Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 17 december 2021
gepubliceerd op 04 maart 2022

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de regels voor de toekenning van projectfinanciering voor digibanken

bron
vlaamse overheid
numac
2022030413
pub.
04/03/2022
prom.
17/12/2021
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

17 DECEMBER 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de regels voor de toekenning van projectfinanciering voor digibanken


Rechtsgrond Dit besluit is gebaseerd op: - de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 en artikel 87, § 1; - het programmadecreet van 23 december 2021Relevante gevonden documenten type programmadecreet prom. 23/12/2021 pub. 29/12/2021 numac 2021043623 bron vlaamse overheid Programmadecreet bij de begroting 2022 sluiten bij de begroting 2022, artikel 81;

Vormvereisten De volgende vormvereisten zijn vervuld: - De Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, heeft zijn akkoord verleend op 25 juni 2021; - De SERV heeft advies gegeven op 5 juli 2021; - De Raad Van State heeft advies gegeven op 16 augustus 2021, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Motivering Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven: - Op 2 april 2021 keurde de Vlaamse Regering de kadernota `Plan Vlaamse Veerkracht: Project Digibanken: verkleinen van de ongelijke digitale kloof (e-inclusie)' goed die de uitrol van de oproepen en ook de flankerende initiatieven ter ondersteuning van de digibanken formuleert (VR 2021 0204 VV DOC.0028/1BIS). Dit besluit bepaalt de wettelijke voorwaarden voor de projectoproepen van de digibanken.

Initiatiefnemer Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw.

Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° departement: het Departement Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 03/06/2005 pub. 22/09/2005 numac 2005036144 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie sluiten met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;2° digibankproject: een partnerschap van publieke of private actoren, dat uitvoering geeft aan het voorwaardelijk beschikbaar stellen van laptops en andere hardware en ondersteuning in een specifieke context, aan opleiding en kennisdeling om digitale basisvaardigheden te versterken, en aan begeleiding voor een verbeterde toegang tot essentiële diensten, als vermeld in artikel 4;3° implementatietraject: het traject waarin het digibankproject wordt uitgevoerd door het partnerschap;4° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie;5° oproep: de vraag of uitnodiging die met een ministerieel besluit wordt gelanceerd, om voorstellen in te dienen voor de financiering van voortrajecten en implementatietrajecten;6° partnerschap: de samenwerking tussen publieke of private actoren die is vastgelegd in een overeenkomst;7° steun: een financiële tegemoetkoming om een project ter uitvoering van het digibankproject te financieren;8° voortraject: het traject dat aan het implementatietraject voorafgaat en dat gericht is op de strategische ontwikkeling en voorbereiding van het digibankproject. HOOFDSTUK 2. - Staatssteun

Art. 2.De steun die wordt toegekend met toepassing van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt verleend binnen de grenzen en de voorwaarden, vermeld in: 1° verordening (EU) nr.360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen; 2° verordening (EU) nr.2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, artikel 5.2. HOOFDSTUK 3. - Steunregeling Afdeling 1. - Doelstelling

Art. 3.Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten wordt steun verleend om voortrajecten en implementatietrajecten te financieren.

Art. 4.De steun heeft tot doel om volwassen personen met een digitale achterstand of met een risico op digitale achterstand via een lokale projectondersteuning te ondersteunen. De projectondersteuning bevat al de volgende doelstellingen: 1° toegang verlenen tot digitale technologieën via het voorwaardelijk ter beschikking stellen van laptops, beeldschermen en diverse hardware;2° via opleiding en kennisdeling persoonlijke of technische digitale vaardigheden aanleren;3° via begeleiding een verbeterde digitale toegang tot essentiële maatschappelijke diensten aanreiken. De minister kan de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, nader bepalen. Afdeling 2. - Voortraject

Art. 5.De oproep voor het voortraject voorziet in de ondersteuning van kandidaat-partnerschappen die gericht zijn op de strategieontwikkeling en het tot uitvoer brengen van lokale digibankprojecten.

