Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 13 juli 2012
gepubliceerd op 08 augustus 2012

Besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen

bron
vlaamse overheid
numac
2012035864
pub.
08/08/2012
prom.
13/07/2012
ELI
eli/besluit/2012/07/13/2012035864/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

13 JULI 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen


VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING 1. Algemene toelichting De Vlaamse Regering heeft op 6 juli 2012 het decreet tot wijzing van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de Codex) betreffende de Raad voor Vergunningsbetwistingen bekrachtigd en afgekondigd. De ambitie die aan de grondslag ligt van de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, is het instellen van een gespecialiseerd administratief rechtscollege dat dankzij zijn specialisatie tot snelle uitspraken komt zonder dat die snelheid ten koste gaat van de kwaliteit van de geschillenbeslechting.

Het uitgangspunt van het decreet van 6 juli 2012 is de vaststelling dat meer dan twee jaar na de oprichting van de Raad die ambitie niet altijd wordt waargemaakt.

Vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming kan met deze situatie onmogelijk genoegen worden genomen. Alle bij het beroep betrokken partijen of derden van wie de belangen op het spel staan, hebben er recht op dat de rechtsonzekerheid niet blijft aanslepen en dat het beroep binnen een redelijke termijn wordt berecht.

Hiervoor bestaan verschillende oorzaken.

In de eerste plaats werd bij de oprichting van de Raad voor Vergunningsbetwistingen het aantal dossiers bij de Raad ingeschat op een ruime 300 tot een kleine 350 beroepsdossiers op jaarbasis.

Uit de voorbije twee eerste werkjaren is gebleken dat de instroom bij de Raad significant hoger is. Zo werden tijdens het tweede werkjaar 1073 beroepen bij de Raad ingediend, bovenop de tijdens het eerste werkjaar ingediende 753 beroepen. Daartegenover stond dat de Raad gedurende het eerste anderhalf jaar slechts bestond uit een zeer beperkte personeelsformatie.

Dit heeft een belangrijke impact op de behandelingstermijn van de hangende dossiers.

Een tweede - en door de decreetgever remedieerbare - factor die de behandelingstermijn van de hangende dossiers beïnvloedt, is het voorzien van een duidelijke procedureregeling.

Uit de praktijk van de twee voorbije werkjaren is gebleken dat de procedureregeling in de Codex te summier en onvoldoende is - of onvoldoende delegatiemogelijkheden biedt om de procedure uit te werken in een Besluit van de Vlaamse Regering - om zo optimaal mogelijk een efficiënte en kwaliteitsvolle rechtspleging te verzekeren voor de procespartijen, met inbegrip van een afhandeling van het dossier binnen een redelijke termijn. Het decreet van 6 juli 2012 heeft dan ook een grondige aanpassing van de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen doorgevoerd in functie van een sneller en efficiënter procesverloop.

De delegaties die in het decreet van 6 juli 2012 aan de Vlaamse Regering worden gegeven, moeten in concrete uitvoeringsbepalingen worden omgezet alvorens de procedurele vernieuwingen in werking kunnen treden. Dat is het opzet van het thans voorliggende besluit.

Na het definiëren van een aantal veelgebruikte begrippen, wordt er een aantal algemeenheden geregeld : de bijstand door een raadsman, de berekening van de termijnen, de keuze van woonplaats, de door de verzoeker te bezorgen afschriften en het door de verweerder in te dienen administratieve dossier, de afstand van het geding en het samenvoegen van beroepen. Vervolgens wordt het verloop van de procedure op een voor de rechtzoekende logische en transparante manier geregeld, dat wil zeggen vanaf het indienen van het verzoekschrift tot en met de einduitspraak.

Verzoekschrift Het beroep bij de Raad wordt door middel van een verzoekschrift ingediend.

Artikel 11, tweede lid, bepaalt de inhoud van het verzoekschrift.

Welke stukken bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd, wordt in artikel 11, derde lid, geregeld.

Als de verzoeker naast de vernietiging ook de schorsing van de beslissing wil vorderen, moet hij daartoe een enig verzoekschrift indienen. Ook het enig verzoekschrift is een procedurele nieuwigheid die het decreet van 6 juli 2012 heeft ingevoerd. Artikel 4.8.15 van de Codex maakt hiervan een vereiste van ontvankelijkheid.

Een bij de Raad ingediend verzoekschrift moet in een daarvoor aangelegd register worden ingeschreven. Het doel van de registratie bestaat erin te onderzoeken of het verzoekschrift vormelijk in orde is en of de vereiste stukken zijn bijgevoegd. Alleen een verzoekschrift dat wordt geregistreerd, komt voor behandeling in aanmerking. Voldoet het verzoekschrift niet aan de gestelde vormvoorwaarden of gaat het niet vergezeld van de vereiste stukken, dan wordt de verzoeker de mogelijkheid geboden om die gebreken te regulariseren. Als het verzoekschrift niet, laattijdig of onvoldoende wordt geregulariseerd, dan wordt het niet ingeschreven. De procedure is daarmee afgelopen.

De griffier bezorgt een afschrift van het (geregulariseerd) verzoekschrift aan de verweerder, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is en aan de belanghebbenden bij de zaak, voor zover zij kunnen worden bepaald.

Het tijdstip waarop dit afschrift wordt overgemaakt, is verschillend naar gelang de Raad van oordeel is of de vereenvoudigde behandeling toegepast kan worden of niet.

Vereenvoudigde behandeling Wordt het verzoekschrift, al dan niet na regularisatie, in het register ingeschreven, dan bestaat de eerstvolgende stap erin dat de Raad onderzoekt of het beroep voor de procedure van vereenvoudigde behandeling in aanmerking komt. De vereenvoudigde behandeling is een aangepaste procedure die het decreet van 6 juli 2012 voor eenvoudig te berechten beroepen heeft ingevoerd. Het gaat om beroepen waaruit op grond van een eenvoudige lezing van het verzoekschrift of van de bijgevoegde stukken blijkt dat ze doelloos of kennelijk niet-ontvankelijk zijn of dat de Raad kennelijk onbevoegd is. Bij deze procedure wordt enkel de verzoeker betrokken. De Raad doet op zeer korte termijn uitspraak. Besluit de Raad dat het beroep doelloos of kennelijk niet-ontvankelijk is of dat hij kennelijk onbevoegd is, dan is de procedure afgelopen.

De gewone procedure neemt een aanvang als de Raad na registratie van het verzoekschrift of onmiddellijk heeft afgezien van de procedure van vereenvoudigde behandeling of bij arrest heeft besloten dat de voorwaarden niet vervuld zijn om het beroep volgens de procedure van vereenvoudigde behandeling te berechten.

Zoals vermeld wordt een afschrift van het verzoekschrift betekend aan de verweerder, het betrokken college van burgemeester en schepenen en de belanghebbenden opgesomd in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, van de Codex.

Indien de Raad van oordeel is dat de vereenvoudigde procedure geen toepassing kan vinden, wordt het afschrift van het verzoekschrift overgemaakt zodra het afschrift in het register ingeschreven is.

Indien er wel toepassing wordt gemaakt van de vereenvoudigde behandeling, zal het afschrift van het verzoekschrift maar worden overgemaakt als de Raad niet besluit dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is. In dat geval wordt het afschrift van het verzoekschrift overgemaakt op het ogenblik dat de uitspraak wordt betekend aan de verzoeker.

Besluit de Raad dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, is het niet nodig dat een afschrift van het verzoekschrift overgemaakt wordt. De procedure is dan immers afgelopen. Een afschrift van het verzoekschrift overmaken zou dan slechts verwarring en onzekerheid oproepen.

Tussenkomst De betekening van een afschrift van het verzoekschrift doet voor de in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, van de Codex bepaalde belanghebbenden een vervaltermijn van twintig dagen ingaan om een verzoekschrift tot tussenkomst in de procedure tot schorsing, de procedure tot vernietiging dan wel beide procedures in te dienen.

Schorsing Wordt een enig verzoekschrift tot schorsing en vernietiging ingediend, dan verlopen de procedure tot schorsing en de procedure tot vernietiging opeenvolgend. De vordering tot schorsing wordt dus eerst afgehandeld.

