Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 21 april 2016
gepubliceerd op 13 december 2016

Koninklijk besluit tot goedkeuring van de vijfde bestuursovereenkomst van de Federaal agentschap voor de kinderbijslag

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2016022176
pub.
13/12/2016
prom.
21/04/2016
ELI
eli/besluit/2016/04/21/2016022176/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

21 APRIL 2016. - Koninklijk besluit tot goedkeuring van de vijfde bestuursovereenkomst van de Federaal agentschap voor de kinderbijslag


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;

Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, artikel 47;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, laatst gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;

Gelet op het advies van het Beheerscomité, gegeven op 4 maart 2016;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 4 maart 2016;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 7 maart 2016;

Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken, de Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken en de Minister van Begroting en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.De bij dit besluit gevoegde bestuursovereenkomst wordt goedgekeurd.

Art. 2.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016.

Art. 3.De minister bevoegd voor Sociale Zaken, de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken en de minister bevoegd voor Begroting zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 april 2016.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, M. DE BLOCK De Minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, S. VANDEPUT De Minister van Begroting, S. WILMES

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN 17 DECEMBER 2014. - Protocol tussen de federale overheid, de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreffende de aanrekening van de door de openbare instellingen van sociale zekerheid voor rekening van de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie uitgevoerde uitgaven op de middelen die krachtens de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap aan de deelgebieden worden toegekend Gelet op de bijzondere wet van 6 januari 2014 betreffende de Zesde Staatshervorming, de artikelen 6 tot 8, 12, 22, 44, 45 en 65 ;

Gelet op de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de artikelen 35nonies, 47/4 tot 47/9, 68quinquies, en 77, § 3 ;

Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, de artikelen 58duodecies tot 58septdecies, 60sexies en 86 ;

Gelet op het overleg met de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tijdens het Overlegcomité van 17 december 2014 ;

Overwegende het Samenwerkingsakkoord van 13 december 2013 tussen de federale overheid, de gemeenschappen, de gewesten en de gemeenschapscommissies betreffende de uitvoering van artikel 3, § 1, van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie, inzonderheid op artikel 2 dat : a) een evenwichtsdoelstelling invoert voor de rekeningen van de overheid ;b) een expliciete coördinatieregeling invoert voor de verdeling van de begrotingsdoelstellingen in nominale en structurele termen onder de diverse niveaus van de overheid ; Overwegende dat FAMIFED vanaf 1 juli 2014 en ten laatste tot 31 december 2019 voor rekening van de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie als tijdelijke administratieve en technische operator zal optreden voor het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen ;

Overwegende dat de RSZ, de RSZPPO, de RVA en de POD MI vanaf 1 juli 2014 voor rekening van de gewesten als enige administratieve en technische operators zullen optreden voor het administratief beheer en de uitbetaling van de in artikel 6, § 1, IX, 7°, a) en b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde bevoegdheden inzake het doelgroepenbeleid ;

Overwegende de vraag van de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie om de federale overheid of de instellingen die ervan afhangen vanaf 1 juli 2014, bij wijze van overgangsmaatregel, tijdelijk nog verder te laten instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling van bepaalde sociale prestaties en tenlasteneming van de bepaalde bijdrageverminderingen met betrekking tot de bevoegdheden die krachtens de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming aan voormelde deelgebieden werden overgeheveld ;

Overwegende dat een gelijkaardige regeling dient getroffen te worden dan voorzien in het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 tot uitvoering van artikel 54, § 1, tiende lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;

Overwegende dat het RIZIV, de RSZ, de RSZPPO en de RVA de instellingen van sociale zekerheid zijn die voor rekening van de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vanaf 1 juli 2014 als tijdelijke administratieve en technische operatoren zullen optreden ; dat die operationele werking wordt geregeld bij een protocol dat per instelling wordt afgesloten met de betrokken deelgebieden ;

Overwegende dat de financiële stromen met betrekking tot de verminderingen en uitgaven waarvoor de Hulp-en Voorzorgskas voor Zeevarenden als operator zal optreden, zullen verlopen via de RSZ ingevolge een overeenkomst die tussen beide instellingen wordt gesloten ;

Overwegende dat het optreden van de instellingen van sociale zekerheid als tijdelijke administratieve en technische operatoren voor rekening van de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kosten met zich brengt die limitatief van aard zijn en betrekking hebben op personeelsuitgaven, werkingsuitgaven en investeringsuitgaven waarvan de raming wordt opgenomen in de beheerbegroting van de instellingen van sociale zekerheid ;

Overwegende dat de beheers- en de opdrachtenbegroting van de instellingen van sociale zekerheid voldoende verantwoording dienen te bevatten van de verrichtingen gedaan als administratieve en technische operatoren voor rekening van de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, teneinde de kosten en uitgaven per deelgebied te bepalen ;

Overwegende dat de aanrekening van de uitgaven die door de instellingen van sociale zekerheid worden uitgevoerd voor rekening van de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, op de aan deze deelgebieden toegekende middelen, dient geregeld te worden met het akkoord van de betrokken deelgebieden, in de mate dat de aanrekening niet in de bijzondere financieringswet of de gewone wet over de Duitstalige Gemeenschap is voorzien ;

Overwegende dat een accurate aanrekening op het betrokken begrotingsjaar van de uitgaven die door de instellingen van sociale zekerheid voor rekening van de deelgebieden worden uitgevoerd, bijdraagt tot een grotere transparantie inzake de lastenverdeling over en de verantwoordingsplicht van de diverse geledingen van de overheid ;

