Etaamb.openjustice.be
Omzendbrief
gepubliceerd op 24 oktober 2007

Omzendbrief Vrijstellingen van arbeidskaart voor kaderleden en onderzoekers Het koninklijk besluit van 12 september 2007 heeft in het besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van b Artikel 2 van voornoemd besluit voegt definities toe aan artikel 1 van het koninklijk besluit van 9(...)

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2007012593
pub.
24/10/2007
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG


Omzendbrief Vrijstellingen van arbeidskaart voor kaderleden en onderzoekers Het koninklijk besluit van 12 september 2007 heeft in het besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers nieuwe vrijstellingen ingevoerd inzake de verplichting tot het bezit van een arbeidskaart.

Artikel 2 van voornoemd besluit voegt definities toe aan artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Die definities zijn belangrijk voor het toepassen van de nieuwe vrijstellingen in artikel 3 van het besluit van 12 september 2007.

Net als alle andere vrijstellingen waarin artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 9 juni 1999 voorziet, zijn deze acht nieuwe vrijstellingen van rechtswege geldig. Dit betekent dat ze niet onderworpen zijn aan een voorafgaande aanvraag noch aan de afgifte van een attest door de bevoegde overheid.

Er moet evenwel worden op gewezen dat degene die het genot van een vrijstelling inroept (werkgever of werknemer) moet bewijzen dat de voorwaarden voor de vrijstelling vervuld zijn.

Dat bewijs moet worden geleverd hetzij bij een Belgische diplomatieke of consulaire post in het buitenland (voor het verkrijgen van het visum), hetzij bij een gemeenteadministratie of bij een controle door een inspectiedienst.

Deze omzendbrief is onder meer bedoeld om duidelijk te maken hoe dit bewijs praktisch kan worden geleverd.

Onderzoek van de nieuwe vrijstellingen Artikel 2, 26° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 voorziet in een vrijstelling voor onderzoekers.

De voorwaarden voor die vrijstelling lijken niet moeilijk te controleren. Er wordt expliciet verwezen naar de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 september 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het koninklijk besluit van 8 juni 2007 (BS van 3 juli 2007) wat de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen betreft. De onderzoeker wordt tewerkgesteld door en is verbonden door een gastovereenkomst met de onderzoeksinstelling.

De controle van de vrijstelling kan dus gebeuren via het voorleggen van de gastovereenkomst.

Artikel 2, 27°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

De vrijstelling betreft hier de deelneming aan congressen en wetenschappelijke vergaderingen.

De controle van de voorwaarden voor deze vrijstelling gebeurt op basis van een verklaring op erewoord van de werkgever, waar een kopie van de uitnodiging voor het congres of de vergadering moet worden aan toegevoegd.

Artikel 2, 28°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Deze bepaling betreft buitenlandse onderdanen die vergaderingen in beperkte kring (dus andere dan de vergaderingen hierboven bedoeld onder 27°) komen bijwonen.

Hier volstaat een verklaring op erewoord van de werkgever om aan te nemen dat de voorwaarden voor de vrijstelling vervuld zijn.

Artikel 2, 29°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Die vrijstelling betreft werknemers die in België een opleiding komen volgen op de zetel van de multinationale groep waar hun onderneming toe behoort.

Wat het begrip opleiding betreft, wordt verwezen naar artikel 1, 12°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Op te merken valt dat deze opleiding binnen de onderneming geen aanleiding mag geven tot significante productieve prestaties. Een opleiding van het type "training on the job" is mogelijk op voorwaarde dat dit occasioneel gebeurt, maar niet wanneer de opleiding enkel of in belangrijke mate uit dergelijke prestaties zou bestaan.

Het begrip « Belgische zetel van een multinationale groep » is niet die van « hoofdkwartier » bedoeld in artikel 2, 32° (zie infra).

Het laatste lid van artikel 2, 29°, voorziet in de verplichting voor de werkgever om de bevoegde overheid in te lichten uiterlijk op het moment dat de opleiding aanvangt.

Hier kan de controle van de voorwaarden voor de vrijstelling gebeuren via een verklaring op erewoord van de werkgever, waar het in het eerste lid van artikel 2, 29°, bedoelde opleidingscontract moet worden aan toegevoegd.

Artikel 2, 30°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Deze bepaling voorziet in een vrijstelling ten gunste van buitenlandse werknemers die naar België komen om prototypes te testen.

Als het niet om voertuigen gaat, worden de bedoelde prototypes ontwikkeld door een in 26° bedoelde onderzoeksinstelling en voldoen ze dus aan de erkenningsvoorwaarden vervat in het voornoemde koninklijk besluit van 8 juni 2007.

De controle van de voorwaarden voor de vrijstelling kan gebeuren via een verklaring op erewoord van de werkgever.

Artikel 2, 31°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Deze bepaling voorziet in een vrijstelling voor werknemers die worden tewerkgesteld door een in het buitenland gevestigde werkgever en die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst en naar België komen voor de initiële assemblage of de eerste installatie van een geleverd goed.

De controle van de voorwaarden voor de vrijstelling kan gebeuren via een verklaring op erewoord van de werkgever, waar een kopie van de in deze bepaling bedoelde overeenkomst voor de levering van goederen moet worden aan toegevoegd.

Artikel 2, 32°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Deze bepaling voorziet in een vrijstelling voor buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici worden tewerkgesteld door een in het buitenland gevestigde werkgever en naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken uit te voeren aan machines of apparaten die door hun werkgever werden geleverd aan de in België gevestigde onderneming. Ook informaticawerkzaamheden vallen hieronder.

Ook hier kan de controle van de voorwaarden voor de vrijstelling gebeuren op basis van een verklaring op erewoord van de werkgever en van een verklaring van de klant m.b.t het dringend karakter.

Artikel 2, 33°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

Deze bepaling voorziet in een vrijstelling van arbeidskaart voor buitenlandse werknemers die een kaderfunctie bekleden op een hoofdkwartier. Er is in een loonvoorwaarde voorzien : op 1 januari 2007 was dit bedrag euro 56.187.

De begrippen « kaderlid », « hoofdkwartier » en « groep » zijn bepaald in artikel 1, 13°, 14° en 15°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999.

De werknemer wordt tewerkgesteld door en is verbonden door een arbeidsovereenkomst met het hoofdkwartier.

Gelet op de technische complexiteit van de gestelde voorwaarden (onder meer de verwijzing naar het Wetboek Vennootschappen of naar het Wetboek Inkomstenbelasting), kan de controle van de voorwaarden voor de vrijstelling gebeuren op basis van een attest van een bedrijfsrevisor, in België of in het buitenland, die opgenomen is in de lijst van het Belgisch instituut voor bedrijfsrevisoren.

Dit attest moet bevestigen dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdkwartier te worden aangeduid.

Er dient een verklaring op erewoord van de werkgever te worden voorgelegd waaruit blijkt dat die voorwaarden nog steeds zijn vervuld bij aanvang van de tewerkstelling van het kaderlid.

Brussel, 17 oktober 2007.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

^