Etaamb.openjustice.be
Decreet van 04 mei 2018
gepubliceerd op 16 juli 2018

Decreet betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten

bron
vlaamse overheid
numac
2018012999
pub.
16/07/2018
prom.
04/05/2018
ELI
eli/decreet/2018/05/04/2018012999/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

4 MEI 2018. - Decreet betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten (1)


Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991

Art. 2.In artikel 3 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 35° wordt de zinsnede "of in het volwassenenonderwijs zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" opgeheven;2° in punt 36° worden de woorden "en lector in het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding in het volwassenenonderwijs" opgeheven.

Art. 3.Artikel 29bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016, wordt opgeheven.

Art. 4.Aan artikel 31 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 30 april 2009, 21 december 2012 en 25 april 2014, worden een paragraaf 5, 6 en 7 toegevoegd, die luiden als volgt : " § 5. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.

Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur op 1 september 2020 of op 1 september 2021 een personeelslid op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs als het personeelslid aan volgende voorwaarden voldoet : 1° het personeelslid is op 1 september 2019 overgegaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; 2° het personeelslid was uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en was op diezelfde datum belast met een coördinatieopdracht;3° het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd was in het ambt van lector in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van lector. § 6. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. § 7. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.

Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.

In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.".

Art. 5.In artikel 34, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt de zinsnede "van artikel 31, § 3 of § 4" vervangen door de zinsnede "van artikel 31, § 3, § 4, § 5, § 6 of § 7".

Art. 6.Artikel 43bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016, wordt opgeheven.

Art. 7.In hetzelfde decreet worden in het opschrift van hoofdstuk VI, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 12 juli 2013, de woorden "of bij de overheveling van een hbo5- of een SLO-opleiding" opgeheven.

Art. 8.Artikel 56/2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013 en gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 3 juli 2015, wordt opgeheven.

Art. 9.Aan artikel 88, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 21 december 2012, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt : "7° de weigering van een vastbenoemde lector van een centrum voor volwassenenonderwijs om op 1 september 2009 over te gaan naar een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 103undecies.".

Art. 10.In artikel 88bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 19 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zinsnede "of artikel 88, 3° " wordt vervangen door de zinsnede "of artikel 88, eerste lid, 3° en 7° "; 2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : "Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld en kan hij door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder - met een andere opdracht worden belast en, uitgezonderd bij een ontslag volgens artikel 88, eerste lid, 7°, naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht worden vervangen.".

Art. 11.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 103undecies ingevoegd, dat luidt als volgt : "

Art. 103undecies.Een vastbenoemde lector aan een centrum voor volwassenenonderwijs die op 1 september 2019 niet wil overgaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, deelt die beslissing uiterlijk op 1 januari 2019 aan de raad van bestuur van het centrum voor volwassenenonderwijs mee. In dat geval komt er in toepassing van artikel 88, eerste lid, 7°, op 1 september 2019 een einde aan de vaste benoeming van het betrokken personeelslid als lector bij het centrum voor volwassenenonderwijs.

In afwijking van het eerste lid blijft een personeelslid dat niet wil overgaan naar een vrije hogeschool personeelslid van de scholengroep van het centrum voor volwassenenonderwijs en wordt het op het ogenblik van de overdracht van de opleiding ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van lector.".

Art. 12.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 103duodecies ingevoegd, dat luidt als volgt : "

Art. 103duodecies.De hierna volgende personeelsleden die op 31 december 2018 aangesteld zijn in een betrekking in een specifieke lerarenopleiding en die na de stopzetting van die opleiding overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, naar een hogeschool overgaan, delen uiterlijk op 1 januari 2019 aan de raad van bestuur van het centrum voor volwassenenonderwijs mee of zij na de stopzetting van de specifieke lerarenopleiding aan de hogeschool of de universiteit willen werken die de financiering voor die opleiding overneemt : 1° de vastbenoemde lector, voor het deel van zijn opdracht waarvoor hij niet ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking; 2° de lector die tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur in een vacante betrekking.".

Art. 13.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 103ter decies ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 103ter decies. § 1. De bevoegde dienst van het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgt ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een HBO5-opleiding of een specifieke lerarenopleiding aanbiedt, uiterlijk op 1 januari 2019 een nominatieve lijst van de volgende personeelsleden van het centrum voor volwassenenonderwijs : 1° de lectoren die aan de HBO5-opleiding verbonden zijn;2° de lectoren die aan de specifieke lerarenopleiding verbonden zijn;3° de leden van het bestuurs- en ondersteunend personeel. In afwijking van het eerste lid worden de personeelsleden met een terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen niet op de personeelslijst opgenomen.

Er wordt voor elk van de in het eerste lid vermelde groepen een aparte personeelslijst opgemaakt. Voor de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde groepen worden twee deellijsten gemaakt, met name : 1° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, overgenomen worden door een hogeschool; 2° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/4 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure door een hogeschool kunnen overgenomen worden. De vastbenoemde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van lector worden op de tweede deellijst opgenomen. § 2. Een in paragraaf 1 vermelde lijst bevat de volgende gegevens : 1° de voor- en achternaam;2° het stamboeknummer;3° het ambt en de daaraan verbonden salarisschaal;4° het statuut (vastbenoemd, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur, tijdelijk aangesteld voor bepaalde duur);5° de aanduiding `titularis' of `vervanger van een titularis';6° de omvang van de opdracht in de opleiding op 31 december 2018; 7° de werkelijk uitgeoefende omvang van de betrekking op 31 december 2018 met vermelding van het eventuele verlofstelsel.".

Art. 14.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 103quater decies ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 103quater decies. Ieder centrum voor volwassenenonderwijs verifieert de door het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgde lijst. Het centrum stuurt de lijst voor 1 februari 2019 naar het Ministerie van Onderwijs en Vorming terug met de volgende vermeldingen : 1° rechtzettingen van administratieve onjuistheden van de bezorgde gegevens; 2° de vastbenoemde personeelsleden die niet naar een hogeschool willen overgaan overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; 3° de dienstanciënniteit van de personeelsleden; 4° op de lijst met de vastbenoemde lectoren en lectoren met een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking aan een specifieke lerarenopleiding : de voorkeur van het personeelslid om over te gaan naar de hogeschool of de universiteit die de financiering van de specifieke lerarenopleiding overneemt.".

Art. 15.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 103quinquies decies ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 103quinquies decies. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een hbo5-opleiding aanbiedt en aan de hogeschool waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 1° en 3°, vermelde personeelsleden.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een specifieke lerarenopleiding aanbiedt en aan de hogeschool en universiteit waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2° en 3°, vermelde personeelsleden.". HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991

Art. 16.In artikel 5 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 25° wordt de zinsnede "of in het volwassenenonderwijs zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" opgeheven;2° in punt 26° worden de woorden "en lector in het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding in het volwassenenonderwijs" opgeheven.

Art. 17.Artikel 34bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016, wordt opgeheven.

Art. 18.Artikel 38bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016, wordt opgeheven.

Art. 19.Aan artikel 45 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 18 mei 1999, 30 april 2009 en 21 december 2012, worden een paragraaf 5, 6 en 7 toegevoegd, die luiden als volgt : " § 5. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.

Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.

In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.

In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht op 1 september 2020 of op 1 september 2021 een personeelslid op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs als het personeelslid aan volgende voorwaarden voldoet : 1° het personeelslid is op 1 september 2019 overgegaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; 2° het personeelslid was uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en was op diezelfde datum belast met een coördinatieopdracht;3° het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd was in het ambt van lector in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van lector. § 6. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.

In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. § 7. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.

Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.

In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.

Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.

In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.

In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.".

Art. 20.In artikel 46 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992, 21 december 1994, 18 mei 1999 en 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede "bij toepassing van artikel 45, § 3 en 4" vervangen door de zinsnede "bij toepassing van artikel 45, § 3, § 4, § 5, § 6 of § 7";2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "van artikel 45, § 3" vervangen door de zinsnede "van artikel 45, § 3, § 4, § 5, § 6 of § 7".

Art. 21.Aan artikel 62, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 8 mei 2009 en 21 december 2012, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt : "6° de weigering van een vastbenoemde lector van een centrum voor volwassenenonderwijs om op 1 september 2009 over te gaan naar een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 84vicies semel.".

Art. 22.In artikel 62bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zinsnede "of artikel 62, 3° " wordt vervangen door de zinsnede "of artikel 62, eerste lid, 3° en 6° "; 2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : "Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld en kan hij door de inrichtende macht met een andere opdracht worden belast en, uitgezonderd bij een ontslag volgens artikel 62, eerste lid, 6°, naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht worden vervangen.".

Art. 23.In titel II van hetzelfde decreet worden in het opschrift van hoofdstuk X, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 12 juli 2013, de woorden "of bij een overheveling van een hbo5- of SLO-opleiding" opgeheven.

Art. 24.Artikel 74bis2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013 en gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 3 juli 2015, wordt opgeheven.

Art. 25.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016, wordt een artikel 84vicies semel ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 84vicies semel. Een vastbenoemde lector aan een centrum voor volwassenenonderwijs die op 1 september 2019 niet wil overgaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, deelt die beslissing uiterlijk op 1 januari 2019 aan de inrichtende macht van het centrum voor volwassenenonderwijs mee. In dat geval komt er op 1 september 2019 in toepassing van artikel 62, eerste lid, 6°, een einde aan de vaste benoeming van het betrokken personeelslid als lector bij het centrum voor volwassenenonderwijs.

In afwijking van het eerste lid blijft een personeelslid dat geaffecteerd is aan een centrum voor volwassenenonderwijs, ingericht door een inrichtende macht van het gesubsidieerd officieel onderwijs, dat niet wil overgaan naar een vrije hogeschool personeelslid van de inrichtende macht van het centrum voor volwassenenonderwijs en wordt het op het ogenblik van de overdracht van de opleiding ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van lector.

In afwijking van het eerste lid blijft een personeelslid dat geaffecteerd is aan een centrum voor volwassenenonderwijs, ingericht door het gesubsidieerd vrij onderwijs, dat niet wil overgaan naar een publiekrechtelijke hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, personeelslid van de inrichtende macht van het centrum voor volwassenenonderwijs en wordt het op het ogenblik van de overdracht van de opleiding ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van lector.".

Art. 26.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 84vicies bis ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 84vicies bis. De hierna volgende personeelsleden die op 31 december 2018 aangesteld zijn in een betrekking in een specifieke lerarenopleiding en na de stopzetting van die opleiding overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, naar een hogeschool overgaan, delen uiterlijk op 1 januari 2019 aan de raad van bestuur van het centrum voor volwassenenonderwijs mee of zij na de stopzetting van de specifieke lerarenopleiding aan de hogeschool of de universiteit willen werken die de financiering voor die opleiding overneemt : 1° de vastbenoemde lector, voor het deel van zijn opdracht waarvoor hij niet ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking; 2° de lector die tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur in een vacante betrekking.".

Art. 27.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 84vicies ter ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 84vicies ter. § 1. De bevoegde dienst van het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgt ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een hbo5-opleiding of een specifieke lerarenopleiding aanbiedt, uiterlijk op 1 januari 2019 een nominatieve lijst van de volgende personeelsleden van het centrum : 1° de lectoren die aan de hbo5-opleiding verbonden zijn;2° de lectoren die aan de specifieke lerarenopleiding verbonden zijn;3° de leden van het bestuurs- en ondersteunend personeel. In afwijking van het eerste lid worden de personeelsleden met een terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen niet op de personeelslijst opgenomen.

Er wordt voor elk van de in het eerste lid vermelde groepen een aparte personeelslijst opgemaakt. Voor de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde groepen worden twee deellijsten gemaakt, met name : 1° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, overgenomen worden door een hogeschool; 2° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/4 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure door een hogeschool kunnen overgenomen worden. De vastbenoemde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van lector worden op de tweede deellijst opgenomen. § 2. Een in paragraaf 1 vermelde lijst bevat de volgende gegevens : 1° de voor- en achternaam;2° het stamboeknummer;3° het ambt en de daaraan verbonden salarisschaal;4° het statuut (vastbenoemd, terbeschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur, tijdelijk aangesteld voor bepaalde duur);5° de aanduiding `titularis' of `vervanger van een titularis';6° de omvang van de opdracht in de opleiding op 31 december 2018; 7° de werkelijk uitgeoefende omvang van de betrekking op 31 december 2018 met vermelding van het eventuele verlofstelsel.".

Art. 28.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 84vicies quater ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 84vicies quater. Ieder centrum voor volwassenenonderwijs verifieert de door het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgde lijst. Het centrum stuurt de lijst voor 1 februari 2019 naar het Ministerie van Onderwijs en Vorming terug met de volgende vermeldingen : 1° rechtzettingen van administratieve onjuistheden van de bezorgde gegevens; 2° de vastbenoemde personeelsleden die niet naar een hogeschool willen overgaan overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; 3° de dienstanciënniteit van de personeelsleden; 4° op de lijst met de vastbenoemde lectoren en lectoren met een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking aan een specifieke lerarenopleiding : de voorkeur van het personeelslid om over te gaan naar de hogeschool of de universiteit die de financiering van de specifieke lerarenopleiding overneemt.".

Art. 29.In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een artikel 84vicies quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. 84vicies quinquies. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een hbo5-opleiding aanbiedt en aan de hogeschool waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 1° en 3°, vermelde personeelsleden.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een specifieke lerarenopleiding aanbiedt en aan de hogeschool en universiteit waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2° en 3°, vermelde personeelsleden.". HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap

Art. 30.In artikel 5 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 16° /1 wordt punt b) opgeheven;2° in punt 16° /1, e), wordt de zinsnede ", met uitzondering van de opleiding vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" opgeheven; 3° aan punt 16° /1 wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt : "f) een lerarenopleiding als vermeld in artikel II.111 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;"; 4° punt 35° wordt opgeheven.

