Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 03 juli 2009
gepubliceerd op 21 augustus 2009

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs

bron
vlaamse overheid
numac
2009203686
pub.
21/08/2009
prom.
03/07/2009
ELI
eli/besluit/2009/07/03/2009203686/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

3 JULI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, artikel 24, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, artikel 41, gewijzigd bij de decreten van 1 december 1993, 18 mei 1999, 7 juli 2006 en 13 juli 2007, artikel 52, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, artikel 58, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, artikel 59, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, artikel 69, artikel 72, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, artikel 73, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001, 13 juli 2007 en 4 juli 2008, en artikel 100bis, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en vervangen bij het decreet van 13 juli 2007;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 26 september 2008;

Gelet op protocol nr. 151 van 20 maart 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in Sectorcomité X;

Gelet op advies 46.560/1 van de Raad van State, gegeven op 11 juni 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.In artikel 1, 9° van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs worden de woorden "de vakorganisaties" vervangen door de woorden "een erkende vakorganisatie" en worden de woorden "de Raad voor" geschrapt.

Art. 2.Artikel 1bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt : "

Art. 1bis.Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur, vermeld in artikel 2 van het decreet met uitzondering van de instellingshoofden en de leden van de pedagogische begeleidingsdienst.

Dit hoofdstuk is met ingang van 1 september 2007 niet van toepassing op de personeelsleden, aangesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's, en het is met ingang van 1 september 2009 ook niet meer van toepassing op de andere personeelsleden op wie het decreet van toepassing is.

In afwijking van het tweede lid moeten de evaluatieprocedures, ingezet met toepassing van dit hoofdstuk, worden voortgezet overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk."

Art. 3.In artikel 14, § 2, van hetzelfde besluit, worden de woorden "hoofdstuk II en in hoofdstuk IV van" geschrapt.

Art. 4.Artikel 15bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt : "

Art. 15bis.Deze afdeling is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur, vermeld in artikel 2 van het decreet, en op de personeelsleden die met toepassing van artikel 24, 4e lid, artikel 53bis, § 5, en artikel 73undecies, § 4, van het decreet tijdens hun beroepsprocedure preventief worden geschorst."

Art. 5.In artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 september 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1, eerste lid wordt het woord "Elk" vervangen door het woord "Het";2° in § 4, eerste lid worden tussen de woorden "opgelegd, hoort" en de woorden "de raad van bestuur" de woorden "naar gelang het geval" ingevoegd; 3° § 4, tweede lid, wordt vervangen door wat volgt : "In hoogdringende gevallen kan naar gelang het geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken met de verplichting het personeelslid onverwijld te horen.".

Art. 6.In artikel 17 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 en § 2 vervangen door wat volgt : "§ 1.De preventieve schorsing mag niet meer dan één jaar bedragen. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten kan de preventieve schorsing evenwel tot één jaar lopen na de kennisgeving vermeld in artikel 19, § 5, laatste lid. § 2. Behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging, kan de preventieve schorsing ten hoogste zes maanden bedragen als er binnen die periode geen tuchtprocedure is ingesteld."; 2° aan § 3 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt : "In geval van beroep tegen de uitgesproken maatregel kan de preventieve schorsing worden verlengd tot na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 33decies, § 1.".

Art. 7.In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk IV, bestaande uit de artikelen 17bis tot en met 23, vervangen door wat volgt : "Hoofdstuk IV. De tuchtregeling

Art. 18.Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet.

Art. 19.§ 1. De bevoegde tuchtoverheid gaat over tot de nodige vaststellingen en verhoren zodra de feiten, die de toepassing van een tuchtmaatregel kunnen verantwoorden, haar ter kennis worden gebracht.

Wanneer meerdere feiten die verband hebben met elkaar ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.

Wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband heeft met de lopende tuchtprocedure kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven.

De tuchtoverheid deelt onmiddellijk per aangetekende brief aan het personeelslid mee dat ze een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daartoe aanleiding geeft. De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van verzending van de aangetekende brief. § 2. Vooraleer de tuchtoverheid een tuchtmaatregel kan opleggen, dient zij de betrokkene in zijn middelen van verdediging te horen over alle ten laste gelegde feiten.

