Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 27 juli 2022

Uittreksel uit arrest nr. 82/2022 van 16 juni 2022 Rolnummers 7578, 7588 en 7589 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 20 Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters J.(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2022203751
pub.
27/07/2022
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 82/2022 van 16 juni 2022 Rolnummers 7578, 7588 en 7589 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen », ingesteld door de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » en anderen en door de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen » en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 17 mei 2021 en 31 mei 2021 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 19 mei 2021 en 1 juni 2021, zijn beroepen tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 mei 2021) ingesteld door (1) de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen », (2) de vzw « Organisatie Broeders van Liefde », (3) de vzw « Comité voor Onderwijs Annuntiaten Heverlee », (4) de vzw « Onderwijsinrichtingen Voorzienigheid », (5) de vzw « Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten », (6) de vzw « Katholiek Onderwijs regio Halle Annuntiaten », (7) de vzw « Scholen voor Buitengewoon Onderwijs De Triangel », (8) de vzw « Don Bosco Onderwijscentrum », (9) de vzw « Ignatiaanse Scholen Antwerpen », (10) de vzw « INIGO, Ignatiaanse Scholen », (11) de vzw « OZCS-Koepel », (12) de vzw « Oscar Romeroscholen », (13) de vzw « Karel de Goede », (14) de vzw « Katholiek Onderwijs Bisdom Antwerpen », (15) de vzw « Scholengemeenschap Katholiek Secundair Onderwijs Vlaamse Ardennen », (16) de vzw « Sint-Donatusinstellingen Merchtem », (17) de vzw « EDUGO Scholengroep », (18) de vzw « Zaventems Vrij Onderwijs (ZAVO) », (19) de vzw « Leuvense Katholieke Scholen aan de Dijle (LKSD) », (20) de vzw « Secundair Onderwijs Sint-Quintinus », (21) de vzw « Katholiek Vlaams Onderwijs », (22) de vzw « Katholiek Onderwijs Land van Waas », (23) de vzw « OZCS West-Brabant », (24) de vzw « OZCS Keerbergen », (25) de vzw « OZCS Noord-Kempen », (26) de vzw « OZCS Midden-Kempen », (27) de vzw « OZCS Zuid-Antwerpen », (28) de vzw « OZCS Zuid-Kempen », (29) de vzw « Scholengroep Katholiek Onderwijs Brugge en Ommeland (SKOBO) », (30) de vzw « Scholengemeenschap Katholiek Secundair Onderwijs Sint-Donaas », (31) de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Oudenaarde », (32) de vzw « Ignatius Scholen in Beweging », (33) de vzw « KOBA Metropool », (34) de vzw « KOBA NoordkAnt », (35) de vzw « KOBA Zuiderkempen », (36) de vzw « KOBA Voorkempen », (37) de vzw « KOBA de Nete », (38) de vzw « KOBA Noorderkempen », (39) de vzw « KOBArT », (40) de vzw « KOBA ZuidkANT », (41) de vzw « KOBA Hoogstraten », (42) de vzw « Katholiek Onderwijs Hinterland », (43) de vzw « Spectrumcollege », (44) de vzw « Berkenboomscholen », (45) de vzw « Opvoeding En Cultuur in het Bisdom Antwerpen », (46) de vzw « Katholieke Scholen Heusden-Zolder », (47) de vzw « Vrij Onderwijs Regio Aalst (VORA) », (48) de vzw « Vrij Katholiek Onderwijs te Herzele », (49) de vzw « Katholiek Onderwijs Groot-Beveren », (50) de vzw « Katholieke Scholen Groot-Bornem », (51) de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Maasmechelen-de helix », (52) de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs van de Zusters van de Voorzienigheid », (53) de vzw « Annuntia Scholen », (54) de vzw « Katholiek Onderwijs Wetteren », (55) de vzw « Vrij Katholiek Secundair Onderwijs Lievegem », (56) de vzw « Katholieke Scholengroep RHIZO », (57) de vzw « Katholiek Onderwijs Denderleeuw en Welle », (58) de vzw « Vrij Katholiek Onderwijs Maldegem », (59) de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Zottegem », (60) de vzw « Katholiek Onderwijs Ronse », (61) de vzw « Vrij Onderwijs Blankenberge-Wenduine », (62) de vzw « Katholiek Onderwijs Geel-Kasterlee », (63) de vzw « KSOM », (64) de vzw « Prizma », (65) de vzw « KOHH », (66) de vzw « Hasp-O SZZ », (67) de vzw « KITOS », (68) de vzw « Petrus & Paulus », (69) de vzw « Diocesaan Schoolcomité Denderstreek-Zuid », (70) de vzw « Centraal Katholiek Schoolcomité van Antwerpen », (71) de vzw « WICO », (72) de vzw « Verwondering », (73) de vzw « Anker », (74) de vzw « Priester Daens College », (75) de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Onze-Lieve-Vrouw Tongeren-Borgloon », (76) de vzw « Instituut van het Heilig Graf », (77) de vzw « Vrij Technisch Instituut Deinze », (78) de vzw « Atlas College », (79) de vzw « Sint-Gerardusscholen », (80) de vzw « Instituut Ste.Elisabeth », (81) de vzw « Schoolcomité van het Sint-Franciscusinstituut », (82) de vzw « Onze-Lieve-Vrouwlyceum », (83) de vzw « Sint-Barbaracollege », (84) de vzw « Margareta-Maria-Instituut », (85) de vzw « Vita et Pax-College Schoten », (86) de vzw « Sportschool Meulebeke », (87) de vzw « SALCO », (88) de vzw « Lemmensinstituut », (89) de vzw « Heilig-Hartcollege-Tervuren », (90) de vzw « Sint-Lievenscollege », (91) de vzw « Instituut voor Verpleegkunde Sint-Vincentius », (92) de vzw « VISO », (93) de vzw « Basisschool en Humaniora DvM », (94) de vzw « Mariagaard », (95) de vzw « Sint-Lodewijk », (96) de vzw « Hotelschool Ter Duinen », (97) de vzw « Sint-Jozefcollege Turnhout », (98) de vzw « Schoolcomité Sint-Joris », (99) de vzw « Instituut Spes Nostra », (100) de vzw « Sint-Goedele Brussel », (101) de vzw « Onze-Lieve-Vrouwinstituut Boom », (102) de vzw « College O.-L.-V.-ten-Doorn », (103) de vzw « Instituut Sint Ursula », (104) de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Waregem-Anzegem-Avelgem », (105) de vzw « Dominiek Savio », (106) de vzw « Windekind », (107) de vzw « Sint-Andreasinstituut », (108) de vzw « Sint-Lukas Kunstschool Brussel », (109) de vzw « Sint-Gabriëlcollege », (110) de vzw « Inrichtend Comité Sint-Lucas Gent », (111) de vzw « Abdijschool van Zevenkerken », (112) de vzw « Instituut voor Voeding », (113) de vzw « ZoWe Verpleegkunde », (114) de vzw « Sint-Lodewijk-Brugge », (115) de vzw « Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen », (116) H.G., (117) S. V.E., (118) M.D., (119) D.P., (120) A.S., (121) G.N., (122) W.S., (123) W.G., (124) E.V.E., (125) T.B., (126) M.P. en (127) E.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, Mr. S. Sottiaux en Mr. L. Janssens, advocaten bij de balie van Antwerpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 mei 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juni 2021, is beroep tot vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen ingesteld door (1) de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen », (2) de vzw « Middelbare Steinerschool Vlaanderen », (3) de vzw « Hiberniaschool, Middelbare Steinerschool Antwerpen », (4) Hermelinde Laga, (5) Paul Philippe Stevens, (6) Wilbert Lambrechts en (7) Guy Steegmans, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr.V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel.

Bij dezelfde verzoekschriften vorderden de verzoekende partijen eveneens de schorsing van dezelfde decreetsbepalingen. Bij het arrest nr. 113/2021 van 22 juli 2021, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 september 2021, heeft het Hof de vorderingen tot schorsing verworpen.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7578, 7588 en 7589 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578, 7588 en 7589 vorderen de vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen » (hierna : het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten).

B.1.2. De artikelen 2, 3 en 4 van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten bepalen : «

Art. 2.Dit decreet bevat de onderwijsdoelen voor de tweede graad en, met uitzondering van het derde leerjaar, voor de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs, voor zover het eindtermen tweede en derde graad en specifieke eindtermen derde graad betreft.

De eindtermen zijn geformuleerd in functie van de zestien sleutelcompetenties die zijn bepaald in artikel 139, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs. De specifieke eindtermen zijn ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein.

De kennis, dimensies en indien van toepassing de context en tekstkenmerken die in de bijlagen zijn opgenomen, maken telkens integraal deel uit van de eindterm of de specifieke eindterm waarbij ze zijn vermeld, met dien verstande dat de affectieve dimensie en de psychomotorische dimensie indicatief zijn.

Art. 3.De onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad zijn : 1° eindtermen;2° attitudinale eindtermen;3° specifieke eindtermen;4° attitudinale specifieke eindtermen. Bij de implementatie van de onderwijsdoelen in kwestie worden de volgende bepalingen nageleefd : 1° onderwijsdoelen zijn te bereiken op populatieniveau;2° tenzij het expliciet anders is vermeld, wordt een onderwijsdoel door de leerling zelfstandig gerealiseerd;3° in afwijking van punt 1° zijn attitudinale (specifieke) eindtermen minimumdoelen die omschrijven welke houdingen wenselijk worden geacht voor een bepaalde leerlingenpopulatie.Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de attitudinale (specifieke) eindtermen bij de leerlingenpopulatie na te streven. Attitudinale (specifieke) eindtermen zijn aangeduid met het symbool ' ° '.

Art. 4.De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad doorstroomfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd.

De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad dubbele finaliteit zijn opgenomen in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd.

De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad arbeidsmarktfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 3, die bij dit decreet is gevoegd.

De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad doorstroomfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 4, die bij dit decreet is gevoegd.

De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad dubbele finaliteit zijn opgenomen in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd.

De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad arbeidsmarktfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 6, die bij dit decreet is gevoegd.

De specifieke eindtermen voor de derde graad doorstroomfinaliteit en dubbele finaliteit zijn opgenomen in bijlage 7, die bij dit decreet is gevoegd ».

B.1.3. De bijlagen 1 tot 7 bij het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten bevatten, zoals omschreven in het bestreden artikel 4, de eindtermen en specifieke eindtermen per graad van het secundair onderwijs (tweede en derde graad) en per finaliteit van de studierichting (doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit en arbeidsmarktfinaliteit).

