Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 06 februari 2023
gepubliceerd op 20 februari 2023

Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis

bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
numac
2023015190
pub.
20/02/2023
prom.
06/02/2023
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

6 FEBRUARI 2023. - Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid, zijn gedelegeerde verordeningen en zijn uitvoeringsverordeningen;

Gelet op de gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma's en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten;

Gelet op de Grondwet, artikel 108;

Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, de artikelen 3, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, 4, 6, § 1, 7, §§ 1 en 2, 8, eerste lid, 1° en 3°, 9, 3° en 5°, gewijzigd bij de wet van 28 maart 2003, artikel 15, 1° , gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007 en artikel 18;

Gelet op de wet van 28 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/08/1991 pub. 06/07/2011 numac 2011000415 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de uitoefening van de diergeneeskunde, artikel 6, § 2;

Gelet op de wet van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, artikel 4, 1° ;

Gelet op de wet van 4 februari 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/02/2000 pub. 18/02/2000 numac 2000022108 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 4, § 6, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2001 en aangevuld bij de wet van 9 juli 2004;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 16/11/2001 pub. 24/11/2001 numac 2001022869 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 2, d);

Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/11/2016 pub. 14/12/2016 numac 2016024273 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis sluiten betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis;

Gelet op het advies van de Raad van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, gegeven op 16 juli 2021;

Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 22 september 2021;

Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de Federale Overheid van 4 oktober 2021;

Gelet op het advies van de Hoge Raad van de Orde der Dierenartsen van 14 februari 2022;

Gelet op het advies van de Nationale Landbouwraad van 11 februari 2022;

Gelet op het advies 22-2021 van het Wetenschappelijk Comité van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 17 december 2021;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 17 januari 2022;

Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;

Gelet op advies 71.259/3 van de Raad van State, gegeven op 25 april 2022, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Landbouw en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsbepalingen

Artikel 1.Dit besluit heeft betrekking op de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis bij gehouden runderen.

Dit besluit is niet van toepassing op de in lid 1 bedoelde runderen die gehouden worden in geconsigneerde inrichtingen, zoals gedefinieerd in artikel 4, 48), van de verordening 2016/429, met uitzondering van de maatregelen in de hoofdstukken II tot en met IV.

Art. 2.Infectieuze boviene rhinotracheïtis is een dierenziekte die valt onder toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.

Art. 3.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van: 1. artikel 4 van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving");2. artikel 2 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren;3. artikel 3 van gedelegeerde verordening (EU) 2020/688 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van landdieren en broedeieren. § 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verder verstaan onder : 1. vereniging: vereniging erkend bij het ministerieel besluit van 26 november 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/02/2000 pub. 18/02/2000 numac 2000022108 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten3 tot erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziekten; 2. I.B.R. : infectieuze boviene rhinotracheïtis; 3. BoHV-1 : virus verantwoordelijk voor I.B.R.; 4. rund geïnfecteerd met het BoHV-1: rund dat beantwoordt aan de voorwaarden beschreven in bijlage 5, A.3. of een rund zoals bedoeld in artikel 23, derde en vierde lid; 5. rund verdacht geïnfecteerd met het BoHV-1: rund dat behoort tot een beslag 'in overtreding' of een beslag waarvan het statuut is opgeschort of dat behoort tot een lot runderen zoals bedoeld in bijlage 7, A.,5.; 6. rund vrij van en niet gevaccineerd tegen het BoHV-1: rund dat beantwoordt aan de voorwaarden beschreven in bijlage 5, A.1.; 7. rund vrij van BoHV-1 : rund dat beantwoordt aan de voorwaarden beschreven in bijlage 5, A.2.; 8. virologisch onderzoek : onderzoek naar de aanwezigheid van het BoHV-1;9. serologisch onderzoek : een serologische test zoals bedoeld in bijlage III, afdeling 4, van de verordening 2020/689 met het oog op de detectie van antistoffen tegen het volledige BoHV-1 virus, of in geval van (een) DIVA (Differentiating Infected from Vaccinated Animals) gevaccineerd(e) dier(en), met het oog op de detectie van antistoffen tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1;10. haard : inrichting zoals bedoeld in artikel 5;11. statuut 'besmet' : statuut dat wordt toegekend aan een beslag in toepassing van artikel 13 of artikel 17;12. statuut 'IBR gE NEG met vaccinatie' : statuut dat wordt toegekend aan een beslag in toepassing van artikel 14 of artikel 18;13. statuut 'IBR gE NEG in transitie' : statuut dat wordt toegekend aan een beslag in toepassing van artikel 15 of artikel 19;14. statuut 'vrij' : statuut dat wordt toegekend aan een beslag in toepassing van artikel 16 of artikel 20;15. beslag 'in overtreding' : beslag bedoeld in artikel 9, § 4;16. individueel IBR-statuut : het IBR-statuut toegekend aan een rund in toepassing van Hoofdstuk 5, Afdeling 5;17. rund in beweging : een rund dat zijn beslag van herkomst verlaten heeft en nog niet toegevoegd is aan een nieuw beslag, anders dan dat in een handelaarsstal;18. afmestbeslag : een beslag, andere dan een vleeskalverhouderij, waar enkel en alleen runderen aanwezig zijn met het oog op hun vetmesting en waar de verhouding tussen het aantal geboortes en het aantal vrouwelijke dieren op jaarbasis kleiner is dan 0,05;19. vleeskalverhouderij: een beslag waar de runderen behorend tot het beslag in SANITEL geregistreerd worden met het specifieke en niet omkeerbare statuut van vleeskalf;20. conventioneel beslag: een beslag dat noch een vleeskalverhouderij, noch een afmestbeslag noch een beslag gelinkt aan een handelaarsstal is;21. geregistreerde 1-1 relatie: een samenwerkingsverband tussen 2 inrichtingen zoals beschreven in artikel 27;22. de Minister : de Minister bevoegd voor de landbouw; 23. I.O.: Interprofessioneel organisme zoals gedefinieerd in artikel 1, § 1, 12° van het koninklijk besluit van 29 augustus 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/02/2000 pub. 18/02/2000 numac 2000022108 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten1 betreffende de controle van de kwaliteit van rauwe melk en de erkenning van de interprofessionele organismen; 24. gE-negatief vaccin : vaccin tegen boviene infectieuze rhinotracheïtis dat geen serologische reactie tegen het glycoproteïne E induceert; 25. N.R.L.: Nationaal Referentielaboratorium; 26. Sciensano : de openbare instelling bedoeld in artikel 3 van de wet van 25 februari 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/02/2018 pub. 21/03/2018 numac 2018011241 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Wet tot oprichting van Sciensano sluiten tot oprichting van Sciensano;27. erkend laboratorium : laboratorium dat voldoet aan de voorwaarden gedefinieerd in bijlage 1;28. AHLICS: een centrale analyseresultatendatabank; 29. T.V.D. : het toedienings- en verschaffingsdocument zoals gedefinieerd in artikel 28, § 2, van het koninklijk besluit van 21 juli 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 21/07/2016 pub. 29/07/2016 numac 2016024152 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen door de dierenartsen en door de verantwoordelijken van de dieren sluiten betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen door de dierenartsen en door de exploitanten van de dieren; 30. bedrijfsdierenarts : dierenarts als bedoeld in artikel 2, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/02/2000 pub. 18/02/2000 numac 2000022108 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten2 tot instelling van het epidemiologisch toezicht op inrichtingen waar bepaalde dieren gehouden worden;31. de plaatsvervangende bedrijfsdierenarts: dierenarts als bedoeld in artikel 2, § 2, 3°, van het koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/02/2000 pub. 18/02/2000 numac 2000022108 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten2 tot instelling van het epidemiologisch toezicht op inrichtingen waar bepaalde dieren gehouden worden;32. vaccinatieregister : het register bedoeld in bijlage 2, 1.Dit vaccinatieregister maakt deel uit van het register bedoeld in het koninklijk besluit van 21 juli 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 21/07/2016 pub. 29/07/2016 numac 2016024152 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen door de dierenartsen en door de verantwoordelijken van de dieren sluiten betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen door de dierenartsen en door de exploitanten van de dieren, artikel 54 in geval de vaccinatie wordt uitgevoerd door de bedrijfsdierenarts of artikel 55 in geval de vaccinatie wordt gedelegeerd naar de exploitant; 33. vaccinatierapport : samenvatting van de gegevens van het vaccinatieregister dat beantwoordt aan de voorwaarden beschreven in bijlage 2, 2.; 34. overwegend melkveebedrijf: een inrichting met een beslag waar binnen de groep van vrouwelijke dieren ouder dan 24 maanden minimaal 95% melkgevend zijn en waar maximaal 5% van het totaal aantal runderen van het beslag mannelijk zijn;35. Fonds: het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, opgericht bij artikel 3 van de wet van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998016042 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten sluiten betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten;36. Verordening 2020/689 : gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma's en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten;37. officiële dierenarts : dierenarts zoals gedefinieerd in verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr.999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles), artikel 3, 32; 38. SANITEL: het geautomatiseerde gegevensbestand van het Agentschap zoals bedoeld in artikel 109 van verordening (EU) 2016/429;39. productie-eenheid: het geheel van een of meerdere stallen en de desgevallend daarbij horende uitloopruimte op een inrichting waarin een beslag is gehuisvest;40. beslag: groep dieren van eenzelfde diersoort waardoor zij een enkele epidemiologische eenheid vormen met dezelfde gezondheidsstatus. In stallen omvat de term beslag minstens alle dieren die hetzelfde omsloten luchtvolume delen; 41. beslagnummer: uniek nummer voor een beslag op basis van het uniek registratienummer, toegekend aan elke in SANITEL geregistreerde inrichting;42. handelaar: exploitant die handel drijft in dieren en die desgevallend een handelaarsstal uitbaat;43. handelaarsstal: productie-eenheid met een specifiek beslagnummer waar een handelaar dieren huisvest die hij verhandelt;44. verhandelen: in eigen naam, in opdracht van of onder commissie in de handel brengen, ten verkoop aanbieden, tentoonstellen, verkopen, ruilen, leveren, onder kosteloze of bezwarende titel afstaan, invoeren, uitvoeren of doorvoeren. HOOFDSTUK II. - Maatregelen in geval van verdenking

