Etaamb.openjustice.be
Wet van 26 maart 2014
gepubliceerd op 28 maart 2014

Wet tot wijziging van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2014009133
pub.
28/03/2014
prom.
26/03/2014
ELI
eli/wet/2014/03/26/2014009133/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)Kamer (parl. doc.)Senaat (fiche)
Document Qrcode

26 MAART 2014. - Wet tot wijziging van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen

Art. 2.In artikel 2 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het vierde streepje, worden de woorden "de minister van Justitie" vervangen door de woorden ", binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht"; 2° tussen het vijfde en het zesde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende : "-"het Openbaar ministerie" : de federale procureur;".

Art. 3.Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 5.De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Hof in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Hof en om, overeenkomstig artikel 10 van deze wet, elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Hof zou kunnen vallen, over te zenden aan het Hof. Zij staat in voor de opvolging ervan.".

Art. 4.In artikel 7, eerste zin, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord "gerechtelijke" wordt geschrapt;2° het woord "bevoegde" wordt ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "Belgische".

Art. 5.In artikel 13 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 4 wordt het woord "verdachte" telkens vervangen door de woorden "aangehouden persoon";2° in de Franse tekst van § 4, eerste lid, tweede zin, wordt het woord "Celui-ci" vervangen door het woord "Celle-ci"; 3° in § 4, tweede lid, wordt de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de verdachte en zijn raadsman binnen vier dagen te rekenen van het ingestelde beroep en doet uiterlijk binnen acht dagen uitspraak." vervangen door de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de instelling van het beroep."; 4° paragraaf 4 wordt aangevuld met twee leden, luidende : "Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld. De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart, definitief is geworden."; 5° in § 5 worden de woorden "non bis in idem" vervangen door de woorden "ne bis in idem".

Art. 6.In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2 wordt de volgende zin ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin : "Met inachtneming van artikel 55, § 2, van het Statuut hoort de onderzoeksrechter de betrokkene teneinde na te gaan of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat en of de stukken bedoeld in artikel 92, § 2, van het Statuut zijn overgelegd."; 2° in § 2 wordt de derde zin opgeheven; 3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende : "Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld."; 4° in § 3, eerste zin, worden de woorden "De centrale autoriteit wordt van de voorlopige aanhouding in kennis gesteld" vervangen door de woorden "Het openbaar ministerie stelt de centrale autoriteit onverwijld in kennis van de voorlopige aanhouding."; 5° in § 3, tweede zin, wordt het woord "Zij" vervangen door de woorden "De centrale autoriteit";6° de §§ 4 en 5 worden opgeheven.

Art. 7.In dezelfde wet wordt het opschrift van titel II, hoofdstuk IV, afdeling III vervangen als volgt : "Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.".

Art. 8.In artikel 16 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden "tot invrijheidstelling" opgeheven; 2° in § 2 wordt de volgende zin ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin : "De centrale autoriteit zendt de aanbevelingen van het Hof over aan de kamer van inbeschuldigingstelling door tussenkomst van het openbaar ministerie."; 3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : " § 3.De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. Die termijn wordt echter geschorst tijdens de in § 2 bedoelde raadpleging van de kamer van vooronderzoek van het Hof. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden. De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Hof het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd. Ingeval de betwisting van de voorlopige aanhouding gegrond is op de niet-naleving van het beginsel ne bis in idem wordt de termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen over dat punt geschorst voor de duur van de in artikel 89, § 2, van het Statuut bedoelde raadplegingen tussen de centrale autoriteit en het Hof."; 4° in § 4 wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, luidende : "In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Hof over te dragen, kan nakomen.Wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit."; 5° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende : " § 5.Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is. § 6. Wanneer het in § 1 bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping. § 7. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in § 4, eerste lid, in fine.".

Art. 9.In titel II, hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een nieuwe afdeling IV ingevoegd, die bestaat uit de bestaande artikelen 17 en 18, luidende "Overdracht van de aangehouden persoon.".

Art. 10.In titel II, hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt een afdeling V ingevoegd, die bestaat uit het bestaande artikel 19, luidende "Specialiteitsbeginsel.".

Art. 11.De huidige afdeling IV van titel II, hoofdstuk IV, van dezelfde wet wordt afdeling VI. Deze afdeling bestaat uit het huidige artikel 20.

Art. 12.In artikel 20 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het huidige artikel 20 wordt het nieuwe artikel 20, § 1;2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende : " § 2.Op verzoek van het Hof, ingediend overeenkomstig artikel 93, § 7, a), van het Statuut stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp als bedoeld in voormelde bepaling van het Statuut. Overeenkomstig artikel 93, § 7, b), van het Statuut, heeft het bevel tot aanhouding van de betrokkene uitwerking op het Belgische grondgebied tijdens de tijd die nodig is voor zijn doortocht."

