Etaamb.openjustice.be
Decreet van 17 juli 2003
gepubliceerd op 01 september 2003

Decreet ter verlening van voorrang aan een personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest, en ter invoering van de preventieve schorsing van tijdelijk aangestelde personeelsleden en de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst in de onderwijsnetten van de Franse Gemeenschap en de gesubsidieerde onderwijsnetten

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2003029436
pub.
01/09/2003
prom.
17/07/2003
ELI
eli/decreet/2003/07/17/2003029436/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

17 JULI 2003. - Decreet ter verlening van voorrang aan een personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest, en ter invoering van de preventieve schorsing van tijdelijk aangestelde personeelsleden en de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst in de onderwijsnetten van de Franse Gemeenschap en de gesubsidieerde onderwijsnetten (1)


De Raad van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - PERSONEELSLEDEN VAN HET ONDERWIJS, GEORGANISEERD DOOR DE FRANSE GEMEENSCHAP Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en sociale promotie-onderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. HOOFDSTUK I. - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst

Artikel 1.In artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en sociale promotie-onderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd door de decreten van 24 juni 1996 en van 17 juli 1998, wordt littera b) weer ingevoerd in volgende bewoordingen : « b) wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ».

Art. 2.In afdeling 4 « Terbeschikkingstelling » van hetzelfde besluit waarvan artikel 164 zoals gewijzigd de eerste onderafdeling « Algemene bepaling » vormt en de artikelen 165 tot 167ter onderafdeling 2 « Terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking » vormen, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd die als volgt luidt : « Onderafdeling 3. - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs Art. 167quater . - § 1. Het vastbenoemd personeelslid kan ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs door de in functie zijnde minister ingevolge een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, geformuleerd overeenkomstig de modaliteiten, vastgelegd door de Regering. De duur van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs mag een termijn van zes maanden, in een of meerdere periodes, op de volledige loopbaan van het personeelslid niet overschrijden.

De Regering kan echter afwijken van de beperking, bedoeld in lid 1 ten einde de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, in de loop van het schooljaar uitgesproken tegen een personeelslid, tot het einde van het lopende schooljaar te verlengen.

Tijdens de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ontvangt het personeelslid een wachtwedde die gelijk is aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde. Een personeelslid kan niet ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs wanneer de feiten waarvoor deze maatregel is voorzien, het onderwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf of een procedure ter vaststelling van onverenigbaarheid of wanneer het personeelslid om deze feiten strafrechtelijk wordt vervolgd. § 2. Voorafgaand aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moet het personeelslid uitgenodigd worden om, naar het geval, door het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of door het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs te worden gehoord. De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom wordt overwogen om over te gaan tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs moeten minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ter kennis worden gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst.

Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, van inrichtingen van de Franse Gemeenschap of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het wettig opgeroepen personeelslid niet op de hoorzitting verschijnt of er niet vertegenwoordigd is.

Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 1 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.

In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de procedure geldig voortgezet.

Het personeelslid ten laste van wie een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs werd geformuleerd, kan binnen tien dagen na de kennisgeving van het voorstel, beroep aantekenen bij de raad van beroep.

De raad van beroep spreekt zich uit binnen een termijn van maximum een maand.

De raad van beroep bezorgt met betrekking tot het voorstel een met redenen omkleed advies aan de in functie zijnde minister die een beslissing neemt binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid. § 3. Wanneer het personeelslid binnen de in § 2 voorgeschreven termijn geen beroep bij de raad van beroep heeft aangetekend, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs na het verstrijken van de vermelde termijn aan de in functie zijnde minister doorgegeven. Deze laatste neemt een beslissing binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid. » HOOFDSTUK II. - Preventieve schorsing

Art. 3.In artikel 157bis , § 3, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in lid 3 worden de woorden « representatieve vakorganisatie » vervangen door « erkende vakorganisatie »;2° in lid 4 worden de woorden « niet werden gehoord » vervangen door de woorden « niet op de hoorzitting verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen »;3° tussen lid 4, zoals gewijzigd, en lid 5 dat lid 7 wordt, worden twee leden ingevoegd die als volgt luiden : « Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde zijn afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 2 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen. In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de beslissing binnen tien werkdagen na de datum waarop de hoorzitting was voorzien, bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht van het personeelslid. »

Art. 4.In hoofdstuk IXbis « Preventieve schorsing : administratieve maatregel » van hetzelfde besluit, waarvan de artikelen 157bis , zoals gewijzigd, tot quinquies afdeling 1 « Preventieve schorsing van vastbenoemd personeel » vormen, wordt een afdeling 2 « Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel » ingevoegd die als volgt luidt : « Afdeling 2 - Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel Art. 157sexies . - § 1. Als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid : 1° indien het strafrechtelijk wordt vervolgd;2° zodra de regering het, bij een ter post aangetekend schrijven, de vaststelling van onverenigbaarheid ter kennis brengt overeenkomstig de artikelen 57 tot 65. § 2. De bij onderhavige afdeling geregelde preventieve schorsing is een louter administratieve maatregel, geen straf.

De preventieve schorsing wordt uitgesproken door de Regering en met redenen omkleed. Ze is bedoeld om het personeelslid van zijn ambt uit te sluiten.

Tijdens de preventieve schorsing behoudt het personeelslid de administratieve stand van dienstactiviteit. § 3. Voor een maatregel tot preventieve schorsing wordt genomen, moet het personeelslid worden uitgenodigd om door de Regering te worden gehoord.

De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen ter rechtvaardiging van de preventieve schorsing worden ten minste drie werkdagen voor de hoorzitting ter kennis gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat drie dagen na de verzenddatum, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat op de datum, vermeld op het bewijs van ontvangst.

Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie, door een advocaat of een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van inrichtingen van de Franse Gemeenschap, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd.

De beslissing wordt binnen tien werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, aan het personeelslid meegedeeld bij een ter post aangetekend schrijven, en dit zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen.

Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 2 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.

In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de beslissing binnen tien werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, bij een ter post aangetekend schrijven aan het personeelslid meegedeeld.

Wanneer de beslissing tot de preventieve schorsing van het personeelslid leidt, gaat deze in op de derde werkdag na de verzenddatum. § 4. In afwijking van § 3, lid 1, kan het personeelslid op staande voet uit zijn ambt worden ontheven in geval van op heterdaad vastgestelde zware fout of wanneer de grieven die het worden verweten van een zodanig ernstige aard zijn dat het in het belang van het onderwijs wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.

De procedure voor preventieve schorsing moet overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel worden ingesteld binnen tien werkdagen na de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting werd genomen. Bij ontstentenis wordt de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting na de voorgeschreven termijn opgeheven en kan het personeelslid niet opnieuw wegens dezelfde zware fout of dezelfde grieven worden uitgesloten tenzij de procedure voor preventieve schorsing, zoals met name voorzien in § 3 van onderhavig artikel, wordt gevolgd.

De maatregel tot onmiddellijke uitsluiting wordt uitgesproken door de Regering.

Het personeelslid dat op staande voet werd uitgesloten behoudt de administratieve stand van dienstactiviteit. § 5. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 157nonies mag de duur van de preventieve schorsing in het kader van de vaststelling van onverenigbaarheid niet langer zijn dan zes maanden; in het kader van strafrechtelijke vervolgingen is de duur van de preventieve schorsing niet tot zes maanden beperkt.

Art. 157septies . - Ieder preventief geschorst personeelslid behoudt het recht op zijn wedde.

In afwijking van lid 1 wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid, dat : 1° in het kader van strafrechtelijke vervolgingen wordt verdacht of beklaagd;2° niet definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft laten gelden; op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld.

Deze weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde minder zou bedragen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben volgens de regeling voor maatschappelijke zekerheid van de werknemers.

Deze weddevermindering gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of op de dag na de uitspraak van de niet definitieve veroordeling.

Art. 157octies . - Op het einde van de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken, uitgezonderd wanneer : 1° artikel 168, 2°, b) , of 7° wordt toegepast;2° tegen het personeelslid een definitieve strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken. Als de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken wordt in toepassing van lid 1, ontvangt het personeelslid het aanvullende deel van zijn weddetoelage dat in het begin werd ingehouden, vermeerderd met de achterstallige intresten, berekend tegen de wettelijke rentevoet, die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering werd toegepast.

Het personeelslid behoudt de bedragen die het tijdens de preventieve schorsing heeft ontvangen.

Art. 157nonies . - De procedure voor preventieve schorsing alsook de maatregelen, genomen tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid in toepassing van onderhavige afdeling, nemen van rechtswege een einde op de dag waarop de aanstelling een einde neemt en uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar behalve voor de prioritaire tijdelijken bedoeld in artikel 46, § 1.

