger onderwijs

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2008029100
pub.
05/03/2008
prom.
11/01/2008
ELI
eli/decreet/2008/01/11/2008029100/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

11 JANUARI 2008. - Decreet houdende diverse maatregelen inzake hoger onderwijs (1)


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Bepalingen betreffende de Universiteiten Afdeling I. - Afschaffing van het niveau 4 en inschakeling van het

personeel van dat niveau in niveau 3

Artikel 1.Artikel 3, negende lid, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van het bestuurs- en toegevoegd personeel, administratief personeel, hulppersoneel voor onderzoek, beheerspersoneel, de kinderverzorgsters, werkopzichters en tekenaars, het paramedisch en gespecialiseerd personeel van de universiteiten en de universitaire faculteit van de Franse Gemeenschap, vervangen door het decreet van 22 oktober 2003, wordt opgeheven.

Art. 2.Artikel 8bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het decreet van 22 oktober 2003, wordt opgeheven.

Art. 3.In hetzelfde besluit, wordt een artikel 69ter ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 69ter.Het personeelslid dat in vast verband benoemd is in de graad van beambte op de datum van 1 september 2007 wordt op deze datum bevorderd tot de graad van geschoold beambte in dezelfde categorie. De graadanciënniteit verworven in de graad van beambte wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de anciënniteit in de graad van geschoold beambte.

Het personeelslid dat toegelaten wordt tot de stage voor de graad van beambte op 1 september 2007 wordt geacht zijn stage vanaf deze datum voort te zetten in de graad van geschoold beambte in dezelfde categorie.

De persoon die geslaagd is voor een vergelijkend examen voor de toelating tot een stage in de graad van beambte op 1 september 2007 wordt geacht geslaagd te zijn voor een vergelijkend examen voor de toelating tot een stage in de graad van geschoold beambte in dezelfde categorie. »

Art. 4.In bijlage I, Graden die de personeelsleden kunnen voeren, 2°, Categorie administratief personeel, hulppersoneel voor onderzoek, beheerspersoneel, de kinderverzorgsters, werkopzichters en tekenaars, van hetzelfde besluit vervangen door het decreet van 22 oktober 2003, worden de woorden "(afgeschaft vanaf 1 september 2007)" ingevoegd na het woord : "beambte".

Art. 5.In bijlage II, Omzettingstabel, 1ste kolom, Nieuwe graden, 1ste regel, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het decreet van 22 oktober 2003 en gewijzigd bij het decreet van 3 maars 2004, worden de woorden "(afgeschaft vanaf 1 september 2007)" ingevoegd na het woord : "Beambte".

Art. 6.In artikel 1, Hiërarchietabel, 2. Categorie administratief personeel, hulppersoneel voor onderzoek, beheerspersoneel, kinderverzorgsters, werkopzichters en tekenaars, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1971 tot vaststelling van de hiërarchietabel van het bestuurs- en toegevoegd personeel, het administratief personeel, het hulppersoneel voor onderzoek, het beheerspersoneel, de kinderverzorgsters, werkopzichters en tekenaars, het paramedisch en gespecialiseerd personeel van de universiteiten en universitaire faculteit van de Franse Gemeenschap, vervangen bij het decreet van 22 oktober 2003, worden de regels 1 en 2 vervangen door de volgende regels : « 1° Beambte (afgeschaft vanaf 1 september 2007) 2° Geschoold beambte - Geschoold beambte uit de zes groepen bedoeld bij artikel 1, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van het bestuurs- en toegevoegd personeel, administratief personeel, hulppersoneel voor onderzoek, beheerspersoneel, de kinderverzorgsters, werkopzichters en tekenaars, het paramedisch en gespecialiseerd personeel van de universiteiten en de universitaire faculteit van de Franse Gemeenschap. - Verandering van groep. - Geen diploma, getuigschrift of bekwaamheidsbewijs vereist. »

Art. 7.In artikel 5, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de weddeschalen van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksuniversiteiten, de rijksfaculteit en het rijksuniversitair centrum, worden de woorden "van de niveaus 4 of 3" vervangen door de woorden "van niveau 3".

Art. 8.In artikel 29 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instelling, vervangen bij het decreet van 31 maart 2004 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2004, 16 december 2005, 20 juli 2006 en 15 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in § 1, eerste lid, wordt het bedrag "103.391.946 euro" vervangen door het bedrag "103.772.880 euro"; b) in § 2, wordt het bedrag "311.976.032 euro" vervangen door het bedrag "313.125.468 euro"; c) in § 3, wordt het bedrag "5.155.989 euro" vervangen door het bedrag "5.221.525 euro".

Art. 9.In artikel 32bis, eerste lid, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen, ingevoegd bij het decreet van 31 maart 2004 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2004, 16 december 2005, 20 juli 2006 en 15 december 2006, wordt het bedrag "8.130.705 euro" vervangen door het bedrag "8.160.662 euro". Afdeling II. - Personeel van de vrije universiteiten

Art. 10.Artikel 3 van het decreet van 19 mei 2004 betreffende de onderhandeling in de Franse Gemeenschap, wordt aangevuld met een tweede lid luidend als volgt : « Het is tevens van toepassing op de personeelsleden van de gesubsidieerde vrije universiteiten, die bezoldigd zijn ten laste van de werkingstoelagen bedoeld bij artikel 25 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen en waarvan het statuut, wat betreft de universitaire instellingen ingericht door de Franse Gemeenschap, het voorwerp uitmaken van de onderhandeling of het overleg. »

Art. 11.In artikel 5, § 1, van hetzelfde decreet, worden de woorden "bezoldigd door de weddesubsidies van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra" vervangen door de woorden : "bedoeld bij artikel 3". Afdeling III. - Bevordering van de slaagkansen van leerlingen

Art. 12.In titel II van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen, wordt een hoofdstuk 1ter, waarin de artikelen 36ter tot 36 sexies vervat zijn, ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk 1ter. - Bevordering van de slaagkansen van leerlingen

Art. 36ter.Er wordt een bijkomende toelage voor een bedrag van 316.668 euro verdeeld over de academiën met als doel het bijdragen tot de bevordering van de slaagkansen van leerlingen en inzonderheid van de verwezenlijking van de maatregelen bedoeld bij artikel 83, § 1, tweede lid, 1° tot 3° en 5°, van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijster bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten.

Het bij het eerste lid bedoelde bedrag wordt geïndexeerd volgens de formule bepaald bij artikel 29, § 4.

De verdeling over de academiën van het bedrag bedoeld bij het eerste lid wordt vastgesteld naar rata van het aantal volledige schijven van 6,25 percent vervat in het totale percentage bestemd voor iedere academie vastgesteld op basis van de percentages bepaald in artikel 29, § 1, eerste lid.

Het door iedere academie verkregen bedrag kan enkel aangewend worden, door overdracht aan de instellingen waaruit zij bestaat, voor de bezoldiging van de leden van het wetenschappelijke en administratieve personeel bedoeld bij hoofdstuk IV van de wet van 28 april 1953 over de organisatie van het universitair onderwijs door de Staat.

