Etaamb.openjustice.be
Beschikking
gepubliceerd op 19 maart 2024

Ordonnantie betreffende economische migratie

bron
brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2024001045
pub.
19/03/2024
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

1 FEBRUARI 2024. - Ordonnantie betreffende economische migratie (1)


Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2.Voor de toepassing van deze ordonnantie moet worden verstaan onder: 1° het samenwerkingsakkoord: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018Relevante gevonden documenten type samenwerkingsakkoord prom. 02/02/2018 pub. 24/12/2018 numac 2018015287 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten sluiten tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;2° de werkgever: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, 7°, van het samenwerkingsakkoord tewerkstelt of voornemens is tewerk te stellen;3° buitenlandse arbeidskracht: elke persoon die gekwalificeerd is als onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, 7°, van het samenwerkingsakkoord, die een aanvraag heeft ingediend voor een toelating om als werknemer of zelfstandige te werken, overeenkomstig de hoofdstukken II en III van deze ordonnantie, en elke persoon die gekwalificeerd is als onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, 7°, van het samenwerkingsakkoord, die als werknemer of zelfstandige werkt onder dekking van de vereiste toelating;4° buitenlandse werknemer: iedere buitenlandse arbeidskracht van wie de arbeidsverhouding, feitelijk of beoogd, wordt gekenmerkt door een band van ondergeschiktheid ten opzichte van de werkgever, ongeacht of ze al dan niet in het kader van een arbeidsovereenkomst is gesloten;5° buitenlandse zelfstandige: iedere buitenlandse arbeidskracht die zijn beroepsactiviteiten uitoefent of voornemens is uit te oefenen, ongeacht of ze al dan niet inkomsten opleveren, buiten een band van ondergeschiktheid;6° de regering: de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of eventueel, indien het gaat om de aanname van een individuele akte, haar afgevaardigde;7° de toelating tot arbeid: de toelating bedoeld in artikel 3, 8°, van het samenwerkingsakkoord;8° de toelating tot arbeid van korte duur: door de regering afgegeven toelating tot arbeid voor een duur van ten hoogste negentig dagen;9° de toelating tot arbeid van lange duur: de toelating tot arbeid die door de regering wordt afgegeven voor een duur van meer dan negentig dagen en die niet onder het samenwerkingsakkoord valt;10° de toelating tot arbeid van onbepaalde duur: de door de regering afgegeven toelating tot arbeid, niet beperkt in de tijd, op grond waarvan de arbeidskracht bij elke werkgever in dienst kan worden genomen;11° de collectieve toelating tot arbeid: een toelating tot arbeid die door de regering wordt afgegeven aan een werkgever met het oog op de tewerkstelling van meerdere buitenlandse arbeidskrachten, tegelijk, voor arbeidsprestaties van korte duur;12° de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen: de door de regering aan een buitenlandse zelfstandige verleende toelating om gedurende een bepaalde periode een bepaalde beroepsactiviteit uit te oefenen.

Art. 3.§ 1. Geen enkele arbeidsprestatie als werknemer of zelfstandige mag door een onderdaan van een derde land worden verricht voordat de krachtens deze ordonnantie vereiste toelating is verkregen, met uitzondering van situaties waarin het de onderdaan van een derde land krachtens andere wetgeving toegestaan is arbeid te verrichten. § 2. Het in paragraaf 1 vastgestelde verbod verhindert de buitenlandse zelfstandige niet op zoek te gaan naar mogelijkheden om een economische activiteit te vestigen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, daartoe alle nuttige contacten te leggen en het begin van zijn activiteit voor te bereiden met alle materiële en juridische middelen. § 3. De toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen wordt verleend voordat de onderdaan van een derde land wordt benoemd tot bestuurder van een vennootschap of een vereniging en voordat hij daadwerkelijk enige beroepsactiviteit uitoefent binnen de vennootschap of de vereniging.

