Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 05 oktober 2001
gepubliceerd op 09 januari 2002

Besluit van de Vlaamse regering houdende de normen voor de preventie van brand en ontploffing, waaraan de erkende kinderdagverblijven moeten voldoen

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2001036492
pub.
09/01/2002
prom.
05/10/2001
ELI
eli/besluit/2001/10/05/2001036492/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

5 OKTOBER 2001. - Besluit van de Vlaamse regering houdende de normen voor de preventie van brand en ontploffing, waaraan de erkende kinderdagverblijven moeten voldoen


De Vlaamse regering, Gelet op de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen;

Gelet op het decreet van 29 mei 1984 houdende oprichting van de instelling Kind en Gezin, inzonderheid op artikel 4bis, ingevoegd bij het decreet van 24 juni 1997;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 april 1996, 18 december 1996 en 19 december 1997;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 tot erkenning en subsidiëring van de kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, inzonderheid op artikel 8, 7°;

Gelet op het advies van de Raad van Bestuur van Kind en Gezin, gegeven op 12 juli 2000;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 november 2000;

Gelet op het akkoord van de minister bevoegd voor Begroting, gegeven op 1 februari 2001;

Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 3 juli 2001 onder nummer 31.571/3, Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.De erkende kinderdagverblijven moeten voldoen aan de bestaande technische specificaties die opgenomen zijn in dit besluit.

Art. 2.Dit besluit bepaalt de voorwaarden waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van de erkende kinderdagverblijven moeten voldoen om : 1° het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;2° de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen en inzonderheid een tijdige evacuatie in alle omstandigheden mogelijk te maken;3° preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.

Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° wet : de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen;2° koninklijk besluit : het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing, waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen;3° federale basisnormen : de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit;4° kinderdagverblijf : kinderdagverblijven als bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen;5° gebouwen : een volledige bouwconstructie of een gedeelte ervan dat gebruikt wordt als kinderdagverblijf.

Art. 4.Dit besluit is van toepassing op alle gebouwen die bestemd zijn als kinderdagverblijf. De nieuw op te richten kinderdagverblijven voldoen aan de federaal geldende basisnormen voor nieuwe gebouwen, met de hiernavolgende aanvullingen en wijzigingen die specifiek zijn voor de kinderdagverblijven. De bestaande kinderdagverblijven voldoen, voor zover zij onder het toepassingsgebied vallen, aan de federaal geldende basisnormen voor nieuwe gebouwen;

De bestaande kinderdagverblijven voldoen daarenboven aan de artikelen 44 tot en met 46 van dit besluit. HOOFDSTUK II. - Definities

Art. 5.De algemene definities, zoals opgenomen in bijlage 1, punt 1, van het koninklijk besluit, zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 6.De bepalingen met betrekking tot de reactie bij brand van de materialen, zoals opgenomen in bijlage 5 van het koninklijk besluit, zijn van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK III. - Inplanting en toegangswegen

Art. 7.De kinderdagverblijven voldoen, voor wat betreft de inplanting en de toegangswegen, aan de federale basisnormen voor de middelhoge gebouwen.

Voor de gebouwen met één bouwlaag moeten de voertuigen van de brandweer ten minste tot op 60 m van een gevel van het gebouw kunnen naderen. HOOFDSTUK IV. - Compartimentering en evacuatie

Art. 8.De oppervlakte van de compartimenten bedraagt maximaal 750 m2.

De hoogte van een compartiment stemt overeen met de hoogte van één bouwlaag.

Elk compartiment heeft steeds twee uitgangen. Deze uitgangen voldoen aan de federale basisnormen. HOOFDSTUK V. - Voorschriften voor sommige bouwelementen

Art. 9.Doorvoeringen doorheen wanden van leidingen voor fluïda of voor elektriciteit en de uitzetvoegen mogen de vereiste weerstand tegen brand van de bouwelementen niet nadelig beïnvloeden.

De structurele elementen voldoen aan de federale basisnormen, en daarenboven geldt : 1° de structurele elementen hebben, ook voor de gebouwen met één bouwlaag Rf 1 h.De structurele elementen in de kelderverdiepingen, met inbegrip van de vloer van het niveau Ei hebben steeds Rf 1 h; 2° de structuur van het dak van de lage gebouwen heeft bij brand een stabiliteit van 1/2 h. Dit voorschrift is niet van toepassing indien het dak aan de binnenkant beschermd is door een bouwelement met Rf 1/2 h.