Art. 36quater.Er wordt een bijkomende toelage voor een bedrag van 135.001 euro verdeeld over de academiën met als doel de bevordering van de initiatieven en slagkansen van de leerlingen bedoeld bij artikel 83, § 1, van het voornoemde decreet van 31 maart 2004.

De bijkomende toelage wordt verdeeld over de academiën als volgt : 50 % naar rata van het aantal studenten ingeschreven voor de eerste keer voor het eerste jaar van de graad van bachelor in de universitaire instellingen die lid zijn van iedere academie en die in aanmerking worden genomen voor de financiering gedurende het academiejaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar en 50 % naar rata van het aantal studenten uit deze categorie die beperkte rechten genieten.

Er wordt een toelage van 15.000 euro toegekend aan de Conseil Interuniversitaire de la Communauté française (CIUF) voor het zorgen voor de samenvoeging en de coördinatie van de ontwerpen uitgevoerd door de academiën en de identificatie van goede praktijken.

De bedragen bedoeld bij de eerste en derde leden worden geïndexeerd volgens de formule bepaald bij artikel 29, § 4.

De CIUF wordt belast met de coördinatie van het opstellen van een activiteitenverslag om te bewijzen dat de middelen aangewend werden voor de organisatie van de activiteiten bedoeld bij het eerste lid, en het delen van ervaring en de identificatie van goede praktijken overeenkomstig het derde lid.

Art. 36quinquies.Ieder jaar terzelfdertijd en op dezelfde wijze als zij de rekeningen overzendt, bezorgt iedere academie een verantwoording voor de aanwending van : 1° het bedrag opgenomen in artikel 36ter ;2° het bedrag opgenomen in artikel 36quater ;3° het bedrag van minimum tien percent van de toelage die de instellingen waaruit de academie bestaat geniet voor de studenten uit de eerste generatie die zij verwelkomt, dat bestemd wordt voor de bevordering van de slaagkansen van leerlingen krachtens artikel 83, § 1, eerste en tweede leden, van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten.

Art. 36sexies.Om de twee jaar, terzelfdertijd en op dezelfde wijze als zij de rekeningen overzendt, stelt iedere academie een verslag op waarin vervat zijn : 1° de vorderingen van de maatregelen ten voordele van de studenten van de eerste generatie bedoeld bij artikel 83, § 1, tweede lid, van het voornoemde decreet van 31 maart 2004;2° de initiatieven genomen om de slaagkansen van de andere studenten te bevorderen. Dit verslag bevat onder andere : 1° het gevolgde beleid inzake begeleiding van de studenten van de eerste cyclus;2° de maatregelen getroffen om het falen in de eerste cyclus te bestrijden;3° de maatregelen getroffen inzake onthaal-, informatie-, evaluatie-, oriëntatie-, remediëring- en heroriëntatiebeleid.»

Art. 13.Artikel 48sexies van dezelfde wet wordt opgeheven. HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de hogescholen Afdeling I. - Bepalingen inzake personeelsstatuut

Art. 14.In artikel 17, § 1 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 juni 1962, 22 januari 1970 en 18 februari 1974 en bij de decreten van 20 december 2001, 3 maart 2004 en 4 mei 2005, worden de woorden : "voor de Meesterassistent belast met het beheer aangeworven overeenkomstig de bepalingen van artikel 7bis van het decreet van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde hogescholen" ingevoegd tussen de woorden : "de eerstaanwezend leermeester praktijkvorming in het hoger onderwijs ingericht in de hogescholen," en de woorden : "alsmede voor het personeelslid dat les geeft in de handenarbeid in het lager onderwijs".

Art. 15.In artikel 7bis, § 4, van het decreet van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, ingevoegd bij het decreet van 20 juli 2000, worden de woorden "ten belope van maximum zes jaar" vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs".

Art. 16.In artikel 16 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 24 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) er wordt een 2°bis ingevoegd, luidend als volgt : « 2°bis de diensten gepresteerd door de niet statutaire personeelsleden aangesteld in het kader van de overeenkomsten genomen bij toepassing van artikel 18 van het decreet van het Waalse Gewest van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, en overeenkomstig het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen, alsook de personeelsleden aangeworven ten laste van de hogeschool of de inrichtende macht, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5, en dat die personeelsleden houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven;voor de eerste 1200 dagen, wordt op ze een verminderingscoëfficiënt van 0,3 toegepast;" b) Er wordt een 2°ter ingevoegd, luidend als volgt : « 2°ter de diensten gepresteerd door de personeelsleden aangeworven overeenkomstig artikel 12 van het programma-decreet van 21 december 2004 houdende diverse maatregelen inzake de begrotingsfondsen, het " Fonds Ecureuil " van de Franse Gemeenschap en de schuldafbouw, de universitaire instellingen, de Hogescholen, de internaten, de psycho-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, het onderwijs en het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, of overeenkomstig artikel 23 van het programmadecreet van 16 december 2005 houdende verschillende maatregelen betreffende de internaten, de psycho-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, de wijze van berekening van de werkingssubsidies in het gewoon kleuteronderwijs, de positieve discriminatie, de universitaire instellingen, de hogescholen en de sociale subsidies, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5 van het voormelde decreet van 25 juli 1996 en dat die personeelsleden houder zijn van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven;».

Art. 17.In bijlage 1, van het decreet van 8 februari 1999 betreffende de ambten en bekwaamheidsbewijzen van de leden van het onderwijzend personeel in de Hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, worden de regels 4, 5 en 6 onder het opschrift : "Ateliers voor beroepsopleiding", vervangen door de volgende regel : Ateliers voor beroepsopleiding : een bekwaamheidsbewijs vereist zoals bedoeld de artikelen 6 tot 8 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel en van het sociaal personeel van de inrichtingen voor voorschools, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en niet-universitair hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, alsmede van de internaten die van deze inrichtingen afhangen, volgens het betrokken onderwijsniveau.

Art. 18.Artikel 24, § 2, van het decreet van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 8 februari 1999, wordt met het volgende lid aangevuld : « Alvorens enige tijdelijke aanstelling voor te stellen, breidt de raad van bestuur de opdracht uit van de personeelsleden van de betrokken hogeschool die het gevraagd hebben met inachtneming van de eerste paragraaf, en dit in de volgende orde : eerst, de vastbenoemde personeelsleden, daarna de personeelsleden die tijdelijk aangesteld worden voor onbepaalde tijd. »

Art. 19.Artikel 25, § 2, van hetzelfde decreet, wordt aangevuld met het volgende lid : « Indien eenzelfde personeelslid, met toepassing van het eerste lid, tijdelijk aangesteld werd gedurende twee opeenvolgende academiejaren in hetzelfde te begeven ambt en dezelfde te begeven cursus, kan de hogeschool deze betrekking enkel een bekleding verlenen waarbij de artikelen 21 en 22 in acht worden genomen".