Indien het eerste lid niet wordt nageleefd, wordt de aanvraag tot toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen met het oog op de uitoefening van het mandaat of de betrokken beroepsactiviteit onontvankelijk verklaard.

Art. 4.§ 1. Overeenkomstig de bepalingen van het samenwerkingsakkoord dient de werkgever de aanvraag van toelating tot arbeid in bij de regering. § 2. De werkgever dient de aanvraag van toelating tot arbeid van korte duur, de aanvraag van toelating tot arbeid van lange duur en de aanvraag van collectieve toelating tot arbeid in bij de regering wanneer er is voldaan aan een van de criteria zoals bedoeld in artikel 7, 1°, van het samenwerkingsakkoord. § 3. De aanvraag van toelating tot arbeid van onbepaalde duur wordt door de buitenlandse werknemer bij de regering ingediend wanneer de betrokken persoon gedomicilieerd is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 4. De aanvraag van toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen wordt door de buitenlandse zelfstandige bij de regering ingediend wanneer de onderneming zinnens is haar maatschappelijke zetel te vestigen of heeft gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of wanneer de geplande activiteiten hoofdzakelijk zullen plaatsvinden op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. HOOFDSTUK II. - De werknemers

Art. 5.§ 1. De werkgever die een buitenlandse werknemer wil tewerkstellen, moet voor die werknemer eerst een toelating tot arbeid vanwege de regering verkrijgen, behalve voor een buitenlandse werknemer met een toelating tot arbeid van onbepaalde duur, een buitenlandse werknemer als bedoeld in artikel 7 of een buitenlandse werknemer die mag werken op grond van zijn specifieke verblijfssituatie.

Lid 1 is ook van toepassing wanneer de arbeidsrelatie uitsluitend plaatsvindt in de vorm van telewerk of thuiswerk.

De werkgever mag de diensten van deze werknemer enkel gebruiken binnen de perken van deze toelating.

De regering kan afwijken van lid 1 teneinde te voldoen aan een verplichting van internationaal recht of wanneer dat gerechtvaardigd is door het voorwerp van de te verrichten arbeid, de duur ervan of ook de bijzondere omstandigheden van de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de buitenlandse werknemer. § 2. Onverminderd paragraaf 1, lid 4, wordt de toelating zoals bedoeld in artikel 2, 7°, 8°, 9° en 11°, alleen dan toegekend wanneer het niet mogelijk is onder de werknemers op de arbeidsmarkt een werknemer te vinden die, al of niet door een nog te volgen gepaste beroepsopleiding, geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.

De regering of een door haar aangewezen regeringslid mag een lijst opstellen van beroepen waarvoor een bestaande beroepsopleiding het mogelijk maakt werknemers binnen een redelijke termijn op te leiden.

De werkgever deelt aan de regering op nauwkeurige, gemotiveerde en onderbouwde wijze de kenmerken van de openstaande betrekking mee. Hij beschrijft in zijn aanvraag de stappen die hij heeft gezet met het oog op de aanwerving van een werknemer op de arbeidsmarkt.

De regering kan de lijst vaststellen van de documenten en inlichtingen aan de hand waarvan de werkgever haar de kenmerken van de openstaande betrekking moet meedelen evenals de stappen die hij heeft gezet met het oog op de aanwerving van een werknemer op de arbeidsmarkt.

Als de documenten en inlichtingen persoonsgegevens bevatten, moeten deze behoren tot de in artikel 24 bedoelde gegevenscategorieën.

De regering stelt de nadere regels vast volgens dewelke het onderzoek van de arbeidsmarkt wordt gevoerd ter controle van de voorwaarde zoals vastgesteld in lid 1.

De regering kan bepalen welke categorieën van buitenlandse werknemers niet onderhevig zijn aan de voorwaarde zoals bepaald in lid 1. De categorieën die de regering kan bepalen, hebben betrekking op het voorwerp van de te verrichten arbeid, de duur ervan of ook de bijzondere omstandigheden van de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de buitenlandse werknemer. § 3. De regering kan bepalen op welke voorwaarden een collectieve toelating tot arbeid aan een werkgever kan worden verleend. Deze collectieve toelating tot arbeid mag geen betrekking hebben op een periode van meer dan negentig dagen.

