Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 16 mei 2001
gepubliceerd op 21 juni 2001

Koninklijk besluit houdende vrijstelling van bepaalde werkgevers- en werknemersbijdragen ten behoeve van de ondernemingen behorende tot de sleepvaartsector

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid en ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
2001022354
pub.
21/06/2001
prom.
16/05/2001
ELI
eli/besluit/2001/05/16/2001022354/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

16 MEI 2001. - Koninklijk besluit houdende vrijstelling van bepaalde werkgevers- en werknemersbijdragen ten behoeve van de ondernemingen behorende tot de sleepvaartsector


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid op artikel 37ter, ingevoegd bij de wet van 24 december 1999;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale zekerheid gegeven op 23 juni 2000;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven op 20 juni 2000;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting gegeven op 16 oktober 2000;

Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek om advies door de Raad van State binnen een termijn van één maand;

Gelet op het advies 31.038/1 van de Raad van State, gegeven op 11 januari 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Overwegende dat onderhavige maatregelen genomen worden in het kader van de Communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer en dat de artikelent 10 en 11 van de Grondwet een verschil in behandeling tussen categorieën van personen niet uitsluiten, voor zover dat verschil op een objecief criterium berust en het redelijk verantwoord is;

Overwegende dat voormelde Communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer een objectief criterium dat redelijk verantwoord is uitmaakt;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid en van Onze Minister van Sociale Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de werkgevers die zijn toegetreden tot de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 maart 2000 i.v.m. een werkgelegenheidsclausule in toepassing met de sociale lastenvermindering toegekend aan de ondernemingen met een zeesleepactiviteit, voor de werknemers tewerkgesteld aan boord van in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen met een zeebrief die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en aan de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

Art. 2.§ 1. De in artikel 1 bedoelde werkgevers die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 3, worden vrijgesteld van de verplichting om voor hun in artikel 1 bedoelde werknemers de werkgeversbijdragen te betalen bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7° en 9° en 3bis van voormelde wet van 29 juni 1981. § 2. Onder dezelfde voorwaarden, wordt de werkgever toegelaten de werknemersbijdragen, berekend op basis van een kwartaalloon van 1/4de van het bedrag bedoeld in artikel 7, derde lid van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust en overlevingspensioen voor werknemers, te betalen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het bedrag dat overeenstemt met de persoonlijke bijdragen berekend op het verschil tussen dit begrensd loon en het driemaandelijks brutoloon te behouden.

Art. 3.§ 1. De werkgevers bedoeld in artikel 1 moeten, gedurende de periode dat zij genieten van de vermindering van bepaalde werkgevers- en werknemersbijdragen, tenminste het arbeidsvolume aan boord van de schepen, waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd, handhaven en dit vanaf de aanvang van deze bijdragevermindering. § 2. De Minister van Werkgelegenheid en de Minister van Sociale Zaken bepalen wat dient te worden verstaan onder het tenminste handhaven van het arbeidsvolume en bepalen tevens de nadere regelen m.b.t. het te leveren bewijs dat voldaan is aan de in § 1 gestelde voorwaarden. § 3. Van het in § 2 bedoelde tenminste te handhaven arbeidsvolume kan worden afgeweken, indien de werkgevers overmacht inroepen. § 4. Het Paritair Comité voor de Binnenscheepvaart en, vanaf haar oprichting, het Paritair Subcomité voor de Sleepdiensten, maakt jaarlijks en uiterlijk vóór 30 april een evaluatierapport over aan de Minister van Werkgelegenheid en de Minister van Sociale Zaken.

Art. 4.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000.

Art. 5.Onze Minister van Werkgelegenheid en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, elk wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 16 mei 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE

^