Etaamb.openjustice.be
Wet van 26 juni 2004
gepubliceerd op 30 juni 2004

Wet tot uitvoering en aanvulling van de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen

bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
numac
2004021084
pub.
30/06/2004
prom.
26/06/2004
ELI
eli/wet/2004/06/26/2004021084/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

26 JUNI 2004. - Wet tot uitvoering en aanvulling van de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2.Benevens de vermeldingen voorgeschreven door artikel 2, § 1, van de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, bevat de aangifte bedoeld in dat artikel de volgende vermeldingen : de naam, voornamen, woonplaats, plaats en datum van geboorte van de indiener, de mandaten, leidende ambten of beroepen bedoeld door die bepaling, de begindatum en de einddatum van de uitoefening van die mandaten, ambten en beroepen, voorzover die data vallen in het jaar waarop de aangifte betrekking heeft.

De aangifte wordt gedagtekend en door de indiener ondertekend.

Art. 3.Benevens de vermeldingen voorgeschreven door artikel 3, § 1, van de wet van 2 mei 1995, bevatten de aangiften bedoeld in artikel 3, §§ 1 en 2, van die wet de volgende vermeldingen : de naam, voornamen, woonplaats, plaats en datum van geboorte van de indiener, alsmede de ambten die de indiener onder de toepassing van die wet doen vallen.

De aangiften worden gedagtekend en door de indiener ondertekend.

Art. 4.§ 1. De aangiften bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de wet van 2 mei 1995 worden van hand tot hand of bij aangetekende brief met ontvangstmelding ingediend. § 2. Het Rekenhof wijst onder zijn personeel de ambtenaren aan die gemachtigd zijn de ontvangst van de overhandigde en van de aangetekend toegezonden aangiften te bevestigen. § 3. De afgifte van hand tot hand geschiedt door de indiener in persoon of door een houder van een volmacht. De daartoe aangewezen ambtenaar van het Rekenhof geeft onmiddellijk een gedateerd en ondertekend ontvangstbewijs af dat, in voorkomend geval, de identiteit van de houder van de volmacht vermeldt.

De vermogensaangifte moet aan de buitenzijde de naam, voornamen en woonplaats van de indiener en het feit dat het een vermogensaangifte betreft vermelden.

De ambtenaar van het Rekenhof aan wie een vermogensaangifte in een niet-gesloten omslag wordt ter hand gesteld, verzoekt de deposant de omslag te sluiten. § 4. Wanneer een vermogensaangifte aangetekend wordt toegezonden, moet de aangetekende brief een gesloten omslag met die aangifte bevatten, waarop aan de buitenzijde de naam, voornamen en woonplaats van de indiener worden vermeld, alsmede het feit dat het een vermogensaangifte betreft.

Indien de daartoe aangewezen ambtenaar van het Rekenhof vaststelt dat een omslag die een vermogensaangifte bevat, niet is gesloten, gaat hij onmiddellijk tot sluiting over en maakt daarvan melding op de keerzijde van de omslag.

Art. 5.In de loop van de maand januari van ieder jaar zendt de ambtenaar die daartoe door de eerste minister wordt aangewezen, de lijst van de intercommunale en interprovinciale verenigingen aan het Rekenhof. De eerste minister brengt het Rekenhof van die aanwijzing op de hoogte. Voor het opstellen van de voormelde lijst wordt rekening gehouden met de toestand van het voorgaande jaar.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, deze verplichting niet of laattijdig vervult, is hij strafbaar met een geldboete van honderd euro tot duizend euro.