De kandidaat-partnerschappen verbinden zich ertoe om tijdens het voortraject de volgende elementen te ontwikkelen: 1° een opgezet partnerschap met een ondertekende samenwerkingsovereenkomst;2° een inhoudelijke samenwerkingsstrategie die de uitvoering verankert op het niveau van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, eerste lid;3° een planning voor de uitvoering in een implementatietraject;4° een begroting en tijdsinzet voor de uitvoering in een implementatietraject.

Art. 6.Het voortraject heeft een duur van maximaal vier maanden.

De minister kan de termijn van het voortraject wijzigen in functie van beleidsprioriteiten.

Art. 7.De steun om een voortraject te financieren wordt toegekend in de vorm van een subsidie die per voortraject maximaal 15.000 euro bedraagt.

Art. 8.De volgende kosten zijn subsidiabel: 1° loonkosten: de loonkosten van personeelsleden die werkzaam zijn voor het kandidaat-partnerschap en die een rechtstreeks en noodzakelijk verband houden met de invulling van de opdrachten, vermeld in artikel 5;2° werkingskosten: de kosten verbonden aan de bedrijfsvoering van het kandidaat-partnerschap en die een rechtstreeks en noodzakelijk verband houden met de invulling van de opdrachten, vermeld in artikel 5;3° externe prestaties: de kosten die in opdracht van het kandidaat-partnerschap door derden zijn gemaakt en die een rechtstreeks en noodzakelijk verband houden met de invulling van de opdrachten, vermeld in artikel 5. De kosten, vermeld in het eerste lid, zijn enkel subsidiabel als zij binnen de subsidieperiode zijn gemaakt.

De minister kan de kosten, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.

Art. 9.De volgende actoren kunnen een aanvraag voor het voortraject indienen: 1° publieke of private actoren met rechtspersoonlijkheid die in het Vlaamse Gewest gevestigd zijn;2° publieke of private actoren met rechtspersoonlijkheid die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die, wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap;3° een combinatie van de in punt 1° en 2° vermelde actoren. De actoren, vermeld in het eerste lid, kunnen de aanvraag, vermeld in het eerste lid, indienen voor rekening van het kandidaat-partnerschap.

Art. 10.De indiener heeft een inschrijvingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO). De indiener is actief volgens de KBO. Indieners die zich in een niet-actieve toestand bevinden zijn uitgesloten.

Art. 11.De indiener en de leden van het kandidaat-partnerschap mogen op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen juridische procedures hebben lopen die de realisatie van het voortraject en het implementatietraject in de weg kunnen staan.

De indiener en de leden van het kandidaat-partnerschap mogen op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 12.De indiener houdt een aparte en transparante boekhouding voor de projectfinanciering bij. Afdeling 3. - Implementatietraject

Art. 13.Het implementatietraject ondersteunt de effectieve uitvoering van digibankprojecten via een partnerschap en een samenwerkingsstrategie.

Het implementatietraject is gericht op de effectieve invulling van al de doelstellingen, vermeld in artikel 4.

Art. 14.Het implementatietraject heeft een duur van minimaal 24 maanden en eindigt uiterlijk op 31 december 2024.

De minister kan de termijn van het implementatietraject wijzigen in functie van beleidsprioriteiten.

Art. 15.De steun om een implementatietraject te financieren, wordt toegekend in de vorm van een subsidie, die per implementatietraject maximaal 500.000 euro bedraagt.

Art. 16.De volgende kosten zijn subsidiabel: 1° loonkosten: de loonkosten van personeelsleden die werkzaam zijn voor de indiener of de leden van het partnerschap en die een rechtstreeks en noodzakelijk verband houden met de invulling van de opdrachten, vermeld in artikel 13;2° werkingskosten: de kosten verbonden aan de bedrijfsvoering van het partnerschap en die een rechtstreeks en noodzakelijk verband houden met de invulling van de opdrachten, vermeld in artikel 13;3° overheadkosten: de kosten die geïntegreerd zijn in de algemene werking van de leden van het partnerschap en die onrechtstreeks met de uitvoering van het project verband houden;4° externe prestaties: de kosten die in opdracht van het kandidaat-partnerschap door derden zijn gemaakt en die een rechtstreeks en noodzakelijk verband houden met de invulling van de opdrachten, vermeld in artikel 13;5° investeringskosten: de kosten uitsluitend beperkt tot de uitvoering van de doelstelling, vermeld in artikel 4, 1°. De kosten, vermeld in het eerste lid, zijn enkel subsidiabel als zij binnen de subsidieperiode zijn gemaakt.

