Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 15 oktober 2026
gepubliceerd op 23 oktober 2026

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 februari 2026, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van de ijzernijverheid, betreffende het sectoraal akkoord in de staalindustrie - bedienden 2025-2026

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2026202028
pub.
23/10/2026
prom.
15/10/2026
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

15 OKTOBER 2026. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 februari 2026, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van de ijzernijverheid, betreffende het sectoraal akkoord in de staalindustrie - bedienden 2025-2026 (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden van de ijzernijverheid;

Op de voordracht van de Minister van Werk,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 11 februari 2026, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van de ijzernijverheid, betreffende het sectoraal akkoord in de staalindustrie - bedienden 2025-2026.

Art. 2.De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 15 oktober 2026.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, D. CLARINVAL _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/12/1968 pub. 22/05/2009 numac 2009000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de bedienden van de ijzernijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 11 februari 2026 Sectoraal akkoord in de staalindustrie - bedienden 2025-2026 (Overeenkomst geregistreerd op 17 maart 2026 onder het nummer 198654/CO/210)

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Onderhavig akkoord is van toepassing op de ondernemingen die onder de bevoegdheid vallen van het Paritair Comité voor de bedienden van de ijzernijverheid (PC nr. 210) en op de gebaremiseerde werknemers en werkneemsters die door een arbeidsovereenkomst voor bediende aan deze ondernemingen gebonden zijn.

HOOFDSTUK II. - Stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag voor sommige oudere mindervalide werknemers en werknemers met ernstige lichamelijke problemen indien zij worden ontslagen Voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027 sluit de sector zich aan bij het bestaande nationale kader inzake het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag ten gunste van bepaalde oudere mindervalide werknemers of werknemers met ernstige fysieke problemen in geval van ontslag.

Dit stelsel wordt toegepast overeenkomstig de voorwaarden voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/05/2007 pub. 22/05/2007 numac 2007201185 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 september 2006, gesloten in het Paritair Subcomité voor de socio-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap, betreffende de toekenning van een eindejaarspremie type koninklijk besluit prom. 03/05/2007 pub. 08/06/2007 numac 2007201609 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot regeling van het conventioneel brugpensioen in het kader van het generatiepact sluiten tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag en met verwijzing naar de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 177 gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad.

De aanvullende vergoeding ten laste van de werkgever wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad.

HOOFDSTUK III. Werkbaar en wendbaar werk De ondertekenende partijen erkennen dat het in hun wederzijds belang is om een aanpassing en een verlichting van de (einde)loopbanen voor werknemers mogelijk te maken, zo ook opdat, door het verhogen van de werkbaarheid van de (einde)loopbanen en het verlichten van het belastend karakter van het werk in de staalsector en het verder verbeteren van de veiligheid en gezondheid van de werknemers, de aantrekkelijkheid van de sector zou toenemen.

De ondernemingen die meer dan twintig werknemers tewerkstellen, zijn verplicht om een actieplan ter verbetering van de werkbaarheid op te stellen. De werkgever stelt dit ieder jaar, tegen uiterlijk 31 december, op, maar kan ook kiezen voor een plan met meerjarenmaatregelen. Het plan wordt besproken binnen het daartoe geijkte overlegorgaan en/of -organen, Het plan bevat ondernemingsspecifieke maatregelen om de werkbaarheid te verbeteren. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke problematieken en mogelijkheden van de werknemers en de onderneming, en kan men zich laten leiden door de niet-limitatieve lijst van mogelijke maatregelen zoals geïdentificeerd in de HIVA-studie inzake werkbaar werk.

Uiterlijk 14 kalenderdagen na de definitieve oplevering van de sectorale studie inzake belastend werk wordt deze, met die bedoeling, aan de ondernemingen toegezonden. De ondernemingen stellen deze studie voor op de eerstvolgende ondernemingsraad, gerekend vanaf de ontvangst daarvan.

Lopende oktober 2026 wordt lokaal de stand van zaken met betrekking tot de redactie van het plan gegeven. Het eerste plan is klaar tegen uiterlijk 31 december 202 6. Tegen uiterlijk 30 juni van elk kalenderjaar gebeurt een lokale evaluatie van de concrete en meetbare vooruitgang van de implementatie van dit plan, daarbij rekening houdende met de situatie en de verplichtingen eigen aan elke onderneming alsook de behoeften van de werknemers.

