Etaamb.openjustice.be
Decreet van 11 april 2014
gepubliceerd op 07 augustus 2014

Decreet houdende wijziging inzonderheid van het decreet van 30 juni 2006 betreffende de pedagogische organisatie van de eerste graad van het secundair onderwijs

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2014029380
pub.
07/08/2014
prom.
11/04/2014
ELI
eli/decreet/2014/04/11/2014029380/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

11 APRIL 2014. - Decreet houdende wijziging inzonderheid van het decreet van 30 juni 2006 betreffende de pedagogische organisatie van de eerste graad van het secundair onderwijs (1)


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Wijziging van het decreet van 30 juni 2006 betreffende de pedagogische organisatie van de eerste graad van het secundair onderwijs

Artikel 1.In artikel 2 van het decreet van 30 juni 2006 betreffende de pedagogische organisatie van de eerste graad van het secundair onderwijs, aangevuld bij de decreten van 7 december 2007 en 17 oktober 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij punt 1°, worden de tweede en derde streepjes opgeheven;2° punt 2° wordt aangevuld met een tekst luidend als volgt : ", onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs".

Art. 2.In artikel 6bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008 en 12 juli 2012, wordt punt 5° opgeheven.

Art. 3.In artikel 7 van hetzelfde decreet, aangevuld bij de decreten van 19 juli 2007 en 17 oktober 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij paragraaf 1, tweede streepje, worden de woorden "tegen 4 wekelijkse lestijden" vervangen door de woorden "tegen 2 tot 4 wekelijkse lestijden";2° paragraaf 1 wordt met twee nieuwe leden aangevuld, luidend als volgt : "Onverminderd de bepalingen van artikel 20, § 1 en § 4, van het decreet van 29 juli 1992 tot organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan, zelfs ingeval de wekelijkse uurregeling van de leerlingen uit de 28 lestijden gemeenschappelijke opleiding en 2 of 3 lestijden aanvullende activiteiten bestaat, blijft het totaal aantal lestijden-leraar toekenbaar voor de eerste graad bestemd voor pedagogische activiteiten georganiseerd op de eerste graad in aanwezigheid van leerlingen. Daarbij, kunnen één of twee bijkomende lestijden remediëring ingericht worden naast het uurrooster bedoeld bij het eerste lid."; 3° paragraaf 2 wordt door een tekst vervangen, luidend als volgt : " § 2.Onverminderd het globale evenwicht van de opleiding over de cyclus voortkomend uit § 1 alsook de inachtneming van de doelstellingen bepaald in de artikelen 6 en 16, § 1, van het "takendecreet", in het kader van haar collectief actieprogramma (PAC - plan d'actions collectives) bedoeld bij artikel 67/1 van het "takendecreet", kan iedere inrichting de organisatie van de leeractiviteiten aanpassen om voor de verwezenlijking van interdisciplinaire of culturele projecten te zorgen, alsook de organisatie van activiteiten van remediëring of systemen voor specifieke steunverlening.

Met het oog op de opbouw van hun oriëntatieproject, biedt elke inrichting aan de leerlingen van de eerste graad, activiteiten tot rijpwording van hun persoonlijke keuzen, in medewerking met het team van het PMS-centrum. Deze activiteiten worden ingericht overeenkomstig artikel 23 van het "takendecreet". Elke inrichting zorgt voor de organisatie van deze activiteiten gedurende minstens het equivalent van drie dagen over de graad."; 4° paragraaf 3 wordt opgeheven.

Art. 4.In hetzelfde decreet wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 7bis.§ 1. Het geïndividualiseerd leerplan (PIA - plan individualisé d'apprentissage) steunt op een instrument in medewerking opgebouwd door het opvoedend team en het directieteam met als doel de inachtneming, enerzijds, van de bijzondere leermoeilijkheden en, anderzijds, van de specifieke behoeften van de leerlingen die uit het gespecialiseerd onderwijs voortkomen of die een inschakelingproces ondergaan in het kader van het systeem bedoeld bij afkomstig zijn X van het decreet van 3 maart 2004 tot organisatie van het gespecialiseerd onderwijs.

Het geïndividualiseerd leerplan wordt door de Klassenraad opgesteld ten behoeve van een leerling die moeilijkheden ondervindt, die vertraging oploopt in zijn leeractiviteiten in verband met de verwachte competenties op het einde van de derde stap van het pedagogische continuüm en/of, in voorkomend geval, op het einde van de tweede stap, overeenkomstig artikel 16, § 1, van het "takendecreet", inzonderheid in de vakken bedoeld bij artikel 8, 1° tot 3°. Het wordt aangepast in functie van de op- en aanmerkingen van de Klassenraad.

Het geïndividualiseerd leerplan moet de leerlingen toelaten : - hun vastgestelde leemten te verhelpen; - zich doeltreffendere leerstrategieën eigen te maken.

De Klassenraad belast met het opmaken van een geïndividualiseerd leerplan kan leden van de Klassenraad van de oorspronkelijke klasse van de leerling bij zijn activiteiten betrekken.

Het geïndividualiseerd leerplan vermeldt bijzondere doelstellingen gedurende een periode bepaald door de Klassenraad. Deze periode wordt meegedeeld in het geïndividualiseerd leerplan. Het zorgt voor specifieke remediëringacties, acties om de leerling opnieuw op niveau te brengen, of acties tot structurering van leerresultaten, tot opbouw van een schoolproject. Het vermeldt verder de nadere regels voor de organisatie, en de nadere regels om ze te bereiken, overeenkomstig paragraaf 5.

Ter informatie, stellen de Diensten van de Regering een repertorium van praktijken inzake geïndividualiseerd leerplan en instrumenten voor het beheer van de geïndividualiseerde leerplannen ter beschikking van de opvoedende teams alsook van de Dienst en Cellen voor pedagogische raadgeving en steun bedoeld bij het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs. § 2. De toekenning van een geïndividualiseerd leerplan aan een leerling steunt op de vaststelling van bijzondere leermoeilijkheden of behoeften die bewezen worden op basis van ofwel : 1° de op- en aanmerkingen van de Klassenraad;2° een competentieverslag of een geïndividualiseerd leerplan uitgereikt door de Klassenraad van het vorige jaar;3° een advies uitgebracht door een PMS-centrum of een dienst voor gezondheidspromotie op school;4° informatie overgezonden door de oorspronkelijke school voor lager onderwijs van de leerling, met toepassing van artikel 29, § 4, van het decreet van 2 juni 2006 betreffende de externe evaluatie van de verworven kennis van leerlingen van het leerplichtonderwijs en het getuigschrift basisstudies na het lager onderwijs of van artikel 28, eerste lid, van het decreet van 3 maart 2004 tot organisatie van het gespecialiseerd onderwijs;5° een diagnose opgesteld door een medische dienst of een psycho-medische gespecialiseerde, ziekenhuisverpleegkundige of niet-ziekenhuisverpleegkundige dienst. § 3. Vóór 15 oktober van het betrokken schooljaar, draagt de Klassenraad een geïndividualiseerd leerplan voor ten behoeve van : 1° de leerlingen ingeschreven voor een eerste gemeenschappelijk jaar na een eerste gedifferentieerd schooljaar op het einde waarvan ze het getuigschrift basisstudies (CEB - Certificat d'Etudes de Base) hebben behaald;2° de leerlingen ingeschreven voor het tweede gemeenschappelijke studiejaar voor wie de Klassenraad, overeenkomstig artikel 23, vermeld heeft dat ze een geïndividualiseerd leerplan voorgesteld zou worden;3° de leerlingen ingeschreven voor het eerste gedifferentieerde jaar of het tweede gedifferentieerde jaar die, zonder houder te zijn van het getuigschrift basisstudies, voor sommige delen van de gemeenschappelijke externe proef bedoeld bij artikel 19 van het voormelde decreet van 2 juni 2006 geslaagd zijn;4° de leerlingen afkomstig uit het gespecialiseerd onderwijs van type 8;5° de leerlingen die aan gediagnosticeerde leerstoornissen lijden die bewezen worden door een medisch attest of een multidisciplinair attest, ingediend door de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent;6° de leerlingen die het voorwerp uitmaken van een project van inschakeling in het gewoon onderwijs, in het kader van het systeem bedoeld bij hoofdstuk X van het voornoemde decreet van 3 maart 2004;7° de leerlingen ingeschreven voor het bijkomend jaar ingericht op het einde van de eerste graad, overeenkomstig artikel 15;8° de leerlingen ingeschreven voor een derde differentiatie- en oriëntatiejaar bedoeld bij titel V. De Klassenraad kan een geïndividualiseerd leerplan opstellen voor elke andere leerling voor wie de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent een aanvraag daartoe hebben ingediend of voor wie een lid van het team van het psycho-medisch-sociaal centrum het aanbeveelt.

