Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 01 december 1998
gepubliceerd op 09 februari 1999

Koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 74, § 1, 6°, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen

bron
ministerie van middenstand en landbouw
numac
1998016345
pub.
09/02/1999
prom.
01/12/1998
ELI
eli/besluit/1998/12/01/1998016345/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

1 DECEMBER 1998. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van artikel 74, § 1, 6°, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, inzonderheid op artikel 74, § 1, 6° ingevoegd bij artikel 28 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van 9 november 1998;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 23 november 1998;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd, op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de nieuwe opdrachten van het Participatiefonds, ingevoegd bij artikel 28 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap in werking treden op 1 januari 1999;

Dat, teneinde die opdrachten met ingang vanaf die datum effectief te kunnen realiseren, onmiddellijk de nodige voorbereidingen moeten worden getroffen in verband met de samenwerking met andere kredietinstellingen;

Dat daartoe vereist is dat de inhoud van de modelovereenkomst en van het algemeen reglement, bedoeld in artikel 1 van dit besluit, onverwijld ter kennis worden gebracht van de betrokken instellingen;

Op voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en Onze Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Met betrekking tot de, in artikel 74, § 1, 6° van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen bedoelde opdrachten van het Participatiefonds: - dient de inhoud van de in dat artikel bedoelde overeenkomsten overeen te stemmen met de modelovereenkomst die is opgenomen in bijlage I bij dit besluit; - dient de financiële, economische en technische controle te verlopen overeenkomstig het algemeen reglement dat is opgenomen in bijlage II bij dit besluit; - wordt de maximale tussenkomst van het Participatiefonds bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel vastgelegd op 1 500 000 frank.

Art. 2.Artikel 28 van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, alsmede de bepalingen van dit besluit treden in werking op 1 januari 1999.

Art. 3.Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en Onze Minister van Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 1 december 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Minister van Financiën, J.-J. VISEUR

Bijlage I Toekenning van gedeelde risicodekkingen op beroepsleningen OVEREENKOMST Tussen het Participatiefonds, openbare instelling opgericht bij wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, met maatschappelijke zetel in Brussel, Bolwerksquare, 1a, vertegenwoordigd door..., hierna het Fonds genaamd, En...., hierna de Kredietinstelling genaamd, Wordt het volgende overeengekomen:

Artikel 1.Teneinde de markt van de beroepsleningen vlotter toegankelijk te maken voor KMO's, kent het Fonds een "gedeelde risicodekking" toe op de door de Kredietinstelling verleende leningen (klassieke investeringskredieten), overeenkomstig de in deze overeenkomst vastgestelde limieten, voorwaarden en modaliteiten.

Art. 2.Om te kunnen genieten van de dekking van het Fonds voor de hun toegekende beroepsleningen, dienen de KMO's op het ogenblik van de leningsaanvraag uitdrukkelijk de volgende voorwaarden te vervullen: (1) beantwoorden aan de definitie van KMO zoals bepaald in artikel 2, 1°, van de programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap (Belgisch Staatsblad van 21 februari 1998, p.4889); (2) hun ondernemerschap sinds minder dan vijf jaar uitoefenen;(3) hun administratieve en belangrijkste exploitatiezetel in België hebben. Indien de beroepsactiviteit waarvoor de lening wordt aangevraagd, wordt uitgeoefend door een zelfstandige in de zin van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (1), moet die zelfstandige: (1) die activiteit uitoefenen in hoofdberoep;(2) sinds minder dan vijf jaar onderworpen zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen;(3) indien de Koning ze ondertussen heeft vastgesteld, aantonen dat de zelfstandige beantwoordt aan de voorwaarden inzake permanente vorming zoals bepaald bij koninklijk besluit, na advies van de Hoge Raad voor de Middenstand, overeenkomstig artikel 28, § 3, van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, tot wijziging van artikel 74 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen. Indien de activiteit wordt uitgeoefend door een vennootschap die is opgericht door één of meer zelfstandigen met het oog op de uitoefening van hun beroep, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn: (1) de meerderheid van de vennoten mag slechts minder dan vijf jaar onderworpen zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen;(2) in voorkomend geval dient de meerderheid van de vennoten aan te tonen dat zij beantwoordt aan de voorwaarde omschreven in (3) van het vorige lid.