Art. 6.In de loop van de maand februari van ieder jaar worden de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, woonplaats en het ambt van de aan de wet van 2 mei 1995 onderworpen personen, alsmede de datum van de ambtsaanvaarding, van de ambtsbeëindiging en van het verstrijken van de periode bedoeld in artikel 3, § 2, tweede lid, van die wet, aan het Rekenhof meegedeeld door de hierna aangewezen personen : 1° de secretaris van de Ministerraad, voor de ministers, staatssecretarissen en regeringscommissarissen, alsmede voor de kabinetschefs, de adjunct-kabinetschefs en de hoofden van de beleidsorganen van de leden van de federale regering, met inbegrip van de regeringscommissarissen, en voor de commissarissen van de federale regering die de titel van gouverneur en vice-gouverneur voeren, aangesteld in het administratieve arrondissement Brussel-Hoofdstad;2° de griffier van de Kamer van volksvertegenwoordigers, voor de leden van die vergadering en voor de Belgische leden van het Europees Parlement;3° de griffier van de Senaat, voor de leden van die vergadering;4° de secretaris van de regering van de Duitstalige Gemeenschap, voor de leden van die regering alsmede voor de kabinetschefs en de adjunct-kabinetschefs van de ministeriële kabinetten van die regering;5° de griffier van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, voor de leden van die raad;6° de griffier van de provincie, voor de gouverneur en de leden van de bestendige deputatie;7° de gemeentesecretaris, voor de burgemeester, schepenen en voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;8° de voorzitter van de raad van bestuur van iedere intercommunale en interprovinciale vereniging, voor de leden van de raad van bestuur en van het directiecomité;9° de voorzitter van het directiecomité van elke federale overheidsdienst of, tot de aanstelling van laatstgenoemde, de secretaris-generaal van het betrokken ministerie, voor zijn leidinggevenden en het hoofd van de Cel Beleidsvoorbereiding;10° de leidend ambtenaar van het ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, voor zijn ambtenaren-generaal;11° de leidinggevende van de instelling, voor de leidinggevenden van de instellingen van openbaar nut waarop de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut van toepassing is of waarover de Duitstalige Gemeenschap het toezicht uitoefent en voor de leidinggevenden van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;12° de gouverneur van de Nationale Bank van België, voor de leden van de regentenraad en van het college van censoren van die instelling;13° de voorzitter van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, voor de leden van dat comité;14° de voorzitter van het algemeen comité van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, voor de leden van dat comité. De persoon die ertoe gehouden is de in het voorgaande lid bedoelde inlichtingen aan het Rekenhof mede te delen en die deze verplichting niet of laattijdig vervult, is strafbaar met een geldboete van honderd euro tot duizend euro.

De personen bedoeld in dit artikel melden aan het Rekenhof het overlijden van de aan de wet van 2 mei 1995 onderworpen personen van wie ze de identiteit overeenkomstig het eerste lid aan het Hof hebben meegedeeld.

Art. 7.§ 1. Op 30 april van ieder jaar stelt het Rekenhof de voorlopige lijst op van de personen die aan de wet van 2 mei 1995 onderworpen zijn en van wie het de lijst, bedoeld in artikel 2 van die wet, of de aangifte, bedoeld in artikel 3 van dezelfde wet, niet heeft ontvangen. Het Rekenhof richt onmiddellijk een aangetekende herinneringsbrief aan al die personen. De persoon die van oordeel is dat hij niet aan de wet van 2 mei 1995 onderworpen is, brengt hiervan het Rekenhof uiterlijk op 15 mei bij aangetekende brief op de hoogte.

Het Rekenhof onderzoekt de aangevoerde motieven en deelt zijn definitief standpunt over de onderworpenheid van die persoon aan de wet van 2 mei 1995 bij aangetekende brief en uiterlijk op 31 mei aan de belanghebbende mee.