De Klassenraad vergadert minstens drie keer om het schooljaar om de toestand van de leerlingen te onderzoeken voor wie hij van mening is dat ze bijzondere leermoeilijkheden ondervinden, of specifieke behoeften, en inzonderheid, deze van de leerlingen aan wie een geïndividualiseerd leerplan werd toegekend : op het begin van het schooljaar, inzonderheid voor de leerlingen bedoeld bij het eerste lid, vóór 15 januari en op het begin van het derde kwartaal.

Op elk ogenblik van het schooljaar en, in elk geval, op iedere gelegenheid bedoeld bij het vorige lid, kan de Klassenraad een geïndividualiseerd leerplan goedkeuren, wijzigen of schorsen mits inachtneming van de bepalingen van paragraaf 4. § 4. De ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, worden in overleg geraadpleegd over elk voorstel betreffende de instelling, het bijstellen of de schorsing van een geïndividualiseerd leerplan. De leerling, zijn ouders of de persoon die met het ouderlijk gezag bekleed wordt, worden ertoe uitgenodigd, in de mate van hun mogelijkheden, aan de opstelfase van het geïndividualiseerd leerplan deel te nemen.

Indien de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent niet binnen de 15 kalenderdagen reageren vanaf de mededeling van het voorstel, stelt de Klassenraad het geïndividualiseerd leerplan in, stelt het bij of schorst het. § 5. Het wekelijkse uurrooster van de leerlingen die een geïndividualiseerd leerplan genieten, kan aangepast worden om aan bijzondere leermoeilijkheden of specifieke behoeften te beantwoorden.

Naast de twee lestijden godsdienst of zedenleer bedoeld bij artikel 8 van de voornoemde wet van 29 mei 1959, bevat het van 28 tot 30 lestijden waaronder minstens 2 lestijden besteed aan de lichamelijke opvoeding.

Daarenboven, kunnen één of twee bijkomende remediëringslestijden hem opgelegd worden naast het uurrooster bedoeld bij het vorige lid. § 6. De leden van het opvoedend team en van het team van het psycho-medisch-sociaal centrum implementeren het systeem zoals beschreven in het geïndividualiseerd leerplan.

De actieve medewerking van de ouders en het team van het psycho-medisch-sociaal centrum voor de verwezenlijking van het geïndividualiseerd leerplan wordt door het opvoedend team nagestreefd.

Aan iedere leerling die een geïndividualiseerd leerplan geniet, wordt een referentiepersoon toegewezen, onder de leden van de Klassenraad, persoon die belast wordt met de individuele en/of collectieve begeleiding van de leerlingen die een geïndividualiseerd leerplan genieten.

Wanneer deze referentiepersoon lestijden-leraar toegewezen krijgt om zich van haar opdracht te kwijten, worden deze lestijden niet meegeteld in de 3 % bedoeld bij artikel 20, § 4, van het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan.

De Klassenraad heeft als opdracht voor de evaluatie van de vooruitgang en de resultaten van de leerlingen die een geïndividualiseerd leerplan genieten, te zorgen, en, desgevallend, met inachtneming van de bepalingen van paragraaf 4, aan het geïndividualiseerd leerplan de nodige aanpassingen te brengen. § 7. Het inrichtingshoofd houdt alle documenten in verband met het implementeren van het geïndividualiseerd leerplan ter beschikking van de Inspectiedienst. De leden van de Inspectiedienst kunnen deze documenten ter plaatste raadplegen. § 8. Het geïndividualiseerd leerplan maakt deel uit van het schooldossier van de leerling.".

Art. 5.In artikel 8 van hetzelfde decreet, aangevuld bij het decreet van 17 oktober 2013, worden de woorden "de twee wekelijkse lestijden zedenleer of godsdienst bedoeld bij artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving" vervangen door de woorden "de twee wekelijkse lestijden zedenleer of godsdienst bedoeld bij artikel 8 van de voornoemde wet van 29 mei 1959".

Art. 6.Artikel 10 van hetzelfde decreet, aangevuld en gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2012, wordt vervangen door een tekst, luidend als volgt : "

Artikel 10.§ 1. Het doel van de aanvullende activiteiten is : 1° de competenties van de gemeenschappelijke opleiding door gediversifieerde aanpakken te ontwikkelen;2° de verscheidenheid van de vaardigheden van de leerlingen te identificeren en te behartigen met als doel het vergemakkelijken van de persoonlijke en sociale ontwikkeling alsook het bevorderen van hun motivatie;3° het toelaten, enerzijds, voor de leerling zich beter te kennen en, anderzijds, voor de leden van het onderwijzend personeel zijn vaardigheden te identificeren en te ondersteunen in het kader van de begeleiding van zijn vordering inzake schooloriëntatie. Deze doelstellingen zijn eerst en vooral deze van de gemeenschappelijke opleiding; de aanvullende activiteiten dragen bij tot hun verwezenlijking volgens andere nadere regels of ritmes.

Net zoals de cursussen van de gemeenschappelijke opleiding, verschaffen de aanvullende activiteiten de mogelijkheid om specifieke pedagogische strategieën en, inzonderheid, activiteiten voor te stellen inzake : a) het beheer van de werktools in leertoestanden; b) specifieke remediëring in verband met leermoeilijkheden of - stoornissen (orthopedagogie, logopedie,...); c) geestesbeheer in leertoestanden;d) opbouw van een persoonlijk project voor positieve oriëntatie met het oog op het voorkomen van de risico's op het gebied van het afwezig-zijn, het afhaken van school en het schoolverlaten. § 2. De aanvullende activiteiten worden georganiseerd volgens de volgende nadere regels : 1° ze betekenen in geen enkel geval een voororiëntatie van de leerling of een vereiste voorkennis voor de toelating tot een studieoriëntatie van de tweede graad van het secundair onderwijs;2° ze behoren noodzakelijkerwijs tot één van de volgende zeven domeinen, met eventueel meerdere sferen : a) Domein Frans : De aanvullende activiteiten daaromtrent kunnen inzonderheid in de volgende activiteitensferen georganiseerd worden : initiatie tot het Latijn met inbegrip van eventueel de initiatie tot antiek cultuur, theater en toneelexpressie, activiteiten van poëtische expressie, schrijf- of leesateliers.De activiteiten in dit domein bevatten maximum vier wekelijkse lestijden. b) Domein Moderne taal : Een moderne taal.De aanvullende activiteiten daaromtrent (voor dezelfde taal als deze gekozen in de gemeenschappelijke vorming) kunnen inzonderheid in de volgende activiteitensferen georganiseerd worden : ateliers conversatie of toneelexpressie, initiatie tot de culturele elementen die specifiek zijn voor de landen, gewesten of gemeenschappen waar de gestudeerde taal de inheemse taal is. Elke sfeer in dit domein neemt maximum twee wekelijkse lestijden in beslag. c) Domein Wetenschappen en wiskunde : De aanvullende activiteiten betreffende dit domein kunnen, inzonderheid in de volgende activiteitensferen georganiseerd worden : wiskundige activiteiten, technisch-wetenschappelijke activiteiten, logische activiteiten, informatica.Elke sfeer in dit domein neemt maximum twee wekelijkse lestijden in beslag. d) Domein Menswetenschappen : De aanvullende activiteiten betreffende dit domein kunnen, inzonderheid in de volgende activiteitensferen georganiseerd worden : initiatie tot het economische en/of sociale leven, initiatie tot de beginsels van het burgerschap, opvoeding tot de eerbied voor het milieu.Elke sfeer in dit domein neemt maximum twee wekelijkse lestijden in beslag. e) Domein Kunstactiviteiten : De aanvullende activiteiten in dit domein hebben tot doel het ontwikkelen van de vaardigheden verworven in de lessen voor de opvoeding tot kunst en bevatten maximum twee wekelijkse lestijden.f) Domein Technische activiteiten : De aanvullende activiteiten in dit domein hebben tot doel het ontwikkelen van de vaardigheden verworven in de lessen voor de opvoeding door technologie;ze bevatten maximum twee wekelijkse lestijden. g) Domein Lichamelijke activiteiten : De aanvullende activiteiten in dit domein hebben tot doel het ontwikkelen van de vaardigheden verworven in de lessen voor lichamelijke opvoeding, inzonderheid door de initiatie tot het beoefenen van andere sportactiviteiten, de opvoeding tot medewerking en burgerschap door het sportspel.De activiteiten in dit domein bestrijken maximum twee wekelijkse lestijden.