De verweerder beschikt over een vervaltermijn van twintig dagen om het administratieve dossier en een nota met opmerkingen in te dienen. Die termijn gaat in na de betekening van een afschrift van het verzoekschrift.

Aan te stippen is dat de verzoeker tot tussenkomst, voor zover hij (ook) wil tussenkomen in de schorsingsprocedure, in zijn verzoekschrift tot tussenkomst meteen ook een schriftelijke uiteenzetting betreffende de vordering tot schorsing moet opnemen.

Omdat de vordering tot schorsing op korte termijn moet worden berecht, wordt daarvoor geen aparte termijn toegekend.

De partij die in de schorsingsprocedure aan het kortste eind heeft getrokken, zal op grond van artikel 4.8.19 van de Codex een verzoekschrift tot voortzetting van de procedure moeten indienen om het beroep tot vernietiging behandeld te zien worden. Heeft de Raad de bestreden beslissing geschorst, dan is het aan de verweerder of de tussenkomende partij om een verzoek tot voortzetting in te dienen. Als de voortzetting niet wordt gevraagd, dan zal de beslissing volgens een versnelde rechtspleging worden vernietigd. Heeft de Raad de vordering tot schorsing verworpen, dan ligt het initiatief bij de verzoeker. Als hij geen verzoek tot voortzetting indient of hij doet dat laattijdig, wordt de verzoeker op onweerlegbare wijze vermoed afstand van geding te doen. De partijen hebben het recht om vooraf te worden gehoord.

Vernietiging Het tegensprekelijk vooronderzoek in de vernietigingsprocedure bestaat uit het indienen van een antwoordnota door de verweerder, van een wederantwoordnota door de verzoeker en, als er een belanghebbende is tussengekomen, van een schriftelijke uiteenzetting door de tussenkomende partij.

Als alleen de vernietiging wordt gevorderd, beschikt de verweerder over een vervaltermijn van vijfenveertig dagen om het administratieve dossier en een antwoordnota in te dienen. Die termijn gaat in na de betekening van een afschrift van het verzoekschrift. De vervaltermijn voor de tussenkomende partij om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen, wordt op dertig dagen vastgesteld. Die termijn neemt een aanvang na de betekening van de uitspraak van de Raad waarbij het verzoekschrift tot tussenkomst ontvankelijk is verklaard.

Als een enig verzoekschrift tot schorsing en vernietiging is ingediend, wordt de vernietigingsprocedure, zoals gezegd, maar voortgezet als, naargelang het geval, de verzoeker, de verweerder dan wel de tussenkomende partij tijdig een verzoekschrift tot voortzetting hebben ingediend.

Heeft de Raad de schorsing bevolen, dan beschikt de verweerder na de betekening van het schorsingsarrest over een vervaltermijn van dertig dagen om een antwoordnota in te dienen. Dat de termijn op dertig - en geen vijfenveertig - dagen wordt vastgesteld, is verantwoord : de verweerder beschikte al over een termijn van twintig dagen in de schorsingsprocedure om zijn beslissing te verdedigen. De tussenkomende partij beschikt over diezelfde termijn van dertig dagen na de betekening van het schorsingsarrest om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.

Heeft de Raad de vordering tot schorsing verworpen, dan gaat de vervaltermijn van dertig dagen voor de verweerder en de tussenkomende partij in na de betekening van het verzoekschrift tot voortzetting dat de verzoeker heeft ingediend.

Nadat hem een afschrift van de antwoordnota - en bij tussenkomst ook een afschrift van de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij - is betekend, heeft de verzoeker een vervaltermijn van dertig dagen om een wederantwoordnota in te dienen. Heeft de verweerder geen (tijdige) antwoordnota ingediend, dan mag de verzoeker de wederantwoordnota door een toelichtende nota vervangen.

Na afloop van het vooronderzoek organiseert de Raad de zitting waarop het beroep tot vernietiging wordt behandeld en in voorkomend geval de getuigen worden gehoord. Daarna worden de debatten gesloten en neemt de Raad de zaak in beraad. De Raad heeft in overeenstemming met artikel 4.8.28, § 1, tweede lid van de Codex een ordetermijn van zestig dagen na de zitting om uitspraak te doen.

Tussengeschillen : bestuurlijke lus en bemiddeling Een zeer belangrijke innovatie van het decreet van 6 juli 2012 is dat de uitspraakbevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen worden verruimd. Het opzet van deze bevoegdheidsuitbreiding bestaat erin dat de Raad een oplossingsgerichte rechtspraak ontwikkelt. De vernietiging van de bestuursbeslissing als het uitsluitende doel van de procedure moet plaats maken voor uitspraken die het geschil definitief oplossen. Om die doelstelling te verwezenlijken, verleent het decreet van 6 juli 2012 de Raad de bevoegdheid om een bij hem ingesteld beroep te berechten door middel van de 'bestuurlijke lus' of door bemiddeling.

De bestuurlijke lus houdt in dat de Raad het vergunningverlenende bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om tijdens de procedure zelf de onregelmatigheden van de bestreden beslissing te (laten) herstellen, als die inderdaad herstelbaar zijn, zonder dat het tot een vernietiging komt. De vernietiging gesteund op een formalistische, remedieerbare grond beslecht wel het concrete vernietigingsberoep, maar daarmee wordt niet noodzakelijk het geschil definitief opgelost.

De uitvoering van het vernietigingsarrest vereist dat het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het nemen van een nieuwe beslissing de vernietigingsgrond verhelpt. Andere onrechtmatigheden die de Raad niet heeft onderzocht, kunnen dus opnieuw worden begaan.

De nieuwe beslissing kan dan op haar beurt een vernietigingsberoep bij de Raad uitlokken, vernietigd worden,...

De invoering van de bestuurlijke lus moet zoveel mogelijk uitspraken in de hand werken die het geschil definitief oplossen.

Vernietigingsarresten die het geschil maar gedeeltelijk oplossen, geen zekerheid geven over de andere aangevoerde onrechtmatigheden en tot een carrousel van procedures kunnen leiden, moeten de uitzondering worden. Als de beslissing enkel is aangetast door herstelbare onwettigheden, moet het vergunningverlenende bestuursorgaan de mogelijkheid krijgen om die nog in de loop van de rechterlijke procedure zelf recht te zetten. De vernietiging zou enkel mogen worden uitgesproken op grond van een onherstelbare onwettigheid, zodat het vergunningverlenende bestuursorgaan meteen weet dat het niet opnieuw dezelfde beslissing kan nemen.

Artikel 4.8.4 van de Codex bepaalt reeds de essentiële elementen van het verloop van de bestuurlijke lus. Het initiatief ligt in handen van de Raad. Oordeelt hij dat de bestuurlijke lus kan worden toegepast, dan bepaalt de Raad bij tussenarrest welke onregelmatigheden binnen welke termijn kunnen worden hersteld. Het vergunningverlenende bestuursorgaan beslist of hij van die mogelijkheid gebruik maakt. Als het vergunningverlenende bestuursorgaan daarop ingaat, hebben de andere partijen de mogelijkheid tot tegenspraak. De Raad bepaalt hoe de procedure wordt voortgezet.

De bestuurlijke lus wordt procedureel verder uitgewerkt.

Van dezelfde filosofie van oplossingsgerichte rechtspraak getuigt de invoering van de bemiddeling als alternatieve vorm van geschillenbeslechting. Artikel 4.8.5 van de Codex biedt daarvoor de wettelijke grondslag. Het doel van bemiddeling bestaat erin dat de partijen door middel van een rechtstreekse dialoog onder leiding van een bemiddelaar een voor iedereen aanvaardbare oplossing voor hun geschil zoeken. Achter de indiening van een beroep tot vernietiging kunnen diverse behoeften en belangen schuilgaan waaraan tot op verschillende wijzen kan worden tegemoetgekomen zonder dat de vernietiging hoeft te worden uitgesproken. In die gevallen waarin er onderhandelingsmarge en bereidheid tot dialoog bestaat, is het een goede zaak dat de partijen zelf de kans wordt gegeven om binnen welbepaalde wettelijke krijtlijnen samen naar een oplossing te zoeken die voor iedereen bevredigbaar is.

