gepubliceerd op 05 november 2026
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen
18 SEPTEMBER 2026. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen
DE VLAAMSE MINISTER VAN OMGEVING EN LANDBOUW VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen Algemene toelichting BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen Titel III van het VLAREM (
besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/05/2014
pub.
03/12/2014
numac
2014035907
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/05/2014
pub.
06/10/2014
numac
2014035960
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de herverdeling van begrotingsartikelen van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/05/2014
pub.
06/10/2014
numac
2014035972
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de herverdeling van begrotingsartikelen van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/05/2014
pub.
17/09/2014
numac
2014035769
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de herverdeling van begrotingsartikelen van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
16/05/2014
pub.
11/07/2014
numac
2014035716
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de vrijstelling van de adviesverplichting in de procedures ongeschikt-, onbewoonbaar- en overbewoondverklaring van een woning, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen
sluiten houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties) bevat algemene en sectorale voorwaarden die alleen van toepassing zijn voor GPBV-installaties (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging).
Met dit wijzigingsbesluit worden aan titel III van het VLAREM de bijkomende sectorale milieuvoorwaarden toegevoegd voor smederijen en gieterijen.
Deze toevoeging komt er naar aanleiding van BBT-conclusies die op 29 november 2024 gepubliceerd werden in het Europees publicatieblad. Deze BBT-conclusies hebben een bindend karakter en vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden. De BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen dienen nu geïmplementeerd te worden in titel III van het VLAREM. Overeenkomstig artikel 5.4.6/1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), gebeurt de omzetting van BBT-conclusies in eerste instantie door middel van algemene en sectorale milieuvoorwaarden.
Er werd voor geopteerd om zoveel mogelijk van de BBT's uit de BBT-conclusies in te voegen in titel III van het VLAREM. Volgens de bepalingen van afdeling 1.4.1 van titel II van het VLAREM worden alle milieuvoorwaarden geëvalueerd die van toepassing zijn op de GPBV-installaties die vallen onder het toepassingsgebied van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen. Deze evaluaties kunnen leiden tot het bijstellen van de milieuvoorwaarden. De planning en uitvoering van de algemene evaluaties gebeurt volgens een meerjarenprogramma. Raadpleegbaar via https://omgeving.vlaanderen.be/nl/gpbv-installaties.
Concrete omzetting van de BBT-conclusies
Artikel 5.4.3, § 2, van het DABM bepaalt dat we bij de omzetting van BBT-conclusies in titel III van het VLAREM rekening houden met: 1° de geldende milieukwaliteitsnormen, met inbegrip van de bijzondere milieukwaliteitsnormen;2° de bestaande toestand van het milieu en van de gezondheid van de mens, voor zover die gezondheid wordt beïnvloed door de toestand van het milieu, telkens voor zover de betrokken inrichtingen en activiteiten hier risico's of hinder voor kunnen veroorzaken;3° de ligging van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten in of nabij gebieden die een bijzondere bescherming behoeven of hindergevoelige objecten;4° het feit dat de hinder en de risico's afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Als de BBT een milieuprestatieniveau voorschrijft, bijvoorbeeld een emissiegrenswaarde of milieuprestatieniveau voor energieverbruik of waterverbruik, dan worden geen technieken opgenomen in titel III van het VLAREM (tenzij er specifieke argumenten zijn om bepaalde technieken toch expliciet te vermelden). De BBT wordt dan via bindende (emissie)grenswaarden geïmplementeerd. Zo leggen we geen technieken op en kan de exploitant vrij kiezen hoe het milieuprestatieniveau wordt behaald. Doelvoorschriften primeren zo op middelvoorschriften.
Ten slotte, bepaalt artikel 18 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) dat er extra voorwaarden gesteld moeten worden in de vergunning, als er met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan die door toepassing van de best beschikbare technieken haalbaar zijn.
Mogelijkheid van een andere beste beschikbare techniek Wanneer de exploitant verplicht wordt om één of meerdere (of een combinatie van) technieken toe te passen wordt er rechtstreeks naar de BBT-conclusies verwezen waar alle technieken staan opgesomd. De verschillende BBT-conclusies kunnen onder andere geraadpleegd worden op de websites van het Europese IPPC Bureau (http://eippcb.jrc.ec.europa.eu/reference/) en het BBT-kenniscentrum (http://emis.vito.be/bbt-conclusies).
De exploitant heeft via artikel 1.7 van titel III van het VLAREM wel steeds de mogelijkheid om een andere beste beschikbare techniek toe te passen om het beoogde van de betreffende BBT te kunnen halen.
Plan-m.e.r-richtlijn 2001/42 Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 25 juni 2020 in de zaak C-24/19 de plan-m.e.r.-plicht voor sectorale voorwaarden voor windturbines beoordeeld. Het Hof heeft daarbij de volgende zaken in overweging genomen. Artikel 3 van de plan-m.e.r.-richtlijn 2001/42 stelt de verplichting om een bepaald plan of programma te onderwerpen aan een milieubeoordeling afhankelijk van de voorwaarde dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Meer in het bijzonder moet krachtens artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn een systematische milieubeoordeling worden verricht voor de plannen en programma's die voorbereid worden met betrekking tot bepaalde sectoren en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de projecten die worden genoemd in de bijlagen I en II bij de project-m.e.r.-richtlijn. Wat de vraag betreft of deze handelingen het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, zij eraan herinnerd dat het begrip "plannen en programma's" betrekking heeft op elke handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
Deze uitlegging is erop gericht te waarborgen dat voorschriften die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, aan een milieubeoordeling worden onderworpen.
Met dit besluit worden op Europees niveau vastgelegde BBT-conclusies opgenomen in de Vlaamse regelgeving. In overweging 13 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake Industriële Emissies (afgekort RIE) worden de bedoeling en de wijze van vaststelling van BBT-conclusies toegelicht: "Teneinde de "beste beschikbare technieken" te bepalen en ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten te beperken, dienen referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken, hierna "BBT-referentiedocumenten" genoemd, te worden opgesteld, geëvalueerd en, waar nodig, bijgewerkt door de uitwisseling van informatie met de belanghebbende partijen, en dienen de belangrijkste bestanddelen van de BBT-referentiedocumenten (hierna "BBT-conclusies" genoemd), via de comitéprocedure te worden vastgesteld. In dit verband dient de Commissie, via de comitéprocedure, richtsnoeren vast te leggen voor het verzamelen van gegevens, het opstellen van BBT-referentiedocumenten en het waarborgen van de kwaliteit ervan. De BBT-conclusies dienen het ijkpunt te vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden. Zij kunnen worden aangevuld met informatie uit andere bronnen. De Commissie moet ernaar streven de BBT-referentiedocumenten uiterlijk acht jaar na de publicatie van de vorige versie te hebben bijgewerkt.". De BBT-conclusies worden opgesteld én vastgesteld op Europees niveau door de Europese Commissie via de comitéprocedure (artikel 13 RIE). Bij deze procedure worden zowel de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken als niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming betrokken. Voor het bepalen van BBT en BBT-GEN (met BBT-geassocieerde emissieniveaus) worden specifieke (technische) informatie en milieueffecten eigen aan de lidstaten meegenomen in het Sevilla-proces. Door middel van Split views kunnen lidstaten ook in de eindfase van het Sevilla-proces kenbaar maken dat bepaalde informatie en milieueffecten meer aandacht verdienen.
De RIE moet vervolgens uitwerking vinden op projectniveau. De lidstaten hebben een verplichting om de nodige maatregelen te treffen opdat de betreffende installaties overeenkomstig deze BBT worden geëxploiteerd (artikel 11, b) RIE). De BBT-conclusies vormen daarbij de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden (artikel 14, lid 3 RIE). Voor bestaande installaties dienen de lidstaten binnen een termijn van vier jaar na de vaststelling van de betreffende BBT-conclusies de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de vergunningsvoorwaarden van de betreffende industriële installaties worden getoetst en desgevallend worden bijgesteld om aan de toepasselijke BBT-conclusie te voldoen (artikel 21 RIE).
Het is aldus de bedoeling van de RIE dat op Europees niveau BBT-conclusies opgesteld worden die voor alle betrokken installaties het ijkpunt vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden, waarmee de Europese regelgever ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten wil beperken. Het is niet de bedoeling dat de lidstaten op planniveau voor de installaties op hun grondgebied een ander ijkpunt invoeren. Omzettingsregelgeving kan enkel de bedoeling hebben de Europees vastgestelde BBT-conclusies op te nemen in de regelgeving van de lidstaten. Het invoeren van eigen ijkpunten door de lidstaten zou de beoogde doelstelling van het beperken van ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten ondermijnen.
In uitvoering van artikel 5.4.6/1 Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) worden in de Vlaamse regelgeving nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies waar mogelijk en bij voorrang omgezet door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden of andere sectorale regelgeving. Het kan daarbij niet de bedoeling zijn om het vaststellingsproces op Europees niveau over te doen in de Vlaamse context. De omzetting betreft geen opstelling en vaststelling van een eigen plan van de Vlaamse Regering maar een omzetting van de Europees vastgestelde BBT-conclusies. Het betreft louter het omzetten van de Europese verplichtingen in het interne recht teneinde deze in de Vlaamse situatie rechtstreeks te kunnen toepassen in een concreet geval. De omzetting van de BBT-conclusies in intern recht en de opname van de bovengrens van BBT-GEN's in een algemeen bindend voorschrift zoals titel II of III van het Vlarem getuigt dus niet van het "opstellen" of "vaststellen" van een plan of programma in de zin van artikel 2, a), eerste streepje van de plan-m.e.r.-richtlijn. In de omgevingsvergunning kan overeenkomstig artikel 1.3 titel III van het VLAREM steeds afgeweken worden van die emissiegrenswaarde zolang de emissiegrenswaarde voldoet aan de BBT-GEN bepaald in de BBT-conclusies die de Europese Commissie heeft aangenomen. Het is dus met de vaststelling van de Europese BBT-conclusies dat het toetsingskader voor de vergunningen wordt bepaald.
Dit besluit waarmee de Europees vastgestelde BBT-conclusies worden opgenomen in de Vlaamse regelgeving is aldus geen plan of programma in de zin van de plan-m.e.r.-richtlijn waardoor voor de vaststelling van dit besluit geen plan-MER of plan-m.e.r.-screening vereist is. De bepalingen van de Plan-m.e.r-richtlijn 2001/42, omgezet in internrechtelijke regelgeving via titel IV van het DABM (meer specifiek artikel 4.1.1 en de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.11), zijn bijgevolg niet van toepassing op dit besluit.
Opbouw van het nieuwe hoofdstuk 3.22. Smederijen en gieterijen Het hoofdstuk volgt grotendeels de opbouw van de BBT-conclusies. Dit resulteert in volgende structuur: Hoofdstuk 3.22. Smederijen en gieterijen Afdeling 3.22.1. Toepassingsgebied en definities
Afdeling 3.22.2. Algemene bepalingen voor smederijen en gieterijen
Onderafdeling 3.22.2.1. Toepasbaarheid Onderafdeling 3.22.2.2. Totale milieuprestatie Onderafdeling 3.22.2.3. Monitoring Onderafdeling 3.22.2.4. Energie-efficiëntie Onderafdeling 3.22.2.5. Emissies naar lucht Onderafdeling 3.22.2.6. Geluid Onderafdeling 3.22.2.7. Residuen Afdeling 3.22.3. Bijkomende algemene bepalingen voor gieterijen
Onderafdeling 3.22.3.1. Toepassingsgebied Onderafdeling 3.22.3.2. Gevaarlijke stoffen Onderafdeling 3.22.3.3. Energie-efficiëntie Onderafdeling 3.22.3.4. Materiaalefficiëntie Onderafdeling 3.22.3.5. Emissies naar lucht Onderafdeling 3.22.3.6. Geur Onderafdeling 3.22.3.7. Waterverbruik en afvalwater Onderafdeling 3.22.3.8. Emissies naar water Afdeling 3.22.4. Specifieke bepalingen voor gieterijen
Onderafdeling 3.22.4.1. IJzergieterijen Onderafdeling 3.22.4.2. Staalgieterijen Onderafdeling 3.22.4.3. Non-ferrometaalgieterijen Afdeling 3.22.5. Smederijen
Onderafdeling 3.22.5.1. Toepassingsgebied Onderafdeling 3.22.5.2. Energie-efficiëntie Onderafdeling 3.22.5.3. Materiaalefficiëntie Onderafdeling 3.22.5.4. Trillingen Onderafdeling 3.22.5.5. Emissies naar lucht Onderafdeling 3.22.5.6. Waterverbruik en afvalwater
Artikelsgewijze bespreking Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1 Dit artikel stelt dat dit besluit voorziet in de omzetting van het uitvoeringsbesluit (EU) 2024/2974 van de Commissie van 29 november 2024 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies, voor smederijen en gieterijen.
Hoofdstuk 2. Wijzigingen van titel III van het VLAREM
Artikel 3 tot en met artikel 5 De benaming "energieaudit" wordt gedefinieerd in het Energiebesluit.
Gezien de audits in de BBT-conclusies niet hetzelfde omschreven zijn en niet dezelfde eisen stellen als in het Energiebesluit, is het duidelijker om een andere benaming te gebruiken. Om consequent te zijn doorheen VLAREM III, wordt het woord "energieaudit" overal vervangen door het woord "audit". Dit is louter een tekstuele verduidelijking en heeft geen inhoudelijke implicaties.
Artikel 6 Dit artikel voegt een hoofdstuk toe aan deel 3 "Sectorale Milieuvoorwaarden" van titel III van het VLAREM, namelijk Hoofdstuk 3.22. Smederijen en gieterijen.
De volgende BBT-conclusies worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Tijdens de algemene evaluaties zal worden geëvalueerd of deze BBT-conclusies van toepassing zijn op de installatie. Indien nodig worden de milieuvoorwaarden bijgesteld om een volledige omzetting van de BBT-conclusies te bekomen.
BBT 8: De BBT om geluids- en trillingsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, bestaat erin om als onderdeel van het milieubeheersysteem een beheersplan voor geluid en/of trillingen op te zetten, uit te voeren en regelmatig te evalueren. De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geluids- en/of trillingshinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is aangetoond.
Deze BBT-conclusie wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze bepaling is niet algemeen toepasbaar en handhaafbaar, is te voorwaardelijk geformuleerd, en sterk gekoppeld aan een individuele toetsing aan de lokale omstandigheden. Daarom wordt deze BBT van geval tot geval beoordeeld, en toegepast indien nodig.
BBT 1, onder de specifieke elementen voor de smederijen en gieterijen, punt xxvii: Dit punt omvat het beheersplan voor geluid en/of trillingen, als onderdeel van het milieubeheersysteem. Er wordt daarvoor verwezen naar BBT 8. Gezien BBT 8 niet opgenomen wordt in titel III van het VLAREM, wordt dit punt ook niet overgenomen.
BBT 32: De BBT om geuremissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is om als onderdeel van het milieubeheersysteem een geurbeheersplan op te zetten, uit te voeren en regelmatig te evalueren. De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.
Deze BBT-conclusie wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze bepaling is niet algemeen toepasbaar en handhaafbaar, is te voorwaardelijk geformuleerd, en sterk gekoppeld aan een individuele toetsing aan de lokale omstandigheden. Daarom wordt deze BBT van geval tot geval beoordeeld, en toegepast indien nodig.
BBT 1, onder de specifieke elementen voor de smederijen en gieterijen, punt xxix: Dit punt omvat het geurbeheersplan, als onderdeel van het milieubeheersysteem. Er wordt daarvoor verwezen naar BBT 32. Gezien BBT 32 niet opgenomen wordt in titel III van het VLAREM, wordt dit punt ook niet overgenomen.
BBT 33: De BBT is om de geur periodiek te monitoren. De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.
Deze BBT-conclusie wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze bepaling is niet algemeen toepasbaar en handhaafbaar, is te voorwaardelijk geformuleerd, en sterk gekoppeld aan een individuele toetsing aan de lokale omstandigheden. Daarom wordt deze BBT van geval tot geval beoordeeld, en toegepast indien nodig.
Hoofdstuk 3.22. bestaat uit volgende elementen:
Titel III van het VLAREM
BBT-conclusies
Toelichting
/
Algemene overwegingen
In de algemene overwegingen van de BBT-conclusies wordt extra uitleg gegeven bij BBT, BBT-geassocieerde emissieniveaus en BBT-geassocieerde milieuprestatieniveaus. Daarnaast worden er formules toegelicht voor het berekenen van verschillende milieuprestaties, emissieconcentratie bij referentiezuurstofgehalte en indicatieve niveaus voor energieverbruik.
Een deel van de informatie wordt niet overgenomen, gezien deze in de algemene bepalingen van VLAREM III worden opgenomen, zoals de middelingstijden voor de monitoring van emissies naar zowel water als lucht.
Een deel van de informatie wordt opgenomen bij het betreffende artikel waar de formule voor het berekenen van de milieuprestatie gebruikt wordt.
Afdeling 3.22.1. Toepassingsgebied en definities
3.22.1.1.
Toepassingsgebied
- De activiteiten waarop de BBT-conclusies al dan niet betrekking hebben worden opgenomen. Zowel de rubrieken van de indelingslijst worden vermeld, als de overeenkomstige GPBV-activiteiten die zijn opgenomen in bijlage 1 bij titel III van het VLAREM. In deze bijlage worden de GPBV-activiteiten van bijlage I bij de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) letterlijk opgenomen. Deze bijlage heeft betrekking op het toepassingsgebied van hoofdstuk 2 van deze richtlijn. Gezien het belang van dit toepassingsgebied werd ervoor geopteerd om deze integraal over te nemen als bijlage 1 bij titel III van het VLAREM met het oog op eenvoud en transparantie van de omzetting van het toepassingsgebied van de BBT-conclusies. - De rubriek 20.2.3, 3°, van de indelingslijst bevat een drempel voor het smelten van 20 ton ferrometalen per dag. - De rubriek 20.2.4, a), 3°, van de indelingslijst bevat een drempel voor het smelten van 4 ton lood of cadmium per dag.
- De rubriek 20.2.4, b), 3°, van de indelingslijst bevat een drempel voor het smelten van andere non-ferrometalen van 20 ton per dag.
- De rubriek 29.5.1, van de indelingslijst bevat een drempel voor het smeden met hamers van meer dan 50 kilojoule per hamer, met een thermisch vermogen van 20 MW. - De indelingslijst, vermeld in dit artikel, wordt gedefinieerd in het Decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM), met name als de lijst, vastgesteld door de Vlaamse Regering bestaande uit rubrieken die een omschrijving omvatten van de inrichtingen en activiteiten die ernstige risico's of hinder voor de mens en het milieu kunnen inhouden. In het omgevingsvergunningsbesluit wordt verder gedefinieerd dat de indelingslijst de lijst is, opgenomen als bijlage 1 bij titel II van het VLAREM. - Met de term `belangrijke vuilvracht' wordt een relevante vuilvracht bedoeld. Wanneer bij inrichting, zoals bedoeld in artikel 3.22.1.1, § 1, 5°, en § 2, 3° stromen worden verwerkt afkomstig van een andere activiteit die niet onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, moet het aandeel van de belasting die afkomstig is van de activiteiten die wél onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, in rekenschap gebracht voor het aftoetsen van de milieuprestaties én voldoen aan de bepalingen. - In § 2 van dit artikel, wordt verder gespecifieerd welke activiteiten ook omvat worden door het toepassingsgebied van dit hoofdstuk.
- In § 3 van dit artikel, worden de activiteiten vermeld die niet onder het hoofdstuk 3.22 vallen, waaronder onder meer: Het continue gieten van ijzer of staal. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor ijzer en staal (IS), omgezet in hoofdstuk 3.1 van titel III van het VLAREM. De productie van halffabricaten van non-ferrometalen die nog verder moeten worden gevormd. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor non-ferrometaalindustrie (NFM), omgezet in hoofdstuk 3.10 van titel III van het VLAREM. Het coaten van gietstukken. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen, met inbegrip van conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen (STS), omgezet in hoofdstuk 3.17 van titel III van het VLAREM. Afvalwater van indirecte koelsystemen. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor industriële koelsystemen (ICS).
Walstuigen. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor ferrometaalverwerkende industrie (FMP), omgezet in hoofdstuk 3.18 van titel III van het VLAREM. Stookinstallaties, tenzij ze hete gassen produceren die gebruikt worden voor het via direct contact verwarmen, drogen of anderszins behandelen van voorwerpen of materialen. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor grote verbrandingsinstallaties (LCP), omgezet in hoofdstuk 3.12 van titel III van het VLAREM, of onder Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad; - Deze BBT-conclusies gelden onverminderd andere relevante wetgeving, bijvoorbeeld inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) en betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP).
3.22.1.2.
Definities
Enkel definities die niet gelijk zijn aan definities reeds opgenomen in het VLAREM én welke nodig zijn om de sectorale voorwaarden te kunnen begrijpen worden opgenomen.
Enkele verduidelijkingen: Sommige definities worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM omdat ze vermeld staan of verduidelijkt worden in titel II van het VLAREM, bv. diffuse emissie, geldig uur- of halfuurgemiddelde;
Sommige definities worden niet opgenomen omdat ze veel gebruikte termen zijn en daardoor algemeen bekend, bv. continue meting, massastroom, periodieke meting;
De definitie "geleide emissie" uit de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen wordt wel expliciet opgenomen, ondanks een reeds bestaande definitie in titel II van het VLAREM. Analoog met gelijkaardige definities uit andere BBT-conclusies, wordt verduidelijkt dat het niet enkel gaat over een emissie uit een schoorsteen, maar ook via kanalen of leidingen. Ook emissies van verontreinigende stoffen uit andere gekanaliseerde punten zoals kanalen of leidingen dienen te voldoen aan de voorwaarden voor geleide emissies. Belangrijke randvoorwaarde bij deze laatste gevallen is wel dat deze gemeten kunnen worden met een meetmethode zoals vermeld in artikel 4.4.4.2, § 2, eerste lid. We onderzoeken of we deze 2 verschillende definities op termijn op elkaar kunnen afstemmen; Met de opname van deze definitie wordt overeenstemming gegarandeerd met de definitie in de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen. De opname van de definitie heeft geen gevolgen voor de bepaling welke diffuse bronnen afgezogen moeten worden naar een geleid emissiepunt.