B.2.1. De bestreden bepalingen kunnen niet los worden gezien van afdeling 3 (« Doelen, curriculumdossiers en leerplannen ») van deel IV, titel 1, hoofdstuk 1, van de Codex Secundair Onderwijs, die, zoals ingevoegd bij artikel 6 van het decreet van 26 januari 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2018 pub. 09/03/2018 numac 2018030576 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat de onderwijsdoelen betreft (1) sluiten « tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat onderwijsdoelen betreft, en tot wijziging van de decreten Rechtspositie onderwijspersoneel » (hierna : het decreet van 26 januari 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2018 pub. 09/03/2018 numac 2018030576 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat de onderwijsdoelen betreft (1) sluiten), bestaat uit de artikelen 138 tot 147/4.

B.2.2. Volgens artikel 139, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs zijn eindtermen minimumdoelen die het Vlaams Parlement noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie.

Met minimumdoelen wordt volgens die bepaling bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes bij de leerlingen te bereiken. De eindtermen moeten op populatieniveau worden bereikt. De eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes moeten bij de leerlingen worden nagestreefd.

Volgens artikel 139, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs worden bepaalde eindtermen als basisgeletterdheid aangeduid.

Basisgeletterdheid zijn die eindtermen die ertoe strekken te kunnen participeren in de maatschappij. De eindtermen basisgeletterdheid moeten door elke individuele leerling worden bereikt op het einde van de eerste graad.

B.2.3. Artikel 143 van de Codex Secundair Onderwijs bepaalt de wijze waarop de onderwijsdoelen worden ontwikkeld.

De ontwikkeling van eindtermen met inbegrip van eindtermen basisgeletterdheid, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen, wordt volgens die bepaling gecoördineerd door de Vlaamse Regering, die daartoe één of meerdere ontwikkelcommissies samenstelt die ten minste bestaan uit leerkrachten uit de betrokken graad en de aansluitende graden of onderwijsniveaus, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissies dienen volgens die bepaling een beperkt aantal sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en, indien van toepassing, attitudes aan bod komen, te formuleren.

De ontwikkelde eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden vervolgens door de Vlaamse Regering voorgelegd aan een valideringscommissie, die bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie valideert de ontwikkelde eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, of stuurt ze terug naar de ontwikkelcommissies met het oog op bijsturing alvorens tot validering over te gegaan.

De eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden vervolgens door de Vlaamse Regering als een ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement, dat ze, in voorkomend geval na wijziging ervan, al dan niet goedkeurt.

B.2.4. Artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs voorziet in een procedure tot goedkeuring van vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen.

Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, kan het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot gelijkwaardigheid indienen van vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen.

Die aanvraag dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen zullen gelden, te worden ingediend. Wanneer de aanvraag gebeurt ingevolge een wijziging van ontwikkelingsdoelen, uitbreidingsdoelen Nederlands, eindtermen of specifieke eindtermen door het Vlaams Parlement, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waarbinnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of, in voorkomend geval, met de oude afwijkende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, mag werken. Voor een aanvraag, voor het schooljaar 2021-2022, tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen voor de door het Vlaams Parlement goedgekeurde eindtermen van de tweede graad die een schoolbestuur geacht wordt in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs geleidelijk toe te passen vanaf 1 september 2021, gelden de in paragraaf 5 van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs vastgestelde termijnen.

De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de door de aanvrager voorgestelde vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke zijn goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen uit te reiken. De aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of de specifieke eindtermen voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze er niet mee verzoenbaar zijn.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerde advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en de onderwijsinspectie en wordt de aanvrager telkens gehoord.

De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement.

B.3.1. De onderwijsdoelen van de eerste graad van het secundair onderwijs zijn vastgesteld bij het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 december 2018 « betreffende de onderwijsdoelen voor de eerste graad van het secundair onderwijs ». Dat decreet is in werking getreden op 1 september 2019 voor het eerste leerjaar van de eerste graad en op 1 september 2020 voor het tweede leerjaar van die graad (artikel 5 van het decreet van 14 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/12/2018 pub. 26/04/2019 numac 2019040867 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de eerste graad van het secundair onderwijs sluiten).

B.3.2. De onderwijsdoelen van de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs zijn vervolgens vastgesteld bij het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten, waar de bestreden bepalingen deel van uitmaken.

Krachtens - het niet bestreden - artikel 24 van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten treedt het decreet voor het eerste leerjaar van de tweede graad in werking op 1 september 2021 en voor het tweede leerjaar van die graad op 1 september 2022. Voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad wordt de Vlaamse Regering gemachtigd de inwerkingtredingsdatum van het decreet te bepalen.

B.4. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten vermeldt : « Eindtermen zijn het instrument waarmee de samenleving duidelijk maakt wat van ons onderwijs minimaal verwacht wordt. De voorbije 20 jaar is de wereld niet minder complex geworden. Deze nieuwe set aan eindtermen weerspiegelt deze toegenomen complexiteit : in vergelijking met 20 jaar geleden wordt er vandaag meer verwacht van ons onderwijs.

Dit betekent niet dat deze nieuwe eindtermen zomaar een uitbreiding zijn. Ze zijn tot stand gekomen na veel overleg in ontwikkelcommissies, met de betrokken professionals, met de Vlaamse Regering, met verschillende groepen aan belanghebbenden en met de bevoegde commissie van het Vlaams parlement in een hoorzitting. Op deze manier zijn de eindtermen die werden ontwikkeld en verder overlegd een uiting van wat de maatschappij anno 2020 vraagt van het onderwijs. [...] De vrijheid van onderwijs is een grondwettelijk recht. Ambitieuze en heldere eindtermen moeten haalbaar zijn voor onze scholen en steeds de nodige ruimte bieden om eigen doelen na te streven. Ze mogen van leraars geen uitvoerders maken, maar moeten net inspireren om verder te gaan en excellentie voor alle leerlingen na te streven. Daarover blijven we waken.

Deze eindtermen blijven minimumdoelen. Als maatschappij moeten we bezorgd zijn over de dalende kwaliteit van ons onderwijs. Daarom is het noodzakelijk dat deze nieuwe doelen voldoende scherp vorm krijgen, zodat het voor alle betrokkenen helder is waar deze minimumlat ligt en wat ze betekent. Heldere verwachtingen en duidelijke doelstellingen zijn een belangrijke eerste stap naar excellentie. [...] Zoals uit de verdere toelichting zal blijken zijn er na de ontwikkeling van deze eindtermen nog heel wat bijkomende inspanningen geleverd met het oog op de haalbaarheid en het creëren van voldoende ruimte in het curriculum van onze scholen om hen toe te laten om vanuit hun eigen pedagogische vrijheid verder te gaan da [n] wat dit decreet vastlegt en ook eigen doelen op te nemen. Ook in dit ontwerp dat voorgelegd wordt, werden nog een aantal bijsturingen doorgevoerd om tegemoet te komen aan deze bekommernis waar ook de Raad van State uiting aan heeft gegeven.

De manier waarop deze eindtermen tot stand zijn gekomen, is identiek aan deze van de eindtermen voor de eerste graad, die ondertussen werden ingevoerd. Maar waar we voor de eerste graad een set eindtermen voor de A-stroom en een set voor de B-stroom hadden, is het aantal richtingen waarvoor in de 2de en de 3de graad eindtermen werden ontwikkeld een veelvoud hiervan, waardoor het voorliggende decreet omvangrijker lijkt. [...] De sets (specifieke) eindtermen voor de tweede en derde graad secundair onderwijs zijn geformuleerd volgens het decreet [van 26 januari 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2018 pub. 09/03/2018 numac 2018030576 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat de onderwijsdoelen betreft (1) sluiten] op de onderwijsdoelen. Dat decreet brengt ingrijpende wijzigingen met zich mee t.o.v. de vigerende (specifieke) eindtermen.

Ten eerste werden de eindtermen voor de tweede en derde graad per finaliteit (doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit, arbeidsmarktfinaliteit) geformuleerd in functie van sleutelcompetenties.

Het decreet op de onderwijsdoelen bepaalt dat de specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad doorstroomfinaliteit en dubbele finaliteit en gericht zijn op het aanvatten van vervolgonderwijs. De specifieke eindtermen worden ontwikkeld uit kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein. De (specifieke) eindtermen worden niet vastgehaakt aan vakken. Het zijn de schoolbesturen die de verbinding maken tussen de (specifieke) eindtermen en de vakken of vakkenclusters. Ze bepalen ook welke leraar verantwoordelijk is voor de uitwerking en realisatie van die (specifieke) eindtermen.

Bij het ontwikkelen van de eindtermen werd rekening gehouden met de uitdagingen van de 21ste eeuw en de daaraan verbonden maatschappelijke ontwikkelingen en verwachtingen. Dat leidde tot een verbreding van het curriculum. Zo is er bv. meer aandacht voor digitale competentie en mediawijsheid, STEM (Science, Technology, Engineering, Mathematics), economische en financiële competenties, juridische competenties en duurzaamheid.

Daarnaast vertonen de (specifieke) eindtermen een grotere inhoudelijke samenhang en afstemming. Zo is bv. de terminologie bij de competenties in het Nederlands en bij de competenties in andere talen onderling afgestemd, bouwen sommige specifieke eindtermen wiskunde verder op de inhouden van de basisvorming enz.

In de tweede plaats legt het decreet op de onderwijsdoelen sterker en algemener de nadruk op de resultaatsverbintenis bij de eindtermen. Het onderscheid tussen te bereiken vakgebonden eindtermen en na te streven vakoverschrijdende eindtermen is opgeheven. Zo zijn bv. eindtermen inzake burgerschapscompetenties, sociaal-relationele competenties en initiatief en ondernemingszin voortaan te bereiken eindtermen.

Dergelijke eindtermen golden tot nu toe als vakoverschrijdende, na te streven eindtermen.

Een derde belangrijke wijziging ligt in de sobere, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare formulering volgens een vaste systematiek met een explicitering van de kennis. Er is afgestapt van de klassieke formulering van de (specifieke) eindtermen met ' kennen ' en ' kunnen '. Waar dat relevant is worden ook de context en complexiteit geconcretiseerd. Belangrijke aandachtspunten zijn het beperkte aantal (specifieke) eindtermen en de consistentie en coherentie bij de formulering.

Tot slot is met het decreet op de onderwijsdoelen gekozen voor een bredere participatie aan het ontwikkelproces van (specifieke) eindtermen. Ontwikkelcommissies worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de onderwijskoepels en het GO!, leerkrachten en experten uit het hoger onderwijs. De valideringscommissie is samengesteld uit de onderwijsinspectie en experten (een taalexpert, onderwijskundige en ontwikkelingspsychologische experten). De valideringscommissie heeft een belangrijke rol als kwaliteitsbewaker door de validering van de (specifieke) eindtermen op basis van de criteria evalueerbaarheid, consistentie en coherentie.