De werkgever bewaart het plan gedurende vijf jaar en houdt het ter beschikking van het GSV, met het oog op de opvolging van deze lokale verplichting binnen het paritair comité. Onverminderd de verzoeningsbevoegdheid van het paritair comité, roept bij niet-naleving van (één van) de voormelde verplichtingen, de meest gerede partij de andere sectororganisaties op om, uiterlijk binnen 1 maand na deze oproep, een vergadering van het paritair comité te beleggen om naar een sectorale oplossing te zoeken.

HOOFDSTUK IV. - Tijdskrediet Afdeling 1. - Wettelijk kader

De ondertekenende partijen bevestigen de uitbreiding tot 51 maanden van de duur van het tijdskrediet met motief verzorging waarvan gebruik gemaakt wordt voor een voltijdse of halftijdse onderbreking van de arbeidsprestaties in toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 103ter. Afdeling 2. - Landingsbanen

De ondertekenende partijen zijn het eens over de invoering, voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027, van een sectoraal kader van landingsbanen in toepassing van artikel 4, § 5, 2° van het koninklijk besluit van 30 december 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/12/2014 pub. 31/12/2014 numac 2014207688 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking sluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werk en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking en in toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 103 en van zijn wijzigende collectieve arbeidsovereenkomsten.

De uitvoering van dit sectoraal kader veronderstelt het afsluiten van een ondernemingsovereenkomst, rekening houdend met de eigen organisatorische context van de onderneming.

De partijen herhalen eveneens de toepassing van de organisatorische regels voorzien in geval van gelijktijdige uitoefening van het tijdskrediet door afdeling 4 (artikel 16 en volgende) van hoofdstuk IV van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 103 van de Nationale Arbeidsraad.

Onderhavig artikel van het sectoraal akkoord wordt afgesloten in toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 179 van de Nationale Arbeidsraad tot vaststelling, voor de periode van 1 januari 2026 tot 31 december 2027, van het interprofessioneel kader voor de aanpassing naar 55 jaar van de leeftijdsgrens wat de toegang tot het recht op uitkeringen voor een landingsbaan betreft, voor arbeiders met een lange loopbaan, een zwaar beroep of uit een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering.

Een bijzondere overeenkomst zal deze bepaling tot uitvoering brengen.

HOOFDSTUK V. - Beroepsopleiding Afdeling 1. - Opleiding

De ondertekenende partijen herinneren eraan dat conform de bepalingen van de wet van 3 oktober 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/10/2022 pub. 10/11/2022 numac 2022206360 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet houdende diverse arbeidsbepalingen sluiten houdende diverse arbeidsbepalingen, het individueel opleidingsrecht voor een voltijds tewerkgestelde werknemer 5 opleidingsdagen per jaar bedraagt.

De opleidingen die in aanmerking worden genomen om het aantal individuele opleidingsdagen te bepalen, zijn de volgende soorten opleidingen : - de formele opleidingen; - de informele opleidingen zoals beoogd in artikel 50, § 1, a) en b) van bovenvermelde wet; - de opleidingen die betrekking hebben op de materies inzake welzijn, zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

De sectorale sociale partners doen de aanbeveling aan de ondernemingen om bijzondere aandacht te besteden aan de inhoud van de opleidingen, en beveelt deze in het bijzonder aan om in te zetten op : - opleidingen rond artificiële intelligentie in een productie-omgeving, waarbij zowel technische (digitale tools en AI-gebruik) als sociale vaardigheden (samenwerking, communicatie en ethiek), alsook digitale geletterdheid, veerkracht en gezond omgaan met technologie, van groot belang zijn, en - opleidingen inzake diversiteit.

De overige modaliteiten tot concretisering van het individueel opleidingsrecht, waaronder de modaliteiten voor het omzetten van opleidingsdagen in opleidingsuren, worden verwezen naar de ondernemingen.

Een uitvoeringsovereenkomst zal deze bepalingen tot uitvoering brengen.

Verdeling van de opleidingsinspanningen en gelijke toegang tot opleiding : a) De ondernemingen waken over een billijke verdeling van de opleidingsmiddelen die ze aanwenden om te voldoen aan de opleidingsnoden van alle categorieën van werknemers.In de mate van het mogelijke wordt erop toegezien dat het leerproces niet onderbroken wordt; b) De sector beveelt de ondernemingen aan om op hun niveau te onderzoeken welke de specifieke noden zijn eigen aan bepaalde doelgroepen, zoals minder gekwalificeerde of kwetsbare werknemers, de jongeren, de oudere werknemers (45 jaar en ouder) en de allochtonen, en om opleidingsplannen te voorzien die tegemoetkomen aan deze noden. De sectorale sociale partners doen de volgende vaststelling : transformatie van de sector en de uitgeoefende functies, evenals het belang van de kwalificatie van de medewerkers als voorwaarde voor deze transformatie.