Elke subsidiabele kost, vermeld in paragraaf 1, wordt toegewezen aan een lid van het partnerschap en is gekoppeld aan de doelstelling van de begroting.

De indiener brengt wijzigingen aan de begroting tijdens de duur van het project vooraf en schriftelijk ter kennis aan het departement. Het departement moet gewijzigde begrotingen altijd goedkeuren.

De kosten, vermeld in het eerste lid, zijn enkel subsidiabel als de indiener of het lid van het partnerschap aantoont dat die redelijke en voorzichtige uitgaven betreffen die een evenredig verband houden met de te verwachte output en kunnen worden gestaafd aan de hand van bewijsstukken die een voorafgaandelijke raadpleging of respect voor de mededinging aantonen.

De minister kan de inhoud en de maxima van die kosten verder bepalen.

Art. 17.De volgende actoren kunnen een aanvraag voor het implementatietraject indienen: 1° partnerschappen van publieke of private actoren met rechtspersoonlijkheid die in het Vlaamse Gewest gevestigd zijn;2° partnerschappen van publieke of private actoren met rechtspersoonlijkheid die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die, wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap;3° partnerschappen die bestaan uit een combinatie van de in punt 1° en punt 2° vermelde actoren.

Art. 18.De indiener heeft een inschrijvingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO). De indiener is actief volgens de KBO. Indieners die zich in een niet-actieve toestand bevinden zijn uitgesloten.

Art. 19.De indiener en de leden van het partnerschap mogen op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen juridische procedures hebben lopen die de realisatie van de projecten in de weg kunnen staan.

De indiener en de leden van het partnerschap mogen op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 20.De indiener houdt een aparte en transparante boekhouding voor de projectfinanciering bij. HOOFDSTUK 4. - Procedure Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 21.De steun, vermeld in artikel 7 en 15, wordt toegekend via een oproep.

De oproep bevat minimaal al de volgende gegevens: 1° het thema van de oproep;2° het maximale steunpercentage en het maximale steunbedrag;3° de aard van de subsidiabele kosten;4° de minimumscore die behaald moet worden;5° de uiterste indieningsdatum;6° het model van aanvraagformulier;7° de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de steunaanvraag;8° de beoordelingscriteria en de weging ervan;9° de beoordelingsprocedure en de wijze van jurering;10° de uitbetalingswijze;11° de minimale rapporteringsvereisten;12° de website en de applicatie voor de aanvraag. Afdeling 2. - Aanvraag

Art. 22.De steunaanvragers dienen een aanvraag in via een applicatie en met het aanvraagformulier dat het departement daarvoor ter beschikking stelt op zijn website.

Art. 23.De aanvraag van het voortraject omvat minimaal: 1° het volledig ingevulde en ondertekende aanvraagformulier;2° de intentieverklaringen van de kandidaat-partners die tot het effectieve partnerschap kunnen behoren;3° een nauwkeurige begroting;4° de verklaring op eer over de DAEB de-minimissteun, vermeld in de verordening als vermeld in artikel 2, 1° ;

