Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 22 november 2022
gepubliceerd op 11 januari 2023

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 juli 2020 inzake milieuvriendelijke scheepvaart

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2022042674
pub.
11/01/2023
prom.
22/11/2022
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

22 NOVEMBER 2022. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 juli 2020Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/07/2020 pub. 21/08/2020 numac 2020042450 bron federale overheidsdienst economie,k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit inzake milieuvriendelijke scheepvaart sluiten inzake milieuvriendelijke scheepvaart


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het Belgisch Scheepvaartwetboek, artikelen 2.2.3.9, 2.5.3.3, 2.5.3.5, 2.5.3.6, gewijzigd bij de wet van 16 juni 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/06/2021 pub. 06/09/2021 numac 2021032575 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek sluiten, 2.5.3.11;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 juli 2020Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/07/2020 pub. 21/08/2020 numac 2020042450 bron federale overheidsdienst economie,k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit inzake milieuvriendelijke scheepvaart sluiten inzake milieuvriendelijke scheepvaart;

Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 1 augustus 2022 Gelet op het advies 72.135/4 van de Raad van State gegeven op 4 oktober 2022 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Noordzee, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Hoofdstuk 4 van Titel 3 van het koninklijk besluit van 15 juli 2020Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/07/2020 pub. 21/08/2020 numac 2020042450 bron federale overheidsdienst economie,k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit inzake milieuvriendelijke scheepvaart sluiten inzake milieuvriendelijke scheepvaart, wordt aangevuld met de artikelen 3.4.15 en 3.4.17, luidende: "Art. 3.4.15. Voor de analyse van monsters van brandstof die gebruikt wordt en brandstof die aan boord is om te gebruiken aan boord van het schip wordt de verificatieprocedure zoals bedoeld in voorschrift 14 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag gevolgd om vast te stellen of de brandstof die gebruikt wordt of die aan boord is om gebruikt te worden aan boord van het schip voldoet aan de bepalingen van voorschrift 14.1 of voorschrift 14.4 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Het monster van de brandstof die gebruikt wordt en het monster van de brandstof die aan boord is om gebruikt te worden aan boord van het schip worden genomen rekening houdend met de richtsnoeren van de IMO. Het monster wordt verzegeld door de Scheepvaartcontrole in overeenstemming met voorschrift 14.9 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Het schip heeft de mogelijkheid om een duplicaat van het monster bij te houden.

Art. 3.4.16. § 1. Op elk schip dat onder voorschrift 5 en 6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag valt, moeten bemonsteringspunt(en) gemonteerd of aangewezen worden om representatieve monsters van de brandstof die wordt gebruikt aan boord van het schip te nemen, rekening houdend met de richtlijnen van de IMO. § 2. Voor elk schip gebouwd voor 1 april 2022 worden het bemonsteringspunt of de bemonsteringspunten zoals bedoeld in paragraaf 1 niet later dan de eerste herschouwing zoals bedoeld in voorschrift 5.1.2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag op of na 1 April 2023 gemonteerd of bestemd. § 3. De bepalingen van paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing op een stookolieservicesysteem voor een brandstof met een laag vlampunt voor verbrandingsdoeleinden voor voortstuwing of exploitatie aan boord van een schip. § 4. De Scheepvaartcontrole gebruikt, zoals gepast, het bemonsteringspunt of de bemonsteringspunten die gemonteerd of bestemd zijn om een representatief staal of representatieve stalen te nemen van de brandstof die wordt gebruikt aan boord om te verifiëren dat de brandstof voldoet aan de bepalingen in dit hoofdstuk, in het bijzonder artikel 3.4.4. Het nemen van brandstofstalen door de Scheepvaartcontrole moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd zonder dat het schip onnodige vertraging oploopt.

Art. 3.4.17. De artikelen 3.4.15 en 3.4.16 zijn zowel van toepassing op Belgische schepen als vreemde schepen die zich in de Belgische maritieme zones bevinden.

Art. 2.Hoofdstuk 5 van Titel 3 van het koninklijk besluit van 15 juli 2020Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/07/2020 pub. 21/08/2020 numac 2020042450 bron federale overheidsdienst economie,k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit inzake milieuvriendelijke scheepvaart sluiten inzake milieuvriendelijke scheepvaart, wordt vervangen als volgt: "Afdeling 1. - Algemeen.

Art. 3.5.1. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen met een brutotonnenmaat van 400 of meer. § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: 1° Belgische schepen die uitsluitend varen in de wateren onder de Belgische jurisdictie.2° schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd en platformen, met inbegrip van drijvende opslageenheden (FSU's) en drijvende productie-, opslag- en loseenheden (FPSO's) en boorplatformen, ongeacht hun voortstuwing. § 3. De minister kan maatregelen nemen voor Belgische schepen zoals bedoeld in paragraaf 2, 1°.