Art. 6.Een werkgever die een buitenlandse werknemer in dienst wil nemen, moet: 1° vooraf nagaan of deze werknemer over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt, indien de werknemer zich in België bevindt;2° voor de duur van de tewerkstellingsperiode een kopie of de gegevens van de verblijfsvergunning of van een andere geldige machtiging tot verblijf ter beschikking houden van de bevoegde inspectiediensten;3° aangifte doen van de indiensttreding en de uitdiensttreding van de betrokkene overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen.

Art. 7.§ 1. De regering kan bepalen welke categorieën van buitenlandse werknemers niet onderhevig zijn aan de verplichting om een toelating te verkrijgen zoals bedoeld in artikel 2, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°.De categorieën die de regering kan bepalen, hebben betrekking op het voorwerp van de te verrichten arbeid, de duur ervan of ook de bijzondere omstandigheden van de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de buitenlandse werknemer. § 2. In het kader van een aanvraag van machtiging tot verblijf om te werken zoals geregeld door het samenwerkingsakkoord, betekent de buitenlandse werknemer voor wie de vrijstelling geldt zoals bedoeld in paragraaf 1 of, in voorkomend geval, zijn werkgever aan de regering de documenten waaruit blijkt dat hij behoort tot een categorie van buitenlandse werknemers die de vrijstelling genieten. De regering controleert of er is voldaan aan de voorwaarden van de vrijstelling zodat daarvan melding kan worden gemaakt in de gecombineerde vergunning overeenkomstig artikel 16, lid 2, van het samenwerkingsakkoord.

De regering bepaalt de te volgen procedure met betrekking tot de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving.

Art. 8.§ 1. De regering stelt de voorwaarden vast voor toekenning, geldigheid, verlenging, hernieuwing, weigering en intrekking van de toelatingen tot arbeid. § 2. De regering stelt de nadere regelen vast voor indiening van de aanvragen van toelating zoals bedoeld in artikel 2, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, en van de aanvragen tot verlenging of hernieuwing daarvan.

Zij stelt eveneens de nadere regelen vast tot toekenning, weigering en intrekking van deze toelatingen. HOOFDSTUK III. - De zelfstandigen

Art. 9.§ 1. Elke onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een beroepsactiviteit uitoefent als natuurlijke persoon of binnen een vereniging of een vennootschap naar rechte of in feite moet over een toelating beschikken om een zelfstandige activiteit uit te oefenen, tenzij de federale overheid hem heeft toegestaan zijn beroepsactiviteit als zelfstandige uit te oefenen, gelet op zijn specifieke verblijfssituatie. § 2. De toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen kan enkel worden afgeleverd wanneer wordt aangetoond dat de beoogde beroepsactiviteit kan bijdragen tot de economie of de ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De regering kan een lijst opstellen van criteria die toelaten het belang van de beoogde beroepsactiviteit voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te beoordelen. Zij kan ook een lijst vaststellen van documenten die de buitenlandse zelfstandige moet indienen tot staving van zijn aanvraag van toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen alsook van de middelen waarover de betrokkene moet beschikken alvorens hij zijn activiteit opstart. § 3. De regering kan een lijst opstellen van specifieke criteria die toelaten, bij het onderzoek van de aanvraag tot verlenging of hernieuwing, het niveau van welslagen van de uitgevoerde activiteit te beoordelen. § 4. De regering kan nadere regelen vaststellen voor begeleiding en opvolging van de door de buitenlandse zelfstandigen geplande activiteiten die beantwoorden aan de criteria die zij vaststelt. § 5. De beroepsactiviteit kan worden onderworpen aan voorwaarden die als doel hebben de naleving van de wetten en reglementen te verzekeren of verband houden met de bijzonderheden van de situatie van de buitenlandse zelfstandige.