Art. 24.De aanvraag van implementatietraject omvat minimaal: 1° het volledig ingevulde en ondertekende aanvraagformulier;2° de ondertekende samenwerkingsovereenkomst met minimaal volgende elementen: a) identificatie van elke partner: naam organisatie, rechtsvorm, KBO-nummer, verantwoordelijke ondertekenaar namens de organisatie, functie ondertekenaar, telefoon, mail;b) datum van de overeenkomst;c) handtekening van elke verantwoordelijke ondertekenaar;d) algemene modaliteiten van het partnerschap: duur van de samenwerking, voorziene begin- en einddatum van het partnerschap, algemene beschrijving van het project;e) inhoudelijke afspraken: toegewezen opdracht per partner in het digibankproject, te behalen resultaten per partner;f) organisatie van het partnerschap: rol van elke partner in het partnerschap, onderlinge verbintenis tot goede samenwerking, afspraken inzake geschillen, aansprakelijkheid en uitsluiting, afspraken inzake rapportering, afspraken inzake het afsluiten van de ondersteuning en het project;g) financiële afspraken: verdeling van de middelen vanuit de promotor, onderlinge verbintenis tot goed beheer en inzet van de ontvangen middelen;h) afspraken inzake controle en opvolging;i) afspraken inzake communicatie en publiciteit;3° de implementatiestrategie met minimaal volgende elementen: a) het afgebakende werkingsgebied van het digibankproject;b) identificatie van de beoogde doelgroep;c) het verwachte bereik van de doelgroep via het digibankproject ten aanzien van de aanwezigheid van de doelgroep binnen het werkingsgebied;d) identificatie van de digitale noden bij de doelgroep;e) strategie om de doelgroep te benaderen en te betrekken;f) beschrijving van de geplande activiteiten en dienstverlening van het digibankproject per doelstelling, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid;g) overzicht van de verwachte output per doelstelling, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid;h) bijdrage van het digibankproject naar de activering van de doelgroep;i) bijdrage van het digibankproject naar circulaire economische activiteiten;j) duurzaamheid van het digibankproject na de beëindiging van de subsidieperiode;4° een nauwkeurige begroting met een overzicht van de kosten, ontvangsten en verwachte output per doelstelling, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid;5° de planning van de uitvoering van het implementatietraject;6° de verklaring op eer over de DAEB de-minimissteun, vermeld in de verordening als vermeld in artikel 2, 1° ; Afdeling 3. - Ontvankelijkheid

Art. 25.§ 1. Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de steunaanvragen op basis van de volgende criteria: 1° voor het voortraject: a) de aanvraagdocumenten, vermeld in artikel 23, zijn volledig ingevuld en tijdig ingediend;b) de aanvraagdocumenten, vermeld in artikel 23, zijn opgesteld in het Nederlands;c) de indiener voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9, 10 en 11;2° voor het implementatietraject: a) de aanvraagdocumenten, vermeld in artikel 24, zijn volledig ingevuld en tijdig ingediend;b) de aanvraagdocumenten, vermeld in artikel 24, zijn opgesteld in het Nederlands;c) de indiener voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, 18 en 19. De minister kan de ontvankelijkheidscriteria, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, uitbreiden.

Art. 26.Het departement beslist of de steunaanvraag al dan niet ontvankelijk is.

De indiener wordt op de hoogte gebracht over de ontvankelijkheid van de steunaanvraag.

Aanvragen die niet ontvankelijk zijn, worden uitgesloten van de verdere selectieprocedure. Afdeling 4. - Beoordeling

Art. 27.De ontvankelijke aanvragen voor het voortraject worden beoordeeld op basis van de volgende minimale beoordelingscriteria: 1° mate waarin het projectvoorstel inspeelt op de doelstellingen van de oproep: a) de mate waarin het voorstel kennis toont van de lokale problematiek en opportuniteiten inzake digitale inclusie en de beoogde doelgroep;b) de mate waarin het project inspeelt op de vereisten in functie van samenwerking;c) de mate dat de beoogde doelgroep bereikt zal worden;2° kwaliteit van het kandidaat-partnerschap: a) de competentie en de expertise van de indiener en de kandidaat-partners inzake de doelstellingen, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid, die zullen bijdragen aan het welslagen van het project en de kwaliteit van samenwerking;b) de mate van complementariteit tussen de kandidaat-partners;c) de mate van lokale verankering van de indiener en de kandidaat-partners;3° haalbaarheid en projectbeheer: a) de mate van maturiteit en capaciteit van de indiener om het project te coördineren;b) de kwaliteit van het plan van aanpak: het kandidaat-partnerschap identificeert de nodige stappen om de verwachte output te realiseren;c) de kwaliteit van de begroting: de mate waarin de begroting een duidelijke en realistische weergave geeft van de verwachte kosten voor de realisatie van het project binnen de subsidieperiode. Bij de beoordeling kan rekening gehouden worden met een voldoende spreiding van de digibankprojecten.