Als het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling de hoedanigheid van vastbenoemde verwerft, zijn de bepalingen van afdeling één van onderhavig hoofdstuk op hem van toepassing. » HOOFDSTUK III. - Voorrang, verleend aan personeelsleden die het slachtoffer van een gewelddaad waren

Art. 5.In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk IIIbis ingevoegd, dat als volgt luidt : « Hoofdstuk IIIbis . - Personeelsleden die het slachtoffer van een gewelddaad waren Afdeling 1 . - Algemene bepalingen

Art. 51bis . - Voor de toepassing van hoofdstuk IIIbis dient onder gewelddaad te worden verstaan : elke lichamelijke en/of psychologische aanslag, uitgevoerd met kwaadwillige bedoeling, elke vorm van agressie van raciale, religieuze of seksistische aard tegen een personeelslid alsook iedere vernieling van goederen van laatstgenoemde, begaan hetzij door een leerling, hetzij door een derde op instigatie of met medeplichtigheid van deze, hetzij door een familielid van de leerling of iedere andere onder hetzelfde dak wonende persoon, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband ermee, hetzij door iedere andere persoon die niet tot het personeel van de inrichting behoort voor zover door het slachtoffer wordt aangetoond dat de gewelddaad rechtstreeks verband houdt met de dienst.

Onder « personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest » dient te worden verstaan : het vastbenoemde, prioritair tijdelijk of tijdelijk aangestelde personeelslid, dat door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, wordt erkend als slachtoffer van een arbeidsongeval dat het resultaat is van de daad, bepaald in lid 1.

Artikel 51quater tot octies is niet van toepassing voor zover het slachtoffer klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.

Als de gewelddaad buiten de inrichting werd begaan, wordt het verzoek tot voorrang alleen in overweging genomen voor zover de dader van de gewelddaad werd geïdentificeerd.

Art. 51ter . - § 1. Het personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad waren, geniet van het stelsel, bepaald in afdeling 2 als het een niet gerangschikte tijdelijk betreft, in afdeling 3 als het een tijdelijke betreft gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 juli 1969 tot vastlegging van de regels volgens dewelke de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een staatsinstelling voor onderwijs, in afdeling 4 als het een tijdelijke betreft gerangschikt in de eerste groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit, in afdeling 5 als het om een prioritair tijdelijke gaat en in afdeling 6 wanneer het een vastbenoemde betreft. § 2. In geval dat het personeelslid bedoeld in § 1 door de administratieve gezondheidsdienst niet tijdelijk arbeidsongeschikt werd bevonden en behoudens behoorlijk gerechtvaardigde overmacht, dient het personeelslid bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst binnen een termijn van een maand na de dag waarop de feiten zich hebben voorgedaan, een verzoek in om van het stelsel, bepaald in afdeling 2 tot 5, te kunnen genieten bij, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs die nagaan of aan de voorwaarden van onderhavig decreet is voldaan.

Binnen diezelfde termijn stuurt het personeelslid eveneens bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst een kopie van dit verzoek aan zijn instellingshoofd.

In geval dat het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst tijdelijk arbeidsonbekwaam werd bevonden, dient het personeelslid het verzoek bedoeld in lid 1 in binnen een termijn van een maand nadat hij zijn ambt weer heeft opgenomen.

Het verzoek vermeldt aan welke zones het personeelslid de voorkeur geeft om er zijn ambt uit te oefenen. Een kopie van de klacht bedoeld in § 1 wordt bijgevoegd alsook een kopie van de erkenning van het arbeidsongeval door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. § 3. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, brengt binnen acht werkdagen na ontvangt van het verzoek bedoeld in § 2 advies uit aan de in functie zijnde minister. Een kopie van dit advies wordt aan het instellingshoofd alsook aan het betrokken personeelslid bezorgd.

De in functie zijnde minister neemt binnen acht werkdagen de beslissing dat van het stelsel kan worden genoten. Deze beslissing wordt onmiddellijk aan het instellingshoofd en aan het betrokken personeelslid meegedeeld. Afdeling 2 . - Recht op een nieuwe aanstelling van niet gerangschikte

tijdelijk aangestelden Art. 51quater . - § 1. Het niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, kan om een aanstelling in een andere instelling verzoeken overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.

Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.

De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De in functie zijnde minister stelt het niet gerangschikte personeelslid, bedoeld in onderhavig artikel, aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt waarvoor er geen gerangschikte kandidaat is of b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat vrijwillig aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Littera b) geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het niet gerangschikt personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt dat reeds door een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid wordt bekleed aan wie hij oplegt om met het slachtoffer van een gewelddaad van post te ruilen.

Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid dat slachtoffer van een gewelddaad is geweest en ten gevolge hiervan arbeidsonbekwaam is bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 5. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid slachtoffer van een gewelddaad is geweest, kan het tijdelijk aangesteld personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar hij het slachtoffer van deze daad is geweest, behoudens akkoord zijnerzijds en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar hij slachtoffer van een gewelddaad is geweest, verder uit te oefenen. § 6. In afwijking van artikel 31, 9°, kan de niet gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als prioritaire tijdelijke voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 3 . - Recht op een nieuwe aanstelling van tijdelijk

aangestelden, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969.

Art. 51quinquies . - § 1. Het tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep, bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, dat het slachtoffer van een gewelddaad was, kan om een aanstelling in een andere inrichting verzoeken overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.

Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.

De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De in functie zijnde minister stelt het tijdelijk aangestelde personeelslid, bedoeld in onderhavige afdeling, aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, toebehorend aan de inrichting van de zone(s), vermeld in de kandidaatstelling bedoeld in artikel 23 waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren wat de zone betreft of b) in de betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Littera b) geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het tijdelijk aangesteld personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het slachtoffer van een gewelddaad van post te ruilen;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid dat slachtoffer van een gewelddaad is geweest en ten gevolge hiervan arbeidsonbekwaam is bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 5. Op voorwaarde dat het tijdelijk aangesteld personeelslid door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen, kan het tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid slachtoffer van een gewelddaad is geweest, niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar het personeelslid het slachtoffer van deze daad was, behoudens akkoord zijnerzijds. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. § 6. In afwijking van artikel 18, 8° kan de gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als tijdelijk aangestelde voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen.

In afwijking van artikel 31, 9° kan de gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als prioritaire tijdelijke voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 4 . - Recht op een nieuwe aanstelling van tijdelijk

aangestelden, gerangschikt in de eerste groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969.

Art. 51sexies . - § 1. Het tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de eerste groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, dat het slachtoffer van een gewelddaad was, kan om een aanstelling in een andere inrichting verzoeken overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.

Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.

De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De in functie zijnde minister stelt het tijdelijk aangestelde personeelslid, bedoeld in onderhavige afdeling, aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, toebehorend aan de inrichting van de zone(s), vermeld in de kandidaatstelling bedoeld in artikel 23, of b) in de betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Littera b) geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het tijdelijk aangesteld personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid dat slachtoffer van een gewelddaad was en ten gevolge hiervan arbeidsonbekwaam is bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 5. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid slachtoffer van een gewelddaad was, kan het tijdelijk aangesteld personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar hij het slachtoffer van deze daad was, behoudens akkoord van zijnerzijds en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. § 6. In afwijking van artikel 18, 8° kan de tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als tijdelijk aangestelde voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen.

In afwijking van artikel 31, 9° kan de gerangschikte tijdelijk aangestelde die een geldige kandidatuur voor een aanstelling als prioritaire tijdelijke voor het volgende schooljaar heeft ingediend, de door hem gekozen inrichtingen na de termijn, meegedeeld in de oproep aan de kandidaten, wijzigen op voorwaarde dat het door een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 5 . - Recht op wijziging van gelegenheidsaffectatie van

personeelsleden, aangesteld als prioritaire tijdelijke Art. 51septies . - § 1. Het personeelslid, aangesteld als prioritaire tijdelijke, kan een verzoek tot gelegenheidsaffectatiewijziging in een andere inrichting in dezelfde zone of in een andere zone indienen overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één en tot uiterlijk het einde van het lopende schooljaar.

Het verzoek bedoeld in artikel 51ter , § 2 vermeldt in welke affectatiezone(s) het personeelslid van een gelegenheidsaffectatiewijziging wenst te genieten alsook de inrichtingen waarin het wenst te worden geaffecteerd. Het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geeft bovendien aan als het aanvaardt om in een niet vacante betrekking te worden aangesteld.

Het verzoek bedoeld in voorgaande leden kan op ieder ogenblik tijdens het jaar worden ingediend; gelijktijdig wordt een kopie van dit verzoek aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie bezorgd.

De zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, de interzonale affectatiecommissie stel(llen)t aan de Regering de gelegenheidsaffectatiewijzigingen voor die zij met inachtneming van § 2 het meest gepast acht(en). § 2. De in functie zijnde minister kent een gelegenheidsaffectatiewijziging toe aan het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1; of b) in een betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Littera b) geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het prioritair tijdelijk aangesteld personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen gelegenheidsaffectatiewijziging kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, kent de in functie zijnde minister deze gelegenheidsaffectatiewijziging toe in iedere betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Voorgaand lid geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. De in functie zijnde minister bezorgt aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging.