De inhoudelijke accenten en de wijzigingen in statuut en formulering van de nieuwe (specifieke) eindtermen, hebben geleid tot ambitieuze, en concreet geformuleerde (specifieke) eindtermen die beantwoorden aan de uitdagingen van de 21ste eeuw. Ze zullen periodiek worden gescreend op hun actualiteitswaarde en zo nodig worden bijgestuurd. [...] De eerste generatie eindtermen is twintig jaar oud. In 1997 (gewoon secundair onderwijs), 1998 (gewoon basisonderwijs) en 1999 (buitengewoon onderwijs) zijn de eindtermen en ontwikkelingsdoelen geleidelijk aan ingevoerd in het onderwijs in Vlaanderen en in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Twintig jaar geleden was het begrip ' eindtermen ' nieuw in de geschiedenis van het Vlaamse onderwijs. Voortaan werden minimumdoelstellingen geformuleerd die door de meerderheid van de leerlingen moesten worden bereikt.

In de afgelopen twintig jaar zijn actualiseringen doorgevoerd in een aantal sets van eindtermen, maar niet op een systematische manier zoals dit nu gebeurd is voor de nieuwe eindtermen. In 2010 zijn de volgende actualiseringen in werking getreden : - vakoverschrijdende eindtermen (SO) - wetenschap en techniek (LO) - natuurwetenschappen (SO) - Nederlands en Frans (LO) - Frans 1ste graad B-stroom - moderne vreemde talen (SO) [...] Het toekomstige Vlaamse onderwijs ambieert dat jongeren in het secundair onderwijs competenties ontwikkelen die bijdragen tot hun persoonlijke ontwikkeling en hen toelaten om autonoom en interactief in de samenleving te functioneren en er een bijdrage aan te leveren.

Dat veronderstelt overdracht van kennis, inzicht, vaardigheden, attitudes en waarden tussen generaties maar ook het kritisch overstijgen van trends. Het secundair onderwijs bereidt jongeren ook voor op het functioneren op de arbeidsmarkt en/of het doorstromen naar het hoger onderwijs en vervolgopleidingen. De ambitie is elke jongere blijvend uit te dagen, zodat zoveel mogelijk jongeren uitblinken in hun talenten en hun interesses versterkt worden.

Deze visie voor het Vlaamse onderwijs van morgen en het Nederlandstalige onderwijs in Brussel kreeg vorm op basis van de (Europese) sleutelcompetenties, het maatschappelijk en het parlementair eindtermendebat, internationale ontwikkelingen, lopend nationaal onderzoek, vergelijkingen met internationale curriculumontwikkeling zoals Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO, het nationale expertisecentrum voor leerplanontwikkeling in Nederland), ' Next Generation Science Standards ' (NGSS), ' 21st century skills ', enz.

De (specifieke) eindtermen zijn competentiegericht geformuleerd. Er is bijzondere aandacht voor de inhoudelijke afstemming tussen de basisvorming en de specifieke eindtermen en voor de haalbaarheid van het totale pakket eindtermen, specifieke eindtermen en/of beroepskwalificaties. Bij het formuleren van de specifieke eindtermen wordt als doel voor ogen gehouden dat de slaagkansen van de leerlingen in het hoger onderwijs moeten verhogen.

Bij de ontwikkeling van de nieuwe (specifieke) eindtermen is uitgegaan van een reductie en een duidelijkere formulering. Op die manier komt de nieuwe generatie (specifieke) eindtermen tegemoet aan vaak gehoorde verzuchtingen wat het aantal, de overlap ertussen en de duidelijkheid betreft. De kennis wordt telkens geëxpliciteerd. Het verwachte minimumniveau moet duidelijk zijn en de (specifieke) eindterm moet evalueerbaar zijn. Daarnaast behouden we voldoende differentiële ruimte voor de leerkrachten, schoolteams en schoolbesturen om te remediëren, verdiepen en versterken op maat van de leerling. De (specifieke) eindtermen zijn in evenwicht met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. De concrete invulling en de pedagogisch-didactische vertaling worden opgenomen door schoolbesturen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, pp. 3-6).

Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep in de zaak nr. 7578 betreft B.5.1. Het verzoekschrift in de zaak nr. 7578 werd ingediend vooraleer de bestreden bepalingen op 26 mei 2021 in het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt.

B.5.2. Krachtens artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten) moet een beroep tot vernietiging in beginsel worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm.

De bekendmaking van een norm vormt een voorwaarde om die norm te kunnen tegenwerpen. Weliswaar doet de bekendmaking de termijn ingaan waarbinnen de norm kan worden bestreden, maar zij vormt geen voorwaarde voor de opening van het recht van beroep tegen een aangenomen, bekrachtigde en afgekondigde norm (vergelijk HvJ, 26 september 2013, C-626/11 P, PPG en SNF t. ECHA, punten 32-39).

B.5.3. Daar het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten op het ogenblik van het inleiden van het beroep in de zaak nr. 7578 was aangenomen, bekrachtigd en afgekondigd, is dat beroep ontvankelijk ratione temporis.

B.6. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7578 hebben na de bekendmaking van de bestreden bepalingen in het Belgisch Staatsblad opnieuw een verzoekschrift ingediend (zaak nr. 7588). Aangezien beide verzoekschriften in gelijkluidende bewoordingen zijn geformuleerd, dienen zij voor het verdere onderzoek ervan als één enkel beroep tot vernietiging te worden beschouwd.

Wat het belang van de verzoekende partijen betreft B.7.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt.

B.7.2. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578, 7588 en 7589, daar de scholen op grond van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs beschikken over de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering.

B.7.3. Zoals is vermeld in B.2.2, bepaalt artikel 139, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs dat elke school de maatschappelijke opdracht heeft om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes bij de leerlingen te bereiken en de eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes bij de leerlingen na te streven.

Daar die bepaling elke secundaire school de opdracht geeft om de eindtermen bij de leerlingen te bereiken of na te streven, doen minstens de verzoekende partijen die secundaire scholen, leerlingen en ouders van leerlingen zijn, blijken van een belang bij een vernietiging van de bestreden bepalingen, die nieuwe eindtermen invoeren voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs.

De omstandigheid dat de scholen op grond van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs beschikken over de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering, doet daar geen afbreuk aan. Daar alle verzoekschriften mede namens een aantal secundaire scholen en leerlingen of ouders van leerlingen werden ingediend, doen minstens een aantal verzoekende partijen in elk van de zaken nrs. 7578, 7588 en 7589 blijken van het vereiste belang en dient het belang van de overige verzoekende partijen niet te worden onderzocht.

B.7.4. De exceptie wordt verworpen.

Wat de ontvankelijkheid van de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen betreft B.8.1. De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen », tussenkomende partij, voert aan dat de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen slechts ontvankelijk is in zoverre zij uitgaat van de acht natuurlijke personen die de memorie hebben ondertekend en dat de vereniging « H/Art voor onderwijs » niet kan tussenkomen in de onderhavige zaken omdat zij een feitelijke vereniging is.

B.8.2. De acht natuurlijke personen die de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen hebben ondertekend, kunnen in hun hoedanigheid van leerkracht, leerlingenbegeleider of coördinator in het secundair onderwijs rechtstreeks in hun situatie worden geraakt door het arrest dat het Hof dient te wijzen. Zij doen aldus blijken van een voldoende belang bij hun tussenkomst. Bijgevolg dient de procesbekwaamheid en het belang van de feitelijke vereniging « H/Art voor onderwijs » niet te worden onderzocht.

B.8.3. De exceptie wordt verworpen.

B.9. De tussenkomst van een persoon die doet blijken van een belang bij een procedure tot vernietiging mag de oorspronkelijke beroepen niet wijzigen of uitbreiden. Artikel 87 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten, staat immers niet toe, in tegenstelling tot artikel 85, dat in de memorie nieuwe middelen worden geformuleerd.

De grieven die worden geformuleerd door de tussenkomende partijen kunnen slechts in aanmerking worden genomen in zoverre zij bij de in de verzoekschriften geformuleerde middelen aansluiten en in zoverre zij kunnen worden beschouwd als in een memorie vervatte opmerkingen.

Ten gronde Wat het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en het eerste middel in de zaak nr. 7589 betreft B.10.1. Het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en het eerste middel in de zaak nr. 7589 zijn afgeleid uit de schending van artikel 24, § 1, van de Grondwet.

B.10.2. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de bestreden bepalingen niet verenigbaar zijn met de door artikel 24, § 1, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van onderwijs, doordat : - de vastgestelde onderwijsdoelen geen minimumdoelen zijn en aldus de onderwijsverstrekkers geen of onvoldoende ruimte laten voor het verwezenlijken van een eigen pedagogisch project (eerste onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en eerste en tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7589); - de vastgestelde onderwijsdoelen pedagogisch-didactisch sturend zijn (tweede onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7589); - het verwezenlijken van de vastgestelde onderwijsdoelen de volledige onderwijstijd inneemt, minstens een disproportioneel groot aandeel daarvan, waardoor de bestreden bepalingen een onderwijsprogramma inhouden en de onderwijsverstrekkers onvoldoende ruimte hebben om specifieke vorming aan te bieden aan de leerlingen (tweede en derde onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7589); - de bestreden bepalingen niet pertinent zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstelling betreffende het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs en minstens onevenredig zijn ten aanzien van die doelstelling (eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7589).

De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de door artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs aan de schoolbesturen geboden mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende onderwijsdoelen in te dienen bij de Vlaamse Regering, de aangevoerde schending van de vrijheid van onderwijs niet kan verhelpen (vierde onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7589).

B.11. Artikel 24 van de Grondwet bepaalt : « § 1. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld.

De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders.

De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.

De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. § 2. Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen. § 3. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.

Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding. § 4. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden. § 5. De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ».

B.12.1. De door artikel 24, § 1, van de Grondwet gewaarborgde onderwijsvrijheid waarborgt het recht tot oprichting van scholen die al dan niet zijn geënt op een bepaalde confessionele of niet-confessionele levensbeschouwing. Zij impliceert voor privépersonen eveneens de mogelijkheid om - zonder voorafgaande toestemming en onder voorbehoud van de inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden - naar eigen inzicht onderwijs in te richten en te laten verstrekken, zowel naar de vorm als naar de inhoud, bijvoorbeeld door scholen op te richten die hun eigenheid vinden in bepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen.

