Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 02 april 1999

Arrest nr. 135/98 van 16 december 1998 Rolnummers 1176 en 1177 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 17, achtste lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988 houdende oprichting van de Gewestelijke Dienst voo Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters H. (...)

bron
arbitragehof
numac
1999021087
pub.
02/04/1999
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 135/98 van 16 december 1998 Rolnummers 1176 en 1177 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 17, achtste lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988 houdende oprichting van de Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters H. Boel, L. François, J. Delruelle, R. Henneuse en M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen Bij vonnissen van 20 oktober 1997 in zake, enerzijds, P. Robert en, anderzijds, F. Claes tegen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en anderen, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 27 oktober 1997, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Miskent artikel 17, achtste lid, van het decreet van de Waalse Gewestraad van 16 december 1988 houdende oprichting van de Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling, in zoverre het bepaalt dat de administrateur-generaal van de Dienst aan een of meer leden van het personeel zijn bevoegdheid kan overdragen om de Dienst voor de gewone en administratieve gerechten te vertegenwoordigen, niet de artikelen 440, 703 en 728 van het Gerechtelijk Wetboek en schendt het dan ook niet de regels van bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten ? » II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen P. Robert, enerzijds, en F. Claes, anderzijds, betwisten voor de verwijzende rechter twee beslissingen die zijn genomen door de gewestelijke directeur van het werkloosheidsbureau, respectievelijk te Luik en te Hoei.

De Nationale Orde van Advocaten, die vrijwillig tussenkomt, betwist de vertegenwoordiging van de Gemeenschappelijke en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Tewerkstelling (« Forem ») in die procedures door een ambtenaar in het bezit van een volmacht waarbij de administrateur-generaal hem de bevoegdheid delegeert om « Forem » te vertegenwoordigen.

Op verzoek van de Nationale Orde en na te hebben geconcludeerd dat hij wordt geconfronteerd met twee normen van identiek niveau die uitgaan van verschillende wetgevers, een situatie waardoor een probleem van bevoegdheidsverdeling rijst, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vragen.

III. De rechtspleging voor het Hof Bij beschikkingen van 27 oktober 1997 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetels aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Bij beschikking van 30 oktober 1997 heeft het Hof de zaken samengevoegd.

Van de verwijzingsbeslissingen is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 14 november 1997 ter post aangetekende brieven; bij dezelfde brieven is kennisgegeven van de beschikking tot samenvoeging.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 november 1997.

Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, bij op 22 december 1997 ter post aangetekende brief; - de Gemeenschappelijke en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Tewerkstelling, boulevard Tirou 104, 6000 Charleroi, bij op 26 december 1997 ter post aangetekende brief; - de Vlaamse Regering, Martelaarsplein 19, 1000 Brussel, bij op 29 december 1997 ter post aangetekende brief; - de Nationale Orde van Advocaten, Gulden-Vlieslaan 65, 1060 Brussel, bij op 31 december 1997 ter post aangetekende brief; - de Waalse Regering, rue Mazy 25-27, 5100 Namen, bij op 31 december 1997 ter post aangetekende brief.

Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 25 maart 1998 ter post aangetekende brieven.

Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Nationale Orde van Advocaten, bij op 23 april 1998 ter post aangetekende brief; - de Ministerraad, bij op 24 april 1998 ter post aangetekende brief.

Bij beschikkingen van 25 maart 1998 en 29 september 1998 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 27 oktober 1998 en 27 april 1999.

Bij beschikking van 21 oktober 1998 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 18 november 1998, na de prejudiciële vraag in elk van beide zaken te hebben geherformuleerd.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 23 oktober 1998 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 18 november 1998 : - zijn verschenen : - Mr. M. Strongylos loco Mr. Y. Hannequart et Mr. I. Marcè, advocaten bij de balie te Luik, voor de Nationale Orde van Advocaten; - Mr. G. Liénart, advocaat bij de balie te Luik, voor de Gemeenschappelijke en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Tewerkstelling; - Mr. L. De Coninck loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. R. Witmeur, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - Mr. N. Cahen, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

IV. In rechte - A - Standpunt van de Ministerraad A.1.1. De Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling, opgericht bij het decreet van 16 december 1988, is een instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid, ingedeeld in de categorie B in de zin van de wet van 16 maart 1954; hij vormt dus een rechtspersoon.

