Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 04 oktober 2002

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 27 juni 2002 in zake de n.v. Constructiewerkhuizen Van Landuyt tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het A « A. Schendt artikel 483 van het W.I.B 92 (artikel 372 W.I.B 64) het gelijkheidsbeginsel zoals vas(...)

bron
arbitragehof
numac
2002021413
pub.
04/10/2002
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 27 juni 2002 in zake de n.v. Constructiewerkhuizen Van Landuyt tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 augustus 2002, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : « A. Schendt artikel 483 van het W.I.B 92 (artikel 372 W.I.B 64) het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat deze bepaling de Administratie de bevoegdheid verleent het kadastraal inkomen van materieel en outillage vast te stellen zonder rekening te houden met artikel 486 W.I.B 92 (artikel 375 W.I.B 64) terwijl voor de vaststelling van het kadastraal inkomen van bebouwde en onbebouwde onroerende goederen, overeenkomstig de artikelen 477 en 479 W.I.B 92 (artikelen 366 en 368 W.I.B 64) rekening wordt gehouden met het referentietijdstip zoals bepaald in artikel 486 W.I.B 92 (artikel 375 W.I.B 64) ? B. Schenden de artikelen 518 W.I.B 92 (artikel 8, § 3, van de wet van 7 december 1988) zoals gewijzigd door artikel 29 van de wet van 28 december 1990 houdende verscheidene fiscale en niet fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van 29 december 1990) en artikel 255, 3°, 4° en 5° W.I.B 92, zoals gewijzigd door artikel 12 van het decreet van 19 december 1997 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1997) het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat deze bepalingen de Administratie de bevoegdheid verlenen om voor de berekening van de onroerende voorheffing, de kadastrale inkomens van materieel en outillage te indexeren, zoals dat ook gebeurt voor gebouwde of ongebouwde onroerende goederen daar waar het om niet vergelijkbare situaties gaat die op dezelfde wijze worden behandeld, aangezien het kadastraal inkomen van materieel en outillage van een totaal andere aard is, en er ook geen verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel omdat het kadastraal inkomen van materieel en outillage niet is gebaseerd op de huurwaarden van 1975 en omdat er voor materieel en outillage geen aftrek van een forfait voor onderhouds- en herstellingskosten die de intrisieke waardeverminderingen door veroudering neutraliseren, is voorzien ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2508 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

^