De verticale binnenwanden en binnendeuren, de plafonds en valse plafonds en de gevels voldoen aan de federale basisnormen. HOOFDSTUK VI. - Voorschriften voor de constructie van compartimenten en evacuatieruimten

Art. 10.De wanden tussen compartimenten en de verbinding tussen twee compartimenten voldoen aan de federale basisnormen.

De wanden tussen compartimenten hebben minstens de brandweerstand van de structurele elementen, dus voor de lage gebouwen steeds Rf 1 h.

De verbinding geschiedt, voor de lage gebouwen, via een zelfsluitende deur met Rf 1/2 h.

Art. 11.De trappen die verscheidene compartimenten verbinden, zijn omsloten. De grondbeginselen van hoofdstuk IV zijn erop van toepassing.

De opvatting van de binnentrappenhuizen voldoet aan de federale basisnormen.

Bovenaan elk binnentrappenhuis zit een verluchtingsopening met een doorsnede van minimum 1 m2, die uitmondt in de open lucht. Deze opening is normaal gesloten.

Het openen wordt teweeggebracht via een drukknop (stroomonderbreking) op het evacuatieniveau.

Art. 12.De trappen hebben de volgende kenmerken : 1° evenals de overlopen hebben ze een stabiliteit bij brand van 1 h of dezelfde opvatting van constructie als een betonplaat met Rf 1 h;2° ze zijn aan beide zijden uitgerust met leuningen.Naast de gebruikelijke leuningen wordt aan beide zijden een leuning geplaatst op 60 cm hoogte, indien ze door de kinderen worden gebruikt. Als er geen gevaar is voor vallen, is voor de trappen met een nuttige breedte die kleiner is dan 1,20 m één leuning voor volwassenen aan de open kant en een leuning op 60 cm hoogte (voor de kinderen) aan de kant van de muur voldoende. Voor de trappen met een nuttige breedte van meer dan 2,40 m moet er een leuning zijn in het midden. Indien de leuning bestaat uit verticale staven mag de tussenruimte niet meer dan 8 cm bedragen en moet de diameter minstens 1,25 cm zijn. Horizontale spijlen zijn niet toegestaan; 3° de aantrede van de treden is in elk punt ten minste 0,20 m;4° de optrede van de treden mag niet meer dan 18 cm bedragen;5° de helling van de trappen mag niet meer dan 75 % bedragen (maximale hellingshoek 37°);6° ze zijn van het « rechte » type.

Art. 13.De nuttige breedte tussen de traparmen van overlopen en sassen is ten minste gelijk aan 0,80 m. De deurzwaai mag de nuttige breedte van de overlopen niet beperken tot een kleinere waarde.

Art. 14.De buitentrappen voldoen aan de federale basisnormen, zoals aangevuld in artikelen 10 en 11.

Art. 15.De evacuatiewegen en de vluchtterrassen voldoen aan de federale basisnormen.

De borstwering van een vluchtterras moet een minimumhoogte hebben van 1,10 m en indien ze bestaat uit verticale staven mag de tussenruimte niet meer dan 8 cm bedragen en moet de diameter minstens 1,25 cm zijn.

Horizontale spijlen zijn niet toegestaan.

De deuren op de evacuatiewegen zijn permanent onvergrendeld en openen in de vluchtzin. Voor de buitendeuren is er in de onmiddellijke nabijheid een rood sleutelkastje met een breekraampje.

Binnen een compartiment verloopt de evacuatie via evacuatiewegen, waarvan de nuttige breedtes ten minste de hiernavolgende zijn : 1° 1,2 m voor de gangen;2° 1,0 m voor de toegangsdeuren tot de trappenhuizen;3° 0,80 m voor de andere toegangsdeuren. HOOFDSTUK VII. - Constructievoorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten

Art. 16.Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt een compartiment.

De hoogte bedraagt steeds één bouwlaag. Voor het overige voldoen de technische lokalen aan de federale basisnormen.