Indien het Rekenhof, op grond van de inlichtingen die hem overeenkomstig artikel 6 zijn meegedeeld of op grond van enige andere inlichting die het zou ontvangen, vaststelt dat de door een persoon toegezonden lijst van mandaten, ambten en beroepen onvolledig of onjuist is, doet het hiervan bij aangetekende brief mededeling aan de belanghebbende. De persoon die van oordeel is dat de door hem toegezonden lijst geen onvolledigheid of onjuistheid bevat, brengt het Rekenhof uiterlijk op 15 mei bij aangetekende brief hiervan op de hoogte. Het Rekenhof deelt zijn definitief standpunt nopens de volledigheid en de juistheid van de lijst bij aangetekende brief en uiterlijk op 31 mei aan de belanghebbende mee. § 2. Indien het Rekenhof tot het besluit komt dat een persoon onderworpen is aan de wet van 2 mei 1995 of dat hij een onvolledige of onjuiste aangifte heeft ingediend, kan die persoon zich uiterlijk op 15 juni bij aangetekende brief wenden, naar gelang van het geval, tot de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat of de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, om te horen zeggen hetzij dat hij niet onderworpen is aan de wet van 2 mei 1995, hetzij dat zijn aangifte volledig en juist is.

Is de zaak aanhangig gemaakt door een senator, met uitzondering van de gemeenschapssenatoren bedoeld in artikel 67, § 1, 3° tot 5°, van de Grondwet, dan wordt ze onderzocht door een opvolgingscommissie samengesteld uit leden van de Senaat. Is de zaak aanhangig gemaakt door een lid van de regering of de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, dan wordt ze onderzocht door een opvolgingscommissie samengesteld uit leden van laatstgenoemde Raad. In alle andere gevallen wordt de zaak onderzocht door een opvolgingscommissie samengesteld uit leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, onverminderd artikel 7, § 2, tweede lid, eerste zin, van de bijzondere wet van 26 juni 2004 tot uitvoering en aanvulling van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen. De commissie doet uitspraak zonder dat tegen haar beslissing enig rechtsmiddel kan worden aangewend. Een afschrift van de beslissing wordt door de diensten van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat of van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap uiterlijk op 30 juni aan het Rekenhof en aan de belanghebbende meegedeeld. § 3. De definitieve lijst van mandaten, ambten en beroepen en de definitieve lijst van de personen die de lijst, bedoeld in artikel 2 van de wet van 2 mei 1995, of de aangifte, bedoeld in artikel 3 van dezelfde wet, niet hebben ingediend, worden door het Rekenhof uiterlijk op 15 juli vastgesteld en onmiddellijk aan de diensten van het Belgisch Staatsblad meegedeeld. De twee lijsten worden uiterlijk op 15 augustus bekendgemaakt.

Art. 8.§ 1. Indien een persoon die onderworpen is aan de wet van 2 mei 1995, na de bekendmaking van de lijsten van mandaten, ambten en beroepen in het Belgisch Staatsblad, tussen de gepubliceerde lijst en de lijst die hij aan het Rekenhof heeft meegedeeld, een verschil vaststelt dat niet het gevolg is van de toepassing van artikel 7, § 1, tweede lid, richt hij een schriftelijke verbetering aan het Rekenhof, dat ervoor zorgt dat de verbetering in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. § 2. Indien een persoon die onderworpen is aan de wet van 2 mei 1995, na de bekendmaking van de lijsten van mandaten, ambten en beroepen in het Belgisch Staatsblad vaststelt dat de lijst die hij aan het Rekenhof heeft meegedeeld onvolledig of onjuist is, richt hij een schriftelijke verbetering aan het Rekenhof.

Indien het Hof, op basis van de inlichtingen die hem overeenkomstig artikel 6 zijn meegedeeld of op basis van enige andere informatie die het zou ontvangen, de voorgestelde verbetering betwist, deelt het dat bij aangetekende brief mee aan de belanghebbende.

Indien deze van mening is dat zijn verbetering juist is, kan hij binnen vijftien dagen na de verzending van de aangetekende brief van het Rekenhof het in artikel 7, § 2, bepaalde orgaan bij aangetekende brief verzoeken zich uit te spreken over de juistheid van de verbetering. Een afschrift van de beslissing van dat orgaan wordt, uiterlijk een maand na ontvangst van de aangetekende brief van de auteur van de correctie, aan het Rekenhof en aan de belanghebbende meegedeeld door de diensten van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat of van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap. Deze termijnen worden tijdens het parlementair reces geschorst.

