Etaamb.openjustice.be
Decreet van 29 maart 2018
gepubliceerd op 14 mei 2018

Decreet tot wijziging van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet en het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 12 van de Grondwet

bron
waalse overheidsdienst
numac
2018011986
pub.
14/05/2018
prom.
29/03/2018
ELI
eli/decreet/2018/03/29/2018011986/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

29 MAART 2018. - Decreet tot wijziging van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet en het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 12 van de Grondwet (1)


Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Waalse Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Dit decreet regelt bepaalde aangelegenheden bedoeld in de artikelen 127, § 1, en 128 van de Grondwet overeenkomstig artikel 138 ervan. HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet

Art. 2.In artikel 2 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet, gewijzigd bij het decreet van 24 april 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht : a) er wordt een artikel 3° /1 ingevoegd, luidend als volgt : "3° /1 : "uitvoerend bureau" : het beperkt bestuursorgaan dat, ongeacht zijn benaming één of meerdere bestuurders omvat en een deel van de bevoegdheden van het bestuursorgaan krijgt;"; b) nummer 4° wordt vervangen als volgt : 1° "4° "instelling" : een publiekrechtelijke rechtspersoon;of een entiteit gecontroleerd door een publiekrechtelijke rechtspersoon of waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon een gekwalificeerde deelneming bezit."; c) in 12° worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord "geanonimiseerde" wordt vervangen door het woord "nominatieve";2° het woord "en" wordt ingevoegd tussen de woorden "betrokken persoon" en de woorden "waarvan de voornaam";3° de woorden "niet aan de" worden vervangen door de woorden "aan de";d) het wordt aangevuld met de punten 13°, 14°, 15°, 16°, 17 °, 18°, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° en 24° , luidend als volgt : "13° "afgeleid mandaat" : het mandaat of de functie uitgeoefend door de overheidsbestuurder, de beheerder of het personeelslid van een instelling en die dat/die hem toevertrouwd is door of op de voordracht van de instelling waaronder hij ressorteert;14° "openbaar mandaat, functie of ambt van politieke aard" : alle openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard zoals bepaald in artikel L5111-1, 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;15° "mandaat, leidende functie of beroep, ongeacht de aard ervan, uitgeoefend zowel in de openbare sector als in opdracht van elke natuurlijke of rechtspersoon, elke instelling of feitelijke vereniging, gevestigd in België of in het buitenland" : mandaten, leidende functies of beroepen zoals bepaald in artikel L5111-1, 8°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;16° "controleorgaan" : het controleorgaan opgericht overeenkomstig artikel L5111-1, 15°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;17° "samenwerkingsakkoord van 20 maart 2014" : het samenwerkingsakkoord van 20 maart 2014 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap betreffende het bestuur in de uitvoering van de openbare mandaten in de overheidsinstellingen en in de van de overheid afgeleide entiteiten;18° "beveiligde elektronische weg" : elk beveiligd communicatiemiddel dat zorgt voor de elektronische toezending van gegevens die van het controleorgaan afkomstig zijn of die aan bedoeld orgaan in het kader van zijn bevoegdheden worden gericht, volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten met inachtneming van de eisen bepaald in artikel 5 van het decreet van 27 maart 2014 betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden;19° "bijzondere functie" : de voorzitter of de ondervoorzitter van de door de raad van bestuur aangewezen comités;20° " publiekrechtelijke rechtspersoon" : het Waalse Gewest, de Waalse gemeenten, de Waalse provincies, de Waalse intercommunales en de andere bij een decreet of een besluit van de Waalse Regering opgerichte rechtspersonen dan de vennootschappen of verenigingen waarin de openbare besturen een gekwalificeerde deelneming bezitten;21° "deelneming" : een deelneming in het kapitaal of in het sociaal fonds van een entiteit; 22° "gekwalificeerde deelneming" : een deelneming in het kapitaal of in het sociaal fonds van een entiteit, waarbij de persoon of de entiteit die ze bezit, ofwel de aanneming van een beslissing door de organen van deze entiteit krachtens de op de entiteit toepasselijke wet kan verhinderen, haar statuten of een overeenkomst, ofwel één of meerdere bestuurders kan aanwijzen, krachtens de wet toepasselijk op de entiteit, haar statuten of een overeenkomst.; 23° "entiteit" : elke andere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke constructie met rechtspersoonlijkheid dan een publiekrechtelijke rechtspersoon; 24° "openbaar mandaat" : een openbaar mandaat zoals bepaald in artikel 1, § 2, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 20 maart 2014 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap betreffende het bestuur in de uitvoering van de openbare mandaten in de overheidsinstellingen en in de van de overheid afgeleide entiteiten."; e) het wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt : "Wat het eerste lid, 3° /1, betreft, bestaat het uitvoerend bureau uit de voorzitter, de ondervoorzitter en uit maximum 25 % van de leden van de raad van bestuur, met inbegrip van de voorzitter en de ondervoorzitter.De beheerder neemt, als genodigde, deel aan het uitvoerend bureau.".

Art. 3.Artikel 3 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt : 1° in § 4 wordt het tweede lid vervangen als volgt "De beheerder, de overheidsbestuurder en de waarnemer mogen geen rechtspersoon zijn."; 2° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt : " § 5.De artikelen 1 tot en met 16, 18, 18bis en 19 van dit decreet zijn van toepassing op elke overheidsbestuurder en op elke beheerder die zijn ambt uitoefent in de entiteiten waarin de in § 1 bedoelde instellingen rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten.

In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 1 tot en met 16, 18, 18bis en 19 niet van toepassing op de overheidsbestuurders en op de beheerders : 1° van de entiteiten waarin een instelling tijdelijk een deelneming, met inbegrip van een gekwalificeerde deelneming, bezit, wanneer ze die deelneming bezit, met als uitsluitend doel de steun voor de oprichting, de ontwikkeling of de herstructurering van een onderneming in de zin van artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, en die geen openbare dienst exploiteren en/of die geen overheidsgezag uitoefenen; 2° voor wie een met redenen omklede afwijking, op voorafgaandelijk, schriftelijk en met redenen verzoek van de betrokken entiteit, toegekend is bij besluit van de Regering. Voor de entiteiten waarin een instelling een gekwalificeerde deelneming bezit, wordt een vergelijkend onderzoek van bezoldigingen uitgevoerd vóór de aanwerving of elke wijziging van de bezoldiging van de beheerders."; 3° er wordt een paragraaf 6 ingevoegd, luidend als volgt : "De vennootschap met een significante lokale overheidsparticipatie zoals bepaald in artikel L5111-1, eerste lid, 10°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie valt niet onder het toepassingsgebied van de bepalingen van dit decreet .".

Art. 4.Er wordt in hoofdstuk I van hetzelfde decreet een artikel 3/1 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 3/1.De functie van beheerder is onverenigbaar met : 1° het mandaat van lid van een gemeentecollege of een provinciecollege;2° het mandaat van voorzitter van een gemeentecollege of een provinciecollege;3° het mandaat van lid van het Europees Parlement, van de federale wetgevende kamers of van een Gewest- en Gemeenschapsparlement;4° een mandaat van overheidsbestuurder binnen de instelling waarvan hij de beheerder is. De titularis van een functie van beheerder die de hoedanigheid van kabinetschef of adjunct-kabinetschef van een lid van de federale Regering of van een deelgebied of van een Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft of krijgt, wordt geacht verhinderd te zijn.

De beheerder woont de Raad van bestuur met raadgevende stem bij.".

Art. 5.In artikel 8 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 april 2011, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt : " § 2. Bovendien is het mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter of de uitoefening van bijzondere functies binnen een instelling onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van het kabinet van : 1° de Minister van Regering onder wie de instelling ressorteert; 2° de Minister-President en de Vice-Presidenten van de Regering.".