Art. 31.In artikel 20, § 2, van hetzelfde decreet wordt punt 3° opgeheven.

Art. 32.In artikel 21 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt : " § 1. Iedere student kan een studietoelage krijgen voor het behalen van een diploma voor twee bachelors, twee graduaten, een master, een lerarenopleiding en voor het voltooien van een voorbereidingsprogramma en een schakelprogramma.".

Art. 33.In artikel 23, § 3, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt de zinsnede "in het tweede, derde en vierde lid" vervangen door de zinsnede "in het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid";2° er worden een vijfde en zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt : "Een student mag voor het behalen van een eerste graduaatsdiploma slechts zoveel studiepunten voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de opleiding van het hoger beroepsonderwijs waarvoor de student zich in het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven telt, vermeerderd met zestig. De student die reeds een graduaatsdiploma behaald heeft, is studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn tweede graduaatsdiploma totdat hij in totaal maximaal het aantal studiepunten verworven heeft dat gelijk is aan de totale studieomvang van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waarvoor de student zich inschreef telt, vermeerderd met maximaal zestig studiepunten.".

Art. 34.In artikel 30 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010, 25 april 2014, 19 juni 2015 en 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2, 1°, worden de woorden "het Structuurdecreet" vervangen door de zinsnede "de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013"; 2° in paragraaf 3, 3°, wordt de zinsnede "de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en de masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen, zoals gewijzigd" vervangen door de zinsnede "de lijst, vermeld in artikel II.170, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013".

Art. 35.In artikel 70 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 25 april 2014, wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, die luidt als volgt : " § 1bis. De diploma's en de opleidingen die de student tussen het academiejaar 2008-2009 en het academiejaar 2020-2021 behaald respectievelijk voltooid heeft, worden in rekening gebracht bij het bepalen of de student een studietoelage kan verkrijgen als vermeld in artikel 21, § 1. Daarbij wordt een diploma voor lerarenopleiding als vermeld in artikel 21, § 1, met volgende diploma's en voltooide opleidingen gelijkgesteld : a) elke voltooide specifieke lerarenopleiding;b) elke voltooide educatieve graduaatsopleiding;c) elke voltooide bacheloropleiding uit het studiegebied Onderwijs; d) elke voltooide educatieve masteropleiding.". HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs

Art. 36.In artikel 2 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 11° wordt vervangen door wat volgt : "11° deelcertificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die een module in de basiseducatie of het secundair volwassenenonderwijs met goed gevolg heeft beëindigd;"; 2° in punt 12° worden de woorden "of het hoger" opgeheven;3° in punt 24° worden de woorden "of een lector" opgeheven;4° in punt 29° wordt de zinsnede ", met uitzondering van deze in het hoger beroepsonderwijs waar modules verder worden onderverdeeld in opleidingsonderdelen," opgeheven;5° in punt 40° wordt de zinsnede ", het hoger beroepsonderwijs, een specifieke lerarenopleiding" opgeheven;6° in punt 41° worden de woorden "of in het hoger beroepsonderwijs" opgeheven;7° punt 42° bis wordt opgeheven;8° punt 43° wordt opgeheven.

Art. 37.In artikel 4 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, worden punt 3° en punt 4° opgeheven.

Art. 38.In artikel 5 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 9 juli 2010 en 12 juli 2013, wordt paragraaf 3 opgeheven.

Art. 39.Artikel 8 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 12 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt opgeheven.

Art. 40.In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, wordt de zinsnede "en de concordantie tussen de categorieën technisch hoger onderwijs, economisch hoger onderwijs, agrarisch hoger onderwijs, paramedisch hoger onderwijs, sociaal hoger onderwijs, artistiek hoger onderwijs, pedagogisch hoger onderwijs en maritiem hoger onderwijs en de studiegebieden van het hoger beroepsonderwijs" opgeheven.

Art. 41.In titel III, hoofdstuk IV, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, wordt afdeling II, die bestaat uit artikel 16 tot en met 19 en artikel 21 tot en met 22, opgeheven.

Art. 42.Artikel 34 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 9 juli 2010, wordt opgeheven.

Art. 43.Artikel 34bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt opgeheven.

Art. 44.In artikel 35 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zinsnede "vermeld in artikel 31, 32, 33, 34 en 34bis" wordt telkens vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 31, 32 en 33";2° in paragraaf 2, 1°, worden de woorden "of modulebewijs" opgeheven.

Art. 45.In artikel 38 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 19 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "en in het hoger beroepsonderwijs ook voor elk opleidingsonderdeel" opgeheven;2° paragraaf 2 wordt opgeheven.

Art. 46.Artikel 39 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, wordt vervangen door wat volgt : "

Art. 39.Elk centrumbestuur bepaalt zijn evaluatiereglement. Dat evaluatiereglement omvat ten minste : 1° de evaluatievoorwaarden;2° de vorm van iedere evaluatie;3° de tijdvakken waarbinnen de evaluaties worden afgelegd;4° de samenstelling van de evaluatiecommissies;5° de wijze van beraadslaging door de evaluatiecommissies en bekendmaking van de evaluatieresultaten;6° de procedure waarbij conflicten die plaatsvinden tussen de cursisten en de leden van de evaluatiecommissie voor de beraadslaging, worden behandeld of waarbij vermoede materiële vergissingen die na het afsluiten van de beraadslaging zijn vastgesteld, kunnen worden rechtgezet; 7° de procedure voor vrijstelling van evaluaties en voor de regeling van betwistingen hierover.".

Art. 47.In artikel 41 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 8 mei 2009, 12 juli 2013, 19 juni 2015 en 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de zin "In het hoger beroepsonderwijs wordt een module bekrachtigd met een modulebewijs." opgeheven; 2° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt : "1° een opleiding, met uitzondering van de opleidingen vermeld in paragraaf 3 en paragraaf 4;"; 3° in paragraaf 4, 2°, worden tussen de woorden "een diploma" en de woorden "van gegradueerde" de woorden "of graad" ingevoegd;4° paragraaf 5 en paragraaf 6 worden opgeheven.

Art. 48.In titel III, hoofdstuk IX, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 juli 2011, 12 juli 2013 en 19 juni 2015, wordt afdeling II, die bestaat uit artikel 54 en 55, opgeheven.

Art. 49.In titel III, hoofdstuk IX, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 juli 2011, 12 juli 2013 en 19 juni 2015, wordt afdeling III, die bestaat uit artikel 55bis, opgeheven.

Art. 50.In artikel 56, 4°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 12 juli 2013, wordt de zinsnede "of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan" opgeheven.

Art. 51.In artikel 60, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt de zinsnede ", specifieke lerarenopleiding of hoger beroepsonderwijs" opgeheven.

Art. 52.In artikel 63 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, 1°, wordt de zinsnede "vermeld in artikelen 7 en 8" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 7";2° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden "en de organisatie van de specifieke lerarenopleidingen" opgeheven;3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt : " § 2.De onderwijsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1, 1°, wordt vanaf 1 september 2017 voor het secundair volwassenenonderwijs per vestigingsplaats toegekend in de vorm van een studiegebied als vermeld in artikel 7."; 4° in paragraaf 2bis worden het derde en het vierde lid opgeheven; 5° in paragraaf 2bis wordt het bestaande vijfde lid, dat het derde lid wordt, vervangen door wat volgt : "De Vlaamse Regering legt op basis van de criteria, vermeld in het eerste en het tweede lid, per vestigingsplaats van de centra voor volwassenenonderwijs een lijst vast met de onderwijsbevoegdheden voor de studiegebieden, vermeld in artikel 7.".

Art. 53.In artikel 64 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt opgeheven;2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "en 2" opgeheven;3° paragraaf 5 wordt opgeheven;4° in paragraaf 6, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede ", of de specifieke lerarenopleiding" opgeheven;5° in paragraaf 6, eerste lid, 1°, d), worden de woorden "of de specifieke lerarenopleiding" opgeheven;6° in paragraaf 6, eerste lid, wordt punt 2° opgeheven;7° in paragraaf 6, tweede lid, wordt de zinsnede "en 2" opgeheven.

Art. 54.Artikel 71 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt : "

Art. 71.De centra voor volwassenenonderwijs kunnen met de hogescholen of universiteiten een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen voor het gebruik van infrastructuur.".

Art. 55.Artikel 72 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 december 2015, wordt opgeheven.

Art. 56.In artikel 97 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 12 juli 2013 en gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014 en 16 juni 2017, worden paragraaf 2 en paragraaf 7 opgeheven.

Art. 57.In artikel 97bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt de zinsnede ", II.155" opgeheven.

Art. 58.In artikel 121, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, worden de woorden "of in het hoger beroepsonderwijs het opleidingsonderdeel" opgeheven.

Art. 59.In titel VI, hoofdstuk II, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 21 december 2012, wordt afdeling III, die bestaat uit artikel 130bis, opgeheven.

Art. 60.Artikel 181bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010 en vervangen bij het decreet van 12 juli 2013, wordt opgeheven.

Art. 61.Artikel 185bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2009, wordt vervangen door wat volgt : "

Art. 185bis.Op 1 september 2019 verliezen de centra voor volwassenenonderwijs de onderwijsbevoegdheid voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bevoegdheid om de overeenstemmende diploma's van gegradueerde te verlenen.

De centra voor volwassenenonderwijs sluiten een overeenkomst met een hogeschool als vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, die de betreffende opleidingen zal aanbieden. Die overeenkomst betreft de wijze waarop de ingeschreven cursisten hun opleiding kunnen voltooien.".

Art. 62.Artikel 194bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt opgeheven. HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur

Art. 63.In artikel 14, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, gewijzigd bij de decreten van 1 juli 2011 en 23 december 2016, wordt het woord "vijf" vervangen door het woord "vier".

Art. 64.In artikel 15/1, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013 en vervangen bij het decreet van 23 december 2016, wordt de zinsnede "samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 50 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" vervangen door het woord "hogescholen".

Art. 65.In artikel 15/2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 50 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs," vervangen door het woord "hogescholen";2° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "samenwerkingsverbanden kunnen" vervangen door de woorden "hogescholen kunnen"; 3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 12 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" vervangen door de zinsnede "artikel II.26 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013". HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010

Art. 66.In artikel 2, § 2/1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt de zinsnede "het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" vervangen door de zinsnede "de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013".

Art. 67.In artikel 132, tweede lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede "het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" vervangen door de zinsnede "de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013".

Art. 68.In artikel 158, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt de zinsnede "de datum voor omvorming, vermeld in artikel 161, § 2, eerste lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" vervangen door de zinsnede "de omvorming, vermeld in artikel II.150/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013,". HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013

Art. 69.In artikel I.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 8 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een punt 11° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "11° /1 beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;"; 2° punt 19° wordt opgeheven;3° in punt 29° worden tussen de woorden "een diplomacontract voor" en de woorden "een professioneel of" de woorden "een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of" ingevoegd;4° in punt 33° wordt tussen de woorden "aanduiding van" en het woord "bachelor" de zinsnede "gegradueerde," ingevoegd; 5° er wordt een punt 43° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "43° /1 onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties dat noodzakelijk is om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs aangevat kunnen worden of waarmee beroepsactiviteiten uitgeoefend kunnen worden als vermeld in artikel 9 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;"; 6° er wordt een punt 77° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "77° /1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is;".

Art. 70.In artikel II.7 van dezelfde codex wordt tussen de woorden "graden van" en het woord "bachelor" de zinsnede "gegradueerde," ingevoegd.

Art. 71.In artikel II.23 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt punt 3° opgeheven;2° in paragraaf 4 wordt punt 3° opgeheven.

Art. 72.In artikel II.24 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 23 december 2016 en 8 december 2017, worden punt 6°, punt 7° en punt 8° opgeheven.

Art. 73.In artikel II.37, § 2, van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : "De leden van het verzelfstandigd orgaan, vermeld in het eerste lid, moeten expertise hebben met betrekking tot kwaliteitszorg van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, het hoger professioneel onderwijs en het academisch onderwijs.".

Art. 74.In artikel II.57, eerste lid, van dezelfde codex wordt de zin "Het hoger onderwijs omvat opleidingen die leiden tot de graad van bachelor en de graad van master en opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die leiden tot een diploma van gegradueerde en specifieke lerarenopleidingen die leiden tot een diploma van leraar." vervangen door de zin "Het hoger onderwijs omvat opleidingen die leiden tot de graad van gegradueerde, de graad van bachelor en de graad van master.".

Art. 75.In artikel II.59 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de woorden "het diploma" vervangen door de woorden "de graad";2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "overeenkomstig bepalingen, vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs" opgeheven;3° in paragraaf 3, 1°, worden de woorden "het diploma" vervangen door de woorden "de graad";4° in paragraaf 4, 1°, worden de woorden "het diploma" vervangen door de woorden "de graad".

Art. 76.Aan artikel II.62, § 1, van dezelfde codex worden de woorden "of van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs" toegevoegd.

Art. 77.In artikel II.63, § 2, van dezelfde codex wordt de zinsnede "een minimale globale duur van 2 jaar en" opgeheven.

Art. 78.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een artikel II.66/2 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.66/2. Elke graduaatsopleiding bevat een relevant aandeel werkplekleren. Als minimale norm geldt een derde van de studieomvang.".