Art. 4.§ 1. Elke exploitant die bij één of meerdere runderen van zijn inrichting symptomen van klinische I.B.R. zoals koorts geassocieerd met ademhalingsproblemen en/of verwerping vaststelt dient zonder verwijl de bedrijfsdierenarts te ontbieden. § 2. De bedrijfsdierenarts, opgeroepen in toepassingen van paragraaf 1, voert een klinisch onderzoek uit. Indien dit onderzoek de verdenking van I.B.R. niet uitsluit, neemt hij de nodige monsters met het oog op de uitvoering van een virologisch onderzoek volgens de bepalingen van artikel 37 en maakt deze over aan een erkend laboratorium ten laatste de dag volgend op de staalname. In afwachting van hun verzending dienen de monsters droog en koel (2-8° C) bewaard te worden. § 3. In afwijking op artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 3 februari 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/02/2014 pub. 11/03/2014 numac 2014024064 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en tot regeling van de aangifteplicht sluiten tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en tot regeling van de aangifteplicht, geldt de aangifteplicht voor I.B.R. slechts nadat de verdenking wordt bevestigd door de resultaten van het virologisch onderzoek. HOOFDSTUK III. - Maatregelen in de haard

Art. 5.Wanneer het Agentschap de virologische bevestiging van de verdenking van I.B.R. ontvangt, verklaart zij de inrichting tot haard en bepaalt er de grenzen van.

Het Agentschap voert een epidemiologisch onderzoek uit naar de herkomst en de verspreiding van BoHV-1.

Het Agentschap brengt de in artikel 4 bedoelde exploitant en zijn bedrijfsdierenarts, op de hoogte van de bevestiging van de haard en deelt hen de maatregelen mee die zijn voorgeschreven in de haard.

Het Agentschap brengt de exploitanten van de aangrenzende inrichtingen waar runderen worden gehouden en de inrichtingen met epidemiologische link met de haard op de hoogte van de bevestiging van de haard en de te nemen maatregelen.

Het Agentschap informeert de vereniging en bezorgt haar de lijst van inrichtingen met epidemiologische linken.

Art. 6.In de haard zijn de volgende maatregelen van toepassing : 1. de officiële dierenarts informeert de exploitant betreffende alle toe te passen biobeveiligingsmaatregelen op de inrichting om een eventuele verspreiding van de ziekte te voorkomen;2. alle runderen van de inrichting moeten worden afgezonderd binnen de gebouwen of op een plaats waar geen direct of indirect contact met runderen uit andere inrichtingen mogelijk is; 3. een volledige serologische balans wordt uitgevoerd volgens de modaliteiten van bijlage 4, B.2., ii), op de runderen van de inrichting; in afwijking van deze bepaling kan het Agentschap op basis van het resultaat van het epidemiologisch onderzoek en de omstandigheden in de haard, beslissen om de serologische balans te beperken tot bepaalde runderen onder de voorwaarde die het bepaalt; 4. alle runderen van de inrichting dienen verplicht gevaccineerd te worden door de bedrijfsdierenarts;in afwijking van deze bepaling kan het Agentschap op basis van het resultaat van het epidemiologisch onderzoek, de resultaten van de serologische balans bedoeld in 3. en de omstandigheden in de haard, beslissen om niet alle runderen behorend tot de inrichting verplicht te laten vaccineren onder de voorwaarde die het bepaalt; 5. elke handel van runderen uit de haard is verboden.Tenzij rechtstreekse afvoer naar een binnenlands slachthuis naar keuze om er onmiddellijk te worden geslacht met een door het Agentschap verzegeld transportmiddel en een door het Agentschap afgeleverde vrijgeleidebrief. HOOFDSTUK IV. - Opheffing van de haard

Art. 7.De bedrijfsdierenarts maakt de einddatum van de klinische symptomen over aan het Agentschap.

Het Agentschap heft de maatregelen bedoeld in hoofdstuk III op, ten vroegste dertig dagen na de einddatum, vermeld in lid één, en na het uitvoeren van de vaccinatie zoals bepaald in artikel 6, 4.

Het Agentschap bevestigt de opheffing van de maatregelen aan de exploitant van de inrichting, aan zijn bedrijfsdierenarts, aan de exploitanten van de naburige inrichtingen en van de inrichtingen met een epidemiologische link en aan de vereniging.

Art. 8.De exploitant dient voor de beslagen in de haard opnieuw een geldig statuut te herwinnen volgens de bepalingen van hoofdstuk V. HOOFDSTUK V. - Kwalificatie van de beslagen Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 9.§ 1. Elke exploitant dient elk beslag runderen dat hij houdt te onderwerpen aan de voorwaarden voor het verwerven of behouden van een minimaal IBR statuut, zoals vastgelegd in paragraaf 2. § 2. Een conventioneel beslag dient minimum: 1. het statuut ` vrij' te hebben vanaf 1 april 2026;2. het statuut `IBR gE NEG in transitie' te hebben vanaf 1 april 2024;3. het statuut `besmet' te hebben. Een beslag, anders dan een conventioneel beslag, dient minimum: 1. het statuut `vrij' te hebben vanaf 1 november 2026;2. het statuut `besmet' te hebben. § 3. In afwijking van paragraaf 2, dient een conventioneel beslag dat het statuut ` IBR gE NEG' of `vrij' verloren heeft, of een beslag dat het `I3' of `I4' statuut verloor sinds 1 januari 2019, minimum: 1. het statuut `besmet' te hebben gedurende de 4 jaren nadat het eerste rund `geïnfecteerd met het BoHV-1' werd vastgesteld;2. het statuut `IBR gE NEG in transitie' te hebben vanaf het 5de jaar na deze datum. De afwijking in lid 1 is toegelaten voor een maximale periode van 6 jaar en op voorwaarde dat een plan van aanpak waarin een vaccinatieplan en tussentijdse doelen betreffende de afvoer van runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' zijn opgenomen en dat opgesteld is in samenwerking met en goedgekeurd is door de vereniging.

De Minister kan de toepassing van lid 1 beperken en de voorwaarden om in aanmerking te komen vastleggen.

Indien het vaccinatieplan of de afvoer van de runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' zoals voorzien in het plan van aanpak, bedoeld in lid 2, niet worden opgevolgd is de termijn bedoeld in artikel 34, § 3 van toepassing.

De vereniging informeert het Agentschap hierover. § 4. Een beslag dat het minimale IBR statuut, zoals vastgelegd in paragraaf 2, niet heeft, wordt beschouwd als een beslag `in overtreding'. In dit geval zijn de bepalingen van artikel 24 van toepassing. § 5. De hiërarchie tussen de verschillende IBR statuten is beschreven in bijlage 3.

Art. 10.§ 1. Op een inrichting met meerdere beslagen, kent het Agentschap aan elk beslag eenzelfde gezondheidsstatus toe . § 2. In afwijking van paragraaf 1, kan op een inrichting waar tegelijkertijd runderen en vleeskalveren worden gehouden een ander statuut worden toegekend aan de vleeskalverhouderijen.

Art. 11.Wanneer op een inrichting een beslag runderen wordt gecreëerd of wanneer runderen worden aangevoerd op een inrichting waar na reiniging en ontsmetting en gedurende 24 uur geen runderen meer aanwezig waren in het beslag, verwerft het beslag een statuut op basis van het laagste individueel statuut van de aangevoerde runderen.

Art. 12.§ 1. Om het statuut van een beslag te behouden, mag een exploitant enkel runderen met een individueel statuut dat hetzelfde of hoger is, toevoegen aan het beslag. § 2. In afwijking op paragraaf 1, mag een rund uit een beslag met een statuut ` IBR gE NEG in transitie' of `IBR gE NEG met vaccinatie' rechtstreeks aangevoerd worden op een inrichting waarvan het/de beslag(en) een statuut `vrij' heeft/hebben indien de volgende voorwaarden voldaan zijn: 1. op de inrichting van herkomst, a) wordt een serologisch onderzoek met gunstig resultaat uitgevoerd binnen een termijn van maximaal 30 dagen vóór vertrek; en b) er worden geen runderen aangevoerd gedurende de 3 weken vóór de monstername en tussen het moment van monstername en vertrek van het/de rund(eren);2. het transport van het (de) rund(eren) tussen de afvoerende en aanvoerende inrichting gebeurt rechtstreeks, zonder contact met runderen van andere beslagen en volgens de bepalingen van artikel 23;3. op de inrichting van bestemming worden de bepalingen van artikel 30 gerespecteerd. Afdeling 2. - Kwalificatie van de conventionele beslagen

Art. 13.Het statuut `besmet': 1. wordt toegekend aan een conventioneel beslag vanaf het moment dat het beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, B.1.,a); 2. blijft behouden voor zover het beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, B.2.