In deze context wensen ze de nadruk te leggen op het belang van het begeleiderschap of peterschap als instrument voor het delen en overdragen van kennis aan nieuwe medewerkers. Dit instrument maakt de overdracht van kennis en knowhow mogelijk en beantwoordt aan de nood tot aantrekkelijkheid van de sector.

Ze vragen eveneens dat er een valorisatie van het begeleiderschap/peterschap plaatsvindt met zorg voor een goede overeenstemming met de door de begeleider uitgeoefende functies.

Voor het overige worden volgende bepalingen verlengd : - Opvolging en paritaire evaluatie : De sector doet een opvolging van de inhoud en van de toepassing van de opleidingsinspanningen in de staalondernemingen via de gecoördineerde enquête (de zogenaamde "sectorale enquête") die elk jaar in het 2de kwartaal gestart wordt.

Elke eerste werkdag van juni verzorgt het GSV de mededeling, met het oog op de navolgende evaluatie daarvan op sectoraal vlak, van de opleidingsinspanningen van het voorgaande jaar.

De sector stelt jaarlijks een "Rapporteringstabel van de opleidingsinspanningen" op en evalueert deze inspanningen op paritair niveau. Deze sectorale tabel wordt overgemaakt aan de ondernemingen voor mededeling aan de ondernemingsraad. - Opleidingsplannen : Rekening houdend met de goedkeuring van de wet van 3 oktober 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/10/2022 pub. 10/11/2022 numac 2022206360 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet houdende diverse arbeidsbepalingen sluiten houdende diverse arbeidsbepalingen en in het bijzonder met hoofdstuk 9 "Op-leidingsplannen", trekken de ondertekenaars van onderhavig akkoord de regeling in vermeld onder het punt "Opleidingsplannen" zoals het was opgenomen in het sectoraal akkoord 2021-2022 en herinneren de lokale sociale partners aan het belang van de overeenstemming van de ondernemingspraktijken met de wettelijke vereisten.

In dit verband bevelen de sociale partners de ondernemingen aan het collectief opleidingsplan dat jaarlijks voor advies aan de ondernemingsraad wordt voorgelegd, aan te vullen met de evaluatie van het vorige plan, hetgeen kadert in de gedeelde zorg om de inzetbaarheid van de werknemers te (blijven) garanderen. Afdeling 2. - Risicogroepen

De bijdrage voor risicogroepen is vastgelegd op 0,10 pct. voor de periode van 1 januari 2025 tot 31 december 2026, volgens dezelfde voorwaarden als in de vorige akkoorden : alle staalondernemingen worden verzocht om initiatieven te nemen en de concrete modaliteiten ervan op hun niveau te bepalen, in akkoord met de vakbondsafvaardiging, via het afsluiten van collectieve ondernemingsarbeidsovereenkomsten.

De collectieve ondernemingsarbeidsovereenkomst moet het in aanmerking genomen begrip "risicogroepen" vastleggen, evenals de weerhouden initiatieven. Bovendien verbinden de ondernemingen zich ertoe om elk jaar een evaluatieverslag en een financieel overzicht op te stellen en neer te leggen bij de Griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid en dit uiterlijk tegen 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de collectieve ondernemingsarbeidsovereenkomst van toepassing is.

De ondertekenende partijen zullen na de ondertekening van onderhavig akkoord en zijn uitvoeringsovereenkomst, specifiek met betrekking tot de risicogroepen, een aanvraag indienen met het oog op het bekomen van de voorafgaande goedkeuring door de Minister van Werk, zoals voorzien door artikel 2, alinea's 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19 februari 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/02/2013 pub. 11/03/2013 numac 2013024072 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 december 2004 tot vaststelling van de door de aardappelproducenten verschuldigde tijdelijke crisisbijdragen voor het vergoeden van verliezen ingevolge maatregelen tegen schadelijke organismen type koninklijk besluit prom. 19/02/2013 pub. 08/04/2013 numac 2013200746 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 189, vierde lid, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (1) type koninklijk besluit prom. 19/02/2013 pub. 28/03/2013 numac 2013022101 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het artikel 2 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen type koninklijk besluit prom. 19/02/2013 pub. 28/03/2013 numac 2013022099 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1982 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden of van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in het honorarium voor bepaalde verstrekkingen type koninklijk besluit prom. 19/02/2013 pub. 28/03/2013 numac 2013022100 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 37bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 type koninklijk besluit prom. 19/02/2013 pub. 28/02/2013 numac 2013022093 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 37bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 type koninklijk besluit prom. 19/02/2013 pub. 28/02/2013 numac 2013022094 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 2, K, en 25, §§ 1 en 3bis, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten, overeenkomstig de reeds ondernomen demarche in toepassing van de vorige sectorale akkoorden, sinds het sectoraal akkoord 2015-2016.