Art. 17.De stookafdeling voldoet aan de federale basisnormen.

De stookplaatsen liggen : 1° hetzij in een naburig gelegen gebouw dat op een horizontale afstand staat, vrij van elk brandbaar element van ten minste 8 m;2° hetzij in het gebouw, maar dan onder de volgende voorwaarden : ze zijn van de andere lokalen gescheiden door wanden met Rf 2 h; de toegangsdeur heeft een brandweerstand van Rf 1/2 h voor de lage gebouwen en Rf 1h voor de middelhoge gebouwen. Ze opent in ontruimingszin en is zelfsluitend.

De volgende stookplaatsen mogen op het dak staan : 1° de stookplaatsen met gas dat lichter is dan de lucht, indien de koker met de gasleiding die de stookplaats voedt, verlucht is en geen elektrische leidingen bevat;2° de stookplaatsen met « commercieel propaangas » of met een « commercieel mengsel propaanbutaan » ( zie NBN T 52- 706) onder de volgende voorwaarden : a) de stookplaats is voorzien van hoge en lage verluchtingsmonden;b) de lage verluchtingsmonden bevinden zich bij de vloer en hun kokers monden uit in een goed verluchte zone boven het dak;c) de ruimten voor het opslaan en voor het ontspannen van het gas en voor een eventuele voedingsbak liggen buiten het gebouw.

Art. 18.Eventuele transformatorlokalen voldoen aan de federale basisnormen.

Art. 19.Stortkokers voor huisvuil zijn verboden.

Art. 20.De verticale binnenwanden van het lokaal voor de opslag van het huisvuil hebben Rf 1 h en zijn over hun volledige oppervlakte bekleed met onbrandbare gladde materialen die gemakkelijk te onderhouden zijn. De toegangsdeur van dit lokaal heeft een Rf 1/2 h en is zelfsluitend. Dit geldt niet voor de verplichte rechtstreekse uitgang naar buiten. Een van de begrenzende wanden is een buitenmuur, waarin een (permanent) verluchtingsrooster is aangebracht met een doorsnede van ten minste 1 % van de vloeroppervlakte.

De middelhoge en hoge gebouwen voldoen aan de federale basisnormen.

Art. 21.De leidingkokers voldoen aan de federale basisnormen.

Art. 22.De structurele elementen van de kelder, met inbegrip van de vloer van het niveau Ei, hebben een brandweerstand van Rf 1 h. De toegangsdeur heeft een brandweerstand van Rf 1/2 h. Ze opent in ontruimingszin en is zelfsluitend.

Art. 23.De garages zijn gebouwd overeenkomstig de bepalingen van artikel 565 tot en met 574 van het ARAB. Onder garage wordt verstaan een stalling voor een of meer auto's.

De verbinding met andere gedeelten van het gebouw verloopt via een sas met een oppervlakte van 2 m2 die overvloedig natuurlijk geventileerd wordt en toegankelijk is via zelfsluitende deuren met een Rf 1/2 h.

De garages worden geventileerd langs ventilatieopeningen met een oppervlakte van ten minste 0,2 % van de vloeroppervlakte. De ventilatiemonden zijn zo laag mogelijk aangebracht in de tegenover elkaar liggende wanden van de garage zodat een goede doorstroming ontstaat. Een mechanisch geforceerde ventilatie is vereist, indien de garagevloer lager gelegen is dan het straatniveau.

Art. 24.§ 1. De verticale binnenwanden die de keuken begrenzen hebben een Rf 1 h.

Een van de begrenzende wanden is een buitenmuur, waarin een (permanent) verluchtingsrooster is aangebracht met een doorsnede die aangepast is aan het vereiste zuurstofdebiet. De deuren van de keuken hebben een Rf 1/2 h en zijn zelfsluitend.

Het gebruik van gas in verplaatsbare recipiënten is verboden.

