Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 17 mei 2002
gepubliceerd op 19 juni 2002

Besluit van de Vlaamse regering betreffende erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2002035781
pub.
19/06/2002
prom.
17/05/2002
ELI
eli/besluit/2002/05/17/2002035781/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

17 MEI 2002. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling


De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 29 mei 1984 houdende oprichting van de instelling Kind en Gezin, inzonderheid op artikel 4bis , ingevoegd bij het decreet van 24 juni 1997;

Gelet op het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen, inzonderheid op de artikelen 7 § 1, 8 en 10 § 1;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling;

Gelet op het overleg binnen de sectorale overleggroep inzake vertrouwenscentra kindermishandeling;

Gelet op het advies van de raad van bestuur van Kind en Gezin, gegeven op 27 september 2000;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 10 juli 2001;

Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van één maand;

Gelet op het advies 32.407/3 van de Raad van State, gegeven op 12 februari 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° kindermishandeling : een situatie waarin een kind lichamelijk of psychisch schade wordt berokkend, actief door schadelijk optreden of passief door ernstige nalatigheid van volwassenen die voor het kind moeten zorgen;2° vertrouwenscentrum kindermishandeling : een centrum dat aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk II van dit besluit voldoet en overeenkomstig dit besluit door de Vlaamse regering erkend is;3° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen.4° de gebruiker : gebruiker in de zin van artikel 2 van het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen. HOOFDSTUK II. - Erkenningsvoorwaarden

Art. 2.Het vertrouwenscentrum kindermishandeling, hierna « het centrum » te noemen, fungeert als meldpunt voor kindermishandeling en vermoedens van kindermishandeling.

Art. 3.§ 1.Het centrum biedt hulp- en dienstverlening naar gelang de behoeften van het kind, rekening houdend met de principes van spreekrecht, participatie en evaluatie van het effect voor het kind.

Het speelt zo snel mogelijk in op de vragen en houdt daarbij rekening met de aard en de urgentie van de vragen, binnen de opdrachten van het centrum waarbij het kind centraal staat. § 2. In het kader van en met het oog op een efficiënte hulpverlening ontwikkelt het centrum een werkzame diagnose die kan resulteren in een gepaste doorverwijzing.

Het zorgt uitzonderlijk zelf voor de begeleiding en de behandeling van slachtoffers van kindermishandeling en hun gezin, met name indien doorverwijzing niet wenselijk of onuitvoerbaar is.

Art. 4.Het centrum kan gedurende het hulpverleningsproces de problematiek van kindermishandeling duiden en benoemen ten aanzien van het kind en de ouders.

Art. 5.Het centrum stippelt een hulpverleningsaanbod uit met inspraak van en in overleg met de gebruikers. Daarbij wordt uitgegaan van de behoeften van het kind.

Art. 6.Het centrum voert een meersporenbeleid in het belang van het kind waarbij alle partijen die bij het hulpverleningsproces betrokkenen zijn erbij betrokken blijven. Het stimuleert de ouders in het opnemen van hun ouderrol en ondersteunt hen daarin.

Art. 7.Het centrum werkt voor de hulp- en dienstverlening samen met externe, relevante personen of diensten. In dit kader sluit het samenwerkingsakkoorden met de andere voorzieningen die ook op het domein van kindermishandeling werkzaam zijn, vooral met de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg.

De minister kan bepalen met welke overige sectoren en volgens welke procedure de samenwerkingsakkoorden worden gesloten.

Art. 8.Het centrum treft maatregelen die respect voor de basisrechten en de gebruikersrechten waarborgen en die conform zijn aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Art. 9.Het centrum zorgt voor de ondersteuning van hulpverleners die te maken hebben met de problematiek van kindermishandeling, en die in dat verband contact opnemen. Het zorgt ook voor de systematische overdracht van zijn deskundigheid inzake kindermishandeling aan andere relevante instanties.

