Etaamb.openjustice.be
Wet van 30 maart 2017
gepubliceerd op 28 april 2017

Wet tot wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst en van artikel 259bis van het Strafwetboek

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2017011752
pub.
28/04/2017
prom.
30/03/2017
ELI
eli/wet/2017/03/30/2017011752/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)Kamer (parl. doc.)
Document Qrcode

30 MAART 2017. - Wet tot wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst en van artikel 259bis van het Strafwetboek


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst

Art. 2.In het opschrift van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst worden de woorden "inlichtingen- en veiligheidsdienst" vervangen door de woorden "inlichtingen- en veiligheidsdiensten".

Art. 3.In de artikelen 2, 8, 18/3, 18/8, 18/9, 18/10, 18/16, 19, 38, 39, 40, 41 en 43/5 van dezelfde wet wordt het woord "bedreiging" telkens vervangen door het woord "dreiging".

In de artikelen 8 en 18/10 van dezelfde wet wordt het woord "bedreigingen" telkens vervangen door het woord "dreigingen".

In de artikelen 2, 3, 9, 10, 11, 18/1, 18/9, 18/17, 19, 20, 37, 44bis en 44ter van dezelfde wet worden, naargelang het geval, de woorden "Algemene Dienst inlichting en veiligheid", de woorden "algemene Dienst Inlichting en Veiligheid", de woorden "algemene Dienst inlichting en veiligheid", de woorden "Algemene dienst Inlichtingen en Veiligheid", de woorden "algemene Dienst inlichtingen- en veiligheid", de woorden "Algemene Dienst voor inlichting en veiligheid", de woorden "Algemene Dienst voor Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht", de woorden "Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht", de woorden "algemene Dienst inlichtingen- en veiligheid van de Krijgsmacht", de woorden "Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht", de woorden "algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht" en de woorden "algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht" telkens vervangen door de woorden "Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid".

In hoofdstuk II van dezelfde wet worden in het opschrift van afdeling 2 de woorden "De Algemene Dienst inlichting en veiligheid" vervangen door de woorden "De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid".

In de artikelen 2, § 2, tweede lid, 18/1, 1°, 38, 39, 40, 41 en 43/5 van dezelfde wet worden, naargelang het geval, de woorden ", 8, 1° tot 4°, ", de woorden ", en 8, 1° tot 4° ", de woorden ", 8," en de woorden ", 8" opgeheven.

In artikel 20, § 4 van dezelfde wet worden de woorden "Veiligheid van de staat" vervangen door de woorden "Veiligheid van de Staat".

In de artikelen 38 en 39 van dezelfde wet worden de woorden "De korpschef of zijn plaatsvervanger" vervangen door de woorden "Het diensthoofd".

In de artikelen 38 tot 41 van dezelfde wet worden de woorden "de korpschef of zijn plaatsvervanger" en de woorden "de korpschef of van zijn plaatsvervanger" vervangen door de woorden "het diensthoofd".

In artikel 38, § 1 van dezelfde wet worden de woorden "hun korpschef of zijn plaatsvervanger" vervangen door de woorden "het betrokken diensthoofd".

In de Franse tekst van artikel 38, § 2, vierde en vijfde lid, van dezelfde wet worden de woorden "au chef de corps ou à son remplaçant" vervangen door de woorden "au dirigeant du service".

In artikel 43/6, § 2, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "het geheim van het opsporingsonderzoek of van het onderzoek" vervangen door de woorden "het geheim van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek".

Art. 4.In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "De methoden voor het verzamelen van in deze wet bedoelde gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten" vervangen door de woorden "De methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in deze wet"; 2° in paragraaf 1, wordt het vierde lid aangevuld met een zin, luidende: "Bij de evaluatie van het subsidiariteitsprincipe wordt rekening gehouden met de risico's die de uitvoering van de inlichtingenopdracht inhoudt voor de veiligheid van de agenten en van derden."; 3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de woorden "of aan de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied" worden ingevoegd tussen het woord "11," en de woorden "kunnen deze beschermde gegevens";b) het woord "worden" tussen de woorden "gegevens" en "verkregen" wordt opgeheven.4° in de plaats van paragraaf 3, vernietigd bij arrest nr.145/2011 van het Grondwettelijk Hof, wordt de als volgt luidende paragraaf 3 ingevoegd: " § 3. Onverminderd de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en op verzoek van iedere persoon met een persoonlijk en wettig belang die onder de Belgische rechtsmacht valt, informeert het diensthoofd deze persoon schriftelijk dat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17, op voorwaarde dat: 1° een periode van meer dan tien jaar is verstreken sinds het beëindigen van de methode;2° door de kennisgeving geen schade kan worden toegebracht aan een inlichtingenonderzoek;3° geen afbreuk wordt gedaan aan de verplichtingen bedoeld in de artikelen 13, derde lid en 13/4, tweede lid;4° door de kennisgeving geen schade kan worden toegebracht aan de betrekkingen die België met vreemde Staten en internationale of supranationale instellingen onderhoudt. In de hypothese dat het verzoek onontvankelijk is of dat de betrokken persoon niet het voorwerp geweest is van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17 of indien de voorwaarden voor de kennisgeving niet vervuld zijn, informeert het diensthoofd de persoon dat er geen gevolg kan gegeven worden aan zijn verzoek in toepassing van deze paragraaf.

In de hypothese dat het verzoek ontvankelijk is, dat de betrokken persoon het voorwerp geweest is van een methode bedoeld in de artikelen 18/12, 18/14 of 18/17 en dat de voorwaarden voor de kennisgeving vervuld zijn, geeft het diensthoofd aan welke methode werd ingezet en op welke wettelijke basis.

Het diensthoofd van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst informeert het Vast Comité I over elk verzoek om informatie en over het geleverde antwoord, en verstrekt eveneens een beknopte motivatie.

De toepassing van deze bepaling maakt het voorwerp uit van het verslag van het Vast Comité I aan de Kamer van volksvertegenwoordigers bedoeld in artikel 35, § 2, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Nationale Veiligheidsraad, de nadere regels waaraan het verzoek moet voldoen.".

Art. 5.In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010, 6 december 2015 en 21 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de bepaling onder 1° wordt hersteld als volgt: "1° "Nationale Veiligheidsraad": de binnen de Regering opgerichte Raad die belast is met de door de Koning vastgestelde taken van nationale veiligheid;"; b) de bepaling onder 3° wordt hersteld als volgt: "3° "lid van het interventieteam": a) voor de Veiligheid van de Staat, de agent bedoeld in de artikelen 22 tot 35 die belast is met de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de Veiligheid van de Staat; b) voor de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, de agent bedoeld in de artikelen 22 tot 35 die belast is met de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid;"; c) in de bepaling onder 9°, a), worden de woorden "van de buitendiensten" opgeheven; d) de bepaling onder 11° /1 wordt ingevoegd, luidende: "11° /1 "verstrekker van een elektronische communicatiedienst": iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen, te ontvangen of te verspreiden;"; e) de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt: "12° "voor het publiek toegankelijke plaats": elke plaats, openbaar of privé, waartoe het publiek toegang kan hebben;"; f) de bepaling onder 12° /1 wordt ingevoegd, luidende: "12° /1 "niet voor het publiek toegankelijke plaats die niet aan het zicht onttrokken is": elke plaats waartoe het publiek geen toegang heeft en die voor iedereen zichtbaar is vanaf de openbare weg zonder hulpmiddel of kunstgreep, met uitzondering van de binnenkant van gebouwen die niet voor het publiek toegankelijk zijn;"; g) in de bepaling onder 14° worden de volgende wijzigingen aangebracht: - het woord "hulpmiddel" wordt vervangen door het woord "middel"; - de woorden "met uitzondering van een apparaat dat gebruikt wordt voor het nemen van foto's" worden vervangen door de woorden "met uitzondering van: a) een apparaat dat gebruikt wordt voor het nemen van foto's;b) een mobiel apparaat dat gebruikt wordt voor de opname van bewegende beelden indien het nemen van foto's de discretie en de veiligheid van de agenten niet kan verzekeren en op voorwaarde dat dit gebruik voorafgaand is toegestaan door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. Enkel relevant geachte vaste beelden worden bewaard. De overige beelden worden vernietigd binnen een maand na de dag van de opname;" h) het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 19°, 20° en 21°, luidende: "19° "vergrendeld voorwerp": een voorwerp dat geopend moet worden met behulp van een valse sleutel of via braak;20° "observatie": het waarnemen van één of meerdere personen, hun aanwezigheid of gedrag, of van zaken, plaatsen of gebeurtenissen; 21° "doorzoeking": het betreden, bezichtigen en onderzoeken van een plaats alsook het bezichtigen en onderzoeken van een voorwerp.".