Art. 6.In artikel 15 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 24 november 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1, in § 1, eerste lid, worden de woorden "individuele en geanonimiseerde" vervangen door de woorden "individuele en nominatieve"; 2° in § 2, 2°, worden de woorden "over de desbetreffende mandaten en bezoldigingen die die overheidsbestuurders gekregen hebben in de rechtspersonen waarin de instelling participaties bezit of waarin ze medewerkende instantie is en waar de overheidsbestuurders op zijn voordracht werden aangewezen" vervangen door de worden "over de bezoldigingen betreffende de afgeleide mandaten die rechtstreeks worden gestort aan de instelling waaronder de persoon die het afgeleide mandaat uitoefent, ressorteert";3° § 2 wordt aangevuld met een lid 2, luidend als volgt : "Het bezoldigingsverslag bevat, voor de waarnemers, de in het eerste lid, 1°, bedoelde informatie";4° in § 3, eerste lid, wordt 3° vervangen als volgt : "3° de volledige informatie over de bezoldigingen betreffende de afgeleide mandaten die rechtstreeks worden gestort aan de instelling waaronder de persoon die het afgeleide mandaat uitoefent, ressorteert";5° in § 6, eerste lid, worden de woorden "en niet geanonimiseerde " vervangen door het woord "nominatieve".

Art. 7.Er wordt in hoofdstuk III van hetzelfde decreet een artikel 15/1 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 15/1.§ 1. De overheidsbestuurders en de beheerders zijn verplicht om bij het controleorgaan een jaarlijkse aangifte te doen van hun mandaten, functies en bezoldigingen. Hoewel ze ook krachtens het vijfde deel van het Wetboek van plaatselijke democratie en decentralisatie aan die verplichting worden onderworpen, wordt hun aangifte overgemaakt via de formulieren opgesteld voor de personen die krachtens bedoeld Wetboek aan die verplichting worden onderworpen. Een eenmalige aangifte wordt ingediend door de overheidsbestuurder die een functie van beheerder uitoefent volgens de in § 2 bedoelde bepalingen. § 2. De aangifte die door de overheidsbestuurder wordt ingevuld, omvat voor het jaar vóór welk waarin de aangifte wordt ingevuld, de volgende luiken : 1° vermelding van de mandaten van overheidsbestuurder alsook van het bedrag van de bezoldiging betaald als tegenprestatie van de uitoefening van deze mandaten van overheidsbestuurder en van de daaraan gebonden voordelen in natura - luik 1;2° vermelding van de mandaten toegekend of voorgesteld door de instelling waarin de overheidsbestuurder zijn mandaat uitoefent - luik 2;3° vermelding van de openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard alsook van het bedrag van de presentiegelden en van de bezoldiging betaald als tegenprestatie van de uitoefening van deze openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard en van de daaraan gebonden voordelen in natura - luik 3;4° vermelding van de functies van beheerder alsook van het bedrag van de bezoldiging betaald als tegenprestatie van de uitoefening van deze functies van beheerder en van de daaraan gebonden voordelen in natura - luik 4;5° vermelding van de mandaten, leidende functies of beroepen, ongeacht de aard ervan, uitgeoefend zowel in de openbare sector als in opdracht van elke natuurlijke of rechtspersoon, elke instelling of feitelijke vereniging, gevestigd in België of in het buitenland - luik 5. Wat het eerste lid, 5°, betreft, vermeldt de aangifte welke van de mandaten, leidende functies of beroepen aanleiding geven tot de toekenning van presentiegelden, bezoldigingen of voordelen in natura. § 3. De aangifte die door de beheerder wordt ingevuld, omvat voor het jaar waarin de aangifte wordt ingevuld, de volgende luiken : 1° vermelding van de functie van beheerder alsook van het bedrag van de bezoldiging betaald als tegenprestatie van de uitoefening van deze functies van beheerder en van de daaraan gebonden voordelen in natura - luik 1;2° vermelding van de functies die het gevolg zijn van de functie van beheerder - luik 2;3° vermelding van de openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard alsook van het bedrag van de presentiegelden en van de bezoldiging betaald als tegenprestatie van de uitoefening van deze openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard en van de daaraan gebonden voordelen in natura - luik 3;4° vermelding van de mandaten, leidende functies of beroepen, ongeacht de aard ervan, uitgeoefend zowel in de openbare sector als in opdracht van elke natuurlijke of rechtspersoon, elke instelling of feitelijke vereniging, gevestigd in België of in het buitenland. Wat het eerste lid, 4°, betreft, vermeldt de aangifte welke van de mandaten, leidende functies of beroepen aanleiding geven tot de toekenning van presentiegelden, bezoldigingen of voordelen in natura - luik 4.".

Art. 8.Er wordt in hoofdstuk III van hetzelfde decreet een artikel 15/2 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 15/2.§ 1. Uiterlijk op 1 juni van elk jaar richten de overheidsbestuurder en de beheerder bij aangetekend schrijven, bij beveiligde elektronische weg of volgens de door het controleorgaan bepaalde modaliteiten, een aangifte die de in artikel 15/1 bedoelde luiken omvat, aan het controleorgaan.

De fiscale fiches die de controle van de in het eerste lid bedoelde bezoldigingen door het controleorgaan mogelijk maken, worden door de overheidsbestuurder en door de beheerder bij de aangifte gevoegd.

De aangiftemodellen worden door het controleorgaan vastgesteld.

Het controleorgaan is de verantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in artikel 1, § 4, tweede lid, van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Het controleorgaan behoudt de aangiften en de fiscale fiches bedoeld in het tweede lid die hem worden overgemaakt, tijdens een periode van zes jaar. Na afloop van die termijn zorgt het voor de vernietiging ervan. § 2. Onverminderd de opdrachten bedoeld in het vijfde deel van het Wetboek van plaatselijke democratie en decentralisatie is het controleorgaan belast met de volgende taken : 1° het verifieert de overeenstemming van alle aangiften met de bepalingen van de artikelen 15/1 en 15/2;2° het gaat na of de verplichtingen inzake bezoldigingsplafonds en voordelen in natura bedoeld in artikel 15bis, § 1, eerste lid, 3°, nageleefd worden;3° het gaat na of het in artikel 15bis, § 1, eerste lid, 10°, bedoelde plafond nageleefd wordt;4° het gaat na of het in artikel 15, § 3, eerste en tweede lid, bedoelde bezoldigingsplafond nageleefd wordt. Het controleorgaan kan zich door de aan zijn gezag onderworpen persoon zijn aanslagbiljet, zijn belastingaangifte alsook elk boekhoudkundig document of elk bewijsstuk in zijn bezit, laten bezorgen.

Het controleorgaan kan ook die persoon horen.

Indien er aanwijzingen van inbreuk van de verplichtingen bedoeld in de in het eerste lid bedoelde artikelen zijn, kan het controleorgaan zich door elke derde zijn aanslagbiljet, zijn belastingaangifte alsook elk boekhoudkundig document of elk bewijsstuk in zijn bezit, laten bezorgen. Het controleorgaan kan ook die derde horen. § 3. Het controleorgaan stelt een kadaster van de mandaten vast voor elke overheidsbestuurder en beheerder. Dit kadaster omvat de informatie verstrekt door de aangever in de verschillende luiken van zijn aangifte, zoals opgesomd in artikel 15/1.

Dit kadaster wordt jaarlijks in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest bekendgemaakt.

De bekendmaking wordt verricht uiterlijk op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de functies en de mandaten zijn uitgeoefend.