Hiervoor blijft de bestaande wetgeving van toepassing, o.m. artikel 4.4.2.1 en artikel 4.4.2.2 van titel II van het VLAREM. Voor de behandeling van diffuse bronnen worden kostenefficiëntie, milieubaten en technische haalbaarheid tegenover elkaar afgewogen.
De definitie voor zeer zorgwekkende stoffen is enkel van toepassing op dit hoofdstuk 3.22 van VLAREM III.
Afdeling 3.22.2. Algemene bepalingen voor smederijen en gieterijen
Onderafdeling 3.22.2.1. Toepasbaarheid
3.22.2.1.1.
Toepasbaarheid in BBT 14, BBT 20, BBT 21, BBT 25, BBT 26, BBT 27, BBT 34, BBT 35, BBT 52
De toepasbaarheid van de technieken en emissiegrenswaarden vermeld in punt f van BBT 14, voetnoten 1 of 2 van tabel 1.5, BBT 20, voetnoot 1 van tabel 1.6, punt d of e van BBT 21, punt a van BBT 26, punt a van BBT 27, punt c van BBT 25, punt l van BBT 25, voetnoot 1 van tabel 1.13, punt a van BBT 34, punt b van BBT 35 en BBT 52 is mogelijk beperkt. Gezien de voorwaardelijke formulering in de BBT-conclusies, is een beoordeling nodig. Door dit te verankeren in de omgevingsvergunning kan deze beoordeling gebeuren via de evaluatie- of vergunningsprocedures. Dit biedt de bedrijven rechtszekerheid. Via dit artikel wordt dus de mogelijkheid gegeven om in de vergunning een afwijking toe te staan op deze technieken.
3.22.2.1.2.
Dit artikel wordt, conform andere omzettingen van BBT-conclusies, opgenomen om onduidelijkheid te vermijden tussen algemeen geldende en specifieke bepalingen in de BBT-conclusies. Beiden zijn van toepassing.
Onderafdeling 3.22.2.2. Totale milieuprestatie
3.22.2.2.1.
BBT 1
- De elementen van het milieubeheersysteem die steeds van toepassing zijn, worden opgenomen.
De toekomstige bepalingen van VLAREM II met betrekking tot het milieubeheersysteem ter omzetting van de RIE 2.0, kunnen ook dienen ter invulling van het milieubeheersysteem zoals beschreven in art. 3.22.2.2.1. Dat het milieubeheersysteem in sommige gevallen een beheersplan voor geluid en/of trillingen en een geurbeheersplan moet bevatten, wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. De overeenkomstige BBT 8 en BBT 32, die deze beheersplannen verder concretiseren, worden namelijk ook niet omgezet in titel III van het VLAREM wegens beperkte toepasbaarheid. De noodzaak voor het opleggen van dit deel van het milieubeheersysteem wordt wel bekeken in de algemene evaluaties. Waar dit nodig blijkt, kan de verplichting tot het opstellen van een beheersplan voor geluid en of trillingen of een geurbeheersplan als onderdeel van het milieubeheersysteem worden aangevuld als bijzondere voorwaarde. - Bij Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad is het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie (EMAS) vastgesteld, een voorbeeld van een milieubeheersysteem dat in overeenstemming is met deze BBT. - Er is geen verplichting tot een gecertificeerd milieuzorgsysteem, dit wordt bevestigd door de toepasbaarheid in de overeenkomstige BBT-conclusies, met name dat het toepassingsgebied (bv. de mate van gedetailleerdheid) en de aard (bv. gestandaardiseerd of niet-gestandaardiseerd) van het milieubeheersysteem over het algemeen te maken heeft met de aard, omvang en complexiteit van de installatie en de milieueffecten ervan.
Deze toepasbaarheid wordt opgenomen in het derde lid.
3.22.2.2.2.
BBT 2
- Alle elementen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie is geheel opgenomen in het eerste lid. Het overzicht van de inputs en outputs wordt bijgehouden en regelmatig herzien (ook wanneer er zich een belangrijke wijziging voordoet). Niet alle voorbeelden worden overgenomen. De BBT-conclusies geven bijvoorbeeld nog mee (onder IV, b)) dat mogelijke relevante stoffen of parameters voor emissies naar afvalwater bijvoorbeeld zwevende stoffen, TOC of CZV, minerale-olie-index of metalen zijn. - Er wordt in het tweede lid gespecifieerd dat het overzicht ter beschikking wordt gesteld aan de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), indien zij daarom vragen.
3.22.2.2.3.
BBT 3
- Alle elementen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie is geheel opgenomen in het eerste lid. - Het beheersysteem voor chemische stoffen is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan is in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie.
Deze toepasbaarheid opnemen is bijgevolg niet nodig. - Er wordt in het tweede lid gespecifieerd dat het overzicht ter beschikking wordt gesteld van de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), indien zij daarom vragen.
3.22.2.2.4.
BBT 4
- Alle elementen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie is opgenomen in titel III van het VLAREM. - Het plan voor het voorkomen en onder controle houden van lekken en onbedoelde lozingen, zoals vermeld in punt 1° , is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan is in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. Deze toepasbaarheid opnemen is bijgevolg niet nodig. Dit beheersplan maakt bovendien deel uit van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, waarbij deze toepasbaarheid al werd vermeld. - Onder goede bedrijfspraktijken wordt in de BBT-conclusies verstaan: "Een reeks maatregelen om de vorming van emissies te voorkomen of te beperken (bv. regelmatig onderhoud en regelmatige reiniging van apparatuur, werkoppervlakken, ondergrond en transportroutes, en het inperken en snel schoonmaken van eventuele onbedoelde lozingen).". - In punt 4° wordt mogelijk verontreinigd afstromend water opgevangen.
De BBT-conclusies specifiëren dat dit water daarna kan geloosd worden nadat alle passende maatregelen zijn genomen, zoals monitoring, behandeling en hergebruik. Dit volgt ook uit het feit dat "potentieel verontreinigd hemelwater" gezien wordt als bedrijfsafvalwater, en dus moet voldoen aan alle bepalingen van de BBT-conclusies.
3.22.2.2.5.
BBT 5
- Alle elementen moeten worden toegepast, dus de BBT-conclusie is geheel opgenomen in titel III van het VLAREM. - Zoals ook vermeld in de Richtlijn Industriële Emissies, beperken potentiële andere dan normale bedrijfsomstandigheden zich niet tot storingen van kritische apparatuur, maar ook opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging. De voornaamste worden aangevuld in dit artikel in VLAREM. - Het beheersplan voor andere dan normale bedrijfsomstandigheden is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan is in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. Deze toepasbaarheid opnemen is bijgevolg niet nodig. Dit beheersplan maakt bovendien deel uit van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, waarbij deze toepasbaarheid al werd vermeld.
Onderafdeling 3.22.2.3. Monitoring
3.22.2.3.1.
BBT 6
- De BBT-conclusie, inclusief de beschrijving, wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. - De BBT-conclusies geven mee dat berekeningen of registratie bijvoorbeeld kunnen met behulp van geschikte meters of facturen.
Onderafdeling 3.22.2.4. Energie-efficiëntie
3.22.2.4.1.
BBT 7
- De BBT-conclusie, inclusief een deel van de beschrijving, wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. - Het energie-efficiëntieplan, vermeld in punt 1° , is onderdeel van het milieubeheersysteem. Het energie-efficiëntieplan en de bijhorende energieaudits zijn algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan zijn in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie.
- Bij punt 3° , algemene energiebesparende technieken, geven de BBT-conclusies nog mee dat dit technieken zijn, zoals: onderhoud en controle van de brander; energie-efficiënte motoren; energie-efficiënte verlichting; optimaliseren van systemen voor de distributie van stoom en perslucht; regelmatige inspectie en regelmatig onderhoud van de stoomverdeelsystemen om stoomlekken te voorkomen of te verminderen; systemen voor procesbeheersing; snelheidsvariatoren; optimaliseren van de klimaatregeling en verwarming van gebouwen - Artikel 3.22.2.4.1 bevat geen verplichting tot een gecertificeerd plan of externe jaarlijkse audit. Dit wordt bevestigd door de toepasbaarheid in de overeenkomstige BBT-conclusie, met name dat de mate van gedetailleerdheid van het energie-efficiëntieplan en de bijhorende audits in de regel zal afhangen van de aard, omvang en complexiteit van de installatie. In de BREF wordt de doelstelling van de audits als volgt verwoord: "Audits are carried out at least once every year to ensure that the objectives of the energy efficiency plan are met and the energy audits' recommendations are followed up and implemented.". - Er bestaan reeds verschillende instrumenten rond energie-efficiëntie in hoofdstuk V van Titel VI van het Energiebesluit, zoals een energieplan opstellen voor energie-intensieve inrichtingen (artikelen 6.5.1 tot en met 6.5.8. van het energiebesluit), of de verplichte energieaudit voor niet energie-intensieve ondernemingen (artikelen 6.5.9. tot en met 6.5.15 van het energiebesluit) of de energiebalans onderneming (artikelen 6.5.16 tot en met 6.5.22 van het energiebesluit). Relevante gegevens kunnen mogelijks aangewend worden voor (delen van) het energie-efficiëntieplan zoals bepaald in titel III van het VLAREM, zodat slechts één plan moet worden opgesteld. - Er wordt in het derde lid gespecifieerd dat een energie-efficiëntieplan en de energie-audits ter beschikking worden gesteld voor de toezichthouder en het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (VEKA), indien zij daarom vragen.
Onderafdeling 3.22.2.5. Emissies naar lucht
3.22.2.5.1.
Algemene bepalingen
- In de algemene bepalingen van de BBT-conclusies wordt het referentiezuurstofgehalte bepaalt voor de emissies naar lucht. Er wordt geen correctie uitgevoerd bij de gieterijen. Bij de smederijen geldt een correctie naar 3%.
3.22.2.5.2
BBT 12 BBT 49
- In de BBT-conclusies staan er meetverplichtingen voor de geleide emissies naar lucht. Deze gelden bovenop de meetverplichtingen die vermeld staan in bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM. In bijlage 4.4.3 gelden meetfrequenties die afhankelijk zijn van de vuilvracht in de afgassen. - Door dit artikel 3.22.2.3.2, geldt de volgende regeling: Alle parameters in de geleide emissies naar lucht, die een emissiegrenswaarde of meetverplichting hebben in hoofdstuk 3.22 van titel III van het VLAREM, moeten gemonitord worden volgens de bepalingen in bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM. Indien de parameter in bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM een strengere meetfrequentie heeft dan jaarlijks (conform de BBT-conclusies), dient deze reeds bestaande meetfrequentie verder gevolgd te worden. Dit kan afhankelijk zijn van de drempel, vermeld in bijlage 4.4.3.
De minimale meetfrequentie is hoe dan ook jaarlijks. Dit volgt uit het feit dat alle meetfrequenties die in de BBT-conclusies worden vermeld minstens jaarlijks zijn. Ook indien parameters niet opgenomen zijn in bijlage 4.4.3, zoals TOC en dioxinen.
Voor dioxinen gelden specifieke meetverplichtingen op basis van artikel 5.29.0.6, § 1. Dit wordt gereflecteerd in het derde lid. Hier geldt ook dat de minimale meetverplichting minstens eenmaal per jaar blijft.
Voor de volledigheid wordt nog gemeld dat momenteel een herziening wordt voorbereid van de controlemeetprogramma's voor emissies in water en lucht, waarin de mogelijkheid is voorzien om meetfrequentie te verminderen als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Hierover liep reeds een publieksconsultatie. - Enkele parameters in BBT 12 zijn niet gelinkt aan een emissiegrenswaarde. Deze worden opgenomen in de onderafdeling "3.22.3.4 Emissies naar lucht". - De verwijzing naar CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar lucht worden niet in dit hoofdstuk opgenomen. Dit wordt vermeld in artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM. Onderafdeling 3.22.2.6. Geluid
3.22.2.6.1.
BBT 9
- BBT 9 is algemeen toepasbaar. De BBT-conclusie wordt daarom overgenomen in titel III van het VLAREM. - "één of een combinatie van technieken" impliceert dat niet alle technieken moéten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 9 verwezen.
Onderafdeling 3.22.2.7. Residuen
3.22.2.7.1.
BBT 10
- De BBT-conclusie, inclusief de beschrijving, wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. - Het residuenbeheersplan is onderdeel van het milieubeheersysteem en is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan zijn in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie.
Afdeling 3.22.3. Bijkomende algemene bepalingen voor gieterijen
Onderafdeling 3.22.3.1. Toepassingsgebied
3.22.3.1.1.
/
Dit artikel verduidelijkt dat de afdeling 3.22.3 enkel geldt voor gieterijen, met uitzondering van gieterijen van cadmium, titaan of edele metalen of van klokken- of kunstgieterijen.
Onderafdeling 3.22.3.2. Gevaarlijke stoffen
3.22.3.2.1.
BBT 11
- De BBT is algemeen toepasselijk. - In de BBT-conclusies worden enkele voorbeelden gegeven van minder gevaarlijke stoffen. Deze komen ook terug in BBT 25.
/
BBT 12
- Wordt omgezet in artikels 3.22.2.5.2 en de verschillende emissiegrenswaarden die gelinkt zijn aan de meetverplichtingen. - Verwijzing naar CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar lucht worden niet in dit hoofdstuk opgenomen. Dit wordt vermeld in artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM.
/
BBT 13
- Verwijzing CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar water worden niet in dit hoofdstuk opgenomen. Dit wordt vermeld in artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM. - De meetfrequenties worden opgenomen in titel III van het VLAREM bij de implementatie van de emissiegrenswaarden waarmee ze geassocieerd zijn (zie verder in deze tabel).
Onderafdeling 3.22.3.3. Energie-efficiëntie
3.22.3.3.1.
BBT 14
- BBT 14 omvat de technieken voor het verbeteren van de energie-efficiëntie. Deze worden gelinkt aan de BBT-geassocieerde milieuprestatieniveaus. De BBT is echter ruimer, gezien deze geldt voor sslle gieterijen, terwijl de BBT-GMPN enkel gelden voor staal-, ijzer- en aluminiumgieterijen. - Technieken a tot en met f zijn verplicht, dus deze worden overgenomen in titel III van het VLAREM. - Van technieken g tot en met n dient een geschikte combinatie toegepast te worden. Dit houdt in dat er minstens één, maar mogelijks meer van deze technieken nodig zijn volgens de BBT, om de energie-efficiëntie te verbeteren. - Techniek a is enkel van toepassing bij een nieuwe installatie, of een wezenlijke verbetering. Deze toepasbaarheid wordt gereflecteerd in het artikel. - De toepasbaarheid van techniek f kan beperkt zijn in het geval van grote gietpannen en stoppannen, als gevolg van ontwerpbeperkingen. Dit wordt weergegeven in het algemeen artikel 3.22.2.1.1. - De bijhorende BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus in tabel 1.1, 1.2 en 1.3 worden opgenomen in afdeling 3.22.4, bij de respectievelijke gieterijen.
3.22.3.3.2.
Algemene overwegingen
- In dit artikel worden de formule en bijhorende duiding voor de berekening van het specifieke netto-energieniveau gegeven. - De formule is nodig voor het toetsen aan de grenswaarden voor specifieke netto-energieverbruik, vermeld in onderafdeling 3.22.4. Specifieke bepalingen voor gieterijen.
Onderafdeling 3.22.3.4. Materiaalefficiëntie
3.22.3.4.1.
BBT 15
- Alle vermelde technieken moeten toegepast worden, dus de BBT wordt volledig overgenomen in titel III van het VLAREM. - De beschrijving van de technieken bevat extra informatie over hoe deze technieken kunnen toegepast worden: voor "passende opslag van verschillende soorten residu" houdt dit in: - Doekfilterstof wordt opgeslagen op ondoordringbare oppervlakten, in omsloten zones en in gesloten zakken of houders. - Andere residuen worden gescheiden van elkaar opgeslagen op ondoordringbare oppervlakken in overdekte zones die beschermd zijn tegen afstromen water.
3.22.3.4.2.
BBT 16 Tabel 1.4
- Enkel techniek a is verplicht. Deze wordt opgenomen in titel III van het VLAREM. Daarnaast moet één of beide technieken b of c toegepast worden. - Tabel 1.4 bevat de indicatieve niveaus voor operationele materiaalefficiëntie. België (Vlaanderen) diende samen met het European Environmental Bureau een split view in, waarin werd gevraagd om de indicatieve niveaus voor operationele materiaalefficiëntie te vervangen door bindende BBT-GMPN. De split view werd door het Europese IPPC Bureau aanvaard en kreeg daarom vermelding in het hoofdstuk `Concluding remarks and recommendations for future work' van de BREF. In lijn hiermee wordt de ondergrens van de range in titel III van het VLAREM opgenomen als bindende grenswaarde. Op basis van de informatie die we hebben van de Vlaamse bedrijven, worden hier geen problemen mee verwacht. - Tabel 1.4 heeft twee voetnoten die duiding geven bij de range. Deze worden niet overgenomen, maar bevatten wel nuttige informatie dat kan gebruikt worden bij de algemene evaluaties: - de ondergrens van de range wordt doorgaans geassocieerd met de productie van complexe gietvormen, bijvoorbeeld vanwege het grote aantal gebruikte kernen en/of opkomers/gietkanalen; - bij ijzer- en staalgieterijen: de bovengrens van de range wordt doorgaans geassocieerd met centrifugaal gieten. - De bijhorende monitoring wordt vermeld in artikel 3.22.2.3.1.
3.22.3.4.3.
BBT 17
- "een combinatie van de technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 17 uit de BBT-conclusies verwezen. - de BBT gaat over materiaalverbruik van vb. chemische stoffen en bindmiddelen.
3.22.3.4.4.
BBT 18 Tabel 1.5
- De technieken worden niet opgenomen, enkel de BBT-GMPN's. - De BBT-GMPN, met bijhorende voetnoot 2, voor zandhergebruik worden als grenswaarden overgenomen in het eerste lid. - voetnoot 1 wordt opgenomen in het tweede lid, gezien deze voor de hele tabel geldt. - De toepasbaarheid is mogelijks beperkt (cfr. voetnoot 1 en voetnoot 2 in de BBT-conclusies), daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.22.2.1.1. De toepasbaarheid luidt als volgt: "(1) De BBT-GMPN's zijn mogelijk niet van toepassing wanneer de hoeveelheid gebruikt zand kleiner is dan 10 000t/jaar. (2) Het BBT-GMPN is mogelijk niet van toepassing op gieterijen voor het spuitgieten van aluminium wanneer waterglas wordt gebruikt.".
3.22.3.4.5.
BBT 19
- Alle vermelde technieken moeten toegepast worden, dus de BBT wordt volledig overgenomen in titel III van het VLAREM. - De BBT-conclusies bevatten extra informatie over hoe de technieken kunnen toegepast worden, zoals: - minimalisering van slakvorming: bN gebruik van schoon schroot; bN gebruik van een lagere metaaltemperatuur (zo dicht mogelijk bij het theoretische smeltpunt); bN vermijden van hoge temperatuurpieken; bN voorkoming van het langdurig warmhouden van gesmolten metaal in de smeltoven of gebruik van een afzonderlijke warmhoudoven; bN voldoende gebruik van fluxen; bN een passende keuze voor de vuurvaste bekleding van de oven; bN waterkoeling van de ovenwanden om slijtage van de vuurvaste bekleding van de oven te voorkomen; bN afslakken van vloeibaar aluminium; - recycleren van filterstof in koepelovens met behulp van zinkhoudend schroot: bN Filterstof uit koepelovens wordt gedeeltelijk opnieuw in de koepeloven geïnjecteerd om het zinkgehalte in het stof te verhogen tot een niveau dat Zn-terugwinning mogelijk maakt (> 18 %).
3.22.3.4.6.
BBT 20
- BBT 20 heeft mogelijks een beperkte toepasbaarheid. Deze wordt gereflecteerd in het algemeen artikel 3.22.2.1.1. Er wordt immers gesteld dat: ? recyclage en/of andere nuttige toepassing kunnen beperkt zijn door de fysisch-chemische eigenschappen van het residu (bv. organisch/metaalgehalte, korrelgrootteverdeling); ? deze BBT mogelijk niet toepasbaar is in het geval van gebrek aan een passende vraag van derden voor recyclage en/ of terugwinning. - BBT 20 heeft als doel het te verwijderen afval tot een minimum te beperken. De voorgaande BBT 15, 16, 17, 18 en 19 zetten in op het minimaliseren van afval door preventie en hergebruik. - De volgende stappen zijn, in prioriteitsvolgorde, recyclage en nuttige toepassing.
Deze volgorde wordt niet letterlijk vermeld in de BBT-conclusies, maar komt voort uit artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees parlement en de raad betreffende afvalstoffen. Recyclage heeft indien mogelijk voorrang op nuttige toepassing. Dit werd ook benadrukt door het IPPC-bureau tijdens de onderhandelingen. - De recyclage of nuttige toepassing hebben volgens de BBT prioriteit ten opzichte van de verwijdering van het afval. - BBT 20 behandelt de recyclage en nuttige toepassing van de residuen buiten het terrein. Dit kan dus door een derde partij gebeuren.
Recyclage kan bijvoorbeeld in de wegenbouw, productie van bouwmaterialen, metallurgie, zandproductie en bouwsector.
3.22.3.4.7.
tabel 1.6
- De BBT-GMPN van tabel 1.6, met bijhorende voetnoten, worden overgenomen als grenswaarden in het eerste lid. - Voetnoot 1, die voor de hele tabel geldt, toont dat de toepasbaarheid van de grenswaarden mogelijks beperkt zijn wanneer een passende vraag van derden voor recyclage/terugwinning ontbreekt.
Daarom wordt een gemotiveerde afwijking via de omgevingsvergunning mogelijk gemaakt via artikel 3.22.2.1.1.
Onderafdeling 3.22.3.5. Emissies naar lucht
3.22.3.5.1.
