Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 03 juli 2005
gepubliceerd op 19 juli 2005

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en houdende uitvoering van artikel 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot herziening van artikel 4, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2005022565
pub.
19/07/2005
prom.
03/07/2005
ELI
eli/besluit/2005/07/03/2005022565/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

3 JULI 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en houdende uitvoering van artikel 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot herziening van artikel 4, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars


VERSLAG AAN DE KONING Sedert 1 juli 2003 is eenieder die tegen betaling van een loon een artistieke prestatie levert en/of een artistiek werk produceert, krachtens artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, onderworpen aan de socialezekerheidsregeling voor werknemers, tenzij hij/zij bewijst dat deze artistieke prestaties en/of werken niet worden geleverd onder gelijkaardige sociaal-economische voorwaarden als die waarin een werknemer zich ten opzichte van zijn werkgever bevindt (of, met andere woorden, zich vestigt als zelfstandige).

Artikel 1bis, § 3, tweede lid van de wet van 27 juni 1969 machtigt de Koning om onder bepaalde voorwaarden personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren, uit het toepassingsgebied van de wet te sluiten.

In uitvoering van art 1bis, § 3, tweede lid van de wet van 27 juni 1969, worden beschouwd als forfaitaire onkostenvergoedingen, de vergoedingen toegekend aan de personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren, voor zover deze niet meer dan 100 euro per dag bedragen en 2.000 euro per kalenderjaar.

Bovendien mag het aantal dagen tijdens dewelke de kunstenaar kan genieten van de toepassing van dit artikel niet hoger zijn dan 30 dagen per kalenderjaar, en niet hoger is dan 7 opeenvolgende dagen bij dezelfde opdrachtgever. Indien voornoemde voorwaarden vervuld zijn, is het vermoeden voorzien in artikel 1bis, § 1 van de wet van 27 juni 1969 niet toepasselijk op deze personen.

De bedoeling van deze regeling is meer juridische zekerheid te geven aan de kleinschalige artistieke activiteiten, die door de invoering van het nieuw sociaal statuut van de kunstenaar onbedoeld in de rechtsonzekerheid zijn terechtgekomen.

Krachtens het nieuw sociaal statuut wordt elke vergoeding die aan de kunstenaar wordt toegekend als tegenprestatie voor de artistieke prestatie beschouwd als bijdrageplichtig loon, ongeacht de benaming, vorm, frequentie of hoegrootheid van deze vergoeding. De onkostenvergoedingen vallen evenwel niet onder het loonbegrip.

De kleine vergoedingen die bij kleinschalige artistieke activiteiten (b.v. free-podiums in cafés, optredens van amateurtheatergezelschappen, occasionele tentoonstellingen van tekenacademies, enz.) aan kunstenaars worden toegekend, zijn veeleer onkostenvergoedingen. Gelet op de specificiteit van de artistieke activiteit en de grote diversiteit aan onkosten die zulke activiteit met zich meebrengt, is het administratief heel moeilijk (en dus kostelijk) en soms zelfs onmogelijk om deze vergoedingen als onkostenvergoedingen in te brengen. Werken met forfaitaire onkostenvergoedingen bevrijdt de opdrachtgever niet van het risico van herkwalificatie van de uitbetaalde forfaits als verdoken loon (rechtsonzekerheid).

Om rechtszekerheid te creëren binnen dit circuit van kleinschalige artistieke activiteiten wordt bijgevolg aanvaard dat max. 2.000 euro per jaar, verdeeld over maximum 30 dagen per kalenderjaar, en max. 100 euro per kalenderdag kan toegekend worden als forfaitaire onkostenvergoeding. Indien de kunstenaar in de loop van dezelfde kalenderdag meerdere opdrachten uitvoert voor verschillende opdrachtgevers, wordt het toegelaten dagforfait vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers voor die dag. Die opdrachtgevers kunnen verschillende rechtspersonen, verschillende feitelijke verenigingen of verschillende particulieren zijn. Bestrijkt een opdracht meerdere dagen, dan mag aan de kunstenaar per dag de onkostenvergoeding van 100 euro worden toegekend, voor zover het jaarplafond wordt gerespecteerd en het aantal opeenvolgende dagen bij dezelfde opdrachtgever niet meer is dan 7 dagen.. Dit plafond houdt min of meer het midden tussen het plafond dat geldt voor de vrijwillige brandweerlui (850,71 euro per kwartaal) en het plafond dat geldt voor de overige vrijwilligers (1.025,25 euro per jaar). Het forfait dekt alle onkosten die de kunstenaar maakt voor de artistieke prestatie in kwestie. Het forfaitair plafond wordt jaarlijks geïndexeerd.