De lijst van de overheidsbestuurders en van de beheerders die de in artikel 15/1 bedoelde aangiften aan het einde van de procedure betreffende de verificatie van de in artikel 15/3 bedoelde aangiften niet hebben ingediend, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest op hetzelfde ogenblik als de bekendmaking van het kadaster.

Indien de overheidsbestuurder of beheerder binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van het kadaster een verschil vaststelt tussen het bekendgemaakte kadaster en de aangifte die hij aan het controleorgaan heeft gericht, maakt hij bij aangetekend schrijven of volgens de modaliteiten bepaald door het controleorgaan een verbetering over aan bedoelde orgaan . Het controleorgaan zorgt voor de bekendmaking van de verbetering in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest.

De verbeteringen die tussen 15 november en de bekendmaking van het kadaster in de aangifte worden aangebracht door de overheidsbestuurder of de beheerder, kunnen niet in aanmerking worden genomen voor de bekendmaking die uiterlijk op 31 december wordt uitgevoerd.

Het controleorgaan zorgt voor de latere bekendmaking van deze verbeteringen in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest.

Het personeel van het beheersorgaan is tot het beroepsgeheim gehouden overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Het kan inlichtingen betreffende de uitoefening van zijn opdracht alleen met inachtneming van de in dit decreet bedoelde bekendmakingregels verspreiden . § 4. Het Rekenhof controleert minstens om de drie jaar de door het controleorgaan ingevoerde processen.".

Art. 9.Er wordt in hoofdstuk III van hetzelfde decreet een artikel 15/3 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 15/3.§ 1. Het controleorgaan stelt een advies tegen de overheidsbestuurder of de beheerder op wanneer bedoeld orgaan het gebrek aan aangifte vaststelt terwijl ze vereist was, een anomalie constateert of een onregelmatigheid vermoedt in de bepalingen van de artikelen 15/1, 15/2, 15bis § 1, eerste lid, 3° en 10°, en 15bis, § 3, eerste en tweede lid.

Het in het eerste lid bedoelde advies : 1° vermeldt de tekortkomingen die kunnen worden verweten aan de overheidsbestuurder of aan de beheerder;2° wordt bij aangetekend schrijven aan de betrokken persoon betekend. Onder betrokken persoon zoals bedoeld in het tweede lid, 2°, wordt verstaan, volgens het geval, de overheidsbestuurder of de beheerder. § 2. De betrokken persoon beschikt over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het advies om zijn opmerkingen of zijn verbeterde aangifte, samen met een eventueel verzoek om gehoord te worden, bij aangetekend schrijven gericht aan het controleorgaan mede te delen.

Indien daarom wordt verzocht, vindt de hoorzitting plaats binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst door het controleorgaan van het in het eerste lid bedoeld aangetekend schrijven. De betrokken persoon kan door een raadsheer bijgestaan worden.

Een proces-verbaal van de hoorzitting wordt opgemaakt en gericht bij aangetekend schrijven aan de betrokken persoon binnen acht dagen na de hoorzitting. Laatstgenoemde beschikt over drie dagen na ontvangst van het proces-verbaal om zijn opmerkingen bij aangetekend schrijven te opperen. Zoniet wordt het proces-verbaal als definitief beschouwd.

Het controleorgaan geeft zijn beslissing binnen : 1° vijfenzeventig dagen na de kennisgeving van zijn advies indien de betrokken persoon daarop niet gereageerd heeft;2° vijfenzeventig dagen na ontvangst van de opmerkingen of van de verbeterde aangifte van de mandataris indien de betrokken persoon niet gehoord is;3° vijfenzeventig dagen na de definitieve opstelling van het proces-verbaal van de hoorzitting indien ze plaatsgevonden heeft. Het controleorgaan richt zijn beslissing bij aangetekend schrijven aan de betrokken persoon.

Het controleorgaan richt het in § 1, eerste lid, bedoelde advies binnen elf maanden na ontvangst van de aangifte.

De aangifte wordt geacht overeen te stemmen met de bepalingen van dit decreet voor het referentiejaar indien het controleorgaan het in § 1, eerste lid, bedoelde advies niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gericht. § 3. De beslissing van het controleorgaan heeft betrekking op het bestaan en de overeenstemming van de aangiften met de bepalingen bedoeld in artikel 15/2, § 2, eerste lid, die het voorwerp hebben uitgemaakt van de in de §§ 1 en 2 bedoelde procedure. Indien nodig omvat ze omvat de afrekening van de sommen die in het verleden door de overheidsbestuurder of beheerder te veel zijn ontvangen, en de terugbetalingsvoorwaarden.

Het controleorgaan maakt de beslissing over aan de overheid die het mandaat heeft toevertrouwd aan de betrokken persoon of die de beheerder heeft aangewezen.

De betrokken persoon betaalt de in het eerste lid bedoelde sommen die te veel zijn ontvangen, terug binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van het controleorgaan.

Het controleorgaan kan de in het derde lid bedoelde termijn verlengen met een periode die het bepaalt voor zover de betrokken persoon binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing de uitzonderlijke redenen waarop zijn verzoek is gegrond, bij aangetekend schrijven heeft meegedeeld.

De terugbetaling van de sommen die t.o.v. artikel 15bis, § 1, 10°, door de overheidsbestuurder te veel zijn ontvangen, gebeurt ten gunste van de instellingen waarin hij zijn mandaten die in verhouding tot de te veel ontvangen bezoldigd worden, uitoefent.

De terugbetaling van de sommen die door de overheidsbestuurder of de beheerder te veel zijn ontvangen, gebeurt ten gunste van de instelling die de te veel ontvangen som heeft gestort.

De betrokken persoon richt zo spoedig mogelijk het bewijs van de terugbetaling aan het controleorgaan.".

Art. 10.Er wordt in hoofdstuk III van hetzelfde decreet een artikel 15/4 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 15/4.§ 1. De overheid die de openbare mandaten heeft toevertrouwd kan aan het einde van de in § 2 bedoelde procedure de openbare mandaten herroepen wanneer de betrokken persoon : 1° geen aangifte heeft ingediend;2° opzettelijk een valse aangifte heeft ingediend;3° verzuimd heeft de onbehoorlijk gekregen sommen binnen de voorgeschreven termijn terug te betalen;4° de in artikel 15bis, § 1, eerste lid, 10°, bedoelde verplichtingen niet heeft nageleefd. § 2. Het controleorgaan deelt bij aangetekend schrijven een kennisgeving van de feiten die van dien aard zijn dat ze de herroeping tot gevolg hebben, aan de betrokken persoon mede.

Op zijn vroegst twintig dagen na de overmaking van de kennisgeving en na de betrokken persoon, eventueel vergezeld van de raadsheer van zijn keuze, gehoord te hebben als hij daarom binnen een termijn van acht dagen na ontvangst van de kennisgeving heeft verzocht, kan de overheid die het openbaar mandaat heeft toevertrouwd, de herroeping vaststellen.

De beslissing van de overheid wordt genomen binnen een termijn van maximum één maand na het einde van de in het eerste en het tweede lid bedoelde procedure.

Deze beslissing wordt aan de betrokken persoon betekend.

In geval van herroeping van de mandaten wordt de beslissing ook betekend aan het orgaan waarin de betrokken persoon de mandaten die het voorwerp van de herroeping hebben uitgemaakt, uitoefent.

Indien de betrokken persoon zijn functies blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van zijn herroeping na ontvangst van de in het derde lid bedoelde kennisgeving, kan hij gestraft worden met de straffen bepaald in artikel 262 van het Strafwetboek.

Een op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gegrond beroep wordt tegen deze beslissing ingesteld. Het moet binnen vijftien dagen na de kennisgeving ervan ingediend worden.".

