Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 21 november 2018
gepubliceerd op 06 december 2018

Koninklijk besluit betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat en het jaarlijks veiligheidsverslag

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2018014960
pub.
06/12/2018
prom.
21/11/2018
ELI
eli/besluit/2018/11/21/2018014960/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

21 NOVEMBER 2018. - Koninklijk besluit betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat en het jaarlijks veiligheidsverslag


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Spoorcodex, de artikelen 92, § 1, tweede lid, 98, 103;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 januari 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2007 pub. 23/01/2007 numac 2007014018 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat, de indienststelling van rollend materieel en het jaarlijks veiligheidsverslag sluiten betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat en het jaarlijks veiligheidsverslag;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/11/2009 pub. 30/04/2010 numac 2010014079 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot vaststelling van het regelgevende kader van de nationale veiligheidsvoorschriften type koninklijk besluit prom. 13/11/2009 pub. 02/12/2009 numac 2009014295 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot vaststelling van het regelgevende kader van de nationale veiligheidsvoorschriften sluiten tot vaststelling van de nationale spoorwegveiligheidsdoelstellingen en -methodes;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 2 september 2016;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 8 januari 2018;

Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;

Gelet op het advies nr. 63.899/2/V van de Raad van State, gegeven op 27 augustus 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Gelet op de regelgevingsimpactanalyse uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;

Op de voordracht van de Minister van Mobiliteit en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit besluit strekt tot gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen en Richtlijn 2001/14/EG inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° "wagon": rollend materieel bestemd voor goederenvervoer;2° "vervoer met gesloten treinen": het vervoer per trein, samengesteld uit wagons die door één en dezelfde verzender, vanuit één en dezelfde spoorweginstallatie, als één geheel naar één en dezelfde bestemmeling in een andere spoorweginstallatie worden gebracht;3° "verspreid vervoer": het vervoer per trein, samengesteld uit wagons met een verschillende bestemming of oorsprong, die afzonderlijk of in groep samengesteld zijn en die onderweg éénmaal of meermaals gerangeerd worden;4° "veiligheidscertificaat deel A": het certificaat bedoeld in artikel 99, § 2, a) van de Spoorcodex;5° "veiligheidscertificaat deel B": het certificaat bedoeld in artikel 99, § 2, b) van de Spoorcodex;6° "werkdagen": alle dagen van de week met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen. HOOFDSTUK 2. - Initiële aanvraag, bijwerking, herziening of vernieuwing van een veiligheidsvergunning

Art. 3.§ 1. Elke spoorweginfrastructuurbeheerder die een spoorweginfrastructuur wil beheren en exploiteren dient bij de veiligheidsinstantie een aanvraag in voor de afgifte van een veiligheidsvergunning bedoeld in artikel 95 van de Spoorcodex door middel van een formulier dat deze beschikbaar stelt via haar internetsite. § 2. De infrastructuurbeheerder voegt bij zijn aanvraag een dossier dat de volgende elementen bevat: 1° het nummer van inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen, een beschrijving van de organisatie van de onderneming alsook van de voor veiligheid voorziene middelen;2° de beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem dat de elementen, beschreven in de bijlage 2 van de verordening (EU) nr.1169/2010 van de Commissie van 10 december 2010 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode ter beoordeling van de conformiteit met de vereisten voor de verkrijging van een veiligheidsvergunning voor spoorwegen omvat; 3° de gegevens betreffende het rollend materieel waaruit blijkt dat de op basis van artikel 68, § 2, tweede lid, van de Spoorcodex aangenomen voorschriften nageleefd worden;4° de gegevens betreffende het veiligheidspersoneel van de spoorweginfrastructuurbeheerder waaruit blijkt dat de op basis van artikel 68, § 2, tweede lid, van de Spoorcodex aangenomen voorschriften nageleefd worden;5° de schikkingen genomen om te voldoen aan de nationale veiligheidsregels en ook in voorkomend geval aan de TSI's om de veiligheid van de spoorweginfrastructuur te waarborgen in elke fase van de conceptie, het onderhoud en de exploitatie met inbegrip van, in voorkomend geval, het onderhoud en de exploitatie van het systeem van verkeersleiding en seingeving.