Het personeel toepassingsgebied van de kleine vergoedingsregeling omvat eenieder die een artistieke prestatie levert of een artistiek werk produceert zoals gedefinieerd in het sociaal statuut van de kunstenaar. Het toepassingsgebied wordt afgebakend door het niet-bezoldigde karakter en het vooropgestelde plafond van de onkostenforfaits en niet door de beweerde hoedanigheid van de kunstenaar In de artistieke sector kan er immers geen duidelijke grens getrokken worden tussen hobbyisten, semi-professionele en professionele kunstenaars. Deze drie categorieën vloeien veeleer in elkaar over : vanuit een hobby groeit men via opleiding en kansen door naar het semi-professioneel circuit. Als het artistiek succes zich ook in economisch succes vertaalt, kan de kunstenaar leven van zijn werk en wordt hij/zij in die zin een professioneel kunstenaar. Uitgaande van de vastgelegde forfaits en de beperking van het aantal dagen, is het duidelijk dat deze regeling zich hoofdzakelijk richt tot de kleinschalige artistieke activiteiten. Of deze kleinschalige artistieke prestaties nu worden geleverd door een kunstenaar die zich profileert als amateur of als professional, is niet relevant. Het onbezoldigd karakter impliceert dat het forfait niet kan gecumuleerd worden met een honorarium of een loon.

De wijziging van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars heeft als doelstelling de kunstenaars met een zelfstandigheidsverklaring ook toe te laten beroep te doen op het regime voor de kleinschalige artistieke activiteiten.

Om een beroep te kunnen doen op deze regeling, moet de kunstenaar in het bezit zijn van een « kunstenaarskaart ». Bij gebrek aan kunstenaarskaart of indien de vermeldingen op de kunstenaarskaart onjuist of onvolledig zijn, kunnen de kunstenaar, noch de opdrachtgever beroep doen op de regeling gedurende het lopende kalenderjaar. De Minister van Sociale Zaken bepaalt het model van de kaart, de geldigheidsduur, de modaliteiten van uitgifte, bijhouden en bewaren van de kaart, de informatie die op de kaart moet vermeld worden na elke artistieke prestatie of productie van een artisitek werk, alsook toepasselijke procedure in geval van verlies van de kaart. De doelstelling van deze kaart is enerzijds een maximale zekerheid aan de opdrachtgever te geven dat de artiest op het moment van de artistieke prestatie nog altijd aan de toepassingsvoorwaarden van dit artikel beantwoordt en anderzijds aan de Inspectie de mogelijkheid te bieden de naleving van dit stelsel te controleren.

Kunstenaars die beroep doen op de specifieke onkostenregeling voor onbezoldigde artistieke activiteiten, kunnen voor dezelfde dag geen beroep meer doen op de vrijwilligersregeling vervat in artikel 17 quinquies van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969. Ze mogen evenmin voor hetzelfde kalenderjaar en voor artistieke prestaties het voordeel van artikel 17quinquies en van artikel 17sexies cumuleren.

Bovendien kan de kunstenaar niet van de toepassing van dit artikel genieten wanneer hij tegelijkertijddoor een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling gebonden is aan dezelfde opdrachtgever, tenzij hij met gelijk welk rechtsmiddel bewijst dat de prestaties van de verschillende activiteiten van een andere aard zijn.

Wanneer één van de plafonds (maximumbedrag per dag, maximumbedrag per jaar, maximum aantal kalenderdagen per jaar) wordt overschreden, dan worden de kunstenaar en de opdrachtgevers die de plafonds hebben overschreden onderworpen aan de wet van 27 juni 1969. Deze opdrachtgevers zijn sociale bijdragen verschuldigd op alle vergoedingen die ze in het desbetreffende kalenderjaar aan de kunstenaar hebben toegekend, tenzij kan bewezen worden dat het om reële onkostenvergoedingen gaat. Ook indien de overige toepassingsvoorwaarden van de specifieke onkostenregeling niet worden nageleefd, zullen kunstenaar en opdrachtgever worden onderworpen aan de wet van 27 juni 1969.