De basisbeginselen die voor elke bemiddeling gelden, werden reeds in de Codex geregeld.

In uitvoering van artikel 4.8.5, § 5, van de Codex worden de aanvullende maatregelen betreffende de organisatie van de bemiddeling bepaald.

Opheffing of herziening Op grond van artikel 4.8.32 van de Codex zijn de arresten die de Raad heeft uitgesproken vatbaar voor opheffing of herziening.

De vordering tot opheffing staat open tegen een arrest waarbij de schorsing is bevolen. Dat gebeurt niet ambtshalve, maar op verzoek van een van de partijen. Deze proceduremogelijkheid kan worden gebruikt wanneer de schorsing als gevolg van gewijzigde omstandigheden niet langer gerechtvaardigd zou zijn, bijvoorbeeld omdat na het schorsingsarrest het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de verzoeker verdwenen of aanzienlijk verminderd is.

Tegen een eindarrest over het beroep tot vernietiging kan een beroep tot herziening worden ingesteld. Zoals de vordering tot opheffing, kan ook dit rechtsmiddel enkel worden ingesteld door personen die bij het eindarrest partij waren. De herziening kan enkel worden gevorderd als na de uitspraak van het eindarrest doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of als het eindarrest werd gewezen op als vals erkende of vals verklaarde stukken.

De nadere regelen voor de toepassing van de procedureregeling worden nu bepaald.

Op 19 juni 2012 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen een gunstig advies verleend over dit besluit.

Op 3 juli 2012 verleende de Raad van State advies nr. 51.611/1.

Daar waar er opmerkingen geformuleerd werden bij specifieke artikelen, zal bij betreffende artikelen aangegeven worden hoe met het advies van de Raad van State werd omgegaan.

In het algemeen merkte de Raad van State op dat « 4.1.2. Ingevolge amendering bevat het op 27 juni 2012 aangenomen hoofdstuk VIII van titel IV van de Codex één artikel minder dan de versie van dat hoofdstuk in het oorspronkelijke voorstel van wijzigingsdecreet, met als gevolg dat elk artikel volgend op het weggelaten artikel - te weten, het voorgestelde artikel 4.8.11 - in de aangenomen tekst is vernummerd. Met dat gegeven is in het om advies voorgelegde ontwerp echter geen rekening gehouden, noch in de aanhef, bij de opgave van de rechtsgrond biedende bepalingen, noch in het dispositief. Er zijn daarnaast ook nog andere amenderingen van het oorspronkelijke voorstel die tot gevolg hebben dat verwijzingen in de aanhef en het dispositief van het ontwerp (en in het bijbehorende verslag aan de Vlaamse Regering) naar bepalingen van het genoemde hoofdstuk dienen te worden aangepast. » « 4.1.3. De verwijzing naar de rechtsgrond biedende bepalingen in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp, alsook de in het dispositief opgenomen verwijzingen naar bepalingen van hoofdstuk VIII van titel IV van de Codex, dienen dan ook, om onder meer rekening te houden met de hiervoor genoemde amenderingen, geheel te worden nagezien en verbeterd. Bovendien verdient het aanbeveling om, wat de rechtsgrond biedende bepalingen betreft, een aantal verwijzingen in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp preciezer te redigeren. » Deze preciseringen en aanpassingen werden aangebracht.

Zo ook stelde de Raad van State dat : « 5. De Vlaamse minister die bevoegd is voor de begroting heeft op 14 juni 2012 zijn akkoord verleend.

Van dat akkoord dient nog melding te worden gemaakt in de aanhef van het ontwerp, in een lid dat is in te voegen na het lid waarin wordt verwezen naar het advies van de inspecteur van Financiën. » De verwijzing naar dit akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting werd opgenomen.

Overeenkomstig Omzendbrief VR/2009/4 betreffende de wetgevingstechniek wordt, als het akkoord van de minister vereist is, in de aanhef van het besluit van de Vlaamse Regering alleen dat akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, en niet het advies van de Inspectie van Financiën vermeld. 2. Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1.- Algemene en institutionele bepalingen Artikel 1 definieert een aantal begrippen.

Artikel 2 bevestigt de zetel van de Raad. HOOFDSTUK 2. - Rechtspleging Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Artikel 3 stelt dat partijen zich in een procedure voor de Raad kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Is deze raadsman geen advocaat, zal hij van een volmacht doen blijken.

Deze volmacht wordt aan de Raad bezorgd zodra deze raadsman zich manifesteert. Ontbreekt de volmacht, dan wordt de betrokken partij geacht niet bijgestaan of vertegenwoordigd te zijn en het betrokken processtuk geacht niet te zijn ingediend.

Artikel 4 bepaalt de berekeningswijze van de termijnen, vermeld in hoofdstuk VIII, Codex en dit besluit.

De termijnen gaan in op een van volgende momenten : - de dag na deze van de betekening, wanneer een betekening vereist is, - de dag na de dag van opname in het vergunningenregister, in het geval van artikel 4.8.11, § 2, 2°, b) of 3°, b) van de Codex (inzake validerings- resp. registratiebeslissingen), - de dag na deze van de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen.

Onder betekening wordt verstaan de aanbieding van de zending door de postdiensten, niet de feitelijke kennisneming van de zending door de partij op een later tijdstip. Deze wordt geacht te gebeuren de werkdag na datum van de poststempel van de ter post aangetekende brief.

Met andere woorden, een aangetekende brief die op maandag 16 januari aangetekend verstuurd wordt, wordt geacht op dinsdag 17 januari aangeboden te worden. De termijnen gaan dan in op woensdag 18 januari.

Een aangetekende brief die op vrijdag 20 januari aangetekend verstuurd wordt, wordt geacht op maandag 23 januari aangeboden te worden. De termijnen gaan dan in op dinsdag 24 januari.

Dit is ook het geval als de bestemmeling van de aangetekende brief niet thuis is, en een week zou wachten om de brief af te halen bij het postkantoor.

De Raad van State stelde over het initieel geformuleerde artikel dat « 6. In artikel 4, § 2, van het ontwerp is geen rekening gehouden met het geval vermeld in artikel 4.8.11, § 2, 2°, b), van de Codex. Dit dient te worden verholpen.

Bovendien spoort de toelichting bij artikel 4, § 2, van het ontwerp in het verslag aan de Vlaamse Regering niet met de tekst van die bepaling, aangezien in die toelichting gewag wordt gemaakt van termijnen die ingaan, « hetzij de dag na deze van de betekening, wanneer een betekening vereist is, hetzij de dag na deze van de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen ». Ter wille van de rechtszekerheid dient dit eveneens te worden verholpen. » Ook aan deze opmerking werd tegemoetgekomen.

Zo werd in het besluit van de Vlaamse Regering de verwijzing naar artikel 4.8.11, § 2, 2°, b), van de Codex verwerkt in § 2, eerste lid, 2°, waar er reeds sprake was van een opname in het vergunningenregister.

Ook Verslag aan de Vlaamse Regering werd aangevuld met dit startpunt van het berekenen van termijnen.

Artikel 5 bepaalt dat partijen woonplaatskeuze moeten doen.

Voor de verzoeker en tussenkomende partij betekent dit in het verzoekschrift, voor de verweerder in zijn nota.

Die woonplaatskeuze geldt voor alle daaropvolgende proceshandelingen, tenzij een partij uitdrukkelijk en per beveiligde zending uitdrukkelijk aangeeft dat zij haar keuze wijzigt.

Artikel 6 bepaalt dat partijen vier voor eensluidend verklaarde afschriften van elk origineel verzoekschrift of processtuk aan de Raad bezorgen. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de verzoekschriften en processtukken die de betrokken partijen van de Raad ontvangen, overeenstemmen met wat er werd ingediend.

Artikel 7 bevat nadere regels omtrent de inventaris van de stukken en het administratieve dossier.

Artikel 8 regelt de kennisname van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken.

