Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 29 september 2000
gepubliceerd op 12 oktober 2000

Ministerieel besluit tot bepaling van de administratieve behandelingsprocedure van de aangelegenheden bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
2000000807
pub.
12/10/2000
prom.
29/09/2000
ELI
eli/besluit/2000/09/29/2000000807/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

29 SEPTEMBER 2000. - Ministerieel besluit tot bepaling van de administratieve behandelingsprocedure van de aangelegenheden bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus


De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, inzonderheid op de artikelen 4, 69 tot 83, 87, 89, 97 en 98.

Gelet op het koninklijk besluit van 3 september 2000 met betrekking tot de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën Overwegende dat er reden is om de procedures te bepalen volgens dewelke de Minister van Binnenlandse Zaken borg zal staan voor de opdrachten die hem werden opgelegd ten opzichte van de in de bovengenoemde wet bedoelde politiediensten.

Overwegende dat, overeenkomstig de beginselen van goed beheer, de federale politie zo goed mogelijk borg moet staan voor zijn eigen administratief beheer alsook voor de concrete verwezenlijking van de door de wet toegekende opdrachten.

Overwegende evenwel dat, iedere keer indien nodig, de verantwoordelijke Minister zich moet laten bijstaan in zijn bevoegdheid door het bestuur dat de politieaangelegenheden beheert binnen zijn departement.

Dat dit het geval zal zijn iedere keer als hij het nodig acht, maar meer in het bijzonder wanneer de Minister zijn beslissing moet kunnen laten afhangen van een opportuniteitsbeoordeling die onder de globale strategie valt en onder de prioriteiten van de Minister die Binnenlandse Zaken als bevoegdheid heeft.

Overwegende dat er een administratieve en technische verbindingscel moet worden opgericht die belast zal zijn met het waarborgen van een optimale coördinatie tussen de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie en het Kabinet van de Minister van Binnenlandse Zaken.

Overwegende dat er reden is om de bevoegdheidsconflicten te vermijden;

Dat er dus reden is om de gevallen te bepalen waarin tussenkomst van het bestuur vereist is, en dit, onverminderd het recht van de Minister om alle nuttig geachte adviezen te verzamelen of onverminderd het recht van initiatief van het bestuur en van de federale politie.

Besluit :

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° De wet : de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;2° Het koninklijk besluit : het koninklijk besluit van (3 september 2000) met betrekking tot de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie;

Art. 2.De beginselen die ten grondslag liggen aan de verdeling van de bevoegdheden tussen de federale politie en de Algemene Rijkspolitie voor wat betreft de opdrachten van niet-operationele aard, zijn de volgende : 1° De federale politie bereidt de beslissingen voor van de Minister van Binnenlandse Zaken en legt hem voorstellen voor in het kader van de opdrachten en bevoegdheden die hem door het koninklijk besluit werden toegekend : - Intern beheer van de federale politie, met inbegrip van het personeel, de begroting, de logistiek, de informatica, de documentatie; - Politietechnieken en -strategieën; - Aanwerving, selectie, loopbaan van het personeel; - Vakbondsbetrekkingen; - Opleiding van het personeel; - Internationale betrekkingen op politieniveau. 2° De Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie (hierna ARP genoemd) bereidt de beslissingen voor van de Minister van Binnenlandse Zaken en legt hem voorstellen voor inzake aangelegenheden die onder de globale strategie vallen en onder de prioriteiten van de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken : - Algemene werking van de instellingen en de structuren; - Mogelijke verstoringen van het evenwicht tussen de federale en lokale aspecten op het gebied van de veiligheid, de organisatie, de werking, de investering in politiemiddelen; - Samenwerkingsverbanden met de privé-beveiligingssector; - Algemene of administratieve betrekkingen tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de andere overheden (buitenlandse, federale, regionale of lokale); - Vertegenwoordiging van de Minister binnen de organen die in toepassing van de wet werden opgericht en binnen de forums voor internationale samenwerking inzake politiebeleid; - Betrekkingen met het Parlement voor de problemen die onder hun bevoegdheden vallen; - Ministeriële geschillenarbitrages; 3° Elke dienst waakt erover dat, indien nodig, de aan de Minister gedane voorstellen op voorhand worden besproken, meer bepaald om redenen van deskundigheid of omwille van de eenvormige toepassing van het recht.4° Bovengenoemde verdeling geldt eveneens voor wat betreft het eindvoorstel dat aan de Minister wordt gedaan inzake de aangelegenheden waarbij één van de twee diensten gebruik heeft gemaakt van zijn intitiatiefrecht.