Opdrachtgevers die de spelregels van deze regeling respecteren hoeven geen navorderingen te vrezen.

Deze specifieke onkostenregeling biedt een duidelijk kader waarbinnen de kleinschalige artistieke activiteiten zich kunnen regulariseren. Op die manier wordt het artistiek initiatief aangemoedigd en wordt er tegelijkertijd een instrument (de kunstenaarskaart) ontwikkeld om het vrijwilligerswerk in de artistieke sector beter te kunnen traceren, wat een eerste vereiste is om misbruiken in deze sector te kunnen bestrijden.

Voor het jaar 2004 is het maximumaantal dagen waarvoor de vergoedingen, die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit zijn toegekend, beschouwd worden als forfaitaire onkostenvergoedingen, beperkt tot 15 dagen. Hetzelfde geldt voor het maximumbedrag, dat beperkt is tot 1.000 euro .

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2004, tegelijkertijd met artikel 125 van de programmawet (I) van 9 juli 2004, die artikel 1bis, § 3 van de wet van 27 juni 1969 aanvult met een tweede lid dat de wettelijke basis van dit besluit vormt, om de periode van rechtsonzekerheid zo veel mogelijk te beperken met betrekking tot de kleinschalige artistieke activiteiten en om een voordeel te verschaffen aan zowel de kunstenaars als aan de opdrachtgevers, die geen bijdragen moeten betalen voor de artistieke activiteiten van geringe omvang die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld bij dit artikel.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars.

De Minister van Sociale Zaken, R. DEMOTTE De Minister van Werk, Mevr. F. VANDENBOSSCHE

ADVIES 37.551/1/V VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste vakantiekamer, op 13 juli 2004 door de Minister van Werk verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en houdende uitvoering van artikel 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot wijziging van artikel 4, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars", heeft op 3 augustus 2004 het volgende advies gegeven : 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoordineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de te vervullen vormvereisten. Daarnaast bevat dit advies ook een aantal opmerkingen over andere punten. Daaruit mag echter niet worden afgeleid dat de afdeling wetgeving binnen de haar toegemeten termijn een exhaustief onderzoek van het ontwerp heeft kunnen verrichten.

Strekking van het ontwerp 2. Krachtens artikel 1bis, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, is eenieder die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen betaling van een loon artistieke prestaties levert of artistieke werken produceert in opdracht van een natuurlire persoon of een rechtspersoon, in beginsel onderworpen aan het socialezekerheidsstelsel voor werknemers.De natuurlijke persoon of de rechtspersoon van wie de kunstenaar het loon ontvangt, wordt beschouwd als werkgever.

Artikel 1bis, § 3, tweede lid, van dezelfde wet, daarin ingevoegd bij de programmawet (1) van 9 juli 2004, draagt de Koning op om, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden te bepalen waaronder paragraaf 1 "niet toepasselijk is op personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren voor welke zij enkel onkostenvergoedingen bepaald in hetzelfde besluit ontvangen".

Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot de uitvoering van die laatste bepaling.

Het ontwerp voorziet in de eerste plaats in de invoeging van een artikel 17sexies in het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, meer bepaald in de afdeling van dat besluit betreffende de onttrekking van bepaalde categorieën van personen aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 (artikel l). Het ontworpen artikel 17sexies stelt de voorwaarden vast waaraan de onkostenvergoeding moet voldoen opdat de opdrachtgever en de kunstenaar voor de betrokken prestatie of het betrokken werk buiten de toepassing van de genoemde wet blijven. Die voorwaarden bestaan met name in een aantal plafonds (maximumbedrag per dag, maximumbedrag per jaar, maximum aantal dagen per jaar). Voorts wordt bepaald dat de kunstenaar in het bezit moet zijn van een "kunstenaarskaart", waarvan op elk ogenblik van het jaar afgelezen zal kunnen worden of hij nog voldoet aan de voorwaarden om niet onderworpen te zijn aan het socialezekerheidsstelsel voor werknemers.

Voor zover voldaan is aan de voorwaarden bepaald in het ontworpen artikel 17sexies, is de regeling inzake de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling niet van toepassing op de opdrachtgever en de kunstenaar (ontworpen artikel 3, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; artikel 2 van het ontwerp).

Er wordt voorzien in een overgangsregeling voor het jaar 2004 (artikel 3).