Art. 11.Er wordt in hoofdstuk III van hetzelfde decreet een artikel 15/5 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 15/5.§ 1. De persoon van wie het openbare mandaat overeenkomstig artikel 15/4 is herroepen, mag niet opnieuw voor dit mandaat benoemd worden tijdens een termijn van twee jaar na de kennisgeving van de beslissing tot herroeping.".

Art. 12.Er wordt in hoofdstuk III van hetzelfde decreet een artikel 15/6 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 15/6.§ 1. De Regering stelt een register van de instellingen vast, dat het geheel van de openbare mandaten van de bestuurders en van de functies van de erin aangewezen beheerders omvat.

Het in het eerste lid bedoelde register : 1° wordt gevoegd bij het register bedoeld in artikel L6411-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;2° wordt vastgesteld op grond van de gegevens die een institutionele informant op eigen verantwoordelijkheid aan de Regering heeft overgemaakt. De Regering bepaalt de over te maken gegevens, de overmakings- en bekendmakingsmodaliteiten van de ingezamelde informatie.

De institutionele informant is de beheerder of diens afgevaardigde. In voorkomend geval deelt de beheerder de aanwijzing van zijn afgevaardigde aan de Regering mede. § 2. Uiterlijk binnen vijftien dagen volgend op de installatie van de bestuurders, die lid zijn van de beheersorganen van de instelling of binnen dertig dagen op verzoek van de Regering maakt de institutionele informant op eigen verantwoordelijkheid de volgende lijsten over : 1° de lijst van de interne organen van de instelling en de identiteit van de erin aangewezen mandatarissen en van de beheerders, met inbegrip van hun rijksregisternummer;2° de lijst van het geheel van de dochterondernemingen die de instelling of een dochteronderneming van die instelling bezit, en de identiteit van de erin aangewezen mandatarissen en van de beheerders, met inbegrip van hun rijksregisternummer. De institutionele informant maakt op eigen verantwoordelijkheid de in het eerste lid bedoelde informatie ononderbroken over zodat de Regering bij elke wijziging ervan geïnformeerd wordt. § 3. De institutionele informant stelt een lijst vast van de overheidsbestuurders en van de beheerders onderworpen aan de bij dit decreet voorziene verplichting tot aangifte en informeert hen over hun verplichtingen uiterlijk op 30 april van elk jaar. De Regering of het controleorgaan kan zonder enige voorwaarde het bewijs eisen dat deze bepaling nageleefd wordt. § 4. In geval van niet-naleving van de bepalingen van § 2 richt de Regering een schrijven aan de institutionele informant, waarin zij hem aan zijn verplichtingen herinnert; dit schrijven wordt vergezeld van een verplichting tot overmaking van de vereiste informatie binnen dertig dagen na de kennisgeving van dit schrijven.

Bij gebrek aan antwoord binnen de termijn kan de institutionele informant gestraft worden met een geldboete van 100 tot 1000 euro.

Art. 13.Artikel 15bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 april 2011 en gewijzigd bij het decreet van 24 november 2016, wordt gewijzigd als volgt : 1° de paragrafen 1 tot 3 worden vervangen als volgt : " § 1.Bij de aanwijzing van de overheidsbestuurder bepaalt de Regering op de voordracht van de Voogdijminister de vormen, bedragen en modaliteiten van de toekenning van zijn bezoldiging rekening houdende met de activiteitensector van de instelling en van het verantwoordelijkheidsniveau, met inachtneming van de volgende regels : 1° de overheidsbestuurder kan een presentiegeld ontvangen voor zijn deelneming aan het geheel van een vergadering;2° alleen de overheidsbestuurder die een functie van voorzitter of ondervoorzitter uitoefent, kan in plaats van de in 1° bedoelde presentiegelden een vaste bezoldiging en voordelen in natura ontvangen met inachtneming van de in 3° bedoelde plafonds voor de uitoefening zijn functie binnen het controleorgaan; 3° de jaarlijkse bruto-bezoldiging van een overheidsbestuurder is niet hoger dan : a) 19.997,14 euro voor de voorzitter van de raad van bestuur; b) 14.997,87 euro voor de ondervoorzitter van de raad van bestuur; c) 4.999,28 euro voor een bestuurder; 4° de reiskosten ivm verplaatsingen uitgevoerd voor de behoeften inherent aan de uitoefening van het mandaat van overheidsbestuurder of waarnemer geven aanleiding tot een tegemoetkoming in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse ambtenarencode;5° er is geen bezoldiging verschuldigd aan de overheidsbestuurders die in statutair of contractueel dienstverband binnen de diensten van de Waalse Regering of van een instelling een functie van rang A3 of hoger of een daarmee gelijk te stellen functie uitoefenen alsook aan de titularissen van een directiefunctie binnen het directiecomité van een Waalse instelling, ongeacht de aard ervan;6° de waarnemer oefent zijn opdrachten kosteloos uit;7° onverminderd punt 9° kunnen alleen de vergaderingen van de beheersorganen, van het uitvoerend bureau indien het opgericht wordt, en van het auditcomité, aanleiding geven tot presentiegelden ten belope van een presentiegeld per vergadering waaraan de overheidsbestuurder werkelijk deelneemt of aanleiding geven tot de toekenning van een bezoldiging en voordelen in natura;8° het aantal vergaderingen dat aanleiding geeft tot de toekenning van een presentiegeld, mag niet hoger zijn dan : a) voor een voornaamst beheersorgaan : twaalf per jaar;b) voor een uitvoerend bureau : achttien per jaar;c) voor een auditcomité : drie per jaar;9° dezelfde overheidsbestuurder mag alleen een presentiegeld per dag ontvangen, ongeacht de aard en het aantal vergaderingen die hij heeft bijgewoond binnen dezelfde instelling;10° het totaalbedrag geïnd door een niet-gekozen persoon als tegenprestatie van de uitvoering van het geheel van zijn openbare mandaten mag niet hoger zijn dan 50% van de parlementaire vergoeding ontvangen door een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het totaalbedrag geïnd door een niet-gekozen persoon als tegenprestatie van de uitvoering van het geheel van zijn openbare mandaten mag niet hoger zijn dan 150%% van de parlementaire vergoeding ontvangen door een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Wat de in het eerste lid, 3°, bedoelde bedragen betreft, worden ze verstaan "voordelen van alle aard inbegrepen" en worden ze gekoppeld aan spilindex 138,01 van 1 januari 1990.

Wat het eerste lid, 5° betreft, wordt de bezoldiging als tegenprestatie van de uitoefening door een overheidsbestuurder van een afgeleid mandaat rechtstreeks gestort aan de instelling waaronder de persoon die het afgeleide mandaat uitoefent, ressorteert.

Wat het eerste lid, 10° betreft, wordt voor de berekening van het plafond geen rekening gehouden met het mandaat van beheerder dat ofwel voltijds, ofwel hoofdzakelijk, uitgeoefend wordt in het kader van een rechtstreekse of onrechtstreekse arbeidsbetrekking onder een loontrekkend, zelfstandig of statutair statuut.

Onverminderd een indexeringmechanisme mag een overheidsbestuurder geen bezoldiging ontvangen die hoger is aan degene die een overheidsbestuurder in dienst binnen de betrokken instelling op 31 december 2016 en die dezelfde functie uitoefende, ontving. § 1/1. De in § 1, 2°, bedoelde bezoldiging van de voorzitter en van de ondervoorzitter wordt berekend voor de deelneming aan het geheel van de vergaderingen van de beheersorganen waaraan de bovenvermelde functies moeten deelnemen. Indien een gebrek aan deelname is vastgesteld, wordt het bedrag van de bezoldiging in evenredige mate verminderd.

