Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 31 augustus 1998
gepubliceerd op 10 oktober 1998

Ministerieel besluit betreffende de verplichte controle van spuittoestellen

bron
ministerie van middenstand en landbouw
numac
1998016236
pub.
10/10/1998
prom.
31/08/1998
ELI
eli/besluit/1998/08/31/1998016236/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

31 AUGUSTUS 1998. - Ministerieel besluit betreffende de verplichte controle van spuittoestellen


De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, inzonderheid op artikel 60, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 7 april 1995, 12 februari 1996, 11 april 1996 en 26 mei 1997;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989, 4 juli 1989 en 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat moet vermeden worden een dubbele controle uit te voeren van de spuittoestellen die gebruikt worden in België door landbouwers die niet op Belgisch grondgebied maar in een andere lidstaat van de Europese Unie gedomicilieerd zijn en van wie het toestel reeds gekeurd werd in deze lidstaat;

Overwegende de noodzakelijkheid om de continuïteit te verzekeren van de verplichte controle van spuittoestellen in de context van een voorzichtigheidspolitiek tegenover de gevaren verbonden aan de toepassing van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Onder « Minister » dient te worden verstaan, de Minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft.

Art. 2.Onder « spuittoestel » dient te worden verstaan, elk toestel dat bedoeld is om bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik in vloeibare vorm toe te dienen.

Art. 3.Onder « controledienst » dient te worden verstaan, de diensten aangewezen door de Minister om de controleverrichtingen op het hele Belgische grondgebied uit te voeren, met name het Departement voor Landbouwtechniek van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek (CRA) van Gembloux voor het Franstalige en het Duitstalige landsgedeelte en het Departement Mechanisatie, Arbeid, Gebouwen, Dierenwelzijn en Milieubeveiliging van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek (CLO) van Gent voor het Nederlandstalige landsgedeelte.

Art. 4.Onder « controlecyclus » dient te worden verstaan, een periode van 3 jaar, waarvan de eerste op 1ste september 1995 begint en op 31ste augustus eindigt. HOOFDSTUK II. - De verplichte controle

Art. 5.De verplichte controle geldt voor alle op het Belgische grondgebied gebruikte spuittoestellen.

In afwijking van het vorige lid vallen de kleine toestellen waarin de spuitvloeistof manueel of met behulp van een samengedrukt gas (lucht inbegrepen) onder druk wordt gebracht of waarbij de spuitvloeistof wordt uitgestoten onder invloed van de zwaartekracht niet onder dit besluit. Vallen evenmin onder dit besluit de toestellen die bij normaal gebruik omwille van hun kenmerken door één enkele persoon gedragen kunnen worden (rugspuiten).

Art. 6.De landbouwers gedomicilieerd in een andere lidstaat van de Europese Unie mogen hun spuittoestellen, die niet door de Belgische overheid zijn gecontroleerd, op Belgisch grondgebied gebruiken, op voorwaarde dat hun toestel door de bevoegde overheid van deze lidstaat gecontroleerd werd en beschikt over een geldige goedkeuring.

Art. 7.Iedere eigenaar van een spuittoestel, ongeacht of het een natuurlijke persoon of een rechtspersoon betreft, moeten ieder toestel dat hij gebruikt om de 3 jaar aan de controle onderwerpen.

Indien hij niet opgeroepen is voor een controle door de controledienst binnen de zes maanden vóór het normale einde van de geldigheidstermijn van het attest, dient hij dit binnen de maand die volgt te melden aan de controledienst waaronder hij ressorteert, met precisering van het betrokken toestel.

Art. 8.Alle spuittoestellen die in gebruik zijn genomen vóór 19 juni 1995 moeten gecontroleerd zijn op 31 december 1998. Zonder certificaat afgeleverd door de controledienst mogen zij na deze datum niet meer gebruikt worden.

Alle nieuwe spuittoestellen die verkocht zijn na 19 juni 1995, moeten binnen de 3 jaar na de verkoopsdatum gecontroleerd worden.