Ten slotte wordt bepaald dat de geldigheid van de zelfstandigheidsverklaring, op grond waarvan de houder ervan op onweerlegbare wijze vermoed wordt een zelfstandige activiteit als kunstenaar uit te oefenen (1), vervalt voor de prestaties en de werken waarvoor een onkostenvergoeding wordt toegekend die voldoet aan de voorwaarden van het ontworpen artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (ontworpen artikel 4, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars; artikel 4 van het ontwerp). Volgens het verslag aan de Koning bij het ontwerp van besluit heeft deze bepaling tot doel ook de kunstenaars met een zelfstandigheidsverklaring de mogelijkheid te bieden om beroep te doen op de ontworpen regeling.

Het ontworpen besluit is bedoeld om uitwerking te hebben met ingang van 1 juli 2004 (artikel 5).

Rechtsgrond 3. De artikelen 1 en 3 van het ontwerp hebben betrekking op de vereisten waaraan de onkostenvergoedingen moeten voldoen opdat de opdrachtgever en de kunstenaar niet zouden vallen onder de toepassing van artikel Ibis, § 1, van de genoemde wet van 27 juni 1969.Voor die bepalingen wordt de rechtsgrond geboden door artikel Ibis, § 3, tweede lid, van die wet (zie hiervóór, opmerking 2).

Artikel 2 van het ontwerp strekt tot de wijziging van artikel 3 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (2). De rechtsgrond voor die wijzigende bepaling wordt geboden door de artikelen 3, § 2, en 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002. Op grond van die bepalingen kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 5 november 2002 wijzigen.

Artikel 4 van het ontwerp heeft betrekking op de geldigheid van de zelfstandigheidsverklaring. Artikel 172, § 2, 3°, van de programmawet (1) van 24 december 2002 draagt aan de Koning op om, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden te bepalen waaronder een zelfstandigheidsverklaring wondt afgegeven, en de nadere regels i.v.m. die verklaring te bepalen. Het is die wetsbepaling die de rechtsgrond biedt voor artikel 4 van het ontwerp.

ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef 4. Gelet op hetgeen i.v.m. de rechtsgrond voor artikel 4 van het ontwerp is opgemerkt (opmerking 3), dient na het tweede lid van de aanhef een lid te worden ingevoegd, waarin verwezen wordt naar artikel 172, § 2, 3°, van de programmawet (1) van 24 december 2002.

Artikel 1 5. Het ontworpen artikel 17sexies wordt ingevoegd in hoofdstuk 1, afdeling 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969.Die afdeling heeft betrekking op de gevallen die zijn uitgesloten van de toepassing van de wet van 27 juni 1969. Zoals ook uit artikel 1bis, § 3, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 blijkt, is het de bedoeling te garanderen dat, zolang de kunstenaar voor een prestatie of een werk een vergoeding krijgt die beneden de ontworpen plafonds blijft, noch hij, noch de opdrachtgever m.b.t. die vergoeding onder de toepassing van de voornoemde wet vallen.

Die bedoeling blijkt echter niet voldoende duidelijk uit de tekst van de ontworpen bepaling.

Bovendien blijkt uit de tekst onvoldoende dat, als een vergoeding niet aan de ontworpen voorwaarden beantwoordt, de kunstenaar en de opdrachtgever nog steeds kunnen bewijzen dat het om een vergoeding van reële kosten gaat. Het verslag aan de Koning lijkt er nochtans van uit te gaan dat de kunstenaar en de opdrachtgever wel degelijk over die mogelijkheid beschikken.

Ter wille van de rechtszekerheid verdient het aanbeveling om in een nieuwe tweede paragraaf eerst het beginsel te bevestigen dat, als de kunstenaar slechts een vergoeding voor onkosten ontvangt, die kunstenaar en de opdrachtgever m.b.t. die vergoeding niet onder de toepassing van de wet vallen. De ontworpen paragraaf 2 (die dan paragraaf 3 wordt) kan dan zo geformuleerd worden dat ze bepaalt dat vergoedingen die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in die ontworpen paragraaf, geacht worden een onkostenvergoeding uit te maken. 6. Uit het ontworpen artikel 17sexies, § 2, derde lid, 1°, blijkt onvoldoende dat de "kunstenaarskaart" een kaart is die bij elke levering van een prestatie of productie van een werk met bepaalde gegevens aangevuld moet worden.Het zou nuttig zijn om een bepaling in die zin in het ontwerp op te nemen.