De voorzitter en de ondervoorzitter die niet aan de hele vergadering hebben deelgenomen, worden geacht in gebrek aan deelname te zijn. Een gehele of gedeeltelijke afwezigheid op een vergadering van een beheersorgaan wegens een ziekte, een zwangerschapsverlof of in geval van overmacht indien deze feitelijke toestand wordt gerechtvaardigd, wordt niet als een gebrek aan deelneming geacht.

De bezoldiging wordt maandelijks aan het einde van elke maand betaald.

De raad van bestuur van de instelling die de voorzitter en de ondervoorzitter bezoldigt, voegt bij het in artikel 15 bedoelde bezoldigingsverslag een jaarlijkse samenvattende fiche die de gestorte bedragen en hun rechtvaardiging voor elke maand vermeldt. § 2. Met inachtneming van de in § 1 bedoelde plafonds, stelt het beheersorgaan, voor de instellingen onderworpen aan het Wetboek van vennootschappen, in overleg met de aandeelhouders en op voorstel van het bezoldigingscomité, de vorm, het bedrag en de nadere regels voor hun bezoldiging aan de algemene vergadering voor bij de aanwijzing van de overheidsbestuurders . Deze bepaling gebeurt door rekening te houden met de activiteitssector van elke instelling. § 3. De maximum bezoldiging van de beheerder van een instelling bedraagt het jaarlijkse bruto-bedrag van 245.000,00 euro.

De maximum bezoldiging van 245.000,00 euro wordt geïndexeerd op 1 januari van elk jaar door toepassing van de volgende formule : de maximum bezoldiging is gelijk aan 245.000,00 euro vermenigvuldigd met het indexcijfer van de consumptieprijzen van december (basis 2004) en gedeeld door 121,66 (indexcijfer van de consumptieprijzen december 2012, basis 2004);

Het jaarlijks bedrag van de bezoldiging wordt gekregen door alle bedragen in gelden en van de voordelen die in geld te schatten zijn op te tellen, waarvoor de beheerder in aanmerking komt als tegenprestatie of ter gelegenheid van zijn mandaat.

In afwijking van het derde lid worden van de bezoldiging uitgesloten : 1° de bedragen ontvangen als terugbetaling van de kosten gemaakt voor rekening van de instelling, indien ze bepaald worden met inachtneming van de toepasselijke fiscale regels;2° de voordelen van alle aard dit voortvloeien uit het privé gebruik van werkingsmiddelen, zoals de mobiele telefoon en de draagbare computer, met inbegrip van de eventuele wagen die ter beschikking wordt gesteld, indien de fiscale regels worden toegepast;3° de verzekeringspremies burgerlijke aansprakelijkheid, rechterlijke bescherming en degenen die een dekking bieden van de gemaakte kosten wegens de gezondheidstoestand van de beheerder ten laste genomen door de werkgever;4° voor het contractuele personeel, de aanvullende pensioenplannen met vaste bijdrage, waarvan het bedrag en de voorwaarden identiek toepasselijk zijn op het geheel van het personeel van de instelling. Wat het vierde lid, 2°, betreft, worden de werkingsmiddelen door de beheerder terugbezorgd na afloop van de contractuele arbeidsverhouding.

De instelling mag de volgende elementen toekennen aan de beheerder : 1° alleen de aanvullende pensioenplannen met vaste bijdrage, m.b.t. de betaling van een vaste patronale bijdrage uitgedrukt in een percentage van de bezoldiging tijdens een periode waarin de beheerder effectief tewerkgesteld is in deze hoedanigheid door de instelling, zijn toegelaten. 2° de eventuele variabele bezoldiging is beperkt tot twintig procent van de jaarlijks totaal bruto bezoldiging. Het jaarlijks totaal bruto bedrag van de in lid 6, 2°, bedoelde variabele bezoldiging wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de maximum bezoldiging bedoeld in paragraaf 3, eerste en tweede lid.

De in lid 6, 2°, bedoelde variabele bezoldiging wordt bepaald in functie van meetbare doelstellingen, financieel of andere, die minstens zes maanden op voorhand worden vastgelegd.

De instelling kent het volgende niet toe aan de beheerder : 1° een bezoldiging onder de vorm van aandelen, aandelenoptie of elk gelijkaardig product;2° in het geval van vrijwillig of ingestemd vertrek van de beheerder, een vertrekpremie, ongeacht de naam of de aard ervan, met inbegrip van de giften, en dit, onverminderd de eventuele vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens een concurrentiebeding.3° in het geval van een vertrek ten gevolge van een eenzijdige verbreking vanwege de instelling of in het geval van ontbinding van bedoelde instelling, elke andere vertrekvergoeding dan die voorzien door de wetgeving van toepassing op de arbeidsverhouding. In het geval van deeltijdse uitoefening van de functie van beheerder worden de maximum bezoldiging berekend naar rato van de overeengekomen arbeidsregeling.

Geen ander personeelslid mag een bezoldiging of voordelen hoger dan het in § 3, eerste lid, bepaalde plafond ontvangen, met uitzondering van de ziekenhuisgeneesheren en van de beoefenaars van gezondheidsberoepen respectievelijk bedoeld in artikel 3, eerste lid, 8, en in artikel 1er van gecoördineerde wet van 10 juli 2008 betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen."; 2° de paragrafen 4 en 5 worden geschrapt;3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt : " § 6.De bezoldiging geïnd als tegenprestatie van de uitoefening, door een bestuurder of een personeelslid van een instelling, van een afgeleid mandaat wordt rechtstreeks gestort aan de instelling waaronder de persoon die het afgeleide mandaat uitoefent, ressorteert."; 4° in § 9 worden de woorden "of van Regeringscommissaris" ingevoegd tussen de woorden "een mandaat van bestuurder" en de woorden ", op beslissing van de Regering"; 5° in § 10 wordt het derde lid aangevuld met volgende zin : "De voorzitter en de ondervoorzitter van de raad van bestuur maken niet deel uit van het bezoldigingscomité."; 6° het wordt aangevuld met §§ 12 en 13, luidend als volgt : " § 12.De bedragen die onbehoorlijk door de overheidsbestuurder, de waarnemer of de beheerder worden geïnd, worden terugbetaald aan de instelling die de te veel ontvangen som heeft gestort. § 13. De regels bedoeld in dit artikel zijn van toepassing op het geheel van de akten tot aanwijzing van de overheidsbestuurders, waarnemers en beheerders en op het geheel van de contracten gesloten tussen de instelling en de beheerder, met inbegrip van de akten aangenomen en de contracten gesloten vóór of later de inwerkingtreding van deze bepaling.".

Art. 14.Artikel 15ter van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 15.In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IIIter ingevoegd, met als opschrift "Auditcomité".

Art. 16.In hoofdstuk IIIter, ingevoegd bij artikel 15, wordt een artikel 15quater ingevoegd, luidend als volgt : "Art.15quater. § 1. Het beheersorgaan van een instelling richt uit zijn midden een auditcomité op.

Het auditcomité bestaat uit leden van de raad van bestuur die geen lid zijn van het uitvoerend bureau. Het maximumaantal leden van het auditcomité is niet hoger dan 25 % van het aantal leden van de raad van bestuur.

De voorzitter van het auditcomité wordt door de leden van het comité aangewezen.

Minstens één lid van het auditcomité beschikt over een praktische ervaring of over technische kennis inzake boekhouding of audit.