A.1.2. Het Gerechtelijk Wetboek regelt in de artikelen 34, 702 en 703 ervan de procedurele situatie van de rechtspersonen.

Enerzijds, kunnen krachtens dat artikel 34 de wet, de statuten of een regelmatige opdracht de natuurlijke persoon aanwijzen die de rechtspersoon belichaamt, waarbij de terhandstelling van de akte van rechtspleging geacht wordt te gelden als betekening « aan de persoon », dit wil zeggen aan de rechtspersoon zelf. Anderzijds, in het geval waarin de rechtspersoon diegene is van wie de akte van rechtspleging uitgaat, en niet de adressaat ervan is, bepaalt dit artikel 703 dat hij in rechte optreedt door tussenkomst van zijn bevoegde organen.

Daaruit volgt dat het Gerechtelijk Wetboek niet zelf overgaat tot de aanwijzing van de bevoegde organen maar verwijst naar wat in andere normen voor de verschillende rechtspersonen wordt bepaald. De aldus aangewezen organen zijn niet de lasthebbers van de rechtspersoon maar zijn de werkelijke belichaming ervan, waarbij de rechtspersoon wordt geacht zelf op te treden.

A.1.3. Artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de partijen verschijnen in persoon of bij advocaat; bovendien stelt volgens de rechtspraak (Cass., 19 mei 1972) de wet vast wie de natuurlijke personen zijn die voor de persoonlijke verschijning van de rechtspersoon instaan. Dat is precies wat artikel 17 van het decreet van 16 december 1988 doet wat betreft de Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling, zoals verscheidene organieke wetten inzake publiekrechtelijke rechtspersonen dat doen.

Daaruit volgt dat artikel 17, achtste lid, van voormeld decreet geenszins de artikelen 703 en 728 van het Gerechtelijk Wetboek, noch de bevoegdheidverdelende regels miskent.

A.1.4. Dat artikel 17 miskent evenmin artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien die bepalingen in werkelijkheid een verschillende draagwijdte hebben.

Terwijl artikel 17, overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek, preciseert welk orgaan bevoegd is om voor het gerecht de Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling te belichamen, heeft artikel 440 betrekking op de verschijning, het optreden en het pleidooi. Het behoudt die in beginsel voor aan de advocaten, tenzij wanneer de partijen, met inbegrip van de rechtspersonen, ervoor kiezen persoonlijk te verschijnen; artikel 17 stelt precies dat tweede geval in werking.

A.2. In zijn memorie van antwoord betwist de Ministerraad de door de Nationale Orde van Advocaten gemaakte verwarring tussen de begrippen delegatie en lastgeving. Terwijl de delegatie de volledige overdracht van de gedelegeerde bevoegdheid inhoudt, waarbij diegene aan wie de bevoegdheid wordt gedelegeerd te dezen het orgaan van de Dienst is, treedt de lasthebber daarentegen niet in de plaats van de lastgever en beperkt hij zich ertoe voor rekening van en namens laatstgenoemde te handelen, binnen de perken van de lastgeving.

Standpunt van de Gemeenschappelijke en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Tewerkstelling (afgekort « Forem ») A.3.1. De Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling is opgericht bij het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988, dat de benaming ervan wijzigt in « Gemeenschappelijke en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Tewerkstelling » wanneer de Dienst belast is met taken die onder de bevoegdheid vallen van de Franse Gemeenschap en van de Duitstalige Gemeenschap.

A.3.2. In hoofdorde stelt « Forem » dat er geen bevoegdheidsconflict bestaat.

Artikel 17 van het decreet van 16 december 1988 heeft tot doel de werking te regelen van het dagelijks beheer van de Dienst, een bevoegdheid die het Waalse Gewest put in artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980; het feit dat de administrateur-generaal, een statutair orgaan, de bevoegdheid krijgt om in gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen de Dienst te vertegenwoordigen, alsmede het feit dat hem het recht wordt voorbehouden die taak te delegeren, sluit aan bij de regeling van de werking van de Dienst. Het lijkt, om die bevoegdheid te grondvesten, zelfs niet noodzakelijk om een beroep te doen op artikel 10 van de voormelde bijzondere wet.