B.12.2. De hiervoor gedefinieerde onderwijsvrijheid impliceert, wil ze niet louter theoretisch zijn, dat de inrichtende machten die niet rechtstreeks afhangen van de gemeenschap onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op subsidiëring vanwege de gemeenschap.

Het recht op subsidiëring wordt beperkt, enerzijds, door de mogelijkheid voor de gemeenschap om de subsidies te verbinden aan vereisten die te maken hebben met het algemeen belang, onder andere die van een kwaliteitsonderwijs, de inachtneming van normen in verband met de schoolbevolking en de gelijke toegang tot het onderwijs en, anderzijds, door de noodzaak om de beschikbare financiële middelen te verdelen onder de verschillende opdrachten van de gemeenschap.

De vrijheid van onderwijs kent bijgevolg beperkingen en verhindert op zich niet dat de decreetgever voorwaarden van financiering en subsidiëring oplegt die de uitoefening van die vrijheid beperken.

B.12.3. De vrijheid van onderwijs moet worden geïnterpreteerd in die zin dat zij rekening houdt met het hogere belang van het kind en zijn grondrecht op onderwijs. Artikel 24, § 3, van de Grondwet waarborgt het recht van iedereen om onderwijs te krijgen « met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden », terwijl artikel 24, § 4, herinnert aan het beginsel van gelijkheid tussen alle leerlingen en studenten.

Het recht op onderwijs van het kind kan de vrijheid van de onderwijsinstellingen op het vlak van het onderwijs dat zij wensen te verstrekken aan het aan de leerplicht onderworpen kind, beperken.

B.13.1. De vrijheid van onderwijs belet aldus in beginsel niet dat de bevoegde wetgever, teneinde de kwaliteit en de gelijkwaardigheid te verzekeren van het verplichte onderwijs of van het onderwijs dat met overheidsmiddelen wordt verstrekt, maatregelen neemt die op de onderwijsinstellingen in het algemeen van toepassing zijn, ongeacht de eigenheid van het door hen verstrekte onderwijs.

B.13.2. De wenselijkheid en de keuze van die maatregelen zijn zaak van de bevoegde wetgever, te dezen de decreetgever die, met toepassing van artikel 24, § 5, van de Grondwet, de inrichting, erkenning en subsidiëring van het onderwijs te regelen heeft en daarvoor de beleidsverantwoordelijkheid draagt.

Het komt het Hof niet toe te oordelen of de bestreden bepalingen wenselijk zijn. Het komt het Hof evenwel toe te oordelen of, afgezet tegen de door de verzoekende partijen aangevoerde kritiek, de verplichtingen die worden opgelegd met die bepalingen, de pedagogische vrijheid, die vervat is in de vrijheid van onderwijs, zoals gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet, al dan niet op een onevenredige wijze aantasten. De concrete beperkingen die door de genomen maatregelen aan de vrijheid van onderwijs worden gesteld, dienen adequaat en evenredig te zijn ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen.

B.14.1. Volgens het bestreden artikel 2, eerste lid, van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten worden bij dat decreet onderwijsdoelen vastgesteld voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs, met uitzondering van het zogenaamde zevende jaar beroepsonderwijs, en voor opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs.

B.14.2. Volgens het bestreden artikel 3 zijn de onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad eindtermen, attitudinale eindtermen, specifieke eindtermen of attitudinale specifieke eindtermen. De onderwijsdoelen zijn volgens diezelfde bepaling in beginsel te bereiken op populatieniveau en zijn, tenzij het expliciet anders is vermeld, door de leerlingen zelfstandig te realiseren. De attitudinale eindtermen en de attitudinale specifieke eindtermen, die omschrijven welke houdingen wenselijk worden geacht voor een bepaalde leerlingenpopulatie, dienen door de scholen niet te worden bereikt, maar te worden nagestreefd.

De specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten. Specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad van domeinoverschrijdende doorstroomrichtingen (algemeen secundair onderwijs (aso)), domeingebonden doorstroomrichtingen (kunstsecundair onderwijs (kso)/technisch secundair onderwijs (tso)) en richtingen met dubbele finaliteit (kso/tso). Ze worden ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein (artikel 145 van de Codex Secundair onderwijs en artikel 2, tweede lid, van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten). Terwijl de eindtermen betrekking hebben op de basisvorming, betreffen de specifieke eindtermen aldus een vorm van specialisatie in het laatste jaar van het secundair onderwijs, gericht op vervolgonderwijs.

De eindtermen en de specifieke eindtermen zijn opgenomen in de bijlagen 1 tot 7 bij het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten (artikel 4 van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten).

B.15.1. Zoals blijkt uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding zijn de « eindtermen voor de tweede en derde graad secundair onderwijs [...] geformuleerd volgens het decreet [van 26 januari 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2018 pub. 09/03/2018 numac 2018030576 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat de onderwijsdoelen betreft (1) sluiten] op de onderwijsdoelen ». Bij dat decreet werd de Codex Secundair Onderwijs gewijzigd, onder meer met betrekking tot de wijze waarop de onderwijsdoelen dienen te worden ontwikkeld en geformuleerd (artikelen 138 tot 147/4 van de Codex Secundair Onderwijs).

B.15.2. Bij de ontwikkeling en de implementatie van de onderwijsdoelen dient, volgens artikel 138, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs, rekening te worden gehouden met de coherentie en continuïteit over het lager en het secundair onderwijs heen en, specifiek voor het secundair onderwijs, over de graden heen.

De eindtermen worden geformuleerd volgens de zestien sleutelcompetenties die zijn bepaald in artikel 139, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs (artikel 2, tweede lid, van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten). Die sleutelcompetenties zijn : (1) competenties op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emotioneel bewustzijn en op het vlak van lichamelijke, geestelijke en emotionele gezondheid, (2) competenties in het Nederlands, (3) competenties in andere talen, (4) digitale competentie en mediawijsheid, (5) sociaal-relationele competenties, (6) competenties inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie, (7) burgerschapscompetenties met inbegrip van competenties inzake samenleven, (8) competenties met betrekking tot historisch bewustzijn, (9) competenties met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn, (10) competenties inzake duurzaamheid, (11) economische en financiële competenties, (12) juridische competenties, (13) leercompetenties met inbegrip van onderzoekscompetenties, innovatiedenken, creativiteit, probleemoplossend en kritisch denken, systeemdenken, informatieverwerking en samenwerken, (14) zelfbewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid, (15) ontwikkeling van initiatief, ambitie, ondernemingszin en loopbaancompetenties, en (16) cultureel bewustzijn en culturele expressie.

B.15.3. Volgens artikel 139, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs zijn eindtermen minimumdoelen, waarmee wordt bedoeld een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Volgens artikel 143 van de Codex Secundair Onderwijs dienen de ontwikkelcommissies « een beperkt aantal sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen [...] en specifieke eindtermen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en, indien van toepassing, attitudes aan bod komen » te formuleren (artikel 143, § 1) en keurt het Vlaams Parlement « een beperkt aantal van sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen [...] en specifieke eindtermen goed waar kennis telkens geëxpliciteerd wordt en vaardigheden, inzichten en indien van toepassing attitudes aan bod komen » (artikel 143, § 2).

B.16.1. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten en uit de bepalingen van de Codex Secundair Onderwijs blijkt dat de onderwijsdoelen zijn opgevat als minimumdoelen, die kunnen worden aangevuld door de eigen doelen van de onderwijsverstrekkers, die geen afbreuk beogen te doen aan de eigen pedagogische methodes van de onderwijsverstrekkers, en die ertoe strekken de kwaliteit van het onderwijs, zowel van het gemeenschapsonderwijs als van het door de gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, en de onderlinge gelijkwaardigheid van dat onderwijs, te verzekeren en te verhogen.

B.16.2. De onderwijsdoelen zijn ingebouwd in de organisatie van de onderwijsinspectie die met de bewaking van de kwaliteit van het onderwijs is belast en zijn verbonden met de bevoegdheid van de onderwijsinstellingen om, autonoom en zonder overheidsinterventie, rechtsgeldige studiebewijzen en diploma's uit te reiken.

B.16.3. Verbonden met de autonomie van de scholen om zonder overheidsinterventie rechtsgeldige studiebewijzen en diploma's af te geven, zijn de onderwijsdoelen een adequaat middel, enerzijds, om de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen en diploma's veilig te stellen en, anderzijds, om de onderlinge gelijkwaardigheid te vrijwaren van het onderwijs verstrekt in de instellingen die ouders en leerlingen vrij kunnen kiezen.

B.17.1. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever met de bestreden onderwijsdoelen de voorheen bestaande eindtermen heeft willen actualiseren en heeft willen aanpassen aan « de uitdagingen van de 21e eeuw en de daaraan verbonden maatschappelijke ontwikkelingen en verwachtingen ». Uitgaande van de vaststelling dat « [de wereld] de voorbije 20 jaar [...] niet minder complex [is] geworden », heeft hij gemeend dat een « nieuwe set aan eindtermen [...] deze toegenomen complexiteit [dient te weerspiegelen] » en dat er « in vergelijking met 20 jaar geleden [...] vandaag meer verwacht [wordt] van ons onderwijs ».

B.17.2. Gelet op het feit dat de onderwijsdoelen ertoe strekken de kwaliteit van het onderwijs en de onderlinge gelijkwaardigheid ervan te verzekeren en te verhogen, is het pertinent om die doelen op geregelde tijdstippen te evalueren en in voorkomend geval aan te passen aan de maatschappelijke ontwikkelingen en verwachtingen.

B.18. Het gebruik van een stelsel van onderwijsdoelen die zowel voor het gemeenschapsonderwijs als voor het door de gemeenschap gesubsidieerde onderwijs gelden, vormt op zich een beperking van de vrijheid van onderwijs, meer bepaald van de principiële mogelijkheid voor de onderwijsverstrekkers om naar eigen inzicht onderwijs in te richten en te laten verstrekken.

Hoewel een dergelijke beperking pertinent is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen betreffende het verzekeren van de kwaliteit van het onderwijs, van de onderlinge gelijkwaardigheid ervan en van de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen en diploma's, dient ze eveneens evenredig te zijn ten aanzien van die doelstellingen. De wetgever dient met name de mogelijkheid van de onderwijsverstrekkers te vrijwaren om eventueel leerinhouden te bepalen ter aanvulling op de door de wetgever vastgestelde minimumdoelen, op voorwaarde dat die aanvullende inhouden niet indruisen tegen het recht van het kind op onderwijs met naleving van de fundamentele vrijheden en rechten en geen afbreuk doen aan de kwaliteit van het onderwijs, noch aan de vereiste inhoud ervan.