BBT 21
- Alle vermelde technieken moeten toegepast worden, dus de BBT wordt volledig overgenomen in titel III van het VLAREM. - technieken d. en e. zijn in bepaalde gevallen mogelijk niet toepasbaar.Dit wordt gereflecteerd in het algemeen artikel 3.22.2.1.1. - In de BBT-conclusies worden de technieken verder toegelicht. Enkele relevante toelichtingen zijn: - Beheersing van emissies afkomstig van koelbaden: bN De vorming van emissies afkomstig van koelbaden tot een minimum beperken door gebruik te maken van op water gebaseerde polymeeroplossingen (bv. met polyvinylpyrrolidon of polyalkyleenglycol). bN Het zo dicht mogelijk bij de emissiebron afvangen van emissies van koelbaden (met name voorspanning in een oliekoelbad), met behulp van dakventilatie, afzuigkappen of randafzuiging. Afgezogen afgassen kunnen worden behandeld, bv. met behulp van een ESP. bN Gebruik van verwarmd water als koelmedium - Beheersing van emissies bij het overbrengen van gesmolten metaal: bN Afzuiging zo dicht mogelijk bij de bron van diffuse emissies (bv. stof, dampen) uit overbrengingsprocessen zoals laden/aftappen met behulp van afzuigkappen bijvoorbeeld. De afgezogen afgassen worden behandeld met behulp van bijvoorbeeld een doekfilter of natte gaswassing. bN Minimalisering van diffuse emissies afkomstig van de overbrenging van vloeibaar metaal via transportgoten, bijvoorbeeld door middel van afdekking.
3.22.3.5.2.
BBT 21, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 38, 40, 41, 43
- Bij verschillende BBT is het verplicht om de emissies zo dicht mogelijk bij de emissiebron op te vangen en af te zuigen. Dit om diffuse emissies tegen te gaan, behandelen van afgassen mogelijk te maken en monitoring toe te staan. In artikel 3.22.3.5.2 worden alle processen samengenomen waarbij afzuiging verplicht is. - Bij het proces van gieten, koelen en ontzanden is er voor opvangen en afzuigen mogelijks een beperkte toepasbaarheid. Dit wordt gereflecteerd in het algemeen artikel 3.22.2.1.1. - De technieken voor het behandelen van de geleide emissies, vermeld in verschillende BBT, worden opgevangen door de BBT-geassocieerde emissieniveaus, vermeld in deze onderafdeling.
3.22.3.5.3.
BBT 22
- BBT 22 moet algemeen toegepast worden en wordt dus helemaal overgenomen in titel III van het VLAREM, inclusief een deel van de beschrijving. - Er moet worden toegezien dat de combinatie van afgasstromen niet leidt tot een verdunning van de emissies.
3.22.3.5.4.
BBT 23
- In BBT 23 zijn technieken a. tot en met e. verplicht. Een passende combinatie van de technieken f. tot en met i. is enkel nodig wanneer geen elektriciteit uit fossielvrije bronnen gebruikt wordt. - Technieken a. tot en met e. worden opgenomen in titel III van het VLAREM. Er wordt verwezen naar de BBT-conclusies voor de technieken f. tot en met i.
3.22.3.5.5.
BBT 24
- De techniek a. en d. zijn verplicht. - Techniek a. wordt opgenomen in dit artikel. Techniek d. wordt opgenomen in artikel 3.22.3.5.10.
Zie uitleg hiervoor bij het betreffende artikel. - Technieken b. en c. zijn enkel nodig wanneer geen elektriciteit uit fossielvrije bronnen gebruikt wordt. - Techniek a. is niet steeds toepasbaar. Dit wordt gereflecteerd in dit artikel.
3.22.3.5.6
Tabel 1.7 BBT 12
- De bovengrens van de BBT-geassocieerde emissieniveaus, met bijhorende voetnoten, uit de vermelde tabel worden overgenomen. - Voetnoot 1 wordt niet opgenomen. De parameter stof kan mogelijk in specifieke gevallen een niet-relevante parameter zijn voor warmtebehandeling. In dat geval is de meetverplichting niet van toepassing. Voor het bepalen van relevantie zijn er geen strikte criteria, maar wordt verwezen naar het overzicht van de afgasstromen.
Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om dit overzicht zo correct en volledig mogelijk op te stellen. Voor parameters die niet ingebracht/gebruikt, noch gevormd kunnen worden in een proces is het duidelijk dat deze niet relevant zullen zijn. Voor andere parameters kan hierover echter meer onduidelijkheid/discussie zijn. In dat geval is het van belang dat een aftoetsing kan gebeuren aan een emissiegrenswaarde om mee de relevantie van een parameter te bepalen.
Dit is het geval voor de parameter stof bij warmtebehandeling, waar emissies sowieso laag zijn (< 5 mg/Nm3). - De indicatieve emissieniveaus voor CO afkomstig van warmtebehandeling van 10 - 100 mg/Nm3 worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze zijn wel relevant zijn voor het controleren van de goede verbranding. De emissieniveaus voor CO kunnen als richtwaarde gebruikt worden bij de individuele evaluaties. - In het tweede lid wordt bepaald dat de parameters stof, NOx en CO moeten gemeten worden, overeenkomstig het artikel 3.22.2.5.2. De tweede zin geeft aan dat dit niet nodig is, wanneer de parameter niet relevant is volgens het overzicht van inputs en outputs. Dit volgt uit de voetnoot 4 van BBT 12. Voetnoot 5 van BBT 12 wordt hiermee ook gedekt, gezien deze parameters nooit relevant zijn in de afgassen, wanneer er uitsluitend elektriciteit wordt gebruikt.
3.22.3.5.7.
BBT 25 (a tot c)
- Via dit artikel gebeurt de omzetting van de technieken voor het voorkomen van emissies bij het maken van vormen door middel van kernen en verloren-vormen met kleigebonden zand. - "een combinatie van de technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 25 uit de BBT-conclusies verwezen.
3.22.3.5.8.
BBT 25 (d tot f)
- Via dit artikel gebeurt de omzetting van de technieken voor het voorkomen van emissies bij het maken van kernen en verloren vormen met chemisch gebonden zand. - Technieken d., e. of f. zijn verplicht, daarom worden ze rechtstreeks omgezet in titel III van het VLAREM. Elke techniek hiervan geldt voor een specifiek proces. Afhankelijk van het proces moet een techniek gekozen worden. - "een combinatie van de technieken" voor de overige impliceert dat niet alle overige technieken moeten worden toegepast, daarom wordt rechtstreeks naar BBT 25 uit de BBT-conclusies verwezen.
3.22.3.5.9.
BBT 25
- Via dit artikel gebeurt de omzetting van de techniek voor het voorkomen van emissies bij aanbrengen van coatings op kernen en verloren vormen. Deze techniek wordt ook beschreven in BBT 21 (artikel 3.22.3.5.1, 5° ). Door aan dit artikel te voldoen, voldoet men automatisch aan techniek 5° van artikel 3.22.3.5.1. - Techniek l. is verplicht, maar mogelijk niet algemeen toepasbaar.
Dit wordt gereflecteerd in het algemeen artikel 3.22.2.1.1. De techniek wordt overgenomen in titel III van het VLAREM.
3.22.3.5.10
tabel 1.8 en 1.9
- De BBT-geassocieerde emissieniveaus, met bijhorende voetnoten, uit de vermelde tabellen worden overgenomen. - Standaard wordt de bovengrens van het BBT-GEN bereik overgenomen als emissiegrenswaarde in titel III van het VLAREM. - Er wordt een voetnoot (1) toegevoegd, om te verduidelijken dat de emissiegrenswaarden voor afzonderlijke aminen die vermeld staan in bijlage 4.4.2. van titel II van het VLAREM nog steeds gelden, naast de som parameter die in deze tabel wordt opgenomen. Dit is relevant voor 2-naftylamine, waar de algemene emissiegrenswaarde (0,1 mg/Nm3 bij een massastroom van 0,5 g/h of meer) strenger is. - Voetnoten 1, 2 en 4 van tabel 1.8 en voetnoten 1 en 3 van tabel 1.9 worden opgenomen als extra kolom in de tabel. - De andere voetnoten uit tabellen 1.8 en 1.9 worden opgenomen in de tabel in artikel 3.22.3.5.10. - Het tweede lid verduidelijkt dat de meetverplichting, gekoppeld aan de emissiegrenswaarden, wordt beschreven in artikel 3.22.2.5.2. - De parameters cadmium, chroom, nikkel en lood moeten ook gemeten worden in de afgassen van deze processen. Gezien ze geen geassocieerde emissiegrenswaarden hebben, worden ze in het derde lid opgenomen.
/
BBT 26
- BBT 26, 27 en 28 beschrijven technieken voor het verminderen van de emissies naar lucht, door het afvangen van de emissies en ze vervolgens te behandelen met een geschikte combinatie van de beschreven technieken. - De techniek voor het afvangen van de emissies wordt telkens opgenomen in artikel 3.22.3.5.2. Zie uitleg hiervoor bij het betreffende artikel. - De technieken voor het behandelen van de afgassen, worden opgevangen door de BBT-geassocieerde emissieniveaus, vermeld in deze onderafdeling.
/
BBT 27
/
BBT 28
3.22.3.5.11
tabel 1.10
- De BBT-geassocieerde emissieniveaus, met bijhorende voetnoot, uit de vermelde tabel worden overgenomen. - Het tweede lid verduidelijkt dat de meetverplichting, gekoppeld aan de emissiegrenswaarden, wordt beschreven in artikel 3.22.2.5.2.
3.22.3.5.12.
BBT 29
- "één of een combinatie van de technieken" impliceert dat niet alle technieken moeten worden toegepast; daarom wordt rechtstreeks naar BBT 25 uit de BBT-conclusies verwezen. - Techniek f. wordt opgenomen in artikel 3.22.3.5.10. Zie uitleg hiervoor bij het betreffende artikel. - De technieken voor het behandelen van de afgassen, worden opgevangen door de BBT-geassocieerde emissieniveaus. Deze worden samengenomen in artikel 3.22.3.5.11.
3.22.3.5.13
tabel 1.11
- De BBT-geassocieerde emissieniveaus, met bijhorende voetnoten, uit de vermelde tabel worden overgenomen. - Voetnoot 1 uit tabel 1.11, wordt overgenomen als extra kolom in de tabel in artikel 3.22.3.5.13. - Voetnoten 2 en 3 uit tabel 1.11 worden samen opgenomen in voetnoot 1 van de tabel. - Het tweede lid verduidelijkt dat de meetverplichting, gekoppeld aan de emissiegrenswaarden, wordt beschreven in artikel 3.22.2.5.2.
3.22.3.5.14
tabel 1.12
- Het BBT-geassocieerde emissieniveau uit de vermelde tabel wordt overgenomen. - Het tweede lid verduidelijkt dat de meetverplichting, gekoppeld aan de emissiegrenswaarden, wordt beschreven in artikel 3.22.2.5.2. - De parameters cadmium, chroom, nikkel en lood moeten ook gemeten worden in de afgassen van deze processen. Gezien ze geen geassocieerde emissiegrenswaarden hebben, worden ze in het derde lid opgenomen.
3.22.3.5.15.
BBT 31
- Technieken a. en b. zijn enkel nodig wanneer geen elektriciteit uit fossielvrije bronnen gebruikt wordt. De BBT-GEN voor NOX en SO2 zijn enkel van toepassing op specifieke processen, terwijl deze technieken algemeen gelden. Daarom worden deze technieken opgenomen in titel III van het VLAREM. - Techniek c. wordt opgenomen in artikel 3.22.3.5.2. Zie uitleg hiervoor bij het betreffende artikel. - De technieken voor het behandelen van de afgassen, worden opgevangen door de BBT-geassocieerde emissieniveaus. Deze worden samengenomen in artikel 3.22.3.5.11.
3.22.3.5.16.
tabel 1.13, tabel 1.14
- De BBT-geassocieerde emissieniveaus, met bijhorende voetnoten, uit de vermelde tabellen worden overgenomen. - Standaard wordt de bovengrens van het BBT-GEN bereik overgenomen als emissiegrenswaarde in titel III van het VLAREM. - Het tweede lid verduidelijkt dat de meetverplichting, gekoppeld aan de emissiegrenswaarden, wordt beschreven in artikel 3.22.2.5.2. - De parameter NOX in de afgassen van processen anders dan het cold-box proces moet ook gemeten worden. Gezien ze geen geassocieerde emissiegrenswaarden heeft, wordt ze in het derde lid opgenomen.
3.22.3.5.12.
BBT 12
- BBT 12 bepaalt de verplichte monitoring van emissies naar lucht.
Deze zijn standaard jaarlijks. - Artikel 3.22.2.3.2. bepaalt dat sslle emissies naar lucht, waarvoor een emissiegrenswaarde bestaat, of waarvoor metingen worden opgelegd, moeten worden gemeten volgens bijlage 4.4.3, met een minimum van jaarlijkse metingen. - Gezien er enkele parameters moeten gemeten worden, die géén BBT-GEN hebben, en dus geen emissiegrenswaarde, moeten deze apart opgenomen worden in dit artikel 3.22.3.5.12. De andere parameters hebben allemaal een emissiegrenswaarde, en moeten dus gemeten worden zoals bepaald in artikel 3.22.2.3.2. - De monitoring is afhankelijk van parameter en het specifieke proces.
Onderafdeling 3.22.3.6. Geur
/
BBT 32 BBT 33
- BBT 32 en 33 omvatten het geurbeheerplan en de bijhorende geurmonitoring. Deze zijn onderdeel van het milieubeheersysteem. - BBT 32 en 33 bevatten een toepasbaarheid die zegt dat "De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan". Gezien dit over slechts beperkte probleemsituaties gaat, is het niet nodig dit op te nemen in de algemene voorwaarden van titel III van het VLAREM. Bij de algemene evaluatie van de installatie dient afhankelijk van de situatie bekeken te worden of het geurbeheersplan nodig is, en in welke mate deze geïmplementeerd dient te worden.
3.22.3.6.1.
BBT 34
- Alle technieken van BBT 34 moeten worden toegepast, dus deze wordt geheel overgenomen in titel III van het VLAREM. - Techniek a. heeft mogelijks een beperkte toepasbaarheid. Dit wordt gereflecteerd in het algemeen artikel 3.22.2.1.1.
Onderafdeling 3.22.3.7. Waterverbruik en afvalwater
3.22.3.7.1.
BBT 35
- Techniek a. van BBT 35 bevat het waterbeheersplan, met bijhorende jaarlijkse audits. Deze zijn deel van het milieubeheersysteem. - Het waterbeheersplan is algemeen toepasbaar, maar de mate van gedetailleerdheid en de aard ervan is in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. Deze toepasbaarheid opnemen is bijgevolg niet nodig. - Techniek b. van BBT 35, het scheiden van waterstromen, heeft als doel waterstromen zonder verontreiniging te scheiden van de verontreinigde stromen. Ook stromen die een verschillende behandeling vereisen worden apart gehouden voor een optimale behandeling. Deze techniek heeft mogelijks een beperkte toepasbaarheid. Dit wordt gereflecteerd in het algemeen artikel 3.22.2.1.1. - "Een geschikte combinatie van de technieken c. tot en met g." impliceert dat niet alle technieken hiervan verplicht zijn. Hiervoor wordt rechtstreeks verwezen naar de BBT-conclusies. - in het tweede lid wordt vermeld dat het waterbeheersplan en de wateraudits ter beschikking moeten worden gesteld aan de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij als die daarom vragen.
3.22.3.7.2.
Tabel 1.15 Algemene overwegingen
- De BBT-GMPN worden overgenomen als grenswaarden in het eerste lid. - De formule en bijhorende uitleg, voor het berekenen van het specifieke waterverbruik worden overgenomen in het tweede lid uit de algemene overwegingen van de BBT-conclusies. - Voor de bijhorende monitoring wordt in het derde lid verwezen naar artikel 3.22.2.3.1, eerste lid, 1°.
Onderafdeling 3.22.3.8. Emissies naar water
3.22.3.8.1.
BBT 13 BBT 36 Tabel 1.16 Tabel 1.17
- "een geschikte combinatie van technieken" impliceert dat niet alle technieken verplicht zijn. De BBT-GEN, vermeld in tabel 1.16 en 1.17 zijn rechtstreeks gelinkt aan de technieken, vermeld in BBT 36. De technieken uit BBT 36 worden bijgevolg niet opgenomen in titel III van het VLAREM. - De bovengrens van het BBT-GEN bereik wordt overgenomen in titel III van het VLAREM als emissiegrenswaarde, tenzij er strengere geldende bepalingen zijn in titel II van het VLAREM. In die gevallen worden de reeds geldende strengere bepaling behouden: voor de parameters AOX, koper, chroom, lood, nikkel en zink is het indelingscriterium in Vlaanderen lager dan de ondergrens van het BBT-GEN bereik. Als die stoffen vandaag boven het IC geloosd worden, moet hiervoor een norm in de vergunning aangevraagd worden. Voor deze parameters wordt daarom niet de bovengrens als emissiegrenswaarden vastgelegd in VLAREM III, maar moet deze van geval tot geval worden bepaald in de vergunning, waarbij het indelingscriterium voor deze gevaarlijke stoffen als startpunt moet gebruikt worden. Het vaststellen van een emissiegrenswaarde die hoger ligt dan het IC zou anders een ongewilde versoepeling inhouden.
- Tabellen 1.16 en 1.17 worden samengenomen tot één tabel. De opsplitsing in twee afzonderlijke kolommen, één voor lozing in oppervlaktewater en één voor lozing in riolering, verduidelijkt welke emissiegrenswaarden enkel gelden voor lozing in oppervlaktewater, of welke emissiegrenswaarden gelden voor zowel lozing in riolering als in oppervlaktewater. - Wat betreft de voetnoten (vn) uit de tabellen: - Tabel 1.16 & 1.17, Voetnoot 1: Deze voetnoot is louter informatief, en wordt niet overgenomen. - Tabel 1.16, vn 2 & tabel 1.17, vn 3: Deze voetnoot verwijst naar de inventaris van inputs en outputs uit BBT 2. Deze wordt overgenomen in voetnoot 3 in de tabel, met verwijzing naar artikel 3.22.2.2.2. - Tabel 1.16, vn 3: voetnoot m.b.t. CZV en TOC als alternatief, wordt opgenomen als voetnoot 4 bij de tabel om de keuze te laten tussen parameter CZV of TOC. - Tabel 1.16 & 1.17, vn 4: wordt opgenomen als voetnoot 5 bij de tabel. - Tabel 1.17, vn 2: voetnoot m.b.t. stroomafwaartse afvalwaterzuiveringsinstallaties, wordt niet omgezet in VLAREM. In Vlaanderen zijn de afvalwaterzuiveringsinstallaties niet voldoende ontworpen noch passend uitgerust om dergelijke parameters voldoende te zuiveren. - De herkomst van de stromen wordt verduidelijkt via voetnoot 1. De emissiegrenswaarde voor AOX geldt enkel bij het gebruik van natte gaswassing van de afgassen van koepelovens. Alle andere emissiegrenswaarden gelden voor alle processen die vermeld staan in de hoofding van het artikel. - In het tweede lid wordt vermeld dat de parameters minimaal om de drie maanden moeten gemeten worden. Daarbij worden ook parameters vermeld die overeenkomstig BBT 13 moeten gemeten worden, maar waarvoor in BBT 36 geen emissiegrenswaarden werden bepaald. - De parameters arseen, cadmium, ijzer en kwik in het afvalwater moet ook gemeten worden. Gezien ze geen geassocieerde emissiegrenswaarden hebben, worden ze in het derde lid opgenomen. - Het vierde lid verwijst naar de verplichting van een continue meting van AOX, CZV, TOC, zwevende stoffen en fenolindex in titel II van het VLAREM, wanneer er meer dan 50m3 per uur wordt geloosd. - De voetnoten in BBT 13 komen grotendeels overeen met de voetnoten in tabellen 1.16 en 1.17. Enkel de eerste voetnoot, m.b.t. batchlozingen, wordt toegevoegd aan het vijfde lid.
Afdeling 3.22.4. Specifieke bepalingen voor gieterijen
Onderafdeling 3.22.4.1. IJzergieterijen
3.22.4.1.1.
BBT 37
- "Een geschikte combinatie van de technieken" impliceert dat niet alle technieken hiervan verplicht zijn. Hiervoor wordt rechtstreeks verwezen naar de BBT-conclusies.
3.22.4.1.2.
Tabel 1.1
- De bovengrenzen van het BBT-GMPN bereik worden overgenomen als grenswaarden in titel III van het VLAREM. - Voetnoot 1 wordt overgenomen in de tabel. - Het specifieke energieverbruik wordt berekend volgens de formule, vermeld in artikel 3.22.3.3.2.
3.22.4.1.3.
BBT 38
- "Een geschikte combinatie van de technieken" impliceert dat niet alle technieken hiervan verplicht zijn. Hiervoor wordt rechtstreeks verwezen naar de BBT-conclusies. - techniek f. wordt algemeen verplicht via artikel 3.22.3.5.10. - technieken g. tot en met l. zijn rechtstreeks gelinkt aan de BBT-GEN en worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM.
3.22.4.1.4.
BBT 12 Tabel 1.18
- De BBT-GEN worden overgenomen als emissiegrenswaarden. - Voetnoten 1 wordt overgenomen. - Voetnoot 2 is louter informatief en wordt bijgevolg niet overgenomen in de tabel. De voetnoot is wel nuttig bij het evalueren van de individuele vergunningen: "De ondergrens van het BBT-GEN-bereik (van HCl en HF) kan worden behaald door gebruik te maken van droge kalkinjectie." - Voetnoot 3 wordt enkel opgenomen voor lood en niet voor dioxinen en furanen. De parameter dioxinen en furanen kan mogelijk in specifieke gevallen een niet-relevante parameter zijn voor het smelten van ijzer.
In dat geval is de meetverplichting niet van toepassing. Voor het bepalen van relevantie zijn er geen strikte criteria, maar wordt verwezen naar het overzicht van de afgasstromen. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om dit overzicht zo correct en volledig mogelijk op te stellen. Voor parameters die niet ingebracht/gebruikt, noch gevormd kunnen worden in een proces is het duidelijk dat deze niet relevant zullen zijn. Voor andere parameters kan hierover echter meer onduidelijkheid/discussie zijn. In dat geval is het van belang dat een aftoetsing kan gebeuren aan een emissiegrenswaarde om mee de relevantie van een parameter te bepalen.
Dit is het geval voor de parameter dioxinen en furanen bij het smelten van ijzer, waar wisselende inputkwaliteit die vaak moeilijk te controleren is een belangrijke impact kan hebben op de mogelijke vorming van dioxinen en furanen. - De indicatieve emissieniveaus voor CO voor roterende ovens (van 10-30 mg/Nm3) en CBC of HBC (van 20-220 mg/Nm3), worden niet overgenomen in het VLAREM. Deze kunnen wel relevant zijn voor het controleren van de goede verbranding en kunnen wel als richtwaarde gebruikt worden bij de algemene evaluaties. - In het tweede lid wordt verduidelijkt voor welke parameters er een meetverplichting geldt, afhankelijk van de soort oven. - Voetnoot 6 van BBT 12 wordt gereflecteerd in het derde lid.