Art. 9.§ 1. Elke verkoop van spuittoestellen aan gebruikers moet binnen de 30 dagen door de verkoper aan de betrokken controledienst worden gemeld bij middel van het in bijlage III bij dit besluit gevoegde formulier. Bij rechtstreekse invoer heeft de koper de plicht binnen 30 dagen zijn aankoop bij deze dienst te melden bij middel van hetzelfde formulier. § 2. Wanneer een spuittoestel buiten gebruik wordt gesteld, moet de eigenaar binnen 30 dagen de controledienst verwittigen bij middel van het in bijlage IV bij dit besluit gevoegde formulier. HOOFDSTUK III. - Organisatie en financiering van de controle

Art. 10.De uitvoering van de controles wordt toevertrouwd aan de controlediensten. Deze dienen de controlemethode die in bijlage I beschreven is toe te passen.

De datum, het tijdstip en de plaats van de controle worden vastgesteld door de controlediensten, die de betrokkenen met een gewone brief en ten minste 15 dagen vooraf op de hoogte brengen.

Art. 11.De controlediensten moeten instaan voor de administratieve en de praktische organisatie van de controles, de inning van de bijdragen, de aflevering van processen-verbaal van controle, het aanbrengen van zelfklevers, de aanwerving en het beheer van het personeel en de aankoop en het beheer van het materiaal voor de controle. Zij zijn verantwoordelijk voor het beheer van de geïnde bijdragen, die uitsluitend mogen worden aangewend om de kosten in verband met de organisatie en de uitvoering van de controle te betalen.

Art. 12.De controlediensten voeren hun opdracht uit onder toezicht van de Stuurgroep die toeziet op de naleving van de conformiteit van de controleverrichtingen, bij de Minister verslag uitbrengt over de eventuele problemen die zich voordoen en voorstellen doet die ertoe strekken de controleprocedures en -technieken aan te passen, indien nodig.

Zij dienen bij de Stuurgroep zo vaak verslag uit te brengen als hun wordt gevraagd, en minstens om de zes maand, met als doel informatie te verstrekken over het verloop van de controleverrichtingen, de stand van zaken ervan, de globale resultaten van de controles, de bijzondere problemen die zich voordoen en de stand van de rekeningen.

Art. 13.De Stuurgroep is samengesteld uit: - vertegenwoordigers van het Ministerie van Middenstand en Landbouw : - de Directeur-generaal van het Bestuur voor de Kwaliteit van de Grondstoffen en de Plantaardige sector, die het voorzitterschap op zich neemt; - een vertegenwoordiger van de Inspectie-generaal Grondstoffen en Verwerkte Producten; - twee vertegenwoordigers van de Dienst Kwaliteit van Grondstoffen en Analyses, waarvan één als secretaris optreedt; - een vertegenwoordiger van de Centrale Diensten van het Bestuur voor Onderzoek en Ontwikkeling; - twee vertegenwoordigers van de dienst Ontwikkeling; - het Hoofd van het Departement voor landbouwtechniek van het CRA van Gembloux; - het Hoofd van het Departement Mechanisatie, Arbeid, Gebouwen, Dierenwelzijn en Milieubeveiliging van het CLO van Gent; - vertegenwoordigers van de Gewesten : - een vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschap; - een vertegenwoordiger van het Waalse Gewest; - vertegenwoordigers van de landbouwberoepsorganisaties : - een vertegenwoordiger van « Agriculture Wallonie - Entente syndicale UPA-UDEF »; - een vertegenwoordiger van « L'Alliance Agricole Belge »; - een vertegenwoordiger van de « Boerenbond »; - een vertegenwoordiger van het « Algemeen Boeren Syndicaat »; - een vertegenwoordiger van de Belgische Federatie van de Uitrusting voor de Landbouw, de Tuinbouw, de Veeteelt en de Tuin, v.z.w.

FEDAGRIM; - een vertegenwoordiger van de Nationale Centrale Landbouwservice v.z.w.

De Stuurgroep kan voor advies beroep doen op experts.

Art. 14.§ 1. Alle met gunstig gevolg gecontroleerde spuittoestellen mogen gedurende de periode aangegeven op de zefklever bedoeld in artikel 15 op normale wijze worden gebruikt door de eigenaar of door de persoon die ervoor aansprakelijk is. Na deze periode is het verboden het spuittoestel te gebruiken behalve wanneer het met goed gevolg aan een nieuwe controle werd onderworpen. § 2. Voor de spuittoestellen die bij de controles niet voldoen maar die nog bruikbaar zijn, wordt een termijn van ten hoogste 4 maand toegestaan waarbinnen zij opnieuw moeten worden onderzocht. Indien het spuittoestel na het verstrijken van deze termijn niet voldeed aan een nieuwe controle, wordt het gebruik ervan op het gehele Belgische grondgebied verboden.