In het geval dat het personeelslid een gelegenheidsaffectatiewijziging bekomt in een inrichting, toebehorend aan een andere zone dan de zone van de inrichting waar het personeelslid het slachtoffer van een gewelddaad was, bezorgt de in functie zijnde minister eveneens een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie. § 5. In afwijking van artikel 33, lid 3, en van artikel 46, § 2 kan de prioritaire tijdelijke een verzoek tot gelegenheidsaffectatiewijziging indienen voor het volgende schooljaar of de door hem gekozen inrichtingen na de vastgestelde datum wijzigen op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de in functie zijnde minister toekomt. Afdeling 6 . - Recht op wijziging van gelegenheidsaffectatie van

vastbenoemde personeelsleden Art. 51octies . - § 1. Het vastbenoemd personeelslid kan een verzoek tot gelegenheidsaffectatiewijziging in een andere inrichting in dezelfde zone of in een andere zone indienen overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in afdeling één.

Het verzoek bedoeld in artikel 51ter , § 2 vermeldt in welke affectatiezone(s) het personeelslid van een gelegenheidsaffectatiewijziging wenst te genieten alsook de inrichtingen waarin het wenst te worden geaffecteerd.

Het verzoek bedoeld in voorgaande leden kan onverminderd § 2, laatste lid, op ieder ogenblik tijdens het jaar worden ingediend; gelijktijdig wordt een kopie van dit verzoek aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie bezorgd.

De zonale affectatiecommissie(s) en, in voorkomend geval, de interzonale affectatiecommissie stel(llen)t aan de Regering de gelegenheidsaffectatiewijzigingen voor die zij met inachtneming van § 2 het meest gepast acht(en). § 2. De in functie zijnde minister kent een gelegenheidsaffectatiewijziging toe aan het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt, voor een ononderbroken duur van ten minste vijftien weken of tot het einde van het lopende schooljaar, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1; of b) in een betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een tijdelijk aangesteld personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Littera b) geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het vastbenoemd personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen gelegenheidsaffectatiewijziging kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, kent de in functie zijnde minister deze gelegenheidsaffectatiewijziging toe in iedere betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1;2° bij ontstentenis, een tijdelijk aangesteld personeelslid, gerangschikt in de tweede groep bedoeld in artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 22 juli 1969, aan wie hij oplegt om van post te ruilen, daarbij rekening houdend met de voorkeuren wat de zone betreft, opgegeven in het verzoek bedoeld in § 1. Voorgaand lid geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. De in functie zijnde minister bezorgt aan de voorzitter van de betrokken zonale affectatiecommissie een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging.

In het geval dat het personeelslid een gelegenheidsaffectatiewijziging bekomt in een inrichting, toebehorend aan een andere zone dan de zone van de inrichting waar het personeelslid het slachtoffer van een gewelddaad was, bezorgt de in functie zijnde minister eveneens een kopie van de akte van gelegenheidsaffectatiewijziging aan de voorzitter van de interzonale affectatiecommissie. § 5. In afwijking van artikel 48, § 2 en § 3 kan het personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad was, na 31 januari van het lopende schooljaar tijdens hetwelk het het slachtoffer was, een verzoek tot affectatiewijziging indienen voor het volgende schooljaar of de reeds door hem gekozen inrichtingen wijzigen op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen. Dit verzoek wordt niettemin alleen in overweging genomen als het voor 15 mei bij de voorzitter van de zonale of interzonale affectatiecommissie toekomt. » TITEL II. - PERSONEELSLEDEN VAN HET OFFICIEEL GESUBSIDIEERD ONDERWIJS HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs Afdeling 1 . - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het

belang van de dienst

Art. 6.In het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, wordt hoofdstuk XI, opgeheven door het decreet van 17 juli 1998, hersteld in de volgende vorm : « Hoofdstuk XI. - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs

Art. 81.- Het vastbenoemd personeelslid kan ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs door de inrichtende macht ingevolge een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, geformuleerd overeenkomstig de modaliteiten, vastgelegd door de Regering. De duur van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs mag een termijn van zes maanden, in een of meerdere periodes, op de volledige loopbaan van het personeelslid niet overschrijden.

Van de beperking bedoeld in lid 1 kan echter worden afgeweken ten einde de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, in de loop van het schooljaar uitgesproken tegen een personeelslid, tot het einde van het lopende schooljaar te verlengen.

Het verzoek tot afwijking wordt ter goedkeuring door de inrichtende macht aan de Regering voorgelegd.

Tijdens de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ontvangt het personeelslid een wachtwedde die gelijk is aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde.

Een inrichtende macht kan een personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs wanneer de feiten waarvoor deze maatregel is voorzien, het onderwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf of een procedure ter vaststelling van onverenigbaarheid of wanneer het personeelslid om deze feiten strafrechtelijk wordt vervolgd.

Art. 82.- Voorafgaand aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moet het personeelslid uitgenodigd worden om door de inrichtende macht te worden gehoord.

De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht overweegt om het personeelslid ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moeten minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ter kennis worden gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst.

Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het wettig opgeroepen personeelslid niet op de hoorzitting verschijnt of er niet vertegenwoordigd is.

Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig voorgaande leden voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.

In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de procedure geldig voortgezet.

Art. 83.- § 1. De inrichtende macht brengt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ter kennis van het personeelslid die binnen tien dagen na de kennisgeving van dit voorstel beroep kan aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.

Het personeelslid dat beroep aantekent, stelt de inrichtende macht daarvan onmiddellijk in kennis door voorlegging van een kopie.

De raad van beroep spreekt zich uit binnen een termijn van maximum een maand na ontvangst van het beroep.

De raad van beroep bezorgt een met redenen omkleed advies aan, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs.

Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, bezorgen binnen een termijn van maximum twee weken na ontvangst van het advies van de raad van beroep een advies aan de in functie zijnde minister. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

Een kopie van het advies bedoeld in voorgaande paragrafen wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.

De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.

Ingeval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.

Ingeval het voorstel wordt toegestaan, kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. § 2. Wanneer het personeelslid binnen de in § 1 voorgeschreven termijn geen beroep bij de raad van beroep heeft aangetekend, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs na het verstrijken van de vermelde termijn, naar het geval, aan het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs doorgegeven.

Het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs tegen hetwelk geen beroep werd aangetekend, kan door de inrichtende macht op haar risico worden uitgevoerd.

Naar het geval, brengt het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs een advies uit binnen een termijn van maximum twee weken na ontvangst van het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

Een kopie van het advies bedoeld in voorgaand lid wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.

De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.

In geval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.

Ingeval het voorstel wordt toegestaan, kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. Afdeling 2 . - Preventieve schorsing

Art. 7.Aan artikel 60, § 3, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in lid 4 worden de woorden « niet werden gehoord » vervangen door de woorden « niet op de hoorzitting verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen »;2° tussen lid 4, zoals gewijzigd, en lid 5 dat lid 7 wordt, worden twee leden ingevoegd die luiden als volgt : « Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 2 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen. In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de beslissing binnen drie werkdagen na de datum waarop de hoorzitting was voorzien, bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht van het personeelslid. »

Art. 8.In hoofdstuk VIII van hetzelfde decreet, waarvan het huidige artikel 63bis dat artikel 59bis wordt, afdeling 1 « Algemene bepalingen » vormt en waarvan het huidige artikel 60, zoals gewijzigd, tot 63 afdeling 2 « Preventieve schorsing van vastbenoemde personeelsleden » vormen, wordt een afdeling 3 « Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel » ingevoegd die als volgt luidt : « Afdeling 3 - Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel Art. 63bis . - § 1. De preventieve schorsing, geregeld in onderhavige afdeling, is een louter administratieve maatregel, geen straf.

De preventieve schorsing wordt uitgesproken door de inrichtende macht en met redenen omkleed. Ze is bedoeld om het tijdelijk aangesteld personeelslid van zijn ambt uit te sluiten.

Tijdens de preventieve schorsing behoudt het personeelslid de administratieve stand van dienstactiviteit.

Art. 63ter . - § 1. Als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid of een personeelslid in de hoedanigheid van prioritaire tijdelijke : 1° indien het strafrechtelijk wordt vervolgd;2° zodra de inrichtende macht hem, bij een ter post aangetekend schrijven, de vaststelling van onverenigbaarheid ter kennis brengt overeenkomstig artikel 15 tot 17. § 2. Voor een maatregel tot preventieve schorsing wordt genomen, moet het personeelslid worden uitgenodigd om door de inrichtende macht te worden gehoord.

De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen ter rechtvaardiging van de preventieve schorsing worden ten minste drie werkdagen voor de hoorzitting ter kennis gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat drie dagen na de verzenddatum, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat op de datum, vermeld op het bewijs van ontvangst.

Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie.

De inrichtende macht deelt haar beslissing binnen drie werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, mee aan het personeelslid bij een ter post aangetekend schrijven, en dit zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen.

Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, roept de inrichtende macht het personeelslid overeenkomstig lid 2 op voor een nieuwe hoorzitting.