3.22.4.1.5.
BBT 39 Tabel 1.19
- Ofwel moet techniek a. toegepast worden, ofwel de combinatie van technieken b. en c. uit de BBT-conclusie. - Techniek c. is rechtstreeks gelinkt aan de BBT-GEN en wordt bijgevolg niet overgenomen in titel III van het VLAREM. - De bovengrens van de BBT-GEN uit tabel 1.19 wordt overgenomen als emissiegrenswaarde in het tweede lid. De bijhorende meetverplichting in het derde lid.
Onderafdeling 3.22.4.2. Staalgieterijen
3.22.4.2.1.
Tabel 1.2
- De bovengrenzen van het BBT-GMPN bereik worden overgenomen als grenswaarden in titel III van het VLAREM. - Het specifieke energieverbruik wordt berekend volgens de formule, vermeld in artikel 3.22.3.3.2.
3.22.4.2.2.
BBT 40 Tabel 1.20
- Techniek a. wordt algemeen verplicht via artikel 3.22.3.5.2. - Techniek b. is rechtstreeks gelinkt aan de BBT-GEN en wordt bijgevolg niet overgenomen in titel III van het VLAREM. - De bovengrens van de BBT-GEN uit tabel 1.20 wordt overgenomen als emissiegrenswaarde.
- Voetnoot 1 wordt niet opgenomen voor dioxinen en furanen. De parameter dioxinen en furanen kan mogelijk in specifieke gevallen een niet-relevante parameter zijn voor het smelten van staal. In dat geval is de meetverplichting niet van toepassing. Voor het bepalen van relevantie zijn er geen strikte criteria, maar wordt verwezen naar het overzicht van de afgasstromen. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om dit overzicht zo correct en volledig mogelijk op te stellen. Voor parameters die niet ingebracht/gebruikt, noch gevormd kunnen worden in een proces is het duidelijk dat deze niet relevant zullen zijn. Voor andere parameters kan hierover echter meer onduidelijkheid/discussie zijn. In dat geval is het van belang dat een aftoetsing kan gebeuren aan een emissiegrenswaarde om mee de relevantie van een parameter te bepalen. Dit is het geval voor de parameter dioxinen en furanen bij het smelten van staal, waar wisselende inputkwaliteit die vaak moeilijk te controleren is een belangrijke impact kan hebben op de mogelijke vorming van dioxinen en furanen. - In het tweede lid wordt verduidelijkt voor welke parameters er een meetverplichting geldt. - Voetnoot 6 van BBT 12 wordt gereflecteerd in het derde lid.
3.22.4.2.3.
BBT 41 Tabel 1.21
- Techniek a. wordt algemeen verplicht via artikel 3.22.3.5.2. - Techniek b. is rechtstreeks gelinkt aan de BBT-GEN en wordt bijgevolg niet overgenomen in titel III van het VLAREM. - De bovengrens van de BBT-GEN uit tabel 1.21 wordt overgenomen als emissiegrenswaarde.
Onderafdeling 3.22.4.3. Non-ferrometaalgieterijen
3.22.4.3.1.
BBT 42 Tabel 1.3
- De technieken, vermeld in BBT 42, zijn rechtstreeks gelinkt aan de BBT-GMPN, vermeld in tabel 1.3. De technieken worden bijgevolg niet overgenomen in titel III van het VLAREM. - De bovengrens van het BBT-GMPN bereik worden overgenomen als grenswaarde in titel III van het VLAREM. - Het specifieke energieverbruik wordt berekend volgens de formule, vermeld in artikel 3.22.3.3.2.
3.22.4.3.2.
BBT 43 tabel 1.22
- Techniek a. wordt algemeen verplicht via artikel 3.22.3.5.2. - Technieken b. tot en met e. zijn rechtstreeks gelinkt aan de BBT-GEN en wordt bijgevolg niet overgenomen in titel III van het VLAREM. - De bovengrens van de BBT-GEN uit tabel 1.22 wordt overgenomen als emissiegrenswaarde. - Voetnoten 1, 4 en 5 worden overgenomen in titel III van het VLAREM. - Voetnoot 6 wordt enkel opgenomen voor HCl en niet voor dioxinen en furanen. De parameter dioxinen en furanen kan mogelijk in specifieke gevallen een niet-relevante parameter zijn voor het smelten van non-ferrometaal. In dat geval is de meetverplichting niet van toepassing. Voor het bepalen van relevantie zijn er geen strikte criteria, maar wordt verwezen naar het overzicht van de afgasstromen.
Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om dit overzicht zo correct en volledig mogelijk op te stellen. Voor parameters die niet ingebracht/gebruikt, noch gevormd kunnen worden in een proces is het duidelijk dat deze niet relevant zullen zijn. Voor andere parameters kan hierover echter meer onduidelijkheid/discussie zijn. In dat geval is het van belang dat een aftoetsing kan gebeuren aan een emissiegrenswaarde om mee de relevantie van een parameter te bepalen.
Dit is het geval voor de parameter dioxinen en furanen bij het smelten van non-ferrometaal, waar wisselende inputkwaliteit die vaak moeilijk te controleren is een belangrijke impact kan hebben op de mogelijke vorming van dioxinen en furanen. - Het indicatieve emissieniveau voor CO van 5-30 mg/Nm3 wordt niet overgenomen. Dit niveau kan wel relevant zijn voor het controleren van de goede verbranding en kan wel als richtwaarde gebruikt worden bij de algemene evaluaties. - In het tweede lid wordt verduidelijkt voor welke parameters er een meetverplichting geldt, afhankelijk van de soort oven. - Voetnoot 6 van BBT 12 wordt gereflecteerd in het derde lid.
3.22.4.3.3.
BBT 44
- BBT 44 stelt dat het gebruik van chloorgas bij het behandelen van gesmolten aluminium geen BBT is. Dit is algemeen toepasselijk en wordt overgenomen in titel III van het VLAREM.
3.22.4.3.4.
BBT 45
- BBT 45 is algemeen toepasselijk en wordt overgenomen in titel III van het VLAREM. - De beschrijving in de BBT-conclusie bevat meer informatie: Geschikte middelen om oxidatie tegen te gaan (inerte gassen) die een laag aardopwarmingsvermogen hebben, zijn onder meer: SO2; gasmengsels van N2, CO2 en/of SO2; gasmengsels van argon en SO2.Het gebruik van SO2 resulteert in de vorming van een beschermende laag die bestaat uit MgSO4, MgS en MgO.
Afdeling 3.22.5. Smederijen
Onderafdeling 3.22.5.1.
3.22.5.1.1.
/
Dit artikel verduidelijkt dat de afdeling 3.22.5 enkel geldt voor smederijen. Daarnaast wordt verduidelijkt dat deze afdeling geldt naast de algemene bepalingen in afdeling 3.22.2.
Onderafdeling 3.22.5.2.
/
BBT 46
Gezien het specifiek netto-energieverbruik van smederijen als bindende grenswaarden worden overgenomen, worden de gekoppelde technieken niet overgenomen. Wanneer voldaan wordt aan de grenswaarden, wordt geacht voldaan te zijn aan de technieken.
3.22.5.2.1.
Tabel 1.23 algemene overwegingen
- De bovengrens van het indicatieve niveau wordt overgenomen als bindende grenswaarde in het eerste lid. Op dit moment zijn er geen vergunde smederijen van klasse 1. Wanneer een nieuwe smederij aan deze voorwaarden moet voldoen, wordt geacht dat ze kunnen voldoen aan de laatste stand der techniek. - De formule en uitleg nodig voor de berekening van het specifieke netto-energieverbruik wordt overgenomen in het tweede lid.
Onderafdeling 3.22.5.3. Materiaalefficiëntie
3.22.5.3.1.
BBT 47
- Alle technieken zijn verplicht, en worden overgenomen in titel III van het VLAREM. Onderafdeling 3.22.5.4. Trillingen
3.22.5.4.1.
BBT 48
- De techniek is verplicht, en wordt overgenomen in titel III van het VLAREM. In de beschrijving bij de BBT 48 wordt nog volgende informatie meegegeven: "Trillingreducerende en isolatietechnieken voor hamerapparatuur omvatten de installatie van trillingsdempende onderdelen, bijvoorbeeld trillingsdempers met lagen elastomeer of viskeuze trillingsdempers met veren onder het aambeeld, veeromhulling onder de basis van de hamer.". - De techniek is enkel toepasbaar bij nieuwe installaties of wezenlijke verbeteringen van de installatie. Gezien er geen bestaande installaties zijn, zullen alle toekomstige installaties hier aan moeten voldoen.
Onderafdeling 3.22.5.5. Emissies naar lucht
/
BBT 49
De monitoringsverplichting van BBT 49 wordt opgenomen in artikel 3.22.5.5.2.
3.22.5.5.1.
BBT 50
- Alle technieken zijn verplicht, en worden overgenomen in titel III van het VLAREM. - In techniek 2° staat het afzuigen en behandelen van emissies. Het behandelen kan bijvoorbeeld met een doekfilter.
/
BBT 51
Er gelden bindende BBT-GEN, die vertaald worden als bindende grenswaarden in artikel 3.22.5.5.2. Wanneer voldaan wordt aan de grenswaarden, wordt geacht voldaan te zijn aan de technieken. Deze worden dus niet overgenomen in VLAREM.
3.22.5.5.2.
BBT 51 Tabel 1.24
- De BBT-GEN wordt overgenomen in het eerste lid. - De voetnoot wordt overgenomen in het tweede lid. - Het indicatieve emissieniveau voor CO van 10-100 mg/Nm3 wordt niet overgenomen. Deze kan wel relevant zijn voor het controleren van de goede verbranding en kan wel als richtwaarde gebruikt worden bij de algemene evaluaties. - De meetverplichting van BBT 49 wordt overgenomen in het derde lid.
Onderafdeling 3.22.5.6. Waterverbruik en afvalwater
3.22.5.6.1.
BBT 52
- Alle technieken zijn verplicht, en worden overgenomen in titel III van het VLAREM. Technieken a. en b. hebben mogelijks een beperkte toepasbaarheid. Dit wordt gereflecteerd in het algemeen artikel 3.22.2.1.1.
Hoofdstuk 3. Slotbepaling
Artikel 7 Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast.
Brussel, 18 september 2026.
De minister-president van de Vlaamse Regering, M. DIEPENDAELE De Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw, J. BROUNS
Raad van State, afdeling Wetgeving Advies 79.588/1 van 17 juli 2026 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen' Op 15 juni 2026 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege verlengd tot 30 juli 2026,* een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen'.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 7 juli 2026 . De kamer was samengesteld uit Pierre Lefranc, kamervoorzitter, Brecht Steen en Tim Corthaut, staatsraden, Michel Tison, assessor, en Eline Yoshimi, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Lennart Nijs, auditeur.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 17 juli 2026 . 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking van het ontwerp 2. Het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 16/05/2014 pub. 03/12/2014 numac 2014035907 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges type besluit van de vlaamse regering prom. 16/05/2014 pub. 06/10/2014 numac 2014035960 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de herverdeling van begrotingsartikelen van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014 type besluit van de vlaamse regering prom. 16/05/2014 pub. 06/10/2014 numac 2014035972 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de herverdeling van begrotingsartikelen van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014 type besluit van de vlaamse regering prom. 16/05/2014 pub. 17/09/2014 numac 2014035769 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de herverdeling van begrotingsartikelen van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014 type besluit van de vlaamse regering prom. 16/05/2014 pub. 11/07/2014 numac 2014035716 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de vrijstelling van de adviesverplichting in de procedures ongeschikt-, onbewoonbaar- en overbewoondverklaring van een woning, tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen sluiten `houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties'1 te wijzigen, rekening houdend met de conclusies over de beste beschikbare technieken2 voor smederijen en gieterijen. De ontworpen wijzigingen voorzien in de omzetting van het uitvoeringsbesluit (EU) 2024/2974 van de Commissie van 29 november 2024 `tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, voor de smederijen en gieterijen'3 (artikelen 1 en 6 van het ontwerp).
Daarnaast wordt het begrip `energieaudit' doorheen titel III van het VLAREM vervangen door `audit', om verwarring met energieaudits in de zin van artikel 1.1.1, § 2, 26°, van het Energiebesluit van 19 november 2010 te vermijden (artikelen 2 tot 5).
Rechtsgrond 3. Het ontwerp vindt rechtsgrond in het in de rubriek `Rechtsgronden' van de aanhef vermelde artikel 5.4.3, § 1, van het decreet van 5 april 1995 `houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid'.4 Op grond van artikel 5.4.3, § 1, van het DABM bepaalt de Vlaamse Regering de wijze waarop de beste beschikbare technieken vastgesteld worden.
Vormvereisten 4. In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt toegelicht waarom, op grond van arrest C-24/19 van 25 juni 2020 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Grote Kamer)5, voor het ontwerp geen milieubeoordeling moet worden opgesteld.De aangevoerde redengeving komt er in hoofdzaak op neer dat het niet de bedoeling kan zijn het vaststellingproces op Europees niveau over te doen, nu het ontwerp voorziet in de omzetting van de BBT-conclusies vervat in het Uitvoeringsbesluit en dat het met deze BBT-conclusies is dat het toetsingskader voor de vergunningen wordt bepaald.
In haar legisprudentie heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State al aangegeven dat deze argumentatie niet aannemelijk maakt waarom een ontwerp dat strekt tot het omzetten van BBT-conclusies geen "aanzienlijke milieueffecten" tot gevolg zou kunnen hebben, en dat deugdelijke argumentatie moet kunnen worden ingeroepen om aan te nemen dat de ontworpen regeling geen plan of programma kan inhouden in de zin van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 `betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's'.6 Indien de Vlaamse Regering van mening is dat zij voor dit ontwerp geen milieueffectbeoordeling moet laten verrichten, dient ze overeenkomstig artikel 3, lid 5, van richtlijn 2001/42/EG aan te tonen dat de ontworpen regeling effectief geen aanzienlijke milieueffecten heeft, hierbij rekening houdend met de in bijlage II van de richtlijn vermelde criteria. Tevens zouden deugdelijke argumenten moeten kunnen worden ingeroepen die het aannemelijk maken dat de ontworpen regeling geen plan of programma kan inhouden in de zin van artikel 2, a), eerste streepje, van richtlijn 2001/42/EG. Het verdient aanbeveling om het verslag aan de Vlaamse Regering aan te vullen met een verantwoording, wat deze aspecten betreft.
Algemene opmerkingen Onvolledige omzetting van het Uitvoeringsbesluit 5. Overeenkomstig punten xxvii) en xxix), bevat het milieubeheersysteem een beheersplan voor geluid en/of trillingen, opgesteld overeenkomstig BBT 8, respectievelijk een geurbeheersplan, opgesteld overeenkomstig BBT 32.BBT 33 voorziet daarenboven in de periodieke monitoring van de geurhinder. De toepasbaarheid van BBT 8 is "beperkt tot gevallen waarin geluids- en/of trillingshinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is aangetoond". De toepasbaarheid van BBT's 32 en 33 is "beperkt tot de gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan".
Deze punten werden niet omgezet in het ontwerp, hetgeen wordt toegelicht in het verslag aan de Vlaamse Regering: "De volgende BBT-conclusies worden niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Tijdens de algemene evaluaties zal worden geëvalueerd of deze BBT-conclusies van toepassing zijn op de installatie. Indien nodig worden de milieuvoorwaarden bijgesteld om een volledige omzetting van de BBT-conclusies te bekomen.
BBT 8: De BBT om geluids- en trillingsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, bestaat erin om als onderdeel van het milieubeheersysteem een beheersplan voor geluid en/of trillingen op te zetten, uit te voeren en regelmatig te evalueren. De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geluids- en/of trillingshinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is aangetoond.
Deze BBT-conclusie wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze bepaling is niet algemeen toepasbaar en handhaafbaar, is te voorwaardelijk geformuleerd, en sterk gekoppeld aan een individuele toetsing aan de lokale omstandigheden. Daarom wordt deze BBT van geval tot geval beoordeeld, en toegepast indien nodig.
BBT 1, onder de specifieke elementen voor de smederijen en gieterijen, punt xxvii: Dit punt omvat het beheersplan voor geluid en/of trillingen, als onderdeel van het milieubeheersysteem. Er wordt daarvoor verwezen naar BBT 8. Gezien BBT 8 niet opgenomen wordt in titel III [van] het VLAREM, wordt dit punt ook niet overgenomen.
BBT 32: De BBT om geuremissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is om als onderdeel van het milieubeheersysteem een geurbeheersplan op te zeten, uit te voeren en regelmatig te evalueren. De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.
Deze BBT-conclusie wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze bepaling is niet algemeen toepasbaar en handhaafbaar, is te voorwaardelijk geformuleerd, en sterk gekoppeld aan een individuele toetsing aan de lokale omstandigheden. Daarom wordt deze BBT van geval tot geval beoordeeld, en toegepast indien nodig.
BBT 1, onder de specifieke elementen voor de smederijen en gieterijen, punt xxix: Dit punt omvat het geurbeheersplan, als onderdeel van het milieubeheersysteem. Er wordt daarvoor verwezen naar BBT 32. Gezien BBT 32 niet opgenomen wordt in titel III van het VLAREM, wordt dit punt ook niet overgenomen.
BBT 33: De BBT is om de geur periodiek te monitoren. De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.
Deze BBT-conclusie wordt niet opgenomen in titel III van het VLAREM. Deze bepaling is niet algemeen toepasbaar en handhaafbaar, is te voorwaardelijk geformuleerd, en sterk gekoppeld aan een individuele toetsing aan de lokale omstandigheden. Daarom wordt deze BBT van geval tot geval beoordeeld, en toegepast indien nodig." Overeenkomstig artikel 288, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is een besluit uitgaande van de instellingen van de Unie in al zijn onderdelen verbindend. BBT's 8, 32 en 33 zullen alsnog moeten worden omgezet.7 Regelgeving door verwijzing en verwijzing naar technische normen 6. In diverse van de ontworpen bepalingen onder artikel 6 van het ontwerp wordt verwezen naar "de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen", zonder dat de betrokken voorschriften worden overgenomen in de tekst van het ontwerp.8 De reden daarvoor is dat enkel indien de exploitant verplicht wordt een bepaalde techniek toe te passen, deze techniek in het besluit wordt overgenomen.
In de legisprudentie heeft de afdeling Wetgeving erop gewezen dat dergelijke regeling door verwijzing naar "BBT-conclusies" enkel valt te billijken in zoverre de betrokken conclusies voldoende toegankelijk zijn en de verwijzing ernaar niet gebeurt ten koste van de duidelijkheid van de ontworpen regeling.9 Wat betreft de BBT's waarnaar het ontwerp uitdrukkelijk verwijst, kan deze werkwijze worden gebillijkt. 7.1. Een aantal BBT's (meer bepaald BBT 12, BBT 13 en BBT 49) verwijzen naar CEN-normen en, wanneer dergelijke normen niet beschikbaar zijn, naar ISO-normen.10 Met betrekking tot die verwijzingen stelt het verslag aan de Vlaamse Regering (p. 12 en 13): "Verwijzing naar CEN-, ISO- en andere normen voor emissies naar [lucht (BBT 12), resp. water (BBT 13)] worden niet in dit hoofdstuk opgenomen. Dit wordt vermeld in [artikelen 2.3.2.1 en 2.3.3.1] van titel III van het VLAREM."
Artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM verwijst voor de monitoring van emissies in de lucht door naar de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Artikel 2.3.3.1 van titel III van het VLAREM bevat een gelijkaardige bepaling voor de monitoring van emissies in water, die wordt verricht conform de meetmethoden vermeld in artikel 4, § 1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden in beide gevallen de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren. 7.1.1. Voor verschillende stoffen/parameters waarvoor BBT 12 verwijst naar een CEN-norm voor de monitoring, kan op het eerste gezicht geen tegenhanger worden aangeduid in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM, zodat voor die stoffen/parameters overeenkomstig artikel 2.3.2.1 van titel III van het VLAREM lijkt te moeten worden teruggevallen op de CEN-normen die ook in BBT 12 zijn vermeld.11 Voor de stoffen/parameters waarvoor een referentiemeetmethode werd opgesteld in een compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht (zgn. LUC), goedgekeurd bij ministerieel besluit, wordt op die meetmethode teruggevallen. 7.1.2. Bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM bevat voor alle in BBT 13 opgenomen stoffen/parameters een referentiemeetmethode in de vorm van een compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water (zgn. WAC), goedgekeurd bij ministerieel besluit. 7.2. Voor zover de referentiemeetmethoden, die van toepassing zijn op grond van de in bijlagen 4.4.2 en 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM vermelde LUC's en WAC's, monitoringsverplichtingen en -methoden opleggen die een beschermingsniveau bieden dat minstens gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat wordt geboden door de in BBT's 12 en 13 vermelde CEN-normen, hetgeen door de stellers van het ontwerp dient te worden nagegaan, kan daarmee worden ingestemd.12 Indien zulks niet het geval is, moet het ontwerp in die zin worden aangevuld met een uitdrukkelijke verwijzing naar een afwijkende norm die aan het door het Uitvoeringsbesluit gestelde beschermingsniveau voldoet.13 7.3. Voor zover niet kan worden teruggevallen op internrechtelijke referentiemeetmethoden die (minstens) een gelijkwaardig beschermingsniveau garanderen, moet worden teruggevallen op de in het Uitvoeringsbesluit vermelde CEN-normen.
Artikel 190 van de Grondwet bepaalt dat geen wet, geen besluit of geen verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald. Dat grondwetsartikel verwoordt een algemeen rechtsbeginsel dat geldt voor alle algemene rechtsnormen. De mogelijkheid voor elke persoon om te allen tijde ervan kennis te nemen, is een recht dat inherent is aan de rechtstaat, omdat het die kennisneming is die iedereen in staat zal stellen zich naar die teksten te gedragen.
Zolang er geen bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is tot stand gekomen, zijn de CEN-normen waaraan wordt gerefereerd, geen overeenkomstig artikel 190 van de Grondwet bekendgemaakte normen, zodat zij niet tegenwerpbaar zijn aan iedereen.
