Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 21 maart 2019
gepubliceerd op 29 maart 2019

Koninklijk besluit tot goedkeuring van het reglement van de Nationale Bank van België van 2 oktober 2018 op het eigen vermogen van de instellingen voor elektronisch geld en de belegging van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2019011377
pub.
29/03/2019
prom.
21/03/2019
ELI
eli/besluit/2019/03/21/2019011377/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

21 MAART 2019. - Koninklijk besluit tot goedkeuring van het reglement van de Nationale Bank van België van 2 oktober 2018 op het eigen vermogen van de instellingen voor elektronisch geld en de belegging van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, artikel 12bis, § 2;

Gelet op de wet van 11 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2018 pub. 26/03/2018 numac 2018030643 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen sluiten op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de artikelen 182, § 2, en 194, § 1, 2°, c);

Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Het bij dit besluit gevoegde reglement van 2 oktober 2018 van de Nationale Bank van België op het eigen vermogen van de instellingen voor elektronisch geld en de belegging van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen, wordt goedgekeurd.

Art. 2.Dit besluit treedt in werking op de dag dat het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 3.De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 21 maart 2019.

FILIP Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, A. DE CROO

Bijlage bij het koninklijk besluit van 21 maart 2019 tot goedkeuring van het reglement van de Nationale Bank van België van 2 oktober 2018 op het eigen vermogen van de instellingen voor elektronisch geld en de belegging van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen De Nationale Bank van België, Gelet op artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België sluiten tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;

Gelet op de wet van 11 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2018 pub. 26/03/2018 numac 2018030643 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen sluiten op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, inzonderheid op de artikelen 182, § 2, en 194, § 1, 2°, c), Besluit : Afdeling 1. - Algemene bepaling, definities en toepassingsgebied

Artikel 1.Dit reglement heeft de gedeeltelijke omzetting tot doel van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG.

Art. 2.Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder : 1° "de wet": de wet van 11 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/03/2018 pub. 26/03/2018 numac 2018030643 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen sluiten op het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen;2° "de Bank": de Nationale Bank van België;3° "Verordening nr.575/2013": Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; 4° "het Reglement van 4 maart 2014": het reglement van de Nationale Bank van België van 4 maart 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr.575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013; 5° "het reglement op het eigen vermogen van de betalingsinstellingen": het reglement van de Nationale Bank van België van 10 april 2018 op het eigen vermogen van de betalingsinstellingen, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 27 april 2018Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/04/2018 pub. 08/05/2018 numac 2018012004 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot goedkeuring van het reglement van de Nationale Bank van België van 10 april 2018 op het eigen vermogen van de betalingsinstellingen sluiten;6° "groep": een groep ondernemingen in de zin van artikel 2, 42° van de wet.

Art. 3.De bepalingen van dit reglement zijn van toepassing op de instellingen voor elektronisch geld die onder het Belgische recht ressorteren. Afdeling 2. - Eigen vermogen en solvabiliteitsnormen

Art. 4.Worden als in aanmerking komende en kwalificerende eigenvermogensbestanddelen van een instelling voor elektronisch geld beschouwd, de bestanddelen die als dusdanig zijn gedefinieerd in Deel 2 van Verordening nr. 575/2013 en berekend worden volgens de modaliteiten van die Verordening. De artikelen 5 en 34 van het Reglement van 4 maart 2014 zijn van toepassing.

Art. 5.Indien een instelling voor elektronisch geld rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan de uitgifte van elektronisch geld verricht, kan de Bank bepalen welke maatregelen die instelling moet nemen ter voorkoming van het meervoudige gebruik van elementen die voor de berekening van het eigen vermogen in aanmerking komen.

Art. 6.Het eigen vermogen als omschreven in artikel 4 moet te allen tijde minstens gelijk zijn aan het kapitaal dat vereist is met toepassing van artikel 173 van de wet, of, indien dit bedrag hoger is, de som van de eigen vermogens die vereist zijn op grond van de punten a) en b) van dit artikel : a) met betrekking tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 191, § 1, eerste lid van de wet, wordt het vereiste eigen vermogen berekend aan de hand van een van de drie methoden (A, B of C) van artikel 9, § 2 van het reglement op het eigen vermogen van de betalingsinstellingen. De Bank bepaalt welke methode door een instelling voor elektronisch geld mag worden toegepast na hierover overleg te hebben gepleegd met de betrokken instelling. b) met betrekking tot de uitgifte van elektronisch geld is het vereiste eigen vermogen ten minste gelijk aan 2 % van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.

Art. 7.Met het oog op de toepassing van artikel 6, b), mag een instelling voor elektronisch geld waarvan het uitstaande bedrag aan elektronisch geld niet van tevoren is gekend, haar vereist eigen vermogen op grond van historische gegevens berekenen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor de uitgifte van elektronisch geld te worden gebruikt, mits hiervoor voorafgaandelijk toestemming is verleend door de Bank.