Art. 3.De dekking van het Fonds voor de door de Kredietinstelling verleende beroepsleningen aan KMO's die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, is ondergeschikt aan de volgende voorwaarden : (1) de lening mag uitsluitend bestemd zijn voor de onderneming en besteed worden voor de aanschaf van materiële vaste activa, roerend of onroerend;(2) de toegekende lening mag niet meer dan vijf miljoen frank bedragen;(3) de duur van de lening mag vijftien jaar niet overschrijden;(4) de rentevoet mag niet hoger liggen dan de referentievoet (2) van het Fonds op het ogenblik van de toekenning van de lening;(5) de terugbetaling van de lening moet gebeuren in de vorm van constante kapitaalschijven of in de vorm van gecumuleerde kapitaal- en intrestschijven, waarbij de Kredietinstelling evenwel een vrijstelling van één jaar mag verlenen voor de kapitaalsaflossing;(6) het gecumuleerde bedrag van de aanvullende persoonlijke of zakelijke zekerheden die door de leningaanvrager en/of derden worden aangeboden, mag niet meer dan 25 % van het toegekende leningsbedrag dekken. Hierbij mag in deze berekening geen rekening worden gehouden met de aangeboden zekerheden die rechtstreeks verbonden zijn met de activiteit of de goederen die moeten gefinancierd worden: het pand op het handelsfonds, de subrogatie in de rechten van de verkoper van onbetaald materiaal en de hypotheek of het hypothecaire mandaat op een onroerend goed waarvan de gedeeltelijke of volledige financiering het voorwerp uitmaakt van de toegekende lening; (7) de toegekende lening moet geïndividualiseerd worden, zodat zij geen voorschot kan vormen, toegekend in het kader van een kredietlijn op onbepaalde duur;(8) de leningaanvrager mag overigens om geen enkele reden een andere financiële tegemoetkoming vanwege het Fonds genieten, in de vorm van lening(en) of gedeelde risicodekking(en) op beroepsleningen.(9) de leningaanvrager: - moet in orde zijn op het vlak van toegang tot het uitgeoefende beroep; - moet beschikken over de exploitatievergunningen voor het uitgeoefende beroep; - mag geen vroegere veroordeling hebben voor beroepsfout; - mag de afgelopen vijf jaar geen protesten hebben; - moet zijn project staven met een financieel plan dat werd geverifieerd door een accountant, erkend boekhouder of bedrijfsrevisor, desgevallend mits een beroep te doen op een door de wet georganiseerde "pro Deo" op het vlak van boekhouding, hetzij door een financieel expert van de Kredietinstelling, hetzij door de specifieke diensten van een hulporganisatie voor de oprichting van een erkende KMO; - mag geen begunstigde zijn van leningen en/of kredieten die vroeger door de Kredietinstelling werden toegekend, met een achterstand van meer dan 6 maand voor één of meer kapitaals- of intrestvervaldagen; - mag niet onder de dreiging staan van artikelen 103 en 104 van de wetten op de handelsvennootschappen (accumulatie van overgedragen verliezen/onvoldoende eigen middelen); - mag geen nalatige betalingen hebben voor de bijdragen aan de RSZ van meer dan een kwartaal.

Art. 4.De Kredietinstelling gaat zelf op eigen verantwoordelijkheid na, zonder tussenkomst vanwege het Fonds en zonder het eerst op de hoogte te moeten brengen, niettegenstaande artikel 4, laatste lid, of de voorwaarden voor de toekenning van de lening met dekking van het Fonds als bedoeld in artikel 3 vervuld zijn. Wat voorwaarde (8) van voormeld artikel 3 betreft, volstaat een schriftelijke verklaring van de leningaanvrager.

De beslissingen inzake toekenning van de lening, met dekking van het Fonds, dienen te worden genomen door de Kredietinstelling overeenkomstig de criteria m.b.t. de beste professionele praktijk terzake. Elke inbreuk op de in artikel 3 bepaalde voorwaarden en elke ernstige overtreding op deze bepaling zullen ertoe leiden dat het Fonds ontslagen wordt van de verplichtingen m.b.t. het(de) betrokken dossier(s).

Indien zij een lening toekent met de dekking van het Fonds, brengt de Kredietinstelling het Fonds daarvan op de hoogte binnen de vijf werkdagen volgend op de aanvaarding van het leningvoorstel door de begunstigde en stuurt zij binnen dezelfde termijn de volgende stukken door: (1) een door de leningaanvrager getekende kopie van de akte van leningstoekenning en de bijlagen erbij, de kredietbrief met vermelding van de toekenning van de gedeelde risicodekking door het Fonds; (2) de rechtvaardiging die bevestigt dat de leningaanvrager beantwoordt aan de voorwaarden voor het verlenen van de dekking van het Fonds, d.m.v. de beslissingsfiche waarvan het typedocument zal worden opgesteld door het Fonds.

Art. 5.Indien het Fonds vaststelt dat onvoldoende is aangetoond dat elk van de voorwaarden voor de toekenning van zijn dekking is vervuld, brengt het dit binnen de dertig kalenderdagen ter kennis van de Kredietinstelling. Onverminderd de eventuele toepassing van de bepalingen van artikel 12 infra, beschikt de Kredietinstelling vervolgens over dertig kalenderdagen om alle bijkomende gegevens te verstrekken die kunnen bewijzen dat voldaan werd aan alle vereiste voorwaarden.