De gastoevoerleidingen zijn zo geplaatst dat zij over hun volledige lengte kunnen worden geïnspecteerd. Deze leidingen zijn aangelegd in stalen buizen met schroefdraadverbindingen die op doeltreffende wijze beschermd zijn tegen corrosie. De leidingen mogen niet aangelegd worden in verluchtingskokers en rookafvoerkanalen, noch in liftkokers of trappenhuizen. Bij elke doorgang doorheen een muur of vloer zijn de leidingen omsloten door een mantelbuis § 2. Alle (gas) kooktoestellen met een uurdebiet dat hoger is dan 3 m2 moeten rechtstreeks op een rookkanaal aangesloten worden.

Elk toestel is uitgerust met een gemakkelijk bereikbare afsluitkraan in de onmiddellijke nabijheid. Wanneer meerdere toestellen gegroepeerd zijn in één lokaal dan is de algemene voedingsleiding uitgerust met een algemene afsluitkraan op maximaal 1,5 m van het eerstbediende toestel.

Het gebruik van soepele leidingen is verboden.

Al de toestellen voldoen aan de voorschriften van de geldende Europese normen en richtlijnen of, bij gebrek hieraan, aan een algemeen aanvaarde norm en zijn vakkundig geplaatst Enkel toestellen met als energiebron aardgas, propaangas, een commercieel mengsel van butaangas en propaangas of elektriciteit zijn toegestaan.

Alle elektrische toestellen met een vermogen dat hoger is dan 3 kW moeten duurzaam bevestigd zijn en mogen niet met soepele kabels aangesloten worden.

Alle elektrische toestellen met meerfasige aansluiting hebben een aparte voedingskabel en beveiliging. § 3. De verlichting van de keuken is als een afzonderlijke stroomkring uitgevoerd.

De afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen zijn rookdicht tot een temperatuur van 800 °C en zijn omsloten door baksteenwanden met een minimale dikte van 18 cm of door gelijkaardige materialen. Die kanalen leiden de gassen buiten het gebouw en staan nergens in verbinding met andere afvoerkanalen. Ze bevinden zich bovendien op 45 cm van elk niet afgeschermd brandbaar materiaal.

Voor de installaties voor brandbaar gas dat lichter is dan lucht en verdeeld wordt door leidingen geldt de norm NBN D 51-003 (uitgave 12/1977) samen met addendum 2 en addendum 3.

Art. 25.De verticale binnenwanden die de was- en drooglokalen begrenzen, hebben een Rf 1 h. De deuren van deze lokalen hebben een Rf 1/2 h en zijn zelfsluitend.

Enkel elektrische toestellen met CE- kenmerk zijn toegestaan.

Linnenkokers zijn verboden. HOOFDSTUK VIII. - Uitrusting van de gebouwen

Art. 26.De kinderdagverblijven voldoen aan de federale basisnormen voor de liften en goederenliften.

Paternosterliften, containertransport en goederenliften met laad- en losmechanisme zijn verboden in een kinderdagverblijf.

Roltrappen zijn verboden in een kinderdagverblijf.

De hydraulische liften voldoen aan de federale basisnormen.

Art. 27.Elektrische laagspanningsinstallaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie voldoen aan de voorschriften van de geldende wettelijke en reglementaire teksten, evenals aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI).

De installaties moeten vijfjaarlijks volledig gekeurd worden door een erkend controle organisme.

De installaties voldoen daarenboven aan de volgende bepalingen : 1° in de lokalen die speciaal bestemd zijn voor kleine kinderen moeten de verwarmingstoestellen zo gekozen worden dat de temperatuur van de genaakbare oppervlakken 60° niet overschrijdt;2° de contactdozen, met uitzondering van die op zeer lage veiligheidsspanning, moeten uitgerust zijn van met een aardingscontact dat verbonden is met de beschermingsgeleider van de elektrische leiding behalve als de contactdoos gevoed wordt via een individuele beschermingstransformator;3° per stroombaan moet het aantal enkelvoudige of meervoudige contactdozen beperkt blijven tot acht;4° in de ruimten die speciaal bestemd zijn voor kinderen moeten de contactdozen op laagspanning zodanig uitgevoerd worden dat de contacten spanningloos zijn of volledig afgedekt zijn door een beveiligingssysteem als de contactstop uitgetrokken is;5° de rails voor elektrische voedingssystemen van verlichtingstoestellen moeten zo geïnstalleerd zijn dat hun opening niet naar boven gericht is.Een of meerdere, goed geplaatste, alpolige schakelaars moeten de onderbreking van de voeding mogelijk maken van de rail over haar ganse lengte; 6° in de huishoudelijke lokalen en in de lokalen, die speciaal bestemd zijn voor kinderen moeten de rails op meer dan 2,5 m van de vloer geïnstalleerd worden;7° bij de keuze van elektrische apparaten en toestellen moet men er rekening mee houden dat de beschermingsgraad ten minste IP2X moet zijn.