Artikel 9 verduidelijkt dat een verzoeker niet verplicht is een door hem ingesteld beroep te blijven handhaven, maar dat hij in elke stand van het geding uitdrukkelijk afstand kan doen van het door hem ingestelde beroep.

Het gaat in dit artikel over de vrijwillige afstand van geding.

De decreetgever heeft immers in een vermoeden van afstand van geding ingesteld, zoals bijvoorbeeld bij het niet indienen van een verzoek tot voortzetting door de verzoeker als de vordering tot schorsing door de Raad werd afgewezen.

Artikel 10 geeft de mogelijkheid weer dat beroepen die onderling zeer nauw verbonden zijn, samengevoegd kunnen worden.

De kamer waar de beroepen aanhangig zijn, beslist hier vrij over. Zijn de beroepen aanhangig bij verschillende kamers, kan de voorzitter de kamer aanwijzen die de samengevoegde beroepen zal behandelen. Afdeling 2. - Aanhangigmaking

Het eerste lid van artikel 11 geeft de wijze van aanhangingmaking van een beroep weer.

Het tweede lid verplicht de dagtekening van het verzoekschrift en somt de gegevens op die het verzoekschrift moet bevatten.

Let wel, het is de datum van de poststempel die bewijskracht heeft voor zowel de verzending als de ontvangst. Bij afgifte tegen ontvangstbewijs wanneer een verzoekschrift of ander processtuk neergelegd wordt ter griffie van de Raad, geldt de datum van het ontvangstbewijs als datum van betekening.

Het opschrift verschilt dus naargelang een vordering tot vernietiging wordt ingesteld, dan wel een vordering tot vernietiging met vordering tot schorsing. Conform artikel 4.8.15 van de Codex worden de vordering tot schorsing en de vordering tot nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid in één en hetzelfde verzoekschrift ingesteld.

Het derde lid van het besluit van de Vlaamse Regering geeft de stukken weer die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd.

Artikel 12 vraagt de verzoeker om een kopie van zijn verzoekschrift ter informatie aan de verweerder en de begunstigde van de bestreden beslissing te bezorgen.

Artikel 13 bevat de regularisatiemogelijkheid die voor de inwerkingtreding van het decreet van 6 juli 2012 in artikel 4.8.17 van de Codex opgenomen was.

In zes gevallen zal de griffier het verzoekschrift niet op het register inschrijven.

De griffier zal de verzoeker hiervan verwittigen, zodat deze de kans heeft zijn verzoekschrift te regulariseren, dit binnen acht dagen.

Deze termijn is voldoende lang, omdat enkel formele vormvereisten regulariseerbaar zijn.

Een tijdig-geregulariseerd verzoekschrift wordt geacht te zijn ingediend op de datum van de eerste verzending. Een niet, onvolledig of laattijdig geregulariseerd verzoekschrift wordt geacht niet te zijn ingediend.

Artikel 14 regelt de toewijzing van de zaak aan de bevoegde kamer.

Artikel 15 duidt de personen aan, aan wie de griffier een afschrift van het verzoekschrift moet overmaken. De drie categorieën die voorheen in de Codex stonden, worden behouden. De griffier stelt tevens verzoeker en verweerder in kennis van de samenstelling van de bevoegde kamer. Afdeling 3. - Vereenvoudigde behandeling

Artikel 16 werkt de vereenvoudigde behandeling, opgenomen in artikel 4.8.14 van de Codex verder uit. Zo moet de voorzitter van de Raad of het door hem aangewezen raadslid binnen een ordetermijn van dertig dagen na de datum van registratie oordelen of de vereenvoudigde procedure van toepassing is. Deze vaststellingen worden overgemaakt aan de verzoeker.

De verzoeker kan bij zijn verantwoordingsnota overtuigingsstukken indienen, die beperkt zijn tot de vaststellingen van de voorzitter.

De Raad kan beslissen de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad te nemen en doet onmiddellijk uitspraak.

Besluit de Raad niet dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, vindt de betekening van het verzoekschrift, vermeld in artikel 15, plaats op het ogenblik dat de uitspraak wordt betekend aan de verzoeker. Afdeling 4. - Tussenkomst

Het eerste lid van artikel 17 geeft de wijze van tussenkomst in een procedure weer.

Ook hier moet het verzoekschrift gedagtekend worden en een aantal gegevens bevatten.

Van belang is dat een belanghebbende van in het begin moet aangeven in welke procedure (schorsingsprocedure, de vernietigingsprocedure dan wel beide) hij wenst tussen te komen (art. 17, tweede lid).

Komt een partij tussen in de schorsingsprocedure, moet haar verzoekschrift meteen al de schriftelijke uiteenzetting over de vordering tot schorsing bevatten.

Het derde lid geeft de stukken weer die een verzoeker tot tussenkomst bij zijn verzoekschrift moet voegen.

Artikel 18, § 1, geeft de vervaltermijn aan waarbinnen een belanghebbende die wenst tussen te komen, dit dient te doen. Bij ontstentenis van een betekening kan de Raad een latere tussenkomst toelaten, op voorwaarde dat dergelijke latere tussenkomst de procedure niet vertraagt.

Artikel 4.8.21, § 4, Codex machtigt de Vlaamse Regering de nadere regels betreffende de tussenkomst en de mogelijkheid tot regularisatie van de vormvereisten te bepalen.

Aanvankelijk voorzag voorliggend besluit niet in de mogelijkheid tot regularisatie.

De reden hiervoor was dat de Raad een pragmatische oplossing hiervoor had, die in het Verslag aan de Vlaamse Regering bij het principieel goedgekeurde ontwerpbesluit opgenomen was.

De Raad van State stelde hierover echter : « In de toelichting bij artikel 18 van het ontwerp in het verslag aan de Vlaamse Regering wordt een bestaande praktijk ingeroepen om af te zien van de uitvoering van het aangenomen artikel 4.8.21, § 4, van de Codex, naar luid waarvan de Vlaamse Regering de nadere regels bepaalt betreffende de tussenkomst en de mogelijkheid tot regularisatie van de vormvereisten in dat verband.

Die praktijk behoort in het ontwerpen besluit uitdrukkelijk te worden opgenomen, zo niet wordt geen uitvoering gegeven aan de voornoemde bevoegdheidsopdracht aan de Vlaamse Regering, welke immers van niet-facultatieve aard is. » Aan deze opmerking van de Raad van State werd tegemoet gekomen door de bepalingen van het initieel artikel 29 op te nemen als bepalingen van paragraaf 1.

Paragraaf 2 regelt nu uitdrukkelijk de gevallen waarin regularisatie van het verzoekschrift tot tussenkomst mogelijk is.

Er worden uiterste tijdstippen ingeschreven die overeenstemmen met tijdstippen in de procedure zelf, waardoor de regularisatie de procedure niet vertraagt.

Een verzoeker tot tussenkomst kan vanzelfsprekend eerder dan deze tijdstippen zijn verzoek in orde brengen. Afdeling 5. - Schorsing

Artikel 19 inzake het vooronderzoek bepaalt de termijn waarbinnen de verweerder het administratieve dossier moet indienen.

Binnen deze termijn kan de verweerder een nota over de gevorderde schorsing indienen.

Artikel 20 behandelt de organisatie van de schorsingszitting, met name plaats, dagstelling en termijn voor inzage van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken.

De beschikking van de kamervoorzitter wordt samen met de nota over de schorsing en het verzoekschrift tot tussenkomst overgemaakt aan de partijen.

Artikel 21 geeft het verloop van de zitting weer.

Artikel 22 somt de gegevens op die in een schorsingsarrest moeten worden vermeld.

De Raad van State merkte in zijn advies nr. 51.611/1 op dat « 8. Artikel 22, 1°, van het ontwerp dient aan het einde te worden aangevuld met de woorden « of bijstaat », terwijl in punt 2° van hetzelfde artikel het woord « advocaten » dient te worden vervangen door het woord « raadsmannen ». » Aan deze opmerking werd tegemoetgekomen, met dien verstande dat de woorden « of bijstaat » werden ingevoegd (niet op het einde aangevuld) om de terminologie van de Codex (cfr. art. 4.8.6) en het besluit (cfr. art. 3) te bewaren.