B.19.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen blijkt dat bij de formulering van de eindtermen en de specifieke eindtermen werd geopteerd voor het hanteren van een vaste systematiek.

Daarmee werd beoogd « tegemoet [te komen] aan vaak gehoorde verzuchtingen » op het vlak van « het aantal, de overlap ertussen en de duidelijkheid » van de eindtermen : « het verwachte minimumniveau moet duidelijk zijn en de (specifieke) eindterm moet evalueerbaar zijn » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 6).

Met betrekking tot het gehanteerde « format » vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Voor de formulering van de (specifieke) eindtermen is een format ontwikkeld gebaseerd op de herwerkte taxonomie van Bloom.

De taxonomie van Bloom is een van de meest gebruikte methodes om verschillende kennisniveaus en beheersingsniveaus in te delen. Het gebruik van een categorisering ondersteunt de inhoudelijke invulling en concretisering van curricula en geeft richting aan toetsing. Door systematisch een format met kennisniveaus en beheersingsniveaus te gebruiken komen we tegemoet aan de vereisten voor de formulering van de (specifieke) eindtermen die in het decreet op de onderwijsdoelen zijn opgenomen [...].

Iedere (specifieke) eindterm is competentiegericht geformuleerd, waarbij het handelingswerkwoord evalueerbaar gedrag uitdrukt.

Daarnaast wordt de noodzakelijke kennis expliciet vermeld en de cognitieve, affectieve of psychomotorische dimensie die van toepassing is. De affectieve en psychomotorische dimensie zijn indicatief.

Omwille van de duidelijkheid kunnen afhankelijk van de eindterm ook nog elementen met betrekking tot de context, autonomie of complexiteit opgenomen zijn.

De kennis is wat minimaal nodig is voor de realisatie van de (specifieke) eindterm. Die kennis staat dus niet op zichzelf. Ze bakent de (specifieke) eindterm af en concretiseert de inhoud. Voor de specificering van de kennis wordt gewerkt met een indeling in ' soorten ' kennis gebaseerd op de herwerkte taxonomie van Bloom : ? Feitenkennis : deze kennis omvat de termen, begrippen en elementen die de leerlingen actief kunnen gebruiken om over een bepaald domein van gedachten te wisselen of om problemen binnen dat domein op te lossen. ? Conceptuele kennis : deze kennis omvat begrip en inzicht in classificaties, principes, theorieën en modellen die de leerlingen gebruiken bij het verwerken van andere kennis. ? Procedurele kennis : deze kennis omvat technieken, methoden en algoritmes ter ondersteuning van hoe de leerlingen iets uitvoeren, alsook de criteria voor het kiezen van de geschikte procedure. ? Metacognitieve kennis : deze kennis omvat zelfkennis, kennis over kennis en strategische kennis die de leerlingen gebruiken om te reflecteren over zichzelf en het eigen leerproces. [...] Als dat noodzakelijk is voor afbakening worden de soorten kennis geconcretiseerd met een opsomming van kenniselementen. De opsomming is ofwel limitatief, ofwel illustratief. [...] [...] Een eindterm kan verschillende dimensies bevatten : een cognitieve dimensie, een affectieve dimensie en/of een psychomotorische dimensie.

De affectieve en psychomotorische dimensie zijn indicatief. Voor de bepaling van de verschillende dimensies is de herwerkte taxonomie van Bloom de inspiratiebron. De meeste eindtermen hebben een duidelijke cognitieve dimensie. Het te bereiken beheersingsniveau wordt aangegeven en heeft betrekking op het geheel van de eindtermen.

De volgende handelingswerkwoorden, onderverdeeld in zes categorieën, komen voor : ? Onthouden : De leerling onthoudt het materiaal zoals het gepresenteerd is. Het gebruikte werkwoord is herkennen. ? Begrijpen : De leerling voegt iets toe aan kennis (een eigen voorbeeld geven), voert een bewerking uit op kennis (een logische conclusie afleiden) of legt verbanden tussen voorkennis en nieuwe kennis (een oorzaak-gevolgrelatie gebruiken). Werkwoorden die gebruikt zijn binnen dit beheersingsniveau zijn : aanvullen, beschrijven, bespreken, illustreren, relaties leggen tussen, onderbouwen, onderscheiden, ordenen, toelichten, verklaren, vergelijken, verwoorden, interpreteren... ? Toepassen : De leerling voert oefeningen uit of lost problemen op.

Werkwoorden die gebruikt zijn binnen dit beheersingsniveau zijn : beheren, bepalen, berekenen, demonstreren, gebruiken, hanteren, handelen, herleiden, lokaliseren, oplossen, rekenen, gedrag stellen, toepassen, uitvoeren, uitwerken, voorstellen... ? Analyseren : De leerling kan een geheel verdelen in onderdelen en bestuderen hoe de onderdelen aan elkaar en aan het geheel gerelateerd zijn en elkaar beïnvloeden. Werkwoorden die gebruikt zijn binnen dit beheersingsniveau zijn : analyseren, benoemen, beschrijven, een redenering geven, onderscheiden, onderzoeken, ordenen, verwerken, verwoorden... ? Evalueren : De leerling kan een oordeel geven en dat oordeel onderbouwen aan de hand van criteria en standaarden. Werkwoorden die gebruikt zijn binnen dit beheersingsniveau zijn : beargumenteren, beoordelen, bijsturen, evalueren, maken keuzes, reflecteren...

Creëren : De leerling bedenkt een alternatieve hypothese of een eigen aanpak om een taak uit te voeren of maakt nieuwe, originele producten.

Werkwoorden die gebruikt zijn binnen dit beheersingsniveau zijn : produceren, zich creatief uitdrukken, ideeën genereren, creëren, ontwerpen, formuleren... [...] In het decreet op de onderwijsdoelen is de explicitering van de kennis opgenomen als onderdeel van de eindterm. De explicitering van de kennis betekent echter niet dat de eindtermen een louter cognitieve dimensie hebben. Verschillende eindtermen hebben ook een belangrijke affectieve of een psychomotorische dimensie.

Als een eindterm (ook) een affectieve of een psychomotorische dimensie bevat, wordt die omschreven aan de hand van één van de volgende toelichtende zinnen : Affectief ? Open staan voor opvattingen, gedrag, gebeurtenissen, informatie, taken, strategieën... ? Reageren op opvattingen, gedrag, gebeurtenissen, informatie, taken, strategieën... ? Voorkeur tonen voor en belang hechten aan waarden, opvattingen, gedragingen, gebeurtenissen, informatie, taken, strategieën... ? Handelen vanuit een persoonlijk kader waarin voorkeuren voor waarden, opvattingen, gedragingen, gebeurtenissen, informatie, taken, strategieën... geïnternaliseerd zijn, maar waarbij nog aandacht nodig is voor de balans tussen conflicterende aspecten. ? Consistent en authentiek handelen vanuit een geïnternaliseerd en persoonlijk kader.

Psychomotorisch ? Een vaardigheid observeren en nadoen : bewegingen/handelingen worden bewust gecontroleerd, zijn langzaam en inefficiënt. Essentiële elementen van de beweging/handeling ontbreken. ? Een vaardigheid uitvoeren na instructie of uit het geheugen : de meest essentiële elementen van de beweging/handeling zijn aanwezig, maar nog niet consequent. ? Een vaardigheid zelfstandig uitvoeren : bewegingen/handelingen worden meer automatisch uitgevoerd, zijn vloeiend, betrouwbaar en efficiënt. Essentiële elementen van de beweging/handeling zijn regelmatig aanwezig. ? Een vaardigheid in een andere vorm toepassen en integreren met andere kennis en vaardigheden. Essentiële elementen van de beweging/handeling zijn meestal aanwezig. ? Een vaardigheid, in combinatie met ander vaardigheden, natuurlijk en automatisch toepassen : bewegingen/handelingen zijn accuraat, consistent en efficiënt. Essentiële elementen van een beweging/handeling zijn altijd aanwezig » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, pp. 10-13).

B.19.2. De eindtermen zijn aldus in die zin opgesteld dat zij het doel van de eindterm omschrijven, de daarmee verband houdende kennis expliciteren, evenals de dimensie of dimensies ervan verduidelijken met het bijbehorende beheersingsniveau. De kennis geeft weer wat minimaal noodzakelijk is voor de realisatie van het doel en bakent dat doel af. Bij de explicitering van de kennis wordt een onderscheid gemaakt tussen feitenkennis, conceptuele kennis, procedurele kennis en metacognitieve kennis. In voorkomend geval gaat de explicitering van de kennis gepaard met een opsomming van kenniselementen. De dimensie geeft aan of de eindterm louter cognitief dient te worden gerealiseerd, dan wel ook affectieve en/of psychomotorische componenten omvat. Bij de dimensie wordt een beheersingsniveau vermeld (onthouden, begrijpen, toepassen, enz.), dat het niveau aangeeft tot waarop de eindterm dient te worden gerealiseerd. Daarnaast kunnen de eindtermen nog andere elementen bevatten, zoals contextelementen of tekstkenmerken.

B.19.3. Uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de bedoeling heeft gehad om, in overeenstemming met wat is vermeld in artikel 143, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs, « sober geformuleerde » eindtermen en specifieke eindtermen vast te stellen. Zoals de Vlaamse Onderwijsraad (hierna : de VLOR) heeft opgemerkt in zijn samen met de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (hierna : de SERV) uitgebrachte advies van 27 en 28 augustus 2020, heeft « de rigoureuze invulling van het vooropgestelde format » evenwel geleid « tot een grote mate van detaillering », waardoor « het soortelijk gewicht van de eindtermen erg zwaar [wordt], zeker in vergelijking met de vroegere eindtermen » (advies van de VLOR en de SERV van 27 en 28 augustus 2020, Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 278).

B.20.1. De bestreden onderwijsdoelen werden, overeenkomstig artikel 143 van de Codex Secundair Onderwijs, ontwikkeld door ontwikkelcommissies, samengesteld uit leerkrachten, vertegenwoordigers van de onderwijskoepels en experten uit het hoger onderwijs, en vervolgens gevalideerd door een valideringscommissie, samengesteld uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. Voor de eindtermen van de basisvorming werden acht ontwikkelcommissies opgericht en voor de specifieke eindtermen twaalf ontwikkelcommissies. De ontwikkelcommissies hebben elk « één of meerdere sleutelcompetenties (eindtermen) of wetenschapsdomeinen (specifieke eindtermen) voor hun rekening » genomen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 13).De valideringscommissie heeft de door de ontwikkelcommissies voorgestelde onderwijsdoelen gevalideerd op 7 februari 2020.