De betrokkene mag zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een raadsman. § 3. De tuchtoverheid stelt een tuchtdossier samen.

Dit tuchtdossier mag door belanghebbende en zijn raadsman op verzoek worden geraadpleegd vooraleer het verhoor plaats heeft. Zij beschikken over een termijn van tenminste tien werkdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.

Desgewenst kan het personeelslid kosteloos een kopie van het dossier bekomen. § 4. Indien het betrokken personeelslid strafrechtelijk wordt vervolgd voor dezelfde feiten kan de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtvordering opschorten tot na de kennisgeving bedoeld in § 5, laatste lid. § 5. De oproeping van het personeelslid om voor de tuchtoverheid te verschijnen moet betekend worden bij een ter post aangetekende brief.

De oproeping dient op straffe van nietigheid melding te maken van : 1° de ten laste gelegde feiten;2° het voorstel van tuchtsanctie;3° de plaats, dag en uur van het verhoor;4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een raadsman;5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt. § 6. Van het verhoor wordt ter zitting een proces-verbaal opgemaakt, dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft; er wordt voorlezing van gedaan en de betrokkene wordt verzocht het te ondertekenen.

Indien de betrokkene ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, beslist de tuchtoverheid bij verstek.

Blijkt de verhindering gewettigd, dat kan het personeelslid tegen de beslissing verzet aantekenen binnen de tien werkdagen nadat de beslissing hem met een ter post aangetekende brief werd betekend.

In dit geval wordt het dossier heropend en beslist de tuchtoverheid, na een nieuwe behoorlijke oproep, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van het personeelslid. § 7. De tuchtoverheid kan ambtshalve, en moet op verzoek van de betrokkene, ter zitting getuigen horen.

In dit geval heeft het verhoor plaats in aanwezigheid van de betrokkene. § 8. De tuchtoverheid beslist onverwijld en in ieder geval uiterlijk binnen de zes weken na het opmaken van het proces-verbaal van verhoor of van niet-verschijnen. Na het verstrijken van deze termijn wordt zij geacht af te zien van de uitoefening van haar tuchtrechtelijke bevoegdheid.

De beslissing waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed. § 9. De volledige beslissing van de tuchtoverheid waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd dient zonder verwijl aan het personeelslid te worden betekend bij ter post aangetekende brief.

Deze brief dient de beroepsmogelijkheden te vermelden.

Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 73, 2e lid, van het decreet, niet te lopen.

Art. 8.Er wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, dat luidt als volgt : "Hoofdstuk IVbis. Beroep tegen het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 24 en artikel 55undecies, § 2, 2°, van het decreet.

Art. 20.De brief waarbij naar gelang het geval de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 24 en artikel 55undecies, § 2, 2°, van het decreet, meedeelt, moet de beroepsmogelijkheden vermelden.

Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 73, tweede lid, van het decreet, niet te lopen.

Art. 9.Artikel 23bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt : "

Art. 23.Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur, vermeld in artikel 2 van het decreet.

Dit hoofdstuk is met ingang van 1 september 2007 niet van toepassing op de personeelsleden, aangesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's, en het is met ingang van 1 september 2009 ook niet meer van toepassing op de andere personeelsleden op wie het decreet van toepassing is.

In afwijking van het tweede lid moeten de evaluatieprocedures, ingezet met toepassing van hoofdstuk II worden voortgezet overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II en indien het personeelslid beroep aantekent overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk."

Art. 10.In artikel 24 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1, eerste lid, worden de woorden "bedoeld in artikel 72, § 1, 1° en 2° van het decreet" geschrapt;2° § 3 en § 4 worden vervangen door wat volgt : "§ 3.De effectieve voorzitter ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 2.500 euro.

Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 50 euro per zitting toegekend." De secretaris ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd. § 4. De leden kunnen aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid."

Art. 11.In artikel 25 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "een beoordeling met de vermelding "onvoldoende" bedoeld in artikel 22, § 4, van het decreet of" geschrapt;2° het tweede en het derde lid worden opgeheven.

Art. 12.In artikel 29 van hetzelfde besluit wordt § 3 opgeheven.

Art. 13.In artikel 30 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt het zevende lid opgeheven.