Art. 6.De Kredietinstelling beslist alleen en op eigen verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst vanwege het Fonds en zonder het eerst op de hoogte te moeten brengen, over de mogelijke opzegging vóór het einde van de overeengekomen termijn, van de leningen die zij heeft toegekend en die de dekking van het Fonds genieten.

Indien zij gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid en een dergelijke lening opzegt, verwittigt de Kredietinstelling het Fonds binnen de 48 uur en stuurt zij het een kopie van de opzeggingsbrief.

Enkel voor de leningen die door de Kredietinstelling worden opgezegd vóór de in de kredietbrief vastgestelde vervaldag m.b.t. de laatste kapitaalsaflossing van de lening, en voor zover er geen maximumtermijn van zeven jaar vanaf de ondertekening van de kredietbrief voorbijgegaan is, kan eventueel een beroep gedaan worden op de dekking van het Fonds overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 infra.

Art. 7.Indien de Kredietinstelling de lening opzegt, alsook bij afloop van de lening, zal zij alle nodige maatregelen nemen, in het bijzonder : (1) door een beroep te doen op de persoonlijke zekerheden en de tegeldemaking van de zakelijke zekerheden waaraan de toekenning van de lening was onderworpen;(2) door de realisatie van de activa van de leningaanvrager; (3) In voorkomend geval, door de verklaring van schuldvordering bij faillissement, enz... teneinde de terugbetaling van het eventuele schuldsaldo te bekomen.

Indien, na uitputting van de uitvoeringsmiddelen die kunnen worden ingeroepen tegen de begunstigde van de lening en de ingebrachte persoonlijke en zakelijke waarborgen, er een onbetaald schuldsaldo blijft, zal het Fonds dit aanzuiveren, ter ontlasting van de begunstigde van de lening ten belope van de helft van de nog verschuldigde hoofdsom, waarbij het overblijvende debetsaldo van de rekening ten laste van de Kredietinstelling blijft, met dien verstande dat die er uitdrukkelijk van afziet om de betaling ervan te eisen en/of de recuperatie ervan op enige manier voort te zetten, ongeacht of dit ten laste van de leningaanvrager is en/of van zijn persoonlijke waarborgen, zoals de borgen.

Elk dadingsvoorstel met de begunstigde van de lening moet eerst goedgekeurd worden door het Fonds.

Het bedrag dat het Fonds dient te betalen ingevolge zijn gedeelde risicodekking kan in geen geval één miljoen vijfhonderdduizend frank overschrijden.

De aangifte van schuldvordering van de Kredietinstelling ten aanzien van het Fonds, evenals het verslag m.b.t. de opzegging van de lening en de recuperatie door de Kredietinstelling van de door de begunstigde van de lening verschuldigde bedragen worden opgesteld op basis van een door het Fonds gerealiseerd typedocument.

Art. 8.Het totale bedrag van de leningen die de Kredietinstelling kan toekennen met de dekking van het Fonds, zal voor ieder kalenderjaar worden vastgesteld door het Fonds; dit bedrag zal ten laatste op 31 oktober van elk jaar worden meegedeeld aan de Kredietinstelling, met betrekking tot het daaropvolgende jaar.

Voor een eerste periode van twee kalenderjaren vanaf 1 januari 1999 tot 31 december 2000 zal dit totale bedrag evenwel door het Fonds worden meegedeeld vóór 31 december 1998.

Art. 9.De leningaanvrager is aan het Fonds een eenmalige premie verschuldigd.

Die premie zal 2 % bedragen van het bedrag van de door het Fonds toegekende dekking, met een plafond van één miljoen vijfhonderdduizend frank.

De Kredietinstelling zal de premie invorderen bij de betrokkene, ze innen op het ogenblik van de krediettoekenning en het bedrag dezelfde dag nog doorstorten aan het Fonds.

Elke betaling wordt uitgevoerd op een bankrekening die wordt geopend op naam van het Fonds, waarvan het nummer door dit laatste wordt meegedeeld aan de Kredietinstelling, en wordt voorzien van een gestructureerde mededeling waarvan de kenmerken worden vastgesteld door het Fonds.

Art. 10.Deze overeenkomst is onderworpen aan het Algemeen Reglement tot vaststelling van de modaliteiten inzake financiële, economische en technische controle van de kredietinstellingen en begunstigden van financiële tegemoetkomingen vanwege het Fonds, dat is opgesteld ingevolge artikel 28, § 2, van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap.