De beheerder van de instelling wordt met raadgevende stem op de vergaderingen uitgenodigd. § 2. De raad van bestuur bepaalt de opdrachten van het auditcomité die minstens de volgende opdrachten omvatten : 1° de mededeling aan de raad van bestuur van inlichtingen over de resultaten van de wettelijke controle op de jaarrekeningen en van uitleg over de wijze waarop de wettelijke controle op de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen bijgedragen hebben tot de integriteit van de financiële informatie en over de rol die het auditcomité in dit proces heeft gespeeld;2° de opvolging van het proces voor de uitwerking van de financiële informatie en aanbevelingen of voorstellen om er de integriteit van te waarborgen;3° de opvolging van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en beheer van de risico's van de instelling en van de opvolging van de interne audit en van de doeltreffendheid ervan;4° de opvolging van de wettelijke controle van de jaarrekeningen, met inbegrip van de opvolging van de vragen en aanbevelingen die door de Regeringscommissaris worden geformuleerd. Het auditcomité brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur over de uitoefening van zijn opdrachten, en dit, minstens bij de vaststelling door laatstgenoemde van de jaarrekeningen.". HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet

Art. 17.In artikel 2 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 38 van de Grondwet, en artikel 138, gewijzigd bij het decreet van 24 november 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) er wordt een artikel 3° /1 ingevoegd, luidend als volgt : "3° /1 : "uitvoerend bureau" : het beperkt bestuursorgaan dat, ongeacht zijn benaming één of meerdere bestuurders omvat en een deel van de bevoegdheden van het bestuursorgaan krijgt;"; b) in 7° worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord "geanonimiseerde " wordt vervangen door het woord "nominatieve";2° het woord "en" wordt ingevoegd tussen de woorden "betrokken persoon" en de woorden "waarvan de voornaam";3° de woorden "niet aan de " worden vervangen door de woorden "aan de";c) het wordt aangevuld met de punten 8°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 15°, luidend als volgt : "8° "openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard" : alle openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard zoals bepaald in artikel L5111-1, 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;9° "mandaat, leidende functie of beroep, ongeacht de aard ervan, uitgeoefend zowel in de openbare sector als in opdracht van elke natuurlijke of rechtspersoon, elke instelling of feitelijke vereniging, gevestigd in België of in het buitenland" : mandaten, leidende functies of beroepen zoals bepaald in artikel L5111-1, 8°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;10° "controleorgaan" : het controleorgaan opgericht overeenkomstig artikel L5111-1, 15°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;11° "samenwerkingsakkoord van 20 maart 2014" : het samenwerkingsakkoord van 20 maart 2014 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap betreffende het bestuur in de uitvoering van de openbare mandaten in de overheidsinstellingen en in de van de overheid afgeleide entiteiten;12° "beveiligde elektronische weg" : elk beveiligd communicatiemiddel dat zorgt voor de elektronische toezending van gegevens die van het controleorgaan afkomstig zijn of die aan bedoeld orgaan in het kader van zijn bevoegdheden worden gericht, volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten met inachtneming van de eisen bepaald in artikel 5 van het decreet van 27 maart 2014 betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden;13° "beheerder" : elke persoon die met het dagelijks bestuur belast is of optreedt in het orgaan belast met het dagelijks bestuur van de instelling;14° "afgeleid mandaat" : het mandaat of de functie uitgeoefend door de overheidsbestuurder, de beheerder of het personeelslid van een instelling en die dat/die hem toevertrouwd is door of op de voordracht van de instelling waaronder hij ressorteert; 15° "openbaar mandaat" : een openbaar mandaat zoals bepaald in artikel 1, § 2, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 20 maart 2014 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap betreffende het bestuur in de uitvoering van de openbare mandaten in de overheidsinstellingen en in de van de overheid afgeleide entiteiten."; d) het wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt : "Wat het eerste lid, 3° /1, betreft, bestaat het uitvoerend bureau uit de voorzitter, de ondervoorzitter en uit maximum 25 % van de leden van de raad van bestuur, met inbegrip van de voorzitter en de ondervoorzitter.De beheerder neemt, als genodigde, deel aan het uitvoerend bureau.".

Art. 18.In artikel 10 van hetzelfde decreet worden de woorden "de Vice-Presidenten, " ingevoegd tussen de woorden "de Minister-President," en de woorden "de toezichthoudend Minister".

Art. 19.In artikel 11 van hetzelfde decreet worden de woorden "de Vice-Presidenten, " ingevoegd tussen de woorden "de Minister-President," en de woorden "de toezichthoudend Minister".

Art. 20.In artikel 12 van hetzelfde decreet worden de woorden "de Vice-Presidenten, " ingevoegd tussen de woorden "de Minister-President," en de woorden "de toezichthoudend Minister".

Art. 21.In artikel 13 van hetzelfde decreet worden de woorden "de Vice-Presidenten, " ingevoegd tussen de woorden "de Minister-President," en de woorden "de toezichthoudend Minister".

Art. 22.In hetzelfde decreet wordt het opschrift van hoofdstuk III/1 vervangen als volgt : "Rechten en verplichtingen van de Regeringscommissaris".

Art. 23.Artikel 19/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 24 november 2016, wordt gewijzigd als volgt : 1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "individuele en geanonimiseerde" vervangen door de woorden "individuele en nominatieve";2° in § 4 worden de woorden "en niet geanonimiseerde " vervangen door het woord "nominatieve".

Art. 24.Er wordt in hoofdstuk III/1 van hetzelfde decreet een artikel 19/2 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 19/2.§ 1er. De Regeringscommissaris is verplicht om bij het controleorgaan een jaarlijkse aangifte te doen van zijn mandaten, functies en bezoldigingen. Hoewel hij ook krachtens het vijfde deel van het Wetboek van plaatselijke democratie en decentralisatie aan die verplichting wordt onderworpen, wordt zijn aangifte overgemaakt via de formulieren opgesteld voor de personen die krachtens bedoeld Wetboek aan die verplichting worden onderworpen. § 2. De aangifte die door de Regeringscommissaris wordt ingevuld, omvat voor het jaar vóór welk waarin de aangifte wordt ingevuld, de volgende luiken : 1° vermelding van de mandaten van Regeringscommissaris alsook van het bedrag van de bezoldiging betaald als tegenprestatie van de uitoefening van deze mandaten van Regeringscommissaris - luik 1;2° vermelding van de mandaten toegekend of voorgesteld door de instelling waarin de Regeringscommissaris zijn mandaat uitoefent - luik 2;3° vermelding van de openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard alsook van het bedrag van de presentiegelden en van de bezoldiging betaald als tegenprestatie van de uitoefening van deze openbare mandaten, functies en ambten van politieke aard en van de daaraan gebonden voordelen in natura - luik 3;4° vermelding van de mandaten, leidende functies of beroepen, ongeacht de aard ervan, uitgeoefend zowel in de openbare sector als in opdracht van elke natuurlijke of rechtspersoon, elke instelling of feitelijke vereniging, gevestigd in België of in het buitenland - luik 4. Wat het eerste lid, 4°, betreft, vermeldt de aangifte welke van de mandaten, leidende functies of beroepen aanleiding geven tot de toekenning van presentiegelden, bezoldigingen of voordelen in natura.".

Art. 25.Er wordt in hoofdstuk III/1 van hetzelfde decreet een artikel 19/3 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 19/3.§ 1er. Uiterlijk op 1 juni van elk jaar richt de Regeringscommissaris bij aangetekend schrijven, bij beveiligde elektronische weg of volgens de door het controleorgaan bepaalde modaliteiten een aangifte die de in artikel 19/2 bedoelde luiken omvat, aan het controleorgaan.

De fiscale fiches die de controle van de in het eerste lid bedoelde bezoldigingen door het controleorgaan mogelijk maken, worden door de Regeringscommissaris bij de aangifte gevoegd, wanneer hij daarover beschikt.

De aangiftemodellen worden door het controleorgaan vastgesteld.

Een eenmalige aangifte wordt ingediend door de Regeringscommissaris die een mandaat van overheidsbestuurder of een functie van beheerder uitoefent in de zin van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder en het decreet van 12 februari 2004 betreffende de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet.