Art. 20.Artikel 32, § 1, zesde lid, van hetzelfde decreet, wordt door het volgende lid vervangen : « Wanneer het verslag de vermelding "voldeed niet" draagt, kan, het personeelslid, binnen de vijf werkdagen na de datum waarop het verslag hem voorgesteld wordt, een schriftelijke klacht indienen bij de directeur-voorzitter die deze overzendt aan de raad van beroep. Deze laatste brengt een advies uit binnen een maximale termijn van een maand vanaf de datum van ontvangst van de klacht. De raad van bestuur neemt zijn beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het advies van de raad van beroep. De aanvankelijke beslissing wordt behouden of gewijzigd. Indien de beslissing behouden wordt, kan in geen enkel geval de Regering de aanstelling van dezelfde persoon opnieuw verkiezen. »

Art. 21.In artikel 34, derde lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "een ander onderwijsniveau" vervangen door de woorden : "een onderwijzend ambt binnen het onderwijs".

Art. 22.In artikel 38 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) er wordt een 2°bis ingevoegd, luidend als volgt : « 2°bis de diensten gepresteerd door de niet statutaire personeelsleden aangesteld in het kader van de overeenkomsten genomen bij toepassing van artikel 18 van het decreet van het Waalse Gewest van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, en overeenkomstig het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen, alsook de personeelsleden aangeworven ten laste van de hogeschool of de inrichtende macht, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5, en dat die personeelsleden houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven;voor de eerste 1200 dagen, wordt op ze een verminderingscoëfficiënt van 0,3 toegepast. » b) Er wordt een 2°ter ingevoegd, luidend als volgt : « 2°ter de diensten gepresteerd door de personeelsleden aangeworven overeenkomstig artikel 12 van het programma-decreet van 21 december 2004 houdende diverse maatregelen inzake de begrotingsfondsen, het " Fonds Ecureuil " van de Franse Gemeenschap en de schuldafbouw, de universitaire instellingen, de Hogescholen, de internaten, de psycho-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, het onderwijs en het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, of overeenkomstig artikel 23 van het programmadecreet van 16 december 2005 houdende verschillende maatregelen betreffende de internaten, de psycho-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, de wijze van berekening van de werkingssubsidies in het gewoon kleuteronderwijs, de positieve discriminatie, de universitaire instellingen, de hogescholen en de sociale subsidies, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5 van het voormelde decreet van 25 juli 1996 en dat die personeelsleden houder zijn van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven.»

Art. 23.Artikel 66, van hetzelfde decreet, wordt aangevuld met een 5°, luidend als volgt : « 5° de beroepen ingediend door personeelsleden die voor bepaalde tijd tijdelijk aangesteld worden, tegen een verslag dat de melding draagt "voldeed niet". »

Art. 24.Artikel 127, van hetzelfde decreet, wordt aangevuld met het volgende lid : « Alvorens enige tijdelijke aanwerving voor te stellen, breidt de raad van bestuur de opdracht uit van de personeelsleden van de betrokken hogeschool die het gevraagd hebben met inachtneming van de eerste paragraaf, en dit in de volgende volgorde : eerst, de vastbenoemde personeelsleden, daarna de personeelsleden die tijdelijk aangesteld worden voor onbepaalde tijd. »

Art. 25.Artikel 128, § 2, van hetzelfde decreet, wordt aangevuld met het volgende lid : « Indien eenzelfde personeelslid, met toepassing van het eerste lid, aangeworven werd gedurende twee opeenvolgende academiejaren in hetzelfde te begeven ambt en dezelfde te begeven cursus, kan de hogeschool deze betrekking enkel een bekleding verlenen waarbij de artikelen 21 en 22 in acht worden genomen. »

Art. 26.Artikel 135, § 1, zesde lid, van hetzelfde decreet, wordt door het volgende lid vervangen : « Wanneer het verslag de vermelding « voldeed niet" draagt, kan, het personeelslid, binnen de vijf werkdagen na de datum waarop het verslag hem voorgesteld wordt, een schriftelijke klacht indienen bij de directeur-voorzitter, die deze overzendt aan de raad van beroep. Deze laatste brengt een advies uit binnen een maximale termijn van een maand vanaf de datum van ontvangst van de klacht. Het bestuur van de hogeschool neemt zijn beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van het advies van de raad van beroep. De aanvankelijke beslissing wordt behouden of gewijzigd. Indien de beslissing behouden wordt, kan het bestuur van de hogeschool in geen enkel geval de aanstelling van dezelfde persoon verlengen. »

Art. 27.In artikel 34, derde lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "een ander onderwijsniveau" vervangen door de woorden : "een onderwijzend ambt binnen het onderwijs".

Art. 28.In artikel 141 van hetzelfde decreet, vervangen door het decreet van 20 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) er wordt een 2°bis ingevoegd, luidend als volgt : « 2°bis de diensten gepresteerd door de niet statutaire personeelsleden aangesteld in het kader van de overeenkomsten genomen bij toepassing van artikel 18 van het decreet van het Waalse Gewest van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, en overeenkomstig het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen, alsook de personeelsleden aangeworven ten laste van de hogeschool of de inrichtende macht, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5, en dat die personeelsleden houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven;voor de eerste 1 200 dagen, wordt op ze een verminderingscoëfficiënt van 0,3 toegepast;" b) Er wordt een 2°ter ingevoegd, luidend als volgt : « 2°ter de diensten gepresteerd door de personeelsleden aangeworven overeenkomstig artikel 12 van het programma-decreet van 21 december 2004 houdende diverse maatregelen inzake de begrotingsfondsen, het " Fonds Ecureuil " van de Franse Gemeenschap en de schuldafbouw, de universitaire instellingen, de Hogescholen, de internaten, de psycho-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, het onderwijs en het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, of overeenkomstig artikel 23 van het programmadecreet van 16 december 2005 houdende verschillende maatregelen betreffende de internaten, de psycho-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, de wijze van berekening van de werkingssubsidies in het gewoon kleuteronderwijs, de positieve discriminatie, de universitaire instellingen, de hogescholen en de sociale subsidies, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5 van het voormelde decreet van 25 juli 1996 en dat die personeelsleden houder zijn van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven.»

Art. 29.Artikel 160 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 160.De raden van beroep behandelen de verhalen ingediend door de personeelsleden in verband met elk voorstel voor een disciplinaire sanctie, de verhalen ingediend door de personeelsleden die tijdelijk zijn aangeworven voor onbepaalde tijd, in verband met een voorstel voor ontslag, zoals bedoeld in artikel 191, alsook de verhalen ingediend door de personeelsleden die tijdelijk aangeworven zijn voor bepaalde tijd, in verband met een verslag « voldeed niet. »

Art. 30.Artikel 175 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt : « 4° elk geschil dat zou ontstaan of zou zijn ontstaan tussen de inrichtende machten en de personeelsleden die onder dit decreet vallen, te voorkomen of te slechten. »