Artikel 4 7. Dit artikel beoogt artikel 4, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 zo aan te passen dat voor een kunstenaar die artistieke prestaties of werken verricht waarvoor hij een zelfstandigheidsverklaring heeft verkregen, de "geldigheid" van die zelfstandigheidsverklaring tijdelijk buiten werking wordt gesteld, wanneer de kunstenaar die prestaties of werken verricht onder de voorwaarden bedoeld in het ontworpen artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969.De zelfstandige kunstenaar is m.a.w. geen socialezekerheidsbijdrage verschuldigd op de vergoeding die hij ontvangt, als deze voldoet aan de ontworpen voorwaarden.

De Raad van State vraagt zich af of de bedoeling van de stellers van het ontwerp niet beter tot uiting gebracht zou kunnen worden door een bepaling die het volgende lid invoegt tussen het tweede en het derde lid van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 : « De kunstenaar die inhet bezit is van een zelfstandigheidsverklaring is geen bijdrage verschuldigd op de door hem ontvangen vergoedingen, voor zover deze beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers. » Artikel 5 8. Volgens deze bepaling treedt het ontworpen besluit in werking met ingang van 1 juli 2004.Aan het besluit wordt dus terugwerkende kracht verleend, met name tot de datum waarop artikel 125 van de programmawet (1) van 9 juli 2004 - dat artikel Ibis, § 3, van de wet van 27 juni 1969 aanvult met een tweede lid - in werking is getreden. Het is duidelijk dat de ontworpen regeling de opdrachtgevers die een vergoeding betalen aan een kunstenaar, vrijstelt van het betalen van de bijdragen in het kader van de sociale zekerheid voor werknemers.

Ook de zelfstandige kunstenaars worden vrijgesteld van het betalen van bijdragen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen. Voor die opdrachtgevers en die zelfstandige kunstenaars levert de terugwerkende kracht van het ontworpen besluit voordelen op.

De kunstenaar die geen zelfstandige is, wordt door de ontworpen regeling echter onttrokken aan de toepassing van de sociale zekerheid voor werknemers. Het is de Raad van State niet duidelijk of de terugwerkende kracht van het ontworpen besluit aldus niet tot gevolg heeft dat bepaalde verkregen situaties worden aangetast. De Raad beschikt ook niet over alle feitelijke gegevens om uit te maken of, gesteld dat het ontworpen besluit inderdaad verkregen situaties zou aantasten, er voor de terugwerkende kracht een rechtens aanvaardbare verantwoording kan worden gegeven.

In die omstandigheden moet de Raad van State zich ertoe beperken op dit punt een voorbehoud te maken.

Opmerkingen van taalkundige en wetgevingstechnische aard 9. In de Franse tekst van de inleidende zin van artikel 1 vervange men de woorden "Entre l'article 17quinquies et l'article 18 de l'arrêté royal..., est inséré... » door "Dans l'arrêté royal..., il est inséré... » .

In het ontworpen artikel 17sexies, § 1,2, eerste lid, vervange men "een van de personen" door "een persoon". In de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 17sexies, § 1, 2°, tweede lid, vervange men "de persoon" door "diegene".

In de teskt van het ontworpen artikel 17sexies § 2, derde lid, eerste lid, vervange men de woorden "de in de zevende paragraaf van dit artikel bedoelde « kunstenaarskaart »" door "een « kunstenaarskaart »".

In de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 17sexies, § 2, derde lid, 1 °,tweede lid, vervange men de woorden "geen beroep doen op dit artikel" door "geen beroep doen op de toepassing van dit artikel".

In het ontworpen artikel 17sexies, § 2, derde lid, 1°, derde lid, vervange men de woorden "Onze Minister van Sociale Zaken" door "De minister bevoegd voor sociale zaken".

Het ontworpen artikel 17sexies, § 2, derde lid, 4°, is niet geformuleerd als een voorwaarde. Aldus sluit die bepaling niet aan bij hetgeen in de inleidende zin van artikel 17sexies, § 2, derde lid, wordt bepaald. 10. Artikel 3 van het ontwerp bevat een overgangsregeling voor het jaar 2004.Overeenkomstig de regels van de wetgevingstechniek dient een dergelijke bepaling geplaatst te worden vóór de bepaling i.v.m. de inwerkingtreding, d.w.z. vóór artikel 5.