Overwegende dat die dienstverlening door de federale overheid de begroting van deze laatste niet meer mag bezwaren dan de totaliteit van de in de federale Middelen- en Uitgavenbegroting voorziene middelenoverdracht naar de deelgebieden bepaald overeenkomstig de bepalingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap ;

Overwegende de uiteenlopende tijdstippen waarop de instellingen van sociale zekerheid voorlopige en definitieve afrekeningen opstellen van de budgettaire impact van de voor rekening van de deelgebieden uitgevoerde uitgaven ;

Overwegende het niet-limitatieve karakter van de met de wettelijke opdrachten van de instellingen van sociale zekerheid verband houdende uitgaven en bijdrageverminderingen waarvan de omvang bepaald wordt door de werkelijke behoeften en waarvan de ramingen worden opgenomen in de opdrachtenbegroting van de instellingen van sociale zekerheid ;

Overwegende het limitatieve karakter van de krachtens de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap aan de gemeenschappen, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de gewesten toegekende financiële middelen, waarvan de omvang wordt bepaald door de mechanismen vastgesteld in diezelfde wetten en waarvan de ramingen worden opgenomen in de Middelenbegroting en de Algemene Uitgavenbegroting van de federale overheid ;

Overwegende dat, gelet op de verschillende aard van enerzijds de door de instellingen van sociale zekerheid uit te voeren uitgaven en/of toe te stane bijdrageverminderingen en anderzijds de financieringsbronnen, er afwijkingen kunnen optreden tussen de werkelijke behoeften en de beschikbare financiële middelen.

Overwegende dat, ondanks die afwijkingen, het geheel van de federale middelenbegroting en de federale uitgavenbegroting voor een gegeven begrotingsjaar niet zwaarder kan belast worden dan de krachtens de voormelde bijzondere wetten en wet toe te kennen middelenoverdracht naar de deelgebieden zoals voorzien in de initiële respectievelijk aangepaste Middelen- en Uitgavenbegroting van de federale overheid voor het betrokken begrotingsjaar.

Tussen : De federale overheid, vertegenwoordigd door de federale regering, in de persoon van de minister bevoegd voor Financiën ;

De Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister-president ;

De Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister-president ;

De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister-president ;

De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door haar Verenigd College, in de persoon van de voorzitter van het College ;

Het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister-president ;

Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister-president ;

Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de minister-president ;

Wordt overeengekomen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder : 1° de bijzondere wet : de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ;2° de bijzondere financieringswet : de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;3° de bijzondere Brusselwet : de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen ;4° de gewone wet : de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap ;5° de Middelenbegroting : de Middelenbegroting van de federale overheid, of bij gebrek daaraan, de Financiewet ;6° de Uitgavenbegroting : de Algemene Uitgavenbegroting van de federale overheid ;7° het RIZIV : het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ;8° FAMIFED : Federaal Agentschap voor de Kinderbijslagen ;9° de RSZ : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ;10° de RSZPPO : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten ;11° de RVA : de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening ;12° de instellingen van sociale zekerheid : FAMIFED, het RIZIV, de RVA, de RSZ en de RSZPPO ;13° de Stafdienst BEO : de Stafdienst voor Beleidsexpertise en ondersteuning van de Federale Overheidsdienst Financiën ;14° de Thesaurie: de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale overheidsdienst Financiën;15° de gemeenschappen: de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en, waar dit is bepaald in de bijzondere financieringswet voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;16° de gewesten : Het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest ;17° de deelgebieden : de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;18° de FOD B&B: de Federale overheidsdienst Budget en Beheerscontrole.

Art. 2.De middelen die krachtens de bijzondere financieringswet, de bijzondere Brusselwet en de gewone wet aan de deelgebieden worden toegekend omwille van de overheveling door de federale overheid van bevoegdheden inzake loopbaanonderbreking, gezinsbijslagen, ouderenzorg, gezondheidszorg en hulp aan personen, de investeringskost van de ziekenhuisinfrastructuur en de medisch-technische diensten, wat de gemeenschappen betreft, en arbeidsmarktbeleid en loopbaanonderbreking, wat de gewesten betreft, worden aan de instellingen van sociale zekerheid, ieder wat hem betreft, gestort volgens de door deze laatste bepaalde behoeften.

Art. 3.De aanrekening van de door de instellingen van sociale zekerheid uitgevoerde uitgaven op de aan het betrokken deelgebied voor het betrokken begrotingsjaar toegekende middelen gebeurt steeds na toepassing van de bepalingen in de bijzondere financieringswet en de gewone wet overeenkomstig dewelke specifieke bedragen in mindering dienen gebracht te worden van specifieke middelen, en in de volgorde : 1° op de middelen die worden toegekend omwille van de overheveling door de federale overheid van de betrokken bevoegdheden ;2° op de overige middelen die worden toegekend omwille van de overheveling van andere bevoegdheden en die, hetzij op hetzelfde toewijzingsfonds zijn voorzien, indien het gaat om middelen die gevormd worden door toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen of heffingen, hetzij in dezelfde in de federale Uitgavenbegroting opgenomen basisallocatie zijn voorzien, indien het gaat om middelen die gevormd worden door een uitgavenkrediet ;3° op de overige middelen die op een ander toewijzingsfonds zijn voorzien. HOOFDSTUK 2. - De gemeenschappen

