Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 01 februari 2001
gepubliceerd op 28 februari 2001

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, houdende sommige bepalingen betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2001012052
pub.
28/02/2001
prom.
01/02/2001
ELI
eli/besluit/2001/02/01/2001012052/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

1 FEBRUARI 2001. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, houdende sommige bepalingen betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, houdende sommige bepalingen betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 1 februari 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen Collectieve arbeidsovereenkomst van 21 maart 2000 Sommige bepalingen betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden (Overeenkomst geregistreerd op 11 mei 2000 onder het nummer 54871/CO/319) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werknemers en werkgevers van de inrichtingen en diensten die ressorteren onder het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen die erkend en/of gesubsidieerd zijn door de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook voor de inrichtingen en diensten van het Waals Gewest en van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die dezelfde activiteiten uitoefenen en die noch erkend noch gesubsidieerd zijn.

Onder "werknemers" worden de mannelijke en vrouwelijke bedienden, en de werklieden en werksters verstaan. HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot regeling van de externe verblijven

Art. 2.De periodes van aanwezigheid tijdens de verblijven buiten de inrichtingen en diensten en die niet worden beschouwd als arbeidstijd, worden vergoed in de vorm van een verblijfsvergoeding die vastgesteld is op een geïndexeerd bedrag van 1 000 BEF (of een hoger bedrag, te weten het maximum bepaald bij koninklijk besluit en advies van de Nationale Arbeidsraad) per verblijfsperiode van 24 uren buiten de inrichting of de dienst, alsook de dag van aankomst of vertrek van minder dan 24 uren. Per periode van 24 uren wordt voor elke periode die niet als arbeidstijd wordt beschouwd een forfaitaire recuperatie van 5 uren toegekend.

Art. 3.Dit hoofdstuk beoogt elk verblijf dat tot doel heeft aan de rechthebbenden van de betrokken diensten en instellingen een onderbreking te bezorgen van het dagelijkse levensritme, en dit in het bijzonder tijdens de schoolvakanties of vakantieperiodes, maar ook tijdens sommige weekends of feestdagen. Het gaat vooral om vakantieperiodes of ontspanningsactiviteiten die worden georganiseerd door een aangepaste ploeg van de instelling of van de dienst, en die bestaan uit prestaties die aangepast zijn aan de soort activiteiten die worden voorgesteld tijdens deze vakantie- of ontspanningsverblijven.

Art. 4.Behalve in geval van overmacht beoordeeld door het verzoeningsbureau van het paritair subcomité, moet elke werknemer, als hij ertoe geroepen wordt, begeleidingsprestaties verrichten in een externe verblijf voor een maximum van 15 dagen per kalenderjaar. Het aantal dagen mag enkel hoger liggen als de werknemer hiermee akkoord gaat.

Art. 5.Per periode van 7 dagen, en onafhankelijk van de zondagrust, heeft de werknemer de toestemming om, zodra het verblijf afgelopen is, ten minste een dag te genieten van de totale recuperaties die verworven werden door de prestatie van het verblijf. De concrete modaliteiten inzake arbeidsorganisatie tijdens deze periodes worden vastgesteld door de ondernemingsraad of, in overleg met de vakbondsafvaardiging, of in het arbeidsreglement. HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot regeling van sommige prestaties

Art. 6.Buiten de verblijven buiten de instelling of de dienst, en rekening houdend met de definitie van de arbeidstijd voor de sector, wordt een maximumperiode van 3 uren per 24 uren, tussen 20 uur en 6 uur, niet beschouwd als arbeidstijd, aangezien deze periode van 3 uren forfaitair wordt beschouwd als noodzakelijke rustperiode voor de werknemer. In dit geval worden alle aanwezigheidsuren vergoed aan het verschuldigd tarief en gelijkgesteld als arbeidstijd. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen tot regeling van de thuiswacht

Art. 7.Wordt niet beschouwd als arbeidstijd de periode tijdens dewelke de werknemer niet ter beschikking staat van de werkgever, maar evenwel een dringende oproeping kan beantwoorden in verband met de geldende reglementering bepaald door de voogdijoverheden en de functie voor dewelke hij bij overeenkomst verbonden is met zijn werkgever.

Art. 8.Wat de periodes betreft gedurende dewelke de werknemer niet ter beschikking staat van de werkgever, maar thuis oproepbaar blijft, de periodes tijdens dewelke de medewerker oproepbaar is om een dringende oproep te kunnen beantwoorden, deze worden gevaloriseerd in de vorm van een vergoeding van 150 BEF geïndexeerd per uur, met een maximum van 1 650 BEF geïndexeerd per 24 uren (index 121,90 op 1 januari 2000). Deze bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Wanneer, ingevolge een oproeping, de dringende aanwezigheid vereist is in de instelling of de dienst, wordt deze prestatieperiode vergoed aan 150 pct. en gerecupereerd.

Art. 9.Het arbeidsreglement van de betrokken instellingen en diensten voorziet in de soort activiteiten, de functies, de arbeidstijdregelingen en de periodiciteiten van dit soort prestatie.