De stellers van het ontwerp lijken bovendien uit het oog verloren te hebben dat artikel 3 een autonome bepaling is, die los van de wijzigende bepalingen van het ontwerp begrepen moet kunnen worden.

Artikel 3 blijkt immers zo geredigeerd te zijn dat het slechts in de context van het ontworpen artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 verstaanbaar is.

Artikel 3 dient dus herschreven te worden. In de herschreven bepaling dient, voor een goed begrip van de draagwijdte van de ontworpen regeling, uitdrukkelijk verwezen te worden naar het ontworpen artikel 17sexies.

De kamer was samengesteld uit : de heren : J. De Brabandere, kamervoorzitter;

P. Lemmens, J. Bovin, staatsraden;

H. Cousy, assessor van de afdeling wetgeving, Mevr. G. Verberckmoes, toegevoegd griffier.

De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer D. Albrecht,.

Het verslag werd uitgebracht door de heer B. Steen, adjunct-auditeur.

De griffier, G. Verberckmoes.

De voorzitter, J. De Brabandere.

3 JULI 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en houdende uitvoering van artikel 12ter van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en tot herziening van artikel 4, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzonderheid op artikel 1bis, § 3, tweede lid ingevoegd bij de programmawet (I) van 24 december 2002, en gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004;

Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op artikel 38;

Gelet op de programmawet (I) van 24 december 2002, inzonderheid op artikel 172, § 2, 3°;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals tot op heden gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op artikel 3, gewijzigd bij de besluiten van 27 maart 2003 en 8 januari 2004 en artikel 12ter, ingevoegd bij de programmawet van 24 december 2002;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars, inzonderheid op artikel 4;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 29 maart 2004;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 1 april 2004;

Gelet op het advies nr. 1.486 van de Nationale Arbeidsraad van 29 juni 2004;

Gelet op het advies nr. 37.551/1/V van de Raad van State, gegeven op 3 augustus 2004 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en van Onze Minister van Werk, en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals tot op heden gewijzigd, wordt een artikel 17sexies ingevoegd, luidende : «

Art. 17sexies.§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder : 1° persoon : de persoon die artistieke prestaties levert en/of artistieke werken produceert in de zin van artikel 1bis, § 2 van de wet;2° opdrachtgever : diegene die opdracht geeft aan een persoon tot het leveren van een artistieke prestatie of het produceren van een artistiek werk in de zin van artikel 1bis, § 2 van de wet; Wordt ook als opdrachtgever beschouwd, diegene bij wie de persoon ter beschikking wordt gesteld. 3° artistieke prestaties en/of artistieke werken : de artistieke prestaties en/of artistieke werken zoals bedoeld in artikel 1bis, § 2 van de wet. § 2. Worden onttrokken aan de toepassing van de wet, de persoon die een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangt zoals bepaald in § 3, evenals de opdrachtgever die een beroep doet op deze persoon. § 2. Voor zover de voorwaarden bepaald bij of krachtens dit artikel tegelijkertijd vervuld zijn, worden als forfaitaire onkostenvergoedingen beschouwd in de zin van artikel 1bis, § 3, tweede lid van de wet, de vergoedingen toegekend aan de personen voor het leveren van de artistieke prestaties of voor het produceren van de artistieke werken op voorwaarde dat deze onkostenvergoedingen geen 100 euro per dag en 2.000 euro per kalenderjaar overschrijden. Daarenboven mag het aantal dagen gedurende dewelke de persoon van de toepassing van dit artikel kan genieten geen 30 dagen per kalenderjaar noch 7 opeenvolgende dagen bij dezelfde opdrachtgever overschrijden.

Indien, in de loop van dezelfde dag, de persoon voor meerdere opdrachtgevers artistieke prestaties levert of artistieke werken produceert, mogen de hem toegekende vergoedingen noch 100 euro per opdrachtgever overschrijden noch 100 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.

De voorwaarden die tegelijkertijd moeten vervuld worden, zijn : 1°. de persoon moet in het bezit zijn van een « kunstenaarskaart ».

Wanneer de persoon deze verplichting niet respecteert of wanneer de vermeldingen op de kunstenaarskaart niet juist of onvolledig zijn, kunnen deze persoon en de opdrachtgever geen beroep doen op de toepassing van dit artikel gedurende het lopende kalenderjaar.