Art. 31.In artikel 191 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door het volgende lid : « Een personeelslid dat tijdelijk aangeworven is voor onbepaalde tijd, kan door de inrichtende macht worden ontslagen.Het personeelslid wordt vooraf gehoord binnen en termijn van vijf werkdagen die loopt vanaf de datum van ontvangst van het oproepingsbrief verstuurd bij een ter post aangetekend schrijven. De procedure wordt voortgezet wanneer het personeelslid zich niet bij het verhoor aanmeldt. » 2° het vierde lid wordt vervangen door het volgende lid : « De directeur-voorzitter legt het voorstel tot ontslag aan het personeelslid onmiddellijk nadat het is opgesteld, voor.Het voorstel wordt door het betrokken personeelslid geviseerd en gedateerd. Het personeelslid zendt het op dezelfde dag terug. Als het van mening is dat het voorstel niet verantwoord is, vermeldt het dit in zijn visum, en dateert het voorstel en zendt het binnen dezelfde termijn terug. De procedure wordt voortgezet indien het personeelslid weigert het voorstel tot ontslag te ondertekenen. Indien het personeelslid afwezig is, wordt het voorstel tot ontslag hem overgezonden bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, dat geldt als een visum en een datum. » 3° het vijfde lid wordt vervangen door het volgende lid : « Binnen een termijn van tien dagen die loopt vanaf de datum bedoeld in het vierde lid, tweede zin, kan het personeelslid een schriftelijke klacht indienen bij de directeur-voorzitter, die er ontvangst van meldt.De directeur-voozitter zendt, op de datum van ontvangst, de klacht aan de raad van beroep over. Het verhaal is opschortend. »

Art. 32.Artikel 209 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met het volgende lid : « Alvorens elke tijdelijke aanstelling voor te stellen, breidt het bestuur van de hogeschool de opdracht van de personeelsleden van de betrokken hogeschool die dit hebben aangevraagd, uit, overeenkomstig het eerste lid, en dit in de volgende volgorde : eerst, de in vast verband benoemde personeelsleden, dan de voor onbepaalde tijd tijdelijk aangestelde personeelsleden. »

Art. 33.Artikel 210, § 2, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met het volgende lid : « Als een zelfde personeelslid bij toepassing van het eerste lid gedurende twee opeenvolgende academiejaren tijdelijk aangesteld is in hetzelfde ambt en in dezelfde toe te kennen cursussen, dan kan de hogeschool in die betrekking alleen met inachtneming van artikel 207 en 208 voorzien. »

Art. 34.Artikel 217, § 1, zesde lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door het volgende lid : « Wanneer het verslag de vermelding « niet voldeed » draagt, kan het, binnen de vijf werkdagen volgend op de datum waarop het verslag hem wordt voorgelegd, een schriftelijke klacht indienen bij de directeur-voorzitter, die ze onmiddellijk aan de raad van beroep overzendt. Deze brengt zijn advies uit binnen een termijn van hoogstens één maand vanaf de datum van ontvangst van de klacht. Het bestuur van de hogeschool neemt de beslissing binnen een termijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van het advies van de raad van beroep. De oorspronkelijke beslissing wordt behouden of gewijzigd. Als de beslissing wordt behouden, kan het bestuur van de hogeschool geenszins de aanstelling verlengen. »

Art. 35.In artikel 219, derde lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden « in een ander onderwijsniveau behorend tot » vervangen door de woorden « in een ambt van onderwijzend personeelslid binnen ».

Art. 36.In artikel 223 van hetzelfde decreet, vervangen door het decreet van 20 december 2001, worden een 2°bis en een 2°ter ingevoegd, luidend als volgt : « 2°bis de diensten gepresteerd door de niet statutaire personeelsleden aangesteld in het kader van de overeenkomsten genomen bij toepassing van artikel 18 van het decreet van het Waalse Gewest van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, en overeenkomstig het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen, alsook de personeelsleden aangeworven ten laste van de hogeschool of de inrichtende macht, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5, en dat die personeelsleden houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven; voor de eerste 1200 dagen, wordt op ze een verminderingscoëfficiënt van 0,3 toegepast; 2°ter de diensten gepresteerd door de personeelsleden aangeworven overeenkomstig artikel 12 van het programma-decreet van 21 december 2004 houdende diverse maatregelen inzake de begrotingsfondsen, het " Fonds Ecureuil " van de Franse Gemeenschap en de schuldafbouw, de universitaire instellingen, de Hogescholen, de internaten, de psycho-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, het onderwijs en het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, of overeenkomstig artikel 23 van het programmadecreet van 16 december 2005 houdende verschillende maatregelen betreffende de internaten, de psychisch-medisch-sociale centra, de schoolgebouwen, de wijze van berekening van de werkingssubsidies in het gewoon kleuteronderwijs, de positieve discriminatie, de universitaire instellingen, de hogescholen en de sociale subsidies, op voorwaarde dat die diensten werden gepresteerd in een ambt dat gelijk is met een ambt bedoeld in artikel 5 van het voormelde decreet van 25 juli 1996 en dat die personeelsleden houder zijn van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in een bijlage van het voormelde decreet van 8 februari 1999, worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in 1° hierboven; ».

Art. 37.Artikel 241 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt : « 4° de verhalen ingediend door de personeelsleden die tijdelijk aangeworven zijn voor onbepaalde tijd tegen een verslag houdende de vermelding « voldeed niet ».

Art. 38.Artikel 253 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt : « 4° elk geschil dat zou ontstaan of zou zijn ontstaan tussen de inrichtende machten en de personeelsleden die onder dit decreet vallen, te voorkomen of te slechten. »

Art. 39.Artikel 257 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een 5°, luidend als volgt : « 5° elk geschil dat zou ontstaan of zou zijn ontstaan tussen de inrichtende machten en de personeelsleden die onder dit decreet vallen, te voorkomen of te slechten. »

Art. 40.In artikel 270, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden « het advies van de raad van beroep dat in dit geval bindend is voor de inrichtende macht » vervangen door de woorden « het advies van de raad van beroep dat in dit geval bindend is voor de inrichtende macht, en het feit dat het verhaal, in dat geval, opschortend is. » Afdeling II. - Bepalingen ter bevordering van de slaagkansen en tot

stimulering van de evaluatie van de kwaliteit

Art. 41.In hoofdstuk V van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, wordt een afdeling 5 ingevoegd, houdende een artikel 37bis en 37ter, luidend als volgt : « Afdeling 5. - Steunverlening ter bevordering van de slaagkansen

Art. 37bis.Voor 15 mei, voorafgaand aan het betrokken academiejaar, zenden de besturen van de hogescholen de Algemene Raad een dossier over houdende de maatregelen die ze wensen te treffen ter bevordering van de slaagkansen bij de studenten van de eerste generatie die zich bij hen komen inschrijven, om de financiering aan te vragen bedoeld in artikel 21quinquies van het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen.

De Algemene Raad onderzoekt de ingediende dossiers en deelt dan de Regering, voor 30 juni van hetzelfde jaar, een met redenen omkleed advies mee over elk van de overgezonden dossiers, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende criteria, waarvan de niet volledige lijst door de Regering kan worden aangevuld : 1° de medewerking tussen de hogescholen van de verschillende netten, zoals die in de Franse Gemeenschap bestaat;2° de medewerking tussen de hogeschool en ten minste één universitaire instelling, een hoger architectuurinstituut of een hogere kunstschool;3° de bijzondere aandacht die moet worden besteed aan de sociaal-economisch kansarme studenten;4° de capaciteit om het traject van de betrokken studentencategorieën vast te leggen of te beschrijven;5° de ontwikkeling van didactische methoden met het oog op een versterkte pedagogische begeleiding;6° de maatregelen voor de kwalitatieve en kwantitatieve evaluatie van het project. De Algemene Raad stelt de Regering de verdeling voor van de bedragen over de projecten die hij in aanmerking wenst te laten nemen.