Het controleorgaan is de verantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in artikel 1, § 4, tweede lid, van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Het controleorgaan behoudt de aangiften en de fiscale fiches bedoeld in het tweede lid die hem worden overgemaakt, tijdens een periode van zes jaar. Na afloop van die termijn zorgt het voor de vernietiging ervan. § 2. Onverminderd de opdrachten bedoeld in het vijfde deel van het Wetboek van plaatselijke democratie en decentralisatie is het controleorgaan belast met de volgende taken : 1° het verifieert de overeenstemming van alle aangiften met de bepalingen van de artikelen 19/2 en 19/3;2° het gaat na of de verplichtingen inzake plafonds van bezoldiging en van voordelen in natura bedoeld in artikel 19bis, vijfde lid, nageleefd worden;3° het gaat na of het in artikel 19bis, lid 8, bedoelde plafond van bezoldiging nageleefd wordt. Het controleorgaan kan zich door de aan zijn gezag onderworpen persoon zijn aanslagbiljet, zijn belastingaangifte alsook elk boekhoudkundig document of elk bewijsstuk in zijn bezit, laten bezorgen.

Het controleorgaan kan ook die persoon horen.

Indien er aanwijzingen van inbreuk van de verplichtingen bedoeld in de in het eerste lid bedoelde artikelen zijn, kan het controleorgaan zich door elke derde zijn aanslagbiljet, zijn belastingaangifte alsook elk boekhoudkundig document of elk bewijsstuk in zijn bezit, laten bezorgen. Het controleorgaan kan ook die derde horen.

Het controleorgaan stelt een kadaster van de mandaten vast voor elke Regeringscommissaris. Dit kadaster omvat de informatie verstrekt door de aangever in de verschillende luiken van zijn aangifte, zoals opgesomd in artikel 19/2.

Dit kadaster wordt jaarlijks in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest bekendgemaakt.

De bekendmaking wordt verricht uiterlijk op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de functies en de mandaten zijn uitgeoefend.

De lijst van de Regeringscommissarissen die de in artikel 19/2 bedoelde aangiften niet hebben ingediend aan het einde van de procedure voor de verificatie van de in artikel 19/4, §§ 1 en 2, bedoelde aangiften, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest op hetzelfde ogenblik als de bekendmaking van het kadaster.

Indien de Regeringscommissaris binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van het kadaster van de mandaten in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest, een verschil vaststelt tussen het bekendgemaakte kadaster en de aangifte die hij aan het controleorgaan heeft gericht, maakt hij bedoeld controleorgaan een verbetering over bij aangetekend schrijven of volgens de modaliteiten bepaald door het controleorgaan. Het controleorgaan zorgt voor de bekendmaking van de verbetering in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest.

De verbeteringen die tussen 15 november en de bekendmaking van het kadaster in de aangifte worden aangebracht door de Regeringscommissaris, kunnen niet in aanmerking worden genomen voor de bekendmaking die uiterlijk op 31 december wordt uitgevoerd.

Het controleorgaan zorgt voor de latere bekendmaking van deze verbeteringen in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Gewest.

Het personeel van het beheersorgaan is tot het beroepsgeheim gehouden overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Het kan inlichtingen betreffende de uitoefening van zijn opdracht alleen met inachtneming van de in dit decreet bedoelde bekendmakingregels verspreiden . § 3. Het Rekenhof controleert minstens om de drie jaar de door het controleorgaan ingevoerde processen.".

Art. 26.Er wordt in hoofdstuk III/1 van hetzelfde decreet een artikel 19/4 ingevoegd, luidend als volgt : "Art. 19/4 § 1. Het controleorgaan richt een advies uit aan de Regeringscommissaris wanneer bedoeld orgaan het gebrek aan aangifte vaststelt terwijl ze vereist was, een anomalie constateert of een onregelmatigheid vermoedt in de bepalingen van de artikelen 19/2, 19/3 en 19bis, lid 5 en 8.

Het in het eerste lid bedoelde advies : 1° vermeldt de tekortkomingen die kunnen worden verweten aan de Regeringscommissaris;2° wordt bij aangetekend schrijven aan de betrokken persoon betekend. § 2. De betrokken persoon beschikt over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het advies om zijn opmerkingen of zijn verbeterde aangifte, samen met een eventueel verzoek om gehoord te worden, bij aangetekend schrijven gericht aan het controleorgaan mede te delen.

Indien daarom wordt verzocht, vindt de hoorzitting plaats binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst door het controleorgaan van het in het eerste lid bedoeld aangetekend schrijven. De betrokken persoon kan door een raadsheer bijgestaan worden.

Een proces-verbaal van de hoorzitting wordt opgemaakt en gericht bij aangetekend schrijven aan de betrokken persoon binnen acht dagen na de hoorzitting. Laatstgenoemde beschikt over drie volle dagen na ontvangst van het proces-verbaal om zijn opmerkingen bij aangetekend schrijven te opperen. Zoniet wordt het proces-verbaal als definitief beschouwd.

Het controleorgaan geeft zijn beslissing binnen : 1° vijfenzeventig volle dagen na de kennisgeving van zijn advies indien de betrokken persoon daarop niet gereageerd heeft;2° vijfenzeventig volle dagen na ontvangst van de opmerkingen of van de verbeterde aangifte van de mandataris indien de betrokken persoon niet gehoord is;3° vijfenzeventig volle dagen na de definitieve opstelling van het proces-verbaal van verhoor indien het plaatsgevonden heeft. Het controleorgaan richt zijn beslissing bij aangetekend schrijven aan de betrokken persoon.

Het controleorgaan richt het in § 1, eerste lid, bedoelde advies binnen elf maanden na ontvangst van de aangifte.

De aangifte wordt geacht overeen te stemmen met de bepalingen van dit decreet voor het referentiejaar indien het controleorgaan het in § 1, eerste lid, bedoelde advies niet binnen de voorgeschreven termijn heeft gericht. § 3. De beslissing van het controleorgaan heeft betrekking op het bestaan en de overeenstemming van de aangiften met de bepalingen bedoeld in artikel 19/3, § 2, eerste lid, die het voorwerp hebben uitgemaakt van de in de §§ 1 en 2 bedoelde procedure. Ze omvat indien nog de afrekening van de sommen die in het verleden door de Regeringscommissaris te veel zijn ontvangen, en de terugbetalingsvoorwaarden.

De betrokken persoon betaalt de in het eerste lid bedoelde sommen die te veel zijn ontvangen, terug binnen zestig volle dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van het controleorgaan.

Het controleorgaan kan de in het derde lid bedoelde termijn verlengen met een periode die het bepaalt voor zover de betrokken persoon binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing de uitzonderlijke redenen waarop zijn verzoek is gegrond, bij aangetekend schrijven heeft meegedeeld.

De terugbetaling van de sommen die t.o.v. artikel 19bis, lid 8, door de Regeringscommissaris te veel zijn ontvangen, gebeurt ten gunste van de instellingen waarin hij t.o.v. van de te veel ontvangen som zijn bezoldigde mandaten uitoefent.

De betrokken persoon richt zo spoedig mogelijk het bewijs van de terugbetaling aan het controleorgaan.

Het controleorgaan maakt de beslissing van de Regering over."

Art. 27.Er wordt in hoofdstuk III/1 van hetzelfde decreet een artikel 19/5 ingevoegd, luidend als volgt : "Art. 19/5 § 1. De Regering kan aan het einde van de in § 2 bedoelde procedure de Regeringscommissaris ontslaan wanneer de betrokken persoon : 1° geen aangifte heeft ingediend;2° opzettelijk een valse aangifte heeft ingediend;3° verzuimd heeft de onbehoorlijk gekregen sommen binnen de voorgeschreven termijn terug te betalen;4° de in artikel 19bis, lid 8, bedoelde verplichtingen heeft nageleefd. § 2. Het controleorgaan deelt bij aangetekend schrijven een kennisgeving van de feiten die van dien aard zijn dat ze het verval tot gevolg hebben, aan de betrokken persoon mede.