Art. 3.Overeenkomstig de beginselen bedoeld in het artikel 2, bereidt de federale politie de beslissingen voor van de Minister van Binnenlandse Zaken en richt tot hem de voorstellen voor de volgende gebieden : 1° De materies die de geïntegreerde politie aanbelangen bedoeld in de artikelen 2, 4de lid, 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit;2° De opdrachten bedoeld in het artikel 8 van het koninklijk besluit;3° De opdrachten bedoeld in het artikel 10 van het koninklijk besluit uitgezonderd de aangelegenheden bedoeld in het artikel 5, 4° m van dit besluit;4° De opdrachten bedoeld in het artikel 11 van het koninklijk besluit;5° De opdrachten bedoeld in het artikel 12 van het koninklijk besluit;6° De besluiten in toepassing van de nieuwe artikelen 44/2, 44/4 en 44/9 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, en met betrekking tot de verwerking, tot de bewaartermijn van de informatie en tot het statuut van het personeel dat de gegevensbank beheert;7° De besluiten met betrekking tot het effectief, de uniformen, kentekens, legitimatiekaarten, middelen van identificatie, uitrustings- en bewapeningsnormen;8° Het besluit met betrekking tot de organisatie en de werking van de territoriale brigades van de federale politie;9° Het besluit over de aanwijzing van de officieren die de hulp kunnen verzoeken van de krijgsmacht;10° De uitvoering van opdrachten eigen aan de federale politie;11° De programma's van geïntegreerde aanpak bedoeld in het artikel 95 van de wet.

Art. 4.§ 1. Overeenkomstig de beginselen bedoeld in het artikel 2, richt de federale politie een afschrift aan de ARP met daarin de voorstellen die aan de Minister van Binnenlandse Zaken werden gericht voor de volgende gebieden : 1° Het nationaal veiligheidsplan bedoeld in het artikel 2, eerste lid van het koninklijk besluit;2° De statistieken, conclusies, voorstellen, evaluaties bedoeld in het artikel 5 van het koninklijk besluit;3° De uitvoering van het nieuwe artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;4° De toepassing van het artikel 8, 5° van het koninklijk besluit inzake methoden en technieken inzake bestuurlijke politie als deze een weerslag kunnen hebben op de fundamentele rechten;5° De beheerscontracten van de vormingsorganismen die werden ingesteld met toepassing van het artikel 11, 3° van het koninklijk besluit;6° De wijzigingen aan de statuten van het personeel, bedoeld in het artikel 11, 7° van het koninklijk besluit, wanneer deze wijzigingen de lokale politie beogen. Dat zal onder andere het geval zijn voor de beschikkingen die worden genomen met toepassing van de artikelen 47 tot 51, 53 en 96 van de wet. 7° De wijzigingen aan de statutaire beschikkingen bedoeld in de artikelen 107 en 149 van de wet.