Bovendien heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een Unieregeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die hen worden opgelegd, nauwkeurig te kennen.14 Die belanghebbenden moeten immers ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.15 Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat een bijlage bij een verordening welke niet is bekendgemaakt in het Publicatieblad geen bindende kracht heeft, voor zover deze bijlage beoogt verplichtingen op te leggen aan particulieren.16 Het Hof heeft zich er ook tegen verzet dat verplichtingen die zijn opgenomen in een Unieregeling die niet werd bekendgemaakt in de taal van een lidstaat, hoewel deze taal een officiële taal van de Europese Unie is, kunnen worden opgelegd aan particulieren in deze staat, ook al hadden deze personen via andere wegen van deze regeling kennis kunnen nemen.17 Bijgevolg lijkt het probleem van de verwijzingen naar niet bekendgemaakte technische normen die niet beschikbaar zijn in het Nederlands, zich in het recht van de Europese Unie in gelijkaardige termen te stellen als in de interne rechtsorde. Het Hof van Justitie heeft erkend dat normen waarnaar in EU-wetgeving wordt verwezen in beginsel moeten worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie18 - wat een bekendmaking in alle officiële talen van de Unie lijkt te impliceren.
Wat ISO-normen betreft heeft het Hof daar echter aan toegevoegd dat "evenwel rekening [moet] worden gehouden met de specifieke kenmerken van het door de ISO opgezette systeem, bestaande uit een netwerk van nationale normalisatie-instellingen, dat deze nationale instellingen in staat stelt om op verzoek toegang te verlenen tot de officiële en authentieke versie van de door de ISO vastgestelde normen. Wanneer ondernemingen deze toegang hebben tot de officiële, authentieke versie van de normen waarnaar in artikel 4, lid 1, van richtlijn 2014/40 wordt verwezen, kunnen deze normen en derhalve de verwijzing in deze bepaling naar die normen derhalve aan hen worden tegengeworpen."19 In het voorliggende geval lijkt die toegang echter niet voorhanden, noch via de website van het CEN, noch via de verbonden Belgische normalisatie-instelling NBN. Daaraan zou door de stellers van het ontwerp echter tegemoet kunnen worden gekomen, overeenkomstig artikel VIII.2, tweede lid, van het WER, dat luidt: "De Staat en alle andere publiekrechtelijke personen kunnen de toepassing van een door het Bureau voor Normalisatie gepubliceerde norm of deel van een norm verplichten. Zij brengen het Bureau voor Normalisatie hiervan vooraf op de hoogte. De specifiek Belgische normen die verplicht worden gesteld, worden op de website van het Bureau voor Normalisatie raadpleegbaar gesteld volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, zonder de mogelijkheid om deze te downloaden of af te drukken. De andere normen die verplicht worden gesteld, worden kosteloos ter beschikking gesteld door de auteur van de reglementering op zodanige wijze dat de auteursrechten op die normen nageleefd worden. Als er een vertaling nodig is, kan het Bureau voor Normalisatie de kosten voor de vertaling van deze norm door een derde partij aan de regelgevende overheid factureren." In de zaak C-588/21 oordeelde het Hof op 5 maart 2024 dat een geharmoniseerde norm, hoewel de naleving ervan niet verplicht is, maar wel voor producten die aan deze normen voldoen een vermoeden van conformiteit doet ontstaan met de essentiële eisen die ten aanzien van die producten zijn vastgesteld in de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie, deel uitmaakt van het Unierecht.
Het feit dat de norm deel uitmaakt van het Unierecht heeft volgens het Hof van Justitie het volgende gevolg: "(...), zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 52 van haar conclusie, bepaalt artikel 2 van het VEU dat de Unie is gegrondvest op het rechtsstaatbeginsel, dat vereist dat alle natuurlijke en rechtspersonen van de Unie vrije toegang hebben tot het Unierecht en dat justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen (arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C-160/20, EU:C:2022:101, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze vrije toegang moet in het bijzonder eenieder voor wie de door een wet geboden bescherming geldt in staat stellen om binnen de door het recht gestelde grenzen na te gaan of de adressaten van de in deze wet vastgelegde regels die regels daadwerkelijk naleven."20 In het door het Hof van Justitie geparafraseerde punt 52 kwam advocaat-generaal Medina tot de conclusie dat "het Unierecht moet worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie".
Het staat aan de instellingen van de Europese Unie om te voldoen aan de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie.21 Het komt evenwel aan de adviesaanvrager toe om op het internrechtelijke vlak de vereisten van artikel 190 van de Grondwet na te leven, en bij gebreke aan afdoende bekendmaking van die normen op Europees niveau zelf in een gepaste bekendmaking van die normen te voorzien.
Onderzoek van de tekst
Artikel 6 Ontworpen artikel 3.22.1.2 8. Verschillende definities die zijn opgenomen onder de hoofding `Definities van het Uitvoeringsbesluit worden door het ontwerp niet hernomen.Het verslag aan de Vlaamse Regering verduidelijkt dat "[e]nkel definities die niet gelijk zijn aan definities reeds opgenomen in het VLAREM én welke nodig zijn om de sectorale voorwaarden te kunnen begrijpen worden opgenomen" (p. 8). Daarbij wordt verduidelijkt dat definities die reeds opgenomen werden in titel II van het VLAREM, of termen die veel gebruikt en daardoor algemeen bekend zijn, niet gedefinieerd worden in het ontwerp.
De stellers van het ontwerp dienen er wel over te waken dat zij door een dergelijke werkwijze te hanteren geen onvolledige of onjuiste omzetting van het Uitvoeringsbesluit bewerkstelligen. 8.1. Zo bevat het ontwerp geen definitie van het begrip `massastroom', dat door het Uitvoeringsbesluit omschreven wordt als "[d]e massa van een bepaalde stof of parameter die gedurende een bepaalde tijd wordt uitgestoten". Het verslag aan de Vlaamse Regering vermeldt het begrip `massastroom' uitdrukkelijk als voorbeeld van een veel gebruikte term die niet wordt gedefinieerd omdat deze algemeen bekend is.
Er dient evenwel te worden vastgesteld dat artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM wél een definitie van het begrip `massastroom' bevat, die bovendien aanzienlijk beperkter is dan de omschrijving in het Uitvoeringsbesluit.22 Deze definitie is opgenomen onder de hoofding `Definities activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen (hoofdstuk 5.59)'. Hoewel die hoofding niet rechtstreeks gelinkt is aan smederijen en gieterijen,23 werken deze definities evenwel ook door naar het voorliggende ontwerp. Op grond van artikel 1.1.2, tweede lid, van titel II van het VLAREM zijn de in dit artikel opgenomen definities namelijk "thematisch gerangschikt in functie van de betrokken tekstonderdelen, maar zijn [deze] - behoudens afwijkende bepaling - eveneens van toepassing op dezelfde termen en begrippen in andere tekstonderdelen." De definitie van het begrip `massastroom' zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit moet alsnog in het ontwerp worden opgenomen. 8.2. Eenzelfde opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot de omschrijving van het begrip `stof', dat het Uitvoeringsbesluit omschrijft als "[t]otaal aan vaste deeltjes (in lucht)". Bijkomende moeilijkheid is daar dat artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM twee niet-equivalente definities van het begrip `stof' bevat, meer bepaald een algemene definitie van een chemische stof onder de hoofding `Definities algemeen'24 en een bijzondere, meettechnische definitie van stof (in de zin van stofdeeltjes) onder de hoofding `Definities luchtverontreiniging: milieukwaliteitsnormen en beleidstaken (deel 2)', punt 35°. 25 8.3. Tevens rijst de vraag of alle te meten stoffen/parameters wel op een equivalente wijze worden omgezet. Zo bevat artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM een concordantietabel `voor bepaalde lozingsparameters', luidens hetwelk in plaats van de "oude terminologie" organische chloor en TOX in beide gevallen de "corresponderende benaming" AOX wordt gebruikt. TOX - het gehalte aan totaal organisch gebonden halogeen, uitgedrukt in chloor26 - is aanzienlijk ruimer dan de definitie van AOX in het Uitvoeringsbesluit.27-28 Het gebruik van de term AOX doorheen titel II van het VLAREM en de bijlagen daarbij - waar AOX wordt aangeduid als "geabsorbeerde organisch gebonden halogenen"29 "adsorbeerbare organische halogeenverbindingen"30 of "adsorbeerbare organohalogenen"31 -sluit beter aan bij de omschrijving van AOX in het Uitvoeringsbesluit. In tegenstelling tot de concordantietabel die opgenomen is onder artikel 1.1.2, werken die omschrijvingen evenwel niet door naar andere rubrieken.
Ter wille van de rechtszekerheid verdient het aanbeveling de parameter AOX in het ontwerp te definiëren. 9. Daarnaast moet erover worden gewaakt dat de draagwijdte van de definities die worden overgenomen uit het Uitvoeringsbesluit niet wordt gewijzigd door de herformulering daarvan. 9.1. Het ontworpen artikel 3.22.1.2, 1°, van titel III van het VLAREM omschrijft het begrip `aminen' als "som van ammoniakderivaten (...)", waar in het Uitvoeringsbesluit sprake is van "[c]ollectieve term voor ammoniakderivaten (...)". Gevraagd of de formuleringen "som van" en "collectieve term voor" in dit geval equivalent zijn, antwoordde de gemachtigde: "Ja, de term `som van' heeft dezelfde betekenis als `collectieve term voor'. De term aminen wordt in het Uitvoeringsbesluit en in hoofdstuk 3.22 van VLAREM III hoofdzakelijk gebruikt als parameter in emissies naar de lucht. De standaardformulering gebruikt in VLAREM om een groepsparameter te omschrijven is `som van', zie bijvoorbeeld bijlage 4.4.2 van VLAREM II en afdeling 4.4.3 van VLAREM II." In het licht van die verduidelijking, kan met de omschrijving onder punt 1° worden ingestemd. 9.2. Gevraagd of de zinsnede "een nodulaire bolle vorm" (ontworpen artikel 3.22.1.2, 12°, van titel III van het VLAREM een identieke lading dekt als "een nodulaire/sferische vorm" (omschrijving van het begrip `nodularisatie' in het Uitvoeringsbesluit), stelde de gemachtigde: "Nodulair en sferisch zijn geen synoniemen. In het Uitvoeringsbesluit staat een schuin streepje tussen beide termen, wat wijst op een of-bepaling. In het ontwerpbesluit werd dit foutief niet overgenomen.
De formulering in punt 12° zal aangepast worden naar `nodulaire of sferische vorm'." Daarmee kan worden ingestemd. 9.3. Het ontworpen artikel 3.22.1.2, 18°, van titel III van het VLAREM bevat een definitie van het begrip `verwarmen en herverwarmen'.
Doorheen het ontwerp worden de begrippen `verwarmen' en `herverwarmen' wel gebruikt, maar de exacte combinatie `verwarmen en herverwarmen' komt nergens terug. De stellers van het ontwerp dienen na te gaan of deze begrippen steeds in conjunctie dienen te worden gezien.32 In bevestigend geval, moet de doorheen het ontwerp gebruikte terminologie hierop worden afgestemd. In ontkennend geval, moeten in het ontworpen artikel 3.22.1.2 de te definiëren termen worden opgebroken.
Ontworpen artikelen 3.22.3.5.10 en 3.22.3.5.11 10. De parameter vluchtige organische stoffen (VOS) wordt in de ontworpen artikelen 3.22.3.5.10 en 3.22.3.5.11 van titel III van het VLAREM uitgedrukt als totaal organische koolstof (TOC). In voetnoten 3 en 4 van de tabel in artikel 3.22.3.5.10, alsook in voetnoot 1 van de tabel in artikel 3.22.3.5.11, wordt in een afwijkingsmogelijkheid van de emissiegrenswaarde voor TOC voorzien, die kan worden opgelegd in de individuele omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die onder het toepassingsgebied van het ontworpen besluit valt. Tabellen 1.8, 1.9 en 1.10 van het Uitvoeringsbesluit verwijzen op dit punt niet naar totaal organische koolstof, maar naar het "[t]otaal aan vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als C (in lucht)" (TVOC).33 Gevraagd of de draagwijdte van het begrip TOC in titels II en III van het VLAREM - en dus het voorliggende ontwerp - overeenkomt met de draagwijdte van het begrip TVOC in het Uitvoeringsbesluit, stelde de gemachtigde: "In het Uitvoeringsbesluit wordt de term TVOC gebruikt. Dit is gedefinieerd als `Totaal aan vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als C (in lucht)'. In VLAREM daarentegen wordt standaard de term `vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof (TOC)' gebruikt. Deze term werd reeds gebruikt in VLAREM II en wordt ook op dezelfde manier gebruikt in VLAREM III. Inhoudelijk is er dus geen verschil tussen de parameters TVOC en TOC. De toe te passen meetmethode in Vlaanderen voor TOC is LUC/II/001, die net zoals het Uitvoeringsbesluit verwijst naar EN 12619." Gelet op die uitleg van de gemachtigde, kan het gebruik van de parameter toc worden aanvaard.
De griffier, De voorzitter Eline Yoshimi Pierre Lefranc _______ Nota's * Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege verlengd wordt met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juni en 15 augustus. (1) Hierna: titel III van het VLAREM.(2) Hierna: BBT-conclusies.(3) Hierna: Uitvoeringsbesluit.(4) Hierna: DABM. (5) HvJ 25 juni 2020, C-24/19, A e.a. t. Gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van het departement Ruimte Vlaanderen, afdeling Oost-Vlaanderen, ECLI:EU:C:2020:503. (6) Zie meest recent: adv.RvS 77.473/1 van 6 maart 2025 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2025 `tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten of eetbare nevenproducten', opm. 4.1 tot 4.3; adv.RvS 77.841/1 van 4 juli 2025 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2025 `tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, voor de omzetting van de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afgassen in de chemiesector', opm. 4.1 tot 4.5. (7) Indien men niet overgaat tot omzetting van BBT's 8, 32 en 33 in het ontwerp, zou in artikel 1 ervan moeten worden bepaald dat het gaat om de gedeeltelijke omzetting van uitvoeringsbesluit (EU) 2024/2974. Hoewel dat besluit zelf niet voorziet in een uiterste datum voor de (volledige) omzetting ervan in het nationale recht, volgt uit artikel 21, lid 3, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 `inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)' dat het regelgevende kader tijdig moet worden aangepast opdat alle bestaande vergunningen kunnen worden geactualiseerd en de installaties desgevallend aangepast binnen de vier jaar na de bekendmaking van overeenkomstig artikel 13, lid 5, genomen besluiten over BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van een installatie, in het geval van uitvoeringsbesluit (EU) 2024/2974 dus voor 6 december 2028. (8) Zie bijv.de ontworpen artikelen 3.22.2.1.1, 3.22.2.6.1 ("de technieken, vermeld in BBT 9 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen"), 3.22.3.3.1 ("de technieken, vermeld in punt g tot en met n van BBT 14 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen") en 3.22.3.4.2 ("technieken, vermeld in punt b en c van BBT 16 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen"). (9) Vgl.adv.RvS 57.880/1 van 30 september 2015 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 11/12/2015 pub. 18/03/2016 numac 2016035248 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel II van het VLAREM van 1 juni 1995 en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de sectoren voor het looien van huiden en vellen, de productie van cement, kalk en magnesiumoxide en de productie van chlooralkali, de productie van pulp, papier en karton en voor het raffineren van aardolie en gas sluiten `tot wijziging van titel II van het VLAREM van 1 juni 1995 en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de sectoren voor het looien van huiden en vellen, de productie van cement, kalk en magnesiumoxide en de productie van chlooralkali, de productie van pulp, papier en karton en voor het raffineren van aardolie en gas', opm. 8; adv.RvS 62.915/1 van 28 februari 2018 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2018 `tot wijziging van titel II van het VLAREM van 1 juni 1995 en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector, voor de non-ferrometaalindustrie en voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij', opm. 6. (10) Ook de niet door het ontwerp omgezette BBT 33 verwijst naar (concrete) CEN- en (in het algemeen) ISO-normen.(11) Meer bepaald gaat het om zink en zinkverbindingen (EN-14385), PCDD/F's (EN-1948-1, EN-1948-2 en EN-1948-3) en totaal vluchtige organische stoffen (TVOC;EN-12619). Ook voor gasvormige fluoriden wordt geen meetmethode aangeduid in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM, maar die CEN-norm is luidens BBT 12 nog in ontwikkeling. De Raad van State, afdeling Wetgeving beschikt niet over het vereiste technische inzicht om met zekerheid te kunnen nagaan of één of meerdere van deze stoffen/parameters worden gemonitord als onderdeel van een andere parameter of stof, en bijgevolg of deze op die grond alsnog onder de referentiemethode van een bepaald LUC kunnen worden ondergebracht. (12) Onder de hoofding `Algemene overwegingen' bepaalt het Uitvoeringsbesluit: "De technieken die in deze BBT-conclusies worden opgesomd en beschreven, zijn prescriptief noch volledig.Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen." (13) Hetgeen in beginsel zal neerkomen op een verwijzing naar de CEN-norm die in het Uitvoeringsbesluit is opgenomen. (14) Zie o.m.: HvJ 20 mei 2003, C-469/00, Ravil SARL, Bellon import SARL en Biraghi SpA, ECLI:EU:C:2003:295, punt 93; HvJ 11 december 2007, C-161/06, Skoma-Lux sro t. Celn¤ Ahreditelstv¤ Olomouc, ECLI:EU:C:2007:773, punt 38. (15) HvJ 21 juni 2007, C-158/06, Stichting ROM-projecten t. Staatssecretaris van Economische Zaken, ECLI:EU:C:2007:370, punt 25. (16) HvJ 10 maart 2009, C-345/06, Gottfriet Heinrich, ECLI:EU:C:2009:140, punt 63.(17) HvJ 11 december 2007, C-161/06, Skoma-Lux sro t.Celn¤ Ahreditelstv¤ Olomouc, ECLI:EU:C:2007:773, punt 51. (18) HvJ 22 februari 2022, C-160/20, Stichting Rookpreventie Jeugd, ECLI:EU:C:2022:101, punten 40-51.(19) HvJ 22 februari 2022, C-160/20, Stichting Rookpreventie Jeugd, ECLI:EU:C:2022:101, punt 52. (20) HvJ 5 maart 2024, C-588/21, Public.Resource.Org, Inc. en Right to Know CLG t. Europese Commissie, ECLI:EU:C:2024:201, punt 81; zie ook HvJ 21 april 2026, C-155/24, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit e.a. tegen Stichting Rookpreventie Jeugd, ECLI:EU:C:2026:327, punt 34. (21) In dat verband heeft het Hof van Justitie de omvang van de op de Unie rustende verplichting als volgt omschreven, waarbij toch de mogelijkheid lijkt te worden opengehouden dat ISO-normen op een andere wijze dan via de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie aan particulieren bekend zou worden gemaakt: "38 Overeenkomstig het in artikel 2 VEU neergelegde beginsel van de rechtsstaat kan de toegang tot de inhoud van die normen slechts als vrij worden aangemerkt als deze algemeen, doeltreffend, kosteloos en niet-discriminerend is.Alleen als een dergelijke toegang wordt gewaarborgd tot normen die op internationaal niveau zijn uitgewerkt en in de rechtsorde van de Unie een bindend karakter hebben gekregen, kan immers een particulier als de Stichting, die zich in het hoofdgeding beroept op een belang dat wordt beschermd door een Uniehandeling die deze normen bindend heeft verklaard, kennis nemen van die normen en, in voorkomend geval, door de bevoegde nationale autoriteiten en, zo nodig, door de Unierechter laten nagaan of die normen daadwerkelijk en volledig zijn nageleefd. 39 Dit houdt onder meer in dat een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 de openbaarmaking van dergelijke normen gebiedt in het kader van een verzoek om toegang tot documenten dat een particulier als de Stichting op grond van deze verordening heeft ingediend. Zelfs indien deze normen worden beschermd door intellectuele-eigendomsrechten, moet dit belang voorrang hebben boven dergelijke rechten waarop de betrokken normalisatie-instelling zich in voorkomend geval beroept, overeenkomstig het recht op toegang tot documenten dat is gewaarborgd door artikel 15, lid 3, eerste alinea, VWEU, dat is verankerd in artikel 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en waaraan deze verordening uitvoering geeft (zie in die zin arrest van 5 maart 2024, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie e.a., C-588/21 P, EU:C:2024:201, punten 84 en 85). 40 Voor zover de Uniewetgever verplichtingen invoert die verband houden met normen als bedoeld in de punten 33 en 38 van het onderhavige arrest en beoogt de overeenkomstige belangen van particulieren, zoals de menselijke gezondheid, te beschermen, staat het aan de Unie om de kosten te dragen die verband houden met de organisatie van de toegang tot de officiële, authentieke versie van deze normen, waarbij het irrelevant is of de toegang tot de inhoud van die normen wordt verzekerd met logistieke, administratieve en technische middelen van de Unie of van de lidstaten." (HvJ 21 april 2026, C-155/24, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit e.a. tegen Stichting Rookpreventie Jeugd, ECLI:EU:C:2026:327, punten 38-40). (22) Met name: "de hoeveelheid vrijgekomen VOS in eenheden of massa/uur".(23) Rubriek 59 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM viseert namelijk op een algemene wijze alle activiteiten van reiniging van procesapparatuur met organische oplosmiddelen.(24) Stof' wordt onder het éénentwintigste streepje meer bepaald gedefinieerd als "een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen en micro-organismen".(25) Waar `stof' wordt gedefinieerd als "in de gasfase onder bemonsteringscondities verstrooide deeltjes van om het even welke vorm, structuur of dichtheid, die kunnen worden opgevangen door filtering onder specifiek omschreven omstandigheden na representatieve bemonstering van het te analyseren gas en vóór de filter en op de filter achterblijven". (26) Zie omschrijving in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, onder hoofding `Afvalwaterparameters', punt g). (27) Te weten: "[a]dsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als Cl, met inbegrip van adsorbeerbare organisch gebonden chloor, broom en jodium." (28) TOX bevat alle organische halogeenverbindingen, ongeacht of deze adsorberen aan actieve kool.De deelverzameling van TOX die daadwerkelijk adsorbeert aan actieve kool, is AOX. (29) Formulering gebruikt in artikel 4.3.2.3, § 1, 2°, van titel II van het VLAREM. (30) Zie tabel bij artikel 3, § 4, van bijlage 2.3.1 `Basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater' bij titel II van het VLAREM en tabel bij artikel 4, § 1, van bijlage 4.2.5.2 `Controle en beoordeling van de meetresultaten op lozingen van bedrijfsafvalwater en koelwater' bij titel II van het VLAREM. (31) Zie tabel bij punt 33, b), onderdeel lozing in oppervlaktewater, van bijlage 5.3.2 `Sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater' bij titel II van het VLAREM. (32) In het Uitvoeringsbesluit wordt namelijk een definitie opgenomen van `verwarmen/herverwarmen'.(33) Het Uitvoeringsbesluit definieert `TOC' als het "[t]otaal aan organische koolstof, uitgedrukt als C (in water), met inbegrip van alle organische verbindingen".