A.3.3. In ondergeschikte orde onderstreept « Forem » dat de verantwoordelijke van het bureau voor arbeidsbemiddeling te Borgworm voor de verwijzende rechter niet als lasthebber maar als orgaan van « Forem » verschijnt, zodat, ten aanzien van artikel 728, de Dienst wordt geacht te verschijnen « in eigen persoon »; het document waarvan hij houder is, met als opschrift « volmacht », moet in werkelijkheid, in feite en in rechte, worden geanalyseerd als een echte delegatie van bevoegdheid, die als dusdanig zou moeten worden voorgelegd voor de verwijzende rechter teneinde elke dubbelzinnigheid te vermijden.

Standpunt van de Vlaamse Regering A.4.1. Na te hebben gewezen op de noodzaak om de prejudiciële vragen te herformuleren, analyseert de Vlaamse Regering de artikelen 728, 758 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de rechtspraak, in die zin dat zij impliceren dat, wanneer een rechtspersoon « in eigen persoon » wil verschijnen, hij dat doet door tussenkomst van zijn bevoegde organen, welke worden vastgesteld bij de wet die aan de genoemde rechtspersoon de rechtspersoonlijkheid verleent.

A.4.2. « Forem » is een door een gewest opgerichte rechtspersoon; het decreet van 16 december 1988, in het bijzonder artikel 17, zevende en achtste lid, voldoet aan het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat bovendien de grondslag van het decreet vormt op het vlak van de bevoegdheidsverdeling.

Het orgaan dat voor « Forem » in rechte treedt is diens administrateur-generaal of een door hem gedelegeerd personeelslid, zoals dat destijds reeds werd bepaald in artikel 9 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid. De gebruikte term « vertegenwoordiging » blijkt echter misplaatst, doordat het orgaan dat aldus geroepen is om in rechte te treden geen lasthebber van de Dienst is, maar met de rechtspersoon, die « Forem » zelf is, moet worden gelijkgesteld.

A.4.3. De verschijning van « Forem », in eigen persoon, door tussenkomst van zijn administrateur-generaal of een door hem gedelegeerd personeelslid, vormt, verre van afbreuk te doen aan de artikelen 703 en 728 van het Gerechtelijk Wetboek, integendeel een toepassing van die bepalingen. Er wordt evenmin afbreuk gedaan aan artikel 440, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat vreemd is aan het geval waarin een gedingvoerende partij zelf, « in eigen persoon », in rechte treedt. Indien « Forem » daarentegen niet in eigen persoon zou verschijnen, zou die Dienst daartoe geen andere lasthebber kunnen aanwijzen dan een advocaat, met toepassing van hetzelfde voormelde artikel 440.

Standpunt van de Waalse Regering A.5.1. In hoofdorde wordt betoogd dat artikel 17, achtste lid, van voormeld decreet artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek aanpast wat « Forem » betreft, waardoor de Dienst in eigen persoon kan verschijnen in de zin van artikel 728 van hetzelfde Wetboek.

Bovendien wordt opgemerkt dat, zelfs bij ontstentenis van de in het geding zijnde bepaling, de administrateur-generaal een bijzondere opdracht had kunnen geven aan een van zijn personeelsleden om hem naar aanleiding van een bepaalde procedure te vertegenwoordigen. Volgens de memorie wordt immers « unaniem aangenomen dat de bevoegde organen van de rechtspersonen hen in rechte vertegenwoordigen en dat zij aan een lid van hun personeel de opdracht kunnen delegeren de rechtspersoon in het kader van een rechtspleging te vertegenwoordigen ».

Daaruit wordt besloten dat de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk doet aan het pleitmonopolie, noch aan de beginselen die de vertegenwoordiging in eigen persoon van de rechtspersonen regelen.

