Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 24 april 2020
gepubliceerd op 30 april 2020

Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen door de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2020040954
pub.
30/04/2020
prom.
24/04/2020
ELI
eli/besluit/2020/04/24/2020040954/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

24 APRIL 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen door de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Met het koninklijk besluit van 3 april 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/04/2019 pub. 16/04/2019 numac 2019011563 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring type koninklijk besluit prom. 03/04/2019 pub. 23/04/2020 numac 2020030604 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring. - Duitse vertaling sluiten tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring, werden de regels en de modaliteiten vastgesteld voor het indienen van de zogenaamde de-minimisverklaring, die noodzakelijk is om de in artikel 2755, § 4, WIB 92, uitgewerkte regeling die van toepassing is op de sector van de systeemvaart in overeenstemming te brengen met de de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun).

Artikel 2755, § 4, zesde lid, WIB 92, voorziet evenwel dat de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid worden gelijkgesteld met de in artikel 2755, § 4, eerste lid, WIB 92, bedoelde ondernemingen (hierna: de in de systeemvaart actieve ondernemingen) in het geval deze voor uitzendarbeid erkende ondernemingen aan de in de systeemvaart actieve ondernemingen uitzendkrachten ter beschikking stellen. De wetgever beoogde hiermee, naar analogie met soortgelijke maatregelen bedoeld in de artikelen 2751, 2755, §§ 1-3, 2758 en 2759, WIB 92, om te voorzien in een vorm van transparantie waarbij een vrijstelling waarvoor een bepaalde werkgever in aanmerking komt ook van toepassing te laten zijn op een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid indien deze één of meerdere uitzendkrachten ter beschikking stelt aan de initieel beoogde onderneming. Hiermee wordt dus beoogd om een gelijke behandeling te garanderen tussen de bezoldigingen die rechtstreeks door de werkgever worden betaald en de bezoldigingen die op onrechtstreekse wijze door bemiddeling van een uitzendkantoor worden betaald.

In het voormelde koninklijk besluit van 3 april 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/04/2019 pub. 16/04/2019 numac 2019011563 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring type koninklijk besluit prom. 03/04/2019 pub. 23/04/2020 numac 2020030604 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring. - Duitse vertaling sluiten werd echter niet verduidelijkt welke steun op de verklaring moet worden vermeld in het geval de vrijstelling wordt gevraagd door een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid bij het ter beschikking stellen van één of meerdere uitzendkrachten aan een in de systeemvaart actieve onderneming. Deze rechtsonzekerheid verhindert tot op heden dat de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid gebruik maken van deze regeling. Dit ontwerp beoogt dan ook om deze rechtsonzekerheid weg te nemen door de regels en modaliteiten voor de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid te verduidelijken, zodat voor deze ondernemingen de drempels worden weggenomen die vandaag verhinderen dat daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van deze maatregel.

In analogie met de hierboven vermelde doelstelling om een ongelijke behandeling te vermijden tussen enerzijds de bezoldigingen die rechtstreeks door een in de systeemvaart actieve onderneming worden betaald en anderzijds de bezoldigingen die door een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid worden betaald, beoogt dit ontwerp te verduidelijken dat in het geval de vrijstelling wordt gevraagd door een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid, de in artikel 2755, § 4, zevende lid, WIB 92, bedoelde verklaring de steun moet bevatten van de in de systeemvaart actieve onderneming aan wie de uitzendkrachten ter beschikking worden gesteld, alsof deze in de systeemvaart actieve onderneming zelf de toepassing heeft gevraagd van de in artikel 2755, § 4, WIB 92, bedoelde vrijstelling.

Dit heeft dan ook tot gevolg dat indien de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid aan meerdere in de systeemvaart actieve ondernemingen uitzendkrachten ter beschikking stelt, deze eerstgenoemde onderneming meerdere verklaringen zal moeten overmaken, met name één voor elke in de systeemvaart actieve onderneming aan wie de voor uitzendarbeid erkende onderneming uitzendkrachten ter beschikking stelt.

Hoewel de vrijstellling in eerste instantie ten goede komt van de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid, kan worden verwacht dat ten gevolge van de marktwerking het economisch voordeel van de vrijstelling zal worden omgezet in een verlaagde kostprijs ten gunste van de in de systeemvaart actieve onderneming aan wie de uitzendkrachten ter beschikking worden gesteld.

