Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 21 oktober 2002
gepubliceerd op 20 november 2002

Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 28, § 1, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
2002022917
pub.
20/11/2002
prom.
21/10/2002
ELI
eli/besluit/2002/10/21/2002022917/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

21 OKTOBER 2002. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 28, § 1, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, inzonderheid op artikel 28, § 1, tweede lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000;

Gelet op het advies van het Technisch Comité ingesteld bij de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gegeven op 28 februari 2002;

Gelet op het advies van de Raad van de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gegeven op 4 maart 2002;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 5 december 2001;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 9 januari 2002;

Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;

Gelet op advies 33.413/1/V van de Raad van State, gegeven op 8 augustus 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de dienst "voorhuwelijkssparen" : de dienst ingericht met toepassing van het artikel 7, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;2° de dienst "dagvergoedingen" : de dienst ingericht met toepassing van de artikelen 3, eerste lid, b) en 7, § 2, van de voornoemde wet van 6 augustus 1990, die, in geval van arbeidsongeschiktheid, voorziet in uitkeringsperioden langer dan één jaar en in prestaties, waarvan het aan de leden uitgekeerde bedrag 5 euro per vergoedbare dag overschrijdt;3° de dienst "hospitalisatie" : de dienst ingericht met toepassing van de artikelen 3, eerste lid, b) en 7, § 2, van de voornoemde wet van 6 augustus 1990 en die, in geval van hospitalisatie, hetzij een forfaitaire uitkering verleent, waarvan het bedrag per verpleegdag 12,5 euro overschrijdt, hetzij een vergoeding uitkeert in functie van de werkelijk gedragen kosten inzake ziekenhuisverpleging;4° de dienst "zorgverzekering" : de dienst ingericht met toepassing van de artikelen 3, eerste lid, b) en 7, § 2, van de voornoemde wet van 6 augustus 1990, die, in geval van blijvend verminderd zelfzorgvermogen, voorziet in een forfaitaire uitkering om kosten van niet-medische hulp- en dienstverlening te dekken;5° het "administratief centrum" : de dienst die dienst doet als centraliserende rekening waarop worden aangerekend : a) wat de dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, a), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990 betreft, het gunstig of nadelig resultaat vertoond op het einde van een dienstjaar door de rekening administratiekosten, bedoeld in artikel 195, § 5, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;b) wat de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, §§ 2 en 4, van de voornoemde wet van 6 augustus 1990 betreft, de financiële stromen betreffende de gemeenschappelijke werkingskosten en de gemeeschappelijke opbrengsten, die niet rechtstreeks ten laste van deze diensten kunnen worden gelegd. HOOFDSTUK II. - De aan te leggen reservefondsen

Art. 2.De reservefondsen bedoeld door het artikel 28, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet van 6 augustus 1990 omvatten : 1° technische voorzieningen, namelijk de middelen nodig om de uitvoering van de statutaire verbintenissen van de landsbonden van ziekenfondsen en de ziekenfondsen tegenover de leden te waarborgen; 2° voorzieningen "incurred but not recorded", hierna "voorzieningen voor I.B.N.R." genoemd, namelijk specifieke technische voorzieningen voor prestaties waarvan het recht ingaat tijdens een boekjaar maar voor dewelke een aanvraag tot terugbetaling of vergoeding pas na de tweede maand van het volgende boekjaar wordt ingediend; 3° een solvabiliteitsmarge, om het hoofd te bieden aan minder voorspelbare incidenties.

Art. 3.§ 1. Technische voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 2, 1°, worden aangelegd voor de diensten "voorhuwelijkssparen", "dagvergoedingen", "hospitalisatie" en "zorgverzekering". § 2. Het niveau van deze technische voorzieningen is : 1° voor de dienst "voorhuwelijkssparen" : het equivalent van de huidige waarde van de statutaire verbintenissen, zijnde de aan de huidige spaarders gewaarborgde voordelen op de door hen gestorte en nog te storten spaargelden;2° voor de dienst "dagvergoedingen" : het equivalent van de huidige waarde van de verwachte nog uit te keren prestaties en uitkeringen met betrekking tot vergoedbare voorvallen die uiterlijk op 31 december van het boekjaar aanvingen en die worden aangegeven vóór 1 maart van het volgende boekjaar;3° voor de dienst "hospitalisatie" : het equivalent van 12,5 % van de uitgaven inzake prestaties van het voorgaande boekjaar. Indien de dekking van hospitalisaties van meer dan 180 dagen per kalenderjaar niet uitgesloten wordt, dienen de technische voorzieningen echter het equivalent te bedragen van 50 % van de uitgaven inzake prestaties van het voorgaande boekjaar; 4° voor de dienst "zorgverzekering" : het equivalent van de huidige waarde van de door de mutualistische instelling verwachte nog te verlenen uitkeringen te haren laste met betrekking tot vergoedbare voorvallen die uiterlijk op 31 december van het boekjaar aanvingen en die worden aangegeven vóór 1 maart van het volgende boekjaar.