Art. 10.Het centrum draagt bij tot de sensibilisering van de samenleving voor de problematiek van kindermishandeling.

Art. 11.Het centrum signaleert aan de bevoegde instanties op een systematische wijze ontwikkelingen en knelpunten, tekorten en behoeften inzake de hulpverlening rond kindermishandeling.

Art. 12.§ 1. Het centrum is laagdrempelig en 24 uur per dag telefonisch bereikbaar.

De minister kan de voorwaarden creëren voor het realiseren van een wachtdienst buiten de kantooruren. § 2. Het centrum beschikt over de nodige infrastructuur, die aangepast is aan de opdrachten van het centrum en die met name de veiligheid en de privacy waarborgt.

Art. 13.§ 1. Het centrum werkt multidisciplinair. Hiertoe beschikt het over een basisteam met een arts, een licentiaat in de psychologie of pedagogie, een maatschappelijk assistent en een administratieve medewerker.

In het basisteam worden minstens 4,5 voltijdse equivalenten opgenomen.

Daarbij moet elk van de in het eerste lid genoemde kwalificaties minimaal uit een halftijdse functie bestaan. § 2. De personeelsleden van het centrum zijn voldoende competent en professioneel voor de opdrachten die zij moeten vervullen zoals vermeld in hun profiel- en functieomschrijving. Deze omschrijving vormt het uitgangspunt voor de selectie en voor systematische en geregelde functionerings- en evaluatiegesprekken. § 3. Het centrum heeft voor alle personeelsleden een vormingsbeleid dat in samenspraak met hen opgesteld wordt en dat gericht is op de ontwikkeling van de eigen deskundigheid met betrekking tot het vervullen van de opdrachten van het centrum. § 4. In het personeelsbeleid van het centrum worden voorwaarden gecreëerd van een goed samenwerkingsklimaat. Er is bijzondere aandacht voor de inspraak van de personeelsleden, voor participatie- en autonomiekansen en voor teamwerking.

Art. 14.Het centrum beschikt over een duidelijke profilering in overeenstemming met zijn werking en maakt die bekend.

Art. 15.Het centrum werkt mee aan de door de overheid gevraagde registratie.

Art. 16.Het centrum is opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk.

Het deelt alle wijzigingen in de statuten en in de samenstelling van de raad van bestuur mee aan Kind en Gezin.

Art. 17.§ 1.Het centrum voert een gezond financieel beleid. § 2. Het onderwerpt zich aan het toezicht van Kind en Gezin op de besteding van de subsidies die aan het centrum zijn toegekend. § 3. Het centrum voert een boekhouding overeenkomstig een rekeningstelsel en volgens de richtlijnen die door Kind en Gezin worden bepaald.

Art. 18.Het centrum beschikt over een doeltreffende klachtenprocedure, die aan de gebruiker bekend gemaakt wordt en binnen een redelijke termijn een antwoord op een klacht garandeert.

Art. 19.Het centrum respecteert de geldende wetgeving inzake het beroepsgeheim.

Art. 20.Het centrum onderwerpt zich aan de controle en de inspectie van Kind en Gezin.

Art. 21.De minister legt de bepalingen vast met betrekking tot de minimale elementen van kwaliteitszorg. HOOFDSTUK III. - Erkenning en intrekking van de erkenning

Art. 22.§ 1. Het centrum dient zijn aanvraag tot erkenning in bij Kind en Gezin, met toevoeging van de volgende documenten : 1° de stukken waaruit blijkt dat het aan de erkenningsvoorwaarden voldoet;2° een verantwoordingsnota op basis van de vastgestelde behoeften, waarin op uitvoerige wijze de noodzaak van een centrum wordt aangetoond en het doelstellingenprogramma van het centrum wordt toegelicht, alsmede het actieplan om dat te verwezenlijken. § 2. Kind en Gezin onderzoekt, indien nodig na opvraging van extra aanvullende stukken of inlichtingen, of de aanvraag aan de voorgeschreven ontvankelijkheidsvereisten voldoet en of het centrum dat de aanvraag heeft ingediend voldoende kwalitatieve waarborgen biedt voor een adequate werking. § 3. Kind en Gezin kan in elke provincie van het Nederlandse taalgebied en in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad één centrum erkennen. § 4. Het centrum wordt erkend voor onbepaalde termijn.