Art. 4.§ 1. Met het oog op de opmaak van de initiële Middelen- en Uitgavenbegroting van de federale overheid, delen de instellingen van sociale zekerheid, ieder wat hem betreft, uiterlijk op 15 juli van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar schriftelijk aan de Stafdienst BEO en de FOD BB de raming, per gemeenschap, mee van : 1° het bedrag van de budgettaire impact op het betrokken begrotingsjaar van de uitoefening van de krachtens de artikelen 6 tot 8, 12, 44, 45 en 65 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, overgehevelde bevoegdheden inzake loopbaanonderbreking, gezinsbijslagen, ouderenzorg, gezondheidszorg en hulp aan personen en de investeringskost van de ziekenhuisinfrastructuur en de medisch-technische diensten waarvoor de instellingen van sociale zekerheid, voor rekening van de gemeenschappen, als tijdelijke administratieve en technische operatoren optreden : a) per bevoegdheid ;b) opgesplitst over de beheersbegroting en de opdrachtenbegroting die door de instellingen van sociale zekerheid andere dan FAMIFED wordt opgesteld ;c) voorzien in de opdrachtenbegroting (sociale prestaties) die door FAMIFED per gemeenschap wordt opgesteld.2° de in de artikelen 47/7, § 3, tweede lid, en 68quinquies, § 3, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedragen en het in artikel 60sexies, § 3, van de gewone wet bedoelde bedrag ;3° het in artikel 47/8, tweede lid, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag ;4° het in artikel 47/9, § 4, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag en het in artikel 58septdecies, derde lid, van de gewone wet bedoelde bedrag. De instellingen van sociale zekerheid delen, ieder wat hem betreft, uiterlijk de tiende werkdag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de in artikel 77, § 3, derde lid, van de bijzondere financieringswet bedoelde verrekening aanvangt, schriftelijk aan de Stafdienst BEO en de FOD BB de raming mee van het in artikel 77, § 3, derde lid, van de bijzondere financieringswet bedoelde voorlopig bedrag en van het hiermee overeenstemmende bedrag bedoeld in artikel 86 van de gewone wet.

De in het eerste lid bedoelde ramingen per gemeenschap(1) zijn de inschattingen die voorafgaand door de in het eerste lid bedoelde instellingen van sociale zekerheid aan de betrokken gemeenschap werden meegedeeld op basis van de op dat ogenblik geldende reglementeringen en de recentste economische parameters. Herzieningen van deze ramingen worden uiterlijk op 10 september van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan de Stafdienst BEO en de FOD BB meegedeeld. Het betreft ramingen voorafgaand aan de conclaaf beslissingen van de respectieve gemeenschapsregeringen.

Indien een gemeenschap tijdens het conclaaf beslissingen treft die de in het derde lid bedoelde ramingen nog wijzigen, delen zij de impact van de beslissingen uiterlijk op 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar schriftelijk mee aan de betrokken instellingen van sociale zekerheid en aan de Stafdienst BEO en de FOD B&B. De aangepaste ramingen zullen bij de in § 2, eerste lid, bedoelde begrotingscontrole in rekening worden gebracht. § 2. Het bepaalde in paragraaf 1 wordt integraal herhaald in het kader van de voorbereiding van de begrotingscontrole van de federale overheid met het oog op de opmaak van de aangepaste Middelen- en Uitgavenbegroting van de federale overheid, met dien verstande dat : 1° de in paragraaf 1, eerste lid, vermelde datum van 15 juli van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar wordt vervangen door 15 februari van het betrokken begrotingsjaar ;2° de in paragraaf 1, derde lid, vermelde datum van 10 september van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar wordt vervangen door 28 februari van het betrokken begrotingsjaar ;3° de in paragraaf 1, vierde lid, vermelde datum van 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar wordt vervangen door 30 april van het betrokken begrotingsjaar. § 3. De in paragraaf 1, eerste lid, 1°, bedoelde bedragen : 1° zijn de behoeften die door de instellingen van sociale zekerheid worden geraamd met het oog op de opmaak van de initiële respectievelijk de aangepaste Middelen- en Uitgavenbegroting van de federale overheid ;2° worden aangerekend op : a) wat de Vlaamse Gemeenschap en de Franse gemeenschap betreft : de middelen die beperkt zijn tot de aan de betrokken gemeenschap voor het betrokken begrotingsjaar krachtens de bepalingen van Titel IV, Hoofdstuk III, Titel IV/1 van de bijzondere financieringswet toegekende middelen en de krachtens de bepalingen van Titel V/1 van de bijzondere financieringswet toegekende middelen indien het bedrag van het overgangsmechanisme negatief is ;b) wat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreft, de middelen die beperkt zijn tot de voor het betrokken begrotingsjaar krachtens de bepalingen van Titel IV/1 en artikel 65 van de bijzondere financieringswet toegekende middelen en de krachtens de bepalingen van Titel V/1 van de bijzondere financieringswet toegekende middelen indien het bedrag van het overgangsmechanisme negatief is ;c) wat de Duitstalige Gemeenschap betreft : de middelen die beperkt zijn tot de voor het betrokken begrotingsjaar krachtens de bepalingen van de Hoofdstukken IV en V van de gewone wet toegekende middelen en de krachtens de bepalingen van Hoofdstuk VI van de gewone wet toegekende middelen indien het bedrag van het overgangsmechanisme negatief is ; waarbij a) tot c) overeenstemmen met de bedragen voorzien in de initiële respectievelijk de aangepaste Middelen- en Uitgavenbegroting van de federale overheid ; 3° worden rechtstreeks door de Thesaurie aan de instellingen van sociale zekerheid overgemaakt op de wijze bepaald in artikel 6.