Aangezien de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid ten gevolge van de toepassing van deze maatregel aan grotere administratieve lasten worden onderworpen, en het mogelijk moet zijn om de kosten die hiermee gepaard gaan, al dan niet ten dele door te rekenen aan de ondernemingen aan wie de uitzendkrachten ter beschikking worden gesteld, beoogt dit ontwerp de economische en contractuele relatie tussen deze twee ondernemingen niet te reguleren.

Dit neemt niet weg dat het wordt aangeraden om bij het afsluiten van het uitzendcontract, gesloten tussen de in de systeemvaart actieve onderneming en de onderneming die erkend is vooruitzendarbeid, om bijzondere aandacht te voorzien aan de potentiële mogelijkheid dat mijn administratie in gevolge het door haar gevoerde onderzoek heeft vastgesteld dat de in de systeemvaart actieve onderneming aan wie de uitzendkrachten ter beschikking worden gesteld niet aan alle toepassingsvoorwaarden voldoet. In dat geval zal immers de onterecht vrijgestelde bedrijfsvoorheffing worden teruggevorderd bij de schuldenaar ervan, in dit geval dus de onderneming die de uitzendkrachten ter beschikking heeft gesteld en die de bezoldigingen van deze werknemers betaald.

Daarnaast wordt eveneens aangeraden om in dit contract bepalingen op te nemen die de uitwisseling van inlichtingen moeten voorzien teneinde te garanderen dat de beide contractsluitende partijen beschikken over alle relevante informatie die nodig is om de in artikel 2755, § 4, zevende lid, WIB 92, bedoelde verklaring en elke mogelijke soortgelijke toekomstige de-minimisverklaring correct in te vullen. Zo zal enerzijds de in de systeemvaart actieve onderneming aan wie de uitzendkrachten ter beschikking worden gesteld op de hoogte moeten worden gebracht van elke verklaring die de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid ten gevolge van het ter beschikking stellen van uitzendkrachten heeft ingediend. Anderzijds zal de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid op de hoogte moeten worden gebracht van elke de-minimissteun die de in de systeemvaart actieve onderneming of een vennootschap die deel uitmaakt van de groep van vennootschappen waartoe deze behoort in het lopende belastbare tijdperk en de twee voorgaande belastbare tijdperk heeft verkregen.

Het spreekt voor zich dat het ontbreken van deze informatieuitwisseling nooit aan mijn administratie kan tegengeworpen als verantwoording voor een foutief ingevulde verklaring.

Vervolgens wordt nog gewezen op het bijzondere geval waarbij in dezelfde aangifteperiode zowel de onderneming die erkend is voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stelt aan een onderneming actief in de systeemvaart, als deze onderneming actief in de systeemvaart zelf, beroep doet op de in artikel 2755, § 4, WIB 92, bedoelde vrijstelling. In dat geval wordt de vrijstelling verleend aan twee verschillende werkgevers die elk op zich de in artikel 2755, § 4, zevende lid, WIB 92, bedoelde verklaring zullen moeten indienen. De vraag stelt zich dan in welke verklaring welke steun moet worden opgenomen.

In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 3 april 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/04/2019 pub. 16/04/2019 numac 2019011563 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring type koninklijk besluit prom. 03/04/2019 pub. 23/04/2020 numac 2020030604 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring. - Duitse vertaling sluiten tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring, werd al verduidelijkt dat het bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing die voor een welbepaalde aangifteperiode wordt aangevraagd in de tweede aangifte, ook op de verklaring met betrekking tot die periode zal moeten worden vermeld.

Op die manier wordt de betrokken schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing verplicht om na te gaan of door de aangevraagde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing het de-minimisplafond niet wordt overschreden.

Overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de de-minimisverordening wordt de-minimissteun geacht te zijn verleend op het moment waarop de onderneming krachtens de Belgische regelgeving een wettelijke aanspraak op de steun verwerft, ongeacht de datum waarop de de-minimissteun aan de onderneming wordt betaald. De steun onder de vorm van een vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing wordt, bijgevolg behoudens rechtzettingen, voor de toepassing van deze verordening geacht te zijn verleend op het moment dat de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing en de de-minimisverklaring bij de administratie zijn ingediend.

Strikt genomen is dus de volgorde waarin de tweede aangiftes worden ingediend van belang om te bepalen wie welke steun in de verklaring opneemt. Beide ondernemingen kunnen er echter ook voor opteren in het geval zij voor dezelfde aangifteperiode in functie van het verkrijgen van de vrijstelling een tweede aangifte en een verklaring indienen, om elkaars vrijstellingsbedrag in de verklaring op te nemen. In dat geval maakt de volgorde waarin deze aangiftes en verklaringen worden ingediend niet uit en is men dus niet afhankelijk van het handelen van een derde partij.