In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, deelt de inrichtende macht haar beslissing binnen drie werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, bij een ter post aangetekend schrijven aan het personeelslid mee.

Wanneer de beslissing tot de preventieve schorsing van het personeelslid leidt, gaat deze in op de derde werkdag na de verzenddatum. § 3. In afwijking van § 2, lid 1, kan het personeelslid op staande voet uit zijn ambt worden ontheven in geval van op heterdaad vastgestelde zware fout of wanneer de grieven die het worden verweten van een zodanig ernstige aard zijn dat het in het belang van het onderwijs wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.

De inrichtende macht is gehouden om de procedure voor preventieve schorsing binnen tien werkdagen na de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting werd genomen, in te stellen overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel. Bij ontstentenis wordt de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting na de voorgeschreven termijn opgeheven en kan het personeelslid niet opnieuw wegens dezelfde zware fout of dezelfde grieven worden uitgesloten tenzij de procedure voor preventieve schorsing, zoals met name voorzien in § 2 van onderhavig artikel, wordt gevolgd.

Het personeelslid dat op staande voet werd uitgesloten, behoudt de administratieve stand van dienstactiviteit. § 4. De duur van de preventieve schorsing mag in het kader van de vaststelling van onverenigbaarheid niet langer zijn dan zes maanden; in het kader van strafrechtelijke vervolgingen is de duur van de preventieve schorsing niet tot zes maanden beperkt.

Art. 63quater . - Ieder preventief geschorst tijdelijk aangesteld personeelslid behoudt het recht op zijn wedde.

In afwijking van lid 1 wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid, dat : 1° in het kader van strafrechtelijke vervolgingen wordt verdacht of beklaagd;2° niet definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft laten gelden; op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld.

Deze weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde minder zou bedragen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben volgens de regeling voor maatschappelijke zekerheid van de werknemers.

Deze weddevermindering gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of op de dag na de uitspraak van de niet definitieve veroordeling.

Art. 63quinquies . - § 1. Op het einde van de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken, uitgezonderd wanneer : 1° artikel 58, 1°, b) , of 4° wordt toegepast;2° tegen het personeelslid een definitieve strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken. Als de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken wordt in toepassing van lid 1, ontvangt het personeelslid het aanvullende deel van zijn weddetoelage dat in het begin werd ingehouden, vermeerderd met de achterstallige intresten, berekend tegen de wettelijke rentevoet, die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering werd toegepast.

Het personeelslid behoudt de bedragen die het tijdens de preventieve schorsing heeft ontvangen.

Art. 63sexies . - De preventieve schorsing wordt ter kennis gebracht van de Regering opdat de onmiddellijke uitvoering ervan zou verzekerd zijn.

Art. 63septies . - De procedure voor preventieve schorsing alsook de maatregelen, genomen tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid in toepassing van de bepalingen van onderhavige afdeling, nemen van rechtswege een einde op de dag waarop de aanstelling een einde neemt en uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar.

Als het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling de hoedanigheid van vastbenoemde verwerft, zijn de bepalingen van afdeling twee van onderhavig hoofdstuk op hem van toepassing. » Afdeling 3 . - Voorrang, verleend aan personeelsleden die het

slachtoffer van een gewelddaad waren

Art. 9.In artikel 28, 1°, lid 3, van hetzelfde besluit wordt na het tweede streepje een streepje ingevoegd, dat als volgt luidt : « - indien de betrekking wordt toegewezen aan een personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad was, wordt de prioritaire affectatie verlengd in toepassing van artikel 36quinquies , § 4, lid 2. » Art.10. In hoofdstuk III « Aanwerving » van hetzelfde decreet wordt een afdeling 5 « Personeelsleden, die het slachtoffer van een gewelddaad waren » ingevoegd die als volgt luidt : Afdeling 5 . - « Personeelsleden, die het slachtoffer van een

gewelddaad waren » Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 36bis . - § 1. Voor de toepassing van afdeling 5 dient onder gewelddaad te worden verstaan : elke lichamelijke en/of psychologische aanslag, uitgevoerd met kwaadwillige bedoeling, elke vorm van agressie van raciale, religieuze of seksistische aard tegen een personeelslid alsook iedere vernieling van goederen van laatstgenoemde, begaan hetzij door een leerling, hetzij door een derde op instigatie of met medeplichtigheid van deze, hetzij door een familielid van de leerling of iedere andere onder hetzelfde dak wonende persoon, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband ermee, hetzij door iedere andere persoon die niet tot het personeel van de inrichting behoort voor zover door het slachtoffer wordt aangetoond dat de gewelddaad rechtstreeks verband houdt met de dienst.

Onder « personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest » dient te worden verstaan : het vastbenoemde, prioritair tijdelijk of tijdelijk aangestelde personeelslid, dat door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, wordt erkend als slachtoffer van een arbeidsongeval dat het resultaat is van de daad, bepaald in lid 1.

De voorrang bedoeld in § 2 wordt alleen aan het personeelslid toegekend voor zover het klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.

Als de gewelddaad buiten de inrichting werd begaan, wordt het verzoek tot voorrang alleen in overweging genomen voor zover de dader van de gewelddaad werd geïdentificeerd. § 2. Het personeelslid bedoeld in § 1 geniet van een voorrang, bepaald overeenkomstig onderafdeling 2 voor wat betreft het niet-prioritair tijdelijk personeelslid, overeenkomstig onderafdeling 3 voor wat betreft het prioritair tijdelijk personeelslid en overeenkomstig onderafdeling 4 voor het vastbenoemd personeelslid.

Als het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst niet tijdelijk arbeidsongeschikt werd bevonden en behoudens behoorlijk gerechtvaardigde overmacht, dient het bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst binnen een termijn van een maand na de dag waarop de feiten zich hebben voorgedaan, een verzoek voor voorrang in bij, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs. Binnen diezelfde termijn stuurt hij eveneens bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst een kopie van dit verzoek aan de inrichtende macht. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, gaan na dat de toepassingsvoorwaarden van onderhavig decreet zijn nageleefd, zich daarbij steunend op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

In het geval dat het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst tijdelijk arbeidsongeschikt werd bevonden, dient het bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst binnen een termijn van een maand nadat het zijn ambt weer heeft opgenomen, het verzoek bedoeld in voorgaand lid in bij, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs. Binnen diezelfde termijn stuurt hij eveneens bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst een kopie van dit verzoek aan de inrichtende macht. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, gaan na dat de toepassingsvoorwaarden van onderhavig decreet zijn nageleefd, zich daarbij steunend op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

Een kopie van de klacht bedoeld in § 1 wordt bij het verzoek bijgevoegd alsook een kopie van de erkenning van het arbeidsongeval door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. § 3. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, brengt binnen acht werkdagen na ontvangt van het verzoek bedoeld in § 2 advies uit aan de in functie zijnde minister. Een kopie van dit advies wordt aan de inrichtende macht alsook aan het betrokken personeelslid bezorgd.

De in functie zijnde minister neemt binnen acht werkdagen de beslissing dat van het stelsel kan worden genoten. Deze beslissing wordt onmiddellijk aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid meegedeeld.

Onderafdeling 2. - Recht op een nieuwe aanstelling van niet-prioritaire tijdelijke personeelsleden Art. 36ter . - § 1. Het niet-prioritaire tijdelijke personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, kan onder de voorwaarden bedoeld in onderafdeling één, om een aanstelling in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht verzoeken.

Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.

De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De inrichtende macht stelt het personeelslid bedoeld in § 1 aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt die niet door een ander personeelslid wordt bekleed met inachtneming van de statutaire bepalingen of b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een personeelslid dat bereid is om met het personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, van post te ruilen. Littera b) van onderhavige paragraaf geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het niet gerangschikt personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het slachtoffer van een gewelddaad van post te ruilen.

Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Als het personeelslid niet in een andere betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld overeenkomstig § 2 en § 3 en het door een andere inrichtende macht in een betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld, worden de diensten die hij voor deze nieuwe inrichtende macht presteert, in aanmerking genomen bij de berekening van de dienstanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht, ten belope van het aantal dagen die in het kader van de oorspronkelijke aanstelling nog dienden te worden gepresteerd. § 5. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid bedoeld in onderhavig artikel dat ten gevolge van de gewelddaad arbeidsonbekwaam werd bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 6. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid in de omstandigheden verkeerde om van de voorrang bedoeld in onderhavig artikel te genieten, kan het tijdelijk aangesteld personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar hij het slachtoffer van de gewelddaad was, behoudens wanneer hij daar om verzoekt en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen.

Onderafdeling 3. - Recht op een nieuwe aanstelling van prioritaire tijdelijke personeelsleden Art. 36quater . - § 1. Het prioritaire tijdelijke personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, kan onder de voorwaarden bedoeld in onderafdeling één, om een aanstelling in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht verzoeken.

Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken.