18 SEPTEMBER 2026. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen Rechtsgrond Dit besluit is gebaseerd op: - het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 5.4.3, § 1, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035706 bron vlaamse overheid Decreet betreffende complexe projecten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 23/10/2014 numac 2014036510 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 12/05/2014 numac 2014035516 bron vlaamse overheid Decreet houdende het rechtsherstel van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de planmilieueffectrapportage werd opgesteld met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan sluiten.
Vormvereisten De volgende vormvereisten zijn vervuld: - De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 16 april 2026. - Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering werd van 20 april 2026 tot en met 20 mei 2026 gepubliceerd op de website van het Departement Omgeving en werd gedurende die periode ook ter inzage gelegd. Tijdens die termijn kon elke persoon opmerkingen meedelen. - De Raad van State heeft advies 79.588/1 gegeven op 17 juli 2026, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Initiatiefnemer Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw.
Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
Artikel 1.Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van het uitvoeringsbesluit (EU) 2024/2974 van de Commissie van 29 november 2024 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, voor de smederijen en gieterijen.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van titel III van het VLAREM
Art. 2.In artikel 3.18.2.6.1 van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 oktober 2023Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 20/10/2023 pub. 12/01/2024 numac 2023048327 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de ferrometaalverwerkende industrie type besluit van de vlaamse regering prom. 20/10/2023 pub. 06/11/2023 numac 2023046804 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, wat betreft de wijziging en de opheffing van de aanpassingscoëfficiënt in de basistegemoetkoming voor zorg in woonzorgcentra en centra voor kortverblijf type besluit van de vlaamse regering prom. 20/10/2023 pub. 03/11/2023 numac 2023046725 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de subsidiëring van infrastructuur van ziekenhuizen, wat betreft het indexeringsmechanisme van de strategische forfaits van de ziekenhuizen type besluit van de vlaamse regering prom. 20/10/2023 pub. 16/11/2023 numac 2023047033 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 en het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, wat betreft de regiovorming sluiten, wordt het woord "energieaudits" telkens vervangen door het woord "audits".
Art. 3.In artikel 3.20.2.2.1, tweede lid, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 10/09/2024 numac 2024008289 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 18/09/2024 numac 2024008550 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de textielindustrie type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 19/08/2024 numac 2024007763 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de toekenning van de T-schaal en de aanpassing van de toelage technische bekwaamheid voor bepaalde personeelsleden van het Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 19/08/2024 numac 2024007769 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2020 tot regeling van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage voor de personeelsleden van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wat betreft het gebruik van de eindejaarstoelage voor fietsleasing sluiten, wordt het woord "energieaudits" vervangen door het woord "audits".
Art. 4.In artikel 3.20.2.5.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2024Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 10/09/2024 numac 2024008289 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 18/09/2024 numac 2024008550 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van titel III van het VLAREM van 16 mei 2014, wat betreft de omzetting van de BBT-conclusies voor de textielindustrie type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 19/08/2024 numac 2024007763 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de toekenning van de T-schaal en de aanpassing van de toelage technische bekwaamheid voor bepaalde personeelsleden van het Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2024 pub. 19/08/2024 numac 2024007769 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2020 tot regeling van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage voor de personeelsleden van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wat betreft het gebruik van de eindejaarstoelage voor fietsleasing sluiten, wordt het woord "energieaudits" telkens vervangen door het woord "audits".
Art. 5.In artikel 3.21.2.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2025, wordt het woord "energieaudits" telkens vervangen door het woord "audits".
Art. 6.Aan deel 3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2025, wordt een hoofdstuk 3.22, dat bestaat uit artikel 3.22.1.1 tot en met 3.22.5.6.1, toegevoegd, dat luidt als volgt: "Hoofdstuk 3.22. Smederijen en gieterijen Afdeling 3.22.1. Toepassingsgebied en definities
Art. 3.22.1.1. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op: 1° de ingedeelde inrichtingen en activiteiten als vermeld in rubriek 20.2.3, 3°, van de indelingslijst; 2° de ingedeelde inrichtingen en activiteiten als vermeld in rubriek 20.2.4, a), 3°, van de indelingslijst; 3° de ingedeelde inrichtingen en activiteiten als vermeld in rubriek 20.2.4, b), 3°, van de indelingslijst; 4° de ingedeelde inrichtingen en activiteiten als vermeld in rubriek 29.5.1, van de indelingslijst; 5° de ingedeelde inrichtingen en activiteiten als vermeld in rubriek 3.6.7 van de indelingslijst, als een belangrijke vuilvracht afkomstig is van een of meer activiteiten die onder de toepassing vallen van dit hoofdstuk.
Bestaande installaties als vermeld in artikel 3.22.1.2, 4°, voldoen uiterlijk op 6 december 2028 aan de bepalingen, vermeld in dit hoofdstuk.
De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 2.3, b), 2.4, 2.5, b) en 6.11 van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd. § 2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat ook de volgende processen: 1° de ferrometaalgieterijen die continugietprocessen toepassen voor de productie van gietstukken van lamellair of nodulair gietijzer in, of dichtbij, hun uiteindelijke vorm;2° de non-ferrometaalgieterijen die werken met staven van gelegeerd materiaal, schroot, teruggewonnen producten of vloeibaar metaal voor de productie van gietstukken in, of dichtbij, hun uiteindelijke vorm;3° de gecombineerde behandeling van afvalwater van verschillende herkomst, als een belangrijke vuilvracht afkomstig is van een of meer activiteiten die onder dit hoofdstuk vallen, met uitzondering van de behandelingen inzake stedelijk afvalwater;4° het coaten van vormen en kernen in ferrometaal- en non-ferrometaalgieterijen;5° de opslag, overbrenging en hantering van materialen, met inbegrip van de opslag en hantering van schroot en zand in gieterijen;6° de verbrandingsprocessen die rechtstreeks verband houden met de activiteiten die onder dit hoofdstuk vallen, op voorwaarde dat de gasvormige verbrandingsproducten in direct contact met materiaal worden gebracht. § 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: 1° het continugieten van ijzer en staal;2° de productie van halffabricaten van non-ferrometalen die nog verder moeten worden gevormd;3° het coaten van gietstukken;4° smeedpersen;5° afvalwater van indirecte koelsystemen;6° walsen;7° stookinstallaties, tenzij ze hete gassen produceren die gebruikt worden voor het via direct contact verwarmen, drogen of anderszins behandelen van voorwerpen of materialen. Art. 3.22.1.2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1° aminen: som van ammoniakderivaten waarin een of meer van de waterstofatomen zijn vervangen door een alkyl- of arylgroep;2° BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen: uitvoeringsbesluit (EU) 2024/2974 van de Commissie van 29 november 2024 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, voor de smederijen en gieterijen;3° belangrijke verbetering van een installatie: een belangrijke wijziging in het ontwerp of de technologie van een installatie, met grote aanpassingen of vervangingen van de verwerkings- of nabehandelingstechnieken en de bijbehorende apparatuur;4° bestaande installatie: een andere dan een nieuwe installatie;5° dross: vaste stoffen die bij het smelten of warmhouden van metaal ontstaan aan het oppervlak van het gesmolten metaal, bijvoorbeeld door oxidatie met lucht;6° geleide emissie: een gekanaliseerde emissie van verontreinigende stoffen naar de lucht via onder meer kanalen, leidingen en schoorstenen;7° herconditionering van zand: elke mechanische handeling die in de installatie wordt uitgevoerd om kleigebonden of natuurlijk zand te hergebruiken.Daaronder vallen zandzeving, het verwijderen van metaaldeeltjes, het scheiden en verwijderen van fijne fractie en te grote agglomeraten. Het zand wordt vervolgens gekoeld en verzonden voor opslag en hergebruik; 8° hergebruik van zand: het hergebruiken van zand in een gieterij na herconditionering of terugwinning van zand;9° het maken van kernen: productie van vaste of holle kernen.Er worden kernen in de vorm geplaatst om de binnenholten of een deel van de uitwendige vorm van het gietstuk te bepalen voordat de vormhelften worden samengevoegd; 10° het maken van vormen: het maken van een vorm waarin het gesmolten metaal wordt gegoten.Dat omvat ook het maken van modellen; 11° nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de GPBV-installatie na 6 december 2024, of een volledige vervanging van een installatie na 6 december 2024;12° nodularisatie: behandeling van gesmolten gietijzer met magnesium of met een zeldzaam aardmetaal om de koolstofdeeltjes te veranderen in een nodulaire of sferische vorm;13° proceschemicaliën: stoffen en/of mengsels zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1 en 2, van Verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, die in het proces of de processen worden gebruikt. Proceschemicaliën bevatten mogelijk gevaarlijke stoffen en/of zeer zorgwekkende stoffen; 14° residu: stof die of voorwerp dat als afvalstof of bijproduct wordt gegenereerd door de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen vallen;15° schoon schroot: metaalschroot dat ten minste aan al de volgende kenmerken voldoet: a) vrij van niet-metallische onzuiverheden;b) vrij van gegalvaniseerd, geprepareerd of geverfd schroot;c) vrij van olie en vet;d) vrij van ontplofbaar materiaal;e) in andere gieterijen dan staalgieterijen: vrij van gereedschapsstaal, roestvrij staal en met chroom gelegeerd staal;f) in ijzer- en staalgieterijen: vrij zijn van schroot van non-ferrometalen. Onder "vrij van" wordt verstaan dat resterende onzuiverheden in een dusdanig beperkte mate aanwezig zijn dat zij geen negatieve invloed hebben op de milieuprestaties, zoals verhoogde emissies, en de werking of veiligheid van de installatie; 16° slakken: vloeibare stoffen die niet in vloeibaar metaal oplossen, maar er gemakkelijk van loskomen en vanwege hun lagere dichtheid een afzonderlijke laag vormen op het vloeibare metaal.Slakken worden gevormd door oxidatie van niet-metallische elementen die in de metaallading aanwezig zijn; 17° terugwinning van zand: elke mechanische of thermische behandeling die in de installatie wordt uitgevoerd om chemisch gebonden zand of gemengd zand te hergebruiken.Dat omvat een eerste mechanische stap gevolgd door mechanische processen of thermische processen om de resterende bindmiddelen te verwijderen; 18° verwarmen en herverwarmen: een opeenvolging van thermische processtappen die worden gebruikt om de temperatuur van het basismateriaal te verhogen, vóór het hameren;19° warmtebehandeling: een thermisch proces waarbij gietstukken of werkstukken onder hun smeltpunt worden verwarmd om hun fysische eigenschappen te verbeteren;20° zeer zorgwekkende stoffen: stoffen die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 57 van verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, en die zijn opgenomen in de lijst van zeer zorgwekkende stoffen die in aanmerking komen om in bijlage XIV van die verordening te worden opgenomen. Afdeling 3.22.2. Algemene bepalingen
Onderafdeling 3.22.2.1. Toepasbaarheid
Art. 3.22.2.1.1. Met toepassing van de bepalingen over de toepasbaarheid, vermeld in de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van de volgende artikelen van dit besluit: 1° artikel 3.22.3.3.1, 6°, met toepassing van punt f van BBT 14 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 2° artikel 3.22.3.4.4, eerste lid, met toepassing van voetnoot 1 of 2 van tabel 1.5 van BBT 18 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 3° artikel 3.22.3.4.6, met toepassing van BBT 20 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 4° artikel 3.22.3.4.7, met toepassing van voetnoot 1 van tabel 1.6 van BBT 20 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 5° artikel 3.22.3.5.1, 4° of 5°, met toepassing van punt d of e van BBT 21 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 6° artikel 3.22.3.5.2, 6° of 7°, met toepassing van punt a van BBT 26 of punt a van BBT 27 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 7° artikel 3.22.3.5.8, met toepassing van punt c van BBT 25 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 8° artikel 3.22.3.5.9, met toepassing van punt l van BBT 25 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 9° artikel 3.22.3.5.16, met toepassing van voetnoot 1 van tabel 1.13 van BBT 31 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 10° artikel 3.22.3.6.1, 1°, met toepassing van punt a van BBT 34 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 11° artikel 3.22.3.7.1, eerste lid, met toepassing van punt b van BBT 35 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen; 12° artikel 3.22.5.6.1, met toepassing van BBT 52 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Art. 3.22.2.1.2. De bijkomende algemene bepalingen voor gieterijen, vermeld in afdeling 3.22.3, en de processpecifieke bepalingen voor gieterijen, vermeld in afdeling 3.22.4 en voor smederijen, vermeld in afdeling 3.22.5, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen voor smederijen en gieterijen die in deze afdeling beschreven zijn.
Onderafdeling 3.22.2.2. Totale milieuprestatie
Art. 3.22.2.2.1. De totale milieuprestatie wordt verbeterd door een milieubeheersysteem in te voeren en na te leven dat al de volgende elementen omvat: 1° de betrokkenheid, het leiderschap en de verantwoordingsplicht van het management, met inbegrip van het hoger management, bij de uitvoering van een effectief milieubeheersysteem;2° een analyse waarin onder meer de volgende elementen worden bepaald: a) de context van de organisatie;b) de behoeften en verwachtingen van de betrokken partijen;c) de kenmerken van de installatie in verband met mogelijke risico's voor het milieu of de menselijke gezondheid;d) de wettelijke milieuvoorschriften die van toepassing zijn;3° de ontwikkeling van een milieubeleid dat de continue verbetering van de milieuprestaties van de installatie omvat;4° de vaststelling van doelstellingen en prestatie-indicatoren voor belangrijke milieuaspecten, met inbegrip van het waarborgen van de naleving van wettelijke voorschriften die van toepassing zijn;5° de planning en uitvoering van de nodige procedures en maatregelen, met inbegrip van corrigerende en preventieve maatregelen als dat nodig is, om de milieudoelstellingen te verwezenlijken en milieurisico's te vermijden;6° de vaststelling van structuren, taken en verantwoordelijkheden voor milieuaspecten en -doelstellingen en beschikbaarstelling van de benodigde financiële en personele middelen;7° de waarborging van het vereiste niveau van deskundigheid en bewustzijn van werknemers van wie de werkzaamheden van invloed kunnen zijn op de milieuprestaties van de installatie, bijvoorbeeld door informatie en opleiding aan te bieden;8° de interne en externe communicatie;9° de bevordering van de betrokkenheid van werknemers bij goede milieubeheerpraktijken;10° het opstellen en actueel houden van een beheerhandleiding en schriftelijke procedures voor de controle van activiteiten met aanzienlijke milieueffecten en voor relevante gegevens;11° de doeltreffende operationele planning en procesbeheersing;12° de uitvoering van geschikte onderhoudsprogramma's;13° de paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen, met inbegrip van het voorkomen of beperken van de nadelige milieueffecten en andere effecten van noodsituaties;14° het in aanmerking nemen van de milieueffecten bij het ontwerpen of herontwerpen van een installatie of een onderdeel daarvan gedurende de hele levensduur, inclusief de bouw, het onderhoud, de exploitatie en de ontmanteling ervan;15° de uitvoering van een monitoring- en meetprogramma;16° de uitvoering van een sectorale benchmarking op regelmatige basis;17° de periodieke interne, en als dat praktisch haalbaar is, onafhankelijke, audits en periodieke externe onafhankelijke audits, om de milieuprestaties te beoordelen en vast te stellen of het milieubeheersysteem al dan niet aan de geplande regelingen voldoet en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;18° de evaluatie van de oorzaken van gevallen van niet-naleving, uitvoering van corrigerende maatregelen naar aanleiding van gevallen van niet-naleving, beoordeling van de doeltreffendheid van corrigerende maatregelen en vaststelling of soortgelijke gevallen van niet-naleving bestaan of zouden kunnen optreden;19° de periodieke evaluatie van het milieubeheersysteem en de blijvende geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan door het hoger management;20° het volgen en in aanmerking nemen van de ontwikkeling van schonere technieken. Specifiek voor de smederijen en gieterijen maken naast de elementen, vermeld in het eerste lid, ook de volgende elementen deel uit van het milieubeheersysteem: 1° een overzicht van inputs en outputs als vermeld in artikel 3.22.2.2.2; 2° een beheersysteem voor chemische stoffen als vermeld in artikel 3.22.2.2.3; 3° een plan om lekken en morsen te voorkomen en onder controle te houden als vermeld in 3.22.2.2.4, 1° ; 4° een beheersplan voor andere dan normale bedrijfsomstandigheden als vermeld in artikel 3.22.2.2.5; 5° een energie-efficiëntieplan en audits als vermeld in artikel 3.22.2.4.1, 1° ; 6° een residuenbeheersplan als vermeld in artikel 3.22.2.7.1; 7° een waterbeheersplan en audits als vermeld in 3.22.3.7.1, 1°.
Het milieubeheersysteem, vermeld in het eerste en tweede lid, is algemeen toepasbaar. De mate van gedetailleerdheid en formalisering van het milieubeheersysteem is over het algemeen gerelateerd aan de aard, de omvang en de complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan.
Art. 3.22.2.2.2. De totale milieuprestatie wordt verbeterd door een overzicht van inputs en outputs, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, op te stellen. Het overzicht wordt actueel gehouden en wordt regelmatig herzien, ook als zich een belangrijke wijziging voordoet. Het overzicht bevat al de volgende elementen: 1° informatie over de productieprocessen, met inbegrip van: a) de vereenvoudigde processtroomdiagrammen, waaruit de herkomst van de emissies blijkt;b) een beschrijving van de procesgeïntegreerde technieken en technieken voor de behandeling van afvalwater- of afgasbehandelingen ter voorkoming of vermindering van emissies, met inbegrip van de prestaties ervan, zoals het verwijderingsrendement;2° informatie over de hoeveelheden en de kenmerken van de gebruikte grondstoffen en brandstoffen;3° informatie over het waterverbruik, zoals stroomdiagrammen en watermassabalansen;4° informatie over het energieverbruik;5° informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals: a) de emissiepunten;b) de gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid;c) de gemiddelde concentraties, vuilvrachten en variabiliteit van de relevante stoffen of parameters;6° informatie over de kenmerken van de afgasstromen, zoals: a) de emissiepunten;b) de gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet en temperatuur;c) de gemiddelde concentraties, massastromen en variabiliteit van de relevante stoffen en parameters;d) de aanwezigheid van andere stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie;e) de aanwezigheid van stoffen die ingedeeld zijn als CMR 1A, 1B of 2;7° informatie over de gebruikte proceschemicaliën: a) de naam en de kenmerken van de gebruikte chemicaliën, met inbegrip van de eigenschappen die nadelige gevolgen hebben voor het milieu of de menselijke gezondheid;b) de hoeveelheden gebruikte chemicaliën en de plaatsen van het gebruik;8° informatie over de hoeveelheden en de kenmerken van de gegenereerde residuen. Het overzicht, vermeld in het eerste lid, wordt ter beschikking gesteld van de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij als die daarom verzoeken.
Art. 3.22.2.2.3. De totale milieuprestatie wordt verbeterd door een beheersysteem voor chemische stoffen, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, op te stellen en uit te voeren. Het beheersysteem voor chemische stoffen omvat al de volgende elementen: 1° een beleid om het verbruik van proceschemicaliën en de aan proceschemicaliën verbonden risico's te verminderen, met inbegrip van een aankoopbeleid om minder schadelijke proceschemicaliën en de leveranciers daarvan te selecteren, om het gebruik van gevaarlijke stoffen en zeer zorgwekkende stoffen en de daarmee verbonden risico's tot een minimum te beperken en de aankoop van een teveel aan proceschemicaliën te vermijden.Het overzicht van proceschemicaliën, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 7°, kan worden gebruikt om de nodige informatie voor de selectie van proceschemicaliën te verstrekken en bij te houden.
De selectie van proceschemicaliën is gebaseerd op: a) de vergelijkende analyse van de biologische afbreekbaarheid, ecotoxiciteit en potentiële uitstoot ervan in het milieu, om emissies in het milieu te verminderen;b) de karakterisering van de risico's die aan de proceschemicaliën verbonden zijn, op basis van de gevarenaanduiding van de chemicaliën, de routes door de installatie, de potentiële uitstoot en het niveau van blootstelling;c) het potentieel voor terugwinning en hergebruik;d) de jaarlijkse analyse van de mogelijke vervanging van chemicaliën zodat nieuw beschikbare en veiligere alternatieven voor het gebruik van gevaarlijke stoffen en zeer zorgwekkende stoffen geïdentificeerd kunnen worden.De vervanging kan worden bereikt door een of meer processen te wijzigen of andere proceschemicaliën te gebruiken die geen of minder gevolgen hebben voor het milieu of de menselijke gezondheid; e) de anticiperende analyse van wijzigingen in de regelgeving over gevaarlijke stoffen en zeer zorgwekkende stoffen, en het waarborgen van de naleving van de toepasselijke wettelijke voorschriften;2° de doelstellingen en de actieplannen om het gebruik van en de risico's die verbonden zijn aan gevaarlijke stoffen en zeer zorgwekkende stoffen, te vermijden of te verminderen;3° de ontwikkeling en de uitvoering van procedures voor de aankoop, de hantering, de opslag en het gebruik van proceschemicaliën, verwijdering van afval dat proceschemicaliën bevat en teruggave van ongebruikte proceschemicaliën, om emissies in het milieu te voorkomen of te verminderen. Het beheersysteem voor chemische stoffen, vermeld in het eerste lid, wordt ter beschikking gesteld van de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij als die daarom verzoeken.