Art. 6.In artikel 8, 1° van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt het woord "inlichtingen" vervangen door het woord "informatie";2° in de bepaling onder a) worden de woorden "inlichtingen die voor het publiek niet toegankelijk zijn" vervangen door de woorden "niet voor het publiek toegankelijke informatie";3° in de bepaling onder b) worden de woorden ".Hieronder wordt ook het radicaliseringproces begrepen" ingevoegd na de woorden "te bereiken"; 4° in de bepaling onder c) worden de woorden ".Hieronder wordt ook het radicaliseringproces begrepen" ingevoegd na de woorden "van de rechtsstaat".

Art. 7.In artikel 11 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010, 6 december 2015 en 29 januari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1 worden de inleidende zin en de bepaling onder 1 vervangen als volgt: " § 1.De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid heeft als opdracht: 1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op de factoren die de nationale en internationale veiligheid beïnvloeden of kunnen beïnvloeden in die mate dat de Krijgsmacht betrokken is of zou kunnen worden om inlichtingensteun te bieden aan hun lopende of eventuele komende operaties, alsook de inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die: a) de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied of de bevolking, b) de militaire defensieplannen, c) het wetenschappelijk en economisch potentieel met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren die verbonden zijn met defensie en die opgenomen zijn in een op voorstel van de minister van Justitie en de minister van Landsverdediging door de Nationale Veiligheidsraad goedgekeurde lijst, d) de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, e) de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, f) elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van de Nationale Veiligheidsraad, bedreigt of zou kunnen bedreigen; en er de bevoegde ministers onverwijld over inlichten alsook de regering, op haar verzoek, advies te verlenen bij de omschrijving van haar binnen- en buitenlands beleid inzake veiligheid en defensie;" b) in paragraaf 1, 2°, worden de woorden "en wapensystemen" ingevoegd tussen het woord "wapens" en het woord ", munitie", en wordt het woord "wapensystemen," ingevoegd tussen de woorden "in het kader van de cyberaanvallen op" en de woorden "militaire informatica- en verbindingssystemen";c) in paragraaf 2, 1°, worden de woorden "of de bevolking" ingevoegd tussen de woorden "nationaal grondgebied" en het woord "bedreigt" en worden de woorden "van de bevolking" vervangen door "van de gehele bevolking of een gedeelte ervan";d) in paragraaf 2, 4°, worden de woorden "door verwoesting, afslachting of plundering" opgeheven.

Art. 8.Het opschrift van hoofdstuk III van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: "HOOFDSTUK III. De uitoefening van de inlichtingen- en veiligheidsopdrachten".

Art. 9.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 1 opgeheven.

Art. 10.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt onderafdeling 1 van afdeling 1 vernummerd als afdeling 1.

Art. 11.In artikel 13, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010 en van 29 mei 2016, worden de woorden "In het raam van hun opdrachten kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten" vervangen door de woorden "De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen".

Art. 12.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 13/1 tot 13/4 bevat, luidende: "Afdeling 2. De beschermings- en ondersteuningsmaatregelen".

Art. 13.In artikel 13/1, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, dat vernummerd wordt tot artikel 13/1, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: "Het is de agenten verboden strafbare feiten te plegen."; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt: "In afwijking van het eerste lid, blijven vrij van straf de agenten belast met de uitvoering van de methoden voor het verzamelen van gegevens alsook de leden van het interventieteam in het kader van hun functie, die overtredingen, inbreuken op de wegcode of een gebruiksdiefstal begaan die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van andere personen."; 3° het derde lid wordt vervangen als volgt: "Onverminderd het tweede lid, blijven vrij van straf de agenten die bij de uitvoering van de in artikel 18/2 bedoelde methoden, met het voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie gegeven binnen de vier dagen na ontvangst van de schriftelijke vraag van het diensthoofd, strafbare feiten begaan die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van hun eigen veiligheid of die van andere personen.In geval van hoogdringendheid vraagt het diensthoofd het voorafgaand mondeling akkoord van de voorzitter van de Commissie. Dit mondelinge akkoord wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd door de voorzitter van de Commissie. De Commissie of de voorzitter brengt zijn akkoord ter kennis van het Vast Comité I."; 4° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: "In afwijking van het derde lid, indien de strikte noodzaak om een strafbaar feit te begaan ter verzekering van de veiligheid van agenten of andere personen onmogelijk kon worden voorzien en het evenmin mogelijk was om het voorafgaand akkoord te bekomen van de Commissie of van de voorzitter in geval van een hoogdringendheidsprocedure, brengt het diensthoofd de Commissie zo spoedig mogelijk op de hoogte dat een strafbaar feit werd begaan.Indien de Commissie, na evaluatie, besluit tot de strikte noodzaak en de onvoorzienbaarheid van het strafbaar feit, blijft de agent vrij van straf. De Commissie maakt dit akkoord over aan het Vast Comité I."; 5° in het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "in het tweede en derde lid" vervangen door de woorden "in het tweede tot vierde lid";6° het vijfde lid wordt opgeheven;7° in het zesde lid worden de woorden "het derde lid" vervangen door "het derde en het vierde lid".

Art. 14.Artikel 13/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, dat vernummerd wordt tot artikel 13/2, wordt vervangen als volgt: "

Art. 13/2.Een agent kan, om veiligheidsredenen verbonden aan de bescherming van zijn persoon of van derden, gebruik maken van een naam die hem niet toebehoort alsook van een fictieve identiteit en hoedanigheid, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels.

De in het eerste lid bedoelde maatregel mag niet autonoom aangewend worden voor het verzamelen van gegevens.

Elk actief gebruik van een fictieve identiteit dient tijdelijk en doelgericht te zijn en wordt vermeld in een lijst die maandelijks overgemaakt wordt aan het Vast Comité I. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het kader van de aanmaak en het gebruik van een valse naam of van een fictieve identiteit en hoedanigheid, valse documenten vervaardigen, laten vervaardigen en gebruiken.

Elke aanmaak van officiële documenten ten bewijze van een fictieve identiteit of hoedanigheid wordt gemachtigd door het diensthoofd en wordt ter kennis gebracht van het Vast Comité I. In het kader van de uitvoering van de in dit artikel bedoelde maatregelen kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten.".

Art. 15.Artikel 18/13, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, dat vernummerd wordt tot artikel 13/3, wordt vervangen als volgt: "

Art. 13/3.§ 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen rechtspersonen oprichten, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels. Die nadere regels kunnen afwijken van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn in geval van ontbinding en vereffening van een rechtspersoon. § 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen rechtspersonen inzetten ter ondersteuning van hun opdrachten.