Artikel 23 bevat het uitvoeringsformulier.

Artikel 24 verduidelijkt dat een afschrift van het schorsingsarrest aan de partijen wordt bezorgd.

De griffier wijst de partijen op de bepalingen inzake het verzoek tot voortzetting en de gevolgen als partijen geen verzoek tot voortzetting indienen.

Als gevolg van een materiële vergissing werd in het ontwerp van besluit alleen verwezen naar 4.8.19, eerste lid, van de Codex (arrest waarbij de schorsing wordt bevolen), terwijl er ook moet worden verwezen naar het tweede lid van dit artikel (arrest waarbij de schorsing wordt verworpen). Deze verwijzing werd in het definitieve besluit aangevuld.

Artikel 25 bepaalt de wijze waarop het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, bedoeld in artikel 4.8.19 van de Codex, moet worden ingediend door de partijen en overgemaakt door de griffier.

Artikel 26 geeft aan wat er gebeurt als de Raad de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing schorst en de verweerder of de tussenkomende partij geen verzoek tot voortzetting indient. De kamer zal in dat geval uitspraak doen over de vordering tot vernietiging, na al dan niet de partijen die hierom verzocht hebben, gehoord te hebben.

Artikel 27 daarentegen geeft aan wat er gebeurt als de Raad de vordering tot schorsing verwerpt en de verzoeker geen verzoek tot voortzetting indient. In dat geval zal de kamer ten aanzien van de verzoeker de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoeker binnen vijftien vraagt te worden gehoord. De kamervoorzitter zal dan de partijen oproepen te verschijnen en vervolgens uitspraak doen over de afstand van geding.

Hebben verscheidene verzoekers gemeenschappelijk een enig verzoekschrift ingediend en wordt een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van hen ingediend, worden de anderen geacht afstand te doen van geding. Afdeling 6. - Vernietiging

Artikel 28 handelt over de mogelijkheid van de verweerder om een antwoordnota in te dienen.

Hij beschikt over vijfenveertig dagen deze antwoordnota en het administratieve dossier in te dienen als de procedure alleen een vernietigingsprocedure betreft.

Beschikt de verweerder niet over het administratieve dossier, moet deze de griffie hiervan op de hoogte stellen, zodat de griffier op verzoek van de Raad de mededeling hiervan aan het bestuursorgaan dat het administratieve dossier onder zich heeft, kan vorderen.

Indien de procedure zowel een schorsings- als een vernietigingsprocedure betreft, beschikt de verweerder over dertig dagen voor het indienen van de antwoordnota.

Artikel 29 biedt de tussenkomende partij de mogelijkheid een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Het beginpunt van de termijn van dertig dagen waarbinnen zij dit moet doen, verschilt naargelang het verzoekschrift een vordering tot vernietiging bevat dan wel een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing.

Artikel 30 legt de griffier op een afschrift van de antwoordnota te betekenen aan de verzoeker en deze in kennis te stellen van de neerlegging van het administratieve dossier. In geval van een tussenkomst, betekent de griffier gelijktijdig een afschrift van de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij.

Artikel 31 biedt de verzoeker de mogelijkheid te reageren middels een wederantwoordnota, dit binnen dertig dagen.

Een afschrift van deze wederantwoordnota wordt aan de verweerder en de eventueel tussenkomende partijen bezorgd.

Op basis van artikel 32 mag de verzoeker, als de verweerder geen tijdige antwoordnota heeft ingediend, de wederantwoordnota vervangen door een toelichtende nota.

Artikel 33 herneemt, samen met artikel 34, § 2 en artikel 62, de regeling inzake het getuigenverhoor, zoals opgenomen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen.

Wel is het zo dat een partij die wenst dat een getuige wordt gehoord, dit met een afzonderlijk gemotiveerd verzoek zal dienen aan te geven.

Het risico bestaat immers dat een verzoek tot het horen van getuigen, pas zeer laat bij de inhoudelijke voorbereiding van het dossier opgemerkt wordt, waardoor de procedure nodeloos vertraging zou oplopen. Door een afzonderlijk verzoek te richten aan de Raad, kan het op eenvoudige manier opgemerkt worden door de griffiemedewerkers.

Tevens wordt ingeschreven dat het verschuldigde getuigengeld gestort wordt op rekening van het Grondfonds.

Artikel 34 behandelt de organisatie van de vernietigingszitting, met name plaats, dagstelling en termijn voor inzage van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken.

De beschikking van de kamervoorzitter wordt overgemaakt aan de partijen en getuigen, en geldt ten aanzien van de getuigen als oproeping.

Artikel 35 geeft het verloop van de zitting weer.

Artikel 36 stelt dat een vernietigingsarrest dezelfde gegevens bevat als deze die in een schorsingsarrest moeten worden vermeld.

Artikel 37 verwijst naar het uitvoeringsformulier dat op een arrest aangebracht moet worden. Afdeling 7. - Tussengeschillen

Artikel 38 en volgende werken de bestuurlijke lus verder uit. Zo dient de Raad in zijn tussenuitspraak te vermelden op welke wijze en binnen welke termijn de onregelmatigheid kan worden hersteld.

Artikel 39 bepaalt dat de griffier de tussenuitspraak waarmee de bestuurlijke lus wordt bevolen, meedeelt aan de partijen.

De griffier brengt de partijen op de hoogte of het vergunningverlenende bestuursorgaan van de hem geboden mogelijkheid gebruik maakt.

Het vergunningverlenende bestuursorgaan laat vervolgens de Raad weten op welke wijze het de onregelmatigheid heeft hersteld. De griffier brengt de partijen hiervan op de hoogte.

Vervolgens krijgen de partijen de mogelijkheid om hun zienswijze mee te delen over de wijze waarop de onregelmatigheid is hersteld.

Het wordt aan de Raad gelaten om aan te geven op welke wijze het beroep verder wordt behandeld. Dit is immers afhankelijk van het stand in de procedure waarin de bestuurlijke lus toegepast werd, het al dan niet gebruik door het vergunningverlenende bestuursorgaan van de geboden mogelijkheid, de wijze van herstel, de zienswijze van de partijen en vanzelfsprekend de rechten van de partijen.

Artikel 40 biedt de mogelijkheid aan partijen bemiddeling ter vragen.

Het verzoek tot bemiddeling moet een aantal gegevens bevatten en ondertekend worden door alle partijen of hun raadsman.

Partijen die een persoon (of instantie) als bemiddelaar voordragen, zullen moeten aangeven dat de voorgedragen externe bemiddelaar voldoet aan de voorwaarden, bepaald in artikel 4.8.5, § 2, van de Codex, om als bemiddelaar te kunnen optreden.

Om bemiddeling alle kansen te geven, krijgen partijen de mogelijkheid om het verzoek tot bemiddeling dat niet aan de vormvereisten voldoet, te regulariseren.

Artikel 41 geeft aan dat partijen ook tijdens een zitting de Raad om een bemiddelingspoging kunnen verzoeken.

Artikel 42 stelt dat de kamer bij tussenarrest uitspraak doet over het verzoek tot bemiddeling. Het tussenarrest waarbij het verzoek tot bemiddeling wordt ingewilligd, vermeldt uitdrukkelijk een aantal gegevens. Wijst de Raad een verzoek tot bemiddeling af, motiveert hij waarom.

Op grond van artikel 43 dient de bemiddelaar te laten weten of hij zijn opdracht aanvaardt. Bij aanvaarding bezorgt de griffier hem een afschrift van het administratieve dossier.

Artikel 44 legt het verdere verloop van de bemiddeling vast.

Artikel 45 geeft weer hoe de Raad het verloop van de bemiddeling opvolgt. Partijen dienen de kamer op de hoogte te houden.

Bereiken partijen een bemiddelingsakkoord, kunnen de partijen de bekrachtiging ervan vragen. Decretaal werd reeds bepaald dat een bekrachtiging slechts geweigerd kan worden als het akkoord strijdig is met de openbare orde, regelgeving en stedenbouwkundige voorschriften.