Art. 4.Bij elke substantiële wijziging bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de Spoorcodex, dient de infrastructuurbeheerder onverwijld een aanvraag in overeenkomstig artikel 3 met het oog op de bijwerking van zijn veiligheidsvergunning.

Art. 5.Om de vernieuwing van zijn veiligheidsvergunning te bekomen, dient de infrastructuurbeheerder bij de veiligheidsinstantie een aanvraag in overeenkomstig artikel 3.

Hij dient zijn aanvraag in ten laatste vier maanden vóór de vervaldatum van de veiligheidsvergunning.

Art. 6.Wanneer de veiligheidsinstantie de herziening van de veiligheidsvergunning eist overeenkomstig artikel 96, tweede lid, van de Spoorcodex, deelt zij de infrastructuurbeheerder alle stukken mee die zij nodig heeft voor haar onderzoek en de termijn die hem gegeven wordt om deze stukken mee te delen. HOOFDSTUK 3. - Initiële aanvraag, bijwerking of vernieuwing van een veiligheidscertificaat Afdeling 1. - Algemeen

Art. 7.De veiligheidsinstantie publiceert op haar internetsite de gedetailleerde inlichtingen met betrekking tot de nadere regels om een veiligheidscertificaat te bekomen.

Zij maakt een lijst op van alle eisen, vastgesteld in het kader van het artikel 99, § 2, tweede lid, van de Spoorcodex en stelt alle nuttige documenten ter beschikking van de aanvrager.

Zij geeft aan elke spoorwegonderneming die een aanvraag indient voor een veiligheidscertificaat met betrekking tot diensten voor een beperkt gedeelte van een infrastructuur de specifieke richtinggevende elementen.

Deze elementen vermelden onder andere de regels die op dit gedeelte van toepassing zijn. Afdeling 2. - De aanvraag van een veiligheidscertificaat deel A

Art. 8.§ 1. De in België gevestigde spoorwegonderneming die spoorwegactiviteiten wil uitoefenen, dient bij de veiligheidsinstantie een aanvraag in voor de afgifte van een veiligheidscertificaat deel A. De spoorwegonderneming gebruikt de formulieren opgenomen in bijlage III van verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie van 13 juni 2007 betreffende het gebruik van een gemeenschappelijk Europees formaat voor veiligheidscertificaten en aanvraagdocumenten overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad en betreffende de geldigheid van overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad afgegeven veiligheidscertificaten, vult de formulieren in overeenkomstig de in deze bijlage uiteengezette richtsnoeren, en voegt de gevraagde documenten bij.

In afwijking van het tweede lid, voegt enkel de spoorwegonderneming die houder is van een vergunning, afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie, een kopie van haar vergunning bij haar aanvraag. § 2. De aanvraag vermeldt in bijlage van de formulieren bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, ook: 1° voor het goederenvervoer: a) het type van vervoer, te weten vervoer met gesloten treinen, verspreid vervoer, rangeerdiensten of gecombineerd vervoer;b) de aard van de goederen en, in geval van vervoer van gevaarlijke goederen, een opsomming van de vervoerde klassen;c) de aard van het rollend materieel;d) de tractiewijze: elektrisch of autonoom;2° voor het reizigersvervoer: a) de vooropgestelde frequenties;b) de aard van het rollend materieel;c) de tractiewijze: elektrisch of autonoom;3° het aantal personeelsleden dat de spoorwegonderneming van plan is te werk te stellen in de spoorwegsector of voor spoorwegoperaties, alsook voor de hiermee verband houdende taken, in voorkomend geval met inbegrip van het personeel van haar contractanten. § 3. De spoorwegonderneming voegt bij haar aanvraag ook haar veiligheidsbeheersysteem dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 90 van de Spoorcodex. Afdeling 3. - De aanvraag van een veiligheidscertificaat deel B

Art. 9.§ 1. Elke spoorwegonderneming die op het Belgisch spoorwegnet wil rijden, dient bij de veiligheidsinstantie een aanvraag in voor de afgifte van het veiligheidscertificaat deel B. De spoorwegonderneming gebruikt de formulieren opgenomen in bijlage III van verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie van 13 juni 2007 betreffende het gebruik van een gemeenschappelijk Europees formaat voor veiligheidscertificaten en aanvraagdocumenten overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad en betreffende de geldigheid van overeenkomstig Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad afgegeven veiligheidscertificaten, vult de formulieren in overeenkomstig de in deze bijlage uiteengezette richtsnoeren, en voegt de gevraagde documenten bij.