Onverminderd het eerste lid, worden de nadere regels voor het inzetten van een rechtspersoon voor het verzamelen van gegevens bepaald in artikel 18/13. § 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het kader van de toepassing van paragrafen 1 en 2, valse documenten vervaardigen, laten vervaardigen en gebruiken. § 4. Elke oprichting van een rechtspersoon wordt gemachtigd door het diensthoofd en wordt ter kennis gebracht van het Vast Comité I. Elke inzet van een rechtspersoon buiten het geval voorzien in artikel 18/13, wordt vermeld in een lijst die maandelijks overgemaakt wordt aan het Vast Comité I. § 5. In het kader van de uitvoering van dit artikel kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten.".

Art. 16.In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 13/4 ingevoegd, luidende: "

Art. 13/4.De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen de medewerking van derden verzoeken.

De diensten waken over de veiligheid van de gegevens die betrekking hebben op de derden die een medewerking aan hen verlenen of hebben verleend.

Het tweede, derde en vijfde lid van artikel 13/1 zijn van toepassing op de derden die aan de uitvoering van een methode noodzakelijke en rechtstreekse hulp en bijstand hebben verleend.".

Art. 17.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende: "Afdeling 3. De samenloop met een opsporings- of gerechtelijk onderzoek".

Art. 18.In artikel 13/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, vernummerd tot artikel 13/5, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, worden de woorden "bevoegdheden van de procureur des Konings, de federale procureur of de onderzoeksrechter" vervangen door de woorden "opdrachten van de bevoegde magistraat";2° in het derde lid worden de woorden "het federaal parket of" opgeheven en worden de woorden "of de agent die hij daartoe machtigt" ingevoegd tussen de woorden "het hoofd van de betrokken dienst" en de woorden ", of en volgens welke nadere regels".

Art. 19.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt, na artikel 13/5, een afdeling 4 ingevoegd, luidende: "Afdeling 4. De methoden voor het verzamelen van gegevens".

Art. 20.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt onderafdeling 2 van afdeling 1 vernummerd als onderafdeling 1 van afdeling 4, ingevoegd bij artikel 19.

Art. 21.In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden "Met inachtneming van de wet, op basis van de eventueel afgesloten akkoorden en de door hun verantwoordelijke overheid bepaalde regels kunnen" opgeheven, worden de woorden "de gerechtelijke overheden" vervangen door de woorden "De gerechtelijke overheden", wordt het woord "kunnen" ingevoegd tussen de woorden "die van de politiediensten inbegrepen," en de woorden "uit eigen beweging" en worden de woorden "de inlichtingen meedelen die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten" vervangen door de woorden "de informatie meedelen die nuttig is voor de uitvoering van zijn opdrachten";2° in het tweede lid worden de woorden "met inachtneming van deze wet en op basis van de eventueel afgesloten akkoorden en van de door hun verantwoordelijke overheid bepaalde regels," opgeheven en worden de woorden "de inlichtingen mee die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten" vervangen door de woorden "de informatie mee die nuttig is voor de uitvoering van zijn opdrachten".

Art. 22.Artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt: "

Art. 16.De personen en organisaties die behoren tot de privésector kunnen, onverminderd artikel 2, § 2, uit eigen beweging aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de informatie en persoonsgegevens meedelen die nuttig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten.

De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, onverminderd artikel 2, § 2, informatie en persoonsgegevens inwinnen bij personen en organisaties die behoren tot de privésector.".

Art. 23.Artikel 16/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt: "

Art. 16/1.§ 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder behulp van technische middelen het volgende observeren: 1° voor het publiek toegankelijke plaatsen;2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden. § 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder behulp van technische middelen: 1° voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken; 2° ter plaatse de inhoud doorzoeken van niet-vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden en die niet bewaakt zijn door de bezitter.".

Art. 24.In artikel 17 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 februari 2010, worden de woorden "In de uitoefening van hun opdrachten kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onder meer" vervangen door de woorden "De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,".

Art. 25.In artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010 en van 6 december 2015, worden de woorden "In de uitoefening van hun opdrachten kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten" vervangen door de woorden "De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten,".

Art. 26.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt onderafdeling 2/1 van afdeling 1 vernummerd als onderafdeling 2 van afdeling 4, ingevoegd bij artikel 19.

Art. 27.In artikel 18/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 29 januari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 1° worden de woorden "op het grondgebied van het Rijk" vervangen door de woorden "op of vanaf het grondgebied van het Rijk";b) in de bepaling onder 2° : - worden de woorden ", onverminderd artikel 18/9, § 1, 2°, " ingevoegd tussen het woord "Krijgsmacht" en de woorden "voor de uitoefening"; - worden de woorden ", op het grondgebied van het Rijk," opgeheven; - worden de woorden "met uitzondering van de interceptie van communicaties uitgezonden in het buitenland, bedoeld in de artikelen 44bis en 44ter en in artikel 259bis, § 5, van het Strafwetboek." vervangen door de woorden "met uitzondering van de interceptie van communicatie uitgezonden of ontvangen in het buitenland alsook het binnendringen in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt en het maken van vaste of bewegende beelden uitgevoerd in het buitenland, bedoeld in de artikelen 44 tot 44/5.".

Art. 28.In artikel 18/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: " § 1.De specifieke methoden voor het verzamelen van gegevens worden opgesomd in de artikelen 18/4 tot 18/8." b) paragraaf 2 wordt vervangen als volgt: " § 2.De uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens worden opgesomd in de artikelen 18/11 tot 18/17. " c) in paragraaf 3, eerste lid: - worden de woorden "of in geval van ziekte of verhindering van de voorzitter diens plaatsvervanger" ingevoegd tussen de woorden "Beroepsjournalisten" en de woorden "hiervan vooraf"; - worden de woorden "of aan de plaatsvervanger van de voorzitter" ingevoegd tussen de woorden "deel uitmaakt" en de woorden "De betrokken voorzitter"; - worden de woorden "is tot geheimhouding verplicht" vervangen door de woorden "en zijn plaatsvervanger zijn tot geheimhouding verplicht"; d) in paragraaf 3, tweede lid worden de woorden "de bedreiging" vervangen door de woorden "de potentiële dreiging" en wordt het lid aangevuld met de woorden "Zo geen rechtstreeks verband is aangetoond, verbiedt de Commissie de inlichtingen- en veiligheidsdiensten deze gegevens te exploiteren."; e) in paragraaf 3, derde lid wordt het woord "dient" vervangen door het woord "kan", wordt het woord "te" opgeheven en wordt het lid aangevuld met de woorden "De voorzitter houdt rekening met het risico dat zijn aanwezigheid kan hebben voor de uitoefening van de opdracht, zijn eigen veiligheid en de veiligheid van de agenten en van derden.".

Art. 29.In artikel 18/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 29 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht: - in de bepaling onder 2° wordt het woord "feitelijke" ingevoegd tussen het woord "rechtspersonen," en het woord "verenigingen"; - de bepaling onder 7° wordt aangevuld met de woorden "in toepassing van de artikelen 18/4 of 18/5"; - de bepalingen onder 9° tot 12° worden vervangen door de bepalingen onder 9° tot 14°, luidende: "9° in voorkomend geval, de strafbare feiten die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van de veiligheid van de agenten of derden; 10° in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële dreiging;11° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;12° in geval toepassing wordt gemaakt van artikel 18/8, de motivering van de duur van de periode waarop de inzameling van gegevens betrekking heeft;13° de datum van de beslissing; 14° de handtekening van het diensthoofd."; - de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende: "De vermeldingen bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°, 7°, 9°, 10°, 11° en 14° zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven."; b) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt: " § 3.In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd de specifieke methode mondeling toestaan. Deze mondelinge beslissing wordt bevestigd door een met redenen omklede schriftelijke beslissing die de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2 bevat, en die uiterlijk de eerste werkdag volgend op de datum van de beslissing moet toekomen op de zetel van de Commissie.

De inlichtingenofficier kan mondeling of schriftelijk de medewerking vorderen van de personen bedoeld in de artikelen 18/6, 18/7 en 18/8.