De inrichtingen die, tijdens het schooljaar 2013-2014, de aanvullende activiteiten organiseren bedoeld bij de punten e) en f) van dit decreet bovenop de twee wekelijkse lestijden worden ertoe gemachtigd ze gedurende drie schooljaren te organiseren. Op het einde van deze periode en op basis van de evaluatie bedoeld bij het volgende lid, zal de Regering aan dezelfde inrichtingen de vergunning geven deze organisatie voort te zetten, voor een duur die ze bepaalt.

Op het einde van het schooljaar 2016-2017, zal de Sturingscommissie tot de kwalitatieve evaluatie overgaan van de organisatie van de aanvullende activiteiten zoals beschreven bij § 2, 2°, van dit artikel, met, inzonderheid, inachtneming van de verslagen van de Algemene inspectiedienst meer specifiek over de systemen tot steun en remediëring geïntegreerd in de aanvullende activiteiten ten bate van de leerlingen die moeilijkheden ondervinden tijdens de eerste gemeenschappelijke graad. Deze evaluatie zal tevens betrekking hebben op de inslag van de aanvullende activiteiten op het niveau van het werkelijke traject van de leerlingen. Op basis van de analyse van deze gegevens, zal de Sturingscommissie, indien ze het opportuun acht, aanbevelingen aan de Regering toezenden betreffende de organisatie van deze aanvullende activiteiten; 3° wanneer een onderwijsinrichting een uurregeling voordraagt met drie of vier lestijden van eenzelfde domein aanvullende activiteiten, moet ze ook minstens een uurregeling voordragen die activiteiten bevat die onder twee of drie domeinen bedoeld bij 2° ressorteren.4° met als doel aanvullende activiteiten onder de beste voorwaarden te organiseren, kan de onderwijsinrichting overeenkomsten sluiten met één of meer andere onderwijsinrichtingen. § 3. De aanvullende activiteiten kunnen geheel of gedeeltelijk vervangen worden door : 1° lestijden kunstonderwijs bedoeld bij artikel 1, § 3, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit van 29 juni 1984;2° lestijden training bedoeld bij artikel 1, § 3, 2°, van het voornoemde koninklijk besluit van 29 juni 1984; 3° een specifiek programma opgesteld in het kader van het geïndividualiseerd leerplan bedoeld bij artikel 7bis."

Art. 7.In artikel 12, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 december 2007, worden de woorden "De organisatie van aanvullende activiteiten en van de gedifferentieerde eerste graad wordt onderworpen" vervangen door de woorden "De organisatie van de aanvullende activiteiten en hun volume alsook de organisatie van de gedifferentieerde eerste graad worden onderworpen".

Art. 8.In titel III van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2007, worden de woorden "Organisatie van een aanvullend jaar in de eerste graad van het secundair onderwijs" vervangen door de woorden "Organisatie van een bijkomend jaar op het einde van de eerste graad van het secundair onderwijs".

Art. 9.Artikel 13 van hetzelfde decreet wordt door een tekst, luidend als volgt, vervangen : "

Artikel 13.§ 1. Er wordt een bijkomend jaar, genoemd 2B, ingericht : 1° ten gunste van de leerlingen die, op het einde van het gemeenschappelijke tweede jaar, zo grote moeilijkheden ondervinden dat een bijkomend jaar in de eerste graad onontbeerlijk blijkt om ze toe te laten de competentiesokkels te beheersen bedoeld op het einde van de derde stap van het pedagogische continuüm, overeenkomstig artikel 16, § 1, van het "takendecreet";2° ten gunste van de leerlingen die al dan niet houder zijn van het getuigschrift basisstudies en die, op het einde van het gedifferentieerde tweede jaar, dergelijke moeilijkheden ondervinden dat een bijkomend jaar in de eerste graad onontbeerlijk blijkt om ze toe te laten de competentiesokkels te beheersen bedoeld op het einde van de tweede en/of derde stap van het pedagogische continuüm, overeenkomstig artikel 16, § 1, van het "takendecreet". § 2. De schoolinrichting die een leerling naar het bijkomend jaar doorverwijst bedoeld bij paragraaf 1 wordt ertoe gehouden dit jaar in haar midden in te richten. § 3. Dit bijkomend jaar kan in geen geval een opnieuw volgen van het vorige jaar zijn.".

Art. 10.Artikel 14 van hetzelfde decreet, aangevuld bij het decreet van 12 december 2008, gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2012, wordt door een tekst vervangen, luidend als volgt : "

Artikel 14.§ 1. Elke leerling die naar het bijkomend jaar bedoeld bij artikel 13 doorverwezen wordt, geniet een geïndividualiseerd leerplan opgesteld overeenkomstig artikel 7bis. § 2. Het geïndividualiseerd leerplan wordt besloten, gevolgd en aangepast met inachtneming van de voorwaarden bepaald bij artikel 7bis.

Het wordt door het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde, vóór 15 oktober van het betrokken schooljaar, aan de leerling voorgesteld alsook aan zijn ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent. Het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde kunnen vergezeld worden van een ander lid van het pedagogische team of een lid van het betrokken PMS-centrum. § 3. Het geïndividualiseerd leerplan bedoeld bij paragraaf 1 bepaalt de uurregeling van de leerling; deze kan geïndividualiseerd worden in functie van zijn bijzondere leermoeilijkheden of specifieke behoeften.

Ze moet de leerling toelaten zijn leemtes in verband met de beoogde competenties op het einde van de tweede en/of derde stap van het pedagogische continuüm te verhelpen, overeenkomstig artikel 16, § 1, van het "takendecreet" en het decreet van 19 juli 2001. Ze moet ook de ontwikkeling bevorderen door de leerling van de competenties die voor hem geen moeilijkheden inhouden en het opmaken van een project voor positieve schooloriëntatie.

De uurregeling van het bijkomend jaar bedoeld bij artikel 13 omvat, naast de twee lestijden godsdienst of zedenleer bedoeld bij artikel 8 van de voornoemde wet van 29 mei 1959, van 28 tot dertig lestijden waarvan minstens twee aan de lichamelijke opvoeding besteed worden.

De uurregeling van de leerlingen kan de deelneming aan lessen ingericht ten gunste van de leerlingen van het gemeenschappelijke tweede jaar, van het gedifferentieerde tweede jaar of van het derde jaar bevatten.".