Art. 28.De ontvankelijke aanvragen voor het implementatietraject worden beoordeeld op basis van de volgende minimale beoordelingscriteria: 1° mate dat het voorstel inspeelt op de doelstellingen van de oproep: a) de mate waarin het voorstel kennis toont van de lokale problematiek en opportuniteiten inzake digitale inclusie en het risico op digitale uitsluiting van de beoogde doelgroep;b) de mate waarin het project inspeelt op de vereisten in functie van samenwerking en een geïntegreerde dienstverlening;c) mate waarin het projectvoorstel en de verwachte output inspeelt op de doelstellingen, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid;d) de mate waarin het projectvoorstel een voldoende bereik van de doelgroep garandeert in verhouding met de aanwezigheid van de doelgroep binnen het werkingsgebied;e) de mate van betrokkenheid van de beoogde doelgroep in het dienstverleningsaanbod;f) de mate dat het projectvoorstel een effectief bereik van de doelgroep garandeert;g) de mate van bereikbaarheid van het digibankproject;h) de mate waarin het projectvoorstel bijdraagt aan circulaire economische activiteiten;i) de mate waarin het projectvoorstel kan bijdragen tot de activering van de doelgroep;j) de mate waarin het projectvoorstel inspeelt op een duurzaam partnerschap;2° kwaliteit van het partnerschap: a) de competentie en de expertise van de indiener en de leden van het partnerschap inzake de doelstellingen, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid, die zullen bijdragen aan het welslagen van het project en de kwaliteit van samenwerking;b) de mate van complementariteit tussen de leden van het partnerschap;c) de mate van lokale verankering van de indiener en de leden van het partnerschap;d) de kwaliteit van de samenwerkingsovereenkomst;3° haalbaarheid en projectbeheer: a) de mate van maturiteit en capaciteit van de indiener om het project te coördineren;b) de mate dat het projectvoorstel onderbouwd wordt met SMART-indicatoren;c) de mate waarin de voorgestelde planning en begroting bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid;d) volledigheid en haalbaarheid van de planning;e) mate waarin de begroting inspeelt op de verwachte output; Bij de beoordeling kan rekening gehouden worden met een voldoende spreiding van de digibankprojecten.

Art. 29.Bij het departement wordt een jury opgericht. De minister kan bij elke oproep deskundigen aanwijzen die een niet-bindend advies uitbrengen bij de beoordeling van de projecten.

Art. 30.De jury, vermeld in artikel 29, kent een score toe voor de beoordelingscriteria. Op basis daarvan worden de steunaanvragen gerangschikt. Afdeling 5. - Beslissing

Art. 31.Het hoofd van het departement beslist op basis van het advies van de jury, vermeld in artikel 29, en binnen de perken van de beschikbare kredieten over de toekenning van de steun aan het voortraject, vermeld in artikel 7.

Het hoofd van departement kan alleen afwijken van het voorstel van de jury als hij de afwijking motiveert.

De minister beslist op basis van het advies van de jury en binnen de perken van de beschikbare kredieten over de toekenning van de steun aan het implementatietraject, vermeld in artikel 15.

De minister kan alleen afwijken van het voorstel van de jury als hij de afwijking motiveert.

Art. 32.De indiener wordt door het departement op de hoogte gebracht van de beslissing of er al dan niet steun als vermeld in artikel 7 of 15, wordt toegekend.