De aard van de methode wordt hen meegedeeld. Op een mondelinge vordering volgt zo spoedig mogelijk schriftelijke bevestiging ervan door de inlichtingenofficier."; c) in paragraaf 5 wordt het woord "voorstel" vervangen door de woorden "het ontwerp van beslissing";d) in paragraaf 6, derde lid,wordt het woord "comissie" vervangen door het woord "Commissie".

Art. 30.Artikel 18/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt: "

Art. 18/4.§ 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, met behulp van technische middelen het volgende observeren: 1° voor het publiek toegankelijke plaatsen;2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden; en er een technisch middel installeren, dat middel bedienen of het terugnemen. § 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, al dan niet met behulp van technische middelen het volgende observeren: 1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die niet aan het zicht onttrokken zijn;2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden; zonder die plaatsen te betreden.".

Art. 31.Artikel 18/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt: "

Art. 18/5.De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten: 1° voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken met behulp van technische middelen;2° de inhoud doorzoeken van al dan niet vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden;3° al dan niet vergrendelde voorwerpen meenemen voor een strikt beperkte duur, indien het onderzoek ervan niet ter plaatse kan gebeuren om technische of veiligheidsredenen.Die voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.".

Art. 32.In artikel 18/6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden ", wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van hun opdrachten" opgeheven, en worden de woorden ", in het belang van de uitoefening van hun opdrachten," ingevoegd tussen de woorden "De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen" en de woorden "kennis nemen van";2° paragraaf 2 wordt opgeheven;3° in paragraaf 3, worden de woorden "tienduizend euro" vervangen door de woorden "twintigduizend euro".

Art. 33.In dezelfde wet wordt een artikel 18/6/1 ingevoegd, luidende: "Art. 18/6/1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, vervoers- en reisgegevens vorderen van iedere private verstrekker van een vervoers- of reisdienst. Het diensthoofd stuurt een schriftelijke vordering. De aard van de methode wordt meegedeeld aan de dienstenverstrekker die wordt gevorderd.

De verstrekker van een vervoers- of reisdienst die weigert om de in zijn bezit zijnde informatie die overeenkomstig dit artikel gevorderd wordt, mee te delen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro.".

Art. 34.In artikel 18/7 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1 worden de woorden "Wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van de opdrachten," vervangen door de woorden "In het belang van de uitoefening van de opdrachten,";b) paragraaf 2 wordt opgeheven;c) in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "tienduizend euro" vervangen door de woorden "twintigduizend euro".

Art. 35.In artikel 18/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 29 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "tienduizend euro" vervangen door de woorden "twintigduizend euro";b) paragraaf 4 wordt opgeheven.

Art. 36.In artikel 18/9 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wetten van 6 december 2015 en 29 januari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt: "1° door de Veiligheid van de Staat, wanneer er een ernstige potentiële dreiging bestaat voor een fundamenteel belang van het land bedoeld in artikel 8, 2° tot 4°, en wanneer deze potentiële dreiging betrekking heeft op een activiteit bedoeld in artikel 8, 1° of verband houdt met een activiteit van een buitenlandse inlichtingendienst;"; b) in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: "2° door de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid wanneer er een ernstige potentiële dreiging bestaat voor een fundamenteel belang bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, met uitzondering van elk ander fundamenteel belang van het land bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, f)."; c) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "een potentiële bedreiging bedoeld in paragraaf 3" vervangen door de woorden "een potentiële dreiging zoals bedoeld in paragraaf 1";d) in paragraaf 3 worden de woorden "en van de risico's die de uitvoering van de inlichtingsopdracht met zich meebrengt voor de veiligheid van de agenten van de diensten en van derden" opgeheven;e) in paragraaf 4 worden de woorden "van de ernstige bedreigingen bedoeld in § 1, 1° en 2° " vervangen door de woorden "van een ernstige potentiële dreiging bedoeld in paragraaf 1".

Art. 37.In artikel 18/10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "principes van proportionaliteit en subsidiariteit" vervangen door de woorden "principes van subsidiariteit en proportionaliteit";2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "te rekenen vanaf de machtiging," ingevoegd tussen de woorden "niet langer duren dan twee maanden," en het woord "onverminderd";3° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "om de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden" vervangen door de woorden "om de aanwending van de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens op te volgen";4° paragraaf 1, vierde lid wordt vervangen als volgt: "Het diensthoofd beëindigt de uitzonderlijke methode wanneer de ernstige potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is, wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd ingesteld, of wanneer hij een onwettigheid heeft vastgesteld.Hij brengt zijn beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Commissie."; 5° paragraaf 2, wordt vervangen als volgt: " § 2.Het ontwerp van machtiging van het diensthoofd vermeldt: 1° de aard van de uitzonderlijke methode;2° naargelang het geval, de natuurlijke personen of rechtspersonen, feitelijke verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de uitzonderlijke methode;3° de ernstige potentiële dreiging die de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens rechtvaardigt;4° de feitelijke omstandigheden die de uitzonderlijke methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit, inbegrepen het verband tussen de bepalingen onder 2° en 3° ;5° de periode waarin de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens kan worden aangewend, te rekenen vanaf de machtiging van het diensthoofd;6° de naam van de inlichtingenofficier(en) verantwoordelijk om de aanwending van de uitzonderlijke methode op te volgen;7° in voorkomend geval, het technisch middel dat gebruikt wordt bij de aanwending van de uitzonderlijke methode in toepassing van de artikelen 18/11 of 18/12;8° in voorkomend geval, de samenloop met een opsporings- of gerechtelijk onderzoek;9° in voorkomend geval, de strafbare feiten die strikt noodzakelijk zijn voor het welslagen van de uitvoering van de methode of ter verzekering van de veiligheid van de agenten of derden;10° in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële dreiging;11° in voorkomend geval, de redenen die de hoogdringendheid rechtvaardigen;12° de datum van de machtiging;13° de handtekening van het diensthoofd." De in het eerste lid bedoelde vermeldingen zijn op straffe van onwettigheid voorgeschreven."; 6° in paragraaf 3, eerste lid worden de woorden "het voorstel tot machtiging" vervangen door de woorden "het ontwerp van machtiging";7° in paragraaf 3, derde lid worden de woorden "of zij de betrokken dienst meedeelt dat zij niet kan beraadslagen binnen die termijn overeenkomstig artikel 43, § 1, zevende lid" ingevoegd tussen de woorden "binnen de termijn van vier dagen" en de woorden ", kan de betrokken dienst";8° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "zodra de bedreigingen die haar wettigden, weggevallen zijn" vervangen door de woorden "wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is";9° in paragraaf 4 wordt het eerste lid vervangen als volgt: "In geval van hoogdringendheid en wanneer elk uitblijven van de machtiging van aard is om de belangen bedoeld in artikel 18/9 ernstig in het gedrang te brengen, kan het diensthoofd, nadat hij wegens de hoogdringendheid het mondeling eensluidend advies van de voorzitter van de Commissie heeft verkregen, de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens mondeling machtigen voor ten hoogste vijf dagen. Indien de voorzitter van de Commissie niet bereikbaar is, kan het diensthoofd contact opnemen met een ander lid van de Commissie.

De voorzitter, of het andere gecontacteerde lid, brengt de overige leden van de Commissie onmiddellijk op de hoogte van zijn mondeling advies.

De inlichtingenofficier kan schriftelijk de medewerking vorderen van de personen bedoeld in de artikelen 18/14, 18/15, 18/16 en 18/17. De aard van de methode wordt hen meegedeeld. Deze vordering wordt zo spoedig mogelijk aan het diensthoofd meegedeeld.