Art. 14.Het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie': 1. wordt toegekend aan een conventioneel beslag vanaf het moment dat het beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, C.1., a); 2. blijft behouden voor zover het beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, C.2.

Art. 15.Het statuut `IBR gE NEG in transitie': 1. wordt toegekend aan een conventioneel beslag vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, D.1., a); 2. blijft behouden voor zover het beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, D.2.

Art. 16.Het statuut `vrij' : 1. wordt toegekend aan een conventioneel beslag vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, E.1., a); 2. blijft behouden voor zover het beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, E.2. Afdeling 3. - Kwalificatie van afmestbeslagen en vleeskalverhouderijen

Art. 17.§ .1. Een afmestbeslag verwerft het statuut `besmet' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, B.1., b), en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven. § 2. Een vleeskalverhouderij verwerft het statuut `besmet' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, B.1., c), en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven.

Art. 18.§ 1. Een afmestbeslag verwerft het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, C.1., b), en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven. § 2. Een vleeskalverhouderij verwerft het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, C.1., b) en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven.

Art. 19.§ 1. Een afmestbeslag verwerft het statuut `IBR gE NEG in transitie' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, D.1., b), en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven. § 2. Een vleeskalverhouderij verwerft het statuut `IBR gE NEG in transitie' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, D.1., b) en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven.

Art. 20.§ 1. Een afmestbeslag verwerft het statuut `vrij' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, E.1., b), en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven. § 2. Een vleeskalverhouderij verwerft het statuut `vrij' vanaf het moment dat dit beslag beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 4, E.1., b) en behoudt dit statuut zolang deze voorwaarden vervuld blijven. Afdeling 4. - Kwalificatie van beslagen op een handelaarsstal

Art. 21.§ 1. Het statuut van een beslag op een handelaarsstal wordt op elk moment bepaald door het laagste statuut van een toegevoegd rund. § 2. Na reiniging en ontsmetting en ten vroegste 24 uur na het verwijderen van het/de runderen met het laagste statuut tot dan toe aanwezig op het beslag, kan een hoger statuut worden toegekend aan een beslag op een handelaarsstal. Afdeling 5. - Individueel IBR statuut van een rund

Art. 22.§ 1. Elk rund geboren in een beslag, aanwezig in het beslag of toegevoegd aan een beslag verwerft het IBR-statuut van het beslag. § 2. In afwijking van paragraaf 1 verwerft een rund, toegevoegd aan een conventioneel beslag, het statuut van dit beslag slechts nadat de bepalingen van artikel 30 vervuld zijn.

Art. 23.Een rund in beweging behoudt het IBR-statuut van het beslag van herkomst op voorwaarde dat de opdrachtgever van het vervoer elke laadactie en elke losactie van elk individueel rund, met vermelding van het individuele identificatienummer van het rund, op elektronische wijze registreert in SANITEL en dit binnen de 12 uur na het laden en lossen en zeker vóór de volgende laad- of losbeweging van dit rund.

De registratie bedoelt in lid 1 omvat minstens de volgende informatie: 1. het individueel identificatienummer van het rund;2. de datum en het uur van de actie;3. het type actie;4. de nummerplaat van het transportmiddel;5. het nummer van de inrichting van laden en lossen. Indien de gegevens bedoelt in voorgaande alinea onvolledig zijn of niet geregistreerd zijn binnen de opgelegde termijn, kan de vereniging het statuut `geïnfecteerd met het BoHV-1' toekennen aan het betrokken rund.

Indien een rund gedurende het transport, op een verzamelcentrum of in een handelaarsstal, in contact komt met een rund met een statuut 'geïnfecteerd met het BoHV-1' of 'verdacht geïnfecteerd met het BoHV-1' kan de vereniging het statuut van het betrokken rund verlagen tot het statuut 'geïnfecteerd met het BoHV-1'. HOOFDSTUK VI. - Specifieke maatregelen op de beslagen

Art. 24.§ 1. Een exploitant mag geen runderen houden in een beslag 'in overtreding'. § 2. De exploitant met een beslag 'in overtreding', wordt door het Agentschap in gebreke gesteld.

Indien de exploitant van een beslag 'in overtreding' binnen de zestig dagen na de datum van de in gebrekestelling door het Agentschap niet voldoet aan het bepaalde in artikel 9, geeft het Agentschap een slachtbevel voor alle runderen van dit beslag. De exploitant is gehouden om de runderen binnen de dertig dagen na het uitvaardigen van het slachtbevel, op zijn kosten en zonder vergoeding, te laten slachten in een binnenlands slachthuis. § 3. De exploitant van een beslag `in overtreding' mag geen rauwe koemelk of producten op basis van melk verkopen, leveren, laten behandelen of laten transformeren.

Art. 25.Op beslagen met een statuut `IBR gE NEG' of `vrij' die naar aanleiding van specifieke situaties zoals beschreven in bijlage 9 een verhoogd risico kennen, dient een serologisch onderzoek te worden uitgevoerd zoals beschreven in bijlage 4, C.2, D.2, of E.2, naargelang het statuut van het beslag.

De vereniging informeert de exploitant en de bedrijfsdierenarts omtrent het infectierisico en de uiterste datum waarop de serologische onderzoeken dienen uitgevoerd te worden. De vereniging brengt het Agentschap hiervan op de hoogte.

Art. 26.§ 1. Het statuut van een beslag wordt geschorst: i. indien de analyses in toepassing van de artikelen 13, 14, 15 en 16 niet (tijdig) worden uitgevoerd; ii. indien het aankooponderzoek zoals beschreven in artikel 30 niet werd uitgevoerd; iii. indien de onderzoeken in toepassing van artikel 25 niet (tijdig) worden uitgevoerd; iv. indien, op een beslag met een statuut `IBR gE NEG' of `vrij', de aanwezigheid in het beslag van één of meerdere runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' wordt bevestigd, uitgezonderd indien de runderen recent werden aangevoerd op de inrichting en in isolatie worden gehouden in toepassing van de bepalingen in artikel 30.

Indien het motief van de schorsing niet geregulariseerd wordt tijdens een termijn van maximaal 30 dagen of indien de voorwaarden voor het herwinnen van het statuut binnen die termijn niet vervuld zijn, wordt het statuut `in overtreding' toegekend.

De runderen van een beslag waarvan het statuut wordt geschorst worden beschouwd als `verdacht geïnfecteerd met het BoHV-1'.

Een beslag waarvan het statuut `in overtreding' werd toegekend in toepassing van paragraaf 1, tweede lid, kan zijn statuut herwinnen mits toepassing van de bepalingen vastgelegd in hoofdstuk V. § 2. Indien de schorsing het gevolg is van de aanwezigheid van één of meerdere runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' in het beslag, zoals beschreven in paragraaf 1, 4de streepje, voert de vereniging een epidemiologisch onderzoek uit om de bron en het tijdstip van de infectie vast te stellen.

Rekening houdend met de vermoedelijke bron en tijdstip van de infectie stelt de vereniging een lijst op van contactbeslagen en informeert de exploitanten van de contactbeslagen over de uit te voeren onderzoeken zoals bedoeld in artikel 25. De vereniging maakt deze lijst over aan het Agentschap.

Art. 27.§ 1. Op vraag van de exploitanten kan de vereniging een 1-1 relatie tussen 2 inrichtingen, met conventionele beslagen met eenzelfde statuut, registreren. § 2. In geval van een geregistreerde 1-1 relatie, zoals bedoeld in paragraaf 1, zijn de volgende voorwaarden van toepassing: 1. de serologische onderzoeken en vaccinaties uitgevoerd in het kader van het behoud van het statuut, of met het oog op het verwerven van een hoger statuut worden synchroon uitgevoerd op beide beslagen;2. elke schorsing of verlagen van een statuut van één van de beslagen wordt automatisch toegepast op het andere beslag;3. indien één van de beslagen wordt verklaard tot haard, zijn de maatregelen bedoeld in Hoofdstuk III en IV automatisch van toepassing op het andere beslag;4. elk transport van runderen tussen beide beslagen wordt uitsluitend uitgevoerd door één van de exploitanten van de betrokken inrichtingen, met transportmiddelen eigen aan de inrichtingen, zonder contact met runderen van andere beslagen en volgens de bepalingen van artikel 23. HOOFDSTUK VII. - De handel, het verplaatsen en het toevoegen van runderen aan een beslag, de deelname aan verzamelingen en de weidegang van runderen

Art. 28.§ 1. Elke handel van runderen afkomstig uit een beslag met een statuut 'besmet' is verboden. § 2. In afwijking op paragraaf 1 zijn de volgende bewegingen en verzamelingen toegelaten: 1. de rechtstreekse afvoer van een rund naar een slachthuis of naar een afmestbeslag;2. de afvoer van kalveren tot een leeftijd van 12 weken naar een vleeskalverhouderij;3. het verzamelen van runderen op erkende verzamelcentra of op daartoe specifiek georganiseerde verzamelingen, met het oog op het handelsverkeer.Indien op deze specifiek georganiseerde verzamelingen ook andere runderen mee verzameld worden, mogen ook deze runderen enkel afgevoerd worden naar, hetzij een afmestbedrijf, hetzij een kalvermesterij, hetzij een slachthuis. § 3. Runderen behorend tot een afmestbeslag worden rechtstreeks afgevoerd hetzij naar een slachthuis, hetzij naar een ander afmestbedrijf of vleeskalverhouderij . § 4. Met het oog op de nationale handel mogen vleeskalveren uitsluitend verplaatst worden tussen vleeskalverhouderijen onderling en naar een slachthuis.