Art. 11.Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt door een tekst vervangen, luidend als volgt : "

Artikel 15.Het bijkomend jaar ingericht op het einde van de eerste graad is toegankelijk voor : "1° iedere regelmatige leerling in de zin van artikel 2, 9°, van het voornoemde koninklijk besluit van 29 juni 1984 die het gemeenschappelijke tweede jaar heeft gevolgd en voor wie een van de beslissingen bedoeld bij artikel 26, § 2, eerste lid, werd genomen; 2° iedere regelmatige leerling in de zin van artikel 2, 9°, van het voornoemde koninklijk besluit van 29 juni 1984 die het gedifferentieerde tweede jaar heeft gevolgd en voor wie één van de beslissingen bedoeld bij artikel 28, § 1, eerste lid, 1°, b, 2°, eerste lid, b), en § 2, tweede lid, 1°, werd genomen.".

Art. 12.In artikel 16 van hetzelfde decreet, 1° wordt paragraaf 1 met een nieuw lid, luidend als volgt, aangevuld; "De inrichting die de leerlingen in de gedifferentieerde eerste graad opneemt, eist van hun oorspronkelijke school voor lager onderwijs : 1° een afschrift van het competentieverslag over de beheersing van de competentiesokkels op 12 jarige leeftijd bedoeld bij artikel 29, § 4, van het voormelde decreet en bij artikel 28/1 van het voornoemde decreet van 3 maart 2004; 2° een afschrift van het geïndividualiseerd leerplan, wanneer de leerling uit het gespecialiseerd lager onderwijs voortkomt."; 2° worden bij paragraaf 3 de woorden "In afwijking van § 2, tweede lid, kunnen de inrichtingen die, op 1 oktober 2007, de gemeenschappelijke eerste graad niet organiseren en die ofwel een eerste jaar B of een tweede beroepsjaar, ofwel een eerste jaar B en een tweede beroepsjaar organiseren" vervangen door de woorden "De inrichtingen die geen gemeenschappelijke eerste graad organiseren en die sedert 1 september 2008 ofwel een gedifferentieerd eerste jaar of een gedifferentieerd tweede jaar ofwel twee jaren van de gedifferentieerde eerste graad inrichten moeten";3° worden bij paragraaf 4 de woorden "in het derde lid" vervangen door de woorden "in de derde paragraaf".

Art. 13.In artikel 17, van hetzelfde decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "zedenleer of godsdienst" worden vervangen door de woorden "godsdienst of zedenleer"; 2° punt 6° wordt vervangen door een tekst, luidend als volgt : "6° opvoeding door technologie, naar verhouding van twee tot negen lestijden per week, voor zover hoogstens drie wekelijkse lestijden besteed worden aan elk van de volgende activiteitssferen : de initiatie tot informatica, de technische tekening, de agronomie, de metaalbewerking, de houtbewerking, de initiatie tot elektriciteit, de bouwkunst of de diensten.". 3° het artikel wordt met een nieuw lid aangevuld, luidend als volgt : "De uurregeling van de leerlingen van het gedifferentieerde tweede jaar die voor sommige delen geslaagd zijn van de gemeenschappelijke externe proef bedoeld bij artikel 18 kan lessen bevatten van 1A, 2A of 2B.".

Art. 14.In artikel 18, § 1, bij het eerste lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "met inbegrip van de leerlingen bedoeld bij de bepaling voorgeschreven in artikel 28 § 3, 1°, " geschrapt.

Art. 15.In artikel 19 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid, worden de woorden "In het derde differentiatie- en oriëntatiejaar, worden de bijzondere behoeften van de leerling en de moeilijkheden die hij ondervindt in aanmerking genomen" vervangen door de woorden "In het 3B-GO, worden de moeilijkheden die de leerling ondervindt en de bijzondere behoeften van de leerling in aanmerking genomen";2° het derde lid wordt opgeheven.

Art. 16.Artikel 20 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2012, wordt door een tekst vervangen, luidend als volgt : "

Artikel 20.Het 3B-GO is toegankelijk voor iedere regelmatige leerling in de zin van artikel 2, 9° van het voormelde koninklijk besluit van 29 juni 1984 die : 1° ofwel het gemeenschappelijke tweede jaar heeft gevolgd, en ten aanzien van wie de beslissing bedoeld in artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, wordt genomen;2° ofwel het gedifferentieerd tweede jaar heeft gevolgd, en ten aanzien van wie de beslissing bedoeld in artikel 26, § 1, eerste lid, 2°, d, of § 2, eerste lid, 2°, wordt genomen; 3° ofwel het bijkomend jaar georganiseerd op het einde van de eerste graad en ten aanzien van wie de beslissing bedoeld in artikel 28, § 2, eerste lid, 2°, wordt genomen, heeft gevolgd.".

Art. 17.Artikel 21 van hetzelfde decreet wordt door een tekst vervangen, luidend als volgt : "

Artikel 21.§ 1. Voor iedere regelmatige leerling in de zin van artikel 2, 9°, van het voornoemde koninklijk besluit van 29 juni 1984, die naar het 3B-GO wordt georiënteerd, maakt de Klassenraad het verslag bedoeld in artikel 22 op. § 2. Op basis van het verslag bedoeld bij paragraaf 1 en met inachtneming van artikel 7bis, § 4, stelt de Klassenraad van het 3B-GO aan iedere leerling die voor het 3B-GO ingeschreven is, het geïndividualiseerd leerplan voor bedoeld bij artikel 7bis. § 3. Het geïndividualiseerd leerplan wordt besloten, gevolgd en aangepast onder de voorwaarden bepaald in artikel 7bis.

Dat individueel leerplan wordt, vóór 15 oktober van het betrokken schooljaar, aan de leerling alsook aan zijn ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, voorgesteld door het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde, eventueel begeleid door een ander lid van het pedagogisch team of een lid van het betrokken psycho-medisch-sociaal centrum. § 4. Het geïndividualiseerd leerplan bedoeld bij paragraaf 1 bepaalt de uurregeling van de betrokken leerling; deze kan geïndividualiseerd worden in functie van zijn bijzondere leermoeilijkheden of specifieke behoeften.

In afwijking van artikel 7bis, § 5, eerste lid, naast de twee wekelijkse lestijden godsdienst of zedenleer bedoeld in artikel 8 van de voormelde wet van 29 mei 1959, bedraagt de wekelijkse uurregeling van het 3B-GO tweeëndertig lestijden die betrekking hebben op : 1° Frans alsook de vorming geschiedenis en aardrijkskunde, naar rata van negen tot veertien lestijden, waaronder twee of drie die besteed zijn aan de vorming geschiedenis en aardrijkskunde;2° de vorming wiskunde alsook de eerste wetenschappelijke vorming, met zes tot elf lestijden per week waarvan twee of drie besteed aan de eerste wetenschappelijke vorming;3° het leren van een moderne taal I, naar rata van twee tot vier lestijden per week;4° de lichamelijke opvoeding, naar rata van twee of drie lestijden per week;5° de kunstopvoeding, naar rata van één tot vijf lestijden per week;6° een geïntegreerde vormingsmodule, naar rata van ten minste zes lestijden per week, die tot doel hebben de leerling concreet vertrouwd te maken met de beroepssfeer, de vakken, de vormingen, de diploma's die ertoe leiden, en met hem een levensproject uit te werken in verband met een oriëntatie zowel in het doorstromingsonderwijs als in het kwalificatieonderwijs. Hoogstens twee derde van de lestijden besteed aan die module kan besteed worden aan de deelneming aan technische cursussen of cursussen beroepspraktijk in gegroepeerde opties die onder één of meer sectoren ressorteren ingericht in het derde jaar. De inrichtingen kunnen overeenkomsten met één of meer andere inrichtingen sluiten om voor die activiteiten in de beste omstandigheden te zorgen.

De uurregeling van de leerlingen kan ook gedeeltelijk de deelneming aan lessen ingericht ten gunste van de leerlingen van het 2B bevatten.