De sectorale uitvoeringsovereenkomst van onderhavig akkoord, die specifiek betrekking heeft op de risicogroepen, zal de vereiste ontwikkelingen aanvoeren om aan te tonen dat de aanwerving binnen de sector grotendeels stopgezet is.

De sector doet de follow-up en maakt een paritaire evaluatie van de concretisering van de collectieve ondernemingsarbeidsovereenkomsten.

Daartoe wordt een exemplaar van de afgesloten collectieve ondernemingsarbeidsovereenkomsten evenals van de evaluatieverslagen en van het financieel overzicht overgemaakt aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de bedienden van de ijzernijverheid en aan de ondertekenende partijen van onderhavig sectoraal akkoord.

Een bijzondere collectieve arbeidsovereenkomst zal deze bepalingen tot uitvoering brengen.

HOOFDSTUK VI. - Gezondheid en veiligheid Beginselverklaring De staalondernemingen zijn specifieke arbeidsomgevingen waarin de aanwezige personen (medewerkers, onderaannemers, bezoekers,...) zijn blootgesteld aan aanzienlijke beroepsrisico's.

De veiligheid en integriteit van elke persoon, aanwezig in de staalvestigingen, zijn dan ook van het allergrootste belang. Daartoe worden veiligheidsregels op de werkplek in de ondernemingen ingevoerd die integraal deel uitmaken van hun werking.

Preventie van psychosociale risico's De ondertekenende partijen herinneren aan het belang van het nemen van de nodige maatregelen om psychosociale risico's op het werk te voorkomen, om de uit deze risico's voortvloeiende schade te vermijden of deze schade te beperken.

Deconnectie De sector erkent de voordelen van de digitale transformatie.

Hij roept de sociale spelers in de ondernemingen op om bijzondere aandacht te besteden aan het connectie- en deconnectiebeleid.

Hij wijst nogmaals op de noodzaak om de concretisering van hoofdstuk 8 van de wet van 3 oktober 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/10/2022 pub. 10/11/2022 numac 2022206360 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet houdende diverse arbeidsbepalingen sluiten (Arbeidsdeal) af te ronden in de ondernemingen waar dit nog niet zou gebeurd zijn.

HOOFDSTUK VII. - Artificiële intelligentie (AI) De ondertekenende partijen erkennen dat digitalisering en AI nieuwe perspectieven biedt voor de manier waarop we (samen)werken. Deze evoluties versterken het potentieel van ondernemingen en werknemers om te groeien en zich verder te ontwikkelen, onder meer door ruimte te creëren voor productiviteit, innovatie, efficiëntie en kwaliteitsvol werk.

Deze aanbeveling wil bijdragen aan een groter bewustzijn en aan een verantwoorde en mensgerichte ondersteuning van het gebruik van AI, zodat zowel organisaties als werknemers de voordelen ervan optimaal kunnen benutten.

Daartoe raden de sociale partners de ondernemingen aan om bij digitalisering en AI te kiezen voor een mensgerichte en duurzame aanpak, met bijzondere aandacht voor kennisverwerving, opleiding, overleg, transparantie, welzijn en vertrouwen.

Een positieve en waarderende benadering van AI-gebruik, waarbij werknemers erkenning krijgen voor hun inzet voor verantwoorde innovatie en productiviteitsverbetering, versterkt het vertrouwen en de betrokkenheid.

Door bedienden actief te betrekken bij het gebruik van technologie en hen te ondersteunen in nieuwe werkvormen, groeit ook de motivatie om mee te werken aan de digitale transitie, zelfs wanneer hierdoor taken of functies veranderen.