De partijen verbinden er zich uitdrukkelijk en onherroepelijk toe om de persoonlijke, financiële en andere gegevens betreffende de cliënt op strikt vertrouwelijke wijze te behandelen, en ze in geen geval door te geven aan derden - met uitzondering van de centrale operateur van het Fonds die ze enkel zal gebruiken voor de boekhoudkundige verwerking van de dekkingen en betalingen - tenzij een wettelijke verplichting dit duidelijk anders bepaalt.

Art. 11.Deze overeenkomst wordt gesloten voor onbepaalde duur; zij kan op ieder ogenblik worden herroepen door de partijen bij aangetekende brief, mits voorafgaande kennisgeving van één maand vanaf de datum van verzending van de opzeggingsbrief.

De partijen verbinden er zich evenwel toe de verrichtingen voort te zetten waarvoor de Kredietinstelling een beslissing tot toekenning van de lening heeft genomen vóór het einde van de opzeggingstermijn. Na afloop van die termijn blijven de partijen voor die verrichtingen de verplichtingen van deze overeenkomst nakomen, meer in het bijzonder de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 tot 10.

Art. 12.Bij ernstig of herhaald verzuim vanwege de Kredietinstelling van één of meer verplichtingen die voortvloeien uit dit contract, kan het Fonds deze overeenkomst onmiddellijk stopzetten mits kennisgeving van zijn beslissing bij aangetekende brief.

De partijen verbinden er zich evenwel toe de verrichtingen voort te zetten waarvoor de Kredietinstelling een beslissing tot toekenning van de lening heeft genomen vóór de kennisgeving van de beslissing van het Fonds. Na die kennisgeving blijven de partijen voor die verrichtingen de verplichtingen van deze overeenkomst nakomen, meer in het bijzonder de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 tot 11.

Elk geschil valt onder de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbanken van Brussel.

Opgemaakt in Brussel, in twee originele exemplaren, waarbij elke ondergetekende het zijne heeft ontvangen, op........

Het Fonds, De Kredietinstelling, Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 1 december 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Minister van Financiën, J.-J. VISEUR _______ Nota's (1) "Dit besluit, verstaat onder zelfstandige ieder natuurlijk persoon, die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is." (2) Onder referentierentevoet moet begrepen worden "de prime rate van de Belgische banken ("BEPR") van toepassing op kredieten met eenzelfde duur, verhoogd met 1 % per jaar".Voor de leningen met een duur hoger dan tien jaar moet de toepassing door de Kredietinstelling van een rentevoet die hoger is dan de referentierentevoet van het Fonds eerst door dit laatste goedgekeurd worden.

Bijlage II Algemeen reglement tot vaststelling van de modaliteiten inzake financiële, economische en technische controle van de kredietinstellingen en begunstigden van financiële tegemoetkomingen van het Fonds 1. De kredietinstellingen die met het Participatiefonds een overeenkomst hebben ondertekend m.b.t. de toekenning van gedeelde risicodekkingen op beroepsleningen (programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap) zijn onderworpen aan de controle van het Participatiefonds zolang alle verrichtingen m.b.t. beroepsleningen waarvoor een dekking werd toegekend niet definitief zijn afgesloten. 2. De controle wordt uitgeoefend door de experts van het Participatiefonds op basis van de volgende modaliteiten: - het Participatiefonds bepaalt het ritme van de uitgeoefende controles;in principe zal jaarlijks in elke betrokken kredietinstelling een controle worden uitgeoefend; - elk controlebezoek zal door het Fonds schriftelijk 15 werkdagen op voorhand worden meegedeeld aan de kredietinstelling; - de controle zal worden uitgeoefend in de kantoren van de kredietinstelling, in de exploitatiezetel waar de leningdossiers waarvoor een dekking werd toegekend door het Fonds kunnen ingekeken worden; - de kredietinstelling zal alles in het werk stellen om de taak van de experts van het Fonds tijdens haar volledige duur te verlichten, in het bijzonder door een contactpersoon aan te duiden en een lokaal ter beschikking te stellen dat geschikt is voor het controlewerk; - de experts van het Fonds zullen toegang hebben tot alle stukken van het leningdossier waarvoor het Fonds een financiële tegemoetkoming heeft verleend; zij zullen in dit verband de mogelijkheid hebben de dossierbeheerder (of bij ontstentenis een andere geschikte vertegenwoordiger van de kredietinstelling) te ondervragen. 3. Onverminderd de eventuele toepassing van de bepalingen van de overeenkomst m.b.t. de toekenning van gedeelde risicodekkingen op beroepsleningen en meer in het bijzonder van haar artikel 12, zal het Fonds binnen de 30 kalenderdagen volgend op de controle een beknopt evaluatieverslag sturen met zijn opmerkingen en/of de ad-hocaanbevelingen. Vervolgens zal de kredietinstelling haar voorstellen en commentaren binnen de twee maanden aan het Fonds meedelen.

Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 1 december 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Minister van Financiën, J.-J. VISEUR

^