Het 3B-GO kan in geen geval een herhaling door blijven zitten van het vorige jaar zijn. § 5. De directie van de schoolinrichting stelt alle documenten in verband met de toepassing van de bepalingen van dit artikel ter beschikking van de inspectiedienst. De leden van de inspectiedienst kunnen die ter plaatse raadplegen.".

Art. 18.In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "artikel 16, § 2" telkens vervangen door de woorden "artikel 16, § 1".

Art. 19.Artikel 23 van hetzelfde decreet wordt door een tekst vervangen, luidend als volgt : "

Artikel 23.Op het einde van het gemeenschappelijke eerste jaar, op basis van het verslag bedoeld bij artikel 22, verwijst de Klassenraad de leerling naar het gemeenschappelijke tweede jaar (2G), desgevallend met vermelding van het feit dat de Klassenraad van het 2A een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis.".

Art. 20.Artikel 24 van hetzelfde decreet wordt door de volgende tekst vervangen : "

Artikel 24.Op het einde van het gedifferentieerde eerste jaar, op grond van het in artikel 22 bepaalde verslag, oriënteert de Klassenraad de leerling : 1° ofwel naar het gemeenschappelijke eerste jaar (1Gem), op voorwaarde dat hij houder is van het getuigschrift van basisstudies;in dat geval vermeldt hij dat de Klassenraad van 1G een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; 2° ofwel naar het gedifferentieerde tweede jaar overeenkomstig titel IV, als hij geen houder is van het getuigschrift van basisstudies;in dat geval vermeldt hij dat de Klassenraad van 2Ged een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis, met het oog op het voorzetten door de leerling van zijn voorbereiding voor het getuigschrift basisstudies door het ontwikkelen van de competenties die hij nog niet verworven heeft onder deze die door de competentiesokkels bedoeld op het einde van de tweede stap bepaald werden en, in voorkomend geval, op het verwerven van sommige van de competenties bedoeld op het einde van de derde stap van het pedagogische continuüm overeenkomstig artikel 16, § 1, van het decreet van 24 juli 1997.".

Art. 21.Artikel 25 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 22.In artikel 26 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij paragraaf 1, 2°, worden, in de Franse tekst, de woorden "réussite de l'élève" vervangen door de woorden "réussite par l'élève";2° paragraaf 2 wordt door een tekst vervangen, luidend als volgt : " § 2.Voor de leerling bedoeld in § 1, 2° die de drie studiejaren van de eerste graad overeenkomstig artikel 6ter niet ten volle heeft benut, oriënteert de Klassenraad hem naar het bijkomend jaar georganiseerd op het einde van de eerste graad (2B) overeenkomstig titel III; in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 2B een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis.

Voor de leerling bedoeld in § 1, 2°, die de drie studiejaren van de eerste graad overeenkomstig artikel 6ter niet ten volle heeft benut, bepaalt de Klassenraad de vormen en afdelingen die hij in het derde jaar van het secundair onderwijs met volledig leerplan of van het alternerend secundair onderwijs kan volgen en brengt de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent daar op de hoogte van, en kiest één van de volgende oriëntaties : 1 ofwel één van de derde jaren van het secundair onderwijs, overeenstemmend met de vormen en afdelingen bepaald door de Klassenraad. 2 ofwel het derde differentiatie- en oriëntatiejaar bedoeld in titel V; in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 2B een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; 3 ofwel, indien hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, het alternerend onderwijs bedoeld bij artikel 2bis, § 1, 2°, van het decreet van 3 juli 1991 houdende organisatie van het alternerend secundair onderwijs.

Nochtans, behouden de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent de mogelijkheid om één van de twee oriëntaties bedoeld bij het vorige lid te kiezen die niet voor de leerling door de Klassenraad werd aanbevolen. Wanneer ze de keuze bedoeld bij het tweede lid, 1°, aannemen, deelt de leerling een document mee dat aanvullende raadgevingen voor zijn oriëntatie inhoudt. Die raadgevingen hebben betrekking op de aangeraden en, in voorkomend geval, afgeraden oriëntaties in verband met het verslag bedoeld in artikel 22."; 3° bij paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "tweede en derde leden" vervangen door de woorden "tweede lid".

Art. 23.Artikel 27 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 24.Artikel 28 van hetzelfde decreet wordt door de volgende tekst vervangen : "

Artikel 28.- § 1. Op het einde van het gedifferentieerde tweede jaar, op basis van het verslag bedoeld bij artikel 22, 1° voor de leerling die houder is van het getuigschrift basisstudies, die de leeftijd van 16 jaar niet zal bereiken op 31 december van het volgende schooljaar, oriënteert de Klassenraad hem naar : a) ofwel het bijkomend jaar georganiseerd op het einde van de eerste graad (2B) overeenkomstig titel III;in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 2B een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; b) ofwel, indien hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, het alternerend onderwijs bedoeld bij artikel 2bis, § 1, 2°, van het decreet van 3 juli 1991 houdende organisatie van het alternerend secundair onderwijs. Nochtans, behouden de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent de mogelijkheid om één van de twee oriëntaties bedoeld bij punt 1°, a) en b), te kiezen die niet voor de leerling door de Klassenraad werd aanbevolen. 2° voor de leerling die houder is van het getuigschrift basisstudies en die de leeftijd van 16 jaar zal hebben bereikt op 31 december van het volgende schooljaar, bepaalt de Klassenraad de vormen en afdelingen die hij in het derde jaar van het secundair onderwijs met volledig leerplan of van het alternerend secundair onderwijs kan volgen en brengt de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent daar op de hoogte van, en kiest één van de volgende oriëntaties : a) ofwel het bijkomend jaar georganiseerd op het einde van de eerste graad (2B) overeenkomstig titel III;in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 2B een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; b) ofwel één van de derde jaren van het secundair onderwijs dat overeenstemt met de vormen en afdelingen bepaald door de Klassenraad;c) ofwel het derde differentiatie- en oriëntatiejaar (3B-GO);in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 2B een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; d) ofwel, indien hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, het alternerend onderwijs bedoeld bij artikel 2bis, § 1, 2°, van het decreet van 3 juli 1991 houdende organisatie van het alternerend secundair onderwijs. Nochtans, behouden de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent de mogelijkheid om één van de twee oriëntaties bedoeld bij punt 2°, eerste lid, te kiezen die niet voor de leerling door de Klassenraad werd aanbevolen. Wanneer ze de keuze bedoeld bij punt 2°, c), aannemen, deelt de Klassenraad aan de leerling een document mee dat aanvullende raadgevingen voor zijn oriëntatie inhoudt. Die raadgevingen hebben betrekking op de aangeraden en, in voorkomend geval, afgeraden oriëntaties in verband met het verslag bedoeld in artikel 22.

Tegen de bepaling door de Klassenraad, krachtens punt 2°, eerste lid, van de vormen en afdelingen die door de leerling gevolgd kunnen worden in het derde jaar van het secundair onderwijs kan een beroep volgens de procedure bedoeld bij de artikelen 95 tot 99 van het "takendecreet" ingediend worden. § 2. Op het einde van het gedifferentieerde tweede jaar, voor de leerling die niet houder is van het getuigschrift van basisstudies, oriënteert hem de Klassenraad naar : a) ofwel het bijkomend jaar georganiseerd op het einde van de eerste graad (2B) overeenkomstig titel III;in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 2B een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; b) ofwel het derde differentiatie- en oriëntatiejaar (3B-GO);in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 2B een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; c) ofwel, indien hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, het alternerend onderwijs bedoeld bij artikel 2bis, § 1, 2°, van het decreet van 3 juli 1991 houdende organisatie van het alternerend secundair onderwijs. Nochtans, behouden de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent de mogelijkheid om één van de twee oriëntaties bedoeld het vorige lid te kiezen die niet voor de leerling door de Klassenraad werd aanbevolen.".