Op het einde van de procedure zorgt het Hof, in voorkomend geval, voor de bekendmaking van de verbetering in het Belgisch Staatsblad. § 3. Indien het Rekenhof, na de bekendmaking van de lijsten van mandaten, ambten en beroepen in het Belgisch Staatsblad, informatie ontvangt waarin erop wordt gewezen dat een aangifte onvolledig of onjuist is of dat een persoon die onderworpen is aan de wet van 2 mei 1995, niet voorkomt op de lijsten die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, onderzoekt het Hof of die informatie juist is. Acht het Hof de informatie gegrond, dan deelt het aan de belanghebbende bij aangetekende brief mee dat een verbetering op de lijsten bekendgemaakt zal worden.

Indien de belanghebbende meent dat de bekendgemaakte lijst volledig en juist is of indien hij meent niet onderworpen te zijn aan de wet van 2 mei 1995, kan hij binnen vijftien dagen na de verzending van de aangetekende brief van het Rekenhof het in artikel 7, § 2, bepaalde orgaan bij aangetekende brief verzoeken te verklaren hetzij dat zijn aangifte volledig en juist is, hetzij dat hij niet onderworpen is aan de wet van 2 mei 1995. Een afschrift van de beslissing van dat orgaan wordt, uiterlijk een maand na ontvangst van de aangetekende brief van de belanghebbende, aan het Rekenhof en aan de belanghebbende meegedeeld door de diensten van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat of van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap. Deze termijnen worden tijdens het parlementair reces geschorst.

Op het einde van de procedure zorgt het Hof, in voorkomend geval, voor de bekendmaking van de verbetering in het Belgisch Staatsblad.

Art. 9.Bij het verstrijken van de in artikel 3, § 5, van de wet van 2 mei 1995 bedoelde termijn van vijf jaar, zendt het Rekenhof de in artikel 3, §§ 1 en 2, van die wet bedoelde vermogensaangiften bij aangetekende brief met ontvangstmelding terug aan de personen bedoeld in artikel 1 van die wet.

In het geval waarin de restitutie binnen een jaar te rekenen van de datum waarop de bovengenoemde termijn van vijf jaar verstrijkt, onmogelijk blijkt, vernietigt het Rekenhof, met inachtneming van artikel 3, § 3, van de wet van 2 mei 1995, de betrokken vermogensaangiften.

Art. 10.De in artikel 3, §§ 1 en 2, van de wet van 2 mei 1995 bedoelde aangiften mogen alleen worden gebruikt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek bedoeld in artikel 3, § 4, van diezelfde wet.

Art. 11.De in artikel 2, § 1, van de wet van 2 mei 1995 bedoelde aangiften worden door het Rekenhof bewaard gedurende een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van de door § 2 van voornoemd artikel voorgeschreven bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Na het verstrijken van die termijn worden de aangiften door het Rekenhof vernietigd.