Bereiken partijen geen akkoord, kunnen ze om een nieuwe bemiddelingstermijn verzoeken. Het tussenarrest waarbij dit verzoek voor een nieuwe bemiddelingstermijn wordt ingewilligd, vermeldt uitdrukkelijk de nieuwe termijn en de datum waarnaar de zaak is verdaagd.

Heeft de bemiddeling geen resultaat of stelt de Raad vast dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, zal de voortzetting van de jurisdictionele procedure worden bevolen.

Artikel 46 bevat de regeling inzake gedinghervatting.

De rechtspleging wordt geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om inventaris op te maken en te beraadslagen.

Overeenkomstig de regeling in artikel 795 van het Burgerlijk Wetboek bedraagt deze termijn 3 maanden en 40 dagen.

Artikel 47 bevat de nadere regelen over de wijze waarop de rechthebbenden van de overledene het geding kunnen hervatten en de stukken die zij bij het verzoekschrift moeten voegen.

Artikel 48 stelt dat de rechtspleging geldig hervat wordt tegen de rechthebbenden van de overledene, bij verzoekschrift.

Artikel 49 bepaalt dat in de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, dit gebeurt door een verklaring ter griffie. Afdeling 8. - Geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep

Artikel 50 geeft uitvoering aan artikel 4.8.31 van de Codex, en bevat de nadere regelen betreffende het opleggen van de geldboete.

De Raad van State deed wat dit artikel betreft, volgende suggestie : « 9. In artikel 50 van het ontwerp dient wellicht nog een bepaling te worden ingevoegd die voorziet in de betekening van het arrest dat de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep oplegt aan de partijen of minstens aan de partij die ertoe wordt veroordeeld. » Aldus werd in het besluit opgenomen dat de griffier een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep, aan de partijen zendt. Deze bepaling hanteert dezelfde terminologie als reeds in het besluit te vinden is. Afdeling 9. - Verzoek tot opheffing of verbetering of beroep tot

herziening Artikel 51 bepaalt dat een vordering tot opheffing ingesteld wordt bij verzoekschrift dat ondertekend is door een partij of haar raadsman, een aantal verplichte vermeldingen bevat en waar een aantal stukken bij gevoegd zijn.

Iedere partij kan een aanvullend dossier en een nota met opmerkingen over de gevorderde opheffing indienen.

Vervolgens vindt een zitting plaats waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.

De verzoeker tot opheffing zal op deze zitting moeten verschijnen of vertegenwoordigd worden, zoniet wordt zijn vordering afgewezen.

De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering.

Artikel 52 behandelt de uitzonderlijke situatie van een beroep tot herziening.

Het instellen van dergelijk beroep kan slechts binnen een termijn van 45 dagen en bij ondertekend en gedagtekend verzoekschrift.

Het beroep tot herziening wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen. Ook hier zal de verzoeker tot herziening op deze zitting moeten verschijnen of vertegenwoordigd worden.

Artikel 53 bevat de mogelijkheid voor de Raad om een verbeterend arrest uit te spreken als een arrest een materiële vergissing bevat. Afdeling 10. - Kosten

Artikel 54 bevat een indexatiebepaling voor wat betreft eventueel verschuldigde bedragen, alsook een afrondingsregel.

Artikel 55 herneemt de bedragen van de rolrechten, alsook de vrijstelling voor de leidend ambtenaar van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed en voor mensen men een ontoereikend inkomen, zoals deze opgenomen waren in het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen.

Deze vrijstelling voor de leidend ambtenaar van het departement RWO is verantwoord op basis van het 'vestzak, broekzak' principe.

Immers, de middelen die deze leidend ambtenaar nodig heeft voor de uitoefening van zijn functie, worden uitgetrokken op de begroting voor het Vlaams Gewest.

De rechten voor procedures bij de Raad worden gestort op rekening van het Grondfonds, dat onder meer over middelen beschikt, toegekend door het Vlaams Gewest.

Indien de leidend ambtenaar van het departement RWO een rolrecht verschuldigd zou zijn, zal het Vlaams Gewest bijkomende middelen moeten voorzien voor de betaling van dit recht. Dit zal een weerslag hebben op de middelen die het Vlaams Gewest toekent aan het Grondfonds, fonds waarop de rolrechten gestort worden.

Dit zou een bijkomende inzet van het personeel en een exponentiële toename van de verwerkingskosten met zich mee brengen, die vermeden worden door het vrijstellen van de leidend ambtenaar van het departement RWO van de betaling van rolrechten.

Artikel 56 verplicht de storting van het verschuldigde rolrecht op rekening van het Grondfonds.

Daar waar artikel 57, samen met artikel 32 en artikel 34, § 2, de regeling inzake het getuigenverhoor hernam, met inbegrip van de regeling inzake het getuigengeld, oordeelde de Raad van State in zijn advies van 3 juli 2012 dat : « 4.2 Artikel 57, tweede lid, van het ontwerp bepaalt dat de Raad nadere regels vaststelt in het reglement van orde voor de begroting van het getuigengeld, de inning en de teruggave van de voorschotten en de wijze van betaling van het getuigengeld.

Er dient te worden vastgesteld dat het aangenomen artikel 4.8.28, § 2, tweede lid, van de Codex het uitsluitend aan de Vlaamse Regering opdraagt om de regelen te bepalen volgens welke het getuigengeld wordt begroot en toegekend. De Vlaamse Regering kan dan ook wat dat betreft, zonder uitdrukkelijke machtiging verleend door de decreetgever, [] geen verordenende bevoegdheid verlenen aan de Raad. Artikel 57, tweede lid, dient derhalve uit het ontwerp te worden weggelaten en de nadere regelen waarvan sprake in dat lid dienen door de Vlaamse Regering zelf te worden vastgesteld. Het ontwerp zal met bepalingen in die zin dienen te worden aangevuld. » Hieraan werd tegemoet gekomen door de delegatie aan de Raad te schrappen, en de begroting van het getuigengeld in voorliggend besluit te regelen.

Naar analogie met de regeling bij de Raad van State werd toegevoegd dat de kosten voor het vervoer op de voordeligste wijze in het getuigengeld begrepen moeten zijn.

Dit artikel dient bovendien in samenhang met artikel 33 gelezen te worden, waarin reeds een aantal bepalingen omtrent het getuigenverhoor terug te vinden zijn.

Artikel 58 handelt over de vergoeding voor afschriften of uittreksels van een uitspraak van de Raad, en het opsturen hiervan, en vrijstelling van betaling van de vergoeding.

Door artikel 59 worden een aantal artikelen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 opgeheven.

Artikel 60 regelt de inwerkingtreding van dit besluit en het decreet van 6 juli 2012.

De Raad van State merkte terecht het volgende op i.v.m. deze inwerkingtredingsbepaling : « 4.3. Artikel 60, 1°, van het ontworpen besluit, dat de inwerkingtreding regelt van het aangenomen decreet 'houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft' (niet : « tot wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening betreffende de Raad voor Vergunningsbetwistingen »), vindt rechtsgrond in artikel 12 van dat decreet.

Daarvan dient nog melding te worden gemaakt in de aanhef van het ontwerp, in een lid dat is in te voegen na het eerste lid, dat de verwijzing naar de rechtsgrond biedende bepalingen van de Codex bevat. » Deze aanvulling in de aanhef werd dan ook doorgevoerd.