De Regering verdeelt dan het toegekende bedrag over de hogescholen, op grond van het advies en het voorstel van de Algemene Raad, waarbij zij rekening houdt met het feit dat de geselecteerde projecten de slaagkansen het best kunnen bevorderen.

Art. 37ter.De hogescholen die een steun genieten die krachtens vorig artikel wordt verleend, zenden de Regering een verslag over alle initiatieven die ter bevordering van de slaagkansen worden genomen over. Dat verslag ontwikkelt inzonderheid : 1° het beleid inzake begeleiding van de studenten van de eerste cyclus;2° de maatregelen die worden genomen tot bestrijding van het falen in de eerste cyclus;3° de maatregelen voor het beleid inzake onthaal, informatie, evaluatie, oriëntatie, remediëring en heroriëntatie;4° de identificatie van de betrokken personeelsleden.»

Art. 42.In artikel 10 van het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006, wordt het bedrag « 269.173.893 euro » vervangen door het bedrag « 270.446.772 euro ».

Art. 43.In artikel 14 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2004 en 30 juni 2006, wordt tussen het vierde lid en het vijfde lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt : « Vanaf het begrotingsjaar 2007, is het forfaitair gedeelte van een hogeschool gelijk aan de som van haar forfaitair gedeelte plus haar geïndexeerde historisch gedeelte voor het begrotingsjaar 2006, vermeerderd met een forfaitair bedrag van 20.000 euro, voor zover de hogeschool, tot beloop van een opdrachtgedeelte van ten minste 4/10 voltijds equivalent, personeel tewerkstelt voor de evaluatie van de kwaliteit. »

Art. 44.In hetzelfde decreet, in hoofdstuk II, « Berekening van de globale jaarlijkse uitkering », wordt een afdeling 6 ingevoegd, houdende een artikel 21 quinquies, luidend als volgt : « Afdeling 6. - Uitkering voor de bevordering van slaagkansen.

Art. 21quinquies.Er wordt een bedrag van 465.000 euro, verdeeld overeenkomstig artikel 37bis van het decreet, aan de hogescholen toegekend voor de organisatie van initiatieven ter bevordering van slaagkansen.

De Regering kan, te dien einde, bijkomende middelen toekennen binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de schommeling van de gezondheidsindex van de consumptieprijzen.

De aldus door die instellingen verkregen middelen zullen uitsluitend voor de bijdrage in de personeelskosten worden bestemd. »

Art. 45.In het decreet van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, wordt een artikel 7ter ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 7ter.§ 1. Iedere inrichtende macht vertrouwt de taak voor de evaluatie van de kwaliteit aan één of meer meesterassistenten toe.

In elke hogeschool, krijgt ten minste één meesterassistent daartoe één opdracht van ten minste 4/10 voltijds equivalent toegekend. » § 2. Iedere hogeschool deelt de Regering, voor 15 oktober van het lopende academiejaar, de identiteit en de uuropdracht van de in dat kader aangestelde personeelsleden mee.

In geval van fusie, blijven de betrekkingen die aan de samengevoegde instellingen toegekend zijn, behouden voor de instelling die uit de fusie voortvloeit. » HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de hogere architectuurinstituten Afdeling I. - Bepaling tot stimulering van de evaluatie van de

kwaliteit

Art. 46.Artikel 8, § 1, van de wet van 18 februari 1977 houdende organisatie van het architectuuronderwijs, wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt : « Na de berekening van de studiebegeleiding bedoeld in de vorige leden, krijgen de instituten een vermeerdering van 0,30 eenheden, voor zover de inrichting, tot beloop van ten minste 0,30 eenheden, een coördinator voor de kwaliteit aangesteld heeft. Die aanstelling wordt bekrachtigd door middel van een verslag, dat aan de Regering vóór 15 oktober van het lopende jaar wordt overgezonden, waarbij de identiteit en de opdracht van de coördinator worden vermeld. » Afdeling II. - Bepaling tot oprichting van een hoge raad voor

architectuuronderwijs

Art. 47.De volgende artikelen worden in dezelfde wet ingevoegd : « Art. 11.1. Bij het Ministerie van de Franse Gemeenschap wordt een hoge raad voor architectuuronderwijs ingericht, hierna « raad » genoemd.

Art. 11.2. De raad is samengesteld uit : 1° drie vertegenwoordigers van de inrichtende machten van de hogere architectuurinstituten, onder wie : a) een vertegenwoordiger van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, aangesteld door de Regering;b) een vertegenwoordiger van de inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs, voorgedragen door deze of door een organisatie die deze vertegenwoordigt;c) een vertegenwoordiger van de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs, voorgedragen door deze of door een organisatie die deze vertegenwoordigt;2° acht vertegenwoordigers van de personeelsleden van de hogere architectuurinstituten, in verhouding tot twee per inrichting, voorgedragen door de inrichtende machten en gekozen uit het bestuurs- of onderwijzend personeel;3° vier vertegenwoordigers van de studenten van de hogere architectuurinstituten, voorgedragen door de representatieve studentenorganisaties die op gemeenschapsniveau worden erkend;4° vier vertegenwoordigers van de personeelsleden van de hogere architectuurinstituten, voorgedragen door de vakorganisaties die aansluiten in de onderwijssector en die in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd zijn; Elk lid van de raad heeft een plaatsvervanger.

Art. 11.3. De werkende leden en de plaatsvervangende leden van de raad worden door de Regering benoemd. De voordrachten bedoeld in artikel 11.2 geschieden op een dubbele lijst.

Art. 11.4. De vernieuwbare duur van het mandaat van de werkende leden en van de plaatsvervangende leden is vier jaar, met uitzondering van het mandaat van de werkende en plaatsvervangende leden bedoeld in artikel 11.2, eerste lid, 3°, dat een vernieuwbare duur van één jaar heeft.

Art. 11.5. Elk lid dat overlijdt, ontslag neemt of de hoedanigheid verliest op grond waarvan zijn mandaat toegekend was, wordt vervangen.

De plaatsvervanger, die overeenkomstig de artikelen 11.1 en 11.2 benoemd wordt, voleindigt het mandaat van zijn voorganger.

Art. 11.6. Een voorzitter en twee voorzitters van de raad worden voor een mandaat van twee jaar verkozen uit en door de leden van de raad met inachtneming van het principe van de beurtwisseling tussen de onderwijsnetten.

Art. 11.7. De minister tot wiens bevoegdheid het hoger onderwijs behoort en de directeur-generaal van het hoger onderwijs, of hun respectievelijke afgevaardigden, wonen de vergaderingen van de raad met adviserende stem bij.

Art. 11.8. De Raad kan op eigen initiatief de Regering elk advies uitbrengen over het architectuuronderwijs in de Franse Gemeenschap. De Regering stelt de termijn vast binnen welke de raad voor architectuur een advies moet uitbrengen. Die termijn mag nooit korter zijn dan één maand. Wanneer het advies niet binnen de voorgeschreven termijn uitgebracht wordt, dan maakt het gebrek aan advies de door de Regering genomen beslissing niet waardeloos.