Art. 13.In titel II van dezelfde wet wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, luidende : "Voorlopige invrijheidstelling en dagvaarding tot verschijning".

Art. 14.In hoofdstuk IVbis, ingevoegd bij artikel 13, wordt een artikel 20bis ingevoegd, luidende : "Art 20bis. § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig regel 119 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling die wordt bedoeld in artikel 60 van het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de door het Hof opgelegde voorwaarden. § 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dit laatste stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk het Hof ervan op de hoogte brengt. § 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.

De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit, binnen die termijn, geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen, die respectievelijk in de artikelen 92 en 91 van het Statuut worden beoogd.".

Art. 15.In hetzelfde hoofdstuk IVbis, wordt een artikel 20ter ingevoegd, luidende : "

Art. 20ter.Met toepassing van artikel 58, § 7, van het Statuut kan het Hof een dagvaarding tot verschijning uitvaardigen tegen een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt. De eventuele vrijheidsbeperkende maatregelen die het Hof de betrokkene in dat kader oplegt, worden op het Belgische grondgebied uitgevoerd op grond van een verzoek om wederzijdse rechtshulp van het Hof overeenkomstig hoofdstuk IX van het Statuut. Ingeval de betrokkene die voorwaarden niet naleeft, stelt de - naar behoren ingelichte - centrale autoriteit het Hof daarvan onverwijld in kennis."

Art. 16.In artikel 26 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° voor de huidige tekst van het artikel, die § 2 wordt, wordt een § 1 ingevoegd, luidende : " § 1.Het verzoek om bijstand uitgaande van het Hof dat betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.

Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen."; 2° de tweede zin van de nieuwe § 2 wordt vervangen als volgt : "Alvorens de stukken aan het Hof over te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending";3° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende : " § 3.Wanneer de kamer bij wie een zaak aanhangig is gemaakt een beschikking tot bijdrage heeft gewezen, met toepassing van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, en goederen van de beschuldigde zich op het Belgische grondgebied bevinden, wordt op verzoek van het Hof overgegaan tot de inbeslagneming en de overdracht van die goederen aan het Hof, teneinde de terugvordering mogelijk te maken van de kosten voorgeschoten in het kader van de rechtsbijstand.".

Art. 17.In artikel 28 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het huidige eerste lid, dat § 1 wordt, wordt aangevuld met de volgende zin : "Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend."; 2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende : " § 2.In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.

De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.

De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.

De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.

De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.

In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.

Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige."; 3° in het huidige tweede lid, dat § 3 wordt, worden de woorden "in het vorige lid" vervangen door de woorden "in § 1".

Art. 18.In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : " § 4.De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld door artikel 110 van het Statuut. De door het Hof gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.

In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de strafuitvoeringsmodaliteiten niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Hof uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat."; 2° tussen de §§ 4 en 5 worden de §§ 5 en 6 ingevoegd, luidende : " § 5.Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Hof, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar dit vraagt. § 6. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Hof, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte."; 3° de huidige § 5 wordt § 7.

Art. 19.In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste streepje worden de woorden "en het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van de buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994" vervangen door de woorden "het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994 en het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010;"; 2° na het vierde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende : "- "Resolutie 1966 (2010)" : resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; 3° in het huidige vijfde streepje, dat het zesde streepje wordt, worden de woorden "en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 955 (1994)" vervangen door de woorden ", het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 955(1994) en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde naties in zijn resolutie 1966 (2010);"; 4° in het huidige zesde streepje, dat het zevende streepje wordt, worden de woorden "en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering dat het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda op 29 juni 1995 heeft aangenomen" vervangen door de woorden ", het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda aangenomen op 29 juni 1995 en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen aangenomen op 8 juni 2012;"; 5° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende : "- "Centrale autoriteit" : autoriteit bevoegd inzake samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht; - "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".

Art. 20.In artikel 44 van dezelfde wet worden de woorden "en 955 (1994)" vervangen door de woorden ", 955 (1994) en 1966 (2010)".

Art. 21.Artikel 46 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 46.§ 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan. § 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen. § 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".

Art. 22.In artikel 50 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : " § 2.Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.

Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen."; 2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : " § 3.Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard.

Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet."; 3° paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin, luidende : "Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend."; 4° in § 4 worden tussen het eerste en tweede lid zeven leden ingevoegd, luidende : "In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie. De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.