Art. 79.Aan artikel II.68 van dezelfde codex wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "De domeinspecifieke leerresultaten voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs komen tot stand volgens de procedure, vermeld in artikel 15/2 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.".

Art. 80.In artikel II.71 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt : "De hogescholen kunnen in het hoger beroepsonderwijs en in het hoger professioneel onderwijs opleidingen organiseren en de overeenstemmende graden van gegradueerde respectievelijk van bachelor verlenen in of over de volgende studiegebieden :";2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt : " § 3.De Hogere Zeevaartschool kan in het hoger beroepsonderwijs, in het hoger professioneel onderwijs en in het academisch onderwijs opleidingen aanbieden en de overeenstemmende graden van respectievelijk gegradueerde, van bachelor en van bachelor en master verlenen in het studiegebied Nautische wetenschappen.".

Art. 81.In artikel II.75, § 3, 3°, van dezelfde codex worden tussen de woorden "het diploma" en de woorden "van gegradueerde" de woorden "of de graad" ingevoegd.

Art. 82.Artikel II.83 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.83. § 1. De Arteveldehogeschool kan in de vestiging Gent opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. De Arteveldehogeschool kan in de vestiging Oudenaarde opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend; 2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 83.Artikel II.84 van dezelfde codex, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 september 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.84. § 1. Odisee kan in de vestiging Brussel-Hoofdstad en Dilbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. Odisee kan in de vestigingen Gent, Sint-Niklaas en Aalst opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Biotechniek, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 84.Artikel II.85 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.85. § 1. De Erasmushogeschool Brussel kan in de vestiging Brussel-Hoofdstad en Vilvoorde opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Architectuur, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;c) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;3° Biotechniek, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;6° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;7° Muziek en podiumkunsten, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;c) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;8° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;9° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. De Erasmushogeschool Brussel kan in de vestiging Leuven opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 3. De Erasmushogeschool kan in de vestiging Diest opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 85.Aan artikel II.87 van dezelfde codex wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt : "c) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 86.Artikel II.88 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.88. § 1. De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen kan in de vestigingen Antwerpen, Turnhout, Mechelen en Lier opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Muziek en podiumkunsten, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;c) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;6° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;7° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen kan in de vestiging Boom opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 3. De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen kan in de vestiging Turnhout opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Biotechniek, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 87.Artikel II.89 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.89. § 1. De Hogeschool Gent kan in de vestigingen Gent en Aalst opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Architectuur, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;3° Biotechniek, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;6° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;7° Muziek en podiumkunsten, waarvoor : a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;8° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;9° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. De Hogeschool Gent kan in de vestiging Dendermonde opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 3. De Hogeschool Gent kan in de vestiging Lokeren opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 88.Artikel II.90 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.90. § 1. De Hogeschool PXL kan in de vestiging Hasselt opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;2° Biotechniek, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;6° Muziek en podiumkunsten, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;7° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;8° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. De Hogeschool PXL kan in de vestiging Maasmechelen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend; 2° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 89.Artikel II.91 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.91. De Hogeschool West-Vlaanderen kan in de vestigingen Brugge, Oostende en Kortrijk opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Architectuur, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 90.Artikel II.92 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.92. § 1. De LUCA School of Arts kan in de vestigingen Brussel-Hoofdstad, Leuven en Gent opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Architectuur, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;c) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Muziek en podiumkunsten, waarvoor : a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts. § 2. De LUCA School of Arts kan in de vestiging Diepenbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in volgende studiegebieden : 1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts; b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts.".

Art. 91.Artikel II.93 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.93. De Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen kan in de vestiging Antwerpen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 92.Artikel II.94 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.94. § 1. De Katholieke Hogeschool Vives Noord kan in de vestigingen Brugge en Oostende opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. De Katholieke Hogeschool Vives Noord kan in de vestigingen Ieper en Koksijde opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend; 2° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 93.Artikel II.95 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.95. § 1. Thomas More Kempen kan in de vestigingen Vorselaar, Turnhout, Geel en Lier opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Biotechniek, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. Thomas More Kempen kan in de vestiging Westerlo opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend; 3° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 94.Artikel II.96 van dezelfde codex, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.96. § 1. UC Leuven kan in de vestigingen Leuven en Diest opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. UC Leuven kan in de vestiging Leuven opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Biotechniek, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 95.Artikel II.97 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014 en het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.97. UC Limburg kan in de vestiging Diepenbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 96.Artikel II.98 van dezelfde codex, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.98. § 1. Thomas More Mechelen-Antwerpen kan in de vestigingen Mechelen en Sint-Katelijne-Waver opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Architectuur, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. § 2. Thomas More Mechelen-Antwerpen kan in de vestiging Antwerpen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Biotechniek, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 97.Artikel II.100 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.100. De Katholieke Hogeschool Vives Zuid kan in de vestigingen Kortrijk, Tielt, Roeselare en Torhout opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden : 1° Biotechniek, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;2° Gezondheidszorg, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;5° Onderwijs, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend;6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor : a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.".

Art. 98.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een artikel II.100/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.100/1. Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.88, kan de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen in de vestiging Mol de opleiding van het hoger beroepsonderwijs Openbare Werken aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen.

Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.89, kan de Hogeschool Gent in de vestiging Geraardsbergen de opleiding van het hoger beroepsonderwijs Boekhouden aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen.

Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.91, kan de Hogeschool West-Vlaanderen in de vestiging Antwerpen de opleiding van het hoger beroepsonderwijs Bouwkundig Tekenaar aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen.

Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.94, kan de Katholieke Hogeschool Vives Noord in de vestiging Kortrijk de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs Elektromechanica, Elektronica en Mechanica aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen.

Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.95, kan Thomas More Kempen in de vestiging Herentals de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs Boekhouden en Informatica aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen.

Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.97, kan UC Limburg : 1° in de vestiging Maasmechelen de opleiding van het hoger beroepsonderwijs Boekhouden aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen;2° in de vestiging Overpelt de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs Elektriciteit en Mechanica aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen. Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.98, kan Thomas More Mechelen-Antwerpen in de vestiging Sint-Niklaas de opleiding van het hoger beroepsonderwijs Boekhouden aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen.

Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.100, kan de Katholieke Hogeschool Vives Zuid in de vestiging Brugge de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs Informatica en Motorvoertuigentechniek aanbieden en de graad van gegradueerde verlenen.

Indien een opleiding, vermeld in dit artikel, gedurende twee opeenvolgende academiejaren niet wordt ingericht, vervalt de onderwijsbevoegdheid.".

Art. 99.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een artikel II.100/2 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.100/2. § 1. Naast de opleidingen, vermeld in artikel II.83 tot en met II.100, kan een hogeschool, in functie van de laagdrempeligheid van het aanbod, de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs, vermeld in artikel II.112, en het verkorte traject van een educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs, vermeld in artikel II.113, § 4, ook aanbieden op de vestigingsplaats van een centrum voor volwassenenonderwijs als aan al de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° het centrum voor volwassenenonderwijs had onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding conform bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017 betreffende de onderwijsbevoegdheden per vestigingsplaats van de centra voor volwassenonderwijs; 2° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft een overeenkomst gesloten met de hogeschool in kwestie als vermeld in artikel III.33/1. § 2. Naast de opleidingen vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, of een universiteit in functie van de laagdrempeligheid van het aanbod, het verkorte traject van een educatieve masteropleiding, vermeld in artikel II.114, § 4, ook aanbieden op de vestigingsplaats van een centrum voor volwassenenonderwijs, als aan al de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° het centrum voor volwassenenonderwijs had onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding conform bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017 betreffende de onderwijsbevoegdheden per vestgingsplaats van de centra voor volwassenonderwijs; 2° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft een overeenkomst gesloten met de hogeschool of universiteit in kwestie als vermeld in artikel III.33/1. § 3. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, kan de Universiteit Gent het verkorte traject van een educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs ook aanbieden in de vestiging Kortrijk.".

Art. 100.Artikel II.104 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 101.In deel 2, titel 3, hoofdstuk 6, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt het opschrift van afdeling 1 vervangen door wat volgt : "Afdeling 1. Inhoudelijke bepalingen".

Art. 102.Artikel II.107 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.107. § 1. Het beroepsprofiel van de leraar is de omschrijving van de kennis, vaardig-heden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening en bevat de kennis van de te onderwijzen vakinhoud, de noodzakelijke didactische vaardigheden, klasmanagement, omgaan met de grootstedelijke context, de taalvaardigheid in het Nederlands, de meertaligheid en de diversificatie van het onderwijsgebeuren. Het beroepsprofiel bevat de taken die een ervaren leraar verricht en zal verrichten. Er zal naast een stevige basis ook rekening gehouden worden met het inspelen op maatschappelijke en andere ontwikkelingen.

De Vlaamse Regering bepaalt het beroepsprofiel van de leraar op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse Regering dient dit beroepsprofiel ter goedkeuring in bij het Vlaams Parlement. § 2. De basiscompetenties van de pas afgestudeerde leraar zijn de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes, waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige en kwalitatief gelijkwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren met de gepaste beroepshouding. De basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel en worden rechtstreeks afgeleid van het beroepsprofiel.

De Vlaamse Regering bepaalt de basiscompetenties op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.".

Art. 103.Artikel II.108 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 29 december 2015, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.108. § 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° inservicetraining : de praktijkcomponent van de lerarenopleiding die de kandidaat-leraar vervult als een personeelslid van een centrum, instelling of school;2° preservicetraining : de praktijkcomponent van de lerarenopleiding die de student zonder een statutaire relatie met een centrum, instelling of school vervult. § 2. Het opleidingsprogramma van een lerarenopleiding vormt een geïntegreerd geheel van een of meer vakinhouden en het aspect leraarschap, met inbegrip van een luik vakdidactiek en klasmanagement, en bestaat uit een combinatie van theoretisch en praktisch onderwijs dat inspeelt op actuele maatschappelijke thema's en ontwikkelingen.

De praktijkcomponent van het opleidingsprogramma, waarbij de student in hoofdzaak taken uitvoert in een reële school- en klascontext, omvat het geheel van praktijkgerichte onderwijsactiviteiten, preservicetraining en/of inservicetraining. De studieomvang van de praktijkcomponent, uitgedrukt in studiepunten bedraagt ten minste dertig studiepunten. § 3. De preservicetraining wordt begeleid door een personeelslid van de instelling die de lerarenopleiding aanbiedt, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van het centrum, de instelling of de school, dat belast is met het mentorschap. De instellingen die de lerarenopleidingen aanbieden, sluiten een overeenkomst met de centra, instellingen of scholen. Die overeenkomst bevat onder meer : de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het centrum, de instelling of de school, de student en de instelling die de lerarenopleiding aanbiedt, waarbij de rol van het centrum, de instelling of de school bij de evaluatie van de student wordt vastgelegd, de periode van het schooljaar waarin die preservicetraining plaatsvindt en de opdrachten die de stagiair moet opnemen.

De inservicetraining gebeurt in de vorm van een leraar-in-opleidingsbaan, hierna de LIO-baan genoemd, en wordt uitgeoefend in een of meer onderwijsinstellingen. De leraar-in-opleiding wordt begeleid door een personeelslid van een of meer onderwijsinstellingen dat belast is met het mentorschap. De instellingen die de lerarenopleidingen aanbieden, sluiten een overeenkomst met de betrokken onderwijsinstellingen. Die overeenkomst bevat onder meer : de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de onderwijsinstelling, de leraar-in-opleiding en de instelling die de lerarenopleiding aanbiedt, waarbij de rol van de onderwijsinstelling bij de opleiding, begeleiding en evaluatie van de leraar-in-opleiding wordt vastgelegd. De LIO-baan moet op jaarbasis ten minste vijfhonderd uren-leraar, lesuren, leraarsuren of lestijden bedragen. De LIO-baan in een centrum voor basiseducatie bedraagt op jaarbasis ten minste 0,6 vte. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt deze vijfhonderd uren te presteren, kan hij dit tekort aanvullen met preservicetraining. De LIO-baan kan hoogstens dertig studiepunten praktijkcomponent vervangen.

Onverminderd het tweede lid van deze paragraaf is een LIO-baan in het basisonderwijs enkel mogelijk voor : 1° de leraar-in-opleiding die wordt aangesteld in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding of in het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit : lichamelijke opvoeding;of 2° de leraar-in-opleiding die voldoet aan de bepalingen van artikel 11, tweede tot en met zesde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs.".

Art. 104.Artikel II.109 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.109. Onverminderd het aanbieden van de lerarenopleidingen, vermeld in artikel II.111, hebben de hogescholen en universiteiten die lerarenopleidingen aanbieden, de volgende opdrachten : 1° mee instaan voor de verdere ontwikkeling in het professionele continuüm en de ontwikkeling van het reflectieve vermogen bij aspirant-leraren;2° een aanbod ontwikkelen voor professionalisering en permanente vorming, met een kwaliteitsvol en complementair team van lerarenopleiders, zeker ook op het vlak van het hebben van voldoende ervaring in het lesgeven zelf, en zo de brug slaan tussen de lerarenopleidingen, de pedagogische begeleidingsdiensten en de andere aanbieders van professionalisering voor leraren; 3° de aanvangsbegeleiding van beginnende leraren ondersteunen, onder verantwoordelijkheid van de school waar die leraren werken, en samen met de pedagogische begeleidingsdiensten.".

Art. 105.In deel 2, titel 3, hoofdstuk 6, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt het opschrift "Afdeling 2. Geïntegreerde lerarenopleidingen" opgeheven.