In afwijking van het tweede lid, voegt enkel de spoorwegonderneming die houder is van een veiligheidscertificaat deel A of van een vergunning afgeleverd door een andere lidstaat van de Europese Unie, een kopie van deze documenten bij haar aanvraag. § 2. De aanvraag vermeldt in bijlage van de formulieren bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, ook: 1° voor het goederenvervoer: a) het type van vervoer, te weten vervoer met gesloten treinen, verspreid vervoer, rangeerdiensten of gecombineerd vervoer;b) de aard van de goederen en in geval van vervoer van gevaarlijke goederen, een gedetailleerde opsomming ervan;c) de oorsprong en de bestemming;d) de tussenliggende bedieningspunten en de grenspunten;e) de vooropgestelde frequenties;f) de aard van het rollend materieel;g) de tractiewijze: elektrisch of autonoom;2° voor het reizigersvervoer: a) de oorsprong en de bestemming;b) de tussenliggende bedieningspunten en de grenspunten;c) de vooropgestelde frequenties;d) de aard van het rollend materieel;e) de tractiewijze: elektrisch of autonoom;3° de reiswegen waarvoor het certificaat deel B wordt aangevraagd en die bepaald worden door: a) de stations of installaties aan de uiteinden van de reisweg;b) één of meer stations of kenmerkende punten;c) de alternatieve reiswegen die de aanvrager eventueel wenst te gebruiken. Voor de spoorwegondernemingen die geen zetel in België hebben, bevat de aanvraag ook de volgende gegevens: 1° de naam, de benaming of het maatschappelijk doel van de onderneming;2° de nauwkeurige aanduiding van de verschillende adressen, eventueel van de hoofdzetel van de onderneming;3° de rechtsvorm;4° de rechtstoestand;5° de datum van oprichting en de datum van ophouden van de onderneming;6° de identificatiegegevens van de stichters, gemandateerden en gevolmachtigden;7° de economische activiteiten uitgeoefend door de onderneming;8° de andere basisgegevens van identificatie die op het ogenblik van de oprichting van de rechtspersoon moeten geleverd worden. § 3. De spoorwegonderneming voegt bij haar aanvraag ook documenten: 1° over de TSI's of onderdelen van de TSI's of, in voorkomend geval, de nationale veiligheidsvoorschriften en de andere voorschriften die gelden voor haar activiteiten, haar personeel en haar rollend materieel, en hoe deze voorschriften met behulp van het veiligheidsbeheersysteem worden nageleefd;2° over de verschillende categorieën personeel in dienstverband of onder contract, inclusief bewijsstukken waaruit blijkt dat zij voldoen aan de TSI's of aan de nationale voorschriften en dat zij zijn gecertificeerd;3° over de verschillende soorten rollend materieel die voor haar activiteiten worden gebruikt, inclusief bewijsstukken waaruit blijkt dat zij voldoen aan de TSI's of aan de nationale voorschriften en dat zij een toelating tot indienststelling hebben gekregen. De spoorwegonderneming levert enkel een synthesedocument aangaande de elementen die voldoen aan de TSI's en aan andere eisen tot omzetting van de richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap. Afdeling 4. - De aanvraag tot bijwerking, herziening of vernieuwing

van het veiligheidscertificaat

Art. 10.Bij elke substantiële wijziging van het type of de omvang van de activiteiten van het veiligheidscertificaat, dient de spoorwegonderneming voor de bijwerking van haar certificaat onverwijld een aanvraag in overeenkomstig, naargelang het geval, artikel 8 of artikel 9.

Art. 11.De spoorwegonderneming dient bij de veiligheidsinstantie een aanvraag in overeenkomstig, naargelang het geval, artikel 8 of artikel 9 om de vernieuwing van haar veiligheidscertificaat te bekomen.