Het reglement bepaalt eveneens de wijze van vergoeding, de plaats of de geografische zone waar de oproepbare persoon zich mag bevinden, de frekwentie, de gebruikte technologie, de antwoordprocedure, de soorten aan te brengen antwoorden, de tenlasteneming van de kosten die gekoppeld zijn aan dit soort prestatie (kosten inzake technologie, reiskosten, kosten gekoppeld aan het antwoord), alsook het verband tussen de prestaties, de reglementering en de functie van de werknemer. HOOFDSTUK V. - Bepalingen tot regeling van de gemiddelde duur van de arbeidstijd

Art. 10.Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten op het niveau van de instellingen en diensten, bedraagt de minimumperiode op basis waarvan de wekelijkse arbeidstijd moet worden nageleefd 4 weken. Deze wordt echter over een langere periode nageleefd, zonder de periode van 52 weken te mogen overschrijden, op voorwaarde dat de arbeidstijdregeling van de betrokken personeelsleden door deze uitbreiding van de duur, wordt opgemaakt over dezelfde periode en ten minste een maand voor de inwerkingtreding ervan gekend is door het betrokken personeel.

De wijzigingen van deze arbeidstijdregeling zouden evenwel kunnen gebeuren met het akkoord van de werknemer om aan bepaalde situaties het hoofd te bieden, zoals ziekte, vertrek, aanvragen om verwisseling van arbeidstijdregeling enz... HOOFDSTUK VI. - Bepalingen tot regeling van de periode tussen twee prestaties in bepaalde gevallen

Art. 11.Voor het personeel van wie een gedeelte van de prestaties plaatsvindt tussen 20 uur en 6 uur, en behalve bij verhindering in geval van overmacht, wanneer een prestatie bestaat uit een pedagogische vergadering, een opleidingssessie, een prestatie gekoppeld aan de uitoefening van een vakbondsmandaat of een prestatie van referent, en deze gevolgd of voorafgegaan wordt door een andere prestatie, mag de periode tussen deze twee prestaties korter zijn dan de minimumperiode (11 uur), in dit geval, mag de periode die voorafgaat aan de eerste van de twee prestaties alsook de periode die volgt op de tweede prestatie niet korter zijn dan 11 uur.

Wanneer deze prestaties een bijkomende verplaatsing teweegbrengen, moet deze worden beschouwd als "zendingsverplaatsing" en als dusdanig worden vergoed. HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot regeling van de rustperiode tussen twee prestatiegedeelten van dezelfde aard

Art. 12.Teneinde de prestaties niet onnodig te verzwaren en rekening houdend met het bestaan van een koninklijk besluit tot bepaling van de arbeidstijd in de sector, mag de pauze die wordt toegekend tussen twee prestatiegedeelten van dezelfde aard niet meer bedragen dan 90 minuten.

Wordt niet beschouwd als prestatie van dezelfde aard, een prestatie waarvan een gedeelte bestaat uit een ploegvergadering, een deelname aan contacten met de families of de omgeving van de rechthebbende (de verplaatsingen in verband met dit soort prestatie moeten worden beschouwd als "zendingsverplaatsingen", en als dusdanig vergoed) of de prestaties die gekoppeld zijn aan de uitoefening van een vakbondsmandaat.

Voor elke afwijking van deze bepaling moet een collectieve arbeidsovereenkomst worden gesloten met de vrijgestelde(n) van de vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de instelling of dienst, of bij gebreke daarvan, met ten minste twee gewestelijke vrijgestelden van de vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het paritair comité. HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen tot regeling van het oplossen van geschillen

Art. 13.De bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst hebben tot doel het welzijn van de rechthebbenden, de naleving van het pedagogisch project en de arbeidsvoorwaarden van het personeel te verzoenen. Voor de toepassing ervan is dan ook een passend klimaat van overleg noodzakelijk in alle instellingen en diensten, met name om de frekwentie van de onregelmatige prestaties te organiseren (nacht, weekend, avond, feestdag en onderbroken dienst).

Eventuele geschillen die voortvloeien uit de toepassing ervan zullen worden voorgelegd aan het verzoeningsbureau van het Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen van de Franse Gemeenschap. HOOFDSTUK IX. - Bepalingen tot regeling van de afwijkingen van deze overeenkomst

Art. 14.Elke afwijking van de bepalingen van deze overeenkomst, gerechtvaardigd door de aard van de prestaties die worden vereist door de opdrachten van de instelling of van de dienst en de kwaliteit van de prestaties die eruit moet voortvloeien, moet voor akkoord worden voorgelegd aan het paritair comité. HOOFDSTUK X. - Bepalingen tot regeling van de vroegere akkoorden

Art. 15.Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft tot doel de modaliteiten vast te stellen van sommige prestaties. Als voor deze prestaties tot nu toe plaatselijke overeenkomsten gesloten waren, moeten de partijen die deze plaatselijke overeenkomsten hebben gesloten de mogelijkheid onderzoeken om deze geheel of gedeeltelijk te handhaven, rekening houdend met : de wettelijke verplichtingen inzake arbeidsduur; de financiële verplichtingen en compensaties die voortvloeien uit deze collectieve arbeidsovereenkomst; de bepalingen van de voogdijoverheden betreffende de financiering van de omkaderingsnormen en van de lonen en vergoedingen.

Bovendien blijft de mogelijkheid bestaan om een beroep te doen op de bepalingen van artikel 14 als een afwijking van de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst noodzakelijk mocht blijken, of van de bepalingen van artikel 13 als in dit verband geschillen mochten ontstaan. HOOFDSTUK XI. - Slotbepalingen

Art. 16.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2000 en houdt op van kracht te zijn op 1 januari 2002.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2001.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^