Art. 10.De regering kan bepalen welke categorieën van buitenlandse zelfstandigen niet onderhevig zijn aan de verplichting om een toelating te verkrijgen om een zelfstandige activiteit uit te oefenen.

De categorieën die de regering kan bepalen, hebben betrekking op het voorwerp of de duur van de beroepsactiviteiten, de uitvoering van internationale verdragen of het bestaan van een wederkerigheidsmaatregel.

Art. 11.§ 1. De regering stelt de vormen en termijnen vast voor de indiening van de aanvraag van toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen, de aanvraag tot verlenging en de aanvraag tot hernieuwing alsook de overige nadere regels van de procedure voor onderzoek van deze aanvragen. Wanneer de door de regering voorgeschreven vormen en termijnen niet in acht worden genomen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard.

De geldigheidsduur van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen mag niet meer dan drie jaar bedragen. Indien ze minder dan drie jaar bedraagt, kan ze tot dit maximum worden verlengd. Bij het verstrijken van haar geldigheidsduur kan de toelating hernieuwd worden. De geldigheidsduur van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen wordt op beknopte wijze gemotiveerd naargelang de omstandigheden van het geval en de aard van de voorgenomen activiteit.

Onverminderd artikel 12, § 2, blijft de toelating, wanneer de aanvraag tot verlenging of hernieuwing ten minste twee maanden vóór het verstrijken van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen wordt ingediend, geldig tot de datum van de beslissing betreffende de aanvraag tot verlenging of hernieuwing, in voorkomend geval na de in het vorige lid bedoelde termijn van drie jaar. § 2. De beslissing tot toekenning, verlenging, hernieuwing of weigering van een toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen wordt uiterlijk vier maanden na de indiening van een ontvankelijke aanvraag genomen.

De termijn zoals bedoeld in lid 1 wordt opgeschort wanneer de met het onderzoek van de aanvraag belaste autoriteit aan de buitenlandse zelfstandige een verzoek toestuurt om aanvullende informatie te verstrekken. De opschorting van de termijn eindigt op de dag van ontvangst van het antwoord.

Wanneer een verzoek om aanvullende informatie tot de buitenlandse zelfstandige wordt gericht, wordt in dat verzoek de termijn vastgesteld waarbinnen de buitenlandse zelfstandige moet reageren.

Deze termijn mag niet korter zijn dan vijftien dagen en wordt vastgesteld met inachtneming van de aard van de gevraagde informatie.

Wanneer de gevraagde aanvullende informatie essentieel wordt geacht voor de beoordeling van de aanvraag, is het uitblijven van een antwoord binnen de gestelde termijn voldoende om de afwijzing van de aanvraag te rechtvaardigen. § 3. De toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen wordt verleend of geweigerd door de regering. Ze is persoonlijk en onoverdraagbaar; ze bepaalt nauwkeurig de activiteit die de houder uitoefent of zal uitoefenen en, eventueel, de voorwaarden waaraan deze uitoefening onderworpen is.

De regering kan de ondernemingsloketten belasten met het in ontvangst nemen van de aanvragen tot toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen, en met de afgifte ervan zodra deze toelating is verleend. Ze bepaalt de retributie aan de ondernemingsloketten voor hun tussenkomst. § 4. De regering stelt het bedrag vast van de vergoeding die verschuldigd is bij de indiening van een aanvraag tot toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen, een aanvraag tot verlenging en een aanvraag tot hernieuwing.

Art. 12.§ 1. De toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen wordt verleend ongeacht het recht of de machtiging tot verblijf van de buitenlandse zelfstandige.