Artikel 61 behoeft geen verdere toelichting.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS

ADVIES 51.611/1 VAN 3 JULI 2012 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling Wetgeving, eerste kamer, op 29 juni 2012 door de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport verzocht hem, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de rechtspleging voor de raad voor Vergunningsbetwistingen', heeft het volgende advies gegeven : 1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid « dat op 29 januari 2012 bij het Vlaams Parlement het voorstel van decreet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, is ingediend en op 6 juni 2012 in de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed geamendeerd werd aangenomen; dat het Vlaams Parlement in plenaire vergadering op 27 juni 2012 het voorstel van decreet heeft aangenomen;

Dat het opzet hiervan erin bestaat van de Raad voor Vergunningsbetwistingen een performant en modern administratief rechtscollege te maken dat in staat is om de bij hem ingediende beroepen tot vernietiging van vergunningsbeslissingen op korte termijn te berechten, waarbij deze ambitie tot op heden niet wordt waargemaakt;

Dat het voorstel van decreet door een aantal gerichte ingrepen, waaronder de verruiming van de uitspraakbevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen door de invoering van de 'bestuurlijke lus' en de 'bemiddeling', een snelle en efficiënte rechtspleging voor deze Raad mogelijk maken;

Dat de procedurele wijzigingen die dergelijke snelle en efficiënte rechtspleging mogelijk maken, zo snel mogelijk in werking moeten treden, wat beoogd wordt met het besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen;

Dat, zolang dit besluit uitblijft, de procedurele vernieuwingen onwerkzaam en de beroepen bij betrokken Raad volgens het bestaande, ontoereikende stramien blijven behandeld;

Dat zonder snelle inwerkingtreding van het besluit wat de nieuwe regeling van de vordering tot schorsing als afzonderlijke rechtspleging niet kan worden toegepast terwijl die regeling cruciaal is om vorderingen tot schorsing efficiënt te kunnen afhandelen;

Dat zonder snelle inwerkingtreding van het besluit eveneens de in het voorstel van decreet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, voorziene 'efficiëntieregels', zoals het enig verzoekschrift tot schorsing en vernietiging en het verzoek tot voorzetting van de vernietigingsprocedure, niet toegepast kunnen worden;

Dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder het besluit evenmin gebruik kan maken van de procedure van vereenvoudigde behandeling terwijl dit een middel is om beroepen waarvan na eenvoudige lectuur onmiddellijk blijkt dat ze kennelijk niet-ontvankelijk zijn of waarvoor de Raad kennelijk onbevoegd is, zodat deze beroepen momenteel de volledige procedure moeten doorlopen en aldus nodeloos tijdverlies en vertraging in de behandeling van de beroepen die wel een grondig onderzoek vereisen, veroorzaken;

Dat ook de essentiële vernieuwing die de bestuurlijke lus met zich mee zal brengen, dode letter blijft zonder uitvoeringsbesluit, terwijl de bestuurlijke lus ertoe leidt dat geschillen in de mate van het mogelijke snel, kwalitatief en definitief opgelost worden;

Dat het een grondrecht is dat er binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan over ingediende beroepen;

Dat de verschillende gerichte ingrepen die voorzien zijn in het voorstel van decreet bijdraagt aan een versnelde uitspraak, zonder dat de snelheid ten koste gaat van de kwaliteit van de rechtsbescherming;

Dat de snelle parlementaire behandeling van het voorstel van decreet ontegensprekelijk wijst op het grote belang dat de decreetgever aan de nieuwe procedureregeling hecht als oplossing voor de achterstand van de berechting van de beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen; dat het opzet en het snelle handelen van de decreetgever de Vlaamse Regering op haar beurt verplicht alle noodzakelijke stappen op zeer korte termijn te zetten zodat de nieuwe procedureregeling snel in werking treedt en kan worden toegepast; dat het onaanvaardbaar is dat de Vlaamse Regering, gegeven de snelle behandeling in het Vlaams Parlement, zou achterblijven en talmen met de uitvoering van de procedureregeling die de decreetgever zo snel mogelijk ingevoerd wil zien ter oplossing van een maatschappelijk probleem;

Dat de Vlaamse Ombudsdienst in zijn jaarverslag 2011 opnieuw aandacht aan de dossierachterstand bij de Raad besteedt; dat die achterstand de belangrijkste constante in de klachten uit 2011 betreffende vergunningen en geheel onaanvaardbaar wordt genoemd; dat uit het jaarverslag blijkt dat rechtzoekenden onredelijk lang moeten wachten op een uitspraak van de Raad en daardoor financieel schade lijden; dat dergelijke toestanden zo snel mogelijk moeten worden beëindigd; dat de Vlaamse Ombudsman zelfs heeft aanbevolen om in het decreet een overgangsbepaling op te nemen waarbij een tijdelijke achterstandskamer wordt opgericht;

Dat er ten overvloede nog wordt gewezen op artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 houdende de bekrachtiging van het reglement van orde van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat bepaalt dat het werkjaar van de Raad start op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar; dat het wenselijk is dat de Raad bij de start van het nieuwe werkjaar op 1 september 2012 onmiddellijk aan de slag kan met de nieuwe procedureregeling; dat die datum van 1 september 2012 enkel kan worden gehaald als het advies van de Raad van State met spoed wordt behandeld; dat een langere adviestermijn dan vijf werkdagen die datum onmogelijk maakt;

Dat het om al deze redenen meer dan wenselijk is dat uitvoeringsbesluit zo snel mogelijk uitvoering geeft aan het decreet en zo snel mogelijk in werking treedt. » 2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 3. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt tot het vaststellen van regels betreffende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : de Raad).Met die regels wordt inzonderheid beoogd uitvoering te geven aan het decreet 'houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft', aangenomen door het Vlaams Parlement op 27 juni 2012, waarbij voor de Raad een nieuw decretaal kader wordt tot stand gebracht.

De ontworpen regeling treedt in werking op 1 september 2012. 4.1.1. Onder voorbehoud van wat hierna wordt opgemerkt met betrekking tot artikel 57 van het ontwerp, vindt het merendeel van de bepalingen van het ontwerp rechtsgrond in één van de machtigingen aan de Vlaamse Regering die zijn opgenomen in hoofdstuk VIII van titel IV van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de Codex), zoals dat hoofdstuk zal worden vervangen bij het genoemde, op 27 juni 2012 door het Vlaams Parlement aangenomen decreet. 4.1.2. Ingevolge amendering (1) bevat het op 27 juni 2012 aangenomen hoofdstuk VIII van titel IV van de Codex één artikel minder dan de versie van dat hoofdstuk in het oorspronkelijke voorstel van wijzigingsdecreet, met als gevolg dat elk artikel volgend op het weggelaten artikel - te weten, het voorgestelde artikel 4.8.11 - in de aangenomen tekst is vernummerd. Met dat gegeven is in het om advies voorgelegde ontwerp echter geen rekening gehouden, noch in de aanhef, bij de opgave van de rechtsgrond biedende bepalingen, noch in het dispositief. Er zijn daarnaast ook nog andere amenderingen van het oorspronkelijke voorstel die tot gevolg hebben dat verwijzingen in de aanhef en het dispositief van het ontwerp (en in het bijbehorende verslag aan de Vlaamse Regering) naar bepalingen van het genoemde hoofdstuk dienen te worden aangepast. (2) 4.1.3. De verwijzing naar de rechtsgrond biedende bepalingen in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp, alsook de in het dispositief opgenomen verwijzingen naar bepalingen van hoofdstuk VIII van titel IV van de Codex, dienen dan ook, om onder meer rekening te houden met de hiervoor genoemde amenderingen, geheel te worden nagezien en verbeterd. Bovendien verdient het aanbeveling om, wat de rechtsgrond biedende bepalingen betreft, een aantal verwijzingen in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp preciezer te redigeren. (3) 4.2. Artikel 57, tweede lid, van het ontwerp bepaalt dat de Raad nadere regels vaststelt in het reglement van orde voor de begroting van het getuigengeld, de inning en de teruggave van de voorschotten en de wijze van betaling van het getuigengeld.

Er dient te worden vastgesteld dat het aangenomen artikel 4.8.28, § 2, tweede lid, van de Codex het uitsluitend aan de Vlaamse Regering opdraagt om de regelen te bepalen volgens welke het getuigengeld wordt begroot en toegekend. De Vlaamse Regering kan dan ook wat dat betreft, zonder uitdrukkelijke machtiging verleend door de decreetgever, (4) geen verordenende bevoegdheid verlenen aan de Raad. Artikel 57, tweede lid, dient derhalve uit het ontwerp te worden weggelaten en de nadere regelen waarvan sprake in dat lid dienen door de Vlaamse Regering zelf te worden vastgesteld. Het ontwerp zal met bepalingen in die zin dienen te worden aangevuld. 4.3. Artikel 60, 1°, van het ontworpen besluit, dat de inwerkingtreding regelt van het aangenomen decreet 'houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft' (niet : « tot wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening betreffende de Raad voor Vergunningsbetwistingen »), vindt rechtsgrond in artikel 12 van dat decreet.