Art. 29.Het is verboden aan een handelaar of een vervoerder om een rund met een individueel IBR-statuut, anders dan `IBR gE NEG' of `vrij' te leveren of lossen op een inrichting waarvan de beslagen een statuut `IBR gE NEG' of `vrij' hebben.

Art. 30.§ 1. Elke exploitant die een (lot) runderen (opnieuw) aanvoert op zijn inrichting, met het oog op toevoeging aan een conventioneel beslag, moet dit/deze rund(eren) op zijn inrichting in isolatie houden en binnen de 2 werkdagen volgend op de aankomst een beroep doen op de bedrijfsdierenarts om de onderzoeken voorgeschreven in bijlage 7 te laten uitvoeren.

De isolatie van de runderen gebeurt in gebouwen of bedrijfsruimten die volledig gescheiden zijn van andere gebouwen of bedrijfsruimten op de inrichting. De runderen zijn in deze installatie op zodanige wijze afgezonderd dat er geen direct contact mogelijk is met andere runderen op de inrichting. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde exploitant mag het/de rund(eren) alleen toevoegen aan een beslag van zijn inrichting nadat de onderzoeken in bijlage 7 volledig zijn afgerond en waarbij is aangetoond dat het/de rund(eren) word(t)(en) beschouwd als `vrij van en niet gevaccineerd tegen BoHV-1' of ` vrij van BoHV-1' afhankelijk van het statuut waaraan het wordt toegevoegd. § 3. Het bepaalde in paragrafen 1 en 2 is niet van toepassing in geval van uitwisseling van runderen tussen twee inrichtingen met een geregistreerde 1-1 relatie.

In dit geval dient slechts één serologisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 7, A. te worden uitgevoerd.

Art. 31.De bedrijfsdierenarts bedoeld in artikel 30, dient binnen de drie werkdagen volgend op de oproep van de verwerver over te gaan tot een klinisch onderzoek van het/de rund(eren) evenals het nemen van de vereiste monsters.

Art. 32.De bijzondere voorwaarden voor deelname van runderen aan verzamelingen zijn vastgelegd in bijlage 8.

Art. 33.§ 1. De exploitant mag geen runderen op de weide plaatsen, wanneer die runderen behoren tot: 1. een beslag 'in overtreding' ;2. een beslag waarvan het statuut is opgeschort;3. een beslag met een statuut `besmet';4. een afmestbeslag;5. een vleeskalverhouderij. § 2. In afwijking van paragraaf 1, mag een exploitant runderen behorend tot een conventioneel beslag met een statuut 'besmet' op de weide zetten indien voldaan aan de voorwaarden vastgelegd in bijlage 6.

De exploitant die wil gebruik maken van de afwijking voorzien in lid 1 dient elk jaar een verklaring in te dienen vóór 1 april bij de vereniging. Deze verklaring vermeldt: 1. het kadastraal nummer;2. het adres of de geografische coördinaten van de percelen waarop runderen zullen grazen;3. indien op de aangrenzende weiden ook runderen grazen, de kadastergegevens en de naam van de exploitanten die deze weiden gebruiken. HOOFDSTUK VIII. - Maatregelen van toepassing op runderen `verdacht geïnfecteerd met het BoHV-1' of `geïnfecteerd met het BoHV-1'

Art. 34.§ 1. De exploitant mag een rund dat beschouwd wordt als `verdacht geïnfecteerd met het BoHV-1' of `geïnfecteerd met het BoHV-1' niet verhandelen, noch ermee deelnemen aan eender welke verzameling van dieren. § 2. In afwijking van paragraaf 1, is de rechtstreekse afvoer naar een binnenlands slachthuis of naar een binnenlands afmestbeslag toegelaten voor: 1. runderen, `geïnfecteerd met het BoHV-1';2. runderen `verdacht geïnfecteerd met het BoHV-1' ten gevolge van de aanwezigheid van runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' in het beslag. § 3. De runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' aanwezig in een conventioneel beslag dienen afgevoerd te worden tegen ten laatste 31 oktober 2023. Indien de exploitant deze termijn niet respecteert, wordt de inrichting beschouwd als `in overtreding' en zijn de bepalingen van artikel 24 van toepassing. Uitgezonderd in geval van recidive, kan het Agentschap de maatregelen bedoeld in artikel 24, § 2, beperken tot de runderen met het statuut `geïnfecteerd met het BoHV-1' .

In afwijking op het eerste lid kan in conventionele beslagen zoals bedoeld in artikel 9, § 3 afgeweken worden van de datum vermeld in het eerste lid op voorwaarde dat voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 9, § 3, 2de lid. § 4. Vanaf 31 oktober 2023 mag een exploitant geen runderen dewelke `geïnfecteerd zijn met het BoHV-1' houden in een beslag.

In afwijking op het eerste lid is de aanwezigheid van runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' nog toegelaten: 1. in conventionele beslagen zoals bedoeld in artikel 9, § 3;2. in een afmestbeslag tot 31 oktober 2026. HOOFDSTUK IX. - Vaccinatie

Art. 35.§ 1. Voor de vaccinatie tegen I.B.R. is enkel het gebruik van gE-negatieve vaccins toegelaten. § 2. De vaccinatie tegen I.B.R. van runderen in beslagen met een statuut 'vrij' of een statuut 'IBR gE NEG in transitie' is verboden. § 3. Vanaf 1 april 2024 is de vaccinatie van runderen tegen I.B.R. verboden.

In afwijking op het eerste lid is de vaccinatie van runderen nog toegelaten: 1. in conventionele beslagen zoals bedoeld in artikel 9, § 3;2. op afmestbeslagen;3. in een haard. In geval van een ongunstige epidemiologische situatie kan de datum vermeld in lid 1 gewijzigd worden door de minister.

Art. 36.§ 1. De exploitant laat de vaccinatie tegen IBR enkel uitvoeren door de bedrijfsdierenarts. § 2. In afwijking op paragraaf 1 en enkel bij runderen in beslagen met een statuut ` IBR gE-NEG met vaccinatie' of op afmestbeslagen, mag de bedrijfsdierenarts de uitvoering van de vaccinatie delegeren naar de exploitant van de inrichting voor zover er een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding is afgesloten tussen de exploitant en de bedrijfsdierenarts, overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 april 2000 houdende bepalingen betreffende de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding. § 3. De bedrijfsdierenarts: 1. stelt per beslag een gedetailleerd vaccinatieschema op met vermelding van de te vaccineren runderen per leeftijdscategorie en het te gebruiken vaccintype; 2. stelt voor elke toediening of verschaffing van vaccin bedoeld in dit besluit, een T.V.D. op; 3. geeft in geval van delegatie van de vaccinatie schriftelijke instructies voor de bewaring, het gebruik en de toediening van het vaccin;4. registreert in SANITEL per beslag de gegevens van alle toegediende en/of verschafte vaccins.Deze gegevens worden overgemaakt volgens de voorwaarden vastgelegd in bijlage 2. § 4. De plaatsvervanger: 1. volgt het vaccinatieschema dat is opgesteld door de bedrijfsdierenarts;2. mag geen vaccin tegen IBR verschaffen. Het eerste lid is niet van toepassing indien de plaatsvervanging meer dan occasioneel optreedt. § 5. De exploitant die zelf vaccineert: 1. doet dit enkel met een vaccin dat door de bedrijfsdierenarts is verschaft.De plaatsvervanger mag geen vaccin tegen IBR voorschrijven of verschaffen, tenzij in toepassing van paragraaf 4, tweede lid; 2. voert het vaccinatieschema uit zoals opgesteld door de bedrijfsdierenarts;3. bewaart het vaccin en dient het toe volgens de instructies van de bedrijfsdierenarts;4. schrijft elke uitgevoerde vaccinatie in het vaccinatieregister. § 6. Elke vaccinatie die niet conform de bepalingen van dit besluit wordt uitgevoerd, wordt beschouwd als ongeldig voor de toepassing van dit besluit. HOOFDSTUK X. - Diagnostiek

Art. 37.De diagnostische methoden voor de detectie van BoHV-1 en voor het verwerven en behoud van de statuten zijn vastgelegd in de verordening 2020/689.

Art. 38.Sciensano is het N.R.L. voor het BoHV-1. In deze hoedanigheid: 1. evalueert zij welke reagentia gebruikt kunnen worden in het kader van dit besluit;2. controleert zij de kwaliteit van de loten van ELISA reagentia vóór hun gebruik door de erkende laboratoria, voor vrijstelling voor gebruik op de Belgische markt;3. organiseert zij voor deze methoden technische interlaboratorium bekwaamheidstesten waarbij de door de erkende laboratorium bekomen resultaten op identieke monsters vergeleken worden met een referentiewaarde;4. voert zij bevestigingstesten en virologische analyses uit;5. is zij bevoegd voor het aanmaken van referentiemateriaal voor deze methoden.

Art. 39.§ 1. Enkel de resultaten van de analyses uitgevoerd in een erkend laboratorium, volgens de methoden voorzien in artikel 37 en met reagentia die voldoen aan de voorwaarden van artikel 38, tweede lid, 1° en 2°, worden in aanmerking genomen voor de toepassing van dit besluit. § 2. Elk laboratorium, dierenarts of exploitant die een serologisch of virologisch onderzoek uitvoert of laat uitvoeren buiten het kader van paragraaf één dient elk resultaat dat de aanwezigheid bij een rund van BoHV-1 niet uitsluit, onverwijld te melden aan het Agentschap.