Art. 5.De Stafdienst BEO raamt voor de betrokken gemeenschap en voor het betrokken begrotingsjaar de in artikelen 47/5 tot 47/9 van de bijzondere financieringswet bedoelde middelen die een onderdeel zijn van de in artikel 1, § 1, 3°, van de bijzondere financieringswet bedoelde federale dotaties en die overeenkomstig artikel 47/4 van de bijzondere financieringswet in de initiële respectievelijk de aangepaste Uitgavenbegroting voor het betrokken begrotingsjaar worden voorzien.

De in het eerste lid bedoelde middelen worden geïntegreerd in het totaal bedrag van de basisallocatie die voor de betrokken gemeenschap en voor het betrokken begrotingsjaar voor het geheel van de in artikel 47/4 van de bijzondere financieringswet bedoelde middelen wordt voorzien op de Organisatie-afdeling 35 Dotaties aan de gemeenschappen, van de sectie 01 Dotaties, civiele lijst en koninklijke familie van de Uitgavenbegroting van de federale overheid.

Art. 6.§ 1. Het aandeel van elke instelling van sociale zekerheid in de met toepassing van artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, geraamde bedragen wordt, ieder wat hem betreft, op de eerste werkdag van elke maand van het betrokken begrotingsjaar ten belope van één twaalfde van het begrote bedrag door de Thesaurie aan de instelling van sociale zekerheid overgemaakt op het rekeningnummer die hij, ieder wat hem betreft, meedeelt aan de Stafdienst BEO, uiterlijk op de dag van inwerkingtreding van dit protocol. Wijzigingen van die rekeningnummers worden minstens twee maanden vóór de maand van storting aan de Stafdienst BEO meegedeeld.

De Stafdienst BEO stelt, per gemeenschap en per instelling van sociale zekerheid, een overzichtstabel op waarin de volgende gegevens worden opgenomen: 1° de in het eerste lid bedoelde maandelijkse stortingen die overeenkomstig het eerste lid rechtstreeks aan de instelling van sociale zekerheid worden overgemaakt ;2° voor elke maand, één twaalfde van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde raming van de in artikelen 47/5 tot 47/9 van de bijzondere financieringswet bedoelde middelen, voorzien in de initiële Uitgavenbegroting van de federale overheid ; Is het in het tweede lid, 1°, bedoelde maandelijkse bedrag lager dan het in het tweede lid, 2°, bedoelde bedrag, dan wordt het verschil op de eerste werkdag van de betrokken maand door de Thesaurie aan de bevoegde instelling van de gemeenschap overgemaakt. § 2. De in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde overzichtstabel wordt met ingang van de maand volgend op de maand van publicatie van de wet houdende aanpassing van de Uitgavenbegroting voor het betrokken begrotingsjaar aangepast.

Het verschil tussen de herraamde bedragen overeenkomstig artikel 4, § 2, enerzijds, en de reeds aan de instellingen van sociale zekerheid doorgestorte bedragen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, in voorkomend geval gewijzigd overeenkomstig artikel 12, eerste lid, anderzijds, wordt evenredig verdeeld over de in het eerste lid bedoelde resterende maanden van het begrotingsjaar.

De in paragraaf 1, tweede lid, 2°, bedoelde maandelijkse bedragen worden voor de in het eerste lid bedoelde nog resterende maanden van het begrotingsjaar bepaald op één twaalfde van de aangepaste middelen bedoeld in artikel 5. Het verschil met de reeds verlopen maanden wordt gevoegd bij de eerste maand volgend op de maand van publicatie. § 3. De in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde initiële overzichtstabel en de in paragraaf 2, bedoelde aangepaste overzichtstabel wordt uiterlijk op de vijftiende werkdag van de maand november van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar respectievelijk de vijftiende werkdag van de maand van publicatie van de wet houdende aanpassing van de Uitgavenbegroting voor het betrokken begrotingsjaar door de Stafdienst BEO ter informatie meegedeeld aan : a) de instellingen van sociale zekerheid ;b) de gemeenschappen(2) ;c) de Federale Overheidsdienst Budget en Beheerscontrole.

Art. 7.§ 1. Het saldo van het in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, respectievelijk § 2, door FAMIFED geraamde bedrag dat met toepassing van artikel 68quinquies, § 2, van de bijzondere financieringswet en artikel 60sexies, § 2, van de gewone wet niet kan verrekend worden, wordt in mindering gebracht van de overige in artikel 4, § 3, 2°, bedoelde middelen die aan de betrokken gemeenschappen worden toegekend.

Die aanrekening gebeurt voor het betrokken begrotingsjaar en de betrokken gemeenschap in de volgorde bepaald in paragraaf 2. § 2. Het bedrag in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, respectievelijk § 2, geraamd door de instellingen van sociale zekerheid andere dan FAMIFED, wordt in mindering gebracht van de in artikel 4, § 3, 2°, bedoelde middelen die aan de gemeenschappen worden toegekend.

