Etaamb.openjustice.be
Overeenkomst van 27 maart 2025
gepubliceerd op 02 april 2025

Technisch reglement tot bepaling van de na te leven voorwaarden en maatregelen voor stralingsbescherming bij manipulatie van radioactieve stoffelijke overschotten

bron
federaal agentschap voor nucleaire controle
numac
2025002681
pub.
02/04/2025
prom.
27/03/2025
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

27 MAART 2025. - Technisch reglement tot bepaling van de na te leven voorwaarden en maatregelen voor stralingsbescherming bij manipulatie van radioactieve stoffelijke overschotten


Gelet op de wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/04/1994 pub. 14/10/2011 numac 2011000621 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 15/04/1994 pub. 19/03/2013 numac 2013000145 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 15/04/1994 pub. 25/08/2017 numac 2017031028 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuse coördinatie in het Duits. - Erratum sluiten betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van ioniserende stralingen, artikel 69;

Gelet op het Besluit medische blootstellingen, artikel 22 § 2;

Overwegende de aanbevelingen nr. 5110 van de Hoge Gezondheidsraad in verband met de lijkbezorging van 2001;

Overwegende het advies en de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad nr. 5110/3 betreffende de verspreiding van radioactiviteit komende van bronnen voor medisch gebruik gedragen door overleden personen van 2003;

Overwegende het advies nr. 8416 van de Hoge Gezondheidsraad betreffende de problematiek van de crematie van overledenen dragers van radioactieve bronnen van 2008;

Overwegende het advies nr. 8838 van de Hoge Gezondheidsraad getiteld "Peptide Receptor Radionuclide Therapy" van 2012;

Overwegende de aanbevelingen van de Landelijke Vereniging van Crematoria en de Vereniging Ondernemingen in de Uitvaartverzorging getiteld "Hoe omgaan met een overleden, met radionucliden behandelde persoon" van 2006;

Overwegende het RIVM Rapport 2020-0113 getiteld "Nucleair-geneeskundige therapieën: potentiële blootstelling voor derden" van 2020;

Overwegende het RIVM Briefrapport 2019-0165 getiteld "Potentiële stralingsbelasting na het overlijden van patiënten behandeld met radioactieve stoffen" van 2019;

Overwegende het artikel van Fitschen et al. getiteld "Äußere Strahlenexposition und effektive Halbwertszeit bei Therapie mit Lu-177-Dota-Tate" verschenen in Zeitschrift für Medizinische Physik 21 p 266-273 van 2011;

Overwegende het artikel van Kurth et al. Getiteld "External radiation exposure, excretion, and effective half-life in 177Lu-PSMA-targeted therapies" verschenen in de European Journal for Nuclear Medicine and Molecular Imaging Research 8:32 van 2018, Besluit :

HOOFDSTUK I. - DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1.Definities § 1. De definities van het Koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, het Koninklijk besluit van 12 juli 2015 betreffende radioactieve producten voor in vitro of in vivo gebruik in de geneeskunde, in de diergeneeskunde, in een klinische proef of in een klinisch onderzoek en van het Besluit medische blootstellingen zijn eveneens van toepassing op dit technisch reglement. § 2. Ter aanvulling van deze definities, wordt voor de toepassing van dit technisch reglement verstaan onder: 1° Manipulatie: afleggen, opbaarwerkzaamheden, lijkschouwing, verplaatsen, transporteren, bewaren of lijkbezorging door begraving of crematie;2° Radioactief stoffelijk overschot: menselijk stoffelijk overschot dat een radionuclide bevat met een activiteit groter dan het vrijstellingsniveau van dat radionuclide, als gevolg van de toediening van een radioactief product voor radiotherapeutische doeleinden;3° Radioactief, permanent implantaat: ingekapseld of niet- ingekapseld radioactief medisch hulpmiddel dat toegediend of geplaatst wordt voor radiotherapeutische doeleinden en dat bedoeld is om voor altijd in het lichaam te blijven;4° Radioactief, tijdelijk implantaat: ingekapseld radioactief medisch hulpmiddel dat in of op het lichaam geplaatst wordt voor radiotherapeutische doeleinden en dat niet bedoeld is om voor altijd in of op het lichaam te blijven.