Art. 4.§ 1. Voorzieningen voor I.B.N.R., zoals bedoeld in artikel 2, 2°, worden aangelegd voor elke dienst ingericht in toepassing van de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, van de voornoemde wet van 6 augustus 1990, met uitzondering van de diensten "dagvergoedingen" en "zorgverzekering". § 2. Indien het niveau van de aan te leggen voorzieningen voor I.B.N.R., bedoeld in § 1, niet kan geraamd worden op basis van boekhoudkundige ervaringsgegevens, dan dienen deze voorzieningen het equivalent te bedragen van minstens 6 % van de uitgaven inzake prestaties van het voorgaande boekjaar.

Art. 5.§ 1. Een solvabiliteitsmarge, zoals bedoeld in artikel 2, 3°, wordt aangelegd : 1° voor elke dienst ingericht in toepassing van de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, §§ 2 en 4, van de voornoemde wet van 6 augustus 1990;2° voor het administratief centrum. § 2. Het niveau van deze solvabiliteitsmarge bedraagt het equivalent van 12,5 % van de uitgaven inzake prestaties van het voorgaande boekjaar.

Nochtans, met betrekking tot : 1° de diensten "dagvergoedingen", bedraagt de solvabiliteitsmarge het equivalent van 20 % van het niveau van de technische voorzieningen bedoeld in artikel 3, § 2, 2°;2° de diensten "zorgverzekering", bedraagt de solvabiliteitsmarge het equivalent van 20 % van het niveau van de technische voorzieningen bedoeld in artikel 3, § 2, 4°;3° de diensten "voorhuwelijkssparen", bedraagt de solvabiliteitsmarge per einde boekjaar het equivalent van de grootheid S, gedefinieerd door : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waar : No het per einde van het betrokken boekjaar aantal personen is die lid van de dienst geworden zijn tijdens dit boekjaar; N het totaal aantal leden van de dienst per einde van het betrokken boekjaar is;

TV de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 3, § 2, 1°, per einde van het betrokken boekjaar vertegenwoordigt;

K het totaal bedrag van de uitstaande spaargelden in het kader van de dienst is; 4° het administratief centrum, bedraagt de solvabiliteitsmarge het equivalent van 20 % van het bedrag van de administratiekosten van de vrije en aanvullende verzekering van het voorgaande boekjaar, ongeacht de boekingswijze van deze kosten. Indien de gemeenschappelijke administratiekosten via het administratief centrum volledig worden doorverrekend aan de diensten bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, kan in afwijking van de regeling vervat in het voorgaande lid, deze solvabiliteitsmarge aangelegd worden binnen deze diensten telkens ten belope van 20 % van hun administratiekosten van het voorgaande boekjaar. In dit geval wordt deze solvabiliteitsmarge toegevoegd aan de solvabiliteitsmarge die voor de diensten van de vrije en aanvullende verzekering dient aangelegd ingevolge artikel 5, § 2, eerste lid en tweede lid, 1° en 2°.

Art. 6.Wanneer bij een ziekenfonds of een landsbond van ziekenfondsen een dienst, zoals bedoeld in artikel 1, wordt opgericht, wordt het in dit besluit bepaalde minimaal niveau van de reservefondsen aangelegd volgens een tijdschema, vastgesteld door de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. HOOFDSTUK III. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 7.In afwachting dat de Controledienst, met toepassing van artikel 28, § 1, van voornoemde wet van 6 augustus 1990, de berekeningswijze van de reservefondsen voor de dienst "zorgverzekering", alsook de in acht te nemen parameters vastlegt : a) bedraagt het bedrag van de voor deze dienst aan te leggen technische voorzieningen het equivalent van de uitgaven inzake prestaties tijdens het voorgaande boekjaar ten laste van de betrokken mutualistische instelling en zulks in afwijking van artikel 3, § 2, 4°;b) bedraagt de voor deze dienst aan te leggen solvabiliteitsmarge het equivalent van 20 % van het niveau van de technische voorzieningen bedoeld in a) en zulks in afwijking van artikel 5, § 2, 2°.

Art. 8.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad .

Art. 9.Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 oktober 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE

^