Art. 28.De elektrische leidingen die installaties of toestellen voeden, die bij brand zeker in dienst moeten blijven, worden zodanig geplaatst dat de risico's van algehele buitendienststelling gespreid zijn.

Op hun weg tot aan het compartiment waar de installatie zich bevindt, hebben de elektrische leidingen een Rf 1 h overeenkomstig addendum 3 van NBN 713-020.

Dit artikel is niet van toepassing indien de werking van de installaties of toestellen verzekerd blijft, zelfs bij het uitvallen van de energievoeding.

De installaties en toestellen, die bij brand zeker in dienst moeten blijven, zijn : 1° de veiligheidsverlichting en eventueel de noodverlichting;2° de installaties voor melding, waarschuwing en alarm;3° de installaties voor rookafvoer;4° de waterpompen voor de brandbestrijding en eventueel de ledigingspompen.

Art. 29.Autonome stroombronnen voldoen aan de federale basisnormen.

Art. 30.De veiligheidsverlichting voldoet aan de federale basisnormen.

Aanvullend moeten ook de belangrijkste technische locaties zoals brandhaspels, hydranten, alarmcentrale, elektrische verdeelborden, liftmachinekamer, keuken e.d. voldoende verlicht zijn om de nodige technische handelingen te kunnen uitvoeren.

Art. 31.Installaties voor brandbaar gas dat verdeeld wordt door leidingen voldoen aan de federale basisnormen.

Art. 32.Aëraulische installaties voldoen aan de federale basisnormen.

Art. 33.Elk kinderdagverblijf moet beschikken over een permanent bereikbaar telefoontoestel dat aangesloten is op het openbaar net en bestemd is voor de melding. De richtlijnen voor een melding aan externe hulpdiensten moeten bij elk punt, vanwaar een noodmelding kan gebeuren duidelijk aangegeven zijn. Dit omvat een standaardboodschap en de telefoonnummers van de belangrijkste hulpdiensten.

Elk kinderdagverblijf moet beschikken over een specifiek waarschuwingsplan met vermelding van : 1° de personen die gewaarschuwd moeten worden bij een begin van brand;2° de te gebruiken middelen. Het aantal, de aard en de plaats van de inrichtingen voor de melding, de waarschuwing en het alarm worden bepaald door de afmetingen, de situatie en de bestemming van de lokalen. Elk kinderdagverblijf moet minstens uitgerust zijn met een manueel systeem dat aangesloten is op een brandmeldingscentrale.

De drukknoppen staan op goed zichtbare of degelijk gemerkte plaatsen en zijn in alle omstandigheden gemakkelijk bereikbaar. Ze worden onder andere geplaatst in de nabijheid van de doorgangen die naar buiten leiden, op de overlopen en in de gangen. Ze worden zo geplaatst dat ze de circulatie niet hinderen en niet beschadigd worden. Indien ze buiten staan, zijn ze tenminste van het type « spatwaterdicht ».

Alarminrichtingen (sirene) worden zo opgevat dat : 1° signalen niet verward kunnen worden met andere signalen;2° ze overal in het gebouw gehoord kunnen worden;3° in geval van defect van de normale stroombron, hun voeding geleverd wordt door een autonome stroombron;4° ze verbonden zijn met een brandmeldingscentrale. De alarminrichtingen worden bepaald op advies van de bevoegde brandweerdienst. De signalisatie van deze inrichtingen voldoet aan de geldende voorschiften.

Art. 34.Elk kinderdagverblijf dat groter is dan 500 m2 moet beschikken over hetzij een ondergrondse hydrant ofwel een bovengrondse hydrant die aangesloten is op het openbaar waterleidingsnet.