De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 2. De inrichtende macht stelt het personeelslid bedoeld in § 1 aan a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt die niet door een ander personeelslid wordt bekleed met inachtneming van de statutaire bepalingen of b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een personeelslid dat bereid is om met het personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, van post te ruilen. Littera b) van onderhavige paragraaf geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het prioritaire tijdelijke personeelslid bedoeld in onderhavige onderafdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de inrichtende macht het aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet-prioritair tijdelijk personeelslid aan wie zij oplegt om van post te ruilen;2° bij ontstentenis, een prioritair tijdelijk personeelslid, in de omgekeerde volgorde van rangschikking, aan wie zij oplegt om van post te ruilen. Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4 Als het personeelslid niet in een andere betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld overeenkomstig § 2 en § 3 en het door een andere inrichtende macht in een betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld, worden de diensten die hij voor deze nieuwe inrichtende macht presteert, in aanmerking genomen bij de berekening van de dienstanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht, ten belope van het aantal dagen die in het kader van de oorspronkelijke aanstelling nog dienden te worden gepresteerd. § 5. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid bedoeld in onderhavig artikel dat ten gevolge van de gewelddaad arbeidsonbekwaam werd bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling. § 6. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid in de omstandigheden verkeerde om van de voorrang bedoeld in onderhavig artikel te genieten, kan het prioritair tijdelijk personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar het het slachtoffer van de gewelddaad was, behoudens wanneer het daar om verzoekt en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen.

Onderafdeling 4. - Gelegenheidsaffectatiewijziging, mutatie en aanstelling in een andere inrichtende macht van vastbenoemde personeelsleden Art. 36quinquies . - § 1. Het vastbenoemde personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, kan onder de voorwaarden bedoeld in onderafdeling één om een gelegenheidsaffectatiewijziging in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht verzoeken. § 2. De inrichtende macht kent een gelegenheidsaffectatiewijziging toe aan het personeelslid bedoeld in § 1 a) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, die niet door een ander personeelslid wordt bekleed; of b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen. Littera b) van onderhavige paragraaf geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 3. Als aan het vastbenoemde personeelslid bedoeld in onderhavige onderafdeling geen gelegenheidsaffectatiewijziging kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, kent de inrichtende macht deze gelegenheidsaffectatiewijziging toe in iedere betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door 1° een niet-prioritair tijdelijk personeelslid aan wie zij oplegt om van post te ruilen;2° bij ontstentenis, een prioritair tijdelijk personeelslid, in de omgekeerde volgorde van de rangschikking, aan wie zij oplegt om van post te ruilen. Voorgaand lid geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden. § 4. Het personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, kan (een) andere inrichtende macht(en) verzoeken om in een definitief vacante betrekking van hetzelfde ambt te worden gemuteerd in toepassing van artikel 29, § 1.

Het personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, kan (een) andere inrichtende macht(en) verzoeken om in een betrekking van hetzelfde ambt te worden gemuteerd. Als het door deze inrichtende macht wordt aangesteld, krijgt het in dit geval verlof om tijdelijk een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs overeenkomstig artikel 14, § 1, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen in toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar, technisch, artistiek en normaalonderwijs van de Staat, van de internaten die afhangen van deze inrichtingen en van de leden van het personeel van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen.

De verlenging van deze prioritaire affectatie geschiedt op dezelfde manier totdat het personeelslid voldoet aan de voorwaarden voor een aanstelling in vast verband. Als, op dat moment, het personeelslid zich niet kandidaat stelt voor een aanwerving in vast verband, is de inrichtende macht ontheven van de verplichting om te verlengen. § 5. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid slachtoffer van een gewelddaad was, kent de inrichtende macht aan het personeelslid een affectatiewijziging toe die voorrang heeft op alle andere affectatiewijzigingen, op iedere aanstelling en op iedere vaste benoeming van een ander personeelslid, in iedere vacante betrekking van hetzelfde ambt op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het slachtoffer van een gewelddaad was, verder uit te oefenen.

Art. 11.In artikel 95 van hetzelfde decreet wordt een punt 6° ingevoegd dat als volgt luidt : « 6° na te gaan dat de artikelen 36ter , § 2 en § 3, 36quater , § 2 en § 3 en 36quinquies , § 2 en § b 3 door de inrichtende macht worden nageleefd ». HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en bijzonder secundair onderwijs, het secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan en het artistiek onderwijs

Art. 12.In artikel 16 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en bijzonder secundair onderwijs, het secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan en het artistiek onderwijs, gewijzigd door... en waarvan de huidige tekst lid 1 wordt, wordt een lid 2, lid 3 en lid 4 toegevoegd, die als volgt luiden : « Moeten niet aan de in hoofdstuk VI bedoelde reaffectatiecommissies aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden met toepassing van de voorrang die hen is verleend door artikel 36quinquies van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs.

De reaffectaties en wedertewerkstellingen verricht door de zonale en centrale en regionale reaffectatiecommissies, uitgezonderd hun verlenging, kunnen een personeelslid de betrekking niet ontnemen welke is bekomen met toepassing van artikel 36quinquies van voornoemd decreet van 6 juni 1994.

Overeenkomstig artikel 28 van voornoemd decreet van 6 juni 194 heeft de verlenging van prioritaire affectatie bedoeld in artikel 36quinquies van hetzelfde decreet voorrang op de verlenging van de reaffectatie of van de wedertewerkstelling bedoeld in voorgaand lid. » HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en bijzonder kleuter- en lager onderwijs

Art. 13.Artikel 15 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en bijzonder kleuter- en lager onderwijs, gewijzigd door... wordt aangevuld met een paragraaf die als volgt luidt : « Moeten niet aan de in hoofdstuk VI bedoelde reaffectatiecommissies aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden met toepassing van de voorrang die hen is verleend door artikel 36quinquies van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs.

De reaffectaties en wedertewerkstellingen verricht door de zonale en centrale en regionale reaffectatiecommissies, uitgezonderd hun verlenging, kunnen een personeelslid de betrekking niet ontnemen welke is bekomen met toepassing van artikel 36quinquies van voornoemd decreet van 6 juni 1994.

Overeenkomstig artikel 28 van voornoemd decreet van 6 juni 194 heeft de verlenging van prioritaire affectatie bedoeld in artikel 36quinquies van hetzelfde decreet voorrang op de verlenging van de reaffectatie of van de wedertewerkstelling bedoeld in voorgaand lid. » HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen aan het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 12 september 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd onderwijs voor sociale promotie

Art. 14.Artikel 15 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 12 september 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd onderwijs voor sociale promotie, gewijzigd door... en waarvan de huidige tekst lid 1 wordt, wordt een lid 2, lid 3 en lid 4 toegevoegd, die als volgt luiden : « Moeten niet aan de in hoofdstuk VI bedoelde reaffectatiecommissies aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden met toepassing van de voorrang die hen is verleend door artikel 36quinquies van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs.

De reaffectaties en wedertewerkstellingen verricht door de zonale en centrale en regionale reaffectatiecommissies, uitgezonderd hun verlenging, kunnen een personeelslid de betrekking niet ontnemen welke is bekomen met toepassing van artikel 36quinquies van voornoemd decreet van 6 juni 1994.

Overeenkomstig artikel 28 van voornoemd decreet van 6 juni 194 heeft de verlenging van prioritaire affectatie bedoeld in artikel 36quinquies van hetzelfde decreet voorrang op de verlenging van de reaffectatie of van de wedertewerkstelling bedoeld in voorgaand lid. » TITEL III. - PERSONEELSLEDEN VAN HET GESUBSIDIEERD VRIJ ONDERWIJS HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan het decreet van 1 februari 1993 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs Afdeling 1. - Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het

belang van de dienst en in het belang van het onderwijs

Art. 15.In artikel 69 van het decreet van 1 februari 1993 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, gewijzigd door het decreet van 17 juli 1998, worden voor de woorden « Een personeelslid kan door de inrichtende macht wegens ambtsontheffing ter beschikking worden gesteld » volgende woorden ingevoegd : « Met uitzondering van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs die het onderwerp uitmaakt van artikel 70,. »

Art. 16.Artikel 70 van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 17 juli 1998, wordt hersteld in de volgende vorm :

Art. 70.- § 1. Het vastbenoemd personeelslid kan ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs door de inrichtende macht ingevolge een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, geformuleerd overeenkomstig de modaliteiten, vastgelegd door de Regering. De duur van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs mag een termijn van zes maanden, in een of meerdere periodes, op de volledige loopbaan van het personeelslid niet overschrijden.

Van de beperking bedoeld in lid 1 kan echter worden afgeweken ten einde de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, in de loop van het schooljaar uitgesproken tegen een personeelslid, tot het einde van het lopende schooljaar te verlengen. Het verzoek tot afwijking wordt ter goedkeuring door de inrichtende macht aan de Regering voorgelegd.

Tijdens de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ontvangt het personeelslid een wachtwedde die gelijk is aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde.