Overeenkomstig artikel 143, § 1, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs had de valideringscommissie daarbij tot taak de coherentie, de consistentie en de evalueerbaarheid van de onderwijsdoelen te bewaken.

B.20.2. Met betrekking tot het bewaken van de « haalbaarheid » van de onderwijsdoelen bij de ontwikkeling ervan, vermeldt de parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten : « De Vlaamse Regering stelt [...] vast dat noch de ontwikkelcommissies noch de valideringscommissie formeel een instrument in handen hadden om voor wat betreft de tijdsbesteding van de eindtermen in hun geheel de ' haalbaarheid ' af te toetsen. Het totale pakket onderwijsdoelen (eindtermen, specifieke eindtermen en/of beroepskwalificaties) moet in hoeveelheid immers haalbaar zijn binnen de beschikbare onderwijstijd voor de leerlingen van een bepaalde finaliteit en studierichting.

In haar beleidsnota onderwijs verwees de Vlaamse Regering al naar het feit dat een te ambitieuze basisvorming op gespannen voet kan staan met het specifieke gedeelte (specifieke eindtermen en/of beroepskwalificaties) waarvoor te weinig ruimte zou overblijven. Via OD XXX [lees : het decreet over het onderwijs XXX] moeten toekomstige ontwikkelcommissies als bijkomend criterium ook de haalbaarheid bewaken. In afwachting heeft de Vlaamse Regering in het voorliggend dossier zelf de ontwikkelde en gevalideerde eindtermen onderzocht op haalbaarheid in relatie tot de onderwijstijd en waar nodig bijgestuurd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 14).

B.20.3. Bij artikel 106 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 juli 2020 « over het onderwijs XXX » werd artikel 143, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs gewijzigd in die zin dat de ontwikkelcommissies ook de haalbaarheid van de te ontwikkelen onderwijsdoelen dienen te bewaken. Hoewel het aldus gewijzigde artikel, krachtens artikel 199 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 3 juli 2020, uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2020, heeft die bepaling, gelet op het feit dat de ontwikkelcommissies hun werkzaamheden reeds hadden beëindigd, geen toepassing kunnen vinden in het kader van de te dezen bestreden onderwijsdoelen. Om die reden heeft de Vlaamse Regering, zonder terugkoppeling naar de ontwikkelcommissies en de valideringscommissie, de gevalideerde onderwijsdoelen zelf onderzocht op hun haalbaarheid in relatie tot de beschikbare onderwijstijd en waar nodig bijgestuurd.

B.20.4. Met betrekking tot het ontwikkelproces van de bestreden onderwijsdoelen hebben de VLOR en de SERV in het voormelde gezamenlijk advies van 27 en 28 augustus 2020 onder meer gesteld : « De raden stellen [...] vast dat de overkoepelende benadering van het proces, bij voorbeeld door een overkoepelende commissie, moet worden versterkt. Het eindresultaat, over alle sleutelcompetenties heen, kon onvoldoende worden bewaakt. Ten tweede waren er geen tussentijdse terugkoppelingen (met inbegrip van tijd daarvoor) tussen de verschillende actoren in het proces.

De problematiek van de haalbaarheid voor leerlingen kon daarom pas volledig worden ingeschat op het einde van het proces, in de laatste rechte lijn naar de eerste principiële goedkeuring door de Vlaamse Regering. Hierdoor ontstond een grote tijdsdruk op het eind van het proces.

Beide strategische adviesraden pleitten daarom voor een grondige evaluatie van het beleidsproces dat leidde tot dit voorstel en tot bijsturingen ervan met het oog op volgende aanpassingen aan eindtermen.

Eerdere terugkoppelingen naar de strategische adviesraden (waar meer partners rond de tafel zitten) hadden eveneens haperingen op het eind van het proces kunnen voorkomen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 274).

B.20.5. Uit het voorgaande blijkt dat de verschillende ontwikkelcommissies, los van elkaar, eindtermen en specifieke eindtermen hebben ontwikkeld binnen de aan hen toegewezen sleutelcompetenties of wetenschapsdomeinen, en dat de valideringscommissie de decretale taak had om de coherentie, de consistentie en de evalueerbaarheid van het geheel van de door alle ontwikkelcommissies ontwikkelde onderwijsdoelen te bewaken. Het behoorde daarbij noch tot de taak van de ontwikkelcommissies, noch tot die van de valideringscommissie om na te gaan in welke mate het geheel van de ontwikkelde doelen realiseerbaar zou zijn binnen de beschikbare onderwijstijd en in welke mate die doelen de onderwijsverstrekkers nog voldoende ruimte zouden laten voor het inrichten van onderwijs naar eigen inzicht.

B.21.1. Bij het voormelde advies van 27 en 28 augustus 2020 heeft de VLOR gesteld dat de sturende principes voor de ontwikkeling van eindtermen niet zijn gerealiseerd in het eindresultaat van de aan de adviesraden voorgelegde teksten en dat de gevolgde werkwijze heeft geleid tot « zeer veel eindtermen » « die een groot bereik hebben en zeer ingrijpend zijn » en die « in hun geheel genomen verder [reiken] dan minimumdoelen » : « Het kaderdecreet bepaalt dat eindtermen minimumdoelen zijn die het Vlaams Parlement noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. [...] De eindtermen reiken in hun geheel genomen verder dan minimumdoelen, ook al is er geprobeerd om met een beperkt aantal wijzigingen tegemoet te komen aan de zorg rond haalbaarheid. Ze worden nu geformuleerd voor alle leerlingen van een van de drie finaliteiten in het secundair onderwijs vanuit een generieke inschatting van een gemiddeld leerlingenprofiel. Maar tegelijk leidt deze keuze ertoe dat ze geen minimumdoelen zijn voor die ' bepaalde leerlingenpopulatie '. We wezen al eerder op de druk naar volledigheid en gedetailleerdheid die voortvloeit uit het gebruikte format. Dit leidt niet alleen tot zeer veel eindtermen maar ook tot eindtermen die een groot bereik hebben en zeer ingrijpend zijn. De eindtermen nieuwe stijl reiken ook ieder op zich veel verder en zijn inhoudelijk veel omvattender dan de eindtermen zoals ze tot nog toe werden geformuleerd.

Enkel waar eindtermen minimumdoelen zijn, hebben leraren een referentiepunt om in functie van diverse leerlingenprofielen te remediëren dan wel te differentiëren (verbreden of te verdiepen). [...] De Vlor benadrukt dat kwaliteit in onderwijs en uitdagende curricula niet alleen door eindtermen worden gegarandeerd. [...] Ambitieus onderwijs is geen kwestie van eindtermen alleen. Kwaliteit in onderwijs is het resultaat van een complex geheel van factoren zoals schoolbeleid, schoolcultuur, de pedagogisch didactische aanpak en het referentiekader onderwijskwaliteit. Dit naast de waaier aan instrumenten voor curriculumdesign zoals de schooleigen doelen, beroepskwalificaties, curriculumdossiers, cesuurdoelen, leerplannen en handboeken.

Daarom vraagt de raad dat de eindtermen voldoende ruimte laten en noodzakelijke variatie mogelijk maken. Zo kunnen de onderwijsinrichters binnen de grondwettelijke onderwijsvrijheid een kwaliteitsvol beleid waarmaken. Het behoort tot de sterktes van het Vlaams onderwijs dat de onderwijsgevenden de ruimte krijgen om kwaliteitsvol onderwijs in te richten en dit gewaarborgd door de vrijheid van onderwijs. De raad is van oordeel dat deze eindtermen die ruimte onvoldoende waarborgen. [...] De complexiteit van het onderliggende juridische kader en vooral van de operationaliseringen om eindtermen te formuleren (bouwstenen, taxonomie met beheersingsniveaus,...) maakt het niet eenvoudig om deze eindtermen te gebruiken en te implementeren. [...] De Vlor deelt de zorg van de samenleving om een hoog ambitieniveau te handhaven in het secundair onderwijs. Maar dat valt niet noodzakelijk samen met een groot aantal, sterk gedetailleerde eindtermen en zeker niet met een systeem waarin de overheid alles vastlegt.

Ambitie wordt eerder gediend door sobere, duidelijke, transparante eindtermen die het gevolg zijn van gerichte en duidelijke keuzes.

Doelen met duidelijke prioriteiten garanderen veel meer dat leraren diepgaand en gericht werken aan een hoog beheersingsniveau van doelen door leerlingen dan dat een veelheid aan zeer gedetailleerde doelen dat doen. [...] De Vlor stelt vast dat er over de haalbaarheid van het hele pakket aan onderwijsdoelen een stevig maatschappelijk debat is en wordt gevoerd.

De bekommernis over haalbaarheid is absoluut een terechte zorg. Dit is een gevolg van het ontbreken van een overkoepelende benadering en tussentijds overleg bij de ontwikkeling. De raden stellen vast dat de ontwikkelcommissies geen rekening konden houden met de totaliteit van de opleidingsonderdelen (basisvorming, specifieke eindtermen, beroepskwalificaties) noch met de reëel beschikbare onderwijstijd van de verschillende studierichtingen van een finaliteit. Ze hadden uiteraard geen zicht op het eindresultaat van de andere ontwikkelcommissies en de totale omvang van alle onderwijsdoelen (geheel aan eindtermen waar relevant aangevuld met beroepskwalificaties). De valideringscommissie valideerde de eindtermen op grond van de criteria uit het kaderdecreet. Haalbaarheid is daar geen onderdeel van.

De raad is bezorgd over de haalbaarheid van eindtermen [...] » (Parl.

St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, pp. 278-280).

B.21.2. De VLOR blijkt aldus van mening te zijn dat de ontwikkelde onderwijsdoelen niet beantwoorden aan artikel 139, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs, naar luid waarvan de eindtermen minimumdoelen zijn, en dat die onderwijsdoelen onvoldoende ruimte laten aan de onderwijsverstrekkers om kwaliteitsvol onderwijs in te richten en om de « noodzakelijke variatie » op het vlak van onderwijs mogelijk te maken. Het adviesorgaan is daarbij ervan uitgegaan dat « kwaliteit in onderwijs [...] niet alleen door eindtermen [wordt] gegarandeerd », maar « het resultaat is van een complex geheel van factoren zoals schoolbeleid, schoolcultuur, de pedagogisch didactische aanpak en het referentiekader onderwijskwaliteit » (ibid., p. 279).