Die aanrekening gebeurt voor het betrokken begrotingsjaar en de betrokken gemeenschap : 1° wat de gemeenschappen met uitzondering van de Duitstalige Gemeenschap betreft : op de in de artikelen 47/5 tot 47/9 van de bijzondere financieringswet bedoelde middelen, in voorkomend geval verminderd met : a) wat het artikel 47/7 betreft: 1.het in het artikel 47/7, § 3, tweede lid, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag dat, wat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreft, in voorkomend geval wordt verminderd met het in artikel 48/1 van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien dit laatstgenoemde bedrag positief is; 2. het in 68quinquies, § 3, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag;b) wat het artikel 47/8 betreft: 1.het in artikel 47/8, tweede lid, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag dat, wat de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie betreft, in voorkomend geval wordt verminderd met het in artikel 48/1 van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien dit laatstgenoemde bedrag positief is; 2. het in 68quinquies, § 2, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag;c) het in artikel 47/9, § 4, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag;d) het in artikel 77, § 3, derde lid, van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag ;2° wat de Duitstalige Gemeenschap betreft : op de in de artikelen 58terdecies tot 58septdecies van de gewone wet bedoelde middelen, in voorkomend geval verminderd met : a) het in 60sexies, § 3, van de gewone wet bedoelde bedrag;b) het in artikel 60sexies, § 2, van de gewone wet bedoelde bedrag;c) het in artikel 58septdecies, derde lid, van de gewone wet bedoelde bedrag;d) het met artikel 77, § 3, derde lid, van de bijzondere financieringswet overeenstemmende bedrag in artikel 86 van de gewone wet. Zijn de in het tweede lid bedoelde middelen van de betrokken gemeenschap voor het betrokken begrotingsjaar ontoereikend, dan worden het saldo van het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde bedrag en het resterend bedrag van het in paragraaf 1, bedoelde saldo verder in mindering gebracht van : a) wat de gemeenschappen met uitzondering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreft : de in artikel 41 van de bijzondere financieringswet bedoelde toegewezen gedeelten van de opbrengst van de BTW die voor de betrokken gemeenschap en voor het betrokken begrotingsjaar worden voorzien op het toewijzingsfonds 66.21 : BTW - Aan de gemeenschappen toegewezen gedeelte van de BTW ; b) wat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreft : 1.het in artikel 65 van de bijzondere financieringswet bedoelde toegewezen gedeelten van de opbrengst van de federale personenbelasting, in voorkomend geval verminderd met het in artikel 48/1 van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien laatstgenoemde bedrag positief is, 2. het in artikel 48/1 van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien dit bedrag negatief is; die beiden voor het betrokken begrotingsjaar worden voorzien op het toewijzingsfonds 66.22 : Inkomstenbelastingen - Aan de gemeenschappen toegewezen gedeelte van de federale personenbelasting ; c) wat de Duitstalige Gemeenschap betreft : de in artikel 58decies van de gewone wet bedoelde toegewezen gedeelten van de opbrengst van de BTW die voor het betrokken begrotingsjaar worden voorzien op het in a) bedoelde toewijzingsfonds. Zijn de in het derde lid bedoelde middelen van de betrokken gemeenschap ontoereikend, dan worden het saldo van het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde bedrag en het resterend bedrag van het in paragraaf 1, bedoelde saldo verder in mindering gebracht van : a) wat de gemeenschappen met uitzondering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreft : 1.de in het artikel 47/2 van de bijzondere financieringswet bedoelde toegewezen gedeelten van de opbrengst van de federale personenbelasting, in voorkomend geval verminderd met het in artikel 48/1 van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien dit laatstgenoemde bedrag positief is; 2. het in artikel 48/1 van de bijzondere financieringswet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien dit bedrag negatief is; die beiden voor de betrokken gemeenschap en voor het betrokken begrotingsjaar worden voorzien op het toewijzingsfonds 66.22 : Inkomstenbelastingen - Aan de gemeenschappen toegewezen gedeelte van de federale personenbelasting ; b) wat de Duitstalige Gemeenschap betreft : 1.de in 58nonies van de gewone wet bedoelde toegewezen gedeelten van de opbrengst van de federale personenbelasting, in voorkomend geval verminderd met het in artikel 58novodecies van de gewone wet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien dit bedrag positief is; 2. het in artikel 58novodecies van de gewone wet bedoelde bedrag van het overgangsmechanisme indien dit bedrag negatief is, die beiden voor het betrokken begrotingsjaar worden voorzien op het in a) bedoelde toewijzingsfonds. Zijn de het vierde lid bedoelde middelen van de betrokken gemeenschap ontoereikend, dan worden het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde bedrag en het in paragraaf 1, bedoelde saldo beperkt tot de middelen bedoeld in het tweede tot het vierde lid. § 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde aanrekeningen worden opgenomen in de verantwoording bij de in artikel 5, tweede lid, bedoelde basisallocatie voor de betrokken gemeenschap van de initiële respectievelijk aangepaste Uitgavenbegroting van de federale overheid en in de verantwoording bij de toewijzingsfondsen 66.21 : BTW - Aan de gemeenschappen toegewezen gedeelte van de BTW en 66.22 : Inkomstenbelastingen - Aan de gemeenschappen toegewezen gedeelte van de federale personenbelasting van de initiële respectievelijk aangepaste Middelenbegroting van de federale overheid. HOOFDSTUK 3. - De gewesten

Art. 8.§ 1. Met het oog op de opmaak van de initiële Middelen- en Uitgavenbegroting van de federale overheid, delen de instellingen van sociale zekerheid, ieder wat hem betreft, uiterlijk op 15 juli van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar schriftelijk aan de Stafdienst BEO en de FOD BB de raming, per gewest, mee van het bedrag van de budgettaire impact op het betrokken begrotingsjaar van de uitoefening van de krachtens de artikelen 22 en 65 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, overgehevelde bevoegdheden inzake loopbaanonderbreking en arbeidsmarktbeleid andere dan de in artikel 6, § 1, IX, 7°, a) en b), bedoelde bevoegdheden, waarvoor de instellingen van sociale zekerheid, voor rekening van de gewesten, als tijdelijke administratieve en technische operatoren optreden : a) per bevoegdheid ;b) opgesplitst over de beheersbegroting en de opdrachtenbegroting van de instelling van sociale zekerheid. De in het eerste lid bedoelde ramingen per gewest zijn de inschattingen die voorafgaand door de instellingen van sociale zekerheid aan het betrokken gewest werden meegedeeld op basis van de op dat ogenblik geldende reglementeringen en de recentste economische parameters. Herzieningen van deze ramingen worden uiterlijk op 10 september van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar aan de Stafdienst BEO en de FOD BB meegedeeld. Het betreft ramingen voorafgaand aan de conclaaf beslissingen van de respectieve gewestregeringen.