Art. 15.§ 1. Op alle spuittoestellen die tijdens de eerste controlecyclus goedgekeurd werden, heeft de controledienst een zelfklever in groene kleur aangebracht waarvan het model beschreven is in bijlage II bij dit besluit voor het hele Belgische grongebied, met uitzondering van het Duitse taalgebied waarvoor het model in bijlage IIbis bij dit besluit is gevoegd. § 2. Op alle spuittoestellen die tijdens de tweede controlecyclus goedgekeurd werden, brengt de controledienst een zelfklever in blauwe kleur aan waarvan het model beschreven is in bijlage IIter bij dit besluit voor het hele Belgische grondgebied, met uitzondering van het Duitse taalgebied waarvoor het model in bijlage II quatro bij dit besluit is opgenomen. § 3. Voor de volgende controlecyclussen worden de in § 2 bedoelde modellen behouden, met afwisselend een groene en een blauwe kleur.

Art. 16.Alle zelfklevers zijn genummerd en blijven eigendom van de controlediensten. Zij mogen in geen geval opzettelijk worden verwijderd en/of beschadigd.

Indien de zelfklever per ongeval beschadigd wordt, moet de eigenaar van het spuittoestel onmiddellijk de controledienst inlichten.

Art. 17.Het door de eigenaar van het spuittoestel te betalen bedrag bij de eerste controle is vastgesteld op 2.750 Belgische frank voor toestellen met een werkbreedte van niet meer dan 12 meter. Voor toestellen met een werkbreedte van meer dan 12 meter is een extra bedrag van 250 Belgische frank verschuldigd per bijkomende meter werkbreedte. De maximumprijs voor een controlebeurt is vastgesteld op 5.750 Belgische frank, onverminderd de bepalingen van artikel 19. Voor boomgaardspuittoestellen en voor alle andere toestellen werkend volgens hetzelfde principe is het te betalen bedrag bij de controle forfaitair vastgesteld op 2.750 Belgische frank.

In afwijking van het vorige lid worden, voor spuittoestellen die in gebruik waren tijdens de eerste cyclus en vóór 31 december 1998 voor de eerste keer ter controle worden aangeboden, de hierboven vermelde bedragen van 2.750 frank, 250 frank en 5.750 Belgische frank beperkt tot respectievelijk 2.500 frank, 150 frank en 4.000 Belgische frank.

Art. 18.Bij de aanvullende controlebeurt van een spuittoestel, dat aan de eerste controle niet voldeed, is de prijs forfaitair vastgesteld op 500 Belgische frank, ongeacht de reden voor de aanvullende controle. Bij deze prijs wordt, als het geval zich voordoet, een forfaitair bedrag gevoegd van 2.000 Belgische frank voor één herkeuring van spuitdoppen en 500 Belgische frank voor één herkeuring van de manometer, indien deze niet binnen de 24 uur terug aangeboden worden of indien de defecte spuitdoppen of manometers niet bij de controledienst achtergelaten worden. De aanvullende prijs voor elke nieuwe controle die het gevolg is van andere redenen tot weigering, is vastgesteld op 1.000 Belgische frank. Het maximumbedrag voor een herkeuring wordt op 2.500 Belgische frank vastgesteld.

Art. 19.Wanneer de in de eerste oproeping vermelde datum niet in acht wordt genomen, wordt de kostprijs van de controle met 50 % verhoogd.

Indien bij de tweede oproeping de betrokkene opnieuw afwezig is, wordt het gebruik van het spuittoestel verboden op het gehele Belgische grondgebied tot wanneer het aan een goedkeuring wordt onderworpen. De kostprijs van de controle wordt in dit geval met 100 % verhoogd.

Art. 20.Het verschuldigde bedrag bij de controle moet altijd vóór de uitvoering van de controle betaald worden. HOOFDSTUK IV. - Beroep

Art. 21.Wanneer een spuittoestel onbruikbaar wordt verklaard, kan de eigenaar ervan via een ter post aangetekend schrijven aan de Dienst Kwaliteit van de Grondstoffen en Analyses binnen 15 dagen te beginnen vanaf de datum van de controle beroep aantekenen. De controledienst bezorgt een afschrift van het betrokken controleverslag aan het Beroepscomité dat is samengesteld uit ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw : - een vertegenwoordiger van de Dienst Kwaliteit van de Grondstoffen en Analyses, die het voorzitterschap op zich neemt; - een vertegenwoordiger van de Centrale Diensten van het Bestuur voor Onderzoek en Ontwikkeling; - een vertegenwoordiger van de Dienst Ontwikkeling.