A.5.2. In ondergeschikte orde, zelfs in de veronderstelling - quod non - dat afbreuk wordt gedaan aan de federale bevoegdheid inzake vertegenwoordiging van de rechtspersonen, kan zulks worden verantwoord aan de hand van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aangezien te dezen is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling. De vereiste noodzakelijkheid staat vast, aangezien de administrateur-generaal, door of krachtens het decreet, een veelheid van taken waarneemt en hij alleen niet zelf alle zaken waarbij de Dienst betrokken is in rechte kan volgen, waardoor bijgevolg een mogelijkheid tot delegeren noodzakelijk is. De voorbehouden aangelegenheid leent zich bovendien tot een gedifferentieerde regeling en de weerslag van de in het geding zijnde bepaling daarop is slechts marginaal.

Standpunt van de Nationale Orde van Advocaten A.6. Artikel 17, achtste lid, van het decreet van 16 december 1988 wijkt af van de artikelen 440, 703 en 728 van het Gerechtelijk Wetboek en van de rechterlijke organisatie, waaruit volgt dat rechtspersonen enkel door hun « bevoegde organen » of door een advocaat worden vertegenwoordigd.

De bewoordingen « bevoegde organen » moeten worden begrepen als « organen sensu stricto, en de loutere lasthebbers, aangestelden en/of gemachtigde ambtenaren moeten worden uitgesloten ». Hoewel de wet in een mogelijkheid van afwijking voorziet, komt die mogelijkheid overigens niet aan de decreetgever toe.

Bijgevolg is artikel 17, zevende en achtste lid, van het decreet van 16 december 1988 door bevoegdheidsoverschrijding aangetast.

A.7. De Nationale Orde van Advocaten bekritiseert in haar memorie van antwoord in de eerste plaats de verwarring die door de andere partijen zou zijn gemaakt tussen de begrippen vertegenwoordiging en verschijning in eigen persoon.

Volgens de memorie van antwoord is de aanwezigheid van een gemachtigde ambtenaar van « Forem » voor de rechtscolleges geen tussenkomst in eigen persoon maar wel een tussenkomst door vertegenwoordiging, aangezien die ambtenaar als lasthebber optreedt en niet als orgaan van de Dienst. Aangezien hij geen orgaan van de rechtspersoon is kan hij namens de rechtspersoon immers enkel in rechte treden op grond van een door die rechtspersoon aan hem verleende lastgeving. Aangevoerd wordt in die zin de rechtspraak van het Hof in verband met artikel 39 van de wet van 6 augustus 1990, dat betrekking heeft op de procesvertegenwoordiging van de ziekenfondsen en de landsbonden.

Hoewel de delegatie van bevoegdheden betrekking kan hebben op eigen, aan de normalerwijze bevoegde overheid toegekende bevoegdheden, kan zij echter niet uitdrukkelijk of impliciet worden verboden in een tekst, wat het Gerechtelijk Wetboek precies doet. Zowel de gebruikte bewoordingen als de commentaar van sommige partijen geven bovendien aan dat er wel degelijk sprake is van een bevoegdheid van vertegenwoordiging van de Dienst en niet van een delegatie van bevoegdheden.

Zoals het Hof heeft opgemerkt (arrest van 29 september 1993), verlenen de artikelen 440 en 728 van het Gerechtelijk Wetboek aan de advocaten het in beginsel exclusieve recht om voor een derde te pleiten; de in artikel 728, derde lid, bedoelde afwijking van dat monopolie moet strikt worden geïnterpreteerd, waarbij de mogelijkheid tot afwijken bovendien aan de enkele federale wetgever toekomt. Artikel 17, zevende en achtste lid, is bijgevolg door bevoegdheidsoverschrijding aangetast. - B - De prejudiciële vragen en de in het geding zijnde bepaling B.1.1. Het Hof heeft de prejudiciële vragen als volgt geherformuleerd : « Schendt artikel 17, achtste lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988 houdende oprichting van de Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling, in zoverre het bepaalt dat de administrateur-generaal aan een of meer leden van het personeel zijn bevoegdheid kan overdragen om de Dienst voor de gewone en administratieve gerechten te vertegenwoordigen, de regels die de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen ? » B.1.2. Het decreet van 16 december 1988 reglementeert, in de hoofdstukken II tot VI ervan, met name de taken van de Dienst, de organen belast met het beheer ervan alsmede hun respectieve rol, het personeel, de financiering en de begroting van de Dienst. Bovendien bepaalt hoofdstuk VII dat de Dienst door de Franse Gemeenschap en/of de Duitstalige Gemeenschap kan worden belast met taken die tot hun bevoegdheid behoren, in welk geval hij de benaming krijgt van Gemeenschappelijke en Gewestelijke Dienst voor Beroepsopleiding en Arbeidsbemiddeling, afgekort « Forem ».