Indien het resultaat bedoeld in het eerste lid, een virologisch onderzoek betreft, oordeelt het Agentschap of er al dan niet een herbemonstering dient uitgevoerd te worden. In de andere gevallen bepaalt de vereniging de te nemen maatregelen. § 3. De verenigingen ontwikkelen en onderhouden AHLICS waarin de resultaten van alle analyses bedoeld in artikel 39, § 1 worden gecentraliseerd met het oog op het beheer van de statuten zoals bepaald in artikel 42.

Art. 40.§ 1. Elk erkend laboratorium is verplicht de gevalideerde resultaten van het serologisch en/of virologisch onderzoek op elektronische wijze en overeenkomstig de instructies van de verenigingen over te maken aan AHLICS tegelijkertijd met de melding aan de exploitant en aan de bedrijfsdierenarts. § 2. Een erkend laboratorium dat monsters ontvangt voor onderzoek in het kader van dit besluit, kan beschikken over de relevante informatie uit SANITEL die betrekking heeft op de runderen en de beslagen waartoe de runderen behoren en waarvan monsters worden ontvangen en, voor elk beslag, de daaraan gekoppelde verantwoordelijke en bedrijfsdierenarts.

Het Agentschap stelt deze informatie uit SANITEL beschikbaar aan elk erkend laboratorium, erkend in het kader van dit besluit.

Art. 41.In geval van tegenstrijdige resultaten bij opeenvolgende onderzoeken bij eenzelfde rund, kan de vereniging een genetisch identificatieprofiel op de betreffende monsters uitvoeren vooraleer een I.B.R. statuut toe te kennen aan het betreffende rund.

In geval de genetische identificatieprofielen een discordantie vertonen, worden de resultaten overgemaakt aan het Agentschap en zijn de kosten van het onderzoek ten laste van de betrokken veehouder. In deze gevallen wordt het resultaat van het laatste onderzoek niet weerhouden. HOOFDSTUK XI. - Bemonstering

Art. 42.§ 1. De bemonsteringen in toepassing van de hoofdstukken II, V en artikel 29 van dit besluit worden uitgevoerd door de bedrijfsdierenarts. § 2. In afwijking van paragraaf 1, kunnen tankmelkmonsters, aangeleverd door het I.O., worden aangewend. § 3. Elk individueel monster dient geïdentificeerd te zijn met de volledige identificatiecode van het rund.

Een tankmelkmonster is geïdentificeerd aan de hand van het beslagnummer of een ander identificatiemiddel dat specifiek is voor het I.O. en dat het laboratorium toelaat om het monster eenduidig te koppelen aan het beslagnummer. § 4. De monsternemer is verantwoordelijk voor het opsturen van monsters naar het erkende laboratorium en voor het bewaren ervan volgens de instructies die dit laboratorium stelt in het kader van zijn kwaliteitssysteem als bedoeld in bijlage 1, punt 1 °. HOOFDSTUK XII. - Opdrachten aan de verenigingen

Art. 43.De verenigingen zijn belast met het beheer van de I.B.R. statuten van de beslagen.

Onder deze hoedanigheid, 1. kennen ze een I.B.R. statuut toe aan de runderen en per beslag overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 13,1., 14, 1., 15,1., 16,1., 17, 18, 19, 20, 22 en Hoofdstuk V, Afdeling 5; 2. controleren ze of de voorwaarden voor het behoud van het statuut overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 13,2., 14,2., 15,2., 16,2., 17, 18, 19 en 20 voldaan zijn; 3. schorsen ze een I.B.R. statuut in toepassing van artikel 26; 4. registreren ze het statuut toegekend aan elk beslag in SANITEL en brengen de exploitant en de bedrijfsdierenarts hiervan op de hoogte;5. interpreteren zij de resultaten van de serologische resultaten zoals bepaald in artikel 39 en in bijlage 5, A.en B., en in voorkomend geval, initiëren en verzekeren zij de opvolging van de bevestigingsprocedure van een niet-negatief resultaat als bedoeld in bijlage 5, A.1.,b), A.2.,c), B.1.,b) of B.2.,c); 6. sporen zij beslagen op met een verhoogd risico op infectie zoals bedoeld in artikel 25, en voeren een epidemiologisch onderzoek uit op beslagen waar de aanwezigheid van een rund `geïnfecteerd met het BoHV-1' bevestigd wordt zoals bedoeld in artikel 26, § 2; 7. verzekeren zij een permanente toegang tot SANITEL aan de dierenartsen, aan de erkende laboratoria, aan de exploitanten, aan de handelaars in runderen en aan de verzamelcentra voor runderen voor het raadplegen van het I.B.R.-statuut van elk beslag en van elk rund. HOOFDSTUK XIII. - Tussenkomsten en vergoedingen

Art. 44.De volgende tussenkomsten in de analyses en vergoedingen in uitvoering van dit besluit zijn ten laste van het Fonds, na advies van de Raad van het Fonds en binnen de beschikbare begrotingskredieten van het Fonds: 1° de kosten verbonden aan het uitvoeren van een bevestigingsprocedure van een niet negatief resultaat als bedoeld in bijlage 5; 2° de kosten verbonden aan het uitvoeren van de balans zoals bedoeld in bijlage 4, E., 3., en dit op conventionele beslagen die het statuut `vrij' verloren hebben; 3° de kosten verbonden aan het uitvoeren van een serologisch onderzoek op beslagen zoals bedoeld in artikel 25 en met name de specifieke situatie beschreven in bijlage 9, A., 4° en 5° ; 4° de kosten verbonden aan het uitvoeren van een genetisch identificatieprofiel bedoeld in artikel 41, eerste lid, en volgens het officieel tarief van de vereniging zoals gepubliceerd op zijn website en op voorlegging van schuldvorderingen per kwartaal opgesteld met vermelding van het aantal uitgevoerde analyses;5° de kosten verbonden aan de analyses voor het uitvoeren van het virologisch onderzoek bedoeld in artikel 4, § 2. HOOFDSTUK XIV. - Slotbepalingen

Art. 45.De Minister kan, op advies van de Raad van het Fonds, in uitzonderlijke gevallen aan een onderneming die runderen houdt een afwijking verlenen op de bepalingen in dit besluit, voor zover deze onderneming de runderen op die wijze houdt dat geen rechtsreeks contact met andere runderen mogelijk is en zij de I.B.R. bestrijding niet in gevaar brengt.

Een onderneming die deze afwijking wenst, dient schriftelijk een gemotiveerde aanvraag in te dienen bij de gedelegeerd bestuurder van het Agentschap.

Het Agentschap zal op basis van een risico-analyse en in geval van gunstig resultaat haar gemotiveerde beslissing binnen de vijfenveertig dagen na ontvangst van de aanvraag van de onderneming voorleggen aan de Raad van het Fonds.

De Minister deelt de genomen beslissing mee aan de vereniging. De vereniging voert de beslissing uit.

Wanneer niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden of wanneer deze worden geschonden, wordt de afwijking ingetrokken en worden de runderen onderworpen aan elke door het Agentschap noodzakelijk geachte maatregel om de I.B.R. bestrijding niet in gevaar te brengen.

Art. 46.§ 1.De Minister kan de bijlagen van dit besluit wijzigen. § 2. De Minister kan de data vastgelegd in artikel 9, § 2, wijzigen.

Art. 47.Het koninklijk besluit van 25 november 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/11/2016 pub. 14/12/2016 numac 2016024273 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis sluiten betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 28 april 2020, wordt opgeheven.