Art. 11.9. De raad wordt bijeengeroepen op aanvraag van ofwel zijn voorzitter of zijn ondervoorzitter, ofwel van ten minste één derde van de stemgerechtigde leden, ofwel van de Regering. Hij vergadert ten minste twee keer per jaar.

Art. 11.10. De adviezen worden ingewonnen met het oog op een consensus. Kan deze niet worden bereikt, dan wordt over het advies gestemd.

De raad beslist met een meerderheid van tweederde van de aanwezige leden.

Er kunnen minderheidsnota's aan de adviezen van de raad worden toegevoegd.

Art. 11.11. De voorzitter, of bij diens afwezigheid één van de ondervoorzitters, roept de leden ten minste tien werkdagen vóór de vergadering schriftelijk bijeen. De agenda van de vergadering en de notulen van de vorige vergadering worden samen met de oproepingsbrief toegezonden.

Art. 11.12. De raad richt een bureau op, dat de werkzaamheden voorbereidt. Dat bureau is samengesteld uit de voorzitter en de ondervoorzitters.

Art. 11.13. Er wordt een bekendheidscommissie voor het architectuuronderwijs opgericht, belast met het onderzoeken van de aanvragen om bekendheid bedoeld in artikel 7, § 4, 2° van de wet van 18 februari 1977 houdende organisatie van het architectuuronderwijs, hierna « commissie » genoemd.

Art. 11.14. Die commissie is samengesteld uit vier vertegenwoordigers van de hogere architectuurinstituten en vier deskundigen, op een dubbele lijst door de raad voorgedragen en door de Regering benoemd.

De leden van die commissie moeten houder zijn van het bekwaamheidsbewijs van doctor of moeten de bekendheid hebben verworven.

De commissie wordt voorgezeten door een ambtenaar-generaal van de Diensten van de Regering, van ten minste rang 15. De voorzitter leidt de debatten maar is niet stemgerechtigd.

Art. 11.15. Elke aanvraag om erkenning van een bekendheid wordt gericht aan de voorzitter van de commissie. De aanvraagbrief kan ook bij de voorzitter van de commissie worden neergelegd, tegen een ontvangstbewijs.

De aanvraag moet de gegevens bevatten waarop de commissie zich kan baseren om een advies met kennis van zaken te kunnen uitbrengen alsook de stukken die het mogelijk maken om die gegevens te controleren.

De secretaris van de commissie deelt de Regering alle aanvragen om erkenning van een bekendheid mee die bij de voorzitter van de commissie regelmatig werden ingediend.

Art. 11.16. Iedere persoon die een aanvraag om erkenning van een bekendheid indient, kan door de commissie worden gehoord, als deze dit wenst.

Art. 11.17. De commissie beraadslaagt en beslist geldig als ten minste de helft van de leden aanwezig zijn. De adviezen worden met de volstrekte meerderheid van de aanwezige leden uitgebracht.

Art. 11.18. Binnen de zes maanden volgend op de datum van ontvangst van de aanvraag, ofwel brengt de commissie de Regering een positief advies uit over de erkenning van de bekendheid, ofwel verwittigt ze de kandidaat bij een ter post aangetekend schrijven dat die bekendheid waarschijnlijk niet zal worden toegekend. De kandidaat beschikt over een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van die kennisgeving, om de commissie bijkomende gegevens over te zenden. In dat geval, brengt de commissie de Regering haar definitief advies uit binnen de acht maanden volgend op de datum van ontvangst van de oorspronkelijke aanvraag.

Art. 11.19. De termijn bedoeld in artikel 11.14 wordt opgeschort gedurende de maanden juli en augustus.

Art. 11.20. De raad en de commissie stellen hun huishoudelijke reglementen op. Ze leggen, elk afzonderlijk, die reglementen alsook hun eventuele latere wijzigingen, aan de Regering ter goedkeuring voor.

Art. 11.21. De raad en de commissie beraadslagen en beslissen pas geldig als meer dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig zijn. Als dit quorum echter niet bereikt wordt, worden de raad en de commissie ertoe gemachtigd bij hun volgende vergadering te beraadslagen en te beslissen over de punten die niet konden worden behandeld bij de vorige vergadering, ongeacht het bereikte quorum.

Art. 11.22. De Regering stelt de raad en de commissie het personeel ter beschikking dat noodzakelijk is om er het secretariaat van waar te nemen.

Dat personeel kan worden gekozen uit de ambtenaren van niveau 1 van de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap.

Het woont de vergaderingen van de raad en de commissie met adviserende stem bij.

Art. 11.23. De raad en de commissie vergaderen in de lokalen van het ministerie van de Franse Gemeenschap.

Art. 11.24. De door de raad en de commissie uitgebrachte adviezen worden door het secretariaat aan de Regering overgezonden.

Art. 11.25. Er worden jaarverslagen over de werking en de activiteiten van de raad en de commissie aan de Regering meegedeeld.

Art. 11.26. De leden van de Raad en de Commissie genieten vergoedingen voor verblijfkosten en de terugbetaling van hun reiskosten volgens dezelfde regels als de ambtenaren van de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap van rang 12. ».

Art. 48.Artikel 6 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs wordt opgeheven.

Art. 49.In artikel 7, § 4, 2°, van de wet van 18 februari 1977 houdende organisatie van het architectuuronderwijs, worden de woorden « Vaste Raad voor het Hoger Onderwijs » vervangen door de woorden « Bekendheidscommissie voor het architectuuronderwijs ». HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de Hogere Kunstscholen Afdeling I. - Bepaling waarbij de evaluatie van de kwaliteit

gestimuleerd wordt.

Art. 50.Artikel 57 van het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten), gewijzigd bij het decreet van 2 juni 2006, wordt aangevuld als volgt : « Elke hogere kunstschool stelt een personeelslid aan dat belast is met de coördinatie van de evaluatie van de kwaliteit voor wie er een vierde aanvullende betrekkingseenheid wordt toegekend. In geval van fusie van hogere kunstscholen wordt deze opdracht vermenigvuldigd met het aantal hogere kunstscholen die een fusie hebben aangegaan.

De Hogere Kunstschool bezorgt de Regering vóór 15 oktober van het lopende jaar de identiteit en de opdracht van het personeelslid dat belast is met deze opdracht. Ingeval de Hogere Kunstschool deze informatie niet verstrekt of de opdracht besteed aan de evaluatie van de kwaliteit lager is dan één vierde aanvullende betrekkingseenheid, wordt het bijkomende bedrag voor het jaar daarop tot een passende beloop verminderd. » Afdeling II. - Bepalingen waarbij het ambt van docent wordt opgericht.

Art. 51.In het Deel II, Titel I, Hoofdstuk IV, van hetzelfde decreet, wordt een afdeling 6 met een artikel 12bis ingevoegd, luidend als volgt : « Afdeling 6. - Het pedagogisch en artistiek project van de docent ».

Art. 12bis.In het pedagogisch en artistiek project van de kandidaat voor een betrekking van docent wordt de gedetailleerde en bijzondere wijze uiteengezet waarop hij - voor elke onderwijsactiviteit of elke cursus waarvoor hij zich kandidaat stelt - zijn onderwijsopdracht binnen de hogere kunstschool bedoelt.