Art. 2.Toepassingsgebied Dit technisch reglement is van toepassing op de stralingsbescherming van de personen die een radioactief stoffelijk overschot manipuleren.

HOOFDSTUK II. - BEREKENING VAN DE VOORZICHTIGHEIDSPERIODE

Art. 3.Berekening van de voorzichtigheidsperiode De voorzichtigheidsperiode wordt berekend bij elke toediening van een radioactief product voor radiotherapeutische doeleinden door de practicus die verantwoordelijk is voor deze toediening. Ze wordt berekend op basis van de effectieve halfwaardetijd en de fractie snelle excretie, beide van het radioactief product en vermeld in bijlage 1 of aan de hand van een methode vooraf goedgekeurd door het Agentschap.

Deze voorzichtigheidsperiode wordt ingevuld op de ontslagkaart vermeld in artikel 22 § 2 van het Besluit medische blootstellingen.

HOOFDSTUK III. - OVERLIJDEN NA DE VOORZICHTIGHEIDSPERIODE

Art. 4.Maatregelen voor stralingsbescherming bij overlijden na de voorzichtigheidsperiode Er dienen geen maatregelen inzake stralingsbescherming getroffen te worden.

HOOFDSTUK IV. - ALGEMENE MAATREGELEN VOOR STRALINGSBESCHERMING BIJ MANIPULATIE VAN EEN RADIOACTIEF STOFFELIJK OVERSCHOT

Art. 5.Algemeen § 1. Iedere persoon die op de hoogte is van het feit dat een lichaam een radioactief stoffelijk overschot is, zorgt ervoor dat de persoon aan wie hij dit lichaam overdraagt eveneens op de hoogte is van dit feit. § 2. Er wordt een waarschuwingsteken voor ioniserende stralingen op de lijkzak of kist van een radioactief stoffelijk overschot door de persoon die het stoffelijk overschot manipuleert, geplaatst.

Art. 6.Voorkomen van verspreiding van radioactieve lichaamsvochten Indien de overleden persoon behandeld werd met een systemisch toegediend radiofarmacon, wordt het radioactief stoffelijk overschot zo snel mogelijk na overlijden in een ondoordringbare lijkzak of hermetische kist geplaatst of op een oppervlak dat de verspreiding van radioactieve lichaamsvochten voorkomt. Het radioactief stoffelijk overschot blijft hierin of hierop zolang het risico op verlies van radioactieve lichaamsvochten bestaat.

HOOFDSTUK V. - BIJKOMENDE MAATREGELEN VOOR STRALINGSBESCHERMING BIJ MANIPULATIE VAN EEN RADIOACTIEF STOFFELIJK OVERSCHOT PER TYPE MANIPULATIE, PER TYPE RADIONUCLIDE EN PER TYPE RADIOACTIEF PRODUCT

Art. 7.Afleggen, opbaarwerkzaamheden en uitwendige lijkschouwing van een radioactief stoffelijk overschot dat een bèta- en/of gammastraler bevat § 1. Indien de overleden persoon behandeld werd met een radioactief, permanent implantaat of met een plaatselijk toegediend radiofarmacon, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen: a) Beperken van de tijd nabij het radioactief stoffelijk overschot tot het strikt noodzakelijke;b) Houden van een zo groot mogelijke afstand als de manipulatie toelaat tot de plaats in het lichaam waar de radioactiviteit aanwezig is;c) De manipulatie wordt niet uitgevoerd door een zwangere medewerkster. § 2. Indien de overleden persoon behandeld werd met een systemisch toegediend radiofarmacon, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen bovenop die van § 1.: a) Dragen van beschermingskledij met lange mouwen en lange broek en deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen;b) Dragen van een dubbel paar ondoordringbare handschoenen, deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen en de handen wassen;c) Niet eten, drinken, roken in het lokaal waar de manipulatie plaats vindt;d) Na de manipulatie: onmiddellijk schoonmaken van het oppervlak waarop het radioactief stoffelijk overschot zich tijdens de manipulatie bevond;e) Na de manipulatie: onmiddellijk wassen of spoelen met veel water en zeep van alle wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal.Alle niet wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal wordt bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide op een zo groot mogelijke afstand van de plaatsen waar personen veelvuldig aanwezig zijn.