Art. 48.De minister bevoegd voor Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 6 februari 2023.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage I Erkenningsvoorwaarden voor laboratoria in het kader van de I.B.R. bestrijding Naast de voorwaarden die vereist zijn om erkend te worden overeenkomstig de bepalingen in het koninklijk besluit van 3 augustus 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/08/2012 pub. 23/08/2012 numac 2012021108 bron federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de erkenning van de laboratoria die analyses uitvoeren in verband met de veiligheid van de voedselketen sluiten betreffende de erkenning van de laboratoria die analyses uitvoeren in verband met de veiligheid van de voedselketen dienen de laboratoria die analyses uitvoeren in het kader van de I.B.R. bestrijding eveneens te voldoen aan onderstaande criteria : 1° op eigen kosten deelnemen en voldoen aan de interlaboratoriumtesten georganiseerd door het N.R.L. voor elke methode die in het laboratorium wordt uitgevoerd in het kader van de I.B.R. bestrijding, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, 3° ; 2° alleen gebruik maken van loten reagentia die voorafgaand werden gevalideerd door het N.R.L.; 3° de niet negatieve monsters en de stalen voor bevestigingsonderzoek van een niet negatief resultaat gedurende minstens dertig dagen, na verzending van het resultaat naar de I.B.R. databank, bewaren; 4° monsters verzenden naar het N.R.L. of een andere erkend laboratorium, op verzoek van het Agentschap, van de vereniging of van het N.R.L., of in toepassing van het koninklijk besluit van 17 januari 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/02/2000 pub. 18/02/2000 numac 2000022108 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen sluiten0 betreffende de bestrijding tegen rundertuberculose; 5° alle resultaten van de analyses via elektronische weg over maken aan AHLICS volgens de modaliteiten van de beheerder van deze databank. De erkende laboratoria staan vermeld op de lijst die beschikbaar is op de website van het FAVV : http ://www.favv-afsca.fgov.be/laboratoria/erkendelaboratoria/algemeenheden/lijst.asp Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage II Registratie en rapportage van de vaccinatie 1. Vaccinatieregister Alle vaccinaties, uitgevoerd in het kader van dit besluit, dienen vermeld te worden in het vaccinatieregister binnen de zeven dagen na vaccinatie. Dit vaccinatieregister moet minimaal de volgende informatie bevatten : a) het beslagnummer;b) het SANITEL-identificatienummer van elk gevaccineerd dier;c) de datum van vaccinatie van elk dier;d) de naam van het gebruikte vaccin;e) de identiteit en de handtekening van de persoon die de vaccinatie heeft uitgevoerd, ofwel de bedrijfsdierenarts, ofwel de exploitant; f) het/de nummer(s) van het/de T.V.D. Het register dient ten minste vijf jaar bewaard te worden op de inrichting en kan ten allen tijde worden opgevraagd door de vereniging. Dit vaccinatieregister kan op papier of op een geïnformatiseerde wijze gehouden worden. 2. Vaccinatierapport 1.De bedrijfsdierenarts of plaatsvervangende dierenarts die de vaccinatie uitvoerde, dient, binnen de maand die volgt op de uitgevoerde vaccinatie, minimaal de volgende gegevens over te maken aan de erkende vereniging: a) het aantal primo vaccinaties 1e enting en naam van het vaccin;b) het aantal primo vaccinaties 2e enting en naam van het vaccin;c) het aantal herhalingsvaccinaties en naam van het vaccin;d) het aantal vaccinaties in het kader van aankoop. 2. Wanneer de vaccinatie uitgevoerd werd door de veehouder worden op zijn verzoek en op basis van de gegevens die voorkomen in het vaccinatieregister aanwezig op het bedrijf, minimaal de gegevens beschreven in 2.1., overgemaakt aan de vereniging, binnen de maand die volgt op de vaccinatie - door de bedrijfsdierenarts.

In geval de vaccinatie werd uitgevoerd door de veehouder wordt bij de overdracht van de gegevens de volgende zin vermeld : ' De vaccinatie werd uitgevoerd door de veehouder '. 3. De bepaling in 1 en 2 zijn niet van toepassing op de vaccinaties waarvoor een kopie van het vaccinatieregister werd overgemaakt aan de vereniging op papier of op geïnformatiseerde wijze. Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage III Hiërarchie van de IBR-statuten De verschillende IBR-statuten worden als volgt geklasseerd van hoog naar laag statuut: 1. Het statuut `vrij' 2.Het statuut `IBR gE NEG in transitie' 3. Het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' 4.Het statuut `besmet' Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage IV Kwalificatie van de beslagen A. Definities en staalnametabel 1. Definitie Binnen het kader van dit besluit, wordt verstaan onder: 1."primo-gevaccineerd" rund : Een rund dat, volgens de aanbevelingen van de fabrikant, ofwel een enkele dosis ofwel een dubbele dosis vaccin tegen I.B.R. heeft toegediend gekregen met een interval van minimum eenentwintig en maximum vijfendertig dagen. De leeftijd van het rund op het moment van de eerste toediening moet voldoen om, volgens de aanbevelingen van de fabrikant, geen herhalingsvaccinatie te moeten toedienen binnen de zes maanden die volgen op de laatste injectie. 2."Hyper-geïmmuniseerd" rund : Een reeds primo-gevaccineerd rund dat minimum één dosis herhalingsvaccin tegen I.B.R. heeft toegediend gekregen binnen een interval van minimum één maand en maximum acht maanden die volgen op de voorgaande toediening en dat de voorgeschreven herhalingsvaccins tegen IBR krijgt toegediend. 3."Geïmmuniseerd" rund : een reeds primo-gevaccineerd of "hyper-geïmmuniseerd" rund dat minimum één dosis herhalingsvaccin tegen I.B.R. heeft toegediend gekregen binnen een interval van minimum één maand en maximum twaalf maanden die volgen op de voorgaande toediening. 2.Staalname tabel Staalnametabel voor de detectie van seropositieve dieren met een betrouwbaarheidsinterval van 95% en een prevalentie van 10%:

Aantal runderen in de doelgroep / het beslag

Aantal dieren te bemonsteren

In geval van gebruik IBR ELISA gE

In geval van gebruik IBR ELISA gB

1-14

Allen

allen

15-16

14

14

17

15

14

18

16

14

19

17

15

20

18

16

21

19

17

22

19

18

23

20

18

24-30

21

19

31

22

19

32-33

23

20

34-41

24

21

42

25

22

43

25

23

44-52

26

23

53

26

24

54-62

27

24

63

27

25

64-73

28

25

74-82

28

26

83-102

29

26

103

29

27

104-143

30

27

144-153

30

28

154-293

31

28

294-500

32

29

>500

33 per 500 dieren

30 per 500 dieren


In geval van steeksproefsgewijze bemonstering wordt de identiteit van de te bemonsteren dieren bepaald door de vereniging.

B. Modaliteiten voor het verwerven en het behoud van het statuut 'besmet' 1. Verwerven van het statuut 'besmet' a) Het statuut 'besmet' wordt toegekend aan een conventioneel beslag indien : i) alle runderen ouder dan zes maanden en ten minste vijfendertig dagen op het beslag aanwezig, zijn geprimovaccineerd; en ii) alle runderen ouder dan twaalf volledige maanden en ten minste zeven maanden op het beslag aanwezig, zijn gehyperimmuniseerd; en iii) indien aan alle bepalingen omtrent registratie en rapportage van de vaccinatie, zoals vastgelegd in bijlage II, is voldaan; en iv) een serologische balans zoals beschreven in 2.,ii) werd uitgevoerd. b) Het statuut `besmet' wordt toegekend aan een afmestbeslag indien: i) alle runderen toegevoegd aan het beslag sinds vijfendertig dagen worden geprimovaccineerd; en ii) indien aan alle bepalingen omtrent registratie en rapportage van de vaccinatie, zoals vastgelegd in bijlage II, is voldaan. c) Een vleeskalverhouderij verwerft automatisch het statuut `besmet' indien alle runderen aangevoerd op het beslag afkomstig zijn van beslagen die niet `in overtreding' zijn. 2.Behoud van het statuut 'besmet' Een conventioneel beslag behoudt het statuut 'besmet' indien : i) de voorwaarden beschreven in 1.a), i), ii), en iii), vervuld zijn; en, ii) indien op de runderen van het beslag in de laatste twaalf maanden een volledige serologische balans voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne E werd uitgevoerd op - alle runderen ouder dan twaalf maanden, uitgezonderd de runderen die reeds gekend zijn als `geïnfecteerd met het BoHV-1'; - alle runderen jonger dan twaalf maanden voor zover dat deze meer dan vijftig procent van het rundveebeslag vertegenwoordigen; en, iii) de runderen " geïnfecteerd met het BoHV-1" en aanwezig in het beslag worden afgevoerd binnen de termijnen vastgelegd in artikel 34, § 3.

C. Modaliteiten voor het verwerven en het behoud van het statuut 'IBR gE NEG met vaccinatie' 1. Verwerven van het statuut ' IBR gE NEG met vaccinatie ' a) Het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' wordt toegekend aan een conventioneel beslag tot de datum vastgelegd in artikel 9, § 2, 2., indien minimaal één van de volgende voorwaarden is vervuld: i) het beslag heeft op het moment van de aanvraag het statuut `vrij'; of ii) het beslag beantwoordt aan de voorwaarden voor het verwerven van een statuut `IBR gE NEG in transitie'. b) Het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' wordt toegekend aan een afmestbeslag of een vleeskalverhouderij vanaf het moment dat alle runderen behorend tot het beslag het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' of een hoger statuut hebben op het moment van hun aanvoeren en dat ze nooit in een beslag verbleven waar gelijktijdig runderen met een lager statuut aanwezig waren. 2. Behoud van het statuut ' IBR gE NEG met vaccinatie ' Een conventioneel beslag behoudt het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' indien de voorwaarden beschreven in D., 2., vervuld zijn.

In afwijking van het voorgaande lid, behoudt een conventioneel beslag het statuut `IBR gE NEG met vaccinatie' onder de voorwaarden beschreven in punt E., 2., i) en daarenboven op voorwaarde dat - het beslag beantwoordt aan de voorwaarde beschreven in C. 1, a), i); en dat, - alle runderen ouder dan 12 maanden en aanwezig in het beslag sinds minimaal 1 maand, zijn geïmmuniseerd.