Art. 3.5.2. De afdelingen 2, 3, 4 en 5 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing. De afdelingen 2 en 4 van dit hoofdstuk zijn wel van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tanker met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, zoals gedefinieerd in voorschrift 2.2.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 3 en afdeling 5 zijn van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing. De afdelingen 2, 3, 4, 5 en 8 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals gedefinieerd in de Polar Code. § 2. Indien de Scheepvaartcontrole de toepassing van voorschrift 19.4 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag toestaat, of de toepassing ervan schorst, intrekt of weigert voor een schip dat de Belgische vlag voert, communiceert de Scheepvaartcontrole dit onverwijld aan de IMO in overeenstemming met voorschrift 19.6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Art. 3.5.3. Om het doel van voorschrift 20 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag te verwezenlijken, moet een schip waarop dit hoofdstuk op van toepassing is, voldoen aan de functionele vereisten van voorschrift 21 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag om zijn koolstofintensiteit te reduceren. Afdeling 2. - Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte

EEDI) Art. 3.5.4. Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 22 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI) in overeenstemming met voorschrift 22 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 3. - Bereikte index voor energie-efficiëntie voor bestaande

schepen (EEXI) Art. 3.5.5. Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 23 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de bereikte index voor energie-efficiëntie voor bestaande schepen (EEXI) in overeenstemming met voorschrift 23 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 4. - Vereiste EEDI

Art. 3.5.6. Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 24 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de vereiste ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Vereiste EEDI) in overeenstemming met voorschrift 24 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 5. - Vereiste EEXI

Art. 3.5.7. Elk schip zoals bedoeld in voorschrift 25 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moet voldoen aan de vereiste index voor energie-efficiëntie (Vereiste EEXI) in overeenstemming met voorschrift 25 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 6. - Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)

Art. 3.5.8. § 1. Elk schip moet een energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP) aan boord hebben in overeenstemming met voorschrift 26 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 7. - Verzamelen en rapporteren van gegevens over het

brandstofolieverbruik van schepen Art. 3.5.9. Elk schip met een brutotonnenmaat van 5.000 of meer moet de gegevens zoals gespecificeerd in Appendix IX van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag verzamelen, rapporteren en desgevallend overmaken in overeenstemming met de methodologie van het SEEMP en voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Art. 3.5.10. § 1. De gegevens worden geverifieerd in overeenstemming met de procedures van de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie in overeenstemming met voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. § 2. De Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie maakt de gerapporteerde gegevens zoals vermeld in Appendix IX van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag van schepen met een brutotonnenmaat van 5.000 of meer over aan de IMO in overeenstemming met voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. Afdeling 8. - Operationele koolstofintensiteit

Onderafdeling 1. - Bereikte jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (bereikte jaarlijkse operationele CII) Art. 3.5.11. § 1. Na het einde van kalenderjaar 2023 en na het einde van elk volgend kalenderjaar moeten schepen zoals bedoeld in voorschrift 28.1 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag hun bereikte jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (bereikte jaarlijkse operationele CII) berekenen over een periode van 12 maanden vanaf 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar. Zij gebruiken hiervoor de gegevens verzameld in overeenstemming met afdeling 7 van dit besluit en voorschrift 27 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. § 2. Binnen de drie maanden na het einde van elk kalenderjaar rapporteert elk schip zoals bedoeld in paragraaf 1 aan de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie de bereikte jaarlijkse operationele CII in overeenstemming met voorschrift 28 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. § 3. In het geval een schip na 1 januari 2023 wordt overgedragen zoals bedoeld in voorschrift 27.4, 27.5 of 27.6 wordt de procedure voorzien in voorschrift 28.3 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag gevolgd.

Onderafdeling 2. - Vereiste jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (vereiste jaarlijkse operationele CII) Art. 3.5.12. Schepen zoals bedoeld in voorschrift 28.4 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag voldoen aan de vereiste jaarlijkse operationele indicator voor koolstofintensiteit (vereiste jaarlijkse operationele CII) in overeenstemming met voorschrift 28.4 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag.