Het diensthoofd geeft schriftelijke bevestiging van de mondelinge machtiging en geeft daarvan kennis aan de zetel van de Commissie, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, ten laatste binnen de vierentwintig uur vanaf deze machtiging. Deze schriftelijke bevestiging bevat de in paragraaf 2 bedoelde vermeldingen.

In voorkomend geval vermeldt die bevestiging de redenen die de handhaving rechtvaardigen van de aanwending van de methode na de termijn van vijf dagen, zonder de twee maanden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te boven te gaan. In dat geval geldt die bevestiging als ontwerp van machtiging bedoeld in paragraaf 1.

In geval de noodzaak tot handhaving van de methode na de termijn van vijf dagen niet kon worden voorzien, of in uitzonderlijke gevallen, kan het diensthoofd de verlenging ervan machtigen volgens de procedure onder het eerste lid."; 10° in paragraaf 4, tweede lid, dat het achtste lid wordt, wordt het woord "mondeling" ingevoegd tussen de woorden "een" en "negatief advies";11° in paragraaf 4, vijfde lid, worden de woorden "zodra de bedreigingen die haar wettigden, weggevallen zijn" vervangen door de woorden "wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is";12° in paragraaf 4, zesde lid, dat het twaalfde lid wordt, worden de woorden "achtenveertig uur" vervangen door de woorden "vijf dagen" en wordt de zin aangevuld met de woorden ", behalve in de gevallen van verlenging bedoeld in het vijfde en zesde lid";13° in paragraaf 5, eerste lid: a) worden de woorden "de inlichtingen" vervangen door het woord "gegevens";b) worden de woorden "ten hoogste" opgeheven;c) worden de woorden "te rekenen vanaf het verstrijken van de lopende methode" ingevoegd tussen de woorden "twee maanden" en het woord ", onverminderd";d) worden de woorden "de bedreigingen die haar wettigden weggevallen zijn" vervangen door de woorden "de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is";e) wordt het woord "of" vervangen door "," en de woorden ".Hij schorst de methode indien" worden vervangen door de woorden "of wanneer"; f) de woorden "of te schorsen, naar het gelang het geval, onverwijld" worden opgeheven.14° in paragraaf 5, tweede lid, wordt het woord "inlichtingen" vervangen door het woord "gegevens";15° in paragraaf 6, derde lid, worden de woorden "de bedreigingen die haar wettigden, zijn weggevallen" vervangen door de woorden "de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is";16° in paragraaf 7 worden de woorden "van de in paragraaf 2 bedoelde machtigingsaanvraag" vervangen door de woorden "van het in § 2 bedoelde ontwerp van machtiging", en worden de woorden ", van de in paragraaf 4 bedoelde schriftelijke bevestiging van de mondelinge machtiging" ingevoegd tussen de woorden ", van het in paragraaf 3 bedoelde eensluidend advies" en de woorden ", van de in paragraaf 5 bedoelde eventuele verlenging van de uitzonderlijke methode".

Art. 38.Artikel 18/11 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt: "

Art. 18/11.§ 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, al dan niet met behulp van technische middelen het volgende observeren: 1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die aan het zicht onttrokken zijn;2° personen en voorwerpen die zich daar bevinden;3° gebeurtenissen die daar plaatsvinden. § 2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, niet voor het publiek toegankelijke plaatsen die al dan niet aan het zicht onttrokken zijn, betreden, teneinde: 1° de observatie te verrichten;2° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;3° een vergrendeld voorwerp te openen om er een technisch middel in te plaatsen;4° een voorwerp mee te nemen om een technisch middel erop te installeren, dat voorwerp te bedienen en het terug te plaatsen. Het technisch middel of het meegenomen voorwerp wordt zo spoedig mogelijk na de observatie teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.".

Art. 39.Artikel 18/12 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt: "

Art. 18/12.De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik: 1° niet voor het publiek toegankelijke plaatsen doorzoeken, al dan niet met behulp van technische middelen;2° de inhoud doorzoeken van al dan niet vergrendelde voorwerpen die zich daar bevinden;3° al dan niet vergrendelde voorwerpen meenemen voor een strikt beperkte duur, indien het onderzoek ervan niet ter plaatse kan gebeuren om technische of veiligheidsredenen;4° deze plaatsen betreden om de voorwerpen terug te plaatsen. Die voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat.".

Art. 40.In artikel 18/13 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: "De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, een rechtspersoon bedoeld in artikel 13/3, § 1, inzetten teneinde gegevens te verzamelen omtrent gebeurtenissen, voorwerpen, groeperingen en natuurlijke personen of rechtspersonen die een belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten."; 2° het tweede lid wordt opgeheven; 3° het derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt vervangen als volgt: "De methode is toegelaten zolang als nodig is voor het doel waarvoor ze wordt aangewend."; 4° in het vierde lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "de oprichting van of" en de laatste twee zinnen opgeheven.

Art. 41.In artikel 18/14 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "gemachtigd worden" opgeheven en worden de woorden "open te maken en kennis te nemen" vervangen door de woorden "openmaken en kennisnemen";2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "door het diensthoofd daartoe aangewezen" opgeheven;3° in paragraaf 3 worden de woorden "tienduizend euro" vervangen door de woorden "twintigduizend euro".

Art. 42.In artikel 18/15 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "gemachtigd worden de volgende inlichtingen te vorderen" vervangen door de woorden "de volgende gegevens vorderen";2° in paragraaf 2 worden de woorden "door het diensthoofd daartoe aangewezen" opgeheven en worden de woorden "tienduizend euro" vervangen door de woorden "twintigduizend euro".

Art. 43.In artikel 18/16 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "gemachtigd worden om," opgeheven;2° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, wordt het woord "relevante" opgeheven;3° in paragraaf 1, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 1° wordt het woord "te" opgeheven;b) in de bepaling onder 2° worden de woorden "op te heffen" vervangen door het woord "opheffen";c) in de bepaling onder 3° worden de woorden "aan te brengen" vervangen door het woord "aanbrengen";d) in de bepaling onder 4° worden de woorden "over te nemen" vervangen door het woord "overnemen";4° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt: " § 2.De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, niet voor het publiek toegankelijke plaatsen betreden en zich toegang verschaffen tot al dan niet vergrendelde voorwerpen, teneinde: 1° informaticasystemen binnen te dringen;2° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;3° de informaticasystemen mee te nemen en ze terug te plaatsen. Het technisch middel of de informaticasystemen worden zo spoedig mogelijk na het binnendringen teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat."; 5° in paragraaf 3, worden de woorden "en dat zij hun medewerking verlenen aan het binnendringen in een informaticasysteem" ingevoegd tussen de woorden "een begrijpelijke vorm" en de woorden ".Deze vraag vermeldt"; 6° in paragraaf 4 worden de woorden "tienduizend euro" vervangen door de woorden "twintigduizend euro".

Art. 44.In artikel 18/17 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden "gemachtigd worden om" opgeheven en worden de woorden "af te luisteren, er kennis van te nemen en ze te registreren" vervangen door de woorden "onderscheppen, er kennis van nemen en ze registreren";2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt: " § 2.Hiertoe kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zonder medeweten of toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende, op ieder ogenblik, al dan niet voor het publiek toegankelijke plaatsen betreden, teneinde: 1° er een technisch middel te installeren, dat middel te bedienen of het terug te nemen;2° een vergrendeld voorwerp te openen om er een technisch middel in te plaatsen;3° het voorwerp mee te nemen waarop het technisch middel zal worden geïnstalleerd, dat voorwerp te bedienen en het terug te plaatsen. Het technisch middel of het meegenomen voorwerp wordt zo spoedig mogelijk na de onderschepping teruggenomen respectievelijk teruggeplaatst, tenzij dit het goede verloop van de opdracht in de weg staat."; 3° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "tienduizend euro" vervangen door de woorden "twintigduizend euro";4° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt: " § 7.De opnamen van communicaties worden volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en onder het toezicht van de Commissie en van een door het diensthoofd hiertoe aangestelde agent, vernietigd binnen een termijn van vijf jaar die aanvangt op de dag van de opname.