Wanneer de buitenlandse zelfstandige zich op het ogenblik van indiening van de aanvraag in België bevindt, moet hij er over een verblijfsrecht of een tijdelijke, beperkte of permanente machtiging tot verblijf beschikken. Personen die gemachtigd zijn tot een verblijf van ten hoogste drie maanden, zoals bedoeld in artikel 2/1, lid 2, van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/1980 pub. 20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/12/1980 pub. 12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, mogen tijdens hun kort verblijf geen aanvraag indienen tot toelating om vanuit België een zelfstandige activiteit uit te oefenen.

De in het vorige lid vastgestelde regels zijn van toepassing op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag.

Wanneer de buitenlandse zelfstandige zich buiten het grondgebied bevindt en niet over een geldig verblijfsrecht of een geldige machtiging tot verblijf beschikt op het ogenblik waarop de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen aan hem wordt verleend, kan de toelating pas in werking treden op de datum van toelating tot verblijf of op de datum van de beslissing waarbij machtiging tot verblijf wordt verleend. Daarvan wordt melding gemaakt in de beslissing van toekenning. § 2. De intrekking van de machtiging tot verblijf of het einde van het verblijfsrecht maakt van rechtswege een einde aan de geldigheid van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen.

Art. 13.§ 1. De buitenlandse zelfstandige die voornemens is zijn activiteit te wijzigen of die een wijziging wenst van de voorwaarden zoals die zijn vastgesteld in de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen, moet daartoe een aanvraag indienen. Deze aanvraag wordt gelijkgesteld met een nieuwe aanvraag. § 2. De buitenlandse zelfstandige aan wie de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen werd geweigerd, mag voor dezelfde activiteit slechts na verloop van twee jaar te rekenen vanaf de datum van het indienen van de vorige aanvraag, een nieuwe aanvraag indienen, behalve wanneer deze laatste werd verworpen wegens onontvankelijkheid of wanneer de betrokkene een nieuw feit kan doen gelden.

Art. 14.In de gevallen die ze bepaalt kan de regering de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen intrekken. HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen inzake beroep, toezicht en strafrechtelijke en administratieve sancties Afdeling 1 - De beroepen

Art. 15.§ 1. De buitenlandse werknemer of zijn werkgever kan bij de regering beroep instellen tegen de beslissing tot weigering, tot intrekking of tot weigering van verlenging of hernieuwing van de toelating zoals bedoeld in artikel 2, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°. § 2. De buitenlandse zelfstandige kan bij de regering beroep instellen tegen de beslissing tot weigering, tot intrekking of tot weigering van verlenging of hernieuwing van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen. § 3. Het beroep wordt met redenen omkleed en wordt binnen dertig dagen na de kennisgeving van de aangevochten beslissing bij aangetekende brief of op een andere door de regering bepaalde wijze ingediend.

De in het vorige lid bedoelde termijn van dertig dagen gaat pas in als de kennisgeving van de beslissing het bestaan vermeldt van de beschikbare beroepsmogelijkheden evenals de in acht te nemen vormen en termijnen beschrijft. § 4. Indien hij zich op het ogenblik van de instelling van het beroep buiten het grondgebied bevindt, vermeldt de buitenlandse arbeidskracht in zijn verzoekschrift een elektronisch adres waar de beslissing aan hem zal worden betekend.

Indien de beslissing in beroep gevoelige persoonsgegevens bevat die met name verband houden met de gezondheid van de werknemer of met een strafrechtelijke of administratieve veroordeling, wordt deze beslissing in afwijking van het eerste lid voorgelegd aan de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor de staat waar de buitenlandse werknemer verblijft. De buitenlandse werknemer wordt er via e-mail van op de hoogte gebracht. § 5. De regering kan aanvullende procedureregels vaststellen. § 6. Een nieuwe aanvraag die wordt ingediend voordat er recht is gedaan betreffende het beroep zoals bedoeld in paragraaf 1 of in paragraaf 2, wordt onontvankelijk verklaard.