Een inrichtende macht kan een personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs wanneer de feiten waarvoor deze maatregel is voorzien, het onderwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf of een procedure ter vaststelling van onverenigbaarheid of wanneer het personeelslid om deze feiten strafrechtelijk wordt vervolgd. § 2. Voorafgaand aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moet het personeelslid uitgenodigd worden om door de inrichtende macht te worden gehoord. De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht overweegt om het personeelslid ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moeten minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ter kennis worden gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst. Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het wettig opgeroepen personeelslid niet op de hoorzitting verschijnt of er niet vertegenwoordigd is.

Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 1 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.

In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de procedure geldig voortgezet. § 3. De inrichtende macht brengt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ter kennis van het personeelslid die binnen tien dagen na de kennisgeving van dit voorstel beroep kan aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.

Het personeelslid dat beroep aantekent, stelt de inrichtende macht daarvan onmiddellijk in kennis door voorlegging van een kopie.

De raad van beroep spreekt zich uit binnen een termijn van maximum een maand na ontvangst van het beroep.

De raad van beroep bezorgt een met redenen omkleed advies aan, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs.

Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, bezorgen binnen een termijn van maximum twee weken na ontvangst van het advies van de raad van beroep een advies aan de in functie zijnde minister. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

Een kopie van het advies, bedoeld in voorgaande paragraaf, wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.

De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.

Ingeval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.

Ingeval het voorstel wordt toegestaan, kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. § 4. Wanneer het personeelslid binnen de in § 1 voorgeschreven termijn geen beroep bij de raad van beroep heeft aangetekend, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs na het verstrijken van de vermelde termijn, naar het geval, aan het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs doorgegeven.

Het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs tegen hetwelk geen beroep werd aangetekend, kan door de inrichtende macht op haar risico worden uitgevoerd.

Naar het geval, brengt het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs een advies uit binnen een termijn van maximum twee weken na ontvangst van het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

Een kopie van het advies bedoeld in voorgaand lid wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.

De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum twee weken. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.

Ingeval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.

Ingeval het voorstel wordt toegestaan, kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. Afdeling 2 . - Preventieve schorsing

Art. 17.Aan artikel 87, § 3, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in lid 4 worden de woorden « niet werden gehoord » vervangen door de woorden « niet op de hoorzitting verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen »;2° tussen lid 4, zoals gewijzigd, en lid 5 dat lid 7 wordt, worden twee leden ingevoegd die luiden als volgt : « Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 2 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen. In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de beslissing binnen drie werkdagen na de datum waarop de hoorzitting was voorzien, bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht van het personeelslid. »

Art. 18.In hoofdstuk X van hetzelfde decreet, vervangen door het decreet van 6 april 1998 en waarvan het huidige artikel 87, zoals gewijzigd, tot 90 afdeling 1 « Preventieve schorsing van vastbenoemde personeelsleden » vormen, wordt een afdeling 2 « Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel » ingevoegd die als volgt luidt : « Afdeling 2. - Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel Art. 90bis . - § 1. De bij onderhavige afdeling geregelde preventieve schorsing is een louter administratieve maatregel, geen straf.

De preventieve schorsing wordt uitgesproken door de inrichtende macht en met redenen omkleed. Ze is bedoeld om het personeelslid van zijn ambt uit te sluiten.

Tijdens de preventieve schorsing behoudt het personeelslid de administratieve stand van dienstactiviteit. § 2. Wanneer het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid of een personeelslid in de hoedanigheid van prioritaire tijdelijke : 1° indien het strafrechtelijk wordt vervolgd;2° zodra de inrichtende macht het, bij een ter post aangetekend schrijven, de vaststelling van onverenigbaarheid ter kennis brengt overeenkomstig de artikelen 22 tot 26. § 3. Voor een maatregel tot preventieve schorsing wordt genomen, moet het personeelslid worden uitgenodigd om door de inrichtende macht te worden gehoord.

De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen ter rechtvaardiging van de preventieve schorsing worden ten minste drie werkdagen voor de hoorzitting ter kennis gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat drie dagen na de verzenddatum, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat op de datum, vermeld op het bewijs van ontvangst.

Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie.

De inrichtende macht deelt haar beslissing binnen drie werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, mee aan het personeelslid bij een ter post aangetekend schrijven, en dit zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen.

Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, roept de inrichtende macht het personeelslid overeenkomstig lid 2 op voor een nieuwe hoorzitting.

In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, deelt de inrichtende macht haar beslissing binnen drie werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, bij een ter post aangetekend schrijven aan het personeelslid mee.

Wanneer de beslissing tot de preventieve schorsing van het personeelslid leidt, gaat deze in op de derde werkdag na de verzenddatum. § 4. In afwijking van § 2, lid 1, kan het personeelslid op staande voet uit zijn ambt worden ontheven in geval van op heterdaad vastgestelde zware fout of wanneer de grieven die het worden verweten van een zodanig ernstige aard zijn dat het in het belang van het onderwijs wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.

De maatregel tot uitsluiting dient te worden genomen binnen drie werkdagen na de dag waarop de bovenvermelde zware fout of grieven worden vastgesteld.

De inrichtende macht is gehouden om de procedure voor preventieve schorsing binnen tien werkdagen na de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting werd genomen, in te stellen overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel. Bij ontstentenis wordt de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting na de voorgeschreven termijn opgeheven en kan het personeelslid niet opnieuw wegens dezelfde zware fout of dezelfde grieven worden uitgesloten tenzij de procedure voor preventieve schorsing, zoals met name voorzien in § 3 van onderhavig artikel, wordt gevolgd.

Het personeelslid dat op staande voet werd uitgesloten, behoudt de administratieve stand van dienstactiviteit.

Art. 90ter . - Ieder preventief geschorst tijdelijk aangesteld personeelslid behoudt het recht op zijn wedde.

In afwijking van lid 1, wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid, dat : 1° in het kader van strafrechtelijke vervolgingen wordt verdacht of beklaagd;2° niet definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft laten gelden; op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld.

Deze weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde minder zou bedragen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben volgens de regeling voor maatschappelijke zekerheid van de werknemers.

Deze weddevermindering gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of op de dag na de uitspraak van de niet definitieve veroordeling.

Art. 90quater . - § 1. Op het einde van de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken, uitgezonderd wanneer : 1° artikel 71quater , 8°, b) , of 11° wordt toegepast;2° tegen het personeelslid een definitieve strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken. Als de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken wordt in toepassing van lid 1, ontvangt het personeelslid het aanvullende deel van zijn weddetoelage dat in het begin werd ingehouden, vermeerderd met de achterstallige intresten, berekend tegen de wettelijke rentevoet, die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering werd toegepast.

Het personeelslid behoudt de bedragen die het tijdens de preventieve schorsing heeft ontvangen.

Art. 90quinquies . - De preventieve schorsing wordt ter kennis gebracht van de Regering opdat de onmiddellijke uitvoering ervan zou verzekerd zijn.

Art. 90sexies . - De procedure voor preventieve schorsing alsook de maatregelen, genomen tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid in toepassing van de bepalingen van onderhavige afdeling, nemen van rechtswege een einde op de dag waarop de aanstelling een einde neemt en uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar.

Als het personeelslid, bedoeld in onderhavige afdeling, de hoedanigheid van vastbenoemde verwerft, zijn de bepalingen van afdeling één van onderhavig hoofdstuk op hem van toepassing. » Afdeling 3. - Voorrang, verleend aan personeelsleden die het

slachtoffer van een gewelddaad waren

Art. 19.In artikel 29quater van hetzelfde besluit worden bij het decreet van 19 december 2002 volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 1°bis wordt ingevoegd dat als volgt luidt : « - 1°bis .Als de betrekking definitief vacant is en nog niet is toegewezen aan een personeelslid met in totaal meer dan 720 dagen dienstanciënniteit bij de inrichtende macht of nog niet is toegewezen aan een personeelslid met in totaal 2 160 dagen dienstanciënniteit bij de inrichtende macht, wijst zij deze tijdelijk toe aan een personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 34quinquies en dat in vast verband is aangeworven in ditzelfde ambt, in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs van hetzelfde karakter.

In geval de betrekking reeds is toegewezen aan een personeelslid, is de verplichting, bedoeld in voorgaand lid, beperkt tot 15 mei van het lopende schooljaar.

Het personeelslid moet hierom hebben gevraagd overeenkomstig de procedure, voorzien door artikel 34quinquies . Het krijgt in dit geval verlof om tijdelijk een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs overeenkomstig artikel 14, § 1, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen in toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar, bijzonder, technisch, artistiek en normaalonderwijs van de Staat, van de internaten die afhangen van deze inrichtingen en van de leden van het personeel van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen.

De verlenging van deze prioritaire affectatie geschiedt op dezelfde manier totdat het personeelslid voldoet aan de voorwaarden voor een aanstelling in vast verband. Als, op dat moment, het personeelslid zich niet kandidaat stelt voor een aanwerving in vast verband, is de inrichtende macht ontheven van de verplichting om te verlengen; » 2° punt 1°ter wordt ingevoegd dat als volgt luidt : « - 1°ter .Als de betrekking tijdelijk vacant is voor een ononderbroken periode van minstens vijftien weken, wijst zij deze tijdelijk toe aan een personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 34quinquies en dat in vast verband is aangeworven in ditzelfde ambt, in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel van het gesubsidieerd vrij onderwijs van hetzelfde karakter.