D. Modaliteiten voor het verwerven en het behoud van het statuut 'IBR gE NEG in transitie' 1. Verwerven van het statuut 'IBR gE NEG in transitie' a) Het statuut 'IBR gE NEG in transitie' wordt toegekend aan een conventioneel beslag indien: i) Een serologische balans is uitgevoerd ten vroegste één maand na het verwijderen van de runderen `geïnfecteerd met BoHV-1' en uitgevoerd op, - alle runderen ouder dan twaalf maanden; en - alle runderen jonger dan twaalf maanden voor zover dat deze meer dan vijftig procent van het rundveebeslag vertegenwoordigen. en alle runderen betrokken bij het serologisch onderzoek worden beschouwd als ` vrij van BoHV-1'. b) Het statuut `IBR gE NEG in transitie' wordt toegekend aan een afmestbeslag of een vleeskalverhouderij vanaf het moment dat alle runderen behorend tot het beslag het statuut `IBR gE NEG in transitie' of een hoger statuut hebben op het moment van hun aanvoeren en dat ze nooit in een beslag verbleven waar gelijktijdig runderen met een lager statuut aanwezig waren.2. Behoud van het statuut 'IBR gE NEG in transitie' Een conventioneel beslag behoudt het statuut 'IBR gE NEG in transitie' indien één van de volgende bewakingsprogramma's jaarlijks wordt toegepast op de runderen van de inrichting en waarbij alle onderzochte runderen worden beschouwd als ` vrij van BoHV-1' of, naargelang het geval, alle onderzochte tankmelk wordt beschouwd als ` vrij van antistoffen tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1': i) een serologische balans uitgevoerd op individuele serumstalen en afgenomen op eenzelfde moment bij - alle runderen ouder dan twaalf maanden; en - alle runderen jonger dan twaalf maanden voor zover dat deze meer dan vijftig procent van het rundveebeslag vertegenwoordigen; of ii) minimaal zes ELISA's op tankmelk, uitgevoerd met een interval van minimum zeven en maximum negen weken. Het tankmelkmonster dient alle epidemiologische eenheden van het bedrijf te vertegenwoordigen.

Op inrichtingen die niet voldoen aan de definitie van `overwegend melkveebedrijf' dienen deze onderzoeken aangevuld te worden met een serologisch onderzoek op individuele serumstalen afgenomen op eenzelfde moment van ? alle niet melkleverende vrouwelijke runderen ouder dan 12 maanden; ? alle voor fokdoeleinden gebruikte of bestemde mannelijke runderen ouder dan 12 maanden; ? een steekproef volgens staalnametabel bedoeld in A.2., van de mannelijke niet voor fokdoeleinden bestemde runderen ouder dan 12 maanden.

E. Modaliteiten voor het verwerven en het behoud van het statuut 'vrij' 1. Verwerven van het statuut 'vrij' a) Het statuut 'vrij' wordt toegekend aan een conventioneel beslag indien: - er gedurende de afgelopen twaalf maanden geen rund `geïnfecteerd met het BoHV-1' werd gehouden op de inrichting; en - er gedurende de afgelopen 2 jaar geen runderen op de inrichting gevaccineerd werden tegen BoHV-1; en - één van de volgende bewakingsprogramma's wordt toegepast op de runderen van de inrichting en waarbij alle onderzochte runderen worden beschouwd als ` vrij van BoHV-1' of, naargelang het geval, alle onderzochte tankmelk wordt beschouwd als ` vrij van antistoffen tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1': i) twee serologische balansen uitgevoerd met een interval van minimum vier en maximum 12 maanden en uitgevoerd op : ? alle vrouwelijke runderen ouder dan twaalf maanden; ? alle voor fokdoeleinden gebruikte of bestemde mannelijke runderen ouder dan 12 maanden; ? een steekproef volgens staalnametabel bedoeld in A.2. van de mannelijke niet voor fokdoeleinden bestemde runderen ouder dan 12 maanden; ? alle runderen jonger dan twaalf maanden voor zover dat deze meer dan vijftig procent van het beslag vertegenwoordigen; ? alle runderen jonger dan 12 maanden, toegevoegd aan het beslag en die de onderzoeken bedoeld in bijlage 7, A. niet hebben ondergaan; of ii) een serologische balans uitgevoerd over een periode van ten hoogste 2 maanden; ? alle runderen jonger dan 12 maanden; ? alle vrouwelijke runderen ouder dan twaalf maanden; ? alle voor fokdoeleinden gebruikte of bestemde mannelijke runderen ouder dan 12 maanden; ? een steekproef volgens staalnametabel bedoeld in A.2. van de mannelijke niet voor fokdoeleinden bestemde runderen ouder dan 12 maanden. b) Het statuut `vrij' wordt toegekend aan een afmestbeslag of een vleeskalverhouderij vanaf het moment dat alle runderen behorend tot het beslag het statuut `vrij' hebben op het moment van hun aanvoeren en dat ze nooit in een beslag verbleven waar gelijktijdig runderen met een lager statuut aanwezig waren. 2. Behoud van het statuut 'vrij ' Een conventioneel beslag behoudt het statuut 'vrij' indien : - de voorwaarden in E., 1., a), eerste en tweede streepje vervuld blijven en - één van de volgende bewakingsprogramma's jaarlijks wordt toegepast op de runderen van de inrichting en waarbij alle onderzochte runderen worden beschouwd als `vrij van BoHV-1' of, naargelang het geval, alle onderzochte tankmelk wordt beschouwd als ` vrij van antistoffen tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1': i) Indien het beslag de afgelopen 3 jaar het statuut `vrij' heeft behouden dient jaarlijks, met een interval van maximum dertien maanden, één ELISA voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne B of E te worden uitgevoerd op een bepaald aantal stalen, steekproefsgewijs genomen volgens de staalnametabel A.2 op de volgende doelpopulaties: ? De runderen ouder dan 12 maanden; ? alle runderen jonger dan twaalf maanden indien deze meer dan vijftig procent van het beslag vertegenwoordigen; of ii) indien het beslag het statuut `vrij' heeft behouden gedurende minder dan 3 jaar, dient een serologische balans te worden opgevoerd op ? alle vrouwelijke runderen ouder dan 24 maanden; ? alle voor fokdoeleinden gebruikte of bestemde mannelijke runderen ouder dan 24 maanden; ? een steekproef volgens staalnametabel bedoeld in A.2. van de mannelijke niet voor fokdoeleinden bestemde runderen ouder dan 24 maanden; ? alle runderen jonger dan 24 maanden indien de runderen jonger dan 12 maanden meer dan vijftig procent van het beslag vertegenwoordigen; of iii) minimaal zes ELISA's op tankmelk, uitgevoerd met een interval van minimum zeven en maximum negen weken. Het tankmelkmonster dient alle epidemiologische eenheden van het bedrijf te vertegenwoordigen.

Op inrichtingen die niet voldoen aan de definitie van `overwegend melkveebedrijf' dienen deze onderzoeken aangevuld te worden met een serologisch onderzoek op individuele serumstalen afgenomen op eenzelfde moment ? van alle niet melkleverende runderen ouder dan 24 maanden indien het beslag het statuut `vrij' heeft behouden gedurende minder dan 3 jaar; ? een steekproef van de niet-melkleverende runderen boven de 24 maanden volgens staalnametabel A.2., indien het beslag de afgelopen 3 jaar het statuut `vrij' heeft behoud. 3. Modaliteiten voor het herwinnen van een statuut ' vrij' voor een conventioneel beslag Indien het bewakingsprogramma zoals bedoeld in E.2 de aanwezigheid van één of meerdere runderen geïnfecteerd met het BoHV-1 bevestigt, dient, binnen de 30 dagen, een serologische balans, zoals beschreven in E.1. a), derde streepje, ii) te worden uitgevoerd.

Indien het percentage runderen geïnfecteerd door het BoHV-1 bij deze balans niet hoger is dan 5%, kan het statuut 'vrij ' herwonnen worden indien : 1° de runderen geïnfecteerd door het BoHV-1 afgevoerd worden binnen de 30 dagen na het uitvoeren van de balans; en 2° indien minimaal één van de bemonsteringsprogramma's beschreven in E.1., a), derde streepje uitgevoerd op de runderen van de inrichting, aantoont dat alle runderen beschouwd worden als `vrij van BoHV-1', of, in voorkomend geval, dat alle tankmelk vrij is van antistoffen specifiek voor het glycoproteïne E van BoHV-1.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage V Interpretatie van de resultaten van serologische tests op bloedmonsters en tankmelkmonsters A. Interpretatie van de resultaten van serologische tests op bloedstalen 1. Rund `vrij van en niet gevaccineerd tegen BoHV-1' Wordt beschouwd als 'vrij van en niet gevaccineerd tegen BoHV -1' : a) elk rund dat een negatief resultaat vertoont in een door het referentielaboratorium gevalideerde ELISA voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne B uitgevoerd op individuele sera of op een pool van sera.Het referentielaboratorium legt in dit geval het maximum aantal sera vast waaruit de pools kunnen zijn opgebouwd; of b) elk rund als dusdanig beschouwd na een bevestigingsprocedure van een niet-negatieve ELISA voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne B van het BoHV-1 gedefinieerd door het referentielaboratorium en gevalideerd door het Agentschap. 2. Rund `vrij van BoHV-1' Wordt beschouwd als 'vrij van BoHV-1' : a) elk rund dat voldoet aan de voorwaarden van A.1.; of b) elk rund dat een negatief resultaat vertoont in een door het referentielaboratorium gevalideerde ELISA voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne E van BoHV-1 en uitgevoerd op individueel serum of op een pool van sera.Het referentielaboratorium legt in dit geval het maximum aantal sera vast waaruit de pools kunnen zijn opgebouwd; of c) elk rund als dusdanig beschouwd na een bevestigingsprocedure van een niet-negatieve ELISA voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1 gedefinieerd door het referentielaboratorium en gevalideerd door het Agentschap. 3. Rund 'geïnfecteerd met het BoHV-1' Wordt beschouwd als 'geïnfecteerd met het BoHV-1' : a) elk rund dat een positief resultaat vertoont bij een ELISA test voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1 en dat niet beantwoordt aan de voorwaarden in A.2.; of b) elk rund dat een niet negatief resultaat vertoont bij een ELISA test voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne B of het glycoproteïne E van het BoHV-1 en dat niet beantwoordt aan de voorwaarden in A.2..