Art. 22.§ 1. Het Beroepscomité beslist na onderzoek van de verweermiddelen van de verzoeker, en zo hij het wenst, na de betrokkene en/of zijn vertegenwoordiger en, in voorkomend geval, de vertegenwoordiger van de betrokken controledienst te hebben gehoord.

Het Beroepscomité geeft binnen drie maand bij ter post aangetekend schrijven aan de betrokkene kennis van de beslissing. § 2. Het beroep is niet opschortend. HOOFDSTUK V. - Strafbepalingen

Art. 23.Overtredingen van de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt. HOOFDSTUK VI. - Opheffingsbepalingen

Art. 24.Het ministerieel besluit van 9 juni 1995 betreffende de verplichte controle van spuittoestellen zoals gewijzigd door de ministeriële besluiten van 22 december 1995 en van 18 juni 1996 wordt opgeheven. De spuittoestellen die met gunstig gevolg werden gecontroleerd overeenkomstig dit ministerieel besluit, mogen verder gebruikt worden tot het normale vervaldatum van de geldigheid van het certificaat afgeleverd door de controledienst.

Art. 25.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998.

Brussel, 31 augustus 1998.

K. PINXTEN

Bijlage I Keuringsmethoden voor landbouwspuittoestellen Alleen werkende spuittoestellen (functionele pomp, geen overdreven lekken) die bovendien voldoen aan de hierna vermelde voorwaarden kunnen gecontroleerd worden: - De spuitmachine moet goed uitgespoeld en gereinigd zijn; het verspoten water mag geen bestrijdingsmiddel voor landbouwkundig gebruik meer bevatten. - De tank dient voor 3/4 gevuld te zijn of tussen 500 en 1000 liter zuiver water te bevatten. - Het toestel mag geen lekken vertonen. - Bewegende onderdelen (aftakas, ketting) moeten voorzien zijn van een beschermkap.

EERSTE DEEL BESCHRIJVING VAN DE CONTROLEMETHODE VOOR VELDSPUITEN EN VOOR ALLE ANDERE SPUITTOESTELLEN, GEBASEERD EN WERKEND VOLGENS HETZELFDE PRINCIPE A. ALGEMENE TOESTAND - visuele test A1 De onderhoudstoestand wordt nagekeken : aanwezigheid van vreemde objecten zoals stukken touw, ijzerdraad, overdreven roest, te weinig gesmeerd, enz...

A2 Aanwezigheid van beschermkappen op bewegende onderdelen zoals aftakas, kettingen, enz...

A3 Nazicht van de veiligheid op de bevestigingspunten van het spuittoestel aan de trekker (3 punten) en van de spuitboom aan het chassis.

B. INHOUDSMARKERING - visuele test Het peil van de vloeistof in de tank (via een doorzichtige leiding, een vlotter, rechtstreeks doorheen de wand van de tank, enz...) wordt vanop de zitplaats van de trekker beoordeeld.

C. AANWEZIGHEID VAN FILTERS - visuele test, aanwezigheid of afwezigheid van filters wordt nagegaan.

C1 Bij het vullen van de hoofdtank : filtermand ter hoogte van het mangat, zuigkorf ter hoogte van de vulleiding, enz...

C2 Bij de aanzuiging van de spuitvloeistof : aanzuigfilter van de pomp C3 Bij de drukleiding van de spuitvloeistof : drukfilter.

D. SPUITBOOM - bij deze test wordt een meting uitgevoerd D1 De hoogte in het midden van de spuitboom wordt ingesteld op 50 cm boven de grond en dan wordt de stand van de uiteinden nagegaan. Ook wordt nagekeken of de spuitboom in symmetrische stand voorkomt ten aanzien van de bevestigingspunten aan het chassis. - visuele test D2 Nakijken van de kromming van de spuitboom in het horizontale en het verticale vlak - visuele test D3 en D4 Als er een ophangingssysteem is, wordt één uiteinde van de spuitboom op de grond gelegd bij een afstelling van de spuitboomhoogte op 60 cm + 10 cm. Er wordt gelet op de wijze waarop de spuitboom opnieuw in horizontale stand komt. - bij deze test wordt een meting uitgevoerd D5 De afstand tussen de spuitdophouders wordt bepaald. - visuele test D6 Er wordt gelet op de verticale stand van de spuitdophouders behalve indien bij de oorspronkelijke constructie de spuitdoppenhouders naar voor of naar achter overhellen. - visuele test D7 Er wordt nagegaan hoe de spuitboom zich gedraagt nadat hij in het horizontale vlak in beweging is gebracht. Tevens wordt de werking van eventuele inklapbare uiteinden beoordeeld.