Indien een gewest beslissingen treft die de in het tweede lid bedoelde ramingen nog wijzigen, delen zij de impact van de beslissingen uiterlijk op 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar schriftelijk mee aan de betrokken instellingen van sociale zekerheid en aan de Stafdienst BEO en de FOD B&B. De aangepaste ramingen zullen bij de in § 2, bedoelde begrotingscontrole in rekening worden gebracht. § 2. Het bepaalde in paragraaf 1 wordt integraal herhaald op de wijze bepaald in artikel 4, § 2. § 3. De in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde bedragen : 1° zijn de behoeften die door de instellingen van sociale zekerheid worden geraamd met het oog op de opmaak van de initiële respectievelijk de aangepaste Middelen- en Uitgavenbegroting van de federale overheid ;2° worden aangerekend op de middelen die beperkt zijn tot de aan het betrokken gewest voor het betrokken begrotingsjaar krachtens : a) het artikel 54, § 1, vierde lid, van de bijzondere financieringswet toegekende middelen, na toepassing van het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 tot uitvoering van artikel 54, § 1, tiende lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;b) en het artikel 54/1 van de bijzondere financieringswet toegekende middelen ; zoals voorzien in de initiële respectievelijk de aangepaste Middelenbegroting van de federale overheid ; 3° worden rechtstreeks door de Thesaurie aan de instellingen van sociale zekerheid overgemaakt op de wijze bepaald in artikel 10.

Art. 9.De raming van de aan de gewesten toegewezen middelen gebeurt op de wijze bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 tot uitvoering van artikel 54, § 1, tiende lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

Art. 10.§ 1. Het aandeel van elke instelling van sociale zekerheid in de met toepassing van artikel 8, § 1, eerste lid, geraamde bedragen wordt, ieder wat hem betreft, door de Thesaurie aan de instellingen van sociale zekerheid overgemaakt op de wijze bepaald in artikel 6, § 1, eerste lid.

De Stafdienst BEO stelt, per gewest en per instelling van sociale zekerheid, een overzichtstabel op waarin de volgende gegevens worden opgenomen: 1° de in het eerste lid bedoelde maandelijkse stortingen die overeenkomstig het eerste lid rechtstreeks aan de instelling van sociale zekerheid worden overgemaakt ;2° voor elke maand, één twaalfde van de in artikel 9 bedoelde raming van de in artikel 35nonies van de bijzondere financieringswet bedoelde middelen, voorzien in de initiële Middelenbegroting van de federale overheid. Is het in het tweede lid, 1°, bedoelde maandelijkse bedrag lager dan het in het tweede lid, 2°, bedoelde bedrag, dan wordt het verschil op de eerste werkdag van de betrokken maand door de Thesaurie aan de bevoegde instelling van het gewest overgemaakt. § 2. De in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde overzichtstabel wordt met ingang van de maand volgend op de maand van publicatie van de wet houdende aanpassing van de Middelenbegroting voor het betrokken begrotingsjaar aangepast.

Het verschil tussen de herraamde bedragen overeenkomstig artikel 8, § 2, enerzijds, en de reeds aan de instellingen van de sociale zekerheid doorgestorte bedragen overeenkomstig § 1, eerste lid, in voorkomend geval gewijzigd overeenkomstig artikel 12, eerste lid, anderzijds, wordt evenredig verdeeld over de in het eerste lid bedoelde resterende maanden van het begrotingsjaar.

De in paragraaf 1, tweede lid, 2°, bedoelde maandelijkse bedragen worden voor de in het eerste lid bedoelde nog resterende maanden van het begrotingsjaar bepaald op één twaalfde van de aangepaste middelen bedoeld in artikel 9. Het verschil met de reeds verlopen maanden wordt gevoegd bij de eerste maand volgend op de maand van publicatie. § 3. De in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde initiële overzichtstabel en de in paragraaf 2, bedoelde aangepaste overzichtstabel wordt uiterlijk op de vijftiende werkdag van de maand november van het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar respectievelijk de vijftiende werkdag van de maand van publicatie van de wet houdende aanpassing van de Middelenbegroting voor het betrokken begrotingsjaar door de Stafdienst BEO ter informatie meegedeeld aan : a) de instellingen van sociale zekerheid ;b) de gewesten(3);c) de Federale Overheidsdienst Budget en Beheerscontrole.

Art. 11.§ 1. Het in artikel 8, § 1, eerste lid, respectievelijk § 2, geraamde bedrag wordt in mindering gebracht van de in artikel 54, § 1, vierde lid, van de bijzondere financieringswet bedoelde middelen die aan de gewesten worden toegekend.