Art. 106.Artikel II.110 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 19 juni 2015 en 17 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.110. § 1. De hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen kunnen een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, namelijk over de onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur, zoals voorzien in artikel II.173. § 2. De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze ten minste om de vijf jaar de beleidsprioriteiten vastleggen.

Die initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen die een of meer lerarenopleidingen organiseren.

De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen.".

Art. 107.In deel 2, titel 3, hoofdstuk 6, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt het opschrift "Afdeling 3. Specifieke lerarenopleidingen" vervangen door het opschrift "Afdeling 2. Organisatorische bepalingen".

Art. 108.Artikel II.111 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.111. Vanaf het academiejaar 2019-2020 worden in het hoger onderwijs de volgende lerarenopleidingen aangeboden : 1° de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs;2° de educatieve bacheloropleiding voor kleuteronderwijs;3° de educatieve bacheloropleiding voor lager onderwijs;4° de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs;5° de educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs; 6° de educatieve masteropleiding voor kunstvakken.".

Art. 109.Artikel II.112 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 29 december 2015 en 17 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.112. § 1. De educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs wordt door de hogescholen aangeboden binnen het hoger beroepsonderwijs in het studiegebied Onderwijs en heeft een studieomvang van negentig studiepunten. § 2. De toegang tot de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs wordt beperkt tot studenten die minstens drie jaar nuttige ervaring in een technisch of praktisch vak kunnen bewijzen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze nuttige ervaring wordt aangetoond. § 3. Om optimaal tegemoet te komen aan de behoeften van de doelgroep van de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs, wordt de opleiding op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. Er wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. § 4. In afwijking van de procedure, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling II/1, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, wordt de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs ontwikkeld volgens de procedures, vermeld in artikel II.68, II.108, § 2, II.141, II.152 en II.153.

De aanvraag, vermeld in artikel II.152, kan voor de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs worden ingediend zonder de beslissing van de Vlaamse Regering tot erkenning van een beroepskwalificatie. § 5. In afwijking van paragraaf 2 en artikel II.176 kunnen kandidaten die geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die, in het kader van een School of Arts, de professionele bacheloropleiding dans organiseert, en die vijf jaar nuttige ervaring als professionele danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen, toegelaten worden tot de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs. § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels en voorwaarden bepalen waaronder de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs wordt georganiseerd.".

Art. 110.Artikel II.113 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.113. § 1. De educatieve bacheloropleidingen, respectievelijk voor kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs, worden door de hogescholen aangeboden binnen het hoger professioneel onderwijs in het studiegebied Onderwijs en hebben een studieomvang van 180 studiepunten.

In afwijking van artikel II.108, § 2, tweede lid, bedraagt de praktijkcomponent ten minste 45 studiepunten. § 2. De Vlaamse Regering legt een lijst van onderwijsvakken vast die de hogescholen mogen aanbieden binnen de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs. De studenten van die opleiding kiezen twee onderwijsvakken uit het aanbod van de hogeschool. § 3. Een student die al beschikt over een van volgende diploma's of diplomacombinaties kan, in afwijking van paragraaf 2, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen met maar één onderwijsvak : 1° een diploma van een educatieve bachelor of educatieve master;2° een diploma van een specifieke lerarenopleiding in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;3° een diploma van een academische initiële lerarenopleiding, een initiële lerarenopleiding van academisch niveau of een getuigschrift pedagogische bekwaamheid in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;4° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's wordt erkend. § 4. Een student die al beschikt over een bachelordiploma kan, in afwijking van paragraaf 2, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken.

De hogescholen die de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding.

Het verkorte traject, dat focust op de component leraarschap, vormt een coherent geheel van zestig studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste dertig studiepunten en van een vakdidactische cluster. Het traject wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden.

Het verkort traject, dat volgt op een bachelordiploma, behaald in een kunstopleiding, kan enkel gezamenlijk met een School of Arts georganiseerd worden. In afwijking van artikel II.171 kan een School of Arts mee de gezamenlijke opleiding inrichten binnen het studiegebied onderwijs, ook als de hogeschool waartoe de School of Arts behoort niet de onderwijsbevoegdheid heeft voor het studiegebied onderwijs.

In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan.".

Art. 111.Artikel II.114 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 29 december 2015, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.114. § 1. De educatieve masteropleidingen voor secundair onderwijs en kunstvakken worden door respectievelijk de universiteiten of de hogescholen in het kader van een School of Arts aangeboden binnen het academisch onderwijs en hebben een studieomvang van 90 of 120 studiepunten.

Aan een student kan alleen het diploma van een educatieve master uitgereikt worden en de graad van master toegekend worden als die student een totale component leraarschap van 60 studiepunten met succes doorlopen heeft.

De component leraarschap in een educatieve masteropleiding heeft ongeacht de studieomvang van de masteropleiding een studieomvang van ten minste 45 studiepunten.

Een student kan de 15 resterende studiepunten verwerven op de volgende manieren : 1° hij volgt studiepunten van de component leraarschap als een pakket van keuzevakken in een academische bacheloropleiding.De hogeschool in het kader van een School of Arts of de universiteit biedt daarvoor vijftien studiepunten educatieve keuzevakken in die academische bacheloropleidingen die rechtstreeks toeleiden naar een educatieve masteropleiding aan; 2° als de student de component leraarschap niet opneemt in een bacheloropleiding, kan hij die alsnog verwerven in het kader van een voorbereidingsprogramma dat hij vooraf of samen met de educatieve masteropleiding volgt;3° als de student de component leraarschap niet opneemt in een bacheloropleiding of in het kader van een voorbereidingsprogramma, kan hij deze alsnog verwerven als een pakket van keuzevakken in de educatieve masteropleiding.Deze manier kan enkel worden ingericht als, binnen de eigen instelling, de twee eerste manieren ook ingericht worden.

In de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken telt de artistieke component ten minste de helft van de studiepunten. § 2. De Vlaamse Regering legt vast welke educatieve masteropleidingen hogescholen, in het kader van een School of Arts, en de universiteiten kunnen aanbieden. De Vlaamse Regering bepaalt ook de studieomvang van de educatieve masteropleidingen en het studiegebied waaronder de educatieve masteropleidingen ressorteren. § 3. De Vlaamse Regering legt een lijst van vakdidactieken vast die de hogescholen, in het kader van een School of Arts, en de universiteiten mogen aanbieden binnen de educatieve masteropleidingen voor secundair onderwijs en kunstvakken. De studenten van deze opleidingen kiezen minstens één vakdidactiek uit het aanbod van de hogeschool of de universiteit, die erover waken dat de student de nodige vakinhoudelijke voorkennis heeft. De vakdidactieken en aanverwante opleidingsonderdelen vormen een voorwaarde voor het toekennen van bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs. § 4. Een student die al beschikt over een masterdiploma kan op basis van dat diploma vrijgesteld worden van de vakinhoudelijke component van een educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs of kunstvakken.

De universiteiten die de educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding voor studenten die al over een masterdiploma beschikken.

De hogescholen, in het kader van een School of Arts, die de educatieve masteropleiding voor kunstvakken aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding voor studenten die al over een masterdiploma beschikken.

Het verkorte traject vormt een coherent geheel van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden.

In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, een educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseren in de vorm van een consecutief traject.

Dit consecutief traject heeft een omvang van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. De hogeschool biedt het consecutief traject aan zonder dat ze de volledige educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseert.

Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort.".

Art. 112.In deel 2, titel 3, hoofdstuk 6, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt het opschrift "Afdeling 4. Samenwerking en ondersteuning van lerarenopleidingen" opgeheven.

Art. 113.Artikel II.115 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt : "Art. II.115. Met behoud van de toepassing van artikel II.189 hebben met ingang van het academiejaar 2006-2007 alle personeelsleden van het onderwijs toegang tot de bachelor-na-bacheloropleiding Buitengewoon Onderwijs en de bachelor-na-bacheloropleiding Zorgverbreding en Remediërend Leren.".

Art. 114.In artikel II.116, tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zinsnede "en/of centra voor volwassenenonderwijs" wordt opgeheven;2° de zinsnede "(zowel geïntegreerde lerarenopleidingen als specifieke lerarenopleidingen)" wordt opgeheven.

Art. 115.In artikel II.122 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 19 juni 2015, worden paragraaf 5 en paragraaf 9 opgeheven.

Art. 116.Artikel II.125 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 117.In artikel II.133, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de inleidende zin wordt tussen de woorden "graden van" en het woord "bachelor" de zinsnede "gegradueerde," ingevoegd; 2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt : "4° ofwel als opleiding van het hoger beroepsonderwijs is geactualiseerd conform afdeling 3/1.".

Art. 118.In artikel II.144, § 1, 2°, van dezelfde codex wordt de zinsnede ", met uitzondering van de als afstudeerrichting georganiseerde specifieke lerarenopleiding(en)" opgeheven.

Art. 119.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een artikel II.150/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.150/1. § 1. In het advies over de ontwikkeling van een onderwijskwalificatie, vermeld in artikel 15/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, verleent de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering ook een advies over de verwantschap van : 1° de onderwijskwalificatie met een of meer bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.Daarvoor vraagt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering inbreng van vertegenwoordigers van de hogescholen; 2° de beroepskwalificatie waarvoor geen onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, met een of meer bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering kan bij het advies over de verwantschap rekening houden met de volgende criteria : 1° de sectorale indeling;2° de indeling naar beroepsgroep;3° de wetenschappelijke discipline of het studiegebied. De verwantschap kan worden vastgelegd op het niveau van de volledige opleiding of op het niveau van de afstudeerrichtingen of de opties van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs. § 2. De Vlaamse Regering beslist over de verwantschap met bestaande hbo5-opleidingen.

Als de Vlaamse Regering beslist dat een bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor een onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt de bestaande hbo5-opleiding omgevormd tot die onderwijskwalificatie.

Als er een verwantschap wordt bepaald met verschillende onderwijskwalificaties of met een onderwijskwalificatie met verschillende afstudeerrichtingen, hebben de hogescholen de vrijheid om te kiezen tot welke onderwijskwalificatie ze de bestaande hbo5-opleiding zullen omvormen.

Hogescholen die een bestaande hbo5-opleiding omvormen, hoeven geen macrodoelmatigheidstoets als vermeld in artikel II.152, 3°, aan te vragen.

Als de Vlaamse Regering beslist dat een bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor geen onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt die opleiding stopgezet.

De hogeschool kan vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien.

Als de Vlaamse Regering beslist dat er geen bestaande hbo5-opleiding verwant is met een beroepskwalificatie waarvoor een onderwijskwalificatie wordt ontwikkeld, wordt de graduaatsopleiding die leidt tot de onderwijskwalificatie, als een nieuwe opleiding beschouwd. Hogescholen kunnen een aanvraag indienen om die opleiding aan te bieden volgens de procedure, vermeld in artikel II.152 en II.153. § 3. Hogescholen die geen onderwijsbevoegdheid hebben voor een bestaande hbo5-opleiding die wordt omgevormd, kunnen een aanvraag indienen om die opleiding aan te bieden. Die aanvraag wordt ingediend volgens de procedure, vermeld in artikel II.152 en II.153, en kan op zijn vroegst in het kalenderjaar dat volgt op de erkenning van de desbetreffende opleiding aan de andere hogescholen, worden ingediend.".

Art. 120.In artikel II.153 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015 en het decreet van 8 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan paragraaf 1, tweede lid, worden de volgende zinnen toegevoegd : "Dat geldt ook voor de educatieve graduaatsopleidingen, vermeld in artikel II.112, en de educatieve masteropleidingen, vermeld in artikel II.114, die met ingang van het academiejaar 2019-2020 aangeboden worden door de hogescholen en universiteiten. De hogescholen en universiteiten dienen hun dossier bij de accreditatieorganisatie in uiterlijk vóór 15 oktober van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden. De Vlaamse Regering kan het gehanteerde toetsingskader, vermeld in paragraaf 7, voor deze opleidingen aanpassen."; 2° aan paragraaf 8 worden een tweede tot en met een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt : "In afwijking van het eerste lid, vervalt een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs op het einde van het vijfde academiejaar dat volgt op de dag van de start van de opleiding in kwestie. Een positief besluit over de aanvraag van een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. Voor de besluiten die zijn bekendgemaakt tijdens het academiejaar 2017-2018, start de voormelde periode van drie jaar in het academiejaar 2019-2020.

De Vlaamse Regering kan op basis van een advies van de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van een positief besluit over de aanvraag van een opleiding verlengen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen. De totale duur van de erkenning als nieuwe opleiding kan nooit meer dan acht academiejaren zijn.

In afwijking van het tweede lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur.".

Art. 121.Artikel II.155 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 122.In deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 19 juni 2015 en 17 juni 2016, wordt een afdeling 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt : "Afdeling 3/1. Actualisatie van bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs".

Art. 123.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in afdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 122, een artikel II.155/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.155/1. De bestaande hbo5-opleidingen waarvoor nog geen verwante beroepskwalificatie is erkend, worden geactualiseerd.".

Art. 124.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde afdeling 3/1 een artikel II.155/2 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.155/2. § 1. De hogescholen die onderwijsbevoegdheid bezitten voor een van de opleidingen, vermeld in artikel II.155/1, schrijven gezamenlijk per opleiding de domeinspecifieke leerresultaten uit op basis van de niveaudescriptoren, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Ze organiseren daartoe structureel onderling overleg, waarbij ook de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering wordt betrokken. De hogescholen kunnen voor deze opdracht een beroep doen op externe experten.