B.21.3. In haar advies over het voorontwerp van decreet dat heeft geleid tot de bestreden bepalingen, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in gelijksoortige zin opgemerkt : « In het arrest 76/1996 was het Grondwettelijk Hof van oordeel dat de toenmalige bekrachtigde ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het Vlaams basisonderwijs zo omvangrijk en gedetailleerd waren dat niet in redelijkheid kon worden aangenomen dat het om minimale doelstellingen ging. Hoewel een vergelijking tussen eindtermen basisonderwijs en (specifieke) eindtermen secundair onderwijs vanzelfsprekend met grote voorzichtigheid moet worden gemaakt, kan de Raad van State, afdeling Wetgeving, in dit verband enkel vaststellen dat de omvang en gedetailleerdheid van de toenmalige vastgelegde eindtermen beduidend beperkter was dan bij de in het voorontwerp opgenomen eindtermen.

Dezelfde vaststelling geldt ten aanzien van het systeem van ' socles de compétences ' voor de eerste 8 jaar van het verplicht onderwijs van de Franse Gemeenschap. Het Hof stelde in het arrest 49/2001 vast dat de omschrijving van de basisvaardigheden ' zo omvangrijk en gedetailleerd is dat in redelijkheid niet kan worden aangehouden dat het om een " basisreferentiesysteem " gaat; de " bevestiging " van de basisvaardigheden (...) laat voor een inrichtende macht onvoldoende ruimte om haar pedagogisch project te verwezenlijken, doordat die basisvaardigheden op een te bindende wijze onderwijsmethoden preciseren '. [...] Zonder over alle gegevens te beschikken om tot een eenduidige conclusie te komen, moet de Raad van State [...] vaststellen dat er ernstige twijfels rijzen of de omvang en de gedetailleerdheid van de in het voorontwerp vervatte eindtermen en onderwijsdoelen, voor onderwijsverstrekkers voldoende ruimte laten om de doelstellingen van het eigen pedagogisch project te verwezenlijken » (RvSt, advies nr. 68.161/1 van 20 november 2020, Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, pp. 315-316).

B.21.4. Er dient rekening mee te worden gehouden dat de Vlaamse Regering, zoals is vermeld in B.20.3, in verschillende fasen de door de ontwikkelcommissies ontwikkelde en door de valideringscommissie gevalideerde onderwijsdoelen heeft bijgestuurd. Hoewel sommige van die bijsturingen hebben geleid tot een uitbreiding van de gevalideerde onderwijsdoelen, blijken de overige wijzigingen te zijn ingegeven door de bedoeling de onderwijsdoelen meer haalbaar te maken in relatie tot de beschikbare onderwijstijd (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 235).

In de parlementaire voorbereiding worden de in een eerste fase met het oog op dat doel doorgevoerde bijsturingen samengevat als volgt : « - sommige te bereiken eindtermen worden na te streven attitudinale doelen; - eindtermen derde graad basisvorming voor de doorstroomfinaliteit (aso, tso en kso) worden doorgeschoven naar de specifieke eindtermen voor bepaalde studierichtingen. Eindtermen tweede graad basisvorming voor de doorstroomfinaliteit worden doorgeschoven naar de cesuurdoelen voor bepaalde studierichtingen; - niet alle bouwstenen worden voor alle finaliteiten tot en met de derde graad ingevuld; - soms wordt een eindterm vervangen door de parallelle eindterm van een andere finaliteit; - voor sommige bouwstenen worden de transversale eindtermen inhoudelijk » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 14).

De later doorgevoerde bijsturingen worden in de parlementaire voorbereiding samengevat als volgt : « 1) de regelgeving wordt aangepast zodat het mogelijk wordt om eindtermen (basisvorming) en specifieke eindtermen of beroepskwalificaties (specifieke vorming) geïntegreerd aan te bieden in eenzelfde vak(kencluster) en binnen dezelfde onderwijstijd; 2) het onderscheid tussen transversale en inhoudelijke eindtermen wordt opgeheven.Nu moeten transversale eindtermen in relatie tot meerdere sleutelcompetenties gerealiseerd worden. Dit betekent dat schoolbesturen in hun curriculum op verschillende plaatsen onderwijstijd hiervoor moeten reserveren. Door dit onderscheid op te heffen krijgen zij hierin meer vrijheid. De eindterm blijft uiteraard te realiseren maar het kan, als het schoolbestuur dit wenst, op 1 plaats in het curriculum; 3) de affectieve dimensie en de psychomotorische dimensie van een (specifieke) eindterm worden indicatief gemaakt;4) in de arbeidsmarktgerichte finaliteit (bso-studierichtingen) wordt het aantal vreemde talen dat opgenomen wordt in de eindtermen beperkt. Op dit ogenblik worden 2 vreemde talen voorgesteld. Dit wordt beperkt tot 1 vreemde taal, namelijk Frans of Engels. Het blijft de vrijheid van schoolbesturen om te beslissen om toch een 2de vreemde taal aan te bieden, wat voor een aantal richtingen waarschijnlijk zeer relevant zal zijn. Bijkomend wordt in de 3de graad eindterm 3.15 m.b.t. literatuur (Competenties in andere talen) geschrapt en vervangen door een beperkte attitudinale eindterm, namelijk ' De leerlingen staan open voor literaire teksten '; 5) in de doorstroom- en dubbele finaliteit wordt bijkomende ruimte vrijgemaakt door in de 2de en 3de graad eindterm 3.13 m.b.t. literatuur (Competenties in andere talen) te schrappen. Deze eindterm wordt vervangen door een beperkte attitudinale eindterm, namelijk ' De leerlingen staan open voor literaire teksten '. De geschrapte eindterm 3.13 van de 3de graad doorstroomfinaliteit wordt opgenomen als specifieke eindterm onder het onderdeel van wetenschapsdomein ' Frans en Engels : Literatuur ' dat gekoppeld is aan volgende studierichtingen : Economie-moderne talen, Latijn-moderne talen, Moderne talen-wetenschappen en Taal en communicatiewetenschappen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, p. 236).

B.21.5. Hoewel kan worden aangenomen dat de voormelde bijsturingen het ingrijpende en het omvangrijke karakter van de ontwikkelde en gevalideerde onderwijsdoelen enigszins hebben getemperd, blijken die bijsturingen, ten aanzien van het geheel van de aangenomen onderwijsdoelen, evenwel niet van dien aard te zijn dat ze zouden kunnen worden beschouwd als fundamenteel tegemoetkomend aan de door de VLOR en de afdeling wetgeving van de Raad van State opgeworpen bezwaren en bezorgdheden.

Het vervangen van transversale eindtermen door inhoudelijke eindtermen brengt op zich niet met zich mee dat de onderwijstijd die de verwezenlijking van die eindtermen in beslag neemt, gelet op het feit dat ze « te bereiken » blijven, op fundamentele wijze wordt beïnvloed.

Hetzelfde geldt voor de bijsturing die erop neerkomt dat eindtermen en specifieke eindtermen of beroepskwalificaties geïntegreerd kunnen worden aangeboden in eenzelfde vak. Het doorschuiven van een aantal eindtermen naar de specifieke eindtermen (in de derde graad) of naar de cesuurdoelen (in de tweede graad) brengt weliswaar een verlichting met zich mee van de basisvorming, maar ook een verzwaring van de specifieke vorming in bepaalde finaliteiten. Het vervangen van sommige voor een bepaalde finaliteit geldende eindtermen door voor een andere finaliteit geldende eindtermen kan ertoe leiden dat het soortelijke gewicht van de eindterm minder zwaar wordt, maar beïnvloedt, ten aanzien van het geheel van de aangenomen onderwijsdoelen, niet op een fundamentele wijze de onderwijstijd die de verwezenlijking van de eindtermen in beslag neemt. Hetzelfde geldt voor het vervangen van bepaalde eindtermen door attitudinale eindtermen, daar attitudinale eindtermen, hoewel ze niet te bereiken zijn, nog steeds zijn na te streven, waardoor zij ook onderwijstijd in beslag nemen. Met betrekking tot de in de arbeidsmarktgerichte finaliteit (bso-studierichtingen) doorgevoerde bijsturing wat de vreemde talen betreft, dient ten slotte te worden vastgesteld dat met die bijsturing louter wordt teruggekomen op een eerdere door de Vlaamse Regering doorgevoerde uitbreiding van de door de valideringscommissie gevalideerde onderwijsdoelen.

B.21.6. Hoewel uit de in B.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever is uitgegaan van een « reductie » van de onderwijsdoelen en dat hij de bedoeling heeft gehad om, in overeenstemming met wat is vermeld in artikel 143, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs, « een beperkt aantal » eindtermen en specifieke eindtermen vast te stellen, kan, mede gelet op wat is vermeld in B.20.1 tot B.21.5, in redelijkheid niet worden aangenomen dat de uiteindelijk vastgestelde onderwijsdoelen beantwoorden aan die kwalificatie.

In vergelijking met de voorheen bestaande onderwijsdoelen, is het aantal eindtermen en specifieke eindtermen sterk toegenomen. Dit is onder meer het gevolg van de ruime reikwijdte van de zestien steutelcompetenties, op basis waarvan de bestreden onderwijsdoelen werden ontwikkeld, en van het ontbreken van een methode om bij de ontwikkeling van de onderwijsdoelen de globale haalbaarheid ervan te bewaken. De bij de formulering van de onderwijsdoelen gehanteerde systematiek, die gebaseerd is op een « taxonomie » die werd ontwikkeld als instrument voor de lesopbouw in de klas, heeft bovendien geleid tot een zeer gedetailleerde opsomming van deelaspecten (kenniselementen, dimensies, beheersingsniveaus, enz.) van die doelen en maakt elke afzonderlijke eindterm en specifieke eindterm bijzonder gedetailleerd in vergelijking met de voorheen bestaande onderwijsdoelen. Dit alles leidt ertoe dat het geheel van de vastgestelde onderwijsdoelen kenmerken vertoont van een volledig onderwijsprogramma.

B.21.7. Hoewel de decreetgever het recht op subsidiëring van de inrichtende machten van onderwijs kan verbinden aan vereisten betreffende de kwaliteit van het onderwijs en op grond daarvan de inhoud van het gesubsidieerd onderwijs in ruime mate vermag te bepalen, kan hij niet, zonder miskenning van de door artikel 24, § 1, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van onderwijs, de kwaliteitsvereisten in die zin uitwerken dat de facto een volledig of nagenoeg volledig onderwijsprogramma wordt vastgelegd. De vrijheid van onderwijs heeft immers, zoals is vermeld in B.12.1, niet alleen betrekking op de vorm van het onderwijs, maar ook op de inhoud ervan.

Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, onder meer bij zijn arresten nrs. 85/95 en 119/2018, mogen de aan de subsidiëring en financiering van de inrichtende machten van onderwijs verbonden voorwaarden geen wezenlijke afbreuk doen aan de vrijheid van onderwijs. Daar het recht op subsidiëring voortvloeit uit artikel 24, § 1, van de Grondwet en precies beoogt de in het tweede lid van die paragraaf vermelde keuzevrijheid van de ouders te waarborgen, kan de Grondwetgever niet worden geacht de decreetgever te hebben toegestaan om door middel van subsidiërings- en financieringsvoorwaarden wezenlijk afbreuk te doen aan het door het eerste lid van die paragraaf gewaarborgde actieve vrijheid van onderwijs. Het door artikel 24, § 3, van de Grondwet gewaarborgde recht op onderwijs van het kind, geïnterpreteerd als een recht op kwalitatief onderwijs, zou om die redenen evenmin een verantwoording kunnen vormen voor een wezenlijke beperking van de actieve vrijheid van onderwijs die erin bestaat dat door middel van onderwijsdoelen een volledig of nagenoeg volledig onderwijsprogramma wordt vastgelegd.

B.21.8. Door de onderwijsdoelen in die zin uit te werken dat zij nagenoeg een volledig onderwijsprogramma inhouden, kunnen die doelen van dien aard zijn dat zij een fundamentele belemmering vormen voor de schoolbesturen die een eigen pedagogisch project wensen te verwezenlijken. Daar de vrijheid van onderwijs de mogelijkheid voor de inrichtende machten impliceert om scholen in te richten die hun eigenheid vinden in bepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen en die al dan niet geënt zijn op een bepaalde confessionele of niet-confessionele levensbeschouwing, waarborgt die vrijheid de inrichtende machten van onderwijs het recht om een eigen pedagogisch project te bepalen en de realisatie ervan na te streven.

Samen met de in artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet vervatte plicht van de gemeenschap om neutraal onderwijs in te richten, heeft de Grondwetgever met het recht om een eigen pedagogisch project te bepalen, beoogd te komen tot een gevarieerd onderwijsaanbod, dat de ouders en de leerlingen de mogelijkheid biedt te kiezen voor het onderwijs dat het meest met hun levensopvatting en/of hun pedagogische noden of wensen overeenstemt.

B.21.9. Daar het recht om een eigen pedagogisch project te bepalen en de verwezenlijking ervan na te streven, wordt gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet, dient de decreetgever echter bij het regelen van het onderwijs de schoolbesturen in het algemeen voldoende ruimte te laten om de doelstellingen van het eigen pedagogisch project te kunnen realiseren. Hoewel het juist is dat de doelstellingen van het pedagogisch project van een school ook in grote mate aan bod kunnen komen tijdens de lesuren die worden besteed aan de realisatie van de door de overheid vastgestelde onderwijsdoelen, vereist de vrijheid van onderwijs dat die onderwijsdoelen niet zodanig omvangrijk en gedetailleerd zijn dat de realisatie ervan de onderwijstijd zo goed als volledig in beslag neemt. De verzoekende partijen maken in dat verband aannemelijk dat de bestreden bepalingen nagenoeg een volledig onderwijsprogramma vastleggen en aldus de schoolbesturen onvoldoende ruimte laten voor het nastreven, binnen hun pedagogisch project, van eigen onderwijsdoelen en voor de verwezenlijking in dat kader van specifieke projecten.

B.22. Uit wat is vermeld in B.19.1 tot B.21.9 volgt dat de bestreden onderwijsdoelen zo omvangrijk en gedetailleerd blijken te zijn dat in redelijkheid niet kan worden aangehouden dat het om minimumdoelen gaat, en dat zij in het algemeen onvoldoende ruimte laten om de invulling van een eigen pedagogisch project te kunnen verwezenlijken.

De decreetgever heeft daarbij bovendien nagelaten om criteria te ontwikkelen die toelaten de haalbaarheid van de onderwijsdoelen te evalueren en ze bij te sturen in het licht van de ruimte die dient te worden gelaten voor de verwezenlijking van het eigen pedagogisch project. Aldus wordt de vrijheid van onderwijs op een onevenredige wijze beperkt.

B.23. De omstandigheid dat schoolbesturen op grond van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs bij de Vlaamse Regering een aanvraag kunnen indienen tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen en specifieke eindtermen, kan te dezen de in B.22 vastgestelde schending van de vrijheid van onderwijs niet verhelpen.

Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, betekent « de mogelijkheid om een afwijking van de opgelegde onderwijsdoelen te bekomen, [...] niet dat de vrijheid om het eigen pedagogisch project in te vullen enkel verwezenlijkbaar mag zijn door het aanvragen en verkrijgen van een afwijking op de door de decreetgever vastgelegde onderwijsdoelen » (RvSt, advies nr. 68.161/1 van 20 november 2020, Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, pp. 313. In soortgelijke zin : RvSt, advies nr. 26.514/1 van 5 juni 1997, Parl. St., Vlaams Parlement, 1996-1997, nr. 699/1, p. 39).

De onderwijsdoelen moeten aldus, op grond van de vrijheid van onderwijs, in beginsel op zich het verwezenlijken van een eigen pedagogisch project mogelijk maken.

Gelet op het feit dat de onderwijsdoelen beogen de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen en diploma's veilig te stellen en de onderlinge gelijkwaardigheid te vrijwaren van het onderwijs verstrekt in de instellingen die ouders en leerlingen vrij kunnen kiezen, dienen de afwijkingen van de decretaal vastgestelde onderwijsdoelen die via een afwijkingsprocedure kunnen worden verkregen, zoals het Hof heeft beklemtoond bij zijn arresten nrs. 76/96 (B.10) en 49/2001 (B.12), beperkt te blijven. De te dezen bestreden onderwijsdoelen blijken evenwel zo omvangrijk en gedetailleerd te zijn dat in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat een beperkte afwijking ervan de vaststelling zou kunnen verhelpen dat aan de onderwijsverstrekkers onvoldoende ruimte wordt gelaten om de doelstellingen van het eigen pedagogisch project te verwezenlijken.

B.24. In zoverre in het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en in het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7589 wordt aangevoerd dat de bestreden onderwijsdoelen de onderwijsverstrekkers onvoldoende ruimte laten voor het verwezenlijken van het eigen pedagogisch project, zijn die onderdelen gegrond.

B.25. De bijlagen 1 tot 7 van het decreet van 12 februari 2021Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/02/2021 pub. 26/05/2021 numac 2021031270 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen sluiten dienen te worden vernietigd. Daar de artikelen 2, 3 en 4 van dat decreet onlosmakelijk verbonden zijn met de vernietigde bijlagen, dienen zij eveneens te worden vernietigd.

B.26. Aangezien de overige onderdelen van het eerste middel in de zaken nrs. 7578 en 7588 en van het eerste middel in de zaak nr. 7589, evenals de overige middelen in die zaken niet tot een ruimere vernietiging zouden kunnen leiden, moeten die onderdelen en middelen niet worden onderzocht.

Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.27. De Vlaamse Regering en de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » verzoeken het Hof, indien het van oordeel zou zijn dat de bestreden bepalingen dienen te worden vernietigd, de gevolgen van die bepalingen te handhaven voor het verleden en tot 1 september 2023. Het GO! en de vzw « GO! ouders » verzoeken het Hof de gevolgen van een eventuele vernietiging te handhaven tot en met 31 augustus 2026. De voormelde partijen doen in essentie gelden, ten eerste, dat een vernietiging zou leiden tot rechtsonzekerheid in het secundair onderwijs, onder meer omdat de voorheen bestaande eindtermen niet zijn aangepast aan de op 1 september 2021 in werking getreden structuurhervorming van dat onderwijs, ten tweede, dat de leerlijnen van de leerlingen zouden worden verstoord indien de scholen opnieuw zouden moeten werken met de voorheen bestaande eindtermen en, ten derde, dat de decreetgever de tijd moet worden verleend om nieuwe onderwijsdoelen vast te stellen die rekening houden met de voormelde structuurhervorming en met de leerlijnen van de leerlingen.

B.28. Artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten bepaalt : « Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt ».

B.29.1. Daar de gedurende het schooljaar 2021-2022 door de scholen gebruikte leerplannen gebaseerd zijn op de vernietigde onderwijsdoelen en die scholen zich aldus bij de organisatie van dat schooljaar hebben gericht op die onderwijsdoelen, zou een niet-gemoduleerde vernietiging van de bestreden bepalingen, die met zich mee zou brengen dat de bij die bepalingen vastgestelde onderwijsdoelen met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verdwijnen, leiden tot grote rechtsonzekerheid voor de schoolbesturen, de onderwijsinspectie en de leerlingen van het secundair onderwijs.

B.29.2. Daarnaast dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met het feit dat de in artikel 133/4 van de Codex Secundair Onderwijs bedoelde matrix, waarin de studierichtingen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs worden geordend op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen, in werking is getreden op 1 september 2021, waardoor sinds die datum nieuwe studierichtingen worden geïntroduceerd in de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en, anderzijds, met de continuïteit en de coherentie van de leerlijnen van de leerlingen over de graden van het secundair onderwijs heen. Bij het ontwikkelen van de te dezen vernietigde onderwijsdoelen werd rekening gehouden met de voormelde hervorming van het secundair onderwijs en met de continuïteit en de coherentie van de leerlijnen van de leerlingen over de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs heen. De voorheen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs geldende eindtermen zijn daarentegen niet afgestemd op de voormelde hervorming van het secundair onderwijs en evenmin op de voor de eerste graad van het secundair onderwijs geldende onderwijsdoelen, vastgesteld bij het decreet van 14 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/12/2018 pub. 26/04/2019 numac 2019040867 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de onderwijsdoelen voor de eerste graad van het secundair onderwijs sluiten « betreffende de onderwijsdoelen voor de eerste graad van het secundair onderwijs ».

Te dezen gaat het, rekening houdend ook met het groot aantal betrokken studierichtingen, om een zeer complexe aangelegenheid, die reeds een lange voorbereidingstijd heeft gekend. Het herzien ervan, rekening houdend met, enerzijds, de inmiddels met de onderwijsdoelen opgedane praktijkervaringen en, anderzijds, met de noodzaak een evenwicht te vinden tussen het vereiste de kwaliteit van het door de gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijs te bewaken en het vereiste de onderwijsvrijheid te waarborgen, zal een nieuw overleg vereisen tussen onderwijsdeskundigen, onderwijsverstrekkers en vertegenwoordigers van de onderscheiden maatschappelijke belangen.

Gelet op het maatschappelijk belang van de aangelegenheid is een voldoende ruime voorbereidingstijd nodig om de noodzakelijke aanpassingen door te voeren teneinde de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen. Bijgevolg dienen de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum.

Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 2, 3 en 4, alsook de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de schooljaren 2021-2022, 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 16 juni 2022.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, L. Lavrysen

^