Art. 23.§ 1. De erkenning kan worden ingetrokken als : 1° het centrum niet meer aan de in dit besluit gestelde voorwaarden voldoet;2° het centrum de inlichtingen die het ter uitvoering van de bepalingen van dit besluit aan Kind en Gezin moet leveren, wetens en willens vervalst;3° het centrum een ernstige onregelmatigheid begaat, vooral met betrekking tot de bepalingen van artikel 33. § 2. Als Kind en Gezin zich voorneemt om de erkenning in te trekken, wordt het centrum van het met redenen omklede voornemen per aangetekende zending op de hoogte gebracht. HOOFDSTUK IV. - Beroepsprocedure

Art. 24.Het centrum kan beroep aantekenen bij de minister tegen de volgende beslissingen of tegen een formeel betekend voornemen tot het nemen van één van die beslissingen : 1° de weigering van de erkenning;2° de intrekking van de erkenning.

Art. 25.Het centrum dient in dit geval op straffe van niet-ontvankelijkheid uiterlijk 15 kalenderdagen na kennisneming van de in artikel 24 genoemde beslissingen een gemotiveerd beroepschrift in bij Kind en Gezin.

Art. 26.Het beroepschrift bevat eveneens op straffe van niet-ontvankelijkheid de volgende gegevens en documenten : 1° naam en adres van het centrum;2° datum van ontvangst van de betwiste beslissing of het voornemen daartoe;3° een referte of een kopie van de betwiste beslissing of het voornemen daartoe;4° een uitvoerige motivering van het beroep;5° naam en handtekening van de voorzitter van het centrum;6° datum waarop het beroep wordt ingesteld.

Art. 27.De administratie van Kind en Gezin beslist binnen 15 dagen na ontvangst van het beroepschrift over de ontvankelijkheid van het beroep, motiveert die beslissing en brengt het centrum hiervan onmiddellijk per aangetekende brief op de hoogte.

Art. 28.§ 1. Bij een beroep tegen de intrekking van de erkenning, kan de administratie van Kind en Gezin tevens binnen 15 dagen na ontvangst van het beroepschrift beslissen dat het beroep geen schorsend karakter heeft. Die mogelijkheid wordt beperkt tot de gevallen waarbij een ernstig gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de cliënteel en de medewerkers dreigt. In alle andere gevallen is het beroep schorsend. § 2. Als besloten wordt dat het beroep niet schorsend is, stuurt de administratie van Kind en Gezin de gemotiveerde beslissing onmiddellijk per aangetekende brief aan het organiserende bestuur.

Art. 29.§ 1. Overeenkomstig artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden, bezorgt Kind en Gezin het ontvankelijke beroepschrift samen met het volledige administratieve dossier en eventuele verweermiddelen aan de commissie.

Kind en Gezin bezorgt tegelijkertijd een kopie van het beroepschrift aan de minister. § 2. Het beroep wordt verder behandeld volgens de procedure, bedoeld in het in § 1 genoemde besluit. HOOFDSTUK V. - Subsidiëring

Art. 30.§ 1. Elk centrum ontvangt jaarlijks een basissubsidie. Deze basissubsidie bedraagt : 1° voor het jaar 2002 : 250.258,68 euro; 2° voor het jaar 2003 : 250.874,07 euro; 3° voor het jaar 2004 : 251.536,93 euro; 4° vanaf het jaar 2005 : 252.647,75 euro. § 2. De minister kent jaarlijks een extra subsidie toe van minimaal 1.234.973,34 euro die tussen de erkende centra wordt verdeeld in verhouding tot het aantal minderjarigen die in de desbetreffende provincie van het Nederlandse taalgebied of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad in de bevolkingsregisters ingeschreven zijn.