Met het voorafgaand schriftelijk akkoord van de Commissie kan het diensthoofd beslissen om de bewaringsperiode te verlengen wanneer de opname nog noodzakelijk is in het kader van een inlichtingenonderzoek of van een gerechtelijke procedure. De totale bewaringsperiode mag tien jaar niet te boven gaan behalve wanneer een opname nog noodzakelijk is in het kader van een gerechtelijke procedure. De vernietiging wordt vermeld in het in paragraaf 6 vermelde bijzonder register.

De overschrijvingen van de relevant geachte communicaties en de eventuele vertalingen worden bewaard en vernietigd overeenkomstig artikel 21."

Art. 45.In hoofdstuk III, nieuwe afdeling 4 van dezelfde wet wordt na artikel 18/17 een onderafdeling 3 ingevoegd die het artikel 18/18 bevat, luidende: "Onderafdeling 3. Gemeenschappelijke bepaling voor sommige methoden voor het verzamelen van gegevens".

Art. 46.In artikel 18/18 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de woorden "de methoden bedoeld in deze onderafdeling" vervangen door de woorden "de methoden bedoeld in artikel 16/2 en in de onderafdeling 2", en wordt het woord "fysieke" vervangen door de woorden "de natuurlijke".

Art. 47.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt onderafdeling 3 van afdeling 1 vernummerd als afdeling 5.

Art. 48.In artikel 19/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het tweede lid, worden de woorden "en over de inhoud van het proces-verbaal" toegevoegd na de woorden "van deze overzending"; 2° het derde lid, wordt vervangen door wat volgt: "Dit proces-verbaal vermeldt de ernstige aanwijzingen die eventueel in rechte kunnen worden gebruikt.".

Art. 49.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt onderafdeling 4 van afdeling 1 vernummerd als afdeling 6.

Art. 50.In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt onderafdeling 5 van afdeling 1 vernummerd als afdeling 7.

Art. 51.In hoofdstuk III, afdeling 7, vernummerd door artikel 50, van dezelfde wet wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende: "

Art. 21/1.§ 1. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden vrijgesteld van overbrenging van hun archiefdocumenten van minder dan vijftig jaar, op voorwaarde dat: 1° de langetermijnbewaring, de authenticiteit, de integriteit, de ordening, de toegankelijkheid en de leesbaarheid van deze archiefdocumenten worden gewaarborgd volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden;2° het publiek deze archiefdocumenten kan raadplegen onder dezelfde voorwaarden als in het Rijksarchief. De bewaring van de archiefdocumenten staat onder het toezicht van de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden. § 2. Na de in paragraaf 1 bepaalde termijn evalueert de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of een herziening van het beschermingsniveau of de declassificatie van de geclassificeerde archiefdocumenten mogelijk is. § 3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten brengen hun archiefdocumenten van meer dan vijftig jaar over naar het Rijksarchief, op voorwaarde dat: 1° het Rijksarchief de geclassificeerde archiefdocumenten bewaart en aanwendt overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;2° de buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten uitdrukkelijk hun toestemming hebben gegeven dat het Rijksarchief de van hen afkomstige geclassificeerde documenten bewaart;3° de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden oordeelt, na overleg met de verantwoordelijke voor de archiefwerking van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst, dat het belang van de eenheid van de collectie een overbrenging niet verhindert. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Defensie en de minister van Wetenschapsbeleid, de nadere regels inzake het archiefbeheer en de aanwending van de overgebrachte geclassificeerde archiefdocumenten. § 4. Archiefdocumenten kunnen slechts worden vernietigd na schriftelijke toestemming van de algemeen rijksarchivaris of zijn gemachtigden.".

Art. 52.In dezelfde wet wordt een hoofdstuk III/1 ingevoegd, luidende: "HOOFDSTUK III/ 1. De bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten".

Art. 53.In hoofdstuk III/1 ingevoegd bij artikel 52 wordt een afdeling 1 ingevoegd die artikel 22 bevat, luidende: "Afdeling 1. Algemene bepaling".

Art. 54.Artikel 22 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 22.Er kan binnen elke inlichtingen- en veiligheidsdienst een interventieteam worden opgericht met als opdracht de bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de betrokken dienst.

De agenten belast met deze opdracht worden aangesteld, respectievelijk door de Minister van Justitie, op voordracht van het hoofd van de Veiligheid van de Staat, en door de Minister van Defensie, op voordracht van het hoofd van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid.

De leden van het interventieteam zijn de enige agenten die gemachtigd zijn de opdracht tot bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van hun dienst uit te voeren, onverminderd hun andere functies. Daartoe ontvangen zij een vorming.

De leden van het interventieteam brengen verslag uit over hun interventies aan het betrokken diensthoofd.

In de uitvoering van hun andere opdrachten kunnen zij geen gebruik maken van de bevoegdheden die aan hen zijn toegekend door dit hoofdstuk.".

Art. 55.In hetzelfde hoofdstuk III/1 wordt een afdeling 2 ingevoegd die de artikelen 23 tot 34 bevat, luidende: "Afdeling 2. De uitoefening van de opdracht tot bescherming van het personeel, de infrastructuur en de goederen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten".

Art. 56.Artikel 23 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, hersteld als volgt: "

Art. 23.De leden van het interventieteam kunnen steeds verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen betreden.

Zij kunnen enkel bij een ernstig en nakend gevaar voor het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst niet-verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen betreden en doorzoeken, zowel overdag als 's nachts, voor zover dit personeelslid zich bevindt in het binnengedeelte van een niet voor het publiek toegankelijke plaats en wanneer het gevaar op geen andere wijze kan worden afgewend.

Zij kunnen enkel in de gevallen bedoeld in het tweede lid verlaten gebouwen, bijgebouwen en vervoersmiddelen doorzoeken.".

Art. 57.Artikel 24 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 24.De leden van het interventieteam kunnen, teneinde er zich van te vergewissen dat een persoon geen wapen draagt of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor hun leven of fysieke integriteit of die van de personeelsleden van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of voor de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de te beschermen dienst, in de volgende gevallen overgaan tot een veiligheidsfouillering: 1° wanneer het lid van het interventieteam, op grond van de gedragingen van deze persoon, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden heeft om te denken dat de persoon die aan een identiteitscontrole wordt onderworpen in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 28, een wapen of een gevaarlijk voorwerp draagt;2° wanneer een persoon voorlopig wordt vastgehouden overeenkomstig de artikelen 27 en 28;3° wanneer de personen toegang hebben tot plaatsen waar de personeelsleden van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst worden bedreigd. De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde persoon evenals door de controle van zijn bagage. Zij mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en de persoon mag te dien einde niet langer dan één uur worden opgehouden.

In het in de bepaling onder 3° bedoelde geval wordt de fouillering uitgevoerd op bevel en onder verantwoordelijkheid van het lid van het interventieteam dat verantwoordelijk is voor de opdracht; zij wordt uitgevoerd door een lid van het interventieteam van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde persoon.".

Art. 58.Artikel 25 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 25.De leden van het interventieteam kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig of enig ander vervoermiddel, zowel in het verkeer als geparkeerd op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien zij op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig of vervoermiddel gebruikt wordt of gebruikt zou kunnen worden om het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de te beschermen dienst ernstig in gevaar te brengen.

Het doorzoeken van een voertuig mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen. In elk geval mag het voertuig niet langer dan één uur worden opgehouden voor een doorzoeking.

Het doorzoeken van een voertuig dat permanent als woning is ingericht en dat op het ogenblik van het doorzoeken daadwerkelijk als woning wordt gebruikt, wordt gelijkgesteld met huiszoeking.".