De formulering van de domeinspecifieke leerresultaten is concreet en beroepsgericht en waarborgt de toepassing van Vlaamse, federale en internationale regelgeving over de beroepsuitoefening. § 2. De beschrijving van de domeinspecifieke leerresultaten wordt gevalideerd door de accreditatieorganisatie. De hogescholen dienen daarvoor samen een vraag tot validatie in bij de accreditatieorganisatie. Die aanvraag vermeldt de hogescholen die onderwijsbevoegdheid bezitten voor de desbetreffende opleiding, maar die de vraag niet mee willen indienen. § 3. Als een hogeschool die onderwijsbevoegdheid bezit voor een opleiding die moet worden geactualiseerd, de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, niet mee ondertekent, verliest ze de onderwijsbevoegdheid voor de opleiding en wordt die opleiding stopgezet. De hogeschool kan vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur garandeert de nodige voorzieningen die toelaten dat de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien. § 4. De accreditatieorganisatie bezorgt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering de gevalideerde domeinspecifieke leerresultaten met de daarin vervatte competenties voor registratie in een kwalificatiedatabank. § 5. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering legt, na advies van de hogescholen, de studieomvang van 90 of 120 studiepunten van de opleiding vast en het aandeel werkplekleren van de opleiding, dat minimaal een derde van de studieomvang bedraagt. § 6. De hogeschool bepaalt voor elke geactualiseerde opleiding een opleidingsprogramma, dat bestaat uit een samenhangend geheel van opleidingsonderdelen, en schrijft voor elk opleidingsonderdeel leerresultaten uit.".

Art. 125.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde afdeling 3/1 een artikel II.155/3 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.155/3. De Vlaamse Regering neemt de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die volgens de procedure, vermeld in deze afdeling, zijn geactualiseerd, op in de lijst, vermeld in artikel II.170.

Door een opleiding van het hoger beroepsonderwijs op te nemen in de lijst als vermeld in het eerste lid, wordt het door de Vlaamse Regering erkende opleidingsprofiel, het door de Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs goedgekeurde structuurschema of het goedgekeurde leerplan en lessentabel van de desbetreffende opleiding opgeheven.".

Art. 126.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde afdeling 3/1 een artikel II.155/4 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.155/4. § 1. Opleidingen, geactualiseerd volgens de procedure, vermeld in deze afdeling, die op een later tijdstip verwant worden verklaard met een of meer erkende beroepskwalificaties, waarvoor wordt beslist om een onderwijskwalificatie te ontwikkelen, worden omgevormd als vermeld in artikel II.150/1. § 2. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering maakt op 1 februari 2024 een lijst van graduaatsopleidingen die zijn geactualiseerd, maar nog niet zijn omgevormd omdat er nog geen verwante beroepskwalificatie is erkend.

Als de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering adviseert dat er voor een bestaande graduaatsopleiding geen beroepskwalificatie zal worden erkend die ermee verwant kan worden verklaard, beslist de Vlaamse Regering dat de betrokken graduaatsopleiding wordt stopgezet. De hogeschool kan vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur garandeert de nodige voorzieningen die toelaten dat de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien.

Als de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering adviseert dat er voor een bestaande graduaatsopleiding in de toekomst wel nog een beroepskwalificatie zal worden erkend die ermee verwant kan worden verklaard, beslist de Vlaamse Regering dat de betrokken graduaatsopleiding opnieuw moet worden geactualiseerd volgens de procedure, vermeld in deze afdeling.

De hogescholen kunnen de opleiding pas aanbieden nadat ze met positief gevolg de toets nieuwe opleiding bij het accreditatieorgaan hebben ondergaan volgens de procedure, vermeld in artikel II.395. Ze dienen daarvoor een dossier in uiterlijk op 30 november 2024. § 3. Als een hogeschool voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering van de hbo5-opleiding Verpleegkunde, uiterlijk op 30 november 2024 nog nooit een toets nieuwe opleiding heeft aangevraagd bij de accreditatieorganisatie, verliest de hogeschool de onderwijsbevoegdheid voor die opleiding.".

Art. 127.In artikel II.157 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 2°, a), wordt de zinsnede ", andere dan die van leraar" opgeheven;2° in punt 3° wordt punt a) opgeheven;3° in punt 3°, b), wordt de zinsnede ", andere dan die van leraar" opgeheven;4° punt 5° wordt opgeheven.

Art. 128.In artikel II.161 van dezelfde codex wordt tussen de woorden "studieomvang van" en het woord "bachelor" de zinsnede "graduaats-," ingevoegd.

Art. 129.Aan artikel II.164 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt : " § 3. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een graduaatsopleiding wordt ingevoerd en in de twee academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de graduaatsopleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor studenten die reeds in de graduaatsopleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd.

Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste de omvang van de studie-uitbreiding aan studenten die een graduaatsopleiding van 90 of 120 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van gegradueerde te behalen van de in studieomvang uitgebreide graduaatsopleiding.".

Art. 130.In artikel II.165 van dezelfde codex worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt : "1° het omvormen van graduaats-, bachelor- of masteropleidingen tot een gezamenlijk georganiseerde opleiding als vermeld in artikel II.171; 2° het omvormen van een graduaats-, bachelor- of masteropleiding tot een gezamenlijk georganiseerde opleiding, waarbij de toetredende instelling de graduaats-, bachelor- of masteropleiding op het ogenblik van de omvorming niet aanbiedt, vermeld in artikel II.166;".

Art. 131.In artikel II.166, § 1, van dezelfde codex wordt tussen het woord "bestaande" en de zinsnede "bachelor-" de zinsnede "graduaats-," ingevoegd.

Art. 132.In artikel II.171, § 2, van dezelfde codex wordt tussen de woorden "graad van" en het woord "bachelor" de zinsnede "gegradueerde," ingevoegd.

Art. 133.In artikel II.172 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt tussen de zinsnede "3 jaar" en het woord "aanbiedt" de zinsnede "of voor opleidingen van niveau 5 ten minste 90 studiepunten" ingevoegd;2° in paragraaf 1 wordt tussen de woorden "graad van" en het woord "bachelor" de zinsnede "gegradueerde," ingevoegd;3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt : " § 3.Een universiteit of een hogeschool kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs of met de Koninklijke Militaire School in Brussel een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van gegradueerde, bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. Een universiteit kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met een of meer universiteiten van de Franse Gemeenschap een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. Een hogeschool kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met een of meer hogescholen van de Franse of Duitstalige Gemeenschap een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van gegradueerde, bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. De organisatie van de gezamenlijke opleiding vindt plaats in het kader van een internationaal of Europees onderwijsprogramma of in het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken instellingen.".

Art. 134.In artikel II.176 van dezelfde codex wordt het woord "cursist" telkens vervangen door het woord "student".

Art. 135.In artikel II.177 van dezelfde codex wordt het woord "cursist" telkens vervangen door het woord "student".

Art. 136.In artikel II.200, § 3, eerste lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, wordt tussen de woorden "bieden voor" en de woorden "de bacheloropleidingen" de zinsnede "de graduaatsopleidingen," ingevoegd.

Art. 137.Aan artikel II.203, § 1, van dezelfde codex wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "In afwijking van het eerste lid wordt het leerkrediet niet ingezet in een educatieve bacheloropleiding als een student al in het bezit is van een bachelordiploma en in een educatieve masteropleiding als een student al in het bezit is van een masterdiploma.".

Art. 138.In artikel II.206, derde lid, van dezelfde codex worden de woorden "behalve indien de student al een masterdiploma heeft behaald" opgeheven.

Art. 139.Aan artikel II.219, § 2, eerste lid, van dezelfde codex wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt : "4° 335 euro, als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op het niveau van gegradueerde.".

Art. 140.In artikel II.247, § 1, van dezelfde codex worden de woorden "een diploma van gegradueerde" vervangen door de woorden "de graad van gegradueerde".

Art. 141.In artikel II.248 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de zinsnede "een diploma van gegradueerde," wordt opgeheven;2° tussen de woorden "graad van" en het woord "bachelor" wordt telkens de zinsnede "gegradueerde," ingevoegd.

Art. 142.In deel 2, titel 4, hoofdstuk 8, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 17 juni 2016 en 16 juni 2017, wordt een afdeling 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt : "Afdeling 1/1. Onderwijstaal in graduaatsopleidingen".

Art. 143.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in afdeling 1/1, ingevoegd bij artikel 142, een artikel II.260/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.260/1. § 1. De onderwijstaal in de graduaatsopleidingen is het Nederlands.

In de graduaatsopleidingen kan evenwel een andere onderwijstaal dan het Nederlands worden gebruikt, conform de bepalingen in deze afdeling. Als een instelling gebruik wil maken van die mogelijkheid, moeten de waarborgen inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271, vervuld zijn voorafgaand aan de start van de opleiding. § 2. Een instelling kan in de volgende gevallen beslissen dat in graduaatsopleidingen voor opleidingsonderdelen een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt : 1° de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd;2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren;3° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;4° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt. § 3. De omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding mag niet hoger zijn dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject. § 4. Voor de berekening van de grenzen, vermeld in paragraaf 3, worden de opleidingsonderdelen, vermeld in paragraaf 2, 1° en 3°, niet meegeteld.".

Art. 144.In artikel II.271, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "studenten die een initiële" en de woorden "bachelor- of masteropleiding" de zinsnede "graduaats-," ingevoegd;2° in het tweede lid wordt tussen de woorden "opleidingsprogramma van initiële" en de woorden "bachelor- of masteropleidingen" de zinsnede "graduaats-," ingevoegd.

Art. 145.In artikel II.338 van dezelfde codex wordt het derde lid vervangen door wat volgt : "De leerlingen in een hbo5-opleiding Verpleegkunde, georganiseerd door een instelling voor secundair onderwijs, kunnen toegang hebben tot de sociale voorzieningen van de hogeschool, waarmee de betrokken instelling voor secundair onderwijs een samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de betreffende hbo5-opleiding heeft afgesloten. Deze overeenkomst legt ten minste de afspraken vast over de afstemming op het vlak van curriculumontwikkeling, de inzet van personeel, de infrastructuur en de kwaliteitszorg in die hbo5-opleidingen.".

Art. 146.In artikel II.344, eerste lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, worden de woorden "en cursisten" opgeheven.

Art. 147.In artikel II.352, § 1, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de inleidende zin worden de woorden "of cursisten" opgeheven;2° in punt 1° worden de woorden "of de cursist" en de woorden "of een centrum voor volwassenenonderwijs" opgeheven;3° in punt 2° worden de woorden "of cursist" en de woorden "of het centrum" telkens opgeheven;4° in punt 4° worden de woorden "of het centrum" telkens opgeheven.

Art. 148.In artikel II.352, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, worden de woorden "of cursisten" telkens opgeheven.

Art. 149.In artikel II.353, § 3, § 4 en § 5, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, worden de woorden "of cursisten" opgeheven.

Art. 150.In artikel II.355/1, eerste en tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de woorden "of cursist-stagiair" telkens opgeheven.

Art. 151.In artikel II.381 van dezelfde codex wordt de zinsnede ", met uitzondering van de als afstudeerrichting georganiseerde specifieke lerarenopleiding(en)" opgeheven.

Art. 152.Aan deel 2, titel 8, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een hoofdstuk 9 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen voor de inbedding van de graduaatsopleidingen in de hogescholen".

Art. 153.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt aan hoofdstuk 9, ingevoegd bij artikel 152, een artikel II.394 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.394. § 1. Met ingang van het academiejaar 2019-2020 dragen de centra voor volwassenenonderwijs hun bevoegdheid voor het aanbieden van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en het verlenen van de overeenstemmende studiebekrachtiging over aan de hogescholen.

De hogeschool waaraan een centrum voor volwassenenonderwijs de bevoegdheid, vermeld in het eerste lid, heeft overgedragen, oefent die bevoegdheid uit conform artikel II.83 tot en met II.100. § 2. De hogeschool treedt na de overdracht van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, voor de overgedragen bevoegdheden in de rechten en verplichtingen van het centrum voor volwassenenonderwijs die zijn bevoegdheden heeft overgedragen aan de hogeschool.

Naar aanleiding van de overdracht van de desbetreffende opleidingen sluiten de hogeschool en het centrum voor volwassenenonderwijs een overeenkomst waarin ten minste afspraken gemaakt worden over de overdracht, de terbeschikkingstelling en het gebruik van infrastructuur en onroerende goederen, en over financiële aangelegenheden. § 3. De hogescholen voorzien in aangepaste overgangs- en begeleidingsmaatregelen opdat studenten die vóór het academiejaar 2019-2020 gestart zijn in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs aan een centrum voor volwassenenonderwijs, dat met ingang van het academiejaar 2019-2020 overgedragen wordt aan een hogeschool, hun opleiding kunnen voltooien. Dat betekent minimaal dat : 1° de hogeschool de studiebewijzen en de punten die de student verworven heeft in de desbetreffende opleiding in het centrum voor volwassenenonderwijs, overneemt.Die studiebewijzen worden geacht verworven te zijn in de ontvangende hogeschool; 2° de hogeschool de vrijstellingen voor een module, een opleidingsonderdeel of voor een deel ervan, die de student verkregen heeft voor de desbetreffende opleiding, overneemt.".

Art. 154.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 9 een artikel II.395 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.395. De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 april voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 oktober voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend.

De accreditatieorganisatie bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de termijn een ontwerp van toetsingsrapport aan de instelling, die de mogelijkheid krijgt om opmerkingen te formuleren.

Het instellingsbestuur kan het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding intrekken uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. Het instellingsbestuur beschikt over een termijn van zestig dagen om het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De termijn van zestig dagen gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag.