Art. 8.Afleggen, opbaarwerkzaamheden en uitwendige lijkschouwing van een radioactief stoffelijk overschot dat een alfastraler bevat § 1. Indien de overleden persoon behandeld werd met een radioactief, permanent implantaat of met een plaatselijk toegediend radiofarmacon, dienen geen maatregelen inzake stralingsbescherming getroffen te worden. § 2. Indien de overleden persoon behandeld werd met een systemisch toegediend radiofarmacon, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen: a) Dragen van beschermingskledij met lange mouwen en lange broek en deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen;b) Dragen van een dubbel paar ondoordringbare handschoenen, deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen en de handen wassen;c) Niet eten, drinken, roken in het lokaal waar de manipulatie plaats vindt;d) Na de manipulatie: onmiddellijk schoonmaken van het oppervlak waarop het radioactief stoffelijk overschot zich bevond tijdens de manipulatie;e) Na de manipulatie: onmiddellijk wassen of spoelen met veel water en zeep van alle wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal.Alle niet wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal wordt bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide; f) De manipulatie wordt niet uitgevoerd door een zwangere medewerkster.

Art. 9.Inwendige lijkschouwing van een radioactief stoffelijk overschot dat een bèta- en/of gammastraler bevat § 1. Indien de overleden persoon behandeld werd met ingekapselde, radioactieve, permanente implantaten, wordt het orgaan dat deze implantaten bevat zo snel mogelijk verwijderd uit het radioactief stoffelijk overschot volgens de maatregelen voor stralingsbescherming goedgekeurd door de deskundige erkend in de fysische controle van klasse II van de inrichting waar de toediening plaats vond.

De maatregelen bedoeld in het eerste lid omvatten de volgende minimale maatregelen voor stralingsbescherming: a) Beperken van de tijd nabij het radioactief stoffelijk overschot tot het strikt noodzakelijke;b) Houden van een zo groot mogelijke afstand als de manipulatie toelaat tot de plaats in het lichaam waar de implantaten zich bevinden;c) Niet eten, drinken, roken in het lokaal waar de manipulatie plaats vindt;d) De manipulatie wordt niet uitgevoerd door een zwangere medewerkster. Na de verwijdering van het orgaan, wordt het lichaam niet langer beschouwd als een radioactief stoffelijk overschot. § 2. Indien de overleden persoon behandeld werd met een systemisch of plaatselijk toegediend radiofarmacon of met een niet ingekapseld, radioactief, permanent implantaat, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen bovenop die van § 1.: a) Dragen van beschermingskledij met lange mouwen en lange broek en deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen;b) Dragen van een dubbel paar ondoordringbare handschoenen, deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen en de handen wassen;c) Na de manipulatie: onmiddellijk schoonmaken van het oppervlak waarop het radioactief stoffelijk overschot zich bevond tijdens de manipulatie;d) Na de manipulatie: onmiddellijk wassen of spoelen met veel water en zeep van alle wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal.Alle niet wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal wordt bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide op een zo groot mogelijke afstand van de plaatsen waar personen veelvuldig aanwezig zijn.

Art. 10.Inwendige lijkschouwing van een radioactief stoffelijk overschot dat een alfastraler bevat § 1. Indien de overleden persoon behandeld werd met ingekapselde, radioactieve, permanente implantaten, wordt het orgaan dat deze implantaten bevat zo snel mogelijk verwijderd uit het radioactief stoffelijk overschot met inachtname van de maatregelen voor stralingsbescherming goedgekeurd door de deskundige erkend in de fysische controle van klasse II van de inrichting waar de toediening plaats vond.

De maatregelen bedoeld in het eerste lid omvatten minimaal maatregelen om de ingekapselde implantaten intact te houden.

Na deze verwijdering, wordt het lichaam niet langer beschouwd als een radioactief stoffelijk overschot. § 2. Indien de overleden persoon behandeld werd met een systemisch of plaatselijk toegediend radiofarmacon of met een niet ingekapseld, permanent, radioactief implantaat, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen bovenop die van § 1: a) Dragen van beschermingskledij met lange mouwen en lange broek en deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen;b) Dragen van een dubbel paar ondoordringbare handschoenen, deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen en de handen wassen;c) Niet eten, drinken, roken in het lokaal waar de manipulatie plaats vindt;d) Na de manipulatie: onmiddellijk schoonmaken van het oppervlak waarop het radioactief stoffelijk overschot zich bevond tijdens de manipulatie;e) Na de manipulatie: onmiddellijk wassen of spoelen met veel water en zeep van alle wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal.Alle niet wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal wordt bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide; f) De manipulatie wordt niet uitgevoerd door een zwangere medewerkster.