De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.

De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.

De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.

In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.

Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige."; 5° in § 4 wordt in het huidige tweede lid, dat het negende lid wordt, het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende : " § 5.Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.

Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging;en 2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden. De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.

De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt. § 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.

Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen. § 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".

Art. 23.In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "verdachte" en "betrokkene" worden telkens vervangen door de woorden "aangehouden persoon";2° in de Franse tekst van § 1, vierde lid, tweede zin, wordt het woord "Celui-ci" vervangen door het woord "Celle-ci"; 3° in § 1, vijfde lid, wordt de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de verdachte en zijn raadsman binnen vier dagen te rekenen van diens beroep en doet uiterlijk binnen acht dagen uitspraak." vervangen door de zin "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het beroep."; 4° in § 1 worden tussen het vijfde en het zesde lid twee leden ingevoegd, luidende : "Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld. De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden."; 5° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : " § 2.Het in het Reglement bedoeld verzoek tot voorlopige aanhouding, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.

Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.

Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld."; 6° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende : " § 3.De aangehouden persoon heeft het recht om de kamer van inbeschuldigingstelling bij verzoekschrift te verzoeken om voorlopige invrijheidstelling in afwachting van zijn overdracht.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord.

De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.

De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.

In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.

Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.

Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.

De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.".

Art. 24.In artikel 55 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, eerste zin, wordt het woord "plaatselijke" vervangen door de woorden "van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen";2° in § 2 tweede zin, worden de woorden "Deze ondervraagt hem over zijn identiteit" vervangen door de woorden "De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit";3° tussen §§ 2 en 3 worden de §§ 3 tot 5 ingevoegd, luidende : " § 3.De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.

In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat. § 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt. § 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte."; 4° de huidige § 3 wordt § 6.

Art. 25.In hoofdstuk V van titel III van dezelfde wet wordt een artikel 55bis ingevoegd, luidende : "

Art. 55bis.Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan het Tribunaal.".

Art. 26.In artikel 58 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste streepje wordt aangevuld met de woorden "en het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone ingesteld bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone, en voortvloeiend uit resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;"; 2° het tweede streepje wordt aangevuld met de woorden "en het Statuut van het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone gevoegd als bijlage bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone;"; 3° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende : "- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht; - "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".

Art. 27.Artikel 60 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt vervangen als volgt : "

Art. 60.§ 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan. § 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen. § 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".

Art. 28.In artikel 62 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : " § 2.Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.

Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen."; 2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : " § 3.Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard.

Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet."; 3° paragraaf 4, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin, luidende : "Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend."; 4° in § 4 worden tussen het derde en vierde lid zeven leden ingevoegd, luidende : "In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie. De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.

De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.

De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.

De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.

In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.

Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het vierde tot het negende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige."; 5° in § 4, vierde lid, dat het elfde lid wordt, wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende : " § 5.Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.

Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging;en 2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden. De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.

De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt. § 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.

Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen. § 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".

Art. 29.In titel V van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".

Art. 30.In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 29, wordt een artikel 63bis ingevoegd, luidende : "

Art. 63bis.§ 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België. § 2. Binnen vierentwintig uur na de aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde. § 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.

In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat. § 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt. § 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte. § 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.".

Art. 31.In hetzelfde hoofdstuk III, wordt een nieuw artikel 63ter ingevoegd, luidende : "

Art. 63ter.Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan het Tribunaal.".

Art. 32.In artikel 64 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de Franse tekst wordt het woord "Kampouchéa" telkens vervangen door het woord "Kampuchéa";2° het artikel wordt aangevuld met twee streepjes, luidende : "- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de bijzondere kamers, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht; - "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".

Art. 33.Artikel 66 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt vervangen als volgt : "

Art. 66.§ 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de bijzondere kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de bijzondere kamers en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de bijzondere kamers kan vallen, over te zenden aan de bijzondere kamers.

Zij staat in voor de opvolging ervan. § 2. De verzoeken van de bijzondere kamers worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen. § 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de bijzondere kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de bijzondere kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de bijzondere kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".

Art. 34.In artikel 68 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : " § 2.Het verzoek van de aanklager of de onderzoeksrechter, of de beschikking van de bijzondere kamers die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.

Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen."; 2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : " § 3.Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de bijzondere kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard.

Alvorens de stukken aan de bijzondere kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de bijzondere kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet."; 3° paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met een zin, luidende : "Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend."; 4° in § 4 worden tussen het eerste en tweede lid zeven leden ingevoegd, luidende : "In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie. De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.

De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.