Art. 5.§ 1. Overeenkomstig de beginselen bedoeld in het artikel 2, bereidt de ARP de beslissingen voor van de Minister van Binnenlandse Zaken en richt het tot hem de voorstellen voor de volgende gebieden : 1° Samenstelling van de politiezones met toepassing van het artikel 9 van de wet;2° Reacties op de door het provinciaal overleg geformuleerde adviezen met toepassing van het artikel 9, eerste lid van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt voor wat onder de bevoegdheid valt van de bestuurlijke politie;3° Het door de Minister van Binnenlandse Zaken uitgevoerde toezicht met toepassing van de artikelen 79 tot 83, 87 en 89 van de wet;4° Reglementaire teksten in toepassing van de volgende beschikkingen : a) Art.7 van de wet, met betrekking tot de werking van de federale politieraad b) Art.8 van de wet, met betrekking tot de werking, de samenstelling, de aanwijzing van de leden van de Adviesraad van Burgemeesters; c) Art.16 van de wet, met betrekking tot de verkiezing van de Politieraad; d) Art.24 van de wet, over de toekenning van stemmen aan de leden van het politiecollege; e) Art.31 en 32 van de wet, met betrekking tot de bijzondere rekenplichtige; f) Art.38 tot 41 van de wet, met betrekking tot de minimale normen, de dotaties en de federale toelage; g) Art.71 en 77 van de wet, met betrekking tot de nodige gegevens voor de vaststelling van het budget en van de rekeningen van de lokale politie; h) Art.90 en 115 van de wet, met betrekking tot de inning van een vergoeding voor opdrachten van bestuurlijke politie; i) Art.143 van de wet, met betrekking tot de organisatie, de werking en het beheer van de algemene inspectie; j) Art.144, laatste lid, van de wet, met betrekking tot de toekenning van bijkomende bevoegdheden aan de algemene inspectie; k) Art.149 van de wet, met betrekking tot het kader en het personeel van de algemene inspectie, alsook de toegang tot het ambt van de inspecteur-generaal; l) Art.98 en meer algemeen alle teksten die betrekking hebben op de algemene principes inzake de organisatie, de werking en het algemeen bestuur van de federale politie; m) Art.44/7 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt met betrekking tot de oprichting, het beheer en de werking van het controleorgaan inzake het beheer van de nationale gegevensbank; 5° Na verzameling van voorleggingen en adviezen, aanwijzings-, benoemings- en uittredingsvoorstellen, voorstellen bij het aflopen van het mandaat of bij heraanstelling : a) van de leden van de Federale Politieraad;b) van de leden van de Adviesraad van Burgemeesters;c) van de inspecteur-generaal;d) van de commissaris-generaal, van de algemene directeurs, de directeurs van de federale politie en de bestuurlijke en gerechtelijke directeurs-coördinatoren;e) van de korpschefs en de hoofdofficiers van de lokale politie 6° Detacheringsbesluiten van de politieambtenaren bedoeld in het punt 5°;7° Tuchtrechtelijke beslissingen te nemen ten opzichte van de ambtenaren bedoeld in het punt 5° en de beroepen in te stellen bij de Minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de tuchtmaatregelen die genomen worden ten opzichte van de leden van de lokale politie;8° Analyse van de adviezen van de federale Politieraad;9° Algemene richtlijnen met betrekking tot de uitoefening van de opdrachten van bestuurlijke politie (artikelen 97 en 99 van de wet);10° Algemene richtlijnen met betrekking tot de te verstrekken inlichtingen aan de bestuurlijke politieoverheden inzake veiligheid en bestuurlijke politie;11° Richtlijnen met toepassingen van de artikelen 61 en 62 met betrekking tot de politieopdrachten van federale aard uit te voeren door de lokale politiediensten voor aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken behoren;12° Vordering van de lokale politie met toepassing van de artikelen 63 en 64 van de wet;13° Goedkeuring van het nationaal veiligheids plan en van de zonale veiligheidsplannen met toepassing van de artikelen 4 en 37 van de wet;14° Bevel om het werk te hernemen overeenkomstig het artikel 126 van de wet;15° Geschilbeslissingen te nemen op basis van het artikel 100 van de wet;16° Geschillen met betrekking tot dossiers die in het kader van dit artikel worden behandeld;17° Verzoeken tot tussenkomst van de algemene inspectie uitgaande van de Minister van Binnenlandse Zaken (artikel 145 van de wet);18° Analyse van de aan de Minister van Binnenlandse Zaken gerichte inspectieverslagen (artikel 148 van de wet);19° Adviezen te geven door de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van de aanwijzing van de leden van het controleorgaan bedoeld in het artikel 44/7 dat werd ingevoegd in de wet op het politieambt door het artikel 191 van de wet; § 2. Overeenkomstig de richtlijnen van de Minister van Binnenlandse Zaken, staat de ARP borg voor de opvolging van de coördinatie van de ordehandhaving zodra een interventie op federaal niveau onvermijdelijk wordt, met inbegrip van de aanwijzing van het operationele coördinatieniveau.

In dat kader stelt de ARP, de Minister van Binnenlandse Zaken voortdurend in kennis van de evolutie van de situatie. § 3. De ARP vraagt het advies van de Minister van Justitie via de daartoe bevoegde dienst, met betrekking tot de dossiers bedoeld in § 1, 1°, 4° a, f, i, j, k, l, m, 5°, c, d, 14° en 15° van dit artikel, daar waar dit advies wettelijk vereist is. § 4. De ARP vraagt het advies van de Procureur-generaal of de Procureur des Konings die betrokken is bij de dossiers bedoeld in § 1, 5°, c, d en e van dit artikel, daar waar dit advies wettelijk vereist is. § 5. De voorstellen bedoeld in § 1, 4°, 1, 9°, 10°, 11°, 12° en 14° en met betrekking tot de federale politie worden op voorhand met deze laatste besproken. § 6. De voorstellen bedoeld in § 1, 4°, i, j en k en met betrekking tot de algemene inspectie worden op voorhand met deze laatste besproken.

Brussel, 29 september 2000.

A. DUQUESNE

^