Die aanrekening gebeurt voor het betrokken begrotingsjaar en het betrokken gewest in de volgorde bepaald in artikel 5, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 tot uitvoering van artikel 54, § 1, tiende lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

Zijn de in het tweede lid bedoelde middelen van het betrokken gewest voor het betrokken begrotingsjaar ontoereikend, dan wordt het saldo van het in artikel 8, § 1, eerste lid, respectievelijk § 2, bedoelde bedrag verder in mindering gebracht van de in artikel 54/1 van de bijzondere financieringswet bedoelde ontvangsten van de gewestelijke personenbelasting die voor het betrokken gewest en voor het betrokken begrotingsjaar worden voorzien op het toewijzingsfonds : Gewestelijke personenbelasting en die in voorkomend geval zijn verminderd met het saldo van het in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, respectievelijk § 2, van het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 tot uitvoering van artikel 54, § 1, tiende lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten geraamde bedrag dat met toepassing van artikel 5, § 1 van dat koninklijk besluit niet kon worden aangerekend.

Zijn de in het derde lid bedoelde middelen van het betrokken gewest ontoereikend, dan wordt het in artikel 8, § 1, eerste lid, respectievelijk § 2, bedoelde bedrag beperkt tot de middelen bedoeld in het tweede en het derde lid. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanrekeningen worden opgenomen in de verantwoording bij het in artikel 9 en desgevallend, het in paragraaf 1, derde lid, bedoelde toewijzingsfonds van de initiële respectievelijk aangepaste begroting van de federale overheid. HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor de gemeenschappen en de gewesten

Art. 12.Indien de instellingen van sociale zekerheid de behoeften voor een gegeven maand van het betrokken begrotingsjaar hoger of lager inschatten dan het bedrag dat overeenkomstig artikel 6, § 1, respectievelijk artikel 6, § 2, wat de gemeenschappen betreft, en artikel 10, § 1, respectievelijk artikel 10, § 2, wat de gewesten betreft, voor de betrokken maand is bepaald, delen zij de gevraagde aanpassing uiterlijk de laatste werkdag vóór de 15de van de maand voorafgaand aan de maand waarvoor de afwijking wordt gevraagd schriftelijk mee aan de Stafdienst BEO en de FOD BB en aan het betrokken deelgebied.

Het verschil tussen de gevraagde maandelijkse storting en de overeenkomstig artikel 6 respectievelijk artikel 10 bepaalde maandelijkse storting wordt aangerekend op de bedragen die voor de betrokken maand voor de overige in artikel 4, § 3, 2°, bedoelde middelen aan de betrokken gemeenschap respectievelijk voor de overige in artikel 8, § 3, 2°, bedoelde middelen aan het betrokken gewest worden overgemaakt . De aanrekening gebeurt in de volgorde bepaald in artikel 7, § 2, respectievelijk artikel 11, § 1.

Zijn de in het tweede lid bedoelde bedragen van de betrokken gemeenschap respectievelijk het betrokken gewest voor de betrokken maand ontoereikend, dan wordt het saldo van het in het tweede lid bedoelde verschil verder aangerekend op de in artikel 4, § 3, 2°, bedoelde middelen van de betrokken gemeenschap respectievelijk de artikel 8, § 3, 2°, bedoelde middelen van het betrokken gewest voor de volgende maand van het betrokken begrotingsjaar, in de volgorde bepaald in artikel 7, § 2, respectievelijk artikel 11, § 1. Ten belope van deze aanrekening, wordt een interestvergoeding voor 1 maand aangerekend aan het betrokken gewest tegen de intrestvoet als bepaald in uitvoering van artikel 17. Deze intrest wordt samen met de hoofdsom aangerekend op de middelen van de eerstvolgende maand.

Heeft de in het derde lid bedoelde toestand betrekking op de maand december van het betrokken begrotingsjaar, dan wordt het saldo van het in het tweede lid bedoelde verschil door de instelling van sociale zekerheid uitsluitend op kasbasis gedekt door een beroep te doen op haar kredietlijn die zij bij de federale Thesaurie heeft aangegaan. De intresten van deze lening vallen ten laste van het betrokken deelgebied en worden samen met de hoofdsom aangerekend op de in het derde lid bedoelde middelen van de eerstvolgende maand op de wijze bepaald in het tweede tot het derde lid.

Art. 13.De instellingen van sociale zekerheid delen, ieder wat hem betreft, de na afloop van het betrokken begrotingsjaar opgestelde voorlopige en definitieve afrekeningen van de in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, en § 2, respectievelijk de in artikel 8, § 1, eerste lid, en § 2, bedoelde budgettaire impact, schriftelijk mee aan de Stafdienst BEO en de FOD BB en aan het betrokken deelgebied op de tweede werkdag volgend op de goedkeuring door hun respectievelijk Beheerscomité.

Het bedrag van iedere afrekening wordt in rekening gebracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.