Art. 11.Transport of verplaatsen van een radioactief stoffelijk overschot dat een bèta- en/of gammastraler bevat § 1. Indien de overleden persoon behandeld werd met een radioactief, permanent implantaat of met een plaatselijk toegediend radiofarmacon, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen: a) Beperken van de tijd nabij het radioactief stoffelijk overschot tot het strikt noodzakelijke;b) Houden van een zo groot mogelijke afstand als de manipulatie toelaat tot de plaats in het lichaam waar de radioactiviteit aanwezig is;c) De manipulatie wordt niet uitgevoerd door een zwangere medewerkster. § 2. Indien de overleden persoon behandeld werd met een systemisch toegediend radiofarmacon, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen bovenop die van § 1.: a) Bij aanraking van het radioactief stoffelijk overschot: dragen van beschermkledij met lange mouwen en lange broek en deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen;b) Bij aanraking van het radioactief stoffelijk overschot: dragen van een dubbel paar ondoordringbare handschoenen, deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen en de handen wassen;c) Na de manipulatie: onmiddellijk schoonmaken van het oppervlak waarop het radioactief stoffelijk overschot zich bevond tijdens de manipulatie;d) Na de manipulatie: onmiddellijk wassen of spoelen met veel water en zeep van alle wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal.Alle niet wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal wordt bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide op een zo groot mogelijke afstand van de plaatsen waar personen veelvuldig aanwezig zijn; e) Indien het radioactief stoffelijk overschot per vliegtuig dient getransporteerd te worden, kan het FANC bijkomende maatregelen inzake stralingsbescherming opleggen.

Art. 12.Transport of verplaatsen van een radioactief stoffelijk overschot dat een alfastraler bevat § 1. Indien de overleden persoon behandeld werd met een radioactief, permanent implantaat of met een plaatselijk toegediend radiofarmacon, dienen geen maatregelen inzake stralingsbescherming getroffen te worden. § 2. Indien de overleden persoon behandeld werd met een systemisch toegediend radiofarmacon, worden volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen: a) Bij aanraking van het radioactief stoffelijk overschot: dragen van beschermkledij met lange mouwen en lange broek en deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen;b) Bij aanraking van het radioactief stoffelijk overschot: dragen van dubbel paar ondoordringbare handschoenen, deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen en de handen wassen;c) Na de manipulatie: onmiddellijk schoonmaken van het oppervlak waarop het radioactief stoffelijk overschot zich bevond tijdens de manipulatie;d) Na de manipulatie: onmiddellijk wassen of spoelen met veel water en zeep van alle wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal.Alle niet wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal wordt bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide op een zo groot mogelijke afstand van de plaatsen waar personen veelvuldig aanwezig zijn; e) De manipulatie wordt niet uitgevoerd door een zwangere medewerkster.

Art. 13.Bewaren van een radioactief stoffelijk overschot dat een alfa-, bèta- en/of gammastraler bevat § 1. Indien het radioactief stoffelijk overschot een alfa- of bètastraler bevat, wordt een waarschuwingsteken voor ioniserende stralingen op de deur van de desbetreffende koelcel aangebracht. § 2. Indien het radioactief stoffelijk overschot een gammastraler bevat, worden de volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen bovenop die van § 1.: a) Beperken van de tijd nabij het radioactief stoffelijk overschot tot het strikt noodzakelijke;b) Bewaren van het stoffelijk overschot op een zo groot mogelijke afstand van de plaatsen waar personen veelvuldig aanwezig zijn.

Art. 14.Begraving van een radioactief stoffelijk overschot dat een alfa-, bèta- en/of gammastraler bevat Er dienen geen maatregelen inzake stralingsbescherming getroffen te worden.