Dat document wordt aan de hogere kunstschool overgezonden met inachtneming van de voorschriften inzake oproep in het Belgisch Staatsblad bedoeld in de artikelen 102, 227 en 357 van dit decreet. »

Art. 52.Artikel 17, eerste lid, 4°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 2 juni 2006, wordt vervangen als volgt : « 4° twee vertegenwoordigers van de assistenten en de docenten, wanneer één van deze ambten toegekend wordt, dat elk georganiseerd domein vertegenwoordigt. »

Art. 53.In artikel 18 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Het derde lid wordt vervangen als volgt : « De vertegenwoordigers van de assistenten en docenten worden voor een hernieuwbaar mandaat van twee jaar gekozen door het geheel van de assistenten en de docenten van de hogere kunstschool.» 2° Het volgende lid wordt ingevoegd tussen het derde lid en het vierde lid : « Geen enkele vertegenwoordiger van de assistenten of docenten kan meer dan 4 mandaten opeenvolgend bekleden.» 3° In het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden « hoogleraar of begeleider » vervangen door de woorden « (hoog)leraar, begeleider, docent of assistent ».

Art. 54.In artikel 55 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 2 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) Het eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt : « 2° Het aantal betrekkingseenheden van assistenten en docenten, zoals bedoeld in de artikelen 69 en 72 van dit decreet, kan niet lager zijn dan 5 % van het totaal aantal betrekkingen noch hoger zijn dan 40 % van dit aantal;binnen hetzelfde percentage kan het aantal assistenten nooit lager zijn dan 35 % van dit aantal; » b) In het tweede lid worden de woorden « (hoog)leraren of begeleiders » vervangen door de woorden « (hoog)leraren, begeleiders of docenten »;c) In het derde lid worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraren, begeleiders of docenten »;d) In het vijfde lid worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent » en worden de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of assistent » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider, docent of assistent ».

Art. 55.Artikel 69 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : « 2°bis docent; ».

Art. 56.In artikel 72 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 2 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Er wordt een § 2bis ingevoegd, luidend als volgt : « § 2bis.De prestaties van de docenten omvatten de steunverlening aan en de begeleiding van de studenten. Ze kunnen verantwoordelijk zijn voor de onderwijsactiviteiten opgesomd in artikel 4 van het decreet en voor de evaluatie van de studenten. Ze werken samen met de assistenten en met de hoogleraren aan de begeleiding van onderwijsactiviteiten. Ze kunnen ook de coördinatie toegewezen krijgen van een team docenten en assistenten in het kader van een cursus of een project.

De wekelijkse opdracht met volledige prestaties van een docent omvat 20 uren per week. Ze is deelbaar in twintigsten van een opdracht. 2° In § 4 wordt het eerste lid vervangen als volgt : « De (hoog)leraren zijn verantwoordelijk voor de onderwijsactiviteiten opgesomd in artikel 4 van het decreet en voor de evaluatie van de studenten.Als verantwoordelijke voor een cursus, een onderwijsactiviteit, een optie, een afdeling of een domein, kunnen ze belast worden met de coördinatie van een team assistenten, docenten, begeleiders of (hoog)leraren. »

Art. 57.In artikel 81 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid wordt het woord « (hoog)leraren » vervangen door de woorden « (hoog)leraren, begeleiders of docenten »;2° In het tweede lid wordt het woord « (hoog)leraar vervangen door de woorden « (hoog)leraar, begeleider, of docent ».

Art. 58.In artikel 82 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1, eerste lid, wordt het woord « (hoog)leraar » vervangen door de woorden « (hoog)leraar of docent »;2° In § 1, tweede lid, worden de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of assistent » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider, docent of assistent »;3° In § 1, derde lid, worden de woorden « van (hoog)leraar of assistent » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, docent of assistent ».

Art. 59.In artikel 101, derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 3 maart 2004 en gewijzigd bij het decreet van 2 juni 2006, wordt het woord « (hoog)leraar vervangen door de woorden « (hoog)leraar of docent ».

Art. 60.In artikel 102, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden « (hoog)leraren, begeleiders en assistenten » vervangen door de woorden « (hoog)leraren, begeleiders, docenten en assistenten, ».

Art. 61.In artikel 104, § 1, vierde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « van (hoog)leraar en begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider en docent ».

Art. 62.In artikel 108, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 63.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel III, Hoofdstuk II, Afdeling 2, Onderafdeling 2, van hetzelfde decreet, wordt vervangen

als volgt : « Onderafdeling 2.- Aanstelling voor bepaalde duur van (hoog)leraren, begeleiders en docenten ».

Art. 64.In artikel 110 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « (hoog)leraar, begeleider of docent »;2° In het eerste lid, 2°, worden de woorden « van (hoog)leraar kunstvakken en begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar kunstvakken, docent kunstvakken en begeleider »;3° In het eerste lid wordt 3°, opgeheven bij het decreet van 2 juni 2006, hersteld in de volgende lezing : « 3° voor de docenten, na gedurende ten minste zes jaar het ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent te hebben uitgeoefend, waarvan ten minste twee jaar in de hogere kunstschool waar de aanstelling plaatsvindt.»

Art. 65.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel III, Hoofdstuk II, Afdeling 2, Onderafdeling 4, van hetzelfde decreet, wordt vervangen

als volgt : « Onderafdeling 4. - Aanstelling voor onbepaalde duur van (hoog)leraren, begeleiders en docenten ».

Art. 66.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel III, Hoofdstuk II, Afdeling 4, van hetzelfde decreet, wordt vervangen als volgt :

« Afdeling 4. - Benoeming in vast verband in een ambt van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 67.Artikel 127, 10°, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « 10° voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarden vastgesteld door artikel 10, § 7, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, en, voor de (hoog)leraren of docenten kunstvakken, aan de voorwaarde inzake nuttige ervaring in een kunstpraktijk bedoeld in artikel 110. »

Art. 68.In artikel 131 van hetzelfde decreet worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 69.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel III, Hoofdstuk III, van hetzelfde decreet, wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk III. - Administratieve standen van de (hoog)leraren, begeleiders en docenten ».

Art. 70.In artikel 226, derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 3 maart 2004 en gewijzigd bij het decreet van 2 juni 2006, wordt het woord « (hoog)leraar » vervangen door de woorden « (hoog)leraar of docent ».

Art. 71.In artikel 227, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « (hoog)leraren, begeleiders en assistenten » vervangen door de woorden « (hoog)leraren, begeleiders, docenten en assistenten ».

Art. 72.In artikel 229, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « (hoog)leraar en begeleider » vervangen door de woorden « (hoog)leraar, begeleider en docent ».

Art. 73.In artikel 233, § 1, eerste lid worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 74.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel IV, Hoofdstuk II, Afdeling 2, Onderafdeling 2, van hetzelfde decreet, wordt vervangen

als volgt : « Onderafdeling 2. - Aanstelling voor een bepaalde duur van (hoog)leraren, begeleiders en docenten ».