Art. 25.In hetzelfde decreet wordt een artikel 28bis ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 28bis.§ 1. Op het einde van het bijkomend jaar (2B) ingericht op het einde van de eerste graad overeenkomstig titel III, op basis van het verslag bedoeld bij artikel 22 : a) ofwel bekrachtigt de Klassenraad het slagen van de leerling voor de eerste graad van het secundair onderwijs;b) ofwel bekrachtigt de Klassenraad dat de leerling niet voor de eerste graad van het secundair onderwijs geslaagd is. § 2. Voor de leerling bedoeld in § 1, 2°, bepaalt de Klassenraad de vormen en afdelingen die hij in het derde jaar van het secundair onderwijs met volledig leerplan of van het alternerend secundair onderwijs kan volgen en brengt de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent daar op de hoogte van, en kiest één van de volgende oriëntaties : 1° ofwel één van de derde jaren van het secundair onderwijs, overeenstemmend met de vormen en afdelingen bepaald door de Klassenraad;2° ofwel het derde differentiatie- en oriëntatiejaar (3B-GO);in dat geval zal hij vermelden dat de Klassenraad van 3B-GO een geïndividualiseerd leerplan zal voorstellen, zoals bedoeld bij artikel 7bis; 3° ofwel, indien hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet, het alternerend onderwijs bedoeld bij artikel 2bis, § 1, 2°, van het decreet van 3 juli 1991 houdende organisatie van het alternerend secundair onderwijs. Nochtans, behouden de ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent de mogelijkheid om één van de twee oriëntaties bedoeld bij het vorige lid te kiezen die niet voor de leerling door de Klassenraad werd aanbevolen. Wanneer ze de keuze bedoeld bij het eerste lid, 1°, aannemen, deelt de leerling een document mee dat aanvullende raadgevingen voor zijn oriëntatie inhoudt. Die raadgevingen hebben betrekking op de aangeraden en, in voorkomend geval, afgeraden oriëntaties in verband met het verslag bedoeld in artikel 22. § 3. Tegen de beslissing tot niet-slagen genomen door de Klassenraad krachtens § 1, 2°, kan een beroep volgens de procedure bepaald in de artikelen 95 tot 99 van het "takendecreet" worden ingediend.

Tegen de bepaling door de Klassenraad, krachtens punt 2°, eerste lid, van de vormen en afdelingen die door de leerling gevolgd kunnen worden in het derde jaar van het secundair onderwijs kan beroep ingediend worden volgens de procedure bedoeld bij de artikelen 95 tot 99 van het "takendecreet".".

Art. 26.In artikel 30 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "begeleidingsraad" vervangen door het woord "Klassenraad";2° bij paragraaf 2 worden de woorden "artikel 16, § 2" vervangen door de woorden "artikel 16, § 1".

Art. 27.Titel VII (de artikelen 32 tot 34) wordt opgeheven.

TITEL II. - Wijziging van andere decreten Afdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 1984

betreffende de organisatie van het secundair onderwijs

Art. 28.In artikel 20 van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 30 augustus 1989, het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993, vervangen bij het besluit van de Regering van 15 juli 1996, aangevuld bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 2 april 1998, gewijzigd bij de decreten van 30 juni 2006, 7 december 2007 en 12 juli 2012, wordt paragraaf 2 vervangen door een tekst, luidend als volgt : "Op basis van een project opgebouwd in medewerking met het team van het PMS-centrum en met de instemming van de ouders of de wettelijke verantwoordelijken, wordt de overgang van het bijkomend jaar binnen de eerste graad (2B) naar het derde jaar van het beroepssecundair onderwijs tot 15 januari toegelaten voor zover de leerling houder is van een getuigschrift basisstudies.".

Art. 29.In artikel 23 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 juli 1985, het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 30 augustus 1993, de besluiten van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1993, 20 juni 1994, 24 april 1995, 2 april 1998, bij de decreten van 30 juni 2006, 7 december 2007 en 12 juli 2012, bij paragraaf 1, wordt, tussen het eerste lid en het tweede lid, dat lid 3 wordt, een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt : "De leerling die niet houder is van het getuigschrift basisstudies en die, op het einde van een derde jaar, een attest van oriëntatie A of een attest van oriëntatie B heeft gekregen, zoals bedoeld bij § 2, wordt geacht houder te zijn van het getuigschrift basisstudies op het einde van het derde jaar.". Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 29 juli 1992 houdende

organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan

Art. 30.In artikel 7 van het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij de decreten van 27 december 1993, 2 april 1996, 14 juni 2001, 30 juni 2006, 7 december 2007 en 18 mei 2012, in het zesde lid, worden de woorden "aanvullend jaar binnen" vervangen door de woorden "bijkomend jaar binnen".

Art. 31.In artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 27 oktober 1994, opgeheven bij het decreet van 30 juni 1998, hersteld bij het decreet van 12 december 2008, gewijzigd bij het decreet van 13 januari 2011, in het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij punt 2° worden de woorden "in het gedifferentieerde eerste jaar" vervangen door de woorden "in het gedifferentieerde eerste en tweede jaar";2° punt 3° wordt opgeheven;3° bij punt 4° worden de woorden "in het eerste aanvullend jaar georganiseerd op het einde van het gemeenschappelijk eerste jaar" vervangen door de woorden "in het eerste bijkomend jaar ingericht op het einde van de eerste graad";4° punt 5° wordt opgeheven.

Art. 32.In artikel 20 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1992, 22 december 1992, 2 april 1996 en 25 juli 1996, aangevuld bij de decreten van 24 juli 1997 en 14 juni 2001, gewijzigd bij de decreten van 12 december 2008, 26 maart 2009, 30 april 2009, 17 december 2009 en 3 mei 2012, aangevuld bij het decreet van 18 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij paragraaf 5, a) in het eerste lid, worden de woorden "maatschappelijk assistent" vervangen door de woorden "maatschappelijk assistent of logopedist"; b) tussen het eerste lid en het tweede lid, dat lid 3 wordt, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidend als volgt : "De betrekking logopedist kan in vier delen van een betrekking gedeeld worden."; a) bij het tweede lid, dat lid 3 is geworden, worden de woorden "maatschappelijk assistent" vervangen door de woorden "maatschappelijk assistent of logopedist";b) bij het derde lid, dat lid 4 is geworden, - wordt het woord "2" vervangen door het woord "3"; - worden de woorden "maatschappelijk assistent" vervangen door de woorden "maatschappelijk assistent of logopedist". 2° er wordt een paragraaf 5/1 ingevoegd, luidend als volgt : "5/1.Wanneer bijkomende lestijden naast het totaal aantal lestijden-leraar aan een schoolinrichting toegekend overeenkomstig artikel 37, § 1, van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie, aan de tijdelijke aanwerving van een hulpopvoedend personeelslid besteed wordt overeenkomstig artikel 37, § 2 van hetzelfde decreet, kan de betrekking van dat lid van het hulpopvoedend personeel in vier delen van betrekking gedeeld worden.". Afdeling 3. - Wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de

prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren

Art. 33.In het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, in artikel 15, gewijzigd bij de decreten van 3 maart 2004 en 7 december 2007, wordt het tweede lid vervangen door een tekst, luidend als volgt : "In het gewoon onderwijs, 1° kan de leerling die zich genoodzaakt ziet de tweede stap van het leerplichtonderwijs in vijf jaar eerder dan in vier te volbrengen, het aanvullend jaar volgen dat aangepast is aan zijn vormingsbehoeften in dezelfde inrichting; 2° kan de leerling die zich genoodzaakt ziet de eerste graad van het secundair onderwijs in drie jaar eerder dan in twee te volbrengen, het bijkomend jaar volgen dat aangepast is aan zijn vormingsbehoeften in dezelfde inrichting.".