Zodra een betrekking definitief vacant wordt en niet kan worden toegewezen aan een personeelslid met in totaal 2 160 dagen dienstanciënniteit bij de inrichtende macht, wijst ze deze toe aan een personeelslid, bedoeld in voorgaand lid.

Deze verplichting is beperkt tot 15 mei van het lopende schooljaar.

Het personeelslid moet hierom hebben gevraagd overeenkomstig de procedure, voorzien door artikel 34quinquies . Het krijgt in dit geval verlof om tijdelijk een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs overeenkomstig artikel 14, § 1, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen in toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar, bijzonder, technisch, artistiek en normaalonderwijs van de Staat, van de internaten die afhangen van deze inrichtingen en van de leden van het personeel van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen.

Als de betrekking definitief vacant is, geschiedt de verlenging van deze prioritaire affectatie op dezelfde manier totdat het personeelslid voldoet aan de voorwaarden voor een aanstelling in vast verband. Als, op dat moment, het personeelslid zich niet kandidaat stelt voor een aanwerving in vast verband, is de inrichtende macht ontheven van de verplichting om te verlengen. »; 3° in punt 12° wordt tussen lid 1 en lid 2 volgend lid ingevoegd : « In afwijking van voorgaand lid wijst de inrichtende macht de betrekking toe aan een tijdelijk aangesteld personeelslid uit voormelde groep 2, dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 34quinquies en dat een verzoek heeft ingediend om van inrichting te veranderen overeenkomstig de voorwaarden, voorzien in onderhavig artikel.Dit personeelslid is niet onderworpen aan de verplichting om zich kandidaat te stellen zoals bedoeld in artikel 1. »; 4° in punt 12°, in de voormalige leden 2 en 3 die lid 3 en 4 zijn geworden, worden de woorden « deze bepaling » vervangen door de woorden « de bepaling bedoeld in lid 1 »;5° in punt 14° wordt tussen de voormalige leden 6 en 7, die lid 7 en 8 zijn geworden, volgend lid ingevoegd : « In afwijking van voorgaand lid wijst de inrichtende macht de betrekking toe aan een tijdelijk aangesteld personeelslid uit deze groep dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 34quinquies , dat een verzoek heeft ingediend om van inrichting te veranderen overeenkomstig de voorwaarden, voorzien in onderhavig artikel.Dit personeelslid is niet onderworpen aan de verplichting om zich kandidaat te stellen zoals bedoeld in lid 3. »; 6° punt 15° wordt aangevuld met volgend lid : « In afwijking van voorgaand lid wijst de inrichtende macht de betrekking toe aan een tijdelijk aangesteld personeelslid uit deze groep dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 34quinquies , dat een verzoek heeft ingediend om van inrichting te veranderen overeenkomstig de voorwaarden, voorzien in onderhavig artikel.Dit personeelslid is niet onderworpen aan de verplichting om zich kandidaat te stellen zoals bedoeld in punt 14°, lid 3. »;

Art. 20.Artikel 34quater , § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2002, wordt aangevuld met volgend lid : « De zonale affectatiecommissie ziet er eveneens op toe dat de inrichtende machten artikel 34quinquies naleven wanneer zij kandidaten toewijzen die de voorrang genieten welke is toegekend door artikel 29quater , 1°bis en 1°ter . »

Art. 21.In afdeling 2 « Tijdelijke aanwerving en tijdelijk aangesteld personeel » wordt artikel 34quinquies ingevoegd dat als volgt luidt : Art. 34quinquies . - § 1. Voor de toepassing van onderhavig decreet dient onder « gewelddaad » te worden verstaan : elke lichamelijke en/of psychologische aanslag, uitgevoerd met kwaadwillige bedoeling, elke vorm van agressie van raciale, religieuze of seksistische aard tegen een personeelslid alsook iedere vernieling van goederen van laatstgenoemde, begaan hetzij door een leerling, hetzij door een derde op instigatie of met medeplichtigheid van deze, hetzij door een familielid van de leerling of iedere andere onder hetzelfde dak wonende persoon, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband ermee, hetzij door iedere andere persoon die niet tot het personeel van de inrichting behoort voor zover door het slachtoffer wordt aangetoond dat de gewelddaad rechtstreeks verband houdt met de dienst.

De in § 3 bedoelde voorrang wordt alleen aan het personeelslid verleend voor zover het klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.

Als de gewelddaad buiten de inrichting werd begaan, wordt het verzoek tot voorrang alleen in overweging genomen voor zover de dader van de gewelddaad werd geïdentificeerd.

Onder « personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest » dient te worden verstaan : het vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelslid, dat door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, wordt erkend als slachtoffer van een arbeidsongeval dat het resultaat is van de daad, bepaald in § 1. § 3. Het personeelslid dat voldoet aan de in voorgaande paragrafen bedoelde voorwaarden, geniet voorrang voor de toekenning van een betrekking in tijdelijk verband overeenkomstig, naar het geval, artikel 29quater , 1°bis ; 1°ter ; 12°; 14° of 15° Het verzoek om een nieuwe aanstelling in tijdelijk verband met toepassing van artikel 29quater , 12°, 14° en 15° wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling in tijdelijk verband geen einde neemt voor een termijn van een maand na het indienen van het verzoek is verstreken. § 4. Als het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst niet tijdelijk arbeidsongeschikt werd bevonden en behoudens behoorlijk gerechtvaardigde overmacht, dient het personeelslid bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst binnen een termijn van een maand na de dag waarop de feiten zich hebben voorgedaan, een verzoek tot voorrang in bij, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs. Binnen diezelfde termijn stuurt het personeelslid eveneens bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst een kopie van dit verzoek aan de inrichtende macht. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, gaan na dat de toepassingsvoorwaarden van onderhavig decreet zijn nageleefd, zich daarbij steunend op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

In het geval dat het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst tijdelijk arbeidsonbekwaam werd bevonden, dient het binnen een termijn van een maand nadat het zijn ambt weer heeft opgenomen bij, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs het verzoek bedoeld in voorgaand lid in. Binnen diezelfde termijn stuurt het personeelslid eveneens bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst een kopie van dit verzoek aan de inrichtende macht. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, gaan na dat de toepassingsvoorwaarden van onderhavig decreet zijn nageleefd, zich daarbij steunend op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.

Een kopie van de in § 1 bedoelde klacht wordt bij het verzoek gevoegd alsook een kopie van de erkenning van het arbeidsongeval door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.

Het in voorgaande paragraaf bedoelde verzoek vermeldt wanneer het personeelslid zich eveneens kandidaat heeft gesteld voor een betrekking binnen de entiteit of de SSO voor wat betreft de tijdelijk aangestelde personeelsleden; de entiteit, de SSO of de affectatiezone voor wat betreft de vastbenoemde personeelsleden. Voor wat de personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie en van het secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan betreft, vermeldt het verzoek wanneer het personeelslid zich eveneens kandidaat heeft gesteld voor een betrekking bij een totaal andere inrichtende macht van het vrij onderwijsnet van hetzelfde karakter.

In het in voorgaand lid bedoelde geval bezorgt de inrichtende macht een kopie van het verzoek aan, naar het geval, de voorzitter(s) van het OE, van de betrokken OSSO of aan de betrokken voorzitter(s) van de zonale affectatiecommissie(s). § 5. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, brengt binnen acht werkdagen na ontvangt van het verzoek, bedoeld in § 4, advies uit aan de in functie zijnde minister. Een kopie van dit advies wordt aan de inrichtende macht alsook aan het betrokken personeelslid bezorgd.

De in functie zijnde minister of zijn afgevaardigde neemt binnen acht werkdagen de beslissing tot het verlenen van voorrang. Deze beslissing wordt onmiddellijk aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid meegedeeld. § 6. De inrichtende macht kan het personeelslid dat voldoet aan de door onderhavig artikel gestelde voorwaarden, tijdelijk aanstellen in iedere betrekking die definitief vacant is, die voor een ononderbroken periode van vijftien weken vacant is of tot het einde van het lopende schooljaar vacant is en die door een personeelslid wordt bekleed dat bereid is met het betrokken personeelslid van post te ruilen.

Het tijdelijk aangesteld personeelslid geniet, onverminderd artikel 29quater , de in voorgaande paragrafen bedoelde voorrang voor elke nog niet toegekende betrekking die definitief vacant is, tijdelijk vacant is voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken of die tijdelijk vacant is tot het einde van het lopende schooljaar, en dit respectief binnen de inrichtende macht, en bij ontstentenis en als het personeelslid daar in het in § 4 bedoelde verzoek om verzoekt, in de entiteit of de SSO waar de inrichtende macht toe behoort of, voor de personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie en het secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan, op het niveau van het vrij onderwijsnet van hetzelfde karakter.