Bij de invoering van nieuwe AI-systemen met belangrijke collectieve gevolgen voor de werkgelegenheid, werkorganisatie of arbeidsvoorwaarden, is het aangewezen deze op te nemen in de sociale dialoog binnen de onderneming, in overeenstemming met de wettelijke verplichtingen, waaronder de AI Verordening, collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 39 en nr. 81, en de GDPR-wetgeving.

Een geïntegreerde aanpak van AI-toepassingen bevordert de transparantie, zorgt ervoor dat technologische innovaties aansluiten bij de waarden en noden van de organisatie en haar werknemers, en versterkt het vertrouwen.

Duidelijke en toegankelijke informatie over hoe en waarom deze technologie wordt ingezet, bevordert een verantwoord en effectief gebruik. AI kan taken verlichten en processen ondersteunen, maar menselijke betrokkenheid blijft cruciaal, zeker bij gevoelige beslissingen. Het is ook belangrijk oog te blijven hebben voor de impact op werk en welzijn. Opleidingen rond digitale geletterdheid, veerkracht en gezond omgaan met technologie kunnen het welzijn ondersteunen. Door ervaringen uit te wisselen kunnen organisaties samen met werknemers een werkbare balans vinden.

HOOFDSTUK VIII. - Tewerkstelling Afdeling 1. - Werkzekerheid

De werkgevers zorgen ervoor om, alvorens tot afdankingen om economische redenen over te gaan tijdens de duur van onderhavig akkoord, in eerste instantie gebruik te maken van maatregelen tot behoud van de tewerkstelling, waaronder tijdelijke werkloosheid, deeltijds werk, oplossingen in het raam van een brede mobiliteit binnen de onderneming of tussen haar exploitatievestigingen. Afdeling 2. - Tijdelijke arbeid (arbeidsovereenkomst van bepaalde duur

en uitzendarbeid) De sector doet een aanbeveling aan de ondernemingen om op hun niveau het principe te voorzien van de evaluatie van de tijdelijke werknemer na een bepaalde tewerkstellingsperiode met het oog op het invullen van vacatures die zouden overeenstemmen met de bekwaamheden van de werknemer. Afdeling 3. - Definitieve arbeidsongeschiktheid

De ondertekenende partijen doen aan de ondernemingen de aanbeveling om bijzondere zorg te beste den aan het zoeken, binnen de onderneming, naar mogelijkheden tot re-integratie voor werknemers die arbeidsongeschikt verklaard zijn.

Ze herinneren aan de wettelijke voorziening, in werking gesteld door het koninklijk besluit van 28 oktober 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/10/2016 pub. 05/12/2016 numac 2016012171 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 februari 2016, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 februari 2012 betreffende de bijdrage van de werkgevers in de verplaatsingskosten van de bedienden uit de voedingsindustrie type koninklijk besluit prom. 28/10/2016 pub. 24/11/2016 numac 2016205640 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers wat de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers betreft sluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers en waarin een re-integratietraject voorzien wordt met het oog op de begeleiding van arbeidsongeschikte werknemers. Afdeling 4. - Kader buitencontractuele aansprakelijkheid

Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, op 1 januari 2025, is de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagenten van de contractanten (anders : "hulppersonen") afgeschaft.

Sindsdien kunnen werknemers dus rechtstreeks worden aangesproken door partijen met wie zij geen contract hebben, maar die wel schade lijden ingevolge de niet-nakoming van een contractuele verbintenis, in casu deze die zij zouden verrichten in uitvoering van een contract dat hun respectievelijke werkgever met een opdrachtgever heeft.

Zo zij, in het kader van de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst, door hun werkgever, zijnde de schuldenaar van de contractuele verbintenis ten aanzien van hun opdrachtgever, belast worden met de hele of gedeeltelijke uitvoering van diens verbintenis(sen) jegens een opdrachtgever, lopen zij hierdoor een verhoogd risico op buitencontractuele vorderingen, met name deze die tegen hen zouden worden ingesteld door een opdrachtgever van hun werkgever wegens een (vermeende) fout die zij zouden hebben begaan bij de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst, dit in uitvoering van een contractuele verbintenis van hun werkgever jegens de betreffende opdrachtgever.

Hoewel voor fouten die zij begaan tijdens de uitvoering van hun arbeidstaken, artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet blijven waarborgen dat de werknemer in voorkomend geval enkel aansprakelijk is, en bijgevolg door deze derde kan worden gesteld, voor zijn bedrog, zijn zware schuld en de gewoonlijk voorkomende lichte schuld, wensen de ondertekenende partijen, hoe klein dit ook is, élk risico van een mogelijke buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering van een opdrachtgever van een werkgever jegens zijn werknemer(s) uit te sluiten.