De volgorde waarin de verklaringen worden ingediend zijn in dit laatste geval eveneens van belang in het geval mijn administratie moet verifiëren of aan de in artikel 2755, § 4, vierde lid, WIB 92, bedoelde voorwaarde is voldaan. Stel bijvoorbeeld dat mijn administratie ontdekt dat in de systeemvaart actieve onderneming per vergissing bepaalde in het verleden verkregen de-minimissteun onterecht niet in de verklaring heeft opgenomen en eveneens niet heeft meegedeeld aan de onderneming die de uitzendkrachten ter beschikking heeft gesteld, waardoor het steunplafond toch overschreden wordt. In dat geval is het voor de toepassing van de fiscale regelgeving niet relevant door welke partij de vergissing werd begaan en moet zowel in hoofde van de in de systeemvaart actieve onderneming als in hoofde van de onerneming die de uitzendkrachten ter beschikking stelt worden nagegaan of aan de voorwaarde van artikel 2755, § 4, vierde lid, WIB 92, is voldaan. In dat geval zal dus de volgorde waarin de tweede aangifte en de verklaring werd ingediend bepalend zijn om vast te stellen ten aanzien van in wiens hoofde de vrijstelling onterecht werd toegestaan en zal moeten worden teruggevorderd.

Tot slot wordt nog verduidelijkt dat in dit ontwerp geen specifieke inwerkingtredingsbepaling is voorzien, omdat tot op heden geen enkele onderneming voor uitzendarbeid gebruik maakt van deze maatregel.

Hierdoor is de gemeenrechtelijke inwerkingtredingsbepaling van toepassing waardoor dit ontwerp in werking zal treden vanaf de tiende dag na de bekendmaking ervan.

Dit is, Sire, de draagwijdte van het besluit dat U wordt voorgelegd.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, A. DE CROO

24 APRIL 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 met betrekking tot de nadere regels en modaliteiten voor het indienen door de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid van de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde verklaring FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 2755, § 6, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/03/2019 pub. 05/04/2019 numac 2019011564 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal sluiten;

Gelet op het KB/WIB 92;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole, artikelen 5 en 14;

Overwegende dat de bepalingen van dit besluit geen rechtstreekse of onrechtstreekse financiële weerslag kunnen hebben;

Gelet op de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, Overwegende dat: - de wet van 23 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/03/2019 pub. 05/04/2019 numac 2019011564 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal sluiten tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal een vrijstelling van doorstorting van een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing invoert voor de systeemvaart; - deze vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing van toepassing is op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2019 worden betaald of toegekend; - deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing enkel kan worden toegepast wanneer de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing samen met zijn aanvraag voor de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing een verklaring indient met betrekking tot het respecteren van de steunplafonds van de algemene de minimis-verordening (Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun); - er nood is aan verduidelijking in geval deze schuldenaar een onderneming is die erkend is voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van ondernemingen die voldoen aan de in artikel 2755, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde voorwaarden; - de regels en modaliteiten met betrekking tot die verklaring dus dringend moeten worden aangevuld teneinde de regels te verduidelijken voor zowel de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid als de ondernemingen die voldoen aan de in artikel 2755, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde voorwaarden en die uitzendkrachten ter beschikking krijgen van deze ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid; - dit besluit dus zo snel mogelijk moet worden genomen;

Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 954/1, § 2, KB/WIB 92, wordt aangevuld met twee leden, luidende: "In het geval de in het eerste lid bedoelde schuldenaar een onderneming is die erkend is voor uitzendarbeid en die één of meerdere uitzendkrachten ter beschikking stelt aan een onderneming die voldoet aan de in artikel 2755, § 4, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, bedoelde voorwaarden, dan bevat deze verklaring de in artikel 2755, § 4, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, bedoelde steun van deze onderneming aan wie deze uitzendkrachten ter beschikking worden gesteld alsof deze zelf de toepassing vraagt van de in artikel 2755, § 4, van hetzelfde Wetboek, bedoelde vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing.

De steun vermeld in de in dit artikel bedoelde verklaring omvat in alle gevallen eveneens de steun die aan een onderneming die erkend is voor uitzendarbeid werd toegekend ten gevolge van het ter beschikking stelling van uitzendkrachten aan de onderneming die voldoet aan de in artikel 2755, § 4, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, bedoelde voorwaarden, alsof deze onderneming aan wie deze uitzendkrachten ter beschikking worden gesteld zelf de steun heeft verkregen.".

Art. 2.De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 24 april 2020.

FILIP Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, A. DE CROO

^