Art. 12.In artikel 1 van de wet van 2 mei 1995 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 1 wordt vervangen als volgt : « 1.de ministers, staatssecretarissen en regeringscommissarissen; »; 2° tussen punt 4 en punt 5 wordt een punt 4bis ingevoegd, luidende : « 4bis.de Belgische leden van het Europees Parlement; »; 3° punt 5 wordt aangevuld als volgt : « , daarin begrepen de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant en de commissarissen van de federale regering die de titel van gouverneur en vice-gouverneur voeren, aangesteld in het administratieve arrondissement Brussel-Hoofdstad"; 3°bis in punt 8 worden de woorden "en interprovinciale" ingevoegd tussen het woord "intercommunale" en het woord "verenigingen"; 4° punt 9 wordt vervangen als volgt : « 9.de leidinggevenden van de ministeries, de federale overheidsdiensten, de instellingen van openbaar nut waarop de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut van toepassing is of waarover de Duitstalige Gemeenschap het toezicht uitoefent en de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modemisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; »; 5° punt 10 wordt vervangen als volgt : « 10.de ambtenaren-generaal van het ministerie van de Duitstalige Gemeenschap; »; 6° in punt 11 worden de woorden "de leden van de Algemene Raad" vervangen door de woorden "de leden van de regentenraad en van het college van censoren";7° punt 12 wordt vervangen als volgt : « 12.de kabinetschefs, de adjunct-kabinetschefs en de hoofden van de beleidsorganen van de leden van de federale regering, met inbegrip van de regeringscommissarissen, en van de regering van de Duitstalige Gemeenschap en het hoofd van de Cel Beleidsvoorbereiding van een federale overheidsdienst. »; 8° de punten 1, 2, 3, 4, 4bis, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 worden vernummerd tot respectievelijk de punten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13.

Art. 13.Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 2 mei 1995 wordt vervangen als volgt : « § 1. De personen die in de loop van een jaar een in artikel 1 bedoeld ambt of mandaat uitoefenen, dienen vóór 1 april van het daaropvolgende jaar een schriftelijke aangifte in waarin ze melding maken van alle mandaten, leidende ambten of beroepen, van welke aard ook, die ze tijdens het eerstbedoelde jaar hebben uitgeoefend, zowel in de overheidssector als voor rekening van enige andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, feitelijke instelling of vereniging die in België of in het buitenland gevestigd is. »

Art. 14.In artikel 3 van de wet van 2 mei 1995 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, wordt het woord "verzegelde" vervangen door het woord "gesloten";2° in § 1, eerste lid, worden tussen de woorden "een vermogensaangifte" en het woord "in" ingevoegd de woorden "betreffende de staat van hun vermogen op de dag van hun ambtsaanvaarding";3° § 2, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende volzin : « Deze aangifte heeft betrekking op de staat van hun vermogen op de dag van het verstrijken van het mandaat of op de dag van het ontslag. »; 4° § 2, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende volzin : « Deze aangifte heeft betrekking op de staat van hun vermogen op de dag waarop de in de voorgaande zin bedoelde periode is verstreken.»; 5° in § 3 wordt het woord "verzegelde" vervangen door het woord "gesloten";6° § 3 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende : « De personeelsleden van het Rekenhof en elke bewaarder of houder van de vermogensaangifte zijn gehouden tot het beroepsgeheim, zoals bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.» ; 7° in § 5 vervallen de woorden "Na het overlijden of";8° er wordt een § 6 toegevoegd, luidende : « § 6.De in de §§ 1 en 2 bedoelde vermogensaangiften van overleden personen worden vernietigd na verloop van een periode van een maand te rekenen van de dag van het overlijden. »

Art. 15.Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zevende maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brissago, 26 juni 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, L. MICHEL De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven, J. VANDE LANOTTE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Senaat. Stukken : 2-289-1999/2000 : Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers tijdens de vorige zittingsperiode en van verval ontheven. 2-289-2000/2001 : Nrs. 2 en 3 : Amendementen. 2-289-2002/2003 : Nrs. 4 tot 6 : Amendementen. - Nr. 7 : Verslag. - Nr. 8 : Tekst geamendeerd door de commissie.

Handelingen van de Senaat : 13 februari 2003 Kamer van volksvertegenwoordigers.

Stukken : Doc 50 2305/(2002/2003) : 001 : Ontwerp overgezonden door de Senaat. - 002 : Verslag.

Doc 51 0642/(2003/2004) : 001 : Wetsontwerp overgezonden door de Senaat tijdens de vorige zittingsperiode en van verval ontheven. - 002 : Verslag. - 003 : Amendement. - 004 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd.

Integraal verslag : 27 mei 2004.

^