Art. 3.22.2.2.4. De emissies naar de bodem en het grondwater worden voorkomen of verminderd door de toepassing van al de volgende technieken: 1° de opstelling en uitvoering van een plan om lekken en morsen te voorkomen en onder controle te houden.Het plan maakt deel uit van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, en omvat, maar is niet beperkt tot: a) site-specifieke incidentplannen voor het lekken en morsen van kleine en grote hoeveelheden;b) identificatie van de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken personen;c) ervoor zorgen dat het personeel milieubewust is, en is opgeleid om lekken en morsen te voorkomen en aan te pakken;d) identificatie van gebieden waar het risico op lekken en morsen van gevaarlijke materialen en zeer zorgwekkende stoffen bestaat, en indeling van die gebieden aan de hand van dat risico;e) in kaart brengen van de geschikte apparatuur voor het inperken en schoonmaken van gelekte of gemorste producten, en het regelmatig controleren of die apparatuur beschikbaar is, goed functioneert en zich in de buurt bevindt van punten waar zulke incidenten kunnen voorvallen;f) richtsnoeren voor beheer van afval dat het gevolg is van de beheersing van lekken of morsen;g) minimaal jaarlijks de zones inspecteren voor de opslag en hantering, het testen en kalibreren van de apparatuur om lekken op te sporen en snelle reparatie van lekkende kleppen, dichtingen, flenzen en dergelijke;2° de structurering en het beheer van proceszones en opslagplaatsen voor grondstoffen, met technieken zoals: a) ondoordringbare ondergrond voor proceszones en voor opslagterreinen voor schroot en basismateriaal;b) afzonderlijke opslag voor verschillende soorten grondstoffen, dichtbij de productielijnen;3° de preventie van verontreiniging van afstromend water.Dat wordt gedaan door ten minste gebruik te maken van de volgende technieken: a) afwateringskanalen of een buitenste kuiprand rond de installatie;b) dakbedekking met dakgoten voor proceszones of opslagplaatsen;4° de opvang van mogelijk verontreinigd afstromend water;5° de veilige hantering en opslag van chemicaliën, door onder andere: a) de opslag in zones met een dak, ventilatie en een ondergrond die ondoordringbaar is voor de betrokken vloeistoffen;b) het gebruik van lekbakken of opvangkelders voor hydraulische stations en met olie of vet gesmeerde apparatuur;c) de opvang van gemorste vloeistoffen;d) het ontwerpen van de laad- en loszones voor proceschemicaliën, smeermiddelen, coatings en dergelijke, zodat mogelijke lekken en morsen worden ingeperkt en de stoffen kunnen worden afgevoerd en ter plekke of buiten het terrein worden behandeld;e) het gescheiden opslaan van licht ontvlambare vloeistoffen en onverenigbare stoffen in gesloten en goed geventileerde opslagplaatsen;6° de goede bedrijfspraktijken. Art. 3.22.2.2.5. De frequentie van andere dan normale bedrijfsomstandigheden en de emissies tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden worden verminderd door een risicogebaseerd beheersplan voor andere dan normale bedrijfsomstandigheden op te stellen en uit te voeren, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, dat al de volgende elementen omvat: 1° de identificatie van mogelijke andere dan normale bedrijfsomstandigheden, de onderliggende oorzaken en de mogelijke gevolgen daarvan.Mogelijke andere dan normale bedrijfsomstandigheden omvatten: a) het opstarten en stilleggen;b) lekken, storingen en defecten, waaronder de defecten van kritische apparatuur die cruciaal is voor de bescherming van het milieu;c) korte stilleggingen;2° een passend ontwerp van kritische apparatuur, zoals de afvalwater- en luchtzuiveringsinstallaties; 3° de opstelling en uitvoering van een inspectie- en preventief onderhoudsplan voor kritische apparatuur als vermeld in artikel 3.22.2.2.1, eerste lid, 12° ; 4° de monitoring, dat is de schatting of als dat mogelijk is de meting, en registratie van emissies tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden en van omstandigheden die daarmee verband houden;5° de periodieke beoordeling van de emissies tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals frequentie van incidenten, duur of hoeveelheden uitgestoten verontreinigende stoffen, en waar nodig de uitvoering van corrigerende maatregelen;6° de regelmatige evaluatie en actualisering van de lijst van geïdentificeerde andere dan normale bedrijfsomstandigheden, vermeld in punt 1°, na de periodieke beoordeling, vermeld in punt 5° ;7° het regelmatig testen van de back-upsystemen. Onderafdeling 3.22.2.3. Monitoring
Art. 3.22.2.3.1. De volgende elementen worden gemonitord: 1° het jaarlijkse verbruik van water, energie en materialen, waaronder proceschemicaliën;2° de jaarlijkse productie van afvalwater;3° de jaarlijkse hoeveelheid materiaal, per soort, dat is teruggewonnen, gerecycleerd of hergebruikt;4° de jaarlijkse hoeveelheid residuen en te verwijderen afval, per soort. De monitoring, vermeld in het eerste lid, voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° ze wordt uitgevoerd met directe metingen, of als dat niet mogelijk is, berekeningen of registratie;2° ze wordt uitgevoerd op installatieniveau, zo veel mogelijk uitgesplitst op procesniveau;3° ze houdt rekening met alle belangrijke wijzigingen in de processen. Onderafdeling 3.22.2.4. Energie-efficiëntie
Art. 3.22.2.4.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door de toepassing van al de volgende technieken: 1° het opstellen van een energie-efficiëntieplan en het jaarlijks uitvoeren van audits.Het energie-efficiëntieplan en de audits zijn onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, en omvatten al de volgende elementen: a) het vaststellen en berekenen van het specifieke energieverbruik van de activiteiten;b) het vaststellen van doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en de uitvoering van maatregelen om die doelstellingen te verwezenlijken;c) het jaarlijks uitvoeren van audits om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het energie-efficiëntieplan worden verwezenlijkt en de aanbevelingen van de eerdere audits worden opgevolgd en uitgevoerd;2° het jaarlijks opstellen van een verslag over de energiebalans met een uitsplitsing van het energieverbruik en de energieopwekking, met inbegrip van uitgevoerde energie, naar soort bron, zoals: a) energieverbruik van elektriciteit, aardgas, hernieuwbare energie, ingevoerde warmte of koeling;b) energieopwekking van elektriciteit of stoom; Het verslag omvat al de volgende elementen: a) de afbakening van de energiegrenzen van de processen;b) informatie over het energieverbruik voor wat betreft de geleverde energie;c) informatie over de energie die uit de installatie wordt uitgevoerd;d) informatie over de energiestroom waaruit energieverbruik per proces blijkt;3° het gebruik van algemene energiebesparende technieken. Een energie-efficiëntieplan als vermeld in het eerste lid, kan worden opgenomen in het algemene energie-efficiëntieplan van een grotere installatie.
Het energie-efficiëntieplan, de audits en het verslag over de energiebalans, vermeld in het eerste lid, worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap.
Onderafdeling 3.22.2.5 Emissies naar lucht
Art. 3.22.2.5.1. De emissiegrenswaarden naar lucht, vermeld in dit hoofdstuk, zijn gedefinieerd als volgt: 1° geen correctie voor het zuurstofgehalte voor gieterijen;2° bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3% voor smederijen. Art. 3.22.2.5.2. Parameters in de emissies naar lucht waarvoor in dit hoofdstuk emissiegrenswaarden worden bepaald of waarvoor metingen worden opgelegd, worden gemeten overeenkomstig bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM. Als een massastroom als vermeld in bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM, niet overschreden wordt voor een parameter als vermeld in het eerste lid, of als een parameter niet opgenomen is in bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM en op basis van artikel 4.4.3.1, § 2, van titel II van het VLAREM niet toegewezen kan worden aan een overeenkomstige groep, wordt die parameter een keer per jaar gemeten.
In afwijking van het tweede lid, worden de emissies van dioxinen en furanen naar de lucht gemeten conform de bepalingen in artikel 5.29.0.6, § 1, van titel II van het VLAREM. Als de meetfrequentie wordt verlaagd met toepassing van artikel 5.29.0.6, § 1, zesde lid, van titel II van het VLAREM, kan ze maximaal worden verlaagd tot één meting per jaar.
Onderafdeling 3.22.2.6. Geluid
Art. 3.22.2.6.1. Geluidsemissies worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 9 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Onderafdeling 3.22.2.7. Residuen
Art. 3.22.2.7.1. De materiaalefficiëntie wordt verhoogd, en de hoeveelheid te verwijderen afval wordt verminderd door een residuenbeheersplan, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, op te stellen, uit te voeren en regelmatig te herzien. Het residuenbeheersplan omvat maatregelen die erop gericht zijn om: 1° het genereren van residuen tot een minimum te beperken;2° het hergebruik, de recyclage of de terugwinning van residuen te optimaliseren;3° de correcte verwijdering van afval te waarborgen. Een residuenbeheersplan als vermeld in het eerste lid, kan worden opgenomen in het algemene residuenbeheersplan van een grotere installatie. Afdeling 3.22.3. Bijkomende algemene bepalingen voor gieterijen
Onderafdeling 3.22.3.1. Toepassingsgebied
Art. 3.22.3.1.1. De bijkomende algemene bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op gieterijen, met uitzondering van gieterijen van cadmium, titaan of edele metalen of van klokken- of kunstgieterijen.
Onderafdeling 3.22.3.2. Gevaarlijke stoffen
Art. 3.22.3.2.1. Bij het maken van vormen en kernen met chemisch gebonden zand, wordt het gebruik van gevaarlijke stoffen en zeer zorgwekkende stoffen voorkomen of, als dat niet mogelijk is, verminderd door alternatieve stoffen te gebruiken die niet of minder gevaarlijk zijn, zoals: 1° anorganische of alifatische organische bindmiddelen in de plaats van aromatische organische bindmiddelen, voor het maken van vormen en kernen, zoals vermeld in artikel 3.22.3.5.8; 2° niet-aromatische oplosmiddelen voor het cold-box-kernmaken; 3° coatings op waterbasis voor het maken van vormen en kernen, zoals vermeld in artikel 3.22.3.5.9.
Onderafdeling 3.22.3.3. Energie-efficiëntie
Art. 3.22.3.3.1. De energie-efficiëntie wordt verbeterd door de toepassing van al de volgende technieken, in combinatie met een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in punt g tot en met n van BBT 14 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen: 1° voor nieuwe installaties of bij belangrijke verbeteringen van installaties: de keuze voor een energie-efficiënte oven;2° technieken voor een zo groot mogelijke thermische efficiëntie van ovens;3° de automatisering en regeling van de ovens;4° het gebruik van schoon schroot;5° de verbetering van de gietopbrengst en vermindering van de productie van schroot;6° de vermindering van energieverliezen en het efficiënt voorverwarmen van de gietpan.Dat omvat alle volgende technieken: a) schone voorverwarmde gietpannen gebruiken;b) de gietpannen afgedekt houden om de warmte vast te houden;c) energie-efficiënte technieken gebruiken voor het voorverwarmen van gietpannen;d) grote gietpannen gebruiken, voor zover dat praktisch mogelijk is, met een afdekking die de warmte vasthoudt;e) overbrenging van gesmolten metaal van de ene gietpan naar de andere minimaliseren;f) het gesmolten metaal zo snel mogelijk overbrengen. Art. 3.22.3.3.2. De grenswaarden voor het specifieke energieverbruik in gieterijen, vermeld in dit hoofdstuk, hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule: specifieke energieverbruik = energieverbruik/activiteitsgraad, waarbij:
1° energieverbruik: de totale hoeveelheid warmte, door primaire energiebronnen geproduceerd, en elektriciteit die door de betrokken processen (smelten en warmhouden en voorverwarmen van de gietpan) wordt verbruikt, uitgedrukt in kWh/jaar;2° activiteitsgraad: de totale output van vloeibaar metaal, uitgedrukt in t/jaar. Onderafdeling 3.22.3.4. Materiaalefficiëntie
Art. 3.22.3.4.1. De milieurisico's in verband met de opslag en hantering van residuen, de verpakking en de ongebruikte proceschemicaliën worden voorkomen of verminderd en het hergebruik of de recyclage ervan wordt vergemakkelijkt, door de toepassing van al de volgende technieken: 1° verschillende soorten residu passend opslaan.Dat omvat onder meer: a) het opslaan van doekfilterstof op ondoordringbare oppervlakken, in omsloten zones en in gesloten zakken of houders;b) het gescheiden opslaan van andere soorten residuen op ondoordringbare oppervlakken in overdekte zones die beschermd zijn tegen afstromend water;2° retourschroot hergebruiken;3° verpakkingen aan de leverancier retourneren, hergebruiken of recycleren;4° ongebruikte proceschemicaliën teruggeven. Art. 3.22.3.4.2. De materiaalefficiëntie in het gietproces wordt vergroot door de gietopbrengst te verbeteren en de generatie van schroot te verminderen, al dan niet in combinatie met een of beide technieken, vermeld in punt b en c van BBT 16 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
De operationele materiaalefficiëntie bedraagt minimaal 60% voor hogedrukgieten in non-ferrometaalgieterijen en minimaal 50% in alle andere gieterijen.
De grenswaarden voor operationele materiaalefficiëntie, vermeld in het tweede lid, hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule: operationele materiaalefficiëntie = mate goed gegoten/activiteitsgraad x 100, waarbij: 1° mate goed gegoten: de totale hoeveelheid uiteindelijke gietstukken die in de installatie zonder gebreken zijn geproduceerd, uitgedrukt in t/jaar;2° activiteitsgraad: de totale output van vloeibaar metaal, uitgedrukt in t/jaar. De grenswaarden, vermeld in het tweede lid, worden gemonitord conform artikel 3.22.2.3.1.
Art. 3.22.3.4.3. Het materiaalverbruik wordt verminderd door de toepassing van een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Art. 3.22.3.4.4. De grenswaarden voor het minimale hergebruik van zand, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op gieterijen:
soort gieterij
grenswaarde voor het minimale hergebruik van zand (in %)
ijzergieterij
90
staalgieterij
80
non-ferrometaalgieterij
90
De grenswaarden voor het minimale hergebruik van zand, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule: zandhergebruik = hoeveelheid hergebruikt zand/totale hoeveelheid gebruikt zand x 100, waarbij:
1° hoeveelheid hergebruikt zand: de totale hoeveelheid hergebruikt zand, afkomstig van herconditionering of terugwinning, uitgedrukt in t/jaar;2° totale hoeveelheid gebruikt zand: de totale hoeveelheid gebruikt zand, uitgedrukt in t/jaar. De grenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden gemonitord conform artikel 3.22.2.3.1.
Art. 3.22.3.4.5. De hoeveelheid gegenereerde residuen bij het smelten van metaal en de hoeveelheid te verwijderen afval worden verminderd door de toepassing van al de volgende technieken: 1° minimaliseren van slakvorming;2° mechanisch voorbehandelen van slakken, dross, filterstof en gebruikte vuurvaste ovenbekleding om recyclage te vergemakkelijken;3° aanpassen van de zuurtegraad van de slakken in koepelovens;4° inzamelen en recycleren van cokesbries in koepelovens;5° recycleren van filterstof in koepelovens met behulp van zinkhoudend schroot;6° recycleren van filterstof in elektrische vlamboogovens. Art 3.22.3.4.6. De hoeveelheid te verwijderen afval, van gebruikt zand, te fijn zand, slakken, vuurvaste ovenbekleding en opgevangen filterstof, wordt verminderd door voorrang te geven aan recyclage of, als dat niet mogelijk is, nuttige toepassing buiten het terrein, ten opzichte van de verwijdering ervan.
Art. 3.22.3.4.7. De grenswaarden voor de hoeveelheid te verwijderen afval, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op gieterijen:
type afvalstof
grenswaarde per type gieterij, in kg/t vloeibaar metaal
ijzergieterijen
staalgieterijen
non- ferrometaalgieterijen
slakken
50 (1)
50 (1)
50
dross
30
30
30
filterstof
60
10
5
opgebruikte vuurvaste ovenbekleding
20 (2)
20
5
(1) Voor staalgieterijen of gieterijen die elektrische vlamboogovens gebruiken en daardoor toegenomen slakvorming hebben tijdens de metallurgische behandeling, kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de grenswaarde voor slakken afgeweken worden met een maximum van 100 kg/t vloeibaar metaal.(2) Voor ijzergieterijen met koudelucht-koepelovens kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de grenswaarde voor opgebruikte vuurvaste ovenbekleding afgeweken worden met een maximum van 100 kg/t vloeibaar metaal.
Onderafdeling 3.22.3.5. Emissies naar lucht
Art. 3.22.3.5.1. Diffuse emissies naar lucht worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, verminderd door de toepassing van al de volgende technieken: 1° afdekken van het leveringsmateriaal zoals containers en de laadruimte van transportvoertuigen;2° schoonmaken van wegen en wielen van transportvoertuigen;3° gebruikmaken van afgesloten transportbanden;4° stofzuigen van zones voor het maken van vormen en kernen;5° vervangen van coatings op alcoholbasis door coatings op waterbasis;6° beheersen van emissies die afkomstig zijn van koelbaden door onder meer polymeeroplossingen op waterbasis of verwarmd water als koelmiddel te gebruiken;7° beheersen van emissies bij overbrengingsprocessen bij het smelten van metaal door onder meer transportgoten af te dekken. Het eerste lid, 5°, is niet van toepassing op met waterglas gebonden zand, het gietproces voor magnesium, vacuümvormen of de productie van gietstukken van mangaanstaal met magnesiumoxidecoating.
Art. 3.22.3.5.2. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van de volgende processen of bronnen worden zo dicht mogelijk bij de emissiebron opgevangen en afgezogen: 1° koelbaden;2° overbrengingsprocessen bij het smelten van metaal;3° smelten van metaal;4° raffineren van staal;5° warmtebehandeling;6° maken van vormen of kernen;7° gieten, koelen en ontzanden met gebruik van verloren vormen;8° verloren schuimgieten;9° gieten in permanente vormen;10° afwerkingsprocessen;11° hergebruik van zand. Art. 3.22.3.5.3. De terugwinning van materialen en de vermindering van de geleide emissies naar lucht worden vergemakkelijkt en de energie-efficiëntie wordt verhoogd door afgasstromen met vergelijkbare kenmerken te combineren zodat het aantal emissiepunten geminimaliseerd wordt.
De gecombineerde behandeling van afgassen met vergelijkbare kenmerken, vermeld in het eerste lid, beoogt een doeltreffendere en efficiëntere behandeling dan de afzonderlijke behandeling van individuele afgasstromen. Bij het combineren van afgassen wordt rekening gehouden met de volgende elementen: 1° de veiligheid van de installatie;2° de technische factoren;3° de milieufactoren, zoals maximale terugwinning van materialen of vermindering van verontreinigende stoffen;4° de economische factoren. Art. 3.22.3.5.4. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van het smelten van metaal, worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, verminderd door de toepassing van al de volgende technieken: 1° voor nieuwe installaties of belangrijke verbeteringen van installaties: de keuze van een geschikt oventype;2° maximalisatie van de thermische efficiëntie van ovens;3° gebruik van schoon schroot;4° maximalisatie van de verblijftijd van afgassen en optimalisatie van de temperatuur in de naverbrandingskamer in koepelovens door de afgassen te verhitten tot een temperatuur van minimaal 850 ° C gedurende ten minste twee seconden;5° snelle afgaskoeling;6° minimalisatie van de stofvorming in warmtewisselaars. De technieken, vermeld in het eerste lid, worden gecombineerd met ofwel het gebruik van elektriciteit uit fossielvrije energiebronnen, ofwel een passende combinatie van de technieken, vermeld in punt f tot en met i van BBT 23 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Art. 3.22.3.5.5. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van de warmtebehandeling worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, verminderd door de toepassing van al de volgende technieken: 1° voor nieuwe installaties of belangrijke verbeteringen van installaties: selectie van een geschikt oventype;2° maximalisatie van de thermische efficiëntie van ovens. Art. 3.22.3.5.6. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van warmtebehandeling:
parameter
emissiegrenswaarde (in mg/Nm3)
stof
5
NOx
120 (1) (2)
(1) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor NOx afgeweken worden met een maximum van 300 mg/Nm3, in het geval van warmtebehandeling boven 1000 ° C.(2) De emissiegrenswaarde voor NOx is niet van toepassing op ovens die uitsluitend gebruikmaken van elektrische energie.
De concentratie van de emissies naar de lucht die afkomstig zijn van warmtebehandeling voor de parameters, vermeld in het eerste lid, en voor de parameter CO wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
De meetverplichting is alleen van toepassing als de parameters in kwestie in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd zijn als relevant.
Art. 3.22.3.5.7. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van het maken van kernen en verloren vormen met kleigebonden zand, worden voorkomen of verminderd door de toepassing van een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in punt a tot en met c van BBT 25 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Art. 3.22.3.5.8. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van het maken van kernen en verloren vormen met chemisch gebonden zand, worden voorkomen of verminderd door de toepassing van de volgende technieken: 1° keuze van een lage-emissie-bindmiddelsysteem voor koude uithardingsprocessen;2° keuze van een emissiearm systeem voor gashardende processen voor bindmiddelen;3° keuze van een emissiearm systeem voor thermohardende processen voor bindmiddelen. De technieken, vermeld in het eerste lid, worden gecombineerd met een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in punt g tot en met k van BBT 25 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Art. 3.22.3.5.9. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van het aanbrengen van coatings op kernen en verloren vormen, worden voorkomen of verminderd door coatings op alcoholbasis te vervangen door coatings op waterbasis.
Art. 3.22.3.5.10. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van het maken van kernen en verloren vormen en van giet-, koel- en ontzandingsprocessen waar gebruik gemaakt wordt van verloren vormen:
parameter
activiteit of proces
emissiegrenswaarde (in mg/Nm3)
stof
alle
5
aminen
maken van kernen en verloren vormen in het cold-box-proces als aminen worden gebruikt
2,5 (1)
benzeen
bij gebruik van aromatische bindmiddelen of aromatische chemische stoffen of bij gebruik van het volvormproces
2
formaldehyde
alle
2 (2)
fenol
alle bij gebruik van bindmiddelsystemen op fenolbasis bij het maken van kernen of vormen
2
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof (TOC)
alle
50 (3) (4)
(1) De emissiegrenswaarde voor aminen geldt met behoud van de toepassing van de algemene emissiegrenswaarden voor individuele aminen, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. (2) De emissiegrenswaarde voor formaldehyde is alleen van toepassing als die parameter in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd is als relevant. (3) Voor het maken van kernen kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de emissiegrenswaarde voor TOC afgeweken worden met een maximum van 100 mg C/Nm3, als aan al de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) er worden organische bindmiddelen gebruikt die lage of geen emissies genereren van stoffen die zijn ingedeeld als CMR 1A, 1B of 2;b) thermische of katalytische oxidatie is niet toepasbaar;c) vervanging door coatings op waterbasis is niet toepasbaar.(4) In het geval van giet-, koel- en ontzandingsprocessen kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van de emissiegrenswaarde voor TOC afgeweken worden met een maximum van 100 mg C/Nm3, als bij het maken van kernen organische bindmiddelen worden gebruikt die lage of geen emissies genereren van stoffen die zijn ingedeeld als CMR 1A, 1B of 2.