Art. 16.Onverminderd de bepalingen van artikel 12, § 2, schorst het in artikel 15, § 2, bedoelde beroep, wanneer het geldig is ingesteld tegen een beslissing tot weigering van verlenging of weigering van hernieuwing van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen, de gevolgen van de aangevochten beslissing. De toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen blijft geldig tot de datum waarop de regering over het beroep beslist. De bepalingen van artikel 11, § 2, lid 3, zijn van toepassing. Afdeling 2 - Het toezicht

Art. 17.De ambtenaren die door de regering worden aangewezen, controleren de toepassing van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen en houden toezicht op de naleving daarvan.

De door de regering aangewezen ambtenaren zijn eveneens bevoegd voor de vaststelling van inbreuken op de wet van 9 mei 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/05/2018 pub. 08/06/2018 numac 2018202642 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden sluiten betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden en haar uitvoeringsbesluiten alsook op de wetten genomen op basis van artikel 6, § 1, IX, 3° en 4° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en hun uitvoeringsbesluiten.

Deze ambtenaren voeren deze controles of dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen. Afdeling 3 - Strafrechtelijke en administratieve sancties

Art. 18.§ 1. De toepassing van de administratieve geldboeten zoals bedoeld in dit hoofdstuk is onderworpen aan de bepalingen van de ordonnantie van 9 juli 2015 houdende geharmoniseerde regels betreffende de administratieve geldboeten bepaald bij de wetgeving op het vlak van werkgelegenheid en economie. § 2. Al wie, na te zijn veroordeeld of bestraft wegens een inbreuk zoals bedoeld in de huidige ordonnantie, een nieuwe inbreuk pleegt zoals bedoeld in artikel 19 of artikel 20, kan worden bestraft met een strafrechtelijke geldboete die wordt gebracht op het dubbel van het door deze bepalingen vastgestelde maximum.

Onderafdeling 1 - Strafbepalingen en administratieve geldboeten

Art. 19.§ 1. Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of slechts één van die straffen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die arbeid doet of laat verrichten door een onderdaan van een derde land die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.

De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. § 2. Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen, op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land: 1° niet vooraf nagegaan heeft of deze over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;2° niet ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten. In het geval dat de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die door de onderdaan van een derde land wordt voorgelegd een vervalsing is, is de in het eerste lid bedoelde sanctie van toepassing wanneer het bewezen is dat de werkgever op de hoogte was dat dit document een vervalsing was.

De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. § 3. Wordt bestraft hetzij met een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1.000 euro, hetzij met een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen: 1° een onderdaan van een derde land arbeid heeft doen of laten verrichten zonder een toelating tot arbeid te hebben verkregen van de bevoegde overheid en/of die niet over een toelating tot arbeid beschikt;2° een onderdaan van een derde land arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen van de toelating tot arbeid beschikt te respecteren;3° een onderdaan van een derde land arbeid heeft doen of laten verrichten voor een duur welke de duur van de toelating tot arbeid overschrijdt;4° een onderdaan van een derde land arbeid heeft doen of laten verrichten na de intrekking van de toelating tot arbeid;5° de toelating tot arbeid niet heeft teruggegeven aan de onderdaan van een derde land of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of vergoeding in welke vorm ook. De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. § 4. Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro, eenieder die, in strijd met deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen: 1° een onderdaan van een derde land België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse werknemer in het bezit is van een geldige toelating tot arbeid en met uitzondering van de buitenlandse werknemer voor wie de werkgever na diens aankomst in België een toelating tot arbeid kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;2° een onderdaan van een derde land heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;3° van een onderdaan van een derde land een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een onderdaan van een derde land en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsmaatregelen, of nog tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die onderdaan van een derde land, hetzij de werkgever, hetzij de genoemde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen. De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.