Gezien het aanvullend karakter van artikel 6.3. van het Burgerlijk Wetboek, is het inderdaad mogelijk om daarvan op dit punt af te wijken, weliswaar zonder afbreuk te doen aan de wettelijke bepalingen van openbare orde of van dwingend recht.

Daartoe engageren de ondernemingen zich ertoe om de buitencontractuele aansprakelijkheid van hun werknemers, zijnde hulppersonen in de zin van artikel 6.3. van het Burgerlijk Wetboek, uit te sluiten en dit contractueel vast te leggen, waarbij de ondertekenende partijen de ondernemingen aanbevelen om daartoe gebruik te maken van de volgende clausule : "Partijen sluiten elke buitencontractuele aansprakelijkheid ten aanzien van hun hulppersonen, hieronder begrepen "elke natuurlijke persoon, met inbegrip van de werknemers van de schuldenaar, die door de schuldenaar van een contractuele verbintenis belast wordt met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van deze verbintenis en dit in de volledige contractketen", voor schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis, uit. Huidig artikel doet geen afbreuk aan de wettelijke bepalingen van openbare orde of van dwingend recht. De hulppersonen kunnen zich, als derde begunstigden, beroepen op de clausules van dit artikel.".

Wat betreft de nieuwe contracten, kan deze clausule daartoe geïntegreerd worden in het contract zelf of de algemene voorwaarden die daarvan deel uitmaken.

Wat betreft de reeds bestaande contracten, kan zulks worden bewerkstelligd via een bijlage aan het bestaande contract. Afdeling 5. - Opt-out flexi-jobs

Op voorwaarde dat de toekomstige wetgeving dienaangaande het toelaat, worden voor de looptijd van het sectorakkoord voor 2025-2026, flexi-jobs in onze sector uitgesloten, behalve in de ondernemingen waarin hierover met de syndicale delegatie, bij gebreke hieraan de vertegenwoordigers van de vakorganisaties, een ander akkoord gesloten wordt. Afdeling 6. - Annualisering arbeidstijd

Op voorwaarde dat de toekomstige wetgeving dienaangaande de annualisering van de arbeidstijd ("accordeon uurroosters") in onze sector faciliteert, verbinden de sectorale sociale partners zich ertoe om, 12 maanden na de inwerkingtreding van de betreffende wetswijziging, samen de implicaties daarvan op het terrein te onderzoeken.

HOOFDSTUK IX. - Klein verlet Er wordt uitdrukkelijk overeengekomen dat in de volgende specifieke gevallen : - overlijden van een kind van de werknemer of van een kind van de echtgeno(o)t(e) van de werknemer of van een kind van de samenwonende partner van de werknemer; - overlijden van de echtgeno(o)t(e) of samenwonende partner van de werknemer, een extra dag rouwverlof wordt toegekend, wat het totaal, in deze specifieke gevallen, op 13 dagen brengt, waarvan de eerste 5 dagen kunnen worden opgenomen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis, terwijl de overige 8 dagen naar keuze kunnen worden opgenomen binnen één jaar na het betreffende overlijden.

Daarnaast wordt in de mogelijkheid voorzien om, wanneer een overlijden van een familielid tot de tweede graad zich voordoet tijdens een periode van jaarlijkse vakantie, voor de dag of dagen waarop de werknemer ingevolge dit overlijden recht heeft om met behoud van zijn normaal loon, berekend zoals voor betaalde feestdagen, van het werk afwezig te zijn, de jaarlijkse vakantiedagen die samenvallen met de daadwerkelijk daartoe opgenomen afwezigheidsdagen, over te dragen, evenwel zonder dat dit automatisch een verlenging van de betreffende vakantie inhoudt.

De werknemer die van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, deelt deze vraag aan de werkgever mee, uiterlijk op het moment dat hij deze van zijn afwezigheid ter gelegenheid van de betreffende familiegebeurtenis verwittigt.

In geval van overmacht, brengt hij de werkgever hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

De aldus overgedragen jaarlijkse vakantiedagen worden toegekend c.q. opgenomen vóór 31 december van het betreffende vakantiejaar.