Art. 14.In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk Vbis, bestaande uit artikel 33bis tot en met 33sexies, ingevoegd, dat luidt als volgt : "Hoofdstuk Vbis. De kamer van beroep

Art. 33bis.Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 2 van het decreet, die : 1° vastbenoemd zijn;2° tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;3° tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur, voor het ontslag, vermeld in artikel 24 van het decreet;4° aangesteld zijn bij mandaat met toepassing van artikel 55quinquies van het decreet, voor het ontslag, vermeld in artikel 55undecies, § 2, 2°, van het decreet.

Art. 33ter.§ 1. De kamer van beroep wordt samengesteld uit een effectieve voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters en uit twaalf effectieve en twaalf plaatsvervangende leden. Een plaatsvervangend lid kan pas zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt. § 2. De effectieve voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. § 3. Het gemeenschapsonderwijs enerzijds en de representatieve vakorganisaties anderzijds wijzen een gelijk aantal effectieve en plaatsvervangende leden van de kamer van beroep aan. § 4. Tijdens hun mandaat in de kamer van beroep kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en leden geen personeelslid of tuchtoverheid bijstaan of vertegenwoordigen in de kamer waarin ze een mandaat uitoefenen. § 5. De leden kunnen aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid. § 6. De effectieve voorzitter ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 2.500 euro.

Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 50 euro per zitting toegekend.

Art. 33quater.Het mandaat van de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en van de leden duurt vier jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.

In elk geval behoudt de kamer van beroep haar bevoegdheden tot de nieuwe kamer van beroep is samengesteld.

Het mandaat eindigt eveneens : 1° in geval van ontslagneming;2° als de organisatie die de betrokkene heeft aangewezen, om zijn vervanging verzoekt;3° in geval van overlijden. Als een mandaat van een voorzitter vroegtijdig beëindigd wordt, benoemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een vervanger die het mandaat van zijn voorganger voltooit.

Als een mandaat van een lid vroegtijdig beëindigd wordt, wijst de organisatie die hij vertegenwoordigt, een vervanger aan die het mandaat van zijn voorganger voltooit.

Art. 33quinquies.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wijst voor de kamer van beroep een secretaris aan onder de ambtenaren van zijn diensten of instellingen.

De secretaris ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd.

Art. 33sexies.§ 1. De kamer van beroep heeft rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter en twee leden, aangewezen door het gemeenschapsonderwijs, en twee leden, aangewezen door de representatieve vakorganisaties, aanwezig zijn. § 2. De kamer van beroep beslist bij gewone meerderheid van stemmen.

De stemming is geheim. Er moeten evenveel leden die zitting hebben namens het gemeenschapsonderwijs als leden die zitting hebben namens de representatieve vakorganisaties aan de stemming deelnemen.

In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting. § 3. Bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend. § 4. In afwijking van § 1 en § 2 beslist de kamer van beroep op een tweede zitting ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in § 1 en § 2, aanwezig zijn."

Art. 15.In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk Vter, bestaande uit artikel 33septies tot en met 33duodecies, ingevoegd, dat luidt als volgt : "Hoofdstuk Vter. Procedure in beroep

Art. 33septies.§ 1. Het personeelslid beschikt over de in artikel 73, 2e lid, van het decreet vermelde termijn om met een aangetekende brief beroep in te stellen bij de kamer van beroep.

De termijn begint te lopen op de dag volgend op de schriftelijke mededeling van de sanctie door de tuchtoverheid.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn tuchtoverheid.

Het beroep moet de naam en het adres van de tuchtoverheid bevatten. § 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 73, tweede lid, van het decreet, of nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt de tuchtmaatregel definitief. § 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid. § 4. De kamer van beroep kan de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren.

Art. 33octies.§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de kamer van beroep.

Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen tot wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als de voorzitter of een lid van de kamer van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden. § 2. Als zowel de effectieve voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

Art. 33novies.§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 24 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten.

De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 24 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 24 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend.