Zij dient haar aanvraag in ten laatste vier maanden vóór de vervaldatum van het veiligheidscertificaat.

Art. 12.Wanneer de veiligheidsinstantie de herziening van het veiligheidscertificaat eist overeenkomstig artikel 102, derde lid, van de Spoorcodex, deelt zij de spoorwegonderneming alle stukken mee die zij nodig heeft voor haar onderzoek en de termijn die haar gegeven wordt om deze stukken mee te delen.

Art. 13.Tijdens het onderzoek van elke aanvraag van een veiligheidscertificaat deel B brengt de veiligheidsinstantie de infrastructuurbeheerder die belast is met de toewijzing van rijpaden op de hoogte dat een aanvraag is ingediend en overlegt zij met deze laatste over de punten van het dossier die de infrastructuurbeheerder aanbelangen. HOOFDSTUK 4. - Onderzoek van de aanvraag en afgifte van een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat

Art. 14.§ 1. Als bij de aanvraag niet alle verplichte documenten gevoegd zijn, stelt de veiligheidsinstantie de aanvrager hiervan onmiddellijk op de hoogte.

In dit geval wordt de termijn bedoeld in artikel 15 pas opgestart wanneer de aanvrager alle ontbrekende stukken aan de veiligheidsinstantie heeft overgemaakt. § 2. Als de veiligheidsinstantie vaststelt, nadat de termijn bedoeld in artikel 15 is beginnen te lopen, dat het dossier bijkomende informatie vereist, deelt zij dit mee aan de aanvrager en vraagt zij hem om haar aanvullende of verklarende stukken te bezorgen.

Art. 15.De veiligheidsinstantie stelt binnen de vier maanden na ontvangst van de volledige aanvraag of, in voorkomend geval, binnen de vier maanden na ontvangst van de in artikel 14, § 2, bedoelde aanvullende stukken de aanvrager in kennis van haar beslissing over de afgifte, de vernieuwing, de bijwerking of de herziening van de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat.

In geval van positieve beslissing wordt in hetzelfde bericht de vergunning of het certificaat overgemaakt. HOOFDSTUK 5. - Verlenging, intrekking of opschorting van een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat Afdeling 1. - Verlenging

Art. 16.Als het onderzoek van de aanvraag tot hernieuwing van een veiligheidsvergunning of van een veiligheidscertificaat het noodzakelijk maakt, kan de veiligheidsinstantie ambtshalve beslissen om de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat één of meerdere malen te verlengen voor een totale tijdspanne van maximum één jaar. Afdeling 2. - Intrekking

Onderafdeling 1. - Intrekking van de veiligheidsvergunning

Art. 17.In het geval bedoeld in artikel 96, derde lid, van de Spoorcodex, kan de veiligheidsinstantie zich uitspreken over de intrekking van een veiligheidsvergunning volgens de procedure bepaald in onderafdeling 3.

De intrekking kan geheel zijn of, in voorkomend geval, beperkt zijn tot een deel van het spoorwegnet.

Art. 18.Wanneer een spoorwegonderneming een abnormale of gevaarlijke situatie of feit vaststelt, begaan of veroorzaakt door de infrastructuurbeheerder, met een mogelijk risico voor de veiligheid van de spoorwegexploitatie, kan zij dit schriftelijk melden aan de infrastructuurbeheerder.

Als de situatie onveranderd blijft, kan zij de veiligheidsinstantie schriftelijk op de hoogte brengen.

Onderafdeling 2. - Intrekking van het veiligheidscertificaat

Art. 19.In de gevallen bedoeld in artikel 102, vierde en vijfde lid, van de Spoorcodex, spreekt de veiligheidsinstantie zich uit over de intrekking van het veiligheidscertificaat deel A of deel B volgens de procedure uit onderafdeling 3.

De intrekking van het veiligheidscertificaat deel B kan geheel zijn of beperkt tot één of meerdere typen activiteiten of tot één of meerdere van de gebruikte lijnen.

Art. 20.Wanneer de betrokken infrastructuurbeheerder vaststelt dat bij een spoorwegonderneming feitelijke elementen bestaan die tot een inbreuk op de spoorwegreglementering kunnen leiden, informeert hij de veiligheidsinstantie hiervan.