E. HINDERNISSEN - visuele test Er wordt gelet op de aanwezigheid van leidingen, touwen of vreemde objecten in het spuitbeeld.

F. ROERSYSTEEM - visuele test De intensiteit van de bewegingen van de vloeistof in de hoofdtank wordt beoordeeld als het roersysteem in werking is.

G. DRUKSTABILITEIT - visuele test De bewegingen van de naald worden gevolgd op de werkmanometer of op de manometer aan de spuitboom.

De spuitdruk moet stabiel zijn als het toerental constant is.

H. MANOMETER - visuele test H1 De leesbaarheid van de aanduidingen op de werkmanometer wordt vanaf de zitplaats van de bestuurder beoordeeld. - bij de test wordt een meting uitgevoerd H2 en H3 Op en in de plaats van een spuitdop wordt op de spuitboom een ijkmanometer aangebracht. De overeenkomst tussen de op de werkmanometer aangegeven drukwaarden en de reële waarden ter hoogte van de doppen wordt nagegaan. Beide waarden worden bij verschillende referentiedrukniveaus nagegaan.

Als er een verschil optreedt, wordt de werkmanometer losgemaakt en op een onafhankelijke calibrator geplaatst. Opnieuw worden beide waarden bij verschillende referentiedrukniveaus nagegaan. - visuele test H4 Aanwezigheid van een manometer I. DRUKEVENWICHT - bij de test wordt een meting uitgevoerd I1 tot 15 Op en in de plaats van een spuitdop wordt ter hoogte van de voeding op elke spuitboomsectie een ijkmanometer aangebracht. De druk in de spuitboom wordt afgesteld op een referentiewaarde en er wordt gelet op eventuele drukverschillen tussen de secties.

J. COMPENSERENDE TERUGLOPEN - bij de test wordt een meting uitgevoerd J1 tot J3 Op en in de plaats van een spuitdop wordt ter hoogte van de voeding op elke spuitboomsectie een ijkmanometer aangebracht. De druk in de spuitboom wordt afgesteld op een referentiewaarde. Eén spuitboomsectie wordt afgesloten waarna de druk in de nog aangesloten secties wordt nagegaan; daarna wordt die ene sectie weer aangesloten. Deze bewerking wordt herhaald voor alle spuitboomsecties.

K. DRUKVERLIES - bij de test wordt alleen een meting uitgevoerd als er een risico op drukverlies is.

Twee ijkmanometers worden op en in de plaats van een spuitdop geplaatst, de ene dichtbij de toevoer van de spuitboomsectie, de andere op het uiteinde ervan. Eventuele drukverschillen worden nagegaan bij een referentiedruk aan de toevoer van de spuitboomsectie.

L. AFZONDERLIJK DEBIET VAN DE DOPPEN - visuele test L1 Er wordt nagegaan of de spuitdoppen homogeen zijn met betrekking tot het merk, het type, de maat en de hoek wanneer de doppen worden losgemaakt om het debiet te meten (L2 en L3). - bij de test wordt een meting uitgevoerd.

L2 tot L7 Het afzonderlijke debiet van de spuitdoppen wordt los van het spuittoestel gemeten voor alle courant gebruikte doppen. De doppen worden losgemaakt van de spuitboom en uit de schroeven waarmee zij op de spuitdophouders bevestigd zijn en worden vervolgens op een testbank geplaatst. Indien dit onmogelijk is wordt het debiet van de spuitdoppen gemeten direkt op het toestel. De variatie van het debiet wordt bepaald in vergelijking met deze van een nieuwe dop (referentie). Het debiet van de spuitdop wordt bij een in de tabellen van de constructeurs aangegeven nominale druk vergeleken met een bepaalde druk. Indien het nominale debiet niet bekend is, wordt het afzonderlijke dopdebiet vergeleken met het gemiddelde debiet van de gemeten doppen met dezelfde eigenschappen.