De concentratie van de emissies naar de lucht voor de parameters, vermeld in het eerste lid wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2. De meetverplichting voor formaldehyde is alleen van toepassing als die parameter in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd is als relevant. De meetverplichting voor aminen geldt met behoud van de toepassing van de algemene meetfrequenties voor individuele aminen, vermeld in bijlage 4.4.3 bij titel II van het VLAREM. De concentratie cadmium en zijn verbindingen, chroom en zijn verbindingen, nikkel en zijn verbindingen en lood en zijn verbindingen in de afgassen van giet-, koel- en ontzandingsprocessen met gebruik van verloren vormen wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
De meetverplichting is alleen van toepassing als de parameters in kwestie in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd zijn als relevant.
Art. 3.22.3.5.11. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van verloren schuimgieten:
parameter
emissiegrenswaarde (in mg/Nm3)
stof
5
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof (TOC)
50 (1)
(1) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor TOC afgeweken worden met een maximum van 100 mg C/Nm3, als de efficiëntie van het afgasbehandelingssysteem > 95% bedraagt voor wat betreft het verwijderen van TOC-emissies.
De concentratie van de emissies naar de lucht voor de parameters, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
Art. 3.22.3.5.12. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van het gieten in permanente vormen, worden voorkomen of verminderd door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in punt a tot en met e van BBT 29 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Art. 3.22.3.5.13. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van het gieten in permanente vormen:
parameter
activiteit of proces
emissiegrenswaarde (in mg/Nm3)
stof
alle
5
lood en zijn verbindingen, uitgedrukt als Pb
loodgieterijen
0,1
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof (TOC)
alle
50 (1)
(1) De emissiegrenswaarde voor vluchtige organische stoffen is alleen van toepassing als kernen met chemisch gebonden zand worden gebruikt of als die parameter in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd is als relevant.
De concentratie van de emissies naar de lucht voor de parameters, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2. De meetverplichting voor TOC is alleen van toepassing als die parameter in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd is als relevant.
Art. 3.22.3.5.14. Voor de geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van afwerkingsprocessen, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 5 mg/Nm3.
De concentratie stof in de afgassen van afwerkingsprocessen wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
De concentratie cadmium en zijn verbindingen, chroom en zijn verbindingen, nikkel en zijn verbindingen en lood en zijn verbindingen in de afgassen van afwerkingsprocessen wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2. De meetverplichting is alleen van toepassing als de parameters in kwestie in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd zijn als relevant.
Art. 3.22.3.5.15. Emissies naar lucht die afkomstig zijn van thermische zandregeneratie, worden verminderd door gebruik te maken van ofwel elektriciteit uit fossielvrije energiebronnen ofwel een brandstof of combinatie van brandstoffen met een laag potentieel voor NOX-vorming en een laag zwavelgehalte.
Art. 3.22.3.5.16. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van zandhergebruik:
parameter
activiteit of proces
emissiegrenswaarde (in mg/Nm3)
stof
alle
5
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof (TOC)
alle
20
NOx
thermische zandregeneratie dat afkomstig is van het cold-box-proces
140
SO2
thermische zandregeneratie waarin sulfonzuurkatalysatoren zijn gebruikt
100
De concentratie van de emissies naar de lucht voor de parameters, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
De concentratie NOx in de afgassen van thermische zandregeneratie, andere dan afkomstig van het cold-box-proces, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2. Die meetverplichting is niet van toepassing wanneer uitsluitend elektriciteit wordt gebruikt.
Onderafdeling 3.22.3.6. Geur
Art. 3.22.3.6.1. Geuremissies worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, verminderd, door de toepassing van al de volgende technieken: 1° vervangen van chemische stoffen die aromatische oplosmiddelen of oplosmiddelen op alcoholbasis bevatten;2° opvangen en behandelen van amine-emissies die afkomstig zijn van het maken van kernen met het cold-box-proces;3° opvangen en behandelen van VOS-emissies die afkomstig zijn van chemisch gebonden zandbereiding, gieten, koelen en ontzanding. Onderafdeling 3.22.3.7. Waterverbruik en afvalwater
Art. 3.22.3.7.1. Het waterverbruik wordt geoptimaliseerd, de hoeveelheid geproduceerd afvalwater wordt verminderd en de recycleerbaarheid van water wordt verbeterd door de toepassing van de volgende technieken en een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in punt c tot en met g van BBT 35 van de BBT-conclusies voor smederijen en gieterijen: 1° het toepassen van een waterbeheersplan en de uitvoering van wateraudits.Het waterbeheersplan en de wateraudits zijn deel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.22.2.2.1, en omvatten: a. stroomdiagrammen en watermassabalansen van de installatie, als onderdeel van het overzicht van inputs en outputs, vermeld in artikel 3.22.2.2.2; b. het vaststellen van doelstellingen op het gebied van waterefficiëntie;c. het toepassen van technieken voor de optimalisering van het watergebruik;d. de jaarlijkse uitvoering van wateraudits om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het waterbeheersplan worden verwezenlijkt en de aanbevelingen van de wateraudits worden opgevolgd en uitgevoerd;2° het scheiden van waterstromen; Het waterbeheersplan en de wateraudits, vermeld in het eerste lid, 1°, worden ter beschikking gesteld van de toezichthouder en de Vlaamse Milieumaatschappij als die daarom verzoeken.
Art. 3.22.3.7.2. De grenswaarden voor het specifieke waterverbruik, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de sectoren, vermeld in de volgende tabel:
soort gieterij
grenswaarde voor specifieke waterverbruik (m3/t vloeibaar metaal)
ijzergieterijen
4
staalgieterijen
4
non-ferrometaalgieterijen, andere dan hogedrukgieten
4
hogedrukgieten in non-ferrometaalgieterijen
7
De grenswaarden voor het specifieke waterverbruik, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule: specifieke waterverbruik = waterverbruik/activiteitsgraad, waarbij: 1° waterverbruik: de totale hoeveelheid water die door de installatie wordt verbruikt, uitgedrukt in m3/jaar, exclusief: a) gerecycleerd en hergebruikt water;b) koelwater in koelsystemen met doorloop;c) huishoudelijk afvalwater;2° activiteitsgraad: de totale output van vloeibaar metaal, uitgedrukt in t/jaar. De grenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden gemonitord conform artikel 3.22.2.3.1, eerste lid, 1°.
Onderafdeling 3.22.3.8. Emissies naar water
Art. 3.22.3.8.1. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van afvalwater dat afkomstig is van spuitgieten, afgasbehandeling, afwerking, warmtebehandeling, verontreinigd hemelwater, directe koeling, natte zandregeneratie en de granulatie van slakken van koepelovens:
parameter
emissiegrenswaarde (in mg/l)
lozing in oppervlaktewater
lozing in riolering
AOX
van geval tot geval (1) (2)
van geval tot geval (1) (2)
CZV
120 (3)
/
TOC
40 (3)
/
zwevende stoffen
25
/
minerale oliën
5 (2)
5 (2)
koper (Cu)
van geval tot geval (2)
van geval tot geval (2)
chroom (Cr)
van geval tot geval (2)
van geval tot geval (2)
lood (Pb)
van geval tot geval (2)
van geval tot geval (2)
nikkel (Ni)
van geval tot geval (2)
van geval tot geval (2)
zink (Zn)
van geval tot geval (2)
van geval tot geval (2)
fenolindex
0,5 (4)
0,5 (4)
totaal stikstof
20 (2)
/
(1) De emissiegrenswaarde en monitoring zijn alleen van toepassing bij natte gaswassing van afgassen van koepelovens. (2) De emissiegrenswaarde en monitoring zijn alleen van toepassing als de stof in kwestie in het overzicht van de afvalwaterstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 5°, geïdentificeerd is als relevant. (3) De parameters TOC en CZV zijn alternatieven.Ofwel is de emissiegrenswaarde en monitoring voor TOC van toepassing, ofwel de emissiegrenswaarde en monitoring voor CZV. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarbij geen zeer toxische verbindingen nodig zijn. (4) De emissiegrenswaarde en monitoring zijn alleen van toepassing als bindmiddelsystemen op fenolbasis worden gebruikt.
De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en BZV, in de lozing van het afvalwater, wordt om de drie maanden gemeten.
De concentratie van arseen, cadmium, ijzer en kwik in de lozing van het afvalwater wordt om de drie maanden gemeten als de parameter in kwestie in het overzicht van de afvalwaterstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 5°, geïdentificeerd is als relevant.
Bij het lozen van meer dan 50 m3 per uur bedrijfsafvalwater, wordt de concentratie van de parameters AOX, CZV, TOC, zwevende stoffen en fenolindex maandelijks gemeten.
Bij batchlozingen die minder dan om de drie maanden plaatsvinden, wordt de meting een keer per batch uitgevoerd. Afdeling 3.22.4. Specifieke bepalingen voor gieterijen
Onderafdeling 3.22.4.1. IJzergieterijen
Art. 3.22.4.1.1. De energie-efficiëntie bij het smelten van metaal in ijzergieterijen wordt verhoogd door de toepassing van een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 37 van de BBT-conclusies.
Art. 3.22.4.1.2. De grenswaarden voor het specifieke energieverbruik, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij ijzergieterijen:
proces/oventype
grenswaarde voor specifieke energieverbruik (in kWh/t vloeibaar metaal)
smelten en warmhouden in een koudelucht-koepeloven
1750
smelten en warmhouden in een hetelucht-koepeloven
1500
smelten en warmhouden in een inductieoven
1200
smelten en warmhouden in een roterende oven
950
voorverwarmen van de gietpan
150 (1)
(1) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de grenswaarde voor specifieke energieverbruik worden afgeweken bij gieterijen die grote gietstukken produceren, met een maximum van 200 kWh/t vloeibaar metaal.
Het specifieke energieverbruik, vermeld in het eerste lid, wordt gemonitord conform artikel 3.22.2.3.1, en berekend overeenkomstig artikel 3.22.3.3.2.
Art. 3.22.4.1.3. De emissies naar lucht die afkomstig zijn van het smelten van ijzer in koepelovens, worden voorkomen en verminderd, door de toepassing van een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in punt a tot en met e van BBT 38 van de BBT-conclusies voor de smederijen en gieterijen.
Art. 3.22.4.1.4. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van het smelten van ijzer:
parameter
soort oven
emissiegrenswaarde (in mg/Nm3)
gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl
koepeloven
30
gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF
koepeloven, roterende oven
3
stof
inductie, roterende oven, elektrische vlamboogoven
5
koepeloven
7 (1)
NOX
hetelucht-koepeloven
160
koudelucht-koepeloven
70
roterende oven
100
SO2
hetelucht-koepeloven
100
koudelucht-koepeloven
150
roterende oven
50
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof
alle ovens
30 mg C/Nm3
lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb
koepeloven
0,1 (2)
dioxinen en furanen
koepeloven, roterende oven, inductie
0,08 ng WHO2005-TEQ/Nm3
(1) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan voor bestaande hetelucht-koepelovens die natte gaswassing toepassen, van de emissiegrenswaarde voor stof afgeweken worden met een maximum van 12 mg/Nm3, tot de volgende belangrijke verbetering van de koepeloven. (2) De emissiegrenswaarde voor lood is alleen van toepassing als die parameter in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd is als relevant.
De concentratie van de emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het smelten van ijzer, vermeld in de volgende tabel, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2:
parameter
soort oven
gasvormige anorganische chloriden, gasvormige anorganische fluoriden (1)
koepeloven, roterende oven
stof
alle ovens
CO, NOX, SO2
koepeloven, roterende oven
benzo(a)pyreen (1)
alle ovens
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof
alle ovens
cadmium en zijn verbindingen
alle ovens
chroom en zijn verbindingen, nikkel en zijn verbindingen, zink en zijn verbindingen (1)
alle ovens
lood en zijn verbindingen
koepeloven
dioxinen en furanen
koepeloven, roterende oven
inductie (1)
(1) De meetverplichting is alleen van toepassing als de parameters in kwestie in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd zijn als relevant.
In afwijking van het tweede lid geldt een continue meetverplichting voor stof voor elk emissiepunt dat samenhangt met een koepeloven waarvan de massastroom voor stof meer bedraagt dan 500 g/h.
Voor de berekening van de massastromen, vermeld in het derde lid, worden twee of meer afzonderlijke emissiepunten waaruit afgassen met vergelijkbare kenmerken worden geloosd en die volgens het oordeel van de vergunningverlener via één gemeenschappelijk emissiepunt zouden kunnen worden geloosd, beschouwd als één enkel emissiepunt.
Art. 3.22.4.1.5. De stofemissies naar lucht die afkomstig zijn van de nodularisatie van gietijzer worden voorkomen of verminderd, door ofwel nodularisatie toe te passen zonder magnesiumoxide-emissies, ofwel door de afgassen zo dicht mogelijk bij de bron op te vangen.
Voor de geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van de nodularisatie van gietijzer waarbij magnesiumoxide-emissies worden gevormd door de gebruikte nodularisatietechniek, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 5 mg/Nm3.
De concentratie stof in de afgassen die afkomstig zijn van de nodularisatie van gietijzer, vermeld in het tweede lid, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
Onderafdeling 3.22.4.2. Staalgieterijen
Art. 3.22.4.2.1. De grenswaarden voor het specifieke energieverbruik, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij staalgieterijen:
proces
grenswaarden voor het specifieke energieverbruik (in kWh/t vloeibaar metaal)
smelten
1200
voorverwarmen gietpan
300
Het specifieke energieverbruik, vermeld in het eerste lid, wordt gemonitord conform artikel 3.22.2.3.1, en berekend overeenkomstig artikel 3.22.3.3.2.
Art. 3.22.4.2.2. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van het smelten van staal:
parameter
emissiegrenswaarde
stof
5 mg/Nm3
dioxinen en furanen
0,08 ng WHO2005-TEQ/Nm3
De concentratie van de emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het smelten van staal, vermeld in de volgende tabel, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2:
parameter
soort oven
stof
alle ovens
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof (1)
alle ovens
cadmium en zijn verbindingen
alle ovens
chroom en zijn verbindingen, nikkel en zijn verbindingen, zink en zijn verbindingen (1)
alle ovens
dioxinen en furanen (1)
alle ovens
(1) De meetverplichting is alleen van toepassing als de parameters in kwestie in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd zijn als relevant.
In afwijking van het tweede lid geldt een continue meetverplichting voor stof voor elk emissiepunt dat samenhangt met een koepeloven waarvan de massastroom voor stof meer bedraagt dan 500 g/h.
Voor de berekening van de massastromen, vermeld in het derde lid, worden twee of meer afzonderlijke emissiepunten waaruit afgassen met vergelijkbare kenmerken worden geloosd en die volgens het oordeel van de vergunningverlener via één gemeenschappelijk emissiepunt zouden kunnen worden geloosd, beschouwd als één enkel emissiepunt.
Art. 3.22.4.2.3. Voor de geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van het raffineren van staal, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 5 mg/Nm3.
De concentratie stof in de afgassen die afkomstig zijn van het raffineren van staal wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
Onderafdeling 3.22.4.3. Non-ferrometaalgieterijen Art 3.22.4.3.1. De grenswaarde voor het specifieke energieverbruik bij het smelten en warmhouden in aluminiumgieterijen bedraagt 2000 kWh/t vloeibaar metaal.
Het specifieke energieverbruik, vermeld in het eerste lid, wordt gemonitord conform artikel 3.22.2.3.1.
Art 3.22.4.3.2. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van het smelten van non-ferrometalen:
parameter
emissiegrenswaarde (in mg/Nm3, tenzij anders vermeld)
stof
5
gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl
3 (1) (2)
gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF
1 (1)
NOx
50 (3) (4)
dioxinen en furanen
0,08 ng WHO2005-TEQ/Nm3
SO2
10 (4) (5)
lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb
0,1 (6)
(1) De emissiegrenswaarde voor gasvormige anorganische chloriden en gasvormige anorganische fluoriden is alleen van toepassing op aluminiumgieterijen. (2) De emissiegrenswaarde is alleen van toepassing als de parameters in kwestie in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd zijn als relevant. (3) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor NOx afgeweken worden met een maximum van 100 mg/Nm3, in het geval van schachtovens.(4) De emissiegrenswaarde voor NOx en CO is niet van toepassing op ovens die uitsluitend gebruikmaken van elektrische energie.(5) De emissiegrenswaarde is niet van toepassing wanneer uitsluitend aardgas wordt gebruikt.(6) De emissiegrenswaarde is alleen van toepassing op gieterijen die lood gebruiken.
De concentratie van de emissies naar de lucht die afkomstig zijn van het smelten van non-ferrometalen, vermeld in de volgende tabel, wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2:
parameter
soort gieterij/oven
gasvormige anorganische chloriden (1)
aluminium
gasvormige anorganische fluoriden
aluminium
stof
alle
CO, NOX, SO2
alle ovens, met uitzondering van uitsluitend elektrische ovens
vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof (1)
alle
cadmium en zijn verbindingen
alle
chroom en zijn verbindingen, nikkel en zijn verbindingen, zink en zijn verbindingen (1)
alle
lood en zijn verbindingen
gieterijen die lood gebruiken
dioxinen en furanen (1)
alle
(1) De meetverplichting is alleen van toepassing als de parameters in kwestie in het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.22.2.2.2, eerste lid, 6°, geïdentificeerd zijn als relevant.
In afwijking van het tweede lid geldt een continue meetverplichting voor stof voor elk emissiepunt dat samenhangt met een koepeloven waarvan de massastroom voor stof meer bedraagt dan 500 g/h.
Voor de berekening van de massastromen, vermeld in het derde lid, worden twee of meer afzonderlijke emissiepunten waaruit afgassen met vergelijkbare kenmerken worden geloosd en die volgens het oordeel van de vergunningverlener via één gemeenschappelijk emissiepunt zouden kunnen worden geloosd, beschouwd als één enkel emissiepunt.
Art. 3.22.4.3.3. Bij de behandeling van gesmolten aluminium door middel van ontgassing of reiniging wordt geen chloorgas gebruikt.
Art. 3.22.4.3.4. Emissies van stoffen met een hoog aardopwarmingsvermogen die afkomstig zijn van de bescherming van gesmolten magnesium bij het smelten van magnesium worden voorkomen, door middelen om oxidatie tegen te gaan met een laag aardopwarmingsvermogen te gebruiken. Afdeling 3.22.5. Smederijen
Onderafdeling 3.22.5.1. Toepassingsgebied
Art. 3.22.5.1.1. Naast de algemene bepalingen van afdeling 3.22.2, zijn de bepalingen in deze afdeling van toepassing op smederijen.
Onderafdeling 3.22.5.2. Energie-efficiëntie
Art. 3.22.5.2.1. De grenswaarde voor het specifieke energieverbruik van smederijen bedraagt 6500 kWh/t basismateriaal.
De grenswaarde voor het specifieke energieverbruik, vermeld in het eerste lid, heeft betrekking op een jaargemiddelde en wordt berekend met de volgende formule: specifieke energieverbruik = energieverbruik/activiteitsgraad, waarbij: 1° energieverbruik: de totale hoeveelheid warmte, door primaire energiebronnen geproduceerd, en elektriciteit die door de installatie in de smederijen wordt verbruikt, uitgedrukt in kWh/jaar;2° activiteitsgraad: de totale hoeveelheid basismateriaal, uitgedrukt in t/jaar. Onderafdeling 3.22.5.3. Materiaalefficiëntie
Art. 3.22.5.3.1. De materiaalefficiëntie wordt verhoogd en de hoeveelheid te verwijderen afval wordt verminderd, door het gebruik van al de volgende technieken: 1° procesoptimalisering, zoals: a) geautomatiseerd beheer van processen;b) keuze van een geschikte hamer afgestemd op de grootte van de grondstof;c) aangepaste grootte van de grondstof, om de hoeveelheid residuen en bewerkingen te beperken;2° optimalisering van het verbruik van grondstoffen en hulpstoffen, zoals;a) gebruik van computerondersteund ontwerpen voor het optimaliseren van smeedinstrumenten en smeedgeometrie om de behoefte aan smeedproeven te verkleinen;b) keuze van een geschikt type koelmiddel en smeermiddel;c) systemen voor het opvangen en recirculeren van koelmiddelen en smeermiddelen;3° recyclage van procesresiduen. Onderafdeling 3.22.5.4. Trillingen
Art. 3.22.5.4.1. Trillingen die afkomstig zijn van het hamerproces worden verminderd door het gebruik van trillingreducerende technieken en isolatietechnieken.
Onderafdeling 3.22.5.5. Emissies naar lucht
Art. 3.22.5.5.1. Diffuse emissies naar lucht worden voorkomen of beperkt door het gebruik van al de volgende technieken: 1° operationele en technische maatregelen, zoals: a) het gebruik van gesloten zakken of vaten bij de omgang met materialen met makkelijk verspreidbare of in water oplosbare componenten;b) minimaliseren van vervoersafstanden;c) efficiënte hantering van materiaal;2° afzuigen en behandelen van emissies die afkomstig zijn van gritstralen. Art. 3.22.5.5.2. Voor de geleide emissies naar lucht die afkomstig zijn van verwarmen, herverwarmen en warmtebehandeling, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 250 mg/Nm3.
In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor NOx, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden met een maximum van 350 mg/Nm3, als er recuperatieve of regeneratieve branders worden gebruikt.
De concentratie CO en NOx in de afgassen die afkomstig zijn van verwarmen, herverwarmen en warmtebehandeling wordt gemeten overeenkomstig artikel 3.22.2.5.2.
Onderafdeling 3.22.5.6. Waterverbruik en afvalwater
Art. 3.22.5.6.1. Het waterverbruik en de hoeveelheid geproduceerd afvalwater worden verminderd door het gebruik van al de volgende technieken: 1° scheiding van de waterstromen;2° hergebruik en recyclage van water. ".
HOOFDSTUK 3. - Slotbepaling
Art. 7.De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 18 september 2026.
De minister-president van de Vlaamse Regering, M. DIEPENDAELE De Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw, J. BROUNS