Art. 59.Artikel 26 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 26.De voorwerpen en dieren die een gevaar betekenen voor het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of voor de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst kunnen, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen, door een lid van het interventieteam, voor de vereisten van diens beschermingsopdracht, aan de eigenaar, de bezitter of de houder onttrokken worden. Deze bestuurlijke inbeslagneming geschiedt overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van het lid van het interventieteam dat verantwoordelijk is voor de opdracht.

De in beslag genomen voorwerpen worden ter beschikking gesteld van een politieambtenaar opdat gehandeld wordt overeenkomstig artikel 30 van de wet op het politieambt.".

Art. 60.Artikel 27 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 27.De leden van het interventieteam kunnen, in geval van volstrekte noodzaak, een persoon vasthouden ten aanzien van wie er op grond van zijn gedragingen, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te denken dat hij voorbereidingen treft om een daad te verrichten of dat hij een daad verricht die het leven of de fysieke integriteit van een agent of een derde of de integriteit van de infrastructuur en de goederen van de te beschermen inlichtingen- en veiligheidsdienst ernstig in gevaar brengt, met als doel hem te beletten een dergelijke daad te verrichten of teneinde deze te doen ophouden.

In dat geval zal de persoon slechts worden vastgehouden voor de tijd die nodig is om de betrokkene ter beschikking te stellen van een politieambtenaar.

De door het lid van het interventieteam verrichte vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval een uur te boven gaan. Deze termijn gaat in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon als gevolg van het optreden van een lid van het interventieteam, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.

De Koning legt de nadere regels vast voor het registreren van de aanhouding en het bewaren van gegevens over deze aanhouding.

Als de vrijheidsbeneming wordt gevolgd door een bestuurlijke aanhouding overeenkomstig de artikelen 31 tot 33 van de wet op het politieambt, wordt de maximale duur van de bestuurlijke aanhouding met een overeenkomstige periode verminderd.".

Art. 61.Artikel 28 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 28.§ 1. De leden van het interventieteam kunnen de identiteit controleren van ieder persoon indien zij, op grond van zijn gedragingen, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats, redelijke gronden hebben om te denken dat hij zich voorbereidt om het leven of de fysieke integriteit van een personeelslid van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of de integriteit van de gebouwen van die dienst te schaden. § 2. De identiteitsstukken die aan het lid van het interventieteam overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven. § 3. Indien de in de voorgaande paragrafen bedoelde persoon weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, mag hij worden vastgehouden om ter beschikking te worden gesteld van een politieambtenaar.

De door het lid van het interventieteam verrichte vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval een uur te boven gaan. Deze termijn gaat in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon, als gevolg van het optreden van een lid van het interventieteam, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.

Als de vrijheidsbeneming wordt gevolgd door een bestuurlijke aanhouding, overeenkomstig artikel 34, § 4, van de wet op het politieambt, wordt de maximale duur van de bestuurlijke aanhouding met een overeenkomstige periode verminderd.".

Art. 62.Artikel 29 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 29.De leden van het interventieteam mogen vastgehouden personen, buiten noodzaak, niet aan publieke nieuwsgierigheid blootstellen.

Zij mogen deze personen zonder hun instemming niet onderwerpen of laten onderwerpen aan vragen van journalisten of derden die vreemd zijn aan de zaak, noch van hen beeldopnamen maken of laten maken behalve die welke bestemd zijn voor hun identificatie.".

Art. 63.Artikel 30 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 30.De leden van het interventieteam kunnen, rekening houdend met de risico's die zulks meebrengt, geweld gebruiken om een wettig doel na te streven dat niet op andere wijze kan worden bereikt.

Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding staan tot het nagestreefde doel.

Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.".

Art. 64.Artikel 31 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 31.Onverminderd artikel 30 van deze wet, de artikelen 70, 416 en 417 van het Strafwetboek en de toepasselijke regels van internationaal recht, kunnen de leden van het interventieteam slechts gebruik maken van vuurwapens tegen personen in de volgende gevallen: 1° tegen gewapende personen of in de richting van voertuigen aan boord waarvan zich gewapende personen bevinden, in geval van misdaad of van een op heterdaad ontdekt wanbedrijf in de zin van artikel 41 van het Wetboek van strafvordering, welke misdaad of welk wanbedrijf met geweld is gepleegd, indien redelijkerwijze mag aangenomen worden dat die personen in het bezit zijn van een vuurwapen klaar voor gebruik, en dat zij dit wapen zullen gebruiken tegen personen;2° wanneer in geval van volstrekte noodzakelijkheid, de leden van het interventieteam de aan hun bescherming toevertrouwde personen, infrastructuur of goederen op geen andere wijze kunnen verdedigen. Het gebruik van wapens geregeld in de bepalingen onder 1° en 2° geschiedt slechts overeenkomstig de richtlijnen en na waarschuwing met luide stem of met enig ander beschikbaar middel, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.".

Art. 65.Artikel 32 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 32.Behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten of indien het de opdracht onwerkzaam zou maken, doen de leden van het interventieteam, of ten minste één van hen, die tegenover een persoon optreden of zich aanmelden aan de woning van een persoon, van hun hoedanigheid blijken door middel van het legitimatiebewijs waarvan zij houder zijn.".

Art. 66.Artikel 33 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 33.Wanneer hij in gevaar gebracht wordt bij het vervullen van zijn opdracht of wanneer een agent van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst in gevaar is, kan ieder lid van het interventieteam de hulp of bijstand vorderen van ter plaatse aanwezige personen.

In geval van volstrekte noodzaak kan hij eveneens de hulp of bijstand van enig ander nuttige persoon vorderen.

De gevorderde hulp of bijstand mag de persoon die ze verleent niet in gevaar brengen.".

Art. 67.Artikel 34 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 34.De bewapening die tot de voorgeschreven uitrusting behoort, wordt bepaald overeenkomstig de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens.

In voorkomend geval bepaalt de Koning de aanvullende uitrusting van de leden van het interventieteam die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functie.".

Art. 68.In hoofdstuk III/1 van dezelfde wet wordt na artikel 34 een afdeling 3 ingevoegd, luidende: "Afdeling 3. De burgerlijke aansprakelijkheid en de rechtshulp met betrekking tot de leden van het interventieteam bij de uitoefening van hun functie".

Art. 69.Artikel 35 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 21 april 2016, wordt hersteld als volgt: "

Art. 35.Voor de leden van het interventieteam aan wie opdrachten tot bescherming van de agenten, de infrastructuur en de goederen van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst zijn toevertrouwd, geldt het stelsel van burgerlijke aansprakelijkheid en rechtshulp voorzien in de artikelen 91 tot 98 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het personeel van Defensie, in de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen en in het koninklijk besluit van 16 maart 2006 betreffende de rechtshulp aan de personeelsleden van bepaalde overheidsdiensten en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade.".

Art. 70.Artikel 42 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 3 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, wordt opgeheven.

Art. 71.In artikel 43/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 6 januari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het zevende lid vervangen als volgt: "De Commissie beslist bij meerderheid van de drie aanwezige effectieve leden of van hun plaatsvervanger of, in geval van verhindering van een van de effectieve leden en diens plaatsvervanger, bij unanimiteit van de twee aanwezige effectieve leden of van hun plaatsvervanger."; 2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "De plaatsvervangende leden moeten" vervangen door de woorden "Met uitzondering van de plaatsvervangend voorzitter, die voldoende kennis van het Nederlands en het Frans moet hebben, moeten de plaatsvervangende leden".

Art. 72.In artikel 43/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de woorden "in artikel 44ter" vervangen door de woorden "in artikel 44/4".

Art. 73.In artikel 43/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 29 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt opgeheven;2° in het tweede lid worden de woorden "beslissingen, adviezen en machtigingen" vervangen door de woorden "beslissingen, machtigingen, adviezen, akkoorden en bevestigingen".