Art. 21.De veiligheidsinstantie kan de beslissing tot intrekking van het veiligheidscertificaat deel A baseren op informatie ontvangen van de veiligheidsinstantie van een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de omzettingsinstrumenten van artikel 10.5, vierde lid, van de richtlijn 2004/49/EG van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18 van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14 van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering, of op feiten gepleegd in een andere lidstaat van de Europese Unie.

Art. 22.Als het veiligheidscertificaat deel A van een spoorwegonderneming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, spreekt de veiligheidsinstantie zich ook onmiddellijk uit over de gehele of gedeeltelijke intrekking van het veiligheidscertificaat deel B. Onderafdeling 3. - Intrekkingsprocedure

Art. 23.§ 1. Binnen vijftien dagen na de dag van vaststelling van één van de gevallen bedoeld in de onderafdelingen 1 en 2, stelt de veiligheidsinstantie de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming in kennis van haar voornemen om de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat deel A of deel B in te trekken en geeft de redenen hiervoor. § 2. De veiligheidsinstantie nodigt de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming uit om schriftelijk haar opmerkingen over te maken binnen een termijn van vijftien dagen na de dag van kennisname van deze kennisgeving.

Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming geen zetel heeft in België.

De veiligheidsinstantie brengt de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming er eveneens van op de hoogte dat zij kan verzoeken om: 1° de documenten te raadplegen die aan de basis liggen van het voornemen om de intrekking uit te spreken alsook hiervan kopieën te verkrijgen;2° gehoord te worden op voorwaarde dat zij hiertoe een schriftelijk verzoek indient bij de veiligheidsinstantie uiterlijk binnen de termijn bedoeld in het eerste of tweede lid. Als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming verzoekt om gehoord te worden, roept de veiligheidsinstantie haar op uiterlijk binnen de vijftien dagen die volgen op de dag waarop zij kennis heeft genomen van dat verzoek.

De betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman, en zij kan getuigen oproepen. § 3. Als de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming meent dat zij onvoldoende tijd heeft om haar verdediging voor te bereiden, richt zij zich tot de veiligheidsinstantie, ten laatste op de dag waarop de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste of tweede lid verstrijkt, met een schriftelijk, gemotiveerd verzoek om een verlenging van maximaal vijftien dagen te bekomen.

De veiligheidsinstantie beslist binnen vijf werkdagen vanaf de ontvangst van dit verzoek.

Als zij geen beslissing neemt, wordt het verzoek geacht te zijn aangenomen.

Art. 24.De veiligheidsinstantie geeft kennis van haar beslissing tot intrekking binnen de maand die volgt op de ontvangst van de schriftelijke verdediging bedoeld in artikel 23, § 2, eerste lid, of, in voorkomend geval, binnen de maand volgend op het horen van de betrokken infrastructuurbeheerder of spoorwegonderneming .

De veiligheidsinstantie spreekt geen intrekking uit als, op het moment van het nemen van de beslissing, de situatie die de grond was voor het voornemen om tot intrekking over te gaan, verdwenen is.

Art. 25.De veiligheidsinstantie informeert de betrokken spoorweginfrastructuurbeheerder over alle beslissingen tot intrekking van een veiligheidscertificaat deel B. Afdeling 3. - Opschorting

Art. 26.Als zij meent dat er een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid bestaat, kan de veiligheidsinstantie, op het ogenblik van de kennisgeving bedoeld in artikel 23, § 1, de onmiddellijke gehele of gedeeltelijke opschorting uitspreken van de betrokken veiligheidsvergunning of het betrokken veiligheidscertificaat.

Zij heft de opschorting op van zodra het gevaar verdwenen is.

Art. 27.In geval van niet-betaling van de retributie, bedoeld in artikel 88/2 van de Spoorcodex, kan de veiligheidsinstantie eveneens de opschorting van het veiligheidscertificaat deel B uitspreken na de houder de mogelijkheid te hebben gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken.

De veiligheidsinstantie trekt haar beslissing tot opschorting in, zodra de spoorwegonderneming aantoont dat zij het bedrag van de retributie heeft betaald.