Voor het centrum dat gevestigd is in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, wordt de in het eerste lid genoemde extra subsidie met 1 % verhoogd, met het oog op de verwerking van de meldingen van minderjarigen die hun woonplaats hebben buiten het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Hiertoe wordt 1 % afgehouden van de extra subsidies van de aangrenzende provincies, meer bepaald 0,5 % van Vlaams-Brabant, 0,25 % van Antwerpen en 0,25 % van Oost-Vlaanderen. § 3. De in § 1 en § 2 genoemde subsidies mogen uitsluitend aangewend worden om de uitgaven te dekken die specifiek zijn voor het functioneren van het centrum en die niet gedragen worden of gedragen kunnen worden door de voorzieningen, bedoeld in artikel 7. § 4. De in § 1 en § 2 genoemde subsidies worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. De bedragen zijn vastgesteld op basis van de gezondheidsindex van december 2000, meer bepaald op 106,4.

Art. 31.Elk centrum besteedt 70 % tot 85 % van het totale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 30, § 1 en § 2, aan personeelskosten en 15 % tot 30 % aan werkingskosten.

Art. 32.§ 1. Als de subsidie die krachtens dit besluit toegekend is, meer bedraagt dan de reële uitgaven die bedoeld worden in artikel 30, § 3, moet het centrum met het saldo reserves opbouwen. § 2. Die reserves moeten worden aangewend voor dezelfde doeleinden en onder dezelfde voorwaarden als de subsidie, uitgekeerd volgens dit besluit. § 3. Reserves opgebouwd na 1 januari 1997 die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidies, genoemd in artikel 30, § 1 en § 2, worden integraal teruggestort aan Kind en Gezin.

Art. 33.De subsidie, vermeld in artikel 30, wordt per kalenderjaar toegekend aan elk centrum dat erkend is overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en dat aan Kind en Gezin de volgende stukken meedeelt, overeenkomstig de richtlijnen van Kind en Gezin : 1° stukken over het voorbije werkingsjaar : a) een boekhoudkundig verslag over het voorbije werkingsjaar en een begroting voor het komende werkingsjaar, die door de bevoegde organen van het centrum zijn goedgekeurd en waarin de subsidies worden vermeld die van andere openbare besturen werden ontvangen of worden verwacht;b) een lijst van de leden van het team, bedoeld in artikel 13, § 1, van dit besluit, met vermelding van hun diploma's en hun ervaring inzake kindermishandeling;c) een verslag over de activiteiten van het voorbije werkingsjaar, met in het bijzonder een analyse van de behandelde problemen, de gevolgde methoden, de samenwerking met andere voorzieningen en een evaluatie van het optreden van het centrum met betrekking tot de resultaten;2° andere stukken over het lopende jaar, zoals bepaald door Kind en Gezin en in te dienen binnen de door Kind en Gezin vastgestelde termijnen. HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

Art. 34.Het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling, wordt opgeheven.

Art. 35.§ 1. De centra die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit reeds erkend zijn, moeten uiterlijk binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, genoemd in hoofdstuk II van dit besluit. § 2. De bepalingen van het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen treden, wat de sector vertrouwenscentra kindermishandeling betreft, in werking op 1 januari 2002. § 3.Tijdens de driejarige overgangsperiode, waarvan sprake is in § 1, behouden de centra, bedoeld in § 1, hun erkenning op basis van de voorwaarden waarop ze erkend werden. § 4.De centra die worden erkend vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit vallen volledig onder de bepalingen van dit besluit.

Art. 36.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Art. 37.De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 17 mei 2002.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, M. VOGELS

^