De indiener verschaft alle partners inzage in de goedgekeurde aanvraag, de begroting en financiering van het project. Hij bezorgt hen tevens een afschrift van alle ingediende documenten. Afdeling 6. - Rapportering

Art. 33.De indiener van een goedgekeurde aanvraag van voortraject levert na afloop van de subsidieperiode volgende elementen op: 1° een inhoudelijk eindverslag over de realisatie van het voortraject;2° een begroting met overzicht van de kosten, gestaafd door bewijsstukken. De indiener verbindt er zich toe om in het kader van de inhoudelijke rapportering, vermeld in het eerste lid, 1°, de volgende documenten op te leveren: 1° de ondertekende samenwerkingsovereenkomst;2° de inhoudelijke samenwerkingsstrategie die de uitvoering verankert op het niveau van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, eerste lid;3° de planning;4° de begroting en tijdsinzet voor de uitvoering.

Art. 34.De indiener van een goedgekeurde aanvraag van implementatietraject levert tussentijds een rapportering met: 1° de gerealiseerde output conform de output beschreven in de aanvraag, zoals vermeld in artikel 24;2° een overzicht van de gerealiseerde kosten, ontvangsten en verwachte output per doelstelling, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid. De indiener van een goedgekeurde aanvraag van implementatietraject levert na afloop van de subsidieperiode volgende elementen op: 1° een inhoudelijke rapportering over de realisatie van het digibankproject, met een overzicht van de gerealiseerde output conform de output beschreven in de aanvraag, zoals vermeld in artikel 24;2° een begroting met een overzicht de gerealiseerde kosten, ontvangsten en verwachte output per doelstelling, zoals vermeld in artikel 4, eerste lid;3° de nodige bewijsstukken voor de afrekening van de steun. De minister bepaalt de periodieke rapporteringsverplichtingen. Afdeling 7. - Betaling

Art. 35.De minister bepaalt de periodieke uitbetalingsmodaliteiten. HOOFDSTUK 5. - Controle

Art. 36.Als tijdens de uitvoering van het project, om welke reden dan ook, een voortijdig einde komt aan het partnerschap moet de indiener dit onmiddellijk schriftelijk meedelen aan het departement.

Tijdens het partnerschap kunnen er partners worden toegevoegd of kan de inzet in het project veranderen. In dat geval kan het partnerschap de overeenkomst aanpassen. Wijzigingen van het partnerschap die ontstaan tijdens de uitvoering van een project moeten voorafgaandelijk ter goedkeuring worden voorgelegd aan het departement. Het departement moet gewijzigde partnerschappen altijd goedkeuren.

Art. 37.De indiener bezorgt aan het departement de bewijsstukken die aantonen dat de voorwaarden, vermeld in dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, en in de beslissing tot steuntoekenning, zijn nageleefd.

Art. 38.Het departement controleert, ter plaatse of op stukken, of de voorwaarden van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan worden nageleefd.

De controle, vermeld in het eerste lid, kan, afhankelijk van het feit of de steun, vermeld in artikel 7 en 15, al dan niet is toegekend, leiden tot: 1° de beslissing tot weigering van de steun;2° de volledige of gedeeltelijke niet-uitbetaling of de terugvordering van de toegekende steun overeenkomstig de voorwaarden van de wet van 16 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2003 pub. 25/06/2003 numac 2003003343 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof type wet prom. 16/05/2003 pub. 30/07/2015 numac 2015000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.

Art. 39.De begunstigde betaalt het eventueel te veel betaalde voorschot zonder ingebrekestelling en op eenvoudig verzoek van het departement terug. HOOFDSTUK 6. - Andere verplichtingen

Art. 40.Tijdens de duur van de projectondersteuning, als vermeld in artikel 5 en 13, hanteert het partnerschap uitsluitend het Nederlands als voertaal.

Art. 41.De minister kan voorwaarden bepalen op het vlak van publicitaire communicatie.

Art. 42.Het partnerschap verbindt zich ertoe om deel te nemen aan de onderzoeksactiviteiten en lerende netwerken die in opdracht van het departement in het kader van de oproep uitgevoerd worden. HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

Art. 43.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2022.

Art. 44.De Vlaamse minister, bevoegd voor Werk en Sociale Economie, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 17 december 2021.

De minister-president van de Vlaamse Regering, J. JAMBON De Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw, H. CREVITS

^