De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd. § 2. De kamer van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. § 3. De zittingen van de kamer van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren. § 4. Als het personeelslid wegens dezelfde feiten strafrechtelijk wordt vervolgd en de tuchtoverheid geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 19, § 4, kan de kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving, vermeld in artikel 19, § 5, laatste lid. § 5. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

Art. 33decies.§ 1. De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de tuchtoverheid en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming. § 2. De tuchtoverheid brengt de tuchtmaatregelen die een financiële implicatie hebben voor het personeelslid binnen een termijn van orde van twintig kalenderdagen ter kennis van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde. Deze termijn begint te lopen de dag na het verstrijken van de beroepstermijn, vermeld in artikel 73, 2e lid, van het decreet, of de dag nadat de tuchtoverheid kennis heeft genomen van de beslissing van de kamer van beroep.

Art. 33undecies.De werkingskosten van de kamer van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De zetel van de kamer van beroep is gevestigd in Brussel.

Art. 33duodecies.De kamer van beroep maakt haar eigen werkingsreglement op."

Art. 16.In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk Vter, ingevoegd bij dit ontwerpbesluit, vervangen door wat volgt : "Hoofdstuk Vter. Procedure in beroep Afdeling I. - Tucht.

Art. 33septies.§ 1. Het personeelslid beschikt over de in artikel 73, 2e lid, van het decreet vermelde termijn om met een aangetekende brief beroep in te stellen bij de kamer van beroep.

De termijn begint te lopen op de dag volgend op de schriftelijke mededeling van de sanctie door de tuchtoverheid.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn tuchtoverheid.

Het beroep moet de naam en het adres van de tuchtoverheid bevatten. § 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 73, tweede lid, van het decreet, of nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt de tuchtmaatregel definitief. § 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid. § 4. De kamer van beroep kan de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren.

Art. 33octies.§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de kamer van beroep.

Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen tot wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als de voorzitter of een lid van de kamer van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden. § 2. Als zowel de effectieve voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

Art. 33novies.§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 24 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten.

De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 24 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 24 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend.

De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd. § 2. De kamer van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. § 3. De zittingen van de kamer van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren. § 4. Als het personeelslid wegens dezelfde feiten strafrechtelijk wordt vervolgd en de tuchtoverheid geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 19, § 4, kan de kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving, vermeld in artikel 19, § 5, laatste lid. § 5. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

Art. 33decies.§ 1. De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de tuchtoverheid en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming. § 2. De tuchtoverheid brengt de tuchtmaatregelen die een financiële implicatie hebben voor het personeelslid binnen een termijn van orde van twintig kalenderdagen ter kennis van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde. Deze termijn begint te lopen de dag na het verstrijken van de beroepstermijn, vermeld in artikel 73, 2e lid, van het decreet, of de dag nadat de tuchtoverheid kennis heeft genomen van de beslissing van de kamer van beroep. Afdeling II. Ontslag om dringende redenen

Art. 33undecies.§ 1. Het personeelslid beschikt over de in artikel 73, 2e lid, van het decreet vermelde termijn om met een aangetekende brief beroep in te stellen bij de kamer van beroep.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar gelang het geval naar de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder.

Het beroep moet de naam en het adres van naar gelang het geval de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder bevatten.

De termijn begint te lopen op de dag nadat het personeelslid met een aangetekende brief op de hoogte is gebracht van de dringende redenen. § 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 73, tweede lid, van het decreet, of nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt het ontslag om dringende redenen definitief. § 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief, vermeld in artikel 24, derde lid, van het decreet, op naargelang het geval bij de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder.

Art. 33duodecies.§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de kamer van beroep.

Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen tot wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als de voorzitter of een lid van de kamer van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden. § 2. Als zowel de effectieve voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

Art. 33terdecies.§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. § 2. De kamer van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. § 3. De zittingen van de kamer van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren. § 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

Art. 33quaterdecies.De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan het schoolbestuur en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming. Afdeling III. Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 33quinquiesdecies.De werkingskosten van de kamer van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De zetel van de kamer van beroep is gevestigd in Brussel.

Art. 33sexiesdecies.De kamer van beroep maakt haar eigen werkingsreglement op."

Art. 17.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008, met uitzondering van de artikelen 2, 3, 4, 5, 6 en 9 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2007, van artikel 10 dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2009 en van de artikelen 8 en 16 die in werking treden op 1 september 2009.

Art. 18.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 3 juli 2009 De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE

^