Wanneer een instelling voor elektronisch geld haar activiteiten niet lang genoeg heeft uitgeoefend, wordt haar vereist eigen vermogen berekend op basis van het uitstaande bedrag aan elektronisch geld als geraamd in haar bedrijfsplan, rekening houdend met de eventuele aanpassingen in dit plan die de Bank heeft verlangd.

Art. 8.Op basis van een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, de databases betreffende risico's op verliezen en het interne controlesysteem van de instelling voor elektronisch geld, kan de Bank eisen dat de instelling voor elektronisch geld een eigen vermogen aanhoudt dat tot 20 % hoger is dan het in artikel 6 bepaalde eigenvermogensvereiste, of de instelling voor elektronisch geld toestaan een eigen vermogen aan te houden dat tot 20% lager is dan het in artikel 6 bepaalde eigenvermogensvereiste.

Art. 9.Onverminderd de bepalingen van de artikelen 6 tot 8, beoordeelt de Bank de solvabiliteit van de instelling voor elektronisch geld rekening houdend met al haar werkzaamheden, met inbegrip van hybride werkzaamheden als bedoeld in artikel 192 van de wet.

Wat meer specifiek de activiteit van het verlenen van kredieten in verband met betalingsdiensten betreft, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 192, § 2 van de wet, ziet de Bank erop toe, overeenkomstig artikel 44, § 3, 4° van de wet, dat de instelling voor elektronisch geld aan deze activiteit een eigen vermogen toewijst dat minstens gelijk is aan 8 % van het gewogen risicovolume berekend volgens de standaardmethode, overeenkomstig Deel 3, Titel III, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013.

Wanneer de instelling er na goedkeuring van de Bank voor kiest om het gewogen volume van de kredietrisico's niet op basis van de standaardmethode te berekenen, wordt op de risicopositiewaarde als gedefinieerd in Deel 3, Titel III, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013 een risicoweging van 100% toegepast.

Wat betreft de activiteit van het verlenen van kredieten die worden verstrekt aan niet-betalingsdienstgebruikers, die toegelaten is op grond van artikel 192, § 1 van de wet, beoordeelt de Bank de solvabiliteit op grond van de bepalingen van Deel 3, Titel III, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013. Afdeling 3. - Belegging van de geldmiddelen die in ruil voor het

uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen

Art. 10.Voor de toepassing van artikel 194, § 1, 2°, c) van de wet, zijn veilige activa met een lage risicograad activa die behoren tot een van de categorieën die opgenomen zijn in Tabel 1 van artikel 336, lid 1 van Verordening nr. 575/2013 waarvoor het eigenvermogensvereiste voor het specifieke risico niet hoger ligt dan 1,60 %, terwijl andere in aanmerking komende activa, als gedefinieerd in artikel 336, lid 4, onder punt a) van die Verordening, worden uitgesloten.

Deelnemingsrechten in een instelling voor collectieve belegging in effecten die enkel belegt in activa als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van artikel 194, § 1, 2°, c) van de wet ook beschouwd als veilige activa met een lage risicograad.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de Bank in een met redenen omkleed besluit, rekening houdend met de kwaliteit, de looptijd, de waardering of andere risicofactoren van de activa als bedoeld in het eerste en tweede lid, bepalen welke van de activa geen veilige activa met een lage risicograad zijn voor de toepassing van artikel 194, § 1, 2°, c) van de wet. Afdeling 4. - Niveaus van toepassing van de vereisten

Art. 11.§ 1. Wanneer zij dit noodzakelijk acht om een toereikende solvabiliteit binnen een groep te garanderen, kan de Bank beslissen de bepalingen van dit reglement op geconsolideerde basis toe te passen op een instelling voor elektronisch geld die een moederonderneming is of op een instelling voor elektronisch geld die een dochteronderneming is van een financiële holding, in een groep die noch in het bezit is van een kredietinstelling, noch van een beursvennootschap, noch van een vennootschap voor vermogensbeheer, noch van een verzekeringsonderneming. In dat geval zijn de artikelen 6, § 1, 7, 11, 18, 19 en 22 van Deel 1, Titel II van Verordening nr. 575/2013, en de artikelen 3 en 4 van het Reglement van 4 maart 2014 van overeenkomstige toepassing. § 2. Indien de voorwaarden van artikel 7 van Verordening nr. 575/2013 vervuld zijn, kan de Bank een instelling voor elektronisch geld die tot de consolidatiekring van een kredietinstelling behoort, vrijstellen van de toepassing van de artikelen 4 tot en met 10 van dit reglement. Afdeling 5. - Slotbepalingen

Art. 12.Het reglement van de Nationale Bank van België van 18 juni 2013 op het eigen vermogen van de instellingen voor elektronisch geld en de belegging van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen, wordt opgeheven.

Art. 13.Dit reglement treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit tot goedkeuring ervan.

Brussel, 26 oktober 2018.

De Gouverneur, J. SMETS Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 21 maart 2019 tot goedkeuring van het reglement van de Nationale Bank van België van 2 oktober 2018 op het eigen vermogen van de instellingen voor elektronisch geld en de belegging van de geldmiddelen die in ruil voor het uitgegeven elektronisch geld worden ontvangen.

FILIP Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, A. DE CROO

^