De Minister bevoegd voor sociale zaken bepaalt : 1° het model van de « kunstenaarskaart »;2° de geldigheidsduur van de « kunstenaarskaart »;3° de modaliteiten van uitgifte van de « kunstenaarskaart »;4° de toepasselijke procedure ingeval van verlies van de « kunstenaarskaart »;5° de modaliteiten van bijhouden en bewaren van de « kunstenaarskaart »; 6° de informatie die op de « kunstenaarskaart » moet vermeld worden voor elke geleverde artistieke prestatie en elk geleverd artistiek werk.. 2° De persoon mag voor dezelfde dag het voordeel van dit artikel niet cumuleren met het voordeel van artikel 17quinquies van dit besluit;3° Voor artistieke prestaties en/of artistieke werken mag de persoon voor hetzelfde kalenderjaar het voordeel van dit artikel niet cumuleren met het voordeel van artikel 17quinquies van dit besluit. § 4. Kan geen beroep doen op de bepalingen van dit artikel de persoon die op het ogenblik van het leveren van een artistieke prestatie en/of het produceren van een artistiek werk door een arbeidsovereenkomst, een aannemingsovereenkomst of een statutaire aanstelling gebonden is aan dezelfde opdrachtgever, tenzij de voormelde persoon en de opdrachtgever bewijzen dat de prestaties van de verschillende activiteiten van een andere aard zijn. § 5. De in § 3, eerste lid van dit artikel bepaalde bedraggen zijn gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003 (112,47). Op 1 januari van elk jaar worden de bedraggen aangepast overeenkomstig de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2003.

Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De inningorganismen van de socialezekerheidsbijdragen vermelden eveneens deze informatie op hun website. § 6. Voor alle artistieke prestaties geleverd en/of alle artistieke werken geproduceerd tijdens het kalenderjaar voor rekening van de opdrachtgever die een hoger bedrag toegekend heeft dan het maximumbedrag per dag bepaald in § 3 van dit artikel, worden de persoon en de opdrachtgever onderworpen aan de wet, en dit voor alle vergoedingen die door deze opdrachtgever aan de betrokken persoon zijn betaald in de loop van het kalenderjaar. § 7. In geval van overschrijding van het maximumbedrag per kalenderjaar of van het maximumaantal dagen zoals bepaald in § 3 van dit artikel, zijn de persoon en de opdrachtgever bij wie het in § 3 bedoelde maximumbedrag per kalenderjaar of het in § 3 bedoelde maximumaantal toegelaten dagen zijn overschreden, evenals de opdrachtgevers die, na het overschrijden van dit maximumbedrag of maximumaantal, een beroep doen op deze personen, aan de wet onderworpen, en dit voor alle door hen betaalde vergoedingen aan deze personen in de loop van het kalenderjaar. § 8. Bij niet-naleving van het cumulverbod bepaald in § 3, derde lid, 2°, 3° van dit artikel, zijn de persoon en zijn opdrachtgever voor de betrokken artistieke prestatie of het betrokken artistiek werk onderworpen aan de wet.

Art. 2.In artikel 3, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden de woorden « , 17sexies, » ingevoegd tussen de woorden « 17 quinquies » en de woorden « en 18 ».

Art. 3.In artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd : « De kunstenaar die in het bezit is van een zelfstandigheidsverklaring is geen bijdrage verschuldigd op de door hem ontvangen vergoedingen, voor zover deze beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. »

Art. 4.Worden voor het jaar 2004, voor zover de voorwaarden bepaald in het bij dit besluit ingevoegd artikel 17sexies tegelijkertijd vervuld zijn, beschouwd als forfaitaire onkostenvergoedingen in de zin van artikel 1bis, § 3, tweede lid van de wet, de vergoedingen toegekend aan de personen die artistieke prestaties leveren of artistieke werken produceren, voor zover deze niet meer bedragen dan 100 euro per dag en 1.000 euro voor het jaar 2004. Daarenboven mag het aantal dagen gedurende dewelke de persoon aanspraak kan maken op deze forfaitaire onkostenvergoedingen voor het jaar 2004 geen 15 dagen overschrijden, noch 7 opeenvolgende dagen bij dezelfde opdrachtgever.

Art. 5.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2004.

Art. 6.Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 3 juli 2005.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, R. DEMOTTE De Minister van Werk, Mevr. F. VANDENBOSSCHE

^