Art. 28.De opschorting heeft niet tot gevolg dat de geldigheidsduur van de veiligheidsvergunning of het veiligheidscertificaat verlengd wordt.

Art. 29.De veiligheidsinstantie informeert de betrokken spoorweginfrastructuurbeheerder over elke beslissing tot opschorting van een veiligheidscertificaat deel B. HOOFDSTUK 6. - Gemeenschappelijke bepalingen bij de hoofdstukken 2 tot 5

Art. 30.§ 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming richten elke aanvraag, elk ontbrekend document of elke bijkomende informatie bedoeld in de hoofdstukken 2 tot 5 aan de veiligheidsinstantie per aangetekende zending of door afgifte tegen ontvangstbewijs. § 2. Behalve in het geval van een elektronische verzending, maken de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming steeds, tegelijkertijd met het officiële dossier een elektronische versie van het dossier over aan de veiligheidsinstantie.

In ieder geval, als de elektronische versie niet compatibel is met het uitleessysteem van de veiligheidsinstantie, informeert deze de aanvrager die dan kosteloos de benodigde software verschaft.

Art. 31.De veiligheidsinstantie doet elke kennisgeving bedoeld in dit besluit per aangetekende zending met ontvangstbewijs. Zij kan deze kennisgeving ook gelijktijdig op een andere manier laten geschieden.

Art. 32.De betrokken partij wordt geacht kennis te hebben genomen van hetzij de kennisgeving van elke beslissing van de veiligheidsinstantie hetzij de kennisgeving van elk verzoek door een spoorwegonderneming of infrastructuurbeheerder die hem werden gedaan op de derde dag die volgt op de verzending van deze kennisgevingen, tenzij de betrokken partij bewijst dat de kennisneming gebeurde op een later tijdstip.

De termijnen bedoeld in dit besluit worden gerekend van middernacht tot middernacht.

De vervaldag is in de termijnen begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de volgende werkdag. HOOFDSTUK 7. - Het jaarlijks veiligheidsverslag

Art. 33.§ 1. Elke infrastructuurbeheerder en elke spoorwegonderneming dienen het jaarlijks veiligheidsverslag zoals bedoeld in artikel 92 van de Spoorcodex te versturen aan de veiligheidsinstantie. § 2. De veiligheidsinstantie kan bijkomende informatie betreffende de gegevens van het veiligheidsverslag opvragen.

Drie maanden vóór de aflevering van het jaarlijks veiligheidsverslag kan de veiligheidsinstantie eveneens, op grond van het vorige jaarlijks veiligheidsverslag, de recente evolutie van sommige veiligheidsaspecten of naar aanleiding van betekenisvolle gebeurtenissen, welbepaalde veiligheidskwesties opleggen die, gericht op de situatie van de onderneming, in het verslag verduidelijkt of op de voorgrond gesteld moeten worden. HOOFDSTUK 8. - Opheffings- en slotbepalingen

Art. 34.Worden opgeheven: 1° het koninklijk besluit van 16 januari 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/01/2007 pub. 23/01/2007 numac 2007014018 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat, de indienststelling van rollend materieel en het jaarlijks veiligheidsverslag sluiten betreffende de veiligheidsvergunning, het veiligheidscertificaat en het jaarlijks veiligheidsverslag, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2012, met uitzondering van artikel 41 en de bijlage 5;2° het koninklijk besluit van 13 november 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/11/2009 pub. 30/04/2010 numac 2010014079 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot vaststelling van het regelgevende kader van de nationale veiligheidsvoorschriften type koninklijk besluit prom. 13/11/2009 pub. 02/12/2009 numac 2009014295 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot vaststelling van het regelgevende kader van de nationale veiligheidsvoorschriften sluiten tot vaststelling van de nationale spoorwegveiligheidsdoelstellingen en -methodes, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2012.

Art. 35.Dit besluit treedt in werking op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch staatsblad, met uitzondering van artikel 33 dat in werking treedt op een datum bepaald door de Koning.

Art. 36.De minister bevoegd voor het spoorwegvervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 november 2018.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit, Fr. BELLOT

^