Art. 35.Ieder compartiment groter dan 250 m2 wordt uitgerust met muurhaspels met axiale voeding. Hun aantal wordt zo bepaald dat de af te leggen weg vanaf om het even welk punt van het compartiment tot het dichtstbijzijnde toestel niet meer bedraagt dan : 1° 20 meter naar een haspel van het type DMH 20/19;2° 30 meter naar een haspel van het type DMH 30/25.

Art. 36.Het gebouw is uitgerust met poedersnelblussers in overeenstemming met de norm NBN S21-014. Per 150 m2 wordt een poederblusser aangebracht met een inhoud van ten minste 6 kg ABC-poeder of als gelijkwaardig geattesteerd door NVBB. Per bouwlaag zijn minstens twee poedersnelblussers aangebracht op een goed zichtbare en behoorlijk gesignaleerde plaats, zoveel mogelijk in de directe omgeving van de toegang tot een compartiment en /of naast een muurhaspel. Alle toestellen zijn met de standaardhaken opgehangen op een hoogte van ten minste 1 m.

Art. 37.Stookplaatsen met vloeibare brandstoffen zijn uitgerust met een automatische poederblusinstallatie met blusmonden boven de branders.

Art. 38.De liftmachinekamer is uitgerust met een automatische blusinstallatie, geactiveerd door een thermische detector.

Art. 39.De keuken is uitgerust met CO2 snelblussers, in overeenstemming met de norm NBN S21-015. De minimale CO2 capaciteit is 5 kg (per 50 m2 vloeroppervlakte).

Art. 40.Blusapparaten met gehalogeneerde koolwaterstoffen zijn verboden. HOOFDSTUK IX. - Evacuatie- en interventiedossier

Art. 41.Bij de conceptie van het gebouw moet voldoende aandacht besteed worden aan de evacuatie- en interventieproblematiek. Men moet vanaf de ingebruikname van het gebouw beschikken over een goed gestructureerd evacuatie- en interventieplan waarvan de doelmatigheid achteraf nog kan worden bijgestuurd na evaluatie bij de jaarlijkse evacuatie- en interventieoefening.

In elk kinderdagverblijf wordt een algemeen plan bijgehouden van de inrichting, waarop de volgende onderdelen duidelijk vermeld staan : 1° trappen en vluchtwegen;2° verzamelplaats;3° afschakelinrichtingen voor gas en elektriciteit;4° centrale voor automatische branddetectie;5° alarminstallatie;6° installaties en lokalen met een bijzonder risico;7° brandinterventiemiddelen. Dit plan wordt aangebracht of is beschikbaar en goed aangeduid in de directe omgeving van de hoofdtoegang ter attentie van de hulpdiensten. HOOFDSTUK X. - Controle en onderhoud van de installaties

Art. 42.Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen, moeten minstens de volgende regelmatige controles van de installaties gebeuren. Alle documenten die te maken hebben met deze controles worden gebundeld in het preventiedossier. Dit preventiedossier moet permanent aanwezig zijn in de instelling ter inzage voor de bevoegde instanties : 1° voor de elektrische installaties geldt dat ze moeten worden gekeurd door een erkend controle organisme, voorafgaand aan de inbedrijfstelling;2° de hoogspanningsinstallaties moeten jaarlijks worden gekeurd door een erkend controle organisme;3° vanaf de datum van de eerste keuring, worden de elektrische installaties om de vijf jaar gecontroleerd door een erkend controle organisme;4° elke belangrijke wijziging aan de elektrische installatie geeft automatisch aanleiding tot een extra controle;5° alle verdeelborden ondergaan om de 10 jaar een thermografische controle door een erkend controle organisme.Een eerste keuring moet gebeuren één jaar na de inbedrijfstelling van de installatie; 6° de gasinstallaties worden jaarlijks gecontroleerd, onverminderd de speciale voorwaarden waaraan de installaties met propaangas moeten voldoen d.w.z. : a) controle en reiniging van de branders;b) controle van de beschermings- en regelingsvoorzieningen;c) controle van de dichtheid van de leidingen en voedingstoestellen;7° de rookkanalen en schoorstenen worden jaarlijks gecontroleerd en gereinigd;8° de branddetectie-installatie wordt om de twee jaar volledig gecontroleerd en getest door een erkende installateur of een erkend controle organisme;9° de liftinstallatie wordt jaarlijks gecontroleerd door een erkend controle organisme;10° alle nieuwe elektrische toestellen worden gecontroleerd op conformiteit; 11° jaarlijkse rondgang voor het opsporen van risico's m.b.t. de aanwezige installaties door de dienst PBW en het comité PBW (art. 835 en 837 ARAB); 12° regelmatig brandvoorkomingsonderzoek, vooral van alle elektrische installaties door de uitbater of zijn afgevaardigde;13° onderhoud en controle van de blusinstallaties. HOOFDSTUK XI. - Bijzondere bepalingen