Art. 74.In artikel 43/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 en gewijzigd bij de wet van 29 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "onder meer", de woorden "de lijsten bedoeld in artikel 18/3, § 3 en van" en het woord "ander" opgeheven;2° in paragraaf 3, derde lid, wordt de eerste zin vervangen door de zin "Behalve indien dit de opdrachten van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst kan schaden, blijkt uit het voor de klager en diens advocaat toegankelijke dossier minstens:" 3° in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "de inlichtingendiensten" vervangen door de woorden "de inlichtingen- en veiligheidsdiensten".

Art. 75.Het opschrift van hoofdstuk V van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: "HOOFDSTUK V. Bijzondere bepalingen betreffende de uitoefening van de opdrachten van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid".

Art. 76.Artikel 44 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 5 mei 2014, wordt hersteld als volgt: "

Art. 44.De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid kan elke vorm van communicatie uitgezonden of ontvangen in het buitenland opsporen, onderscheppen, afluisteren en er kennis van nemen alsook opnemen, volgens de nadere regels bepaald in de artikelen 44/3 en 44/4, in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°. ".

Art. 77.In hoofdstuk V van dezelfde wet wordt een artikel 44/1 ingevoegd, luidende: "

Art. 44/1.De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid kan overgaan tot de intrusie in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt, er de beveiliging van opheffen, er technische voorzieningen in aanbrengen teneinde de door het informaticasysteem opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens te ontcijferen, te decoderen, op te slaan en te manipuleren en het informaticasysteem te verstoren en te neutraliseren, volgens de nadere regels bepaald in de artikelen 44/3 en 44/4, in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°. ".

Art. 78.In hoofdstuk V van dezelfde wet wordt een artikel 44/2 ingevoegd, luidende: "

Art. 44/2.De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid kan in het buitenland middelen gebruiken voor de opname van vaste of bewegende beelden volgens de nadere regels bepaald in de artikelen 44/3 en 44/4, in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°. ".

Art. 79.In artikel 44bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 3 april 2003 en gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010 en 5 mei 2014, dat vernummerd wordt als 44/3, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de inleidende zin worden de woorden "uitgezonden in het buitenland" vervangen door de woorden "uitgezonden of ontvangen in het buitenland, de intrusie in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt en de opname van vaste of bewegende beelden uitgevoerd in het buitenland";b) in de bepaling onder 1°, eerste lid: - worden de woorden "aan de interceptie" vervangen door de woorden "aan de intercepties, intrusies of opnames van vaste of bewegende beelden"; - worden de woorden "een jaarlijks opgestelde lijst" vervangen door de woorden "jaarlijks opgestelde lijsten"; c) in de bepaling onder 1°, tweede lid: - worden de woorden "een lijst" vervangen door het woord "lijsten"; - worden de woorden ", intrusies in hun informaticasystemen of opnames van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "van hun communicaties" en de woorden "tijdens het komende jaar"; - worden de woorden "Deze lijst vermeldt voor iedere interceptie de motivering en" vervangen door de woorden "Deze lijsten verantwoorden voor iedere organisatie of instelling de reden waarom zij het voorwerp is van een interceptie, intrusie of opname van vaste of bewegende beelden in verband met de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3 en 5°, en vermelden"; - worden de woorden "de jaarlijkse lijst" vervangen door de woorden "de jaarlijkse lijsten"; d) in de bepaling onder 1°, derde lid, worden de woorden "intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen het woord "intercepties" en het woord "aanvangen";e) in de bepaling onder 1°, vierde lid: - worden de woorden ", intrusies in informaticasystemen of opnames van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "van communicatie" en de woorden ", niet hernomen"; - wordt het woord "lijst" vervangen door het woord "lijsten"; - worden de woorden ", de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "op de aanvang van de interceptie" en de woorden ". Indien de minister"; - worden de woorden ", deze intrusie of deze opname van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "deze interceptie" en de woorden "laten stopzetten"; - worden de woorden "aan het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten medegedeeld volgens de bepalingen van 1°, tweede lid" vervangen door de woorden "zo spoedig mogelijk door de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid medegedeeld aan het Vast Comité I"; f) in de bepaling onder 2° : - worden de woorden ", de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "de interceptie" en het woord "gebeurt"; - worden de woorden "op elk ogenblik" ingevoegd tussen het woord "gebeurt" en de woorden "door middel"; - worden de woorden ", intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "deze intercepties" en "uitvoert"; g) in de bepaling onder 3° : - worden de woorden ", intrusies en opnames van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "na de intercepties" en het woord "gebeurt"; - worden de woorden "maandelijkse lijsten van landen of van organisaties of instellingen die effectief het onderwerp hebben uitgemaakt van een afluistering, intrusie of opname van beelden gedurende de voorafgaande maand, die ter kennis van het Vast Comité I gebracht werden, en die de reden verantwoorden waarom de interceptie, intrusie of opname van beelden werd uitgevoerd in verband met de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5°, alsook aan de hand van" ingevoegd tussen de woorden "aan de hand van" en de woorden "het nazicht van"; - worden de woorden "een logboek dat" vervangen door de woorden "logboeken die"; - worden de woorden ", de intrusie of de opname van vaste of bewegende beelden" ingevoegd tussen de woorden "plaats van de interceptie" en de woorden "door de Algemene Dienst"; - worden de woorden "wordt bijgehouden" vervangen door de woorden "worden bijgehouden"; - worden de woorden "Dat logboek is" vervangen door de woorden "Deze logboeken zijn".

Art. 80.In artikel 44ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 3 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 4 februari 2010, dat vernummerd wordt als artikel 44/4, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden "uitgezonden in het buitenland" worden vervangen door de woorden "uitgezonden of ontvangen in het buitenland, de intrusies in een informaticasysteem dat zich in het buitenland bevindt en de opname van vaste of bewegende beelden uitgevoerd in het buitenland";2° de woorden ", intrusies of beeldopnames" worden ingevoegd tussen het woord "intercepties" en de woorden "te doen stopzetten";3° de woorden "de voorwaarden waarin", "uitgevoerd worden klaarblijkelijk" en "en/" worden opgeheven;4° de woorden "in artikel 44bis" worden vervangen door de woorden "in artikel 44/3"; 5° de woorden "Het beveelt dat de gegevens die onwettig werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd en dienen te worden vernietigd, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels." worden ingevoegd tussen de woorden "niet respecteren." en de woorden "Deze omstandig gemotiveerde beslissing".

Art. 81.In hoofdstuk V van dezelfde wet wordt een artikel 44/5 ingevoegd, luidende: "

Art. 44/5.Indien een ingreep op een communicatienetwerk noodzakelijk is om de interceptie van in het buitenland uitgezonden of ontvangen communicatie bedoeld in artikel 44 mogelijk te maken, wordt de operator van het netwerk of de verstrekker van de elektronische communicatiedienst met een schriftelijk verzoek van het diensthoofd aangezocht en is hij verplicht om zijn medewerking zo spoedig mogelijk te verlenen.

Eenieder die zijn medewerking weigert te verlenen aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro. De prestaties worden vergoed naargelang van de reële kosten, na voorlegging van de stavingstukken.

De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de nadere regels voor deze medewerking.".

Art. 82.In dezelfde wet, wordt een hoofdstuk VI ingevoegd, dat de artikelen 45 tot 48 bevat, luidende: "HOOFDSTUK VI. Wijzigings- en slotbepalingen".

HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek

Art. 83.In artikel 259bis van het Strafwetboek wordt paragraaf 5, ingevoegd bij de wet van 30 november 1994, vervangen bij de wet van 3 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 4 februari 2010, opgeheven.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 30 maart 2017.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Defensie, S. VANDEPUT Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, K. GEENS _______ Nota's (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 2043 Integraal verslag : 16 maart 2017.

^