Teneinde het bovenstaande te garanderen, zal de sector-collectieve arbeidsovereenkomst van 7 juli 2023 (181447/CO/210) betreffende het behoud van het normaalloon voor afwezigheidsdagen naar aanleiding van bepaalde familiegebeurtenissen, staatsburgerlijke verplichtingen of burgerlijke opdrachten worden aangepast.

HOOFDSTUK X. - Versterking van het sociaal overleg De sector doet een aanbeveling aan de ondernemingen met meerdere vestigingen in België om een structuur in te voeren om de sociale dialoog te bevorderen in het raam van sociale kwesties of thema's die van gemeenschappelijk belang zouden zijn voor de verschillende vestigingen van de betrokken ondernemingen. De bevoegdheid van deze structuur blijft beperkt tot thema's van nationale aard.

HOOFDSTUK XI. - Sociaal fonds en syndicale vorming Er is voorzien om de percentages, gebruikt voor het sociaal fonds en voor de syndicale vorming, te behouden zoals ze op recurrente wijze verhoogd werden in toepassing van hoofdstuk VIII van het sectoraal akkoord van 28 juni 201 1.

HOOFDSTUK XII. - Mobiliteit De ondertekenende partijen benadrukken de cruciale mobiliteitsuitdagingen voor de ondernemingen en hun werknemers en meten het belang van dit thema waarbij tal van actoren betrokken zijn, waaronder institutionele actoren uit verschillende bevoegdheidsniveaus.

Ze nemen nota van de evolutie van de besprekingen tussen de intersectorale sociale partners inzake mobiliteit en zijn van plan om rekening te houden met een aantal principes die door deze intersectorale sociale partners werden overeengekomen.

Bijgevolg worden ze het eens over het volgende : Afdeling 1. - Integrale terugbetaling van het abonnement op het

openbaar vervoer voor woon-werkverplaatsingen Verlenging van de bepalingen van het akkoord 2017-2018 die voorzien dat, op sectoraal vlak, de tussenkomst van de werkgever in de prijs van het abonnement op het openbaar vervoer van de werknemer voor zijn woon-werkverplaatsingen op 100 pct. wordt gebracht. Afdeling 2. - Alternatieve vervoermiddelen

De sector doet de aanbeveling aan de ondernemingen om het thema van de alternatieve vervoermiddelen te onderzoeken, met het oog op het ondersteunen op hun niveau van deze alternatieve vervoermiddelen voor woon-werkverplaatsingen, zoals de fiets en carpooling.

De ondertekenende partijen benadrukken dat deze opsomming van de verschillende vervoermiddelen niet exhaustief is.

Wat meer bepaald het fietsgebruik betreft, wijst de sector op de inwerkingtreding van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 164 van de Nationale Arbeidsraad betreffende de tegemoetkoming van de werkgever voor de verplaatsingen per fiets van de werknemer tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling.

In dit verband herinnert de sector eraan dat deze overeenkomst tot doel heeft de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de modaliteiten te regelen van de werkgeverstussenkomst voor de verplaatsingen die de werknemer per fiets maakt tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling.

Bovendien komen de sectorale sociale partners overeen om kennis te nemen van de resultaten van de evaluatie van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 164, voorzien in de Nationale Arbeidsraad in de tweede helft van het jaar 2024. Afdeling 3. - Vervoerkosten van de werknemers ingeschakeld in de

tewerkstellingscellen in het raam van de wetgeving inzake ondernemingsherstructureringen Vanaf het afsluiten van onderhavig sectoraal akkoord zullen de werkgevers de vervoerkosten van hun werknemers die ingeschakeld zijn in de tewerkstellingscellen, ten laste nemen volgens het tarief overeengekomen op ondernemingsvlak.

HOOFDSTUK XIII. - Telewerk De sector doet de aanbeveling aan de ondernemingen om bijzondere aandacht te besteden aan telewerken.

De invoering van telewerk wordt verwezenlijkt met inachtneming van de regels voor sociaal overleg binnen de ondernemingen.

HOOFDSTUK XIV. - Diversiteitsbeleid inzake personeel en niet-discriminatiebeleid en bestrijding van alle vormen van racisme De sector benadrukt zijn inzet voor democratische waarden en de bestrijding van alle vormen van racisme.

De sector doet de aanbeveling aan de ondernemingen om op hun niveau een diversiteitsbeleid te voeren inzake personeel en HR-beheer.

Hij benadrukt het belang toe te zien op de diversiteit van de werknemersploegen en vraagt aan de ondernemingen om elke vorm van discriminatie te bestrijden.