De overeenkomst met de instelling die ontvangt neemt ambtshalve een einde op de datum, voorzien in de overeenkomst met de instelling die uitstuurt.

De inrichtende macht kan de aanstelling van dit personeelslid evenwel verlengen tot het einde van de lopende vervanging in het geval van een tijdelijk vacante betrekking voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken of tot het einde van het lopende schooljaar in het geval van een definitief vacante betrekking.

Als het in voorgaande paragraaf bedoelde personeelslid door een andere inrichtende macht tijdelijk is aangesteld in een betrekking van hetzelfde ambt en als het personeelslid op dat ogenblik 180 dagen dienstanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht heeft, worden de diensten die het voor deze nieuwe inrichtende macht presteert, in aanmerking genomen bij de berekening van de dienstanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht, ten belope van het aantal dagen die in het kader van de oorspronkelijke aanstelling nog dienden te worden gepresteerd.

Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid in de omstandigheden verkeerde om van de voorrang bedoeld in onderhavige paragraaf te genieten, kan het personeelslid niet opnieuw tijdelijk worden aangesteld in de inrichting waar het personeelslid het slachtoffer van de gewelddaad was, behoudens wanneer het daar om verzoekt en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar hij slachtoffer van een gewelddaad is geweest, verder uit te oefenen. § 7. Het vastbenoemde personeelslid dat aan de in onderhavig artikel gestelde voorwaarden voldoet, kan in vast verband worden aangesteld in iedere definitief vacante betrekking, bekleed door een personeelslid dat bereid is om met het betrokken personeelslid van post te ruilen.

Bij ontstentenis geniet het vastbenoemde personeelslid, onverminderd artikel 29quater , de in voorgaande paragrafen bedoelde voorrang voor iedere betrekking die definitief vacant is, die tijdelijk vacant is voor een ononderbroken periode van ten minste vijftien weken en die niet wordt of niet kan worden toegewezen aan een personeelslid met 2 160 dagen dienstanciënniteit bij de inrichtende macht : - in iedere inrichting van de inrichtende macht; - bij ontstentenis en als het personeelslid daar in het in § 4 bedoelde verzoek om verzoekt, in iedere inrichting die tot dezelfde entiteit in het basisonderwijs behoort, bij dezelfde SSO in het secundair onderwijs met volledig leerplan en alternerend in het vrij onderwijsnet van hetzelfde karakter, in het onderwijs voor sociale promotie en het secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan; - bij ontstentenis en als het personeelslid daar in het in § 4 bedoelde verzoek om verzoekt, in iedere inrichting die tot dezelfde affectatiezone of tot een andere affectatiezone behoort in het basisonderwijs en het secundair onderwijs met volledig leerplan en alternerend.

Na 15 mei vindt geen enkele prioritaire affectatie plaats. § 8. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid dat slachtoffer van een gewelddaad was en ten gevolge hiervan arbeidsonbekwaam is bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling.

Art. 22.Artikel 62 van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 19 december 2002, wordt aangevuld met een punt 11° dat als volgt luidt : « 11° tijdens de looptijd van de overeenkomst op basis waarvan het tijdelijk aangesteld personeelslid is aangesteld, in voorkomend geval door een andere inrichtende macht, met toepassing van de voorrang, verleend door artikel 29quater , 1°bis , 1°ter en artikel 34quinquies . »

Art. 23.In artikel 71quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2002, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 2° wordt aangevuld met littera e) die als volgt luidt : « e) met toepassing van de voorrang bedoeld in artikel 29quater , 1°bis , 1°ter en artikel 34quinquies , § 7 »;2° er wordt een punt 7°bis ingevoegd dat als volgt luidt : « 7°bis op de datum, voorzien in de overeenkomst met de instelling die uitstuurt in geval van toepassing van artikel 34quinquies , § 6, behoudens in het geval dat de in artikel 34quinquies , § 7, voorziene aanstelling wordt voortgezet.»; HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd vrij gewoon en bijzonder secundair onderwijs, secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan en artistiek onderwijs

Art. 24.Aan artikel 39 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd vrij gewoon en bijzonder secundair onderwijs, het secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan en het artistiek onderwijs, gewijzigd door... worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd die als volgt luidt : « § 1bis .Moeten niet aan het OSSO aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden met in totaal meer dan 2 160 dagen dienstanciënniteit bij de inrichtende macht »; 2° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd die als volgt luidt : « § 2bis .« Moeten niet aan de in hoofdstuk VII bedoelde reaffectatiecommissies noch aan het OSSO aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden die een van de voorrangen genieten, bedoeld in artikel 29quater , 1°bis , 1°ter en 2°, van voornoemd decreet van 1 februari 1993 »; 3° in § 3, lid 1, worden de woorden « van artikel 29quater , 2° » vervangen door de woorden « van artikel 29quater , 1°bis , 1°ter en 2° »;4° in § 3 wordt lid 2 vervangen door volgend lid : « De verlenging van de prioritaire affectatie bedoeld in artikel 29quater , 1°bis , van voornoemd decreet van 1 februari 1993 heeft voorrang op respectief de verlenging van de prioritaire affectatie bedoeld in artikel 29quater , 2°, en de verlenging van de reaffectatie of van de wedertewerkstelling bedoeld in lid 1.» HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd vrij gewoon en bijzonder kleuter- en lager onderwijs

Art. 25.Aan artikel 15 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd vrij gewoon en bijzonder kleuter- en lager onderwijs, gewijzigd door... worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd die als volgt luidt : « § 1bis .Moeten niet aan het OSSO aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden met in totaal meer dan 2 160 dagen dienstanciënniteit bij de inrichtende macht »; 2° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd die als volgt luidt : « § 2bis .« Moeten niet aan de in hoofdstuk VI bedoelde reaffectatiecommissies noch aan het OSSO aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden die een van de voorrangen genieten, bedoeld in artikel 29quater , 1°bis , 1°ter en 2°, van voornoemd decreet van 1 februari 1993 »; 3° in § 3, lid 1, worden de woorden « van artikel 29quater , 2° » vervangen door de woorden « van artikel 29quater , 1°bis , 1°ter en 2° »;4° in § 3 wordt lid 2 vervangen door volgend lid : « De verlenging van de prioritaire affectatie bedoeld in artikel 29quater , 1°bis , van voornoemd decreet van 1 februari 1993 heeft voorrang op respectief de verlenging van de prioritaire affectatie bedoeld in artikel 29quater , 2°, en de verlenging van de reaffectatie of van de wedertewerkstelling bedoeld in lid 1.» HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen aan het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 12 september 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd vrij onderwijs voor sociale promotie

Art. 26.Artikel 16 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 12 september 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd vrij onderwijs voor sociale promotie, gewijzigd door... wordt aangevuld met een paragraaf 3 en een paragraaf 4 die als volgt luiden : « § 3. Moeten niet aan de in hoofdstuk VII bedoelde reaffectatiecommissies aangegeven worden, de betrekkingen bekleed door de personeelsleden die een van de voorrangen genieten bedoeld in artikel 29quater , 1°bis en 1°ter , van voornoemd decreet van 1 februari 1993.

De reaffectaties en wedertewerkstellingen verricht door de zonale en centrale en regionale reaffectatiecommissies, uitgezonderd hun verlenging, kunnen een personeelslid de betrekking niet ontnemen welke is bekomen met toepassing van artikel 29quater , 1°bis en 1°ter van voornoemd decreet van 1 februari 1993.

De verlenging van de prioritaire affectatie bedoeld in artikel 29quater , 1°bis , van voornoemd decreet van 1 februari 1993 heeft voorrang op de verlenging van de reaffectatie of van de wedertewerkstelling bedoeld in voorgaand lid. » TITEL IV. - SLOTBEPALING

Art. 27.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2003.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Opgemaakt te Brussel, 17 juli 2003.

De Minister-President, belast met Internationale Betrekkingen, H. HASQUIN De Minister van Cultuur, Openbaar Ambt, Jeugdzaken en Sport, C. DUPONT De Minister van Kinderwelzijn, belast met het Basisonderwijs, de Opvang en de Opdrachten toegewezen aan de "O.N.E.", J.-M. NOLLET De Minister van Secundair en Buitengewoon Onderwijs, P. HAZETTE De Minister van Budget M. DAERDEN De Minister van Hoger Onderwijs, Onderwijs voor Sociale Promotie en Wetenschappelijk Onderzoek, Mevr. F. DUPUIS De Minister van Kunsten en Letteren en van de Audiovisuele Sector, D. DUCARME De minister van Jeugdbijstand en Gezondheid, Mevr. N. MARECHAL _______ Nota 1) Zitting 2002-2003 Stukken van de Raad .- Ontwerpdecreet, nr. 427-1. - Commissieamendementen, nr. 427-2. - Verslag, nr. 427-3.

Integraal verslag . - Bespreking en aanneming. Vergadering van 15 juli 2003.

^