De termijnen, die lopen vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de accreditatieorganisatie uiterlijk haar advies uitbrengt, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan.

Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, negatief is, kan het instellingsbestuur nog maximaal één academiejaar de om te vormen hbo5-opleiding aanbieden en hiervoor studenten inschrijven. Het programma van deze opleiding wordt ingericht conform artikelen II.67 en II.69.

Een instelling kan na een negatief toetsingsbesluit voor een identieke opleiding nog een keer een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding indienen. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, opnieuw negatief is, bouwt de instelling de opleiding af of zet ze die stop.

Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien.".

Art. 155.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 9 een artikel II.396 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.396. Vanaf het academiejaar 2019-2020 behoren de volgende opleidingen tot de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs : 1° de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vastgelegd in de lijst, vermeld in artikel II.170; 2° de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs in het secundair onderwijs, die samen met een hogeschool georganiseerd wordt in het kader van een samenwerkingsverband. De financiering voor een hbo5-opleiding Verpleegkunde kan alleen toegekend worden aan een secundaire school en wordt berekend conform de bepalingen van deel III, titel 1, hoofdstuk 3, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.".

Art. 156.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 9 een artikel II.397 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.397. § 1. Voor de organisatie van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt een samenwerkingsverband opgericht tussen één hogeschool, met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. § 2. Eén onderwijsinstelling kan maar participeren in één samenwerkingsverband. Binnen het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstelling de inhoudelijke coördinatie op zich neemt.

De inhoudelijk coördinerende instelling heeft als taak om de gezamenlijke organisatie van de hbo5-opleiding Verpleegkunde binnen een samenwerkingsverband te coördineren. Binnen het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstellingen een deel of het geheel van de gemeenschappelijk georganiseerde hbo5-opleiding aanbieden.

De administratief beherende instelling is altijd een secundaire school. De cursist schrijft zich in aan de administratief beherende instelling voor het totaal van de hbo5-opleiding. Op het vlak van financiering, subsidiëring en inschrijvingsgelden gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de administratief beherende instelling. § 3. Binnen het samenwerkingsverband reiken de onderwijsinstellingen gezamenlijk het diploma van gegradueerde met bijbehorende kwalificatie en de deelcertificaten uit. § 4. Een samenwerkingsverband kan samenwerken met : 1° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;2° een of meer sectoren van het beroep waartoe de opleiding leidt;3° bedrijven en organisaties. § 5. Als een onderwijsinstelling uit een samenwerkingsverband stapt, behoudt ze, voor hbo5-opleidingen, alleen de onderwijsbevoegdheid die ze had op 31 augustus 2013 of, in voorkomend geval, de onderwijsbevoegdheid van de graduaatsopleidingen die uit de omvorming, vermeld in artikel II.150/1, zijn voortgekomen. § 6. Als twee of meer hogescholen fuseren, fuseren ook de samenwerkingsverbanden waarvan ze lid zijn.".

Art. 157.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 9 een artikel II.398 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.398. Een samenwerkingsverband vervult de volgende opdrachten : 1° de gezamenlijke organisatie van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;2° het vastleggen van een gezamenlijke onderwijs- en examenregeling en evaluatiereglement voor deze opleidingen;3° het ontwikkelen van een gemeenschappelijk intern kwaliteitszorgsysteem voor de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;4° de ontwikkeling van het curriculum met inbegrip van het uittekenen van vervolgtrajecten in inhoudelijk aansluitende professionele bacheloropleidingen;5° de optimalisering van de dienstverlening voor de leerlingen;6° de programmatie van het aanbod met als doelstelling dat de verschillende participerende instellingen - elk vanuit hun sterkte - zoveel mogelijk verschillende doelgroepen bereiken;7° de optimalisering van de inzetbaarheid en professionalisering van het personeel, binnen de grenzen van de regelgeving die op de betrokken personeelsleden van toepassing is;8° het delen van gebouwen en technische infrastructuur;9° de uitbouw van een leerlingenbegeleiding;10° het beschikbaar maken van de sociale voorzieningen voor de cursisten;11° het uitwerken en evalueren van een kwaliteitsvolle EVC-procedure;12° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs; 13° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 163, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.".

Art. 158.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 9 een artikel II.399 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.399. De hogescholen bouwen de hbo5-opleidingen die door de centra voor volwassenenonderwijs werden aangeboden op basis van een door de Vlaamse Regering erkend opleidingsprofiel, een door de Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs goedgekeurd structuurschema of een goedgekeurd leerplan en lessentabel, en waarvoor de hogeschool de onderwijsbevoegdheid heeft verworven krachtens een overeenkomst met een centrum voor volwassenenonderwijs, af met ingang van het academiejaar 2019-2020.

Tijdens de academiejaren 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022 worden in de lijst, vermeld in artikel II.170, de opleidingen, vermeld in paragraaf 1, ook opgenomen. Hogescholen kunnen voor die opleidingen studenten inschrijven, het curriculum zoals het van kracht was vóór het academiejaar 2019-2020, aanbieden en het diploma van gegradueerde uitreiken onder de voorwaarden, vermeld in het vierde lid.

De opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die tot en met schooljaar 2018-2019 werden aangeboden door de centra voor volwassenenonderwijs en die niet worden geactualiseerd of omgevormd, kunnen niet als graduaatsopleiding worden aangeboden door de hogescholen.

Studenten die uiterlijk in het academiejaar 2018-2019 geslaagd zijn voor minstens een derde van een hbo5-opleiding in een centrum voor volwassenenonderwijs, hebben tot en met het academiejaar 2020-2021 het recht die opleiding te voltooien op basis van de inhoud en de studieomvang die van kracht was in het centrum voor volwassenenonderwijs.

De hogescholen bepalen de modaliteiten waaronder de studenten, vermeld in het tweede lid, het diploma van gegradueerde kunnen behalen.".

Art. 159.Aan deel 2, titel 8, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een hoofdstuk 10 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen voor de versterking van de lerarenopleidingen aan de hogescholen en de universiteiten".

Art. 160.Aan deel 2, titel 8, hoofdstuk 10, van dezelfde codex, ingevoegd bij artikel 159, wordt een artikel II.400 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art II.400. § 1. Vanaf het academiejaar 2019-2020 worden de specifieke lerarenopleidingen, die georganiseerd werden aan een centrum voor volwassenenonderwijs overgedragen aan een hogeschool of universiteit. § 2. Studenten die bij de aanvang van het academiejaar 2019-2020 minstens vijftien studiepunten verworven hebben in een specifieke lerarenopleiding, hebben het recht hun opleiding af te werken tot en met het academiejaar 2020-2021. § 3. Vanaf het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee een educatieve masteropleiding aanbiedt, bouwt deze instelling de specifieke lerarenopleiding die ze tot dan aangeboden heeft, af. Vanaf dat academiejaar kunnen er geen nieuwe studenten meer worden ingeschreven in de specifieke lerarenopleiding. Studenten die bij de aanvang van het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteit een educatieve masteropleiding organiseert, reeds vijftien studiepunten in de specifieke lerarenopleiding verworven hebben, hebben het recht om hun opleiding af te werken tot en met het daaropvolgend academiejaar.".

Art. 161.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt aan hetzelfde hoofdstuk 10 een artikel II.401 toegevoegd, dat luidt als volgt : "Art. II.401. De Vlaamse Regering kan een bijkomende kwaliteitscontrole organiseren voor de opleidingen, vermeld in artikel II.111.".

Art. 162.Aan artikel III.3, § 1, 1°, d), van dezelfde codex wordt de zinsnede ", opgenomen in het Hogeronderwijsregister" toegevoegd.

Art. 163.In artikel III.5 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014, 18 december 2015 en 30 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 2/1.Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt de volgende component toegevoegd aan de totale werkingsuitkering, vermeld in paragraaf 2, eerste lid : een variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen (VOWhbo)."; 2° er wordt een paragraaf 17 toegevoegd, die luidt als volgt : " § 17.Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1.

Vanaf het begrotingsjaar 2025 kan het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, evolueren conform artikel III.6, § 2/1.

Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.".

Art. 164.In artikel III.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 2/1. Vanaf het begrotingsjaar 2025 evolueert het bedrag voor het variabele onderwijsdeel VOWhbo conform paragraaf 1, eerste lid.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in het variabele onderwijsdeel VOWhbo voor het begrotingsjaar t wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich ingeschreven hebben voor een graduaatsopleiding.

De eerste referentiepunten voor het variabele onderwijsdeel VOWhbo zijn gelijk aan het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren 2019-2020 tot en met 2021-2022 in de graduaatsopleidingen, vastgesteld conform het tweede lid.

Bij elke daling of stijging van het aantal opgenomen studiepunten met 2% of meer in het variabele onderwijsdeel VOWhbo worden er nieuwe referentiepunten vastgelegd. De nieuwe referentiepunten zijn gelijk aan de vorige referentiepunten plus of min 2%.".

Art. 165.In artikel III.11 van dezelfde codex wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 2/1. Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt voor de berekening van het variabele onderwijsdeel van een hogeschool de volgende formule toegepast : VOWi = VOWi-prof2014 + VOWi-hko2014 + VOWi-hbo, waarbij : 1° VOWi gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor hogeschool i;2° VOWi-prof2014 = FPi-prof2014 x VOWprof2014 / ?i FPi-prof2014, waarbij : a) VOWi-prof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;b) FPi-prof2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van financieringspunten voor de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i; c) VOWprof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5, of berekend conform artikel III.5; 3° VOWi-hko2014 = FPi-hko2014 x VOWhko2014 / ?i FPi-hko2014, waarbij : a) VOWi-hko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;b) FPi-hko2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i; c) VOWhko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts, vermeld in artikel III.5, of berekend conform artikel III.5; 4° VOWi-hbo = FPi-hbo x VOWhbo / ?i FPi-hbo, waarbij : a) VOWi-hbo gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor graduaatsopleidingen in hogeschool i;b) FPi-hbo gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de graduaatsopleidingen in hogeschool i; c) VOWhbo gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5, of berekend conform artikel III.5.

De sommatie ?i loopt over het aantal hogescholen die professioneel gerichte opleidingen, kunstopleidingen of graduaatsopleidingen aanbieden.".

Art. 166.In artikel III.12 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "In afwijking van het eerste lid is voor de graduaatsopleidingen het aantal financieringspunten voor de berekening van de FPi-input : 1° in het begrotingsjaar 2022 gelijk aan de som van de producten van het aantal opgenomen studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 2, van het academiejaar 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; 2° in het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 2, over de academiejaren 2020-2021 en 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; 3° vanaf het begrotingsjaar 2024 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 2, over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19."; 2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt : " § 2.Voor de berekening van het aantal opgenomen studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract zich heeft ingeschreven voor een graduaatsopleiding of een initiële bacheloropleiding tot op het ogenblik dat de student zestig studiepunten heeft verzameld in een en dezelfde graduaatsopleiding of bacheloropleiding. Voor de vaststelling van die eerste zestig studiepunten in een en dezelfde graduaatsopleiding of bacheloropleiding worden de volgende studiepunten in aanmerking genomen : 1° het aantal studiepunten waarvoor de student een creditbewijs ontvangen heeft in de desbetreffende graduaatsopleiding of bacheloropleiding; 2° het aantal studiepunten waarvoor de student in de desbetreffende graduaatsopleiding of bacheloropleiding een vrijstelling heeft gekregen voor een opleidingsonderdeel."; 3° in paragraaf 3 worden de woorden "of door over te stappen naar een opleiding van het hoger beroepsonderwijs" opgeheven.

Art. 167.In artikel III.13 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 2/1.Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-output in aanmerking genomen : 1° voor de graduaatsopleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de graduaatsopleidingen (FPi-output-initieel);2° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bacheloropleidingen (FPi-output-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-output-banaba), met uitzondering van de verworven studiepunten in de professioneel gerichte kunstopleidingen;3° voor de kunstopleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële professioneel gerichte bacheloropleidingen, in de initiële academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-output-banaba); 4° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en in de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel)."; 2° aan paragraaf 3 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "In afwijking van het eerste lid is voor de graduaatsopleidingen het aantal financieringspunten FPi-output : 1° in het begrotingsjaar 2022 gelijk aan de som van de producten van het aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, voor het academiejaar 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; 2° in het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, over de academiejaren 2020-2021 en 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; 3° vanaf het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19."; 3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt : " § 4.Voor de vaststelling van het aantal verworven studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract een creditbewijs ontvangen heeft : 1° voor de berekening van FPi-output-initieel : a) in een graduaatsopleiding of een initiële bacheloropleiding de studiepunten die niet op basis van inputfinanciering, vermeld in artikel III.12, worden gefinancierd; b) in een initiële masteropleiding;c) in een schakelprogramma;d) in een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële master-opleiding; 2° voor de berekening van FPi-output-banaba : in een bachelor-na-bachelor-opleiding, vermenigvuldigd met een factor 0,5."; 4° er wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt : " § 9.Bij de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst wordt het aantal door een student verworven studiepunten dat in aanmerking komt voor financiering, beperkt tot zestig voor de gehele masteropleiding.

In afwijking van paragraaf 4 komen de verworven studiepunten van een educatieve masteropleiding voor kunstvakken in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten niet in aanmerking voor het vaststellen van het aantal financieringspunten FPi-output indien de student reeds in het bezit is van een masterdiploma in hetzelfde studiegebied.".