Art. 20.Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een strafrechtelijke geldboete van 26 tot 1.000 euro of een van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro: 1° de onderdaan van een derde land die onderworpen aan de verplichtingen vermeld in artikel 9 van onderhavige ordonnantie, een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen;2° de onderdaan van een derde land die een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid werd gelast of de sluiting van de geëxploiteerde zaak werd bevolen;3° de onderdaan van een derde land die door het aanwenden van listige kunstgrepen een toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen verkrijgt;4° hij die wetens en willens onjuiste inlichtingen verstrekt of onjuiste documenten heeft bezorgd aan de ambtenaren en agenten belast met het toezicht;5° hij die een toelating om een zelfstandige beroepsactiviteit uit te oefenen heeft nagemaakt voor zichzelf of voor een ander. Onderafdeling 2 - Bijzondere bepalingen inzake strafrechtelijke sancties

Art. 21.§ 1. Wanneer de rechter verklaart dat een van de inbreuken bedoeld in artikel 19, § 1, 2 en 4 of in artikel 20 bewezen is, kan hij bovendien de sluiting bevelen van het geheel of een deel van de onderneming of de inrichting waar de inbreuken zijn gepleegd, voor een periode van één maand tot drie jaar. § 2. Wanneer de rechter verklaart dat een van de inbreuken bedoeld in artikel 19, § 1, 2 en 4 of in artikel 20 bewezen is, kan hij bovendien aan de veroordeelde persoon het verbod opleggen tot uitbating, persoonlijk of via een tussenpersoon, van het geheel of een deel van de onderneming of de inrichting waar de inbreuken zijn gepleegd, voor een periode van één maand tot drie jaar. § 3. De rechter kan de in paragraaf 1 of paragraaf 2 bedoelde straffen slechts opleggen wanneer dit noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat zij zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot deze straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.

Deze straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden. § 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van paragraaf 1 of paragraaf 2 wordt bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1.000 euro of met een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro. § 5. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 2 gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn vrijheidsberovende straf heeft ondergaan of waarop deze straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt.

De gevolgen zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.

Art. 22.Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, zijn van toepassing op de inbreuken vermeld in deze ordonnantie. HOOFDSTUK V. - Slot-, wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 23.Alvorens een verordenende akte aan te nemen tot uitvoering van de huidige ordonnantie, vraagt de regering het advies van Brupartners.

Art. 24.De regering wijst de diensten aan die verantwoordelijk zijn voor de verwerking van de persoonsgegevens die worden verzameld ter gelegenheid van het onderzoek van de aanvragen en beroepen die worden ingediend op basis van deze ordonnantie alsook ter gelegenheid van het onderzoek van de inachtneming, door de onderdaan van een derde land en, desgevallend, door zijn werkgever, van de bepalingen van deze ordonnantie en haar uitvoeringsbesluiten.