Art. 75.In artikel 235 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent »;2° In het eerste lid, 2° worden de woorden « van (hoog)leraar voor kunstvakken en begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar kunstvakken, docent kunstvakken en begeleider »;3° Het eerste lid, 3°, opgeheven bij het decreet van 2 juni 2006, wordt hersteld in de volgende lezing : « 3° voor de docenten, na gedurende ten minste zes jaar het ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent te hebben uitgeoefend, waarvan ten minste twee jaar in de hogere kunstschool waar de aanstelling plaatsvindt.»

Art. 76.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel IV, Hoofdstuk II, Afdeling 2, Onderafdeling 4, van hetzelfde decreet wordt vervangen als

volgt : « Onderafdeling 4. - Aanstelling voor onbepaalde duur van (hoog)leraren, begeleiders en docenten ».

Art. 77.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel IV, Hoofdstuk II, Afdeling 4, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt :

« Afdeling 4. - De vaste benoeming in een ambt van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 78.Artikel 254, 10°, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « 10° aan de anciënniteitsvoorwaarden voldoen, zoals bedoeld in artikel 10, § 7, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs en, voor de (hoog)leraren kunstvakken of docenten kunstvakken, aan de voorwaarde inzake nuttige ervaring in een kunstpraktijk bedoeld in artikel 235 ».

Art. 79.In artikel 258, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 80.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel IV, Hoofdstuk III, van hetzelfde decreet, wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk III. - Administratieve standen van (hoog)leraren, begeleiders en docenten. »

Art. 81.In artikel 356, derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 3 maart 2004 en gewijzigd bij het decreet van 2 juni 2006, wordt het woord « (hoog)leraar » vervangen door de woorden « (hoog)leraar of docent ».

Art. 82.In artikel 357, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « van de (hoog)leraren, begeleiders en assistenten » vervangen door de woorden « van de (hoog)leraren, begeleiders, docenten en assistenten ».

Art. 83.In artikel 359, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « van (hoog)leraar en begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider en docent ».

Art. 84.In artikel 363, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 85.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel V, Hoofdstuk III, Afdeling 2, Onderafdeling 2, van hetzelfde decreet, wordt vervangen

als volgt : « Onderafdeling 2. - Aanwerving voor bepaalde duur van (hoog)leraren, begeleiders en docenten ».

Art. 86.In artikel 365 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent »;2° In het eerste lid, 2°, worden de woorden « van (hoog)leraar voor kunstlessen en begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar kunstvakken, docent kunstvakken en begeleider »;3° Het eerste lid, 3°, opgeheven bij het decreet van 2 juni 2006, wordt hersteld in de volgende lezing : « 3° voor de docenten, na gedurende ten minste zes jaar het ambt van (hoog)leraar, begeleider of assistent te hebben uitgeoefend, waarvan ten minste twee jaar in de hogere kunstschool waar de aanstelling plaatsvindt;».

Art. 87.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel V, Hoofdstuk III, Afdeling 2, Onderafdeling 4, van hetzelfde decreet, wordt vervangen

als volgt : « Onderafdeling 4. - Aanwerving voor onbepaalde duur van de (hoog)leraren, begeleiders en docenten ».

Art. 88.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel V, Hoofdstuk III, Afdeling 4, van hetzelfde decreet, wordt vervangen als volgt :

« Afdeling 4. - Aanwerving in vast verband in een ambt van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 89.Artikel 384, 10°, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « 10° aan de anciënniteitsvoorwaarden voldoen, vastgesteld door artikel 10, § 7 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, en, voor de (hoog)leraren of docenten kunstvakken, aan de voorwaarde van nuttige ervaring binnen een artistieke praktijk bedoeld in artikel 365. »

Art. 90.In artikel 388, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « van (hoog)leraar of begeleider » vervangen door de woorden « van (hoog)leraar, begeleider of docent ».

Art. 91.Het opschrift van het Vierde Deel, Titel V, Hoofdstuk V, van hetzelfde decreet, wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk V. - Administratieve standen van de (hoog)leraren, begeleiders en docenten. » HOOFDSTUK V. - Diverse bepalingen

Art. 92.In artikel 1, § 4, eerste lid, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 20 december 2001, worden de woorden « en 10, § 7. » vervangen door de woorden « , 10, § 7, en 15bis. »

Art. 93.In artikel 10, § 7, tweede lid, a) van dezelfde wet worden de woorden « in het secundair onderwijs » geschrapt.

Art. 94.In Hoofdstuk VI, Wijze van ontwikkeling van de onderwijsnetten in het hoger onderwijs » van dezelfde wet, wordt een artikel 15bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 15bis.Ingeval van fusie, overname of overdracht, waarbij één of meer inrichtingen van dezelfde inrichtende macht of van verschillende inrichtende machten betrokken zijn, worden de nadere regels voor werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden van de betrokken personeelsleden voorafgaandelijk onderhandeld tussen de vertegenwoordigers van de inrichtende macht en, naargelang het geval, met de vertegenwoordigers van de personeelsleden verkozen binnen het basisoverlegcomité, met de vertegenwoordigers van de personeelsleden verkozen binnen de lokale paritaire commissie of met de vakvereniging. » HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 95.In afwijking van artikel 8, worden de bedragen bedoeld in artikel 29, § 1 en § 2 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instelling, respectievelijk op « 103.419.005 » en « 312.057.679 » vastgesteld voor het begrotingsjaar 2007.

Art. 96.In afwijking van artikel 9, wordt het bedrag bedoeld in artikel 32bis, eerste lid, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instelling, op « 8.132.833 euro » vastgesteld voor het begrotingsjaar 2007.

Art. 97.In afwijking van artikel 42 wordt het bedrag bedoeld in artikel 10 van het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, op « 269.270.195 euro » vastgesteld voor het begrotingsjaar 2007.

Art. 98.In afwijking van artikel 43 zullen de Hogescholen een aanvullend vast bedrag van « 5.000 euro » krijgen voor het begrotingsjaar 2007.

Art. 99.Art. 461, § 4, van het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten), wordt aangevuld als volgt : « In afwijking van de artikelen 110, 235 en 365, kunnen de ambtsjaren die tot en met het academiejaar 2007-2008 uitgeoefend worden in het ambt van lector, in aanmerking worden genomen voor de toegang tot het ambt van docent.

Art. 100.De artikelen 12, 13 en 44 treden in werking op 1 januari 2008.

De artikelen 14, 15, 16, b), 22, b), en 28, b), hebben uitwerking met ingang van 1 september 2005.

De andere artikelen hebben uitwerking met ingang van 1 september 2007.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 11 januari 2008.

De Minister-Presidente, belast met het Leerplichtonderwijs, Mevr. M. ARENA De Vice-Presidente, Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Internationale Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Vice-President, Minister van Begroting, Financiën, Ambtenarenzaken en Sport, M. DAERDEN De Minister van Cultuur en de Audiovisuele Sector, Mevr. F. LAANAN De Minister van Jeugd en Onderwijs voor Sociale Promotie, M. TARABELLA De Minister van Kinderwelzijn, Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid, Mevr. C. FONCK _____ Nota (1) Zitting 2007-2008 Stukken van de Raad.- Ontwerp van decreet, nr. 492-1. - Commissieamendementen, nr. 492-2. - Verslag nr. 492-3.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 8 januari 2008.

^