Art. 168.In artikel III.14 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 2/1.Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma in aanmerking genomen : 1° voor de graduaatsopleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de graduaatsopleidingen (FP1-diploma-initieel);2° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële bacheloropleidingen (FPi-diploma-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-diploma-banaba), met uitzondering van de uitgereikte diploma's in de professioneel gerichte kunstopleidingen;3° voor de kunstopleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële professioneel gerichte bacheloropleidingen, in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-diploma-banaba);4° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten : a) het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel); b) het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in die initiële bacheloropleidingen waarvoor de desbetreffende universiteit geen onderwijsbevoegdheid heeft voor het aanbieden van de aansluitende masteropleiding."; 2° er wordt een paragraaf 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 2/2.In afwijking van paragraaf 2/1 worden de diploma's van de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten niet meegenomen voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma indien de student reeds in het bezit is van een masterdiploma in hetzelfde studiegebied."; 3° aan paragraaf 4 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "In afwijking van het eerste lid is voor de graduaatsopleidingen het aantal financieringspunten FPi-diploma : 1° in het begrotingsjaar 2022 gelijk aan de som van de producten van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, voor het academiejaar 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6; 2° in het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, over de academiejaren 2020-2021 en 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6; 3° vanaf het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6."; 4° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt : " § 5.Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding komen in aanmerking : 1° voor de berekening van FPi-diploma-initieel : a) voor de graduaatsopleidingen in de hogescholen : het aantal uitgereikte graduaatsdiploma's.De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 30; b) voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal uitgereikte initiële bachelordiploma's, met uitzondering van de bachelor-diploma's in de professioneel gerichte kunstopleidingen.De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 30; c) voor de kunstopleidingen in de hogescholen : het aantal uitgereikte professioneel gerichte initiële bachelordiploma's en het aantal uitgereikte initiële masterdiploma's.De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 30; d) voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten : 1) het aantal uitgereikte initiële bachelordiploma's voor die bachelor-diploma's waarvoor de desbetreffende universiteit geen onderwijsbevoegdheid heeft voor het aanbieden van de aansluitende masteropleiding.De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 18; 2) het aantal uitgereikte initiële masterdiploma's.De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 30; 2° voor de berekening van FPi-diploma-banaba : het aantal uitgereikte diploma's van bachelor-na-bacheloropleidingen.De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 15."; 5° in paragraaf 6, tweede lid, wordt het woord "diplomabonus" vervangen door het woord "doorstroombonus";6° in paragraaf 6, derde lid, wordt tussen de woorden "die zich een tweede maal ingeschreven hebben voor een" en de woorden "bachelor- of masteropleiding" de zinsnede "graduaatsopleiding, een" ingevoegd.

Art. 169.In artikel III.19 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015, 25 april 2014 en 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden in punt 1° de woorden "voor de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs en" opgeheven; 2° in paragraaf 1 wordt een punt 1° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "1° /1 voor de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs aan de hogescholen :

Studiegebied

Puntengewicht

a) Architectuur

1,50

b) Gezondheidszorg

1,50

c) Industriële wetenschappen en technologie

1,50

d) Audiovisuele en beeldende kunst

1,50

e) Muziek en podiumkunsten

1,50

f) Biotechniek

1,50

g) Onderwijs

1,50

h) Sociaal-agogisch werk

1,00

i) Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1,15


3° in paragraaf 1, 3°, wordt punt aa) vervangen door wat volgt :

aa) Biomedische wetenschappen 2 -


- educatieve masteropleidingen voor secundair onderwijs

2,00

- overige opleidingen die leiden tot de graad van master

3,00


4° in paragraaf 1, 3°, wordt punt s) vervangen door wat volgt :

s) Geneeskunde 2


- opleidingen die leiden tot de graad van master in de verpleeg- en vroedkunde

2,00

- opleidingen in de huisartsgeneeskunde

2,00

- educatieve masteropleidingen voor secundair onderwijs

2,00

- overige opleidingen die leiden tot de graad van master

4,00


5° in paragraaf 4, 1°, wordt punt a) vervangen door wat volgt : "a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de beeldende kunsten en van de academische bachelor- en masteropleiding in het productdesign en van de educatieve masteropleiding voor kunstvakken met afstudeerrichting beeldende kunsten en productdesign samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 24.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;"; 6° in paragraaf 4, 1°, wordt punt b) vervangen door wat volgt : "b) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de audiovisuele kunsten en van de educatieve master voor kunstvakken met afstudeerrichting audiovisuele kunsten samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 18.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;"; 7° in paragraaf 4, 2°, wordt punt a) vervangen door wat volgt : "a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de muziek en van de academische bachelor- en masteropleiding in het drama en van de educatieve masteropleiding voor kunstvakken samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 27.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;"; 8° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 4/1.In afwijking van paragraaf 4 worden bij het vaststellen van het aantal opgenomen en verworven studiepunten, vermeld in punt 1°, de opgenomen en verworven studiepunten voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst beperkt tot zestig studiepunten voor de gehele masteropleiding.

In afwijking van paragraaf 4 worden bij het vaststellen van het aantal opgenomen en verworven studiepunten, vermeld in punt 1° en 2°, de opgenomen en verworven studiepunten in een educatieve masteropleiding voor kunstvakken in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten niet meegenomen indien de student reeds in het bezit is van een masterdiploma in hetzelfde studiegebied.

In afwijking van paragraaf 4, tweede lid, worden de diploma's van de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten niet meegenomen in de berekening van de financieringspunten FPi-diploma-initieel indien de student reeds in het bezit is van een masterdiploma in hetzelfde studiegebied."; 9° er wordt een paragraaf 4/2 ingevoegd, die luidt als volgt : " § 4/2.Tegen 1 januari 2022 worden de puntengewichten en maxima voor de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken, vermeld in paragraaf 4, geëvalueerd.".

Art. 170.In deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2017, wordt het opschrift van afdeling 1 vervangen door wat volgt : "Afdeling 1. Financiering van de lerarenopleidingen".

Art. 171.Artikel III.32 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt vervangen door wat volgt : "Art. III.32. § 1. De universiteiten ontvangen tot en met het begrotingsjaar 2021 een bedrag van 5.121.329,96 euro voor de financiering van de lerarenopleiding. Dat bedrag wordt met ingang van het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd conform artikel III.5, § 9.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt onder de universiteiten als volgt verdeeld : 1° in het begrotingsjaar 2019 pro rata de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleidingen in het academiejaar 2016-2017;2° in het begrotingsjaar 2020 pro rata het gemiddelde van de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleiding over de academiejaren 2016-2017 en 2017-2018;3° in het begrotingsjaar 2021 pro rata het gemiddelde van de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleiding over de academiejaren 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019. De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden beschouwd als extra werkingsmiddelen. Zij worden maandelijks per twaalfden ter beschikking gesteld van de universiteit aan het einde van de maand op die waarop het twaalfde betrekking heeft. § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, berekend voor het begrotingsjaar 2021 conform paragraaf 1, jaarlijks met 1/5 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de universitaire opleidingen VOWun2014, vermeld in artikel III.5.".

Art. 172.Artikel III.33 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt : "Art. III.33. § 1. De hogescholen ontvangen tot en met het begrotingsjaar 2021 een bedrag van 1.499.455 euro voor de financiering van de lerarenopleiding. Dat bedrag wordt met ingang van het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd conform artikel III.5, § 9.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt onder de hogescholen als volgt verdeeld : 1° in het begrotingsjaar 2019 : pro rata de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleidingen in het academiejaar 2016-2017;2° in het begrotingsjaar 2020 : pro rata het gemiddelde van de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleiding over de academiejaren 2016-2017 en 2017-2018;3° in het begrotingsjaar 2021 : pro rata het gemiddelde van de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleiding over de academiejaren 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019. Voor de berekening van de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleidingen worden de verworven studiepunten in de specifieke lerarenopleiding Dans niet meegenomen.

De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen ontvangt 52.616 euro voor de specifieke lerarenopleiding Dans. Dit bedrag wordt met ingang van het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd conform artikel III.5, § 9. § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, berekend voor het begrotings-jaar 2021 conform paragraaf 1, tweede lid, 3°, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden als volgt verdeeld : 1° in het begrotingsjaar 2022 : op basis van het aantal verworven studiepunten in het academiejaar 2019-2020 van de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten indien de student reeds in het bezit is van een masterdiploma in hetzelfde studiegebied en van de verworven studiepunten in de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst, met uitzondering van de verworven studiepunten die meegerekend worden voor het vaststellen van de financieringspunten FPi-output, vermeld in artikel III.13, § 9; 2° in het begrotingsjaar 2023 : op basis van het gemiddeld aantal verworven studiepunten over de academiejaren 2019-2020 en 2020-2021 van de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten indien de student reeds in het bezit is van een masterdiploma in hetzelfde studiegebied en van de verworven studiepunten in de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst, met uitzondering van de verworven studiepunten die meegerekend worden voor het vaststellen van de financieringspunten FPi-output, vermeld in artikel III.13, § 9; 3° vanaf het begrotingsjaar 2024 : op basis van het gemiddeld aantal verworven studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 van de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten indien de student reeds in het bezit is van een masterdiploma in hetzelfde studiegebied en van de verworven studiepunten in de educatieve masteropleidingen voor kunstvakken in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst, met uitzondering van de verworven studiepunten die meegerekend worden voor het vaststellen van de financieringspunten FPi-output, vermeld in artikel III.13, § 9. § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, volgt de evolutie van VOWhko overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.6. § 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt het bedrag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. Het vrijgekomen bedrag wordt toegevoegd aan VOWhbo.".

Art. 173.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een artikel III.33/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. III.33/1. § 1. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat specifieke lerarenopleidingen aanbiedt tot en met het schooljaar 2018-2019 en een of meerdere hogescholen en een of meerdere universiteiten die lerarenopleidingen aanbieden sluiten een overeenkomst waarin ten minste afspraken gemaakt worden over de overdracht, de terbeschikkingstelling en het gebruik van infrastructuur en onroerende goederen, de overdracht van personeelsleden.

De hogescholen en universiteiten waarmee een centrum voor volwassenenonderwijs een overeenkomst heeft afgesloten sluiten onderling een overeenkomst over de verdeling van de middelen afkomstig van het centrum voor volwassenenonderwijs en over de verdeling van de personeelsleden. § 2. De hogescholen en universiteiten waarmee een centrum voor volwassenenonderwijs een overeenkomst heeft gesloten als vermeld in paragraaf 1, ontvangen samen de volgende middelen : 1° in het begrotingsjaar 2019 : 1/3 van de gegenereerde middelen voor de specifieke lerarenopleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs;2° in de begrotingsjaren 2020 tot en met 2026 : de gegenereerde middelen voor de specifieke lerarenopleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs. De gegenereerde middelen, vermeld in punt 1° en 2°, zijn het aantal leraarsuren voor de specifieke lerarenopleidingen in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2018-2019, berekend conform de artikelen 98 en 99 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, vermenigvuldigd met 100,08 euro. Dit bedrag van 100,08 euro wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de aanpassing is 1 september 2017.

De gegenereerde middelen worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. § 3. De middelen, vermeld in paragraaf 2, worden verdeeld onder de universiteiten en hogescholen die een overeenkomst als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, hebben afgesloten, op basis van een percentage dat in de overeenkomst is vastgelegd. Dat percentage wordt meegedeeld aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. De betrokken hogescholen en universiteiten kunnen dit percentage jaarlijks aanpassen.

De overeenkomst, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, bevat ook een regeling indien het aandeel van de overgekomen personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, van de partners in de overeenkomst niet overeenkomt met de verdeling van de financiële middelen, vermeld in het eerste lid. § 4. Vanaf het begrotingsjaar 2027 worden de middelen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°, afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan VOWhbo, VOWprof2014, VOWun2014 en de aanvullende middelen, vermeld in artikel III.33, § 2, op basis van het aandeel diploma's uitgereikt in de academie-jaren 2020-2021 tot en met 2024-2025 van respectievelijk : 1° de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs, vermeld in artikel II.112; 2° het verkorte traject van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs, vermeld in artikel II.113, § 4; 3° het verkorte traject van de educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs, vermeld in artikel II.114, § 5; 4° het verkorte of consecutieve traject van de educatieve masteropleiding voor kunstvakken, vermeld in artikel II.114, § 5 en § 6.".

Art. 174.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een artikel III.42/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. III.42/1. § 1. Bij de overdracht van hbo5-opleidingen van een of meer centra voor volwassenenonderwijs aan een hogeschool in het academiejaar 2019-2020 ontvangt die hogeschool vanaf het begrotingsjaar 2019 daarvoor de volgende middelen : 1° in het begrotingsjaar 2019 : 1/3 van de gegenereerde middelen voor de hbo5-opleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs;2° vanaf het begrotingsjaar 2020 : de gegenereerde middelen voor de hbo5-opleidingen voor het schooljaar 2018-2019 in het desbetreffende centrum voor volwassenenonderwijs. De gegenereerde middelen, vermeld in punt 1° en 2°, zijn het aantal leraarsuren voor de hbo5-opleidingen in het desbetreffende centrum of centra voor volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2018-2019, berekend conform de artikelen 98 en 99 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, vermenigvuldigd met 98,39 euro. Dit bedrag van 98,39 euro wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de aanpassing is 1 september 2017. § 2. De middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, worden cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage : 1° voor het begrotingsjaar 2020 : het percentage van de evolutie tussen het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2017-2018 van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs;2° voor het begrotingsjaar 2021 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool en het aantal lestijden waarvoor werd ingeschreven gedeeld door 12 van het schooljaar 2018-2019 van de betrokken centra voor volwassenenonderwijs;3° voor het begrotingsjaar 2022 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool;4° voor de begrotingsjaren 2023 en 2024 monitort de Vlaamse Regering budgettaire effecten van de open-end financiering van de graduaatsopleidingen tweemaal per jaar in functie van begrotingsopmaak en begrotingscontrole.Op basis van deze monitoring kan de regering ingrijpen in het groeimechanisme om deze effecten onder controle te houden en eventueel beslissen om over te stappen op een budgetbeheersbaar financieringssysteem. § 3. De middelen, vermeld in paragraaf 1, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. § 4. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de middelen, berekend overeenkomstig paragraaf 1, 2 en 3, jaarlijks met 1/3 afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan het variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo, vermeld in artikel III.5.".