B. Interpretatie van de resultaten van serologische tests op tankmelkmonsters 1. Tankmelkmonster vrij van antistoffen specifiek voor het glycoproteïne B van BoHV-1 Wordt beschouwd als een tankmelkmonster ' vrij van antistoffen voor het glycoproteïne B van BoHV-1 ': a) elk tankmelkmonster dat een negatief resultaat vertoont in een door het referentielaboratorium gevalideerde ELISA voor de detectie van totale antilichamen specifiek tegen het BoHV-1 of antilichamen gericht tegen het glycoproteïne B van het BoHV-1; of b) elk tankmelkmonster als dusdanig beschouwd na een bevestigingsprocedure van een niet-negatieve ELISA voor de detectie van totale antilichamen specifiek tegen het BoHV-1 of antilichamen gericht tegen het glycoproteïne B van het BoHV-1, gedefinieerd door het referentielaboratorium en gevalideerd door het Agentschap. 2. tankmelkmonster vrij van antistoffen specifiek voor het glycoproteïne E van BoHV-1 Wordt beschouwd als een tankmelkstaal 'vrij van antistoffen voor het glycoproteïne E van BoHV-1' : a) elk tankmelkmonster dat voldoet aan de voorwaarden van B.1.; of b) elk tankmelkmonster dat een negatief resultaat vertoont in een door het referentielaboratorium gevalideerde ELISA voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1; of c) elk tankmelkmonster dusdanig beschouwd na een bevestigingsprocedure van een niet-negatieve ELISA voor de detectie van antilichamen gericht tegen het glycoproteïne E van het BoHV-1, gedefinieerd door het referentielaboratorium en gevalideerd door het Agentschap. Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage VI Voorwaarden voorafgaand aan de weidegang en bioveiligheidmaatregelen van toepassing bij weidegang De exploitant van een conventioneel beslag kan in toepassing van artikel 33, § 2 runderen op de weide zetten, indien het beslag beantwoordt aan de voorwaarden beschreven in A. en mits het respecteren van de bioveiligheidsregels beschreven in B. A. Voorwaarden voorafgaand aan de weidegang In de loop van de 12 voorgaande maanden werd een serologische balans voor het opsporen van antistoffen tegen het glycoproteïne E en B, uitgevoerd op de runderen behorend tot het beslag, ouder dan 6 maanden en jonger dan 12 maanden en, deze balans toont aan dat - minder dan 10% van de geteste runderen zijn `geïnfecteerd met het BoHV-1'; en - het geheel van de geteste runderen vertonen antistoffen tegen het glycoproteïne B. B. Bioveiligheidmaatregelen van toepassing bij weidegang De exploitant dient de volgende bioveiligheidsmaatregelen te nemen om contact tussen zijn runderen en de runderen van andere beslagen te vermijden : 1. Nagaan of de afsluiting volledig intact is en zo nodig de nodige reparaties uitvoeren voor de runderen naar de weide worden gebracht;2. Nagaan of er bij de gemeenschappelijke delen van de omheining geen fysisch contact mogelijk is tussen zijn runderen en de runderen die grazen of zullen grazen op de aangrenzende weiden en zo nodig de nodige aanpassingen uitvoeren voor zijn dieren naar de weide worden gebracht. Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage VII Voorwaarden voor het (opnieuw) toevoegen van runder(en) aan een conventioneel beslag en een afmestbeslag A. De voorwaarden voor het (opnieuw) toevoegen van een rund of een lot runderen aan een conventioneel beslag 1. Het rund of het lot runderen moet in isolatie gehouden worden tot dat de voorwaarden bedoeld in 4.vervuld zijn; 2. voor elk rund, dient een eerste bloedstaal afgenomen te worden met het oog op een serologisch onderzoek maximum 5 dagen na het aanvoeren van de runderen op de inrichting;3. voor elk rund, dient een tweede bloedstaal afgenomen te worden met het oog op een serologisch onderzoek a.minimum 18 dagen en maximum 50 dagen na het aanvoeren van de runderen op de inrichting in geval de runderen op basis van het eerste serologisch onderzoek beschouwd worden `vrij van en niet gevaccineerd tegen BoHV-1'; b. minimum 28 dagen en maximum 50 dagen na het aanvoeren van de runderen op de inrichting in geval de runderen op basis van het eerste serologisch onderzoek beschouwd worden `vrij van BoHV-1';4. de runderen mogen de isolatie slechts verlaten en in contact gebracht worden met de andere runderen van de inrichting indien het tweede serologisch onderzoek uitwijst dat alle runderen behorend tot het lot beschouwd worden als `vrij van BoHV-1';5. indien bij het serologisch onderzoek voorzien in de punten 2 en 3, één of meerdere runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' worden vastgesteld, a) wordt het rund of de runderen beschouwd als `verdacht geïnfecteerd met het BoHV-1' en dienen alle runderen behorend tot het lot in isolatie gehouden te worden;b) dient een derde bloedstaal afgenomen te worden bij de overige runderen van het lot met het oog op een serologisch onderzoek minimum 28 dagen na het afvoeren van de runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1';c) de runderen mogen de isolatie slechts verlaten en in contact gebracht worden met de andere runderen van het beslag indien het derde serologisch onderzoek uitwijst dat alle runderen behorend tot het lot beschouwd worden als `vrij van BoHV-1'. 6. Indien bij het serologisch onderzoek voorzien in 5 b., één of meerdere runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' worden vastgesteld, wordt het volledige lot runderen beschouwd als `geïnfecteerd met het BoHV-1' en dienen zij verwijderd te worden van de inrichting.

In geval de runderen opnieuw worden aangevoerd op de inrichting is 2. niet van toepassing.

In geval van aanvoer in toepassing van artikel 30, § 3, is 3. niet van toepassing.

B. Modaliteiten voor het aanvoeren van een rund of een lot runderen op een afmestbedrijf met een statuut `besmet' Elk rund dat aangevoerd wordt op een afmestbedrijf dient geprimovaccineerd te worden binnen de 35 dagen na zijn aanvoer op de inrichting.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage VIII Modaliteiten voor deelname aan verzamelingen Deelname van runderen aan verzamelingen op verzamelplaatsen klasse 3 of 4. 1. Alleen runderen afkomstig van beslagen met een statuut 'vrij' of een statuut 'IBR gE NEG' die een statuut 'I3' hadden vóór 21 april 2021 mogen deelnemen.30 dagen voorafgaand aan de deelname mag (mogen) er geen rund(eren) aangevoerd word(en) op de inrichting waartoe het beslag, waarvan het(de) deelnemende rund(eren) afkomstig zijn, behoort. 2. De volgende voorwaarden voor deelname van runderen zijn van toepassing : a.een serologisch onderzoek dient uitgevoerd te worden op een monster genomen in de dertig dagen voorafgaand aan de verzameling; b. alleen runderen die 'vrij zijn van en niet gevaccineerd tegen BoHV-1' of 'vrij zijn van BoHV-1' mogen deelnemen aan de verzameling.3. Alleen runderen die vergezeld zijn van een individueel IBR-getuigschrift waarop het resultaat van het onderzoek beschreven in punt 2 staat vermeld, mogen deelnemen.De verantwoordelijke van de verzameling bewaart per deelnemend rund een kopie van het individueel IBR-getuigschrift gedurende één jaar.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

Bijlage IX Specifieke omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een verhoogd risico op infectie met het BoHV-1 of die het gevolg kunnen zijn van een infectie met het BoHV-1 A. De volgende omstandigheden kunnen aanleiding geven tot een verhoogd risico op infectie met het BoHV-1 op een beslag met statuut 'IBR gE NEG' of 'vrij' : 1° er werden één of meerdere runderen `geïnfecteerd met het BoHV-1' binnengebracht in het beslag; of 2° er werden één of meerdere runderen waarvan de serologische onderzoeken bedoeld in bijlage 4 een ongunstig resultaat opleverde, binnengebracht in het beslag; of 3° er werden één of meerdere runderen waarbij het serologisch onderzoek zoals bedoeld in bijlage 7 niet volledig werd uitgevoerd, binnengebracht in het beslag; of 4° het Agentschap stelt een epidemiologische link vast met een haard, zoals bepaald in artikel 5, § 3; of 5° de vereniging stelt een epidemiologische link vast met een beslag met een statuut 'besmet', 'IBR gE NEG' of 'vrij ' waarbij de aanwezigheid van minstens één rund `geïnfecteerd met het BoHV-1' werd bevestigd, zoals bepaald in artikel 25. De bepaling in 3° is niet van toepassing indien het binnengebrachte rund voldoet aan de voorwaarden met betrekking tot de traceerbaarheid, zoals beschreven in artikel 23.

B. De volgende omstandigheden kunnen het gevolg zijn van een infectie met het BoHV-1 in een beslag met een statuut 'IBR gE NEG' of 'vrij ' : 1° een rund wordt bevestigd als `geïnfecteerd met het BoHV-1' op basis van een monster afgenomen binnen de 15 dagen na zijn vertrek uit het beslag; of 2° de vereniging stelt een epidemiologische link vast met een beslag met een statuut 'besmet', 'IBR gE NEG' of 'vrij' waarbij minstens één rund werd bevestigd als `geïnfecteerd met het BoHV-1', zoals bepaald in artikel 25. Gezien om te worden gevoegd bij Ons koninklijk besluit van 6 februari 2023 betreffende de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Landbouw, D. CLARINVAL

^