M. REGELSYSTEEM - bij de test wordt een meting uitgevoerd M1 en M2 De werking van de regelsystemen Constante druk (PC) en Debiet evenredig met motor-toerental (DPM) wordt niet nagegaan. De mechanische en elektronische regelsystemen van het debiet evenredig met de rijsnelheid evenals de electronische aanduidingen van het per hectare gespoten volume worden gecontroleerd (respectievelijk DPAm en DPAe). De rijsnelheid en het tijdens een bepaalde tijd verspoten hoeveelheid worden bepaald. Het werkelijke verspoten volume/hectare wordt berekend en vergeleken met het volume dat de gebruiker had ingesteld. - visuele test M3 De werking van de openings- en sluitingskleppen van de spuitboomsecties en van de drukregelklep wordt nagegaan.

N. LEKKEN - visuele test N1 en N2 Plaatsen waar lekken werden opgemerkt, worden geïdentificeerd.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

TWEEDE DEEL BESCHRIJVING VAN DE CONTROLEMETHODE VOOR BOOMGAARDSPUITEN EN VOOR ALLE ANDERE SPUITTOESTELLEN, GEBASEERD EN WERKEND VOLGENS HETZELFDE PRINCIPE A. ALGEMENE TOESTAND - visuele test A1 De onderhoudstoestand wordt nagekeken : aanwezigheid van vreemde objecten zoals stukken touw, ijzerdraad, overdreven roest, te weinig gesmeerd, etc.

A2 Aanwezigheid van beschermstukken op bewegende onderdelen zoals aftakas, kettingen, ventilator, etc.

A3 Nazicht van de veiligheid op de bevestigingspunten van het spuittoestel aan de trekker (3 punten).

A4 Indien het spuittoestel uitgerust is met een ventilator, dient deze te kunnen worden uitgeschakeld bij de toestellen waarbij dit origineel voorzien is. De schoepen van de ventilator mogen niet beschadigd zijn en de windafbuigplaten dienen in goede staat te zijn.

B. INHOUDSMARKERING - visuele test Het peil van de vloeistof in de tank (via een doorzichtige leiding, een vlotter, rechtstreeks doorheen de wand van de tank, etc...) wordt van op de zitplaats van de trekker en van op de vulplaats beoordeeld.

C. AANWEZIGHEID VAN FILTERS - visuele test, aanwezigheid of afwezigheid van filters wordt nagegaan.

C1 Bij het vullen van de hoofdtank : filtermand ter hoogte van het mangat, zuigkorf ter hoogte van de vulleiding, etc...

C2 Bij de aanzuiging van de spuitvloeistof : aanzuigfilter van de pomp.

C3 Bij de drukleiding van de spuitvloeistof : drukfilter.

D. SPUITKRANS - bij deze test wordt een meting uitgevoerd D1 Er wordt gelet op eventuele vervormingen van de spuitkrans en/of leidingen. Ook wordt nagekeken of de spuitkrans in symmetrische stand voorkomt ten aanzien van het chassis.

D2 Nakijken van de stevigheid en de bevestiging van de krans aan het chassis of tank.

D3 Men meet na of de onderlinge afstand tussen de spuitdophouders links en rechts symmetrisch is.

D4 Men meet na of de onderlinge stand tussen de spuitdophouders links en rechts symmetrisch is.

E. HINDERNISSEN - visuele test E1 Er wordt gelet op de aanwezigheid van leidingen, touwen of vreemde objecten in het spuitbeeld.

E2 Er wordt gelet op de aanwezigheid van leidingen, touwen of andere vreemde objecten (die niet origineel voorzien waren) die in de aanzuig- of in de uitstroomopeningen van de ventilator zitten F. ROERSYSTEEM - visuele test De intensiteit van de bewegingen in de hoofdtank wordt beoordeeld als het roersysteem en het spuittoestel in werking zijn.

G. DRUKSTABILITEIT - visuele test G1 tot G3 De bewegingen van de naald worden gevolgd op de werkmanometer of op de spuitkransmanometer (Er wordt een ijkmanometer geplaatst op de plaats van een spuitdop op de spuitkrans). De spuitdruk moet stabiel zijn indien het toerental constant is.