Onderafdeling 3. - Operationele rating voor koolstofintensiteit Art. 3.5.13. De bereikte jaarlijkse operationele CII wordt gedocumenteerd en geverifieerd door de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie ten opzichte van de vereiste jaarlijkse operationele CII om een rating te bepalen in overeenstemming met voorschrift 28.6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Art. 3.5.14. § 1. Een schip met rating D gedurende drie opeenvolgende jaren of met rating E, moet een plan van corrigerende maatregelen ontwikkelen om de vereiste jaarlijkse operationele CII te bereiken. § 2. Het SEEMP wordt herzien en overgemaakt aan de Scheepvaartcontrole of de daartoe gemachtigde erkende organisatie in overeenstemming met voorschrift 28.8 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. § 3. Een schip met rating D gedurende drie opeenvolgende jaren of met rating E, moet naar behoren de geplande corrigerende maatregelen uitvoeren in overeenstemming met het herziene SEEMP.".

Art. 3.Titel 3 van het koninklijk besluit van 15 juli 2020Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/07/2020 pub. 21/08/2020 numac 2020042450 bron federale overheidsdienst economie,k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit inzake milieuvriendelijke scheepvaart sluiten inzake milieuvriendelijke scheepvaart, gewijzigd bij het koninklijke besluiten van 4 november 2020 en 4 juni 2021, wordt aangevuld met de hoofdstukken 9, 10 en 11, luidende: "HOOFDSTUK 9. - Ozonafbrekende stoffen Art. 3.9.1. Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op Belgische schepen.

Art. 3.9.2. § 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten. § 2. Opzettelijke emissies van ozonafbrekende stoffen aan boord zoals bedoeld in voorschrift 12.2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag en installaties die ozonafbrekende stoffen bevatten zoals bedoeld in voorschrift 12.3 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag, zijn verboden. § 3. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, worden behandeld in overeenstemming met de instructies van de Scheepvaartcontrole, rekening houdend met de richtlijnen ontwikkeld door IMO. Art. 3.9.3. De stoffen en uitrusting die de stoffen bevat zoals vermeld in voorschrift 12 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag worden afgeleverd in een daarvoor geschikte ontvangstvoorziening wanneer ze worden verwijderd van een schip.

Art. 3.9.4. Elk schip waarop voorschrift 6.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag van toepassing is, houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat in overeenstemming met voorschrift 12 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag van toepassing is en dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat, houdt een register voor ozonafbrekende stoffen bij in overeenstemming met voorschrift 12 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. HOOFDSTUK 1 0. - Vluchtige organische stoffen (VOC) Art. 3.10.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op Belgische schepen en vreemde schepen die zich in de Belgische maritieme zones bevinden.

Art. 3.10.2. § 1. In afwijking van artikel 3.10.1 van dit besluit, is dit artikel enkel van toepassing op Belgische schepen. § 2. Een tanker moet uitgerust zijn met een door de Scheepvaartcontrole goedgekeurd dampemissieopvangsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen.

De Scheepvaartcontrole houdt rekening met de veiligheidsnormen ontwikkeld door IMO bij de goedkeuring van dampemissieopvangsystemen.

Art. 3.10.3. Een Belgische haven of terminal waar dampemissieopvangsysteem in overeenstemming met voorschrift 15 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag geïnstalleerd zijn, kan gedurende 3 jaar en 6 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit bestaande tankers toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

Art. 3.10.4. § 1. In afwijking van artikel 3.10.1 van dit besluit, is dit artikel enkel van toepassing op Belgische schepen. § 2. Een tanker die ruwe olie vervoert, moet een door de Scheepvaartcontrole goedgekeurd VOC-beheersplan aan boord hebben en implementeren. Het VOC-beheersplan wordt opgesteld in overeenstemming met voorschrift 15.6 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Art. 3.10.5. Dit hoofdstuk is enkel ook van toepassing op gastankers wanneer het type laad- en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van vluchtige organische stoffen die geen methaan bevatten mogelijk maakt.

Art. 3.10.6. De Scheepvaartcontrole geeft kennis aan de IMO in overeenstemming met voorschrift 15.2 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag. HOOFDSTUK 1 1. - Verbranding aan boord Art. 3.11.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op Belgische schepen en vreemde schepen die zich in de Belgische maritieme zones bevinden.

Art. 3.11.2. Verbranding aan boord van schepen is enkel toegelaten in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Art. 3.11.3. Verbrandingsinstallaties geïnstalleerd in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag moeten voorzien zijn van een handleiding van de producent in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag.

Art. 3.11.4. De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-Verdrag geïnstalleerde verbrandingsinstallatie moeten getraind zijn in de uitvoering van de instructies uit de handleiding van de producent zoals voorzien in artikel 3.11.2 van dit besluit.".

Art. 4.De minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 22 november 2022.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Noordzee, V. VAN QUICKENBORNE

^