De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.

De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.

In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.

Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige."; 5° in § 4, tweede lid, dat het negende lid wordt, wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";6° het artikel wordt aangevuld met de §§ 5 tot 7, luidende : " § 5.Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de bijzondere kamers tijdelijk naar de bijzondere kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.

Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging;en 2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de bijzondere kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden. De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de bijzondere kamers.

De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt. § 6. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de bijzondere kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.

Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de bijzondere kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen. § 7. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het Buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de bijzondere kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".

Art. 35.In titel VI van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".

Art. 36.In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 69bis ingevoegd, luidende : "

Art. 69bis.Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de bijzondere kamers hebben bevolen. Wanneer de bijzondere kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, kan de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft gelijkwaardige maatregelen bevelen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest de bijzondere kamers, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan de bijzondere kamers.".

Art. 37.In dezelfde wet wordt een titel VIbis ingevoegd, luidende "Samenwerking met het Speciaal Tribunaal voor Libanon".

Art. 38.In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, luidende "Algemeen".

Art. 39.In hoofdstuk I, ingevoegd bij artikel 38, wordt een artikel 70 ingevoegd, luidende : "

Art. 70.Voor de toepassing van titel VIbis van deze wet wordt verstaan onder : - "Tribunaal" : het Speciaal Tribunaal voor Libanon ingesteld bij de internationale overeenkomst van 6 februari 2007 gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Libanon, en voortvloeiend uit resolutie 1664 (2006) van 29 maart 2006 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; - "Statuut" : het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Libanon gevoegd bij de resolutie 1757 (2007) van 30 mei 2007 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; - "Aanklager" : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent; - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Speciaal Tribunaal voor Libanon, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht; - "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".

Art. 40.In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 71 ingevoegd, luidende : "

Art. 71.België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van het Tribunaal.".

Art. 41.In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 72 ingevoegd, luidende : "

Art. 72.§ 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan. § 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen. § 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".

Art. 42.In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 73 ingevoegd, luidende : "

Art. 73.De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Tribunaal hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van het Tribunaal om samenwerking en waaraan de centrale autoriteit heeft beslist gevolg te geven.".

Art. 43.In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, luidende "Wederzijdse rechtshulp".

Art. 44.In hoofdstuk II, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 74 ingevoegd, luidende : "

Art. 74.§ 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van het Tribunaal die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt. § 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.

Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen. § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet. § 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige heeft verleend en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.

In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.

De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.

De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.

De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.

De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.

In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.

Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.

Wanneer het Tribunaal de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden. § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.

Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging;en 2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden. De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.

De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt. § 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.

Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen. § 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".

Art. 45.In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 75 ingevoegd, luidende : "

Art. 75.De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Tribunaal in kennis van de datum en de plaats van de tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.".

Art. 46.In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Aanhouding en overbrenging".

Art. 47.In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 46, wordt een artikel 76 ingevoegd, luidende : "

Art. 76.§ 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door het Tribunaal ten aanzien van een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.

De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.

Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.

Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.

De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.

Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.

De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.

Wanneer het bevel tot aanhouding van het Tribunaal definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden. § 2. De aangehouden persoon heeft het recht om bij de kamer van inbeschuldigingstelling zijn voorlopige invrijheidstelling te verzoeken door middel van een verzoekschrift, zulks in afwachting van zijn overdracht.

De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord.

De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.

De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.

In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.

Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.

Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.

De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.".

Art. 48.In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 77 ingevoegd, luidende : "

Art. 77.Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement van het Tribunaal.".

Art. 49.In titel VIbis, ingevoegd bij artikel 37, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".

Art. 50.In hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 49, wordt een artikel 78 ingevoegd, luidende : "

Art. 78.§ 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België. § 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen.

De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast, op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal, de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde. § 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.

In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat. § 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt. § 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte. § 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.".

Art. 51.In hetzelfde hoofdstuk IV wordt een artikel 79 ingevoegd, luidende : "

Art. 79.Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, maakt de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden door de centrale autoriteit aan het Tribunaal overgedragen.".

Art. 52.Het huidige artikel 70 van dezelfde wet wordt vernummerd tot artikel 80. HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Wetboek van strafvordering

Art. 53.Artikel 90ter, § 2, 1° bis, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 10 januari 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2003, wordt aangevuld met de woorden : "en artikel 41 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen". HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding

Art. 54.Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 26 maart 2014.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) : Stukken : 53-3299.

Integraal verslag : 13 maart 2014.

Senaat (www.senate.be) : Stukken : 5-2742.

Handelingen van de Senaat : 20 maart 2014.

^