De ondernemingsraad wordt op de hoogte gebracht van de diversiteitsmaatregelen die op ondernemingsvlak genomen zijn en gaat over tot de evaluatie ervan.

Niet-discriminatie : Onverminderd het Belgisch wettelijk kader inzake niet-discriminatie, verbinden de ondernemingen zich ertoe om ieder van de werknemers eerlijk en met respect te behandelen.

Bijgevolg worden discriminerende handelingen op grond van ras, huidskleur, geslacht, leeftijd, religie, etnische afkomst, nationaliteit, invaliditeit of enige andere reden, niet geduld.

In dit verband ontwikkelt het GSV een sensibiliseringspakket rond diversiteit en verdraagzaamheid, bestemd voor gebruik binnen de ondernemingen, in het bijzonder tijdens de week van 8 mei, ter gelegenheid van de herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dit pakket is beschikbaar tegen uiterlijk 30 april 202 6.

HOOFDSTUK XV. - Attractiviteit van de sector Om het werken in de sector te ondersteunen worden een aantal acties opgezet om de attractiviteit te verhogen. Deze omvatten thema's als klimaatpolitiek, fair trade, onderzoek en ontwikkeling, innovatie,...

HOOFDSTUK XVI. - Sociale vrede De ondertekenende partijen verklaren dat onderhavig akkoord alle problemen inzake de bepalingen van onderhavig akkoord regelt, ongeacht de specifieke aangelegenheden die op ondernemingsvlak behandeld worden.

De werknemers- en werkgeversorganisaties, ondertekenaars van onderhavig akkoord, bevestigen hun gemeenschappelijke wil om alle conventionele bepalingen en procedures systematisch op alle niveaus toe te passen en te doen toepassen, met als doel binnen de sociale relaties voorrang te verlenen aan overleg en verzoening als middelen om geschillen op te lossen en de sociale vrede te waarborgen.

HOOFDSTUK XVII. - Overleg en sociale dialoog Afdeling 1. - Versterking van het sociaal overleg

De sector doet de aanbeveling aan de ondernemingen met meerdere vestigingen in België om een structuur in te voeren met het oog op een betere sociale dialoog in het kader van vragen of sociale thema's van gemeenschappelijk belang voor de verschillende vestigingen van de betrokken ondernemingen. De bevoegdheid van deze structuur blijft beperkt tot thema's van nationale aard. Afdeling 2. - Werkgroepen

De ondertekenende partijen komen overeen om bepaalde specifieke thema's te onderzoeken binnen "ad hoc" werkgroepen : 1. Een werkgroep gewijd aan de lange beroepsloopbanen.Het activiteitgebied van deze werkgroep is uitgebreid tot de beroepsloopbanen in het algemeen en tot het "werkbaar werk".

De ondertekenende partijen van onderhavig akkoord komen overeen om, in het kader van deze werkgroep, de thema's deconnectie en telewerken te onderzoeken. 2. Een werkgroep gewijd aan de structurele aanpassingen waaraan de ondernemingen het hoofd moeten bieden.3. De partijen hebben de vorderingen vastgesteld van de werkgroep gewijd aan de inventaris van de sectorale kaders van de Paritaire Comités 104 en 210 en komen overeen om op korte termijn na de ondertekening van onderhavig akkoord en zijn uitvoeringsovereenkomsten, de werkzaamheden van deze werkgroep verder te zetten. De partijen komen eveneens overeen om de werkzaamheden van deze werkgroep, samen met de vakbondsorganisaties die zetelen binnen het Paritair Comité voor de ijzernijverheid, verder te zetten.

Tenslotte worden de partijen het eens over het vastleggen van een agenda voor de ontmoetingen tussen het GSV en de vakbondsorganisaties met het oog op de werkzaamheden van de werkgroepen, op basis van een welbepaalde frequentie.

HOOFDSTUK XVIII. - Geldigheidsduur Onderhavig akkoord wordt afgesloten voor een duur van twee jaar van 1 januari 2025 tot 31 december 2026, behalve voor de eventuele specifieke bepalingen die een andere toepassingsduur voorzien, namelijk de bepalingen die vermeld worden onder hoofdstukken I (toepassingsgebied geldig van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2027), II en IV (medisch SWT respectievelijk tijdskrediet landingsbanen).

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 202 6.

De Minister van Werk, D. CLARINVAL


^