Art. 175.Aan artikel III.55 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015 en 17 juni 2016, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt : " § 6. In afwijking van paragraaf 3 is het bedrag van de werkingstoelage van een hogeschool in het begrotingsjaar 2020 gelijk aan het conform artikel III.5, § 9, geïndexeerde bedrag van de werkingsuitkering dat de hogeschool ontvangen heeft in het begrotingsjaar 2019. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2020 toegevoegd aan het bedrag dat de hogescholen ontvangen van de centra voor volwassenenonderwijs, zoals vermeld in artikel III.42/1.".

Art. 176.Aan artikel III.67, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 16 juni 2017, worden een vierde en vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt : "In het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 163.719 euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en een bedrag van 803.211 euro aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden deze bedragen verhoogd tot respectievelijk 491.157 euro jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en 2.409.632 euro, jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.

In het begrotingsjaar 2024 evalueert de Vlaamse Regering of de bedragen van de sociale toelage aan de universiteiten en de hogescholen nog in overeenstemming zijn met de evoluties van het aantal en het profiel van de studenten. Deze evaluatie zal de Vlaamse Regering elke vier jaar uitvoeren.".

Art. 177.In artikel III.68 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2016, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt : "De opgenomen studiepunten in een hogeschool voor het begrotingsjaar t, vermeld in dit artikel, zijn het gemiddelde aantal studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een graduaatsopleiding of een initiële bachelor- of masteropleiding in de desbetreffende hogeschool.".

Art. 178.Artikel III.69 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 179.Aan artikel IV.32, § 1, van dezelfde codex wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "Hogescholen die met ingang van het academiejaar 2019-2020 opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden kunnen tot en met het begrotingsjaar 2025 op gemotiveerde wijze afwijken van de in de eerste alinea bedoelde variatie.".

Art. 180.In deel 5, titel 1, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Hoofdstuk 4. Overname personeel volwassenenonderwijs".

Art. 181.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 180, een artikel V.79/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.79/1. § 1. Als na de stopzetting van een specifieke lerarenopleiding aan een centrum voor volwassenenonderwijs de financiering voor die opleiding deels naar een universiteit overgaat, kan die universiteit met ingang van 1 september 2019 personeelsleden overnemen zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure, voor zover deze personeelsleden vermeld zijn op de lijst bedoeld in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 : 1° een lid van het onderwijzend personeel dat aan de specifieke lerarenopleiding verbonden is;2° een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel dat verbonden is aan het centrum voor volwassenenonderwijs dat de specifieke lerarenopleiding aanbiedt. § 2. De overgenomen personeelsleden worden ingeschaald in een graad van het academisch of het administratief en technisch personeel, rekening houdend met het minimaal vereiste bekwaamheidsbewijs.

Voor de beoordeling van het vereiste bekwaamheidsbewijs, vermeld in het eerste lid, gelden, voor de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 1°, de bepalingen uit artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.

De overgenomen personeelsleden verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris tegen 100% dat ze kregen aan het centrum voor volwassenenonderwijs. § 3. Een overname en inschaling zijn alleen mogelijk met de instemming van het betrokken personeelslid.".

Art. 182.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in hetzelfde hoofdstuk 4 een artikel V.79/2 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.79/2. § 1. Als er door de vrijwillige overname van personeelsleden, vermeld in artikel V.79/1, § 1, 1°, minder personeelsleden van de specifieke lerarenopleiding, uitgedrukt in voltijdse eenheden, naar de universiteit overgaan dan het percentage vastgesteld voor de universiteit overeenkomstig artikel III.33/1, § 3, kan de universiteit vanaf 1 oktober 2019 personeelsleden tewerkstellen die conform artikel V.206/1 naar een hogeschool overgegaan zijn.

De tewerkstelling, vermeld in het eerste lid, verloopt op een van de volgende wijzen : 1° via een opname in het integratiekader als vermeld in deel 5, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 1; 2° via een overeenkomst als vermeld in artikel V.223.

De tewerkstelling, vermeld in het eerste lid, is mogelijk voor het volledige volume van de opdracht van het betrokken personeelslid aan de hogeschool of voor een gedeelte van de opdracht. § 2. De hogeschool naar waar de personeelsleden op grond van artikel V.206/1 overgaan en de universiteit die de tewerkstelling op grond van paragraaf 1 kan overnemen, sluiten een overeenkomst zoals vermeld in artikel III.33/1, § 1. Deze overeenkomst heeft betrekking op alle personeelsleden uit een specifieke lerarenopleiding van een centrum voor volwassenenonderwijs die op grond van artikel V.206/1 naar een hogeschool overgaan. De hogeschool en de universiteit houden bij de toewijzing van de tewerkstelling maximaal rekening met de voorkeur van de betrokken personeelsleden.".

Art. 183.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in hetzelfde hoofdstuk 4 een artikel V.79/3 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.79/3. Een personeelslid dat op basis van een in artikel V.79/2, § 2, vermelde overeenkomst aan een universiteit of hogeschool tewerkgesteld is, kan tot 1 september 2024 zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure overgaan naar de andere hogeronderwijsinstelling. Deze overgang gebeurt via een aanpassing van de overeenkomst tussen de universiteit en hogeschool en is niet mogelijk zonder instemming van het betrokken personeelslid.".

Art. 184.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in hetzelfde hoofdstuk 4 een artikel V.79/4 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.79/4. Een universiteit kan, onder de in het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage bepaalde voorwaarden, een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel, vermeld in artikel V.79/1, § 1, 2°, tewerkstellen, dat aan het centrum voor volwassenenonderwijs ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking.".

Art. 185.Aan artikel V.110, § 2, van dezelfde codex, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft.".

Art. 186.Aan artikel V.111, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt : "8° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.".

Art. 187.In deel 5, titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 2, van dezelfde codex worden de bestaande artikelen V.204 tot en met V.206 ondergebracht in een nieuwe onder-afdeling 1, waarvan het opschrift luidt als volgt : "Onderafdeling 1. Omvorming tot professionele bachelor".

Art. 188.Aan deel 5, titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 2, van dezelfde codex wordt een onderafdeling 2 toegevoegd, die luidt als volgt : "Onderafdeling 2. Overname hbo5 of SLO".

Art. 189.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 188, een artikel V.206/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.206/1. Een hogeschool die de onderwijsbevoegdheid van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een deel van de financiële middelen voor een stopgezette specifieke lerarenopleiding overneemt, neemt met ingang van 1 september 2019 de leden van het onderwijzend personeel in het ambt van lector over, voor zover deze personeelsleden vermeld zijn op de lijst bedoeld in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 : 1° de benoemde personeelsleden die op 31 december 2018 benoemd zijn bij het centrum voor volwassenenonderwijs;2° de personeelsleden die op 31 december 2018 met een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking aangesteld zijn. De overgenomen personeelsleden worden vanaf het moment dat ze overgenomen zijn door de hogeschool personeelsleden van de hogeschool, betaald met de werkingsuitkeringen van de hogeschool in kwestie.

De hogeschool treedt ten opzichte van de overgenomen personeelsleden vanaf 1 september 2019 in de rechten en verplichtingen van het centrum voor volwassenenonderwijs dat voor de overname de betrokken personeelsleden tewerkstelde. In deze overdracht zijn alle rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures inbegrepen.".

Art. 190.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde onderafdeling 2 een artikel V.206/2 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.206/2. § 1. De hogeschool neemt op 1 september 2019 de vastbenoemde personeelsleden, vermeld in artikel V.206/1, eerste lid, 1°, over voor de omvang van de betrekking waarvan zij op 31 december 2018 titularis zijn. De hogeschool neemt de tijdelijke personeelsleden, vermeld in artikel V.206/1, eerste lid, 2°, over voor de omvang van de betrekking waarvan deze personeelsleden op 30 juni 2019 titularis zijn. § 2. De benoemde personeelsleden behouden na de overname door de hogeschool hun vaste benoeming. De tijdelijke personeelsleden krijgen bij de overname een aanstelling van onbepaalde duur.

In afwijking van het eerste lid kan de hogeschool de personeelsleden die op 30 juni 2019 een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben, bij de overname benoemen. Een benoeming is alleen mogelijk als het personeelslid daarom verzoekt.

Artikel IV.28 van deze codex is niet van toepassing.".

Art. 191.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde onderafdeling 2 een artikel V.206/3 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.206/3. De personeelsleden van het onderwijzend personeel die conform artikel V.79/3, tweede lid, aan een universiteit tewerkgesteld worden via een opname in het integratiekader, worden vanaf 1 oktober 2019 opgenomen in de lijst, vermeld in artikel V.209.".

Art. 192.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde onderafdeling 2 een artikel V.206/4 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.206/4. Een hogeschool die de onderwijsbevoegdheid van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een deel van de financiële middelen voor een stopgezette specifieke lerarenopleiding overneemt, kan met ingang van 1 september 2019 personeelsleden overnemen zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure, voor zover deze personeelsleden vermeld zijn op een lijst bedoeld in artikel 103ter decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 84vicies ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 : 1° een lid van het onderwijzend personeel dat verbonden is aan een overgenomen opleiding en dat niet onder de toepassing van artikel V.206/1 valt; 2° een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel dat verbonden is aan het centrum voor volwassenenonderwijs waaraan de overgenomen opleiding verbonden is.".

Art. 193.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde onderafdeling 2 een artikel V.206/5 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.206/5. De personeelsleden die conform deze onderafdeling overgenomen zijn door een hogeschool, vallen onder de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de hogescholen.

De personeelsleden worden ingeschaald in een ambt uit groep 1 van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel, rekening houdend met het minimaal vereiste bekwaamheidsbewijs.

De personeelsleden verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun ambt, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris tegen 100% dat ze kregen bij het centrum voor volwassenenonderwijs.".

Art. 194.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde onderafdeling 2 een artikel V.206/6 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.206/6. In afwijking van artikel V.206/5 gelden voor de personeelsleden die conform deze onderafdeling overgenomen zijn door een hogeschool, de volgende overgangsregelingen : 1° voor de beoordeling van het minimale bekwaamheidsbewijs, vermeld in artikel V.206/5, tweede lid, gelden voor de personeelsleden die bij het centrum voor volwassenenonderwijs in een ambt van het onderwijzend personeel werkten, de bepalingen, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs; 2° als voor de benoeming van een personeelslid een bepaalde anciënniteit vereist is, houdt het hogeschoolbestuur bij tijdelijke personeelsleden die van een centrum voor volwassenenonderwijs overgekomen zijn, ook rekening met de dienstanciënniteit die bij het centrum verworven is binnen een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een specifieke lerarenopleiding; 3° artikel V.170 van deze codex is niet van toepassing op de personeelsleden van het onderwijzend personeel die op 31 augustus 2019 aan de volgende twee voorwaarden voldoen : a) benoemd zijn voor een voltijdse opdracht bij het centrum voor volwassenenonderwijs of de overnemende hogeschool; b) een vaste betrekking op de personeelsformatie van respectievelijk de overnemende hogeschool of het centrum voor volwassenenonderwijs hebben.".

Art. 195.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt in dezelfde onderafdeling 2 een artikel V.206/7 ingevoegd, dat luidt als volgt : "Art. V.206/7. Een hogeschool kan, onder de in het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage bepaalde voorwaarden, een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel, vermeld in artikel V.206/4, 2°, tewerkstellen, dat aan het centrum voor volwassenenonderwijs ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking.".

Art. 196.Aan artikel V.210 van dezelfde codex, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan het eerste lid, 3°, wordt een punt b) toegevoegd, dat luidt als volgt : "b) de personeelsleden, vermeld in artikel V.220, § 2, tweede lid."; 2° na het tweede lid wordt een nieuw derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "In afwijking van artikel V.209, § 1, kan een personeelslid als vermeld in het eerste lid, 3°, b), ook opgenomen worden in het integratiekader van een universiteit die niet de academische opleidingen van die hogeschool geïntegreerd heeft.".

Art. 197.In artikel V.220, § 2, van dezelfde codex, wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt : "De personeelsleden die opgenomen zijn in de lijst, vermeld in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, kunnen overgedragen worden naar het integratiekader.". HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen

Art. 198.Het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt opgeheven.

Art. 199.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2019, met uitzondering van artikel 11, 12, 13, 14, 15, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 1°, 2° en 4°, artikel 31, 171, 172, 173, 174, 176, 177, 189 en 190, die in werking treden op 1 januari 2019, en artikel 120, dat in werking treedt op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 4 mei 2018.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Onderwijs, H. CREVITS _______ Nota (1) Zitting 2017-2018 Stukken : - Ontwerp van decreet : 1508 - Nr.1 Amendementen : 1508 - Nr. 2 Verslag : 1508 - Nr. 3 Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 1508 - Nr. 4 Handelingen - Bespreking en aanneming : Vergadering van 25 april 2018.

^