Art. 43.Onverminderd de bevoegdheid van de federale minister die de binnenlandse zaken in zijn bevoegdheid heeft om, met toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit, afwijkingen toe te staan van de federale basisnormen voor nieuwe gebouwen, kan de raad van bestuur van Kind en Gezin, op eensluidend advies van de administratie Overheidsopdrachten, Gebouwen en Gesubsidieerde Infrastructuur, afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap afwijkingen toestaan, indien het onmogelijk is om te voldoen aan een of meer specificaties bij dit besluit.

Alternatieve oplossingen moeten een veiligheidsniveau bieden dat ten minste gelijk is aan het niveau, vereist in de voorschriften waarvoor een afwijking wordt gevraagd. Voor de gebouwen waarin werknemers worden tewerkgesteld, is het voorafgaand gunstig advies vereist van de federale minister die de tewerkstelling en de arbeid in zijn bevoegdheid heeft.

Art. 44.De bestaande kinderdagverblijven voldoen, onverminderd de andere wettelijke en reglementaire bepalingen, binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze reglementering, aan de volgende normen : 1° de bepalingen van hoofdstuk III met betrekking tot de inplanting en de toegangswegen;2° de bepalingen van hoofdstuk VII met betrekking tot de technische ruimten.In het bijzonder de bepalingen van artikel 17 en artikel 24, respectievelijk met betrekking tot de stookplaats en met betrekking tot de keuken; 3° de bepalingen van hoofdstuk VIII met betrekking tot de uitrusting van de gebouwen, inclusief de liften.In het bijzonder de bepalingen van artikel 27 tot en met artikel 30 met betrekking tot de elektrische laagspanningsinstallaties, inclusief de veiligheidsverlichting; 4° de bepalingen van artikel 31 met betrekking tot de installaties voor brandbaar gas, verdeeld door leidingen, de bepalingen van artikel 32 met betrekking tot de aëraulische installaties, de bepalingen van artikel 33 tot en met artikel 40 met betrekking tot de inrichtingen voor melding, waarschuwing en alarm en de brandbestrijdingsmiddelen;5° de bepalingen van hoofdstuk IX met betrekking tot het evacuatie- en interventiedossier;6° de bepalingen van hoofdstuk X met betrekking tot de controle en het onderhoud van de installaties. Indien aan een of meerdere specificaties zoals omschreven in het eerste lid niet kan worden voldaan, moeten ze binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze reglementering beschikken over een branddetectiesysteem in alle technische lokalen en evacuatieruimten, met een brandmeldingscentrale.

Art. 45.Voor de bestaande kinderdagverblijven wordt evacuatie toegestaan via andere compartimenten onder de volgende voorwaarden : 1° elk compartiment heeft twee uitgangen;2° in het compartiment waardoor geëvacueerd moet worden, wordt over een breedte van 1,20 m een doorgang vrijgehouden naar de andere uitgang.

Art. 46.De bestaande kinderdagverblijven voldoen aan de compartimentering zoals bepaald voor de nieuwe kinderdagverblijven in hoofdstuk IV, en aan de andere constructiebepalingen zoals bepaald in hoofdstuk V en hoofdstuk VI, binnen 10 jaar na de inwerkingtreding van deze reglementering, uitgezonderd de compartimentering van de trap voor gebouwen met maximaal twee bouwlagen. Ze stellen hiervoor binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze reglementering een gedetailleerde planning op.

Art. 47.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2002.

Art. 48.De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 5 oktober 2001.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. M. VOGELS

^