Art. 34.In hetzelfde decreet van 24 juli 1997, wordt artikel 50, § 4, dat vervangen werd bij het decreet van 12 juli 2012, vervangen door een tekst, luidend als volgt : " § 4. De studieprogramma's stellen leertoestanden voor en vermelden verplichte of facultatieve leerinhoud. Ze geven methodologische oriëntaties. De leertoestanden en - inhoud alsook de methodologische oriëntaties moeten toelaten de leervereisten te beheersen bepaald in de kwalificatieprofielen bedoeld bij de artikelen 39, 44, 45 en 47.

In afwijking van het vorige lid, voor de gegroepeerde basisopties of de opleidingen waarvoor de Regering een kwalificatieprofiel heeft bepaald, zijn de programma's niet verplicht leertoestanden en verplichte leerinhoud voor te stellen : de leertoestanden alsook de verplichte leerinhoud bestaan in de leertrajecten bepaald door het kwalificatieprofiel, overeenkomstig artikel 39bis, 6°, a). Deze programma's moeten alleszins methodologische oriëntaties voordragen.

In afwijking van het eerste lid, voor de gegroepeerde basisopties of de opleidingen waarvoor de Regering nog geen kwalificatieprofiel heeft bepaald, verwijzen de programma's naar de opleidingsprofielen overeenkomstig de artikelen 40 en 47, § 2, onverminderd artikel 342 van het decreet van 3 maart 2004 tot organisatie van het gespecialiseerd onderwijs.".

Art. 35.In hetzelfde decreet van 24 juli 1997, worden een artikel 67/1 en een artikel 67/2 ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 67/1.§ 1. In het kader van haar inrichtingsproject bepaalt iedere inrichting die een eerste graad van het gewoon secundair onderwijs organiseert een collectief actieprogramma (PAC) dat specifiek is voor de eerste graad, en dat tot doel heeft acties en systemen in te stellen en af te stemmen met de leden van het opvoedend team en van het team van het PMS-centrum, die de leerlingen toelaten de doelstellingen gesteld aan de eerste graad te bereiken. § 2. Het collectief actieprogramma 1° identificeert zijn doelstellingen;2° beschrijft de acties en systemen die ingesteld en geïmplementeerd moeten worden;3° identificeert de middelen die aangewend kunnen worden om de doelstellingen te bereiken;4° bepaalt de criteria voor de interne evaluatie van zijn implementering. § 3. In de schoolinrichtingen bedoeld bij het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving, worden de bepalingen van het collectief actieprogramma afgestemd op het Algemeen Actieproject voor de gedifferentieerde omkadering (PGAED) bedoeld bij artikel 8, § 1, van hetzelfde decreet en, in voorkomend geval, met de prioritaire acties bedoeld bij artikel 67/2. § 4. Onder de verantwoordelijkheid van het inrichtingshoofd wordt het project van collectief actieprogramma uitgewerkt door het opvoedend team, in overleg en in partnerschap met het team van het PMS-centrum.

Met inachtneming van artikel 67, derde lid, wordt het project van collectief actieprogramma door de afgevaardigden van de Inrichtende macht aan de Participatieraad overgezonden om in het inrichtingsontwerp geïntegreerd te worden, overeenkomstig artikel 68, tweede lid van het "takendecreet". Overeenkomstig artikel 69, § 1, van hetzelfde decreet, wordt het aan een debat onderworpen bij de Participatieraad, die zijn advies uitbrengt overeenkomstig artikel 69, § 11, van hetzelfde decreet. Het wordt goedgekeurd overeenkomstig artikel 70 van hetzelfde decreet.

Artikel 67/2.§ 1. De inrichtende macht van een inrichting waarvan de resultaten een beduidende afwijking vertonen onder het gemiddelde van de vergeleken inrichtingen, die geïdentificeerd worden overeenkomstig artikel 3, 16, 3°, van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, bepaalt en plant, voor een periode van zes jaar, prioritaire acties die ertoe strekken zijn prestaties te verbeteren, op basis van de elementen opgebracht door de Sturingscommissie opgericht bij artikel 2 van het voornoemde decreet van 27 maart.

Deze prioritaire acties rusten op de interne en externe middelen ter beschikking van de inrichting en worden op elkaar afgestemd. § 2. De interne middelen bedoeld bij paragraaf 1 zijn, inzonderheid : 1° de teams van het PMS-centrum en van de dienst voor gezondheidspromotie op school;2° de middelen voortgebracht door de gedifferentieerde omkadering;3° de cel voor plaatselijk overleg bedoeld bij artikel 4, § 3, van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie. De externe middelen bedoeld bij paragraaf 1 zijn, inzonderheid : 1° de programma's voor voortgezette opleiding;2° de Dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs bedoeld bij artikel 4, § 1, van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs;3° de Cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding bedoeld bij artikel 4, § 2, van het voormelde decreet van 8 maart 2007;4° de bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 7 van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie. § 3. De prioritaire acties bedoeld bij paragraaf 1 worden in het inrichtingsproject bedoeld bij artikel 67 geïntegreerd, volgens de nadere regels bepaald bij de artikelen 69 tot 71.

Ze worden uitgerust met kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van verwezenlijking en resultaten, die toelaten de vorderingen te meten. § 4. Het aldus geamendeerde inrichtingsproject wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde Inspectiedienst. Afdeling 4. - Wijziging van het decreet van 27 maart 2002 betreffende

de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap

Art. 36.In artikel 3 van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 11 juli 2002, aangevuld bij de decreten van 12 mei 2004, 4 april 2005, 19 mei 2006, 2 juni 2006, 5 juni 2008, 30 april 2009, 18 maart 2010 en 12 juli 2012, wordt een punt 16 ingevoegd, luidend als volgt : "16. 1° voor de inrichtingen die een deel van het pedagogische continuüm organiseren zoals bepaald bij artikel 13, § 1, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, te bepalen wat als beduidend verschil tussen inrichtingen kan worden beschouwd; daartoe, steunt de sturingscommissie op een vergeleken analyse van gekruiste en steeds opkomende indicatoren die door haar goedgekeurd worden, voor een geheel inrichtingen gelegen in dezelfde zone, met eenzelfde profiel, en inzonderheid, die tot eenzelfde klasse behoren, zoals bedoeld bij artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving; 2° in de inrichtingen die een beduidend verschil vertonen boven het gemiddelde van de vergeleken inrichtingen, inzonderheid met de steun van de Inspectiedienst, een lijst op te maken van de doeltreffende praktijken die ze implementeren, om voor de verspreiding ervan te zorgen;3° de inrichtingen te identificeren die een beduidend verschil vertonen onder het gemiddelde van de vergeleken inrichtingen, en ze globaal de elementen over te zenden die ze in staat zullen stellen de integratie te bewerkstelligen in hun inrichtingsproject, overeenkomstig artikel 67/2 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, van een bepaald aantal prioritaire acties bedoeld om hun resultaten te verhogen, zoals een lijst van de doeltreffende praktijken, suggesties voor een correcte afstemming van de interne middelen van de inrichting en de externe middelen beschikbaar voor de inrichting.De Commissie behoudt de vertrouwelijkheid van de gegevens betreffende elke inrichting; de mededeling van de analyses en suggesties vanuit deze gegevens alsook de gegevens betreffende de andere inrichtingen bedoeld bij 1° mogen in geen geval toelaten de schoolinrichtingen te identificeren. De gegevens die ze betreft en die aan de inrichtingen gegeven worden kunnen door ze enkel gebruikt worden om de prioritaire acties te bepalen die hun resultaten zouden kunnen verbeteren.". Afdeling 5. - Wijziging van het decreet van 3 maart 2004 tot

organisatie van het gespecialiseerd onderwijs

Art. 37.In het decreet van 3 maart 2004 tot organisatie van het gespecialiseerd onderwijs, wordt een artikel 28/1 ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 28/1.Onverminderd artikel 29, § 4, van het decreet van 2 juni 2006 betreffende de externe evaluatie van de verworven kennis van leerlingen van het leerplichtonderwijs en het getuigschrift van basisonderwijs na het lager onderwijs, stelt de Klassenraad bedoeld bij artikel 27, voor iedere leerling die het gespecialiseerd lager onderwijs verlaat om zich in het gewoon secundair onderwijs in te schrijven zonder houder te zijn van het getuigschrift basisstudies, een competentieverslag op dat betrekking heeft op de beheersing van de competentiesokkels op 12 jarige leeftijd volgens een door de Regering bepaald model.