Op zijn vroegst twintig dagen na de overmaking van de kennisgeving en na de betrokken persoon, eventueel vergezeld van de raadsheer van zijn keuze, gehoord te hebben als hij daarom binnen een termijn van acht dagen na ontvangst van de kennisgeving heeft verzocht, kan de Regering het verval vaststellen.

De beslissing van de overheid wordt genomen binnen een termijn van maximum één maand na het einde van de in het eerste en het tweede lid bedoelde procedure.

Deze beslissing wordt aan de betrokken persoon betekend.

In geval van ontslag van de Regeringscommissaris wordt de beslissing ook betekend aan het orgaan waarin de betrokken persoon zijn mandaat uitoefent.

Indien de betrokken persoon zijn functies blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van zijn ontslag na ontvangst van de in het vierde lid bedoelde kennisgeving, is hij strafbaar met de straffen bepaald in artikel 262 van het Strafwetboek.

Een op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gegrond beroep wordt tegen deze beslissing ingesteld. Het moet binnen vijftien dagen na de kennisgeving ervan ingediend worden.".

Art. 28.Er wordt in hoofdstuk III/1 van hetzelfde decreet een artikel 19/6 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 19/6.De Regeringscommissaris die overeenkomstig artikel 19/5 is ontslagen, mag niet opnieuw voor dit ambt benoemd worden tijdens een termijn van twee jaar na de kennisgeving van de beslissing tot herroeping.".

Art. 29.Er wordt in hoofdstuk III/1 van hetzelfde decreet een artikel 19/7 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 19/7.Wanneer de Regering een Regeringscommissaris in één van de instellingen aanwijst, vermeldt ze het in het register bedoeld in artikel 15/6 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 38 van de Grondwet.".

De institutionele informant stelt een lijst vast van de Regeringscommissarissen onderworpen aan de bij dit decreet voorziene verplichting tot aangifte en informeert hen over hun verplichtingen uiterlijk op 30 april van elk jaar. De Regering of het controleorgaan kan zonder enige voorwaarde het bewijs eisen dat deze bepaling nageleefd wordt.

Art. 30.Artikel 19bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 april 2011 en gewijzigd bij het decreet van 24 november 2016, wordt gewijzigd als volgt : 1° het derde lid wordt opgeheven;2° het wordt aangevuld met de leden 3 tot 9, luidend als volgt : "De Regeringscommissaris kan alleen met presentiegelden bezoldigd worden, die verschuldigd zijn in geval van effectieve aanwezigheid op de vergaderingen van het orgaan, die het voorwerp van een bezoldiging kunnen uitmaken, overeenkomstig de vierde en vijfde leden. Dezelfde Regeringscommissaris kan slechts één presentiegeld per dag ontvangen, ongeacht de aard en het aantal vergaderingen die hij heeft bijgewoond binnen dezelfde instelling, voor zijn deelneming aan de hele vergadering.

De jaarlijkse bezoldiging van een Regeringscommissaris is niet hoger dan 4.999,28 euro. In het bedrag worden de "voordelen van elke aard" inbegrepen; dit bedrag wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 van 1 januari 1990.

De reiskosten ivm verplaatsingen uitgevoerd voor de behoeften inherent aan de uitoefening van het mandaat van commissaris geven aanleiding tot een tegemoetkoming in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse ambtenarencode.

De door de Regeringscommissaris onbehoorlijk geïnde bedragen worden terugbetaald aan de instelling die de te veel ontvangen sommen heeft gestort.

Het totaalbedrag ontvangen door een niet-gekozen persoon in ruil voor de uitvoering van het geheel van zijn openbare mandaten mag niet hoger zijn dan 50% van de vergoeding ontvangen door een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

De in dit artikel voorziene regels zijn van toepassing op het geheel van de akten tot aanwijzing van de Regeringscommissarissen met inbegrip van de akten aangenomen vóór de inwerkingtreding van deze bepaling. HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

Art. 31.Houden op van kracht te zijn op de datum van aanwijzing van het geheel van de leden van de Commissie voor Beroepsregels en Ethiek, overeenkomstig artikel 5 van het samenwerkingsakkoord van 13 maart 2014 tussen de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie en het Waals Gewest houdende oprichting van een Commissie voor Beroepsregels en Ethiek : 1° artikel 15/2, § 2, eerste lid, 3°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 2 van de Grondwet;2° in artikel 15/3, § 1, eerste lid, 12, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet, de woorden "en 10";3° artikel 15/4, § 1, 4°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet;4° artikel 15bis, § 1, 10°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet;5° artikel 19/3, § 2, eerste lid, 3°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet;6° in artikel 19/4, § 1, eerste lid, 12, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet, de woorden "en 8";7° artikel 19/3, § 1, 4°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet;8° artikel 19bis, lid 8, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet.

Art. 32.Onverminderd artikel 15/6 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet, ingevoegd bij artikel 10 van dit decreet, maakt de institutionele informant, voor het jaar 2018, de in artikel 15/6, §§ 2 en 3, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder bedoelde informatie aan de Regering onder haar verantwoordelijkheid over uiterlijk op 30 juni 2018.

Art. 33.In afwijking van artikel 15/2 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet en van artikel 19/3 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nutvoor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet moeten de aangiften 2018 betreffende de in 2017 uitgeoefende mandaten, functies en beroepen uiterlijk op 31 juli 2018 ingediend worden.

Art. 34.Wat artikel 15bis, § 3, vierde lid, 4°, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet betreft, worden de premies individueel tot het bezoldigingspercentage zoals bepaald in de op 1 januari 2017 lopende contracten beperkt.

Art. 35.Vanaf 1 juli 2018 worden de bezoldigingen gebonden aan de uitoefening van de mandaten evenals de bezoldigingen gebonden aan de uitoefening van de functies van beheerder binnen de beheersorganen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 15bis van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet.

Art. 36.De beheerders betrokken bij de onverenigbaarheden van artikel 3/1 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet moeten zich uiterlijk op 1 juli 2018 aanpassen.

Art. 37.De overheidsbestuurders betrokken bij de onverenigbaarheden van artikel 8, § 2, van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet moeten zich uiterlijk op 1 juli 2018 aanpassen.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Namen, 29 maart 2018.

De Minister-President, W. BORSUS De Minister van Sociale Actie, Gelijke Kansen, Ambtenarenzaken en Administratieve Vereenvoudiging, A. GREOLI De Minister van Economie, Industrie, Onderzoek, Innovatie, Digitale Technologieën, Tewerkstelling en Vorming, P.-Y. JEHOLET De Minister van Leefmilieu, Ecologische Overgang, Ruimtelijke Ordening, Openbare Werken, Mobiliteit, Vervoer, Dierenwelzijn en Industriezones, C. DI ANTONIO De Minister van Begroting, Financiën, Energie, Klimaat en Luchthavens, J.-L. CRUCKE De Minister van Landbouw, Natuur, Bossen, Landelijke Aangelegenheden, Toerisme, Erfgoed en afgevaardigd bij de Grote Regio, R. COLLIN De Minister van de Plaatselijke Besturen, Huisvesting en Sportinfrastucturen, V. DE BUE _______ Nota (1) Zitting 2017-2018. Stukken van het Waals Parlement 1052 (2017-2018) Nrs. 1 tot 10.

Integraal verslag, plenaire zitting van 28 maart 2018.

Bespreking.

Stemming.

^