H. MANOMETER - visuele test H1 De leesbaarheid van de aanduidingen op de werkmanometer wordt vanaf de zitplaats van de bestuurder beoordeeld. - bij de test wordt een meting uitgevoerd H2 en H3 Op en in de plaats van een spuitdop wordt op de spuitkrans een ijkmanometer aangebracht. De overeenkomst tussen de op de werkmanometer aangegeven drukwaarden en de reële waarden ter hoogte van de doppen wordt nagegaan. Beide waarden worden bij verschillende referentiedrukniveaus nagegaan. Als er een verschil optreedt, wordt de werkmanometer losgemaakt en op een onafhankelijke calibrator geplaatst. Opnieuw worden beide waarden bij verschillende referentiedrukniveaus nagegaan. - visuele test H4 Aanwezigheid van een manometer I. DRUKEVENWICHT - bij de test wordt een meting uitgevoerd I1 tot I5 Op en in de plaats van een spuitdop wordt ter hoogte aan de toevoer van elke spuitkranssectie een ijkmanometer aangebracht. De druk in de spuitkrans wordt afgesteld op een referentiewaarde en er wordt gelet op eventuele drukverschillen tussen de secties.

J. COMPENSERENDE TERUGLOOP - bij de test wordt een meting uitgevoerd J1 tot J3 Op en in de plaats van een spuitdop wordt ter hoogte van de toevoer op elke spuitkranssectie een ijkmanometer aangebracht. De druk in de spuitkrans wordt afgesteld op een referentiewaarde. Eén spuitkranssectie wordt afgesloten waarna de druk in de nog aangesloten secties wordt nagemeten; daarna wordt die ene sectie weer aangesloten.

Deze bewerking wordt zoveel keer herhaald als er spuitkranssecties zijn.

J4 tot J6 Een identieke controle is uitgevoerd. Alle doppen worden één na één afgesloten tot dat slechts 1 werkende spuitdop van de spuitkranssectie nog spuit.

K. DRUKVERLIES - bij de test wordt alleen een meting uitgevoerd als een risico is op drukverlies Twee ijkmanometers worden op en in de plaats van een dop geplaatst, de ene dichtbij de toevoer van de spuitkranssectie, de andere op het uiteinde van de sectie. Eventuele drukverschillen worden nagegaan bij een referentiedruk aan de toevoer van de spuitkranssectie.

L. AFZONDERLIJK DEBIET VAN DE DOPPEN - visuele test L1 Er wordt nagegaan of de spuitdoppen links en rechts op de spuitkrans symmetrisch homogeen zijn met betrekking tot het merk, het type, de maat, de hoek en dichtingsringen. - bij de test wordt een meting uitgevoerd L2 Het afzonderlijk debiet van de spuitdoppen wordt direct op het spuittoestel gemeten. De debieten van gelijk gecodeerde doppen worden met elkaar en met het debiet van een nieuwe dop (referentie) bij een bepaalde referentiedruk vergeleken. Wanneer een spuittoestel is uitgerust met meer dan 1 reeks doppen, worden alle doppenreeksen gecontroleerd.

M. SPUITDOPHOUDERS - bij de test wordt alleen een meting uitgevoerd als er een risico is op slijtage aan de spuitdophouders Indien de oorzaak voor het verschil in debiet niet bij de doppen ligt (L2), doch bij de dophouder, wordt een meting uitgevoerd. Hiertoe worden eerst het debiet van de doppen gemeten (cfr L2). De doppen worden van plaats gewisseld en hun debiet wordt opnieuw gemeten en vergeleken.

N. REGELSYSTEEM - bij de test wordt een meting uitgevoerd N1 en N2 De werking van de regelsystemen constante druk (CD) en debiet evenredig met motor-toerental (DPM) wordt niet nagegaan. De mechanische en elektronische regelsystemen (DPAm en DPAe) waarbij het debiet evenredig met de rijsnelheid geregeld wordt, evenals de electronische aanduidingen van het per hectare gespoten volume, worden gecontroleerd. Het tijdens een bepaalde tijd verspoten debiet en de rijsnelheid worden bepaald. Het werkelijke verspoten volume/hectare wordt berekend en vergeleken met het volume dat de gebruiker had ingesteld. - visuele test N3 De werking van de openings- en sluitingskleppen van de spuitkranssecties en van de drukregelklep worden gecontroleerd.

O. LEKKEN - visuele test O1 en O2 Plaatsen waar lekken werden opgemerkt, worden geïdentificeerd.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^