Art. 15.Crematie van een radioactief stoffelijk overschot dat een alfa-, bèta- en/of gammastraler bevat § 1. Indien het radioactief stoffelijk overschot een alfa- en/of bètastraler bevat, dienen er vooraleer en tijdens dit de crematieoven ingaat, geen maatregelen inzake stralingsbescherming getroffen te worden. § 2. Indien het radioactief stoffelijk overschot een gammastraler bevat, worden, vooraleer en tijdens dit de crematieoven ingaat, volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen: a) Beperken van de tijd nabij het radioactief stoffelijk overschot tot het strikt noodzakelijke;b) Houden van een zo groot mogelijke afstand als de manipulatie toelaat tot het radioactief stoffelijk overschot. § 3. Bij de crematie van een radioactief stoffelijk overschot, wordt een hoeveelheid actieve kool geïnjecteerd in de rookgassen. Op de recipiënten met de gebruikte actieve koolpellets wordt het waarschuwingsteken voor ioniserende stralingen geplaatst en de recipiënten worden bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide op een zo groot mogelijke afstand van de plaatsen waar personen veelvuldig aanwezig zijn. § 4. Voor alle radioactieve stoffelijke overschotten worden bij het legen van de crematieoven, bij het vermalen van de as- en botresten en bij het vullen van de urne, volgende maatregelen voor stralingsbescherming getroffen: a) Beperken van de tijd nabij de as- en botresten tot het strikt noodzakelijke;b) Houden van een zo groot mogelijke afstand als de manipulatie toelaat tot de as- en botresten;c) Dragen van beschermingskledij met lange mouwen en lange broek dragen en deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen;d) Dragen van een dubbel paar ondoordringbare handschoenen, deze na de manipulatie onmiddellijk uitdoen en de handen wassen;e) Dragen van een mondmasker minstens van het type FFP2;f) Niet eten, drinken, roken in het lokaal waar de manipulatie plaats vindt;g) Persoonlijke kledij en voorwerpen worden buiten het lokaal waar de manipulatie plaats vindt gehouden;h) Zo goed mogelijk leegmaken van de oven;i) De oven niet leegmaken met de handen maar met een werktuig;j) Zo veel mogelijk beperken van de verspreiding van de assen;k) Net houden van de werkoppervlakken en onmiddellijk verwijderen van eventuele asresten;l) Na de manipulatie: onmiddellijk wassen of spoelen met veel water en zeep van alle wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal.Alle niet wasbaar of afwasbaar gebruikt materiaal wordt bewaard gedurende 10 keer de halfwaardetijd van het aanwezige radionuclide op een zo groot mogelijke afstand van de plaatsen waar personen veelvuldig aanwezig zijn; m) De manipulatie wordt niet uitgevoerd door een zwangere medewerkster. HOOFDSTUK VI. - BIJKOMENDE MAATREGELEN VOOR STRALINGSBESCHERMING BIJ MANIPULATIE VAN EEN RADIOACTIEF STOFFELIJK OVERSCHOT BIJ OVERLIJDEN IN EEN MEDISCHE INRICHTING VAN KLASSE II

Art. 16.Maatregelen voor stralingsbescherming in de medische inrichting van klasse II § 1. In het geval van overlijden tijdens de voorzichtigheidsperiode in een medische inrichting van klasse II, wordt dit overlijden onmiddellijk gemeld aan het hoofd van de dienst voor fysische controle van die inrichting. § 2. Het hoofd van de dienst voor fysische controle zorgt ervoor dat alle maatregelen voor stralingsbescherming genomen worden zolang het radioactief stoffelijk overschot zich in deze inrichting bevindt. Deze maatregelen zijn, afhankelijk van de manipulaties die in deze inrichting worden uitgevoerd, minstens conform de maatregelen inzake stralingsbescherming beschreven in artikels 5 tot en met 13. De nodige procedures worden goedgekeurd door de deskundige erkend in de fysische controle van klasse II van deze inrichting.

Art. 17.Verwijdering van ingekapselde, radioactieve implantaten § 1. Indien de overleden persoon behandeld werd met radioactieve, tijdelijke implantaten, worden deze zo snel mogelijk verwijderd met inachtneming van de maatregelen voor stralingsbescherming goedgekeurd door de deskundige erkend in de fysische controle van klasse II van de inrichting waar de persoon overleden is. Na deze verwijdering, wordt het lichaam niet langer beschouwd als een radioactief stoffelijk overschot. § 2. Indien de overleden persoon behandeld werd met ingekapselde, radioactieve, permanente implantaten, wordt het orgaan dat deze implantaten bevat zo snel mogelijk verwijderd uit het radioactief stoffelijk overschot met inachtneming van de maatregelen voor stralingsbescherming goedgekeurd door de deskundige erkend in de fysische controle van klasse II van de inrichting waar de persoon overleden is. Na deze verwijdering, wordt het lichaam niet langer beschouwd als een radioactief stoffelijk overschot.