De in het tweede lid bedoelde persoonsgegevens worden gedurende de volgende periodes bewaard: 1° ten minste gedurende de geldigheidsduur van de toelating, die in voorkomend geval wordt verlengd;2° tien jaar te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag indien machtiging tot verblijf en toelating tot arbeid als werknemer of zelfstandige werd verleend;3° vijf jaar te rekenen vanaf de weigering van de aanvraag of vanaf de intrekking;4° één jaar na de verjaring van alle handelingen die onder de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijken vallen en, in voorkomend geval, de definitieve stopzetting van de administratieve procedures en beroepen. In het kader van het onderzoek van de aanvragen inzake toelating tot arbeid en toelating om een zelfstandige beroepsactiviteit uit te oefenen en inzake de naleving van de toekenningsvoorwaarden na afgifte van de toelating, mogen de volgende categorieën persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt: 1° wat de buitenlandse werknemers betreft, de gegevenscategorieën als bedoeld in hoofdstuk 4 van het samenwerkingsakkoord van 5 maart 2021Relevante gevonden documenten type samenwerkingsakkoord prom. 05/03/2021 pub. 16/03/2021 numac 2021040773 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Samenwerkingsakkoord houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten en wat betreft de oprichting van een elektronisch platform in het kader van de gecombineerde verblijfsaanvraagprocedure met het oog op tewerkstelling sluiten houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018Relevante gevonden documenten type samenwerkingsakkoord prom. 02/02/2018 pub. 24/12/2018 numac 2018015287 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten sluiten tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten en wat betreft de oprichting van een elektronisch platform in het kader van de gecombineerde verblijfsaanvraagprocedure met het oog op tewerkstelling.Dezelfde gegevenscategorieën mogen worden verzameld en verwerkt in het kader van het onderzoek van een aanvraag inzake toelating tot arbeid die buiten het toepassingsgebied van de samenwerkingsovereenkomst valt, alsook in het kader van het onderzoek van de naleving van de toekenningsvoorwaarden na afgifte van de toelating; 2° wat de buitenlandse zelfstandigen betreft: - de voornaam en familienaam; - de geboortedatum en geboorteplaats; - het geslacht; - de nationaliteit; - de burgerlijke staat; - in voorkomend geval; het identificatienummer in het rijksregister; - het domicilieadres; - een afschrift van het geldige paspoort of vervangende geldige reisdocument; - in voorkomend geval; het afschrift van de geldige verblijfsmachtiging; - het privé e-mailadres en het professionele e-mailadres; - de gegevens met betrekking tot de inhoud van het beroepsactiviteitenproject of de uitgeoefende beroepsactiviteit; evenals gegevens met betrekking tot de financiële rentabiliteit van deze activiteit; - de gegevens met betrekking tot de rol van de werknemer in het kader van de beroepsactiviteit die het voorwerp uitmaakt van de aanvraag of de toelating; - de gegevens met betrekking tot de eerdere beroepservaring van de aanvrager, zijn huidige beroepscompetenties en, in voorkomend geval, over het feit of alle wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor toegang tot de overwogen beroepsactiviteit.

Naast de specifieke wettelijke bepalingen die de gewestelijke overheden verplichten om persoonsgegevens mee te delen die ze hebben verzameld in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden op het vlak van economische migratie, delen de op grond van het eerste lid door de regering aangewezen diensten aan de federale overheidsdienst bevoegd voor de toegang tot het grondgebied en het verblijf de persoonsgegevens mee op grond waarvan de federale overheid beslist over de toekenning van een verblijfsmachtiging met het oog op arbeid als werknemer of als zelfstandige, of over de verlenging of de beëindiging van deze machtiging.

Art. 25.§ 1. De wet van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/04/1999 pub. 21/05/1999 numac 1999012338 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers sluiten betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers wordt opgeheven wat betreft de bepalingen die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren. § 2. De wet van 19 februari 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/02/1965 pub. 01/09/2009 numac 2009000554 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen wordt opgeheven wat betreft de bepalingen die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren.

Art. 26.De verlenging van rechtswege van de geldigheid van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen, bedoeld in artikel 11, § 1, lid 3, en de opschortende werking van het beroep zoals bedoeld in artikel 16, zijn enkel van toepassing op de aanvragen tot verlenging en hernieuwing van de toelating om een zelfstandige activiteit uit te oefenen en op de beroepen die worden ingediend na de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

Art. 27.Deze ordonnantie treedt in werking op de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalde datum.

Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 1 februari 2024.

De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling en Stadsvernieuwing, Toerisme, de promotie van het Imago van Brussel en Biculturele zaken van gewestelijk belang, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit, Openbare Werken en Verkeersveiligheid, E. VAN DEN BRANDT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Klimaattransitie, Leefmilieu, Energie en Participatieve Democratie, A. MARON De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt, de Promotie van Meertaligheid en van het Imago van Brussel, S. GATZ De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werk en Beroepsopleiding, Digitalisering en de Plaatselijke Besturen, B. CLERFAYT _______ Nota (1) Documenten van het Parlement: Gewone zitting 2023-2024 A-802/1 Ontwerp van ordonnantie A-802/2 Verslag A-802/3 Amendementen na verslag Integraal verslag: Bespreking en aanneming: vergadering van vrijdag 26 januari 2024

^