Het hoofd van een inrichting voor lager onderwijs zendt zonder verwijl aan de school voor secundair onderwijs die het aanvraagt het competentieverslag bedoeld bij het eerste lid alsook het geïndividualiseerd leerplan bedoeld bij artikel 4, § 1.".

Art. 38.In hetzelfde decreet wordt een artikel 44ter ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 44ter.Wanneer bijkomende lestijden naast het lestijdenpakket toegekend aan een schoolinrichting overeenkomstig artikel 37, § 1, van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie, aan de tijdelijke aanwerving worden besteed van een lid van het hulpopvoedend personeel overeenkomstig artikel 37, § 2, van hetzelfde decreet, kan de betrekking van dat lid van het hulpvoedend personeel in vier delen gedeeld worden.". Afdeling 6. - Wijziging van het decreet van 12 mei 2004 houdende de

organisatie van de examencommissie van de Franse Gemeenschap voor het Secundair Onderwijs

Art. 39.In artikel 6 van het decreet van 12 mei 2004 houdende de organisatie van de examencommissie van de Franse Gemeenschap voor het Secundair Onderwijs, zoals gewijzigd bij artikel 31 van het decreet van 17 oktober 2013 tot wijziging van verschillende bepalingen inzake leerplichtonderwijs en onderwijs voor sociale promotie, bij paragraaf 3, 5°, worden de woorden "bedoeld in de artikelen 25, § 1, 3°, § 2, 1°, 26, § 1,1°, 27,1°, 30, § 2, 1° " vervangen door de woorden "bedoeld in de artikelen 26, § 1, 1°, 28bis, § 1, 1° en 30, § 1, 1°, en § 2, 1° ". Afdeling 7. - Wijziging van het decreet van 2 juni 2006 betreffende de

externe evaluatie van de verworven kennis van leerlingen van het leerplichtonderwijs en het getuigschrift van basisonderwijs na het lager onderwijs

Art. 40.In artikel 29 van het decreet van 2 juni 2006 betreffende de externe evaluatie van de verworven kennis van leerlingen van het leerplichtonderwijs en het getuigschrift van basisonderwijs na het lager onderwijs, wordt een paragraaf 4 ingevoegd, luidend als volgt : " § 4. Voor elke leerling die het getuigschrift basisstudies niet heeft gekregen, stelt de examencommissie bedoeld bij artikel 29 een competentieverslag op over de beheersing van de competentiesokkels op 12 jarige leeftijd en vermeldt, in voorkomend geval, de gedeelten van de gemeenschappelijke externe proef bedoeld bij artikel 19, waarvoor de leerling geslaagd is. De Regering bepaalt het model voor het competentieverslag.

Wanneer één van deze leerlingen in het secundair onderwijs ingeschreven is, zendt het hoofd van de inrichting voor lager onderijs zonder verwijl aan de school voor secundair onderwijs die het aanvraagt het competentieverslag bedoeld bij het eerste lid alsook, desgevallend, het individueel leerplan bedoeld bij artikel 4, § 1, van het decreet van 3 maart 2004 tot organisatie van het gespecialiseerd onderwijs.".

Art. 41.In hetzelfde decreet, in artikel 36/2, vervangen bij het decreet van 28 maart 2013, worden de eerste twee leden vervangen door een tekst, luidend als volgt : "Worden onderworpen aan externe proeven die bekrachtigd worden met een getuigschrift die in aanmerking komen voor de uitreiking van het getuigschrift secundair onderwijs van de eerste graad op het einde van de derde fase van het pedagogisch continuüm : 1° alle leerlingen die in het gemeenschappelijke tweede jaar ingeschreven zijn;2° de leerlingen die, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 26, § 2, eerste lid, en 28, § 1, eerste lid, 1°, a, 2°, eerste lid, a, en § 2, eerste lid, 1°, van het decreet van 30 juni 2006 betreffende de pedagogische organisatie van de eerste graad van het secundair onderwijs, voor het bijkomend jaar georganiseerd op het einde van de eerste graad ingeschreven zijn overeenkomstig titel III van hetzelfde decreet van 30 juni 2006. Deze externe proeven die bekrachtigd worden met een getuigschrift zijn ook toegankelijk, op aanvraag van de ouders of van de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent en, na het advies van de Klassenraad te hebben ingewonnen, voor elke leerling ingeschreven voor de tweede en derde fases van het gespecialiseerd onderwijs van vorm 3.".

Art. 42.In artikel 36/9 van hetzelfde decreet, aangevuld met het decreet van 12 juli 2012 en vervangen bij het decreet van 28 maart 2013, in paragraaf 2, worden de woorden "in de artikelen 25, § 1, 3°, § 2, 1°, 26, § 1,1°, 27, § 1, 1°, 30, § 2, 1° " vervangen door de woorden "in de artikelen 26, § 1, 1°, 28bis, § 1, 1° en 30, § 1, eerste lid, 1°, en § 2, 1° ". Afdeling 8 : - Wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende

de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs

Art. 43.In artikel 6 van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009 en aangevuld bij het decreet van 18 mei 2012, bij paragraaf 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 1°, worden de woorden "de opleidingsprofielen" vervangen door de woorden "de kwalificatieprofielen of, bij gebreke daaraan, de opleidingsprofielen bepaald overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 27 oktober 1994 tot organisatie van het overleg voor het secundair onderwijs"; 2° er wordt een punt 19° ingevoegd, luidend als volgt : "19° het opstellen, om de drie jaar, van een verslag over het implementeren en de doeltreffendheid, in de inrichtingen die een beduidend verschil vertonen onder het gemiddelde van de vergeleken inrichtingen bedoeld bij artikel 3, punt 16, 2°, van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, van de prioritaire acties besloten in het inrichtingsproject om hun prestaties te verbeteren, overeenkomstig artikel 67/2 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren.".

TITEL III. - Slotbepaling

Art. 44.Dit decreet treedt in werking, jaar per jaar, op 1 september 2014.

Nochtans, in afwijking van het vorige lid, kunnen de inrichtende machten het stelsel dat op 31 augustus 2014 gold en dit, gedurende de schooljaren 2014-2015 (in 1A, 2A, 1B, 1G, 2G, 2GB), 2015-2016 (in 1B, 2A, 2B, 2G, 2GB), en 2016-2017 (in 2B, 2GB). In dat geval geven ze bericht er van aan de Diensten van de Regering, volgens nader door deze diensten te bepalen regels.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 11 april 2014.

De Minister-president van de Regering van de Franse Gemeenschap, R. DEMOTTE De Vicepresident en Minister van Kind, Onderzoek en Ambtenarenzaken, J.-M. NOLLET De Vicepresident en Minister van Begroting, Financiën en Sport, A. ANTOINE De Vicepresident en Minister van Hoger Onderwijs, J.-Cl. MARCOURT De Minister van Jeugd, Mevr. E. HUYTEBROECK De Minister van Cultuur, Audiovisuele Sector, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. F. LAANAN De Minister van Leerplichtonderwijs en van Onderwijs voor Sociale Promotie, Mevr. M.-M. SCHYNS _______ Nota (1) Zitting 2013 - 2014 Stukken van het Parlement.- Ontwerp van decreet, nr. 640. - 1. Advies van de Raad van State, nr. 640-2.

Integraal verslag. - Mondeling verslag, bespreking en aanneming. - Vergadering van 10 april 2014.

^