B.1.3. Artikel 17 maakt deel uit van afdeling III van hoofdstuk III, die gewijd is aan het dagelijks beheer van de Dienst. Het bepaalt : « De administrateur-generaal van de Dienst voert de beslissingen van het Beheerscomité uit; hij verstrekt het alle inlichtingen en legt alle voorstellen voor die nuttig zijn voor de werking van de Dienst.

De administrateur-generaal en zijn adjunct wonen de vergaderingen van het Beheerscomité bij met raadgevende stem.

De administrateur-generaal leidt het personeel van de Dienst en verzekert de werking van de Dienst onder het gezag en het toezicht van het Beheerscomité.

Hij oefent de door het huishoudelijk reglement bepaalde bevoegdheden van dagelijks beheer uit.

Het Beheerscomité kan hem andere bepaalde bevoegdheden overdragen.

Ten einde de behandeling van de zaken te vergemakkelijken kan het Beheerscomité, binnen de grenzen en voorwaarden die het vaststelt, de administrateur-generaal machtiging geven een deel van de hem toevertrouwde bevoegdheden evenals de ondertekening van sommige stukken en brieven over te dragen.

Onverminderd de toepassing van artikel 9, en binnen de grenzen van het dagelijks beheer, vertegenwoordigt de administrateur-generaal de Dienst in gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en handelt rechtsgeldig in zijn naam en voor zijn rekening, zonder dat hij zulks door een beslissing van het Beheerscomité moet staven.

Hij kan nochtans, mits de instemming van het Beheerscomité, zijn bevoegdheid de Dienst te vertegenwoordigen voor de gewone en administratieve gerechten aan één of meerdere leden van het personeel overdragen. » De prejudiciële vragen beogen enkel het laatste lid van dat artikel 17.

B.2. Uit de motivering van de prejudiciële vragen volgt dat het probleem ten gronde dat aan het Hof wordt voorgelegd, bestaat in de vraag of artikel 17, achtste lid, van het decreet van 16 december 1988, doordat het bepaalt dat de administrateur-generaal van de Dienst aan leden van zijn personeel zijn bevoegdheid kan overdragen om de Dienst voor de gerechten te vertegenwoordigen, geen afbreuk doet aan het pleitmonopolie van de advocaten dat zou zijn verankerd in de artikelen 440, 703 en 728 van het Gerechtelijk Wetboek, en zodoende niet een aangelegenheid regelt die tot de bevoegdheid van de enkele federale wetgever behoort.

B.3. Artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 machtigt de gemeenschappen en de gewesten ertoe, in de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, met name gedecentraliseerde diensten, instellingen of ondernemingen op te richten, waaraan de decreetgever rechtspersoonlijkheid kan toekennen.

Overeenkomstig die bepaling, richt het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988 een Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling op, die in zekere omstandigheden de naam « Forem » draagt met toepassing van artikel 27 van het genoemde decreet. Als instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid vormt die Dienst een publiekrechtelijk rechtspersoon, inzonderheid ten aanzien van de regels voor zijn verschijning in rechte.

B.4.1. Het voormelde artikel 9, tweede lid, bepaalt eveneens dat de decreetgever met name de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de door hem opgerichte instellingen regelt.

Krachtens die bepaling stellen de hoofdstukken III en VII van het decreet de organen van de Dienst vast, hun samenstelling alsmede hun bevoegdheden. Een beheerscomité wordt belast met het bestuur van de Dienst (artikelen 4 en 9). Er is bovendien een administrateur-generaal alsmede een adjunct-administrateur-generaal, wier bevoegdheden gepreciseerd zijn door voormeld artikel 17.