Art. 14.De instellingen van sociale zekerheid maken een raming van de aan de deelgebieden aanrekenbare behoeften telkens wanneer ze een raming maken van de uitgaven die ten laste van de federale overheid vallen. Ze delen die ramingen terzelfdertijd mee aan de betrokken deelgebieden en aan de Stafdienst BEO en de FOD B&B. Daarnaast wordt een periodieke monitoring ingesteld die bestaat uit een maandelijkse rapportering door de Stafdienst BEO aan de deelgebieden en de instellingen van sociale zekerheid en een trimestriële rapportering door de instellingen van sociale zekerheid aan de deelgebieden en de Stafdienst BEO. De maandelijkse rapportering door de Stafdienst BEO herneemt onder meer : 1° de overeenkomstig de bijzondere financieringswet en de gewone wet geraamde middelen, zoals bedoeld in : a) artikel 6, § 1, tweede lid, 2°, en § 2, eerste en derde lid, wat de gemeenschappen betreft, b) artikel 10, § 1, tweede lid, 2° en § 2, eerste en derde lid, wat de gewesten betreft ;2° de in de federale begroting geraamde behoeften, zoals bedoeld in : a) artikel 4, §§ 1 en 2, wat de gemeenschappen betreft, b) artikel 10, §§ 1 en 2, wat de gewesten betreft ;3° de effectieve behoeften, zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid ;4° de verschillen tussen het 1° en het 3°, indien negatief, zoals bedoeld in artikel 12, tweede tot vierde lid ;5° de verschillen tussen het 1° en 3°, indien positief, zoals bedoeld in : a) artikel 6, § 1, derde lid, wat de gemeenschappen betreft ;b) artikel 10, § 1, derde lid, wat de gewesten betreft ; De maandelijkse rapportering wordt aan de deelgebieden en de instellingen van sociale zekerheid en de FOD BB meegedeeld vóór de laatste werkdag van de maand die volgt op maand die het voorwerp van de rapportering heeft uitgemaakt.

De trimestriële rapportering door de instellingen van sociale zekerheid, opgesteld op kasbasis en ESR basis, herneemt onder meer : 1° de realisaties van de met toepassing van artikel 4, §§ 1 en 2, bekomen behoeften tijdens het laatst gekende trimester ;2° de vooruitzichten aangaande de met toepassing van artikel 4, §§ 1, 2 en 3, 1°, bekomen behoeften voor de nog resterende trimesters van het lopende jaar of het eerste trimester van het volgende jaar ;3° de verhouding tussen het 1° respectievelijk het 2° en : a) de met toepassing van artikel 4, §§ 1 en 2 geraamde behoeften in de begrotingen van de instellingen van sociale zekerheid, b) de met toepassing van artikel 4, §§ 1 en 2 geraamde behoeften in de begrotingen van de deelgebieden. De trimestriële rapportering wordt aan de deelgebieden en de Stafdienst BEO en de FOD BB terzelfdertijd meegedeeld als de rapportering aan de federale regering.

Art. 15.Op verzoek van één of meerdere deelgebieden kan de werkgroep samengesteld uit vertegenwoordigers van de regeringen van de deelgebieden, van de instellingen van sociale zekerheid en de Stafdienst BEO en de FOD BB samenkomen.

Art. 16.Tenzij een deelgebied er anders over beslist en onverminderd artikel 68quinquies, § 2, van de bijzondere financieringswet, artikel 6, § 1, IX, 7°, a), vijfde lid en b), tweede lid, van de bijzondere wet en het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 tot uitvoering van artikel 54, § 1, tiende lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, is dit protocol van toepassing voor 3 begrotingsjaren.

Na het verstrijken van die termijn kan het protocol met termijnen van één of meerdere jaren worden verlengd mits de regering van het betrokken deelgebied dit tijdig notificeert aan de federale overheid.

Deze notificatie wordt ten laatste op 31 oktober voorafgaand aan het eerste betrokken begrotingsjaar gericht aan de federale Minister van Financiën. De federale Minister van Financiën stelt de leden van de federale regering die in de aanhef van dit protocol zijn vermeld binnen de 2 weken van de notificatie op de hoogte.

Art. 17.Om eventuele kastekorten tijdens het lopende begrotingsjaar en het eventuele tekort bepaald in artikel 12, vierde lid, op te vangen, sluiten de instellingen van sociale zekerheid met de Minister van Financiën een overeenkomst waarbij hen een kredietlijn ter beschikking wordt gesteld. Deze kredietlijn geldt enkel voor zover de instelling van sociale zekerheid onder de regels valt van Titel 11 van de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen en handelt als tijdelijke administratieve en technische operator voor rekening van, naargelang het geval, de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, met betrekking tot de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 6 tot 8, 12, 22, 44, 45 en 65 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming.

Iedere instelling van sociale zekerheid bezorgt aan de betrokken deelgebieden en de FOD BB een kopie van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.

Telkens een instelling gebruik maakt van de kredietlijn deelt zij aan het betrokken deelgebied het bedrag mee en de interest die is aangerekend.

Art. 18.Dit protocol treedt in werking op 1 januari 2015 en is van toepassing vanaf het begrotingsjaar 2015.

Gedaan te Brussel, op 17 december 2014, in één origineel exemplaar in de Nederlandse, Franse en Duitse taal.

Voor de Federale Overheid : De Minister bevoegd voor Financiën, J. VAN OVERTVELDT Voor de Vlaamse Gemeenschap : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS Voor de Franse Gemeenschap : De Minister-President van de Regering van de Franse Gemeenschap, R. DEMOTTE Voor de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, O. PAASCH Voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : De Voorzitter van het Verenigd College, R. VERVOORT Voor het Vlaamse Gewest : De Minister-President van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS Voor het Waalse Gewest : De Minister-President van de Waalse Regering, P. MAGNETTE Voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, R. VERVOORT _______ Nota's (1) Wat de Franse Gemeenschap betreft, wordt onder "gemeenschap" verstaan, "de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie en het Waalse Gewest behalve de Duitstalige Gemeenschap".(2) Hetzij het kabinet van de minister bevoegd voor Begroting en Financiën, de kabinetten van de functioneel bevoegde ministers, de administratie Begroting en Financiën en de betrokken functionele departementen.(3) Hetzij het kabinet van de minister bevoegd voor Begroting en Financiën, de kabinetten van de functioneel bevoegde ministers, de administratie Begroting en Financiën en de betrokken functionele departementen. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^