Art. 18.Vertrek uit de medische inrichting van klasse II § 1. Het radioactief stoffelijk overschot mag de inrichting verlaten wanneer het dosisdebiet op ieder punt op 1 meter afstand van het radioactief stoffelijk overschot, kleiner of gelijk is aan 20 µGy/u.

Deze meting dient te gebeuren volgens een procedure die werd goedgekeurd door de deskundige erkend in de fysische controle van klasse II. § 2. Indien het dosisdebiet hoger is 20 µGy/u, wordt het radioactief stoffelijk overschot bewaard in het ziekenhuismortuarium met inachtneming van de maatregelen voor stralingsbescherming beschreven in artikel 13. § 3. Bij vertrek van het radioactief stoffelijk overschot uit de medische inrichting van klasse II, zorgt het hoofd van de dienst voor fysische controle ervoor dat de persoon aan wie het radioactief stoffelijk overschot overgedragen wordt, geïnformeerd wordt betreffende de aard en de duur van de eventueel te nemen maatregelen voor stralingsbescherming. Deze informatie bevat minstens de maatregelen opgenomen in artikels 5 tot en met 15.

Brussel, 27 maart 2025.

De Directeur-generaal, P. ABSIL


Bijlage 1. Radioactieve producten met de effectieve halfwaardetijd en fractie snelle excretie

Produit radioactif

Type d'émetteur

Type de produit radioactif

Demi-vie effective (en jours)

Fraction d'excrétion rapide (%)

Radioactief product

Type straler

Type radioactief product

Effectieve halfwaardetijd (dagen)

Fractie snelle excretie (%)

[90Y]-ibritumomab

bêta

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

1,14

10

bèta

Systemisch toegediend radiofarmacon

[90Y]-colloïdal

bêta

Produit radiopharmaceutique administré localement

2,63

0

[90Y]-colloïd

bèta

Plaatselijk toegediend radiofarmacon

[90Y]-microsphères

bêta

Implant radioactif permanent non scellé

2,70

0

[90Y]-microsferen

bèta

Niet ingekapseld radioactief permanent implantaat

[125I]-implants

bêta

Implant radioactif permanent scellé

60

0

[125I]-implantaten

bèta

Ingekapseld radioactief permanent implantaat

[131I]-NaI pour cancer thyroïdien

bêta et gamma

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

1,73

80

[131I]-NaI voor schildklierkanker

bèta en gamma

Systemisch toegediend radiofarmacon

[131I]-NaI pour affections thyroïdiennes bénignes

bêta et gamma

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

3,49

40

[131I]-NaI voor goedaardige schildklieraandoeningen

bèta en gamma

Systemisch toegediend radiofarmacon

[131I]-MIBG

bêta et gamma

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

4,00

50

bèta en gamma

Systemisch toegediend radiofarmacon

[153Sm]-lexidronam

bêta et gamma

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

1,18

20

bèta en gamma

Systemisch toegediend radiofarmacon

[166Ho]-microsphères

bêta et gamma

Implant radioactif permanent non scellé

1,12

0

[166Ho]-microsferen

bèta en gamma

Niet ingekapseld radioactief permanent implantaat

[177Lu]-PSMA

bêta et gamma

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

3,54

70

bèta en gamma

Systemisch toegediend radiofarmacon

[177Lu]-DOTATATE

bêta et gamma

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

4,17

65

bèta en gamma

Systemisch toegediend radiofarmacon

[223Ra]-RaCl2

alpha

Produit radiopharmaceutique administré par voie systémique

11,39

0

alfa

Systemisch toegediend radiofarmacon


Gezien om gevoegd te worden bij het technisch reglement tot bepaling van de na te leven voorwaarden en maatregelen bij manipulatie van radioactieve stoffelijke overschotten.

Brussel, 27 maart 2025.

De Directeur-generaal, P. ABSIL


^