B.4.2. Tot de aldus aan de administrateur-generaal verleende bevoegdheden behoort in het zevende lid de zorg om « binnen de grenzen van het dagelijks beheer [...] de Dienst in gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen [te vertegenwoordigen] ». Zodoende kent het decreet hem niet de hoedanigheid van lasthebber toe maar wijst hem aan als het orgaan dat de Dienst belichaamt en in het bijzonder diens belangen in rechte verdedigt.

Door de mogelijkheid om overdracht te verlenen, waarin het achtste lid van artikel 17 voorziet, regelt het decreet van 16 december 1988 een werkingsmodaliteit van de Dienst, in de zin van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 17, achtste lid, van het decreet van 16 december 1988, op het vlak van de bevoegdheidsregels, steun vindt in artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

B.5.1. Er dient echter te worden onderzocht of artikel 17, achtste lid, van het decreet van 16 december 1988, doordat het de voormelde overdracht toestaat, geen afbreuk doet aan de regels voor de verschijning en de vertegenwoordiging van partijen in rechte, welke onder de bevoegdheid van de federale wetgever vallen, of de uitoefening van die bevoegdheid niet onmogelijk of buitengewoon moeilijk maakt.

B.5.2. Artikel 728, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Op het ogenblik van de rechtsingang en later dienen de partijen in persoon of bij advocaat te verschijnen. » Artikel 758, eerste lid, van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De partijen mogen zelf hun conclusies en verweermiddelen voordragen, tenzij de wet anders bepaalt. » Artikel 440, eerste lid, van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten. » Uit die bepalingen volgt dat de partijen de keuze hebben om ofwel persoonlijk in rechte te verschijnen, ofwel zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen. Die keuzemogelijkheid betreft zowel de natuurlijke personen als de rechtspersonen, privaatrechtelijke en publiekrechtelijke. Wanneer een partij niet in eigen persoon verschijnt, is zij echter ertoe gehouden zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat, wegens het in beginsel exclusieve recht om voor een derde te pleiten dat het Gerechtelijk Wetboek aan de advocaten verleent.

B.5.3. Wat betreft de rechtspersonen, bepaalt artikel 703, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek : « Rechtspersonen treden in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen. » Artikel 34 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De betekening aan een rechtspersoon wordt geacht aan de persoon te zijn gedaan, wanneer het afschrift van de akte is ter hand gesteld aan het orgaan dat of de aangestelde die krachtens de wet, de statuten of een regelmatige opdracht bevoegd is om de rechtspersoon, zelfs samen met anderen, in rechte te vertegenwoordigen. » Daaruit volgt dat het Gerechtelijk Wetboek niet zelf preciseert door welke organen de rechtspersonen in rechte treden maar dat het de bevoegde wetgever ertoe machtigt te bepalen welke natuurlijke personen die rechtspersonen vertegenwoordigen en door hun aanwezigheid voor de rechter de zogeheten persoonlijke verschijning van de rechtspersoon mogelijk maken; overigens sluit het Gerechtelijk Wetboek niet uit dat de opdracht om een dergelijke verschijning te verzekeren het voorwerp uitmaakt van een regelmatige overdracht, in het bijzonder krachtens de statuten.

B.6. Zoals is opgemerkt in B.3, is het in overeenstemming met artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dat de decreetgever de Dienst heeft opgericht en, onder de werkingsregels, heeft gepreciseerd dat diens administrateur-generaal de vertegenwoordiging ervan in rechte waarneemt. Zodoende doet hij geen afbreuk aan de voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en verhindert hij de toepassing ervan niet; hij beoogt integendeel de inwerkingstelling ervan te verzekeren ten aanzien van een rechtspersoon die onder de bevoegdheid van het Gewest valt, door te preciseren door welk orgaan die rechtspersoon in rechte treedt en persoonlijk kan verschijnen.

Het blijkt evenmin dat de mogelijkheid van overdracht waarin artikel 17, achtste lid, van het decreet van 16 december 1988 voorziet, afbreuk doet aan de voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

B.7. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 17, achtste lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 16 december 1988 houdende oprichting van de Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling schendt niet de regels die de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 16 december 1998.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^