Daarvan dient nog melding te worden gemaakt in de aanhef van het ontwerp, in een lid dat is in te voegen na het eerste lid, dat de verwijzing naar de rechtsgrond biedende bepalingen van de Codex bevat.

Vormvereisten 5. De Vlaamse minister die bevoegd is voor de begroting heeft op 14 juni 2012 zijn akkoord verleend. Van dat akkoord dient nog melding te worden gemaakt in de aanhef van het ontwerp, in een lid dat is in te voegen na het lid waarin wordt verwezen naar het advies van de inspecteur van Financiën.

Onderzoek van de tekst Artikel 4 6. In artikel 4, § 2, van het ontwerp is geen rekening gehouden met het geval vermeld in artikel 4.8.11, § 2, 2°, b), van de Codex. Dit dient te worden verholpen.

Bovendien spoort de toelichting bij artikel 4, § 2, van het ontwerp in het verslag aan de Vlaamse Regering niet met de tekst van die bepaling, aangezien in die toelichting gewag wordt gemaakt van termijnen die ingaan, « hetzij de dag na deze van de betekening, wanneer een betekening vereist is, hetzij de dag na deze van de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen ». Ter wille van de rechtszekerheid dient dit eveneens te worden verholpen.

Artikel 18 7. In de toelichting bij artikel 18 van het ontwerp in het verslag aan de Vlaamse Regering wordt een bestaande praktijk ingeroepen om af te zien van de uitvoering van het aangenomen artikel 4.8.21, § 4, van de Codex, naar luid waarvan de Vlaamse Regering de nadere regels bepaalt betreffende de tussenkomst en de mogelijkheid tot regularisatie van de vormvereisten in dat verband.

Die praktijk behoort in het ontworpen besluit uitdrukkelijk te worden opgenomen, zo niet wordt geen uitvoering gegeven aan de voornoemde bevoegdheidsopdracht aan de Vlaamse Regering, welke immers van niet-facultatieve aard is.

Artikel 22 8. Artikel 22, 1°, van het ontwerp dient aan het einde te worden aangevuld met de woorden « of bijstaat », terwijl in punt 2° van hetzelfde artikel het woord « advocaten » dient te worden vervangen door het woord « raadsmannen ».(5) Artikel 50 9. In artikel 50 van het ontwerp dient wellicht nog een bepaling te worden ingevoegd die voorziet in de betekening van het arrest dat de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep oplegt aan de partijen of minstens aan de partij die ertoe wordt veroordeeld.(6) De kamer was samengesteld uit : de heren : M. Van Damme, kamervoorzitter;

J. Baert en W. Van Vaerenbergh, staatsraden;

M. Tison, assessor van de afdeling Wetgeving;

W. Geurts, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer P. T'Kindt, auditeur.

De griffier, W. Geurts.

De voorzitter, M. Van Damme. _______ Nota's (1) Zie Parl.St. Vl. Parl. 2011-12, nr. 1509/3, 7-8, amendement nr. 5. (2) Aldus bijvoorbeeld de nadere uitwerking van de artikelen in verband met de bestuurlijke lus en de bemiddeling (ibid., 2-7, amendementen nrs. 2 en 3), waardoor in het eerste lid van de aanhef niet meer dient te worden verwezen naar « artikel 4.8.4, tweede lid, [en] artikel 4.8.5, derde lid, » maar naar artikel 4.8.4, § 2, derde lid, en § 5, en artikel 4.8.5, § 5, van de Codex. (3) Zo kan bijvoorbeeld nauwkeuriger worden verwezen naar artikel 4.8.1, tweede lid, van de Codex. (4) In het aangenomen decreet heeft de decreetgever telkens zelf uitdrukkelijk bepaald welke aangelegenheden het voorwerp kunnen zijn van een regeling in het door de Raad aan te nemen reglement van orde (zie de artikelen 4.8.39, § 2, tweede lid, 4.8.42, tweede lid, 4.8.43, § 1, eerste lid, en 4.8.48 van de Codex). (5) Zie immers artikel 3, eerste en derde lid, van het ontwerp.(6) Vgl.met artikel 37, derde lid, van de wetten op de Raad van State.

13 JULI 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen De Vlaamse Regering, Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, artikel 4.8.1, tweede lid, artikel 4.8.4, § 2, derde lid en § 5, artikel 4.8.5, § 5, artikel 4.8.6, artikel 4.8.8, eerste en vierde lid, artikel 4.8.11, § 3, tweede lid, artikel 4.8.12, tweede en derde lid, artikel 4.8.13, tweede lid, artikel 4.8.16, artikel 4.8.19, eerste lid, artikel 4.8.20, artikel 4.8.21, § 1, tweede en derde lid, § 2, tweede lid, § 3, tweede lid, en § 4, artikel 4.8.22, artikel 4.8.24, tweede lid, artikel 4.8.28, § 2, tweede lid, artikel 4.8.29, tweede lid, artikel 4.8.30, derde lid, artikel 4.8.31, tweede en derde lid, artikel 4.8.32, § 5 en artikel 4.8.45, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012;

Gelet op het decreet van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, artikel 12;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 14 juni 2012;

Gelet op het advies van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gegeven op 19 juni 2012;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat op 29 januari 2012 bij het Vlaams Parlement het voorstel van decreet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, is ingediend en op 6 juni 2012 in de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed geamendeerd werd aangenomen; dat het Vlaams Parlement in plenaire vergadering op 27 juni 2012 het voorstel van decreet heeft aangenomen;

Dat het opzet hiervan erin bestaat van de Raad voor Vergunningsbetwistingen een performant en modern administratief rechtscollege te maken dat in staat is om de bij hem ingediende beroepen tot vernietiging van vergunningsbeslissingen op korte termijn te berechten, waarbij deze ambitie tot op heden niet wordt waargemaakt;

Dat het voorstel van decreet door een aantal gerichte ingrepen, waaronder de verruiming van de uitspraakbevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen door de invoering van de 'bestuurlijke lus' en de 'bemiddeling', een snelle en efficiënte rechtspleging voor deze Raad mogelijk maken;

Dat de procedurele wijzigingen die een snelle en efficiënte rechtspleging mogelijk maken, zo snel mogelijk in werking moeten treden, wat beoogd wordt met het besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen;

Dat, zolang dit besluit uitblijft, de procedurele vernieuwingen onwerkzaam en de beroepen bij betrokken Raad volgens het bestaande, ontoereikende stramien blijven behandeld;

Dat zonder snelle inwerkingtreding van het besluit de nieuwe regeling van de vordering tot schorsing als afzonderlijke rechtspleging niet kan worden toegepast terwijl die regeling cruciaal is om vorderingen tot schorsing efficiënt te kunnen afhandelen;

Dat zonder snelle inwerkingtreding van het besluit eveneens de in het voorstel van decreet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, voorziene 'efficiëntieregels', zoals het enig verzoekschrift tot schorsing en vernietiging en het verzoek tot voorzetting van de vernietigingsprocedure, niet toegepast kunnen worden;

Dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder het besluit evenmin gebruik kan maken van de procedure van vereenvoudigde behandeling terwijl dit een middel is om beroepen waarvan na eenvoudige lectuur onmiddellijk blijkt dat ze kennelijk niet-ontvankelijk zijn of waarvoor de Raad kennelijk onbevoegd is, zodat deze beroepen momenteel de volledige procedure moeten doorlopen en aldus nodeloos tijdverlies en vertraging in de behandeling van de beroepen die wel een grondig onderzoek vereisen, veroorzaken;

Dat ook de essentiële vernieuwing die de bestuurlijke lus met zich mee zal brengen, dode letter blijft zonder uitvoeringsbesluit, terwijl de bestuurlijke lus ertoe leidt dat geschillen in de mate van het mogelijke snel, kwalitatief en definitief opgelost worden;

Dat het een grondrecht is dat er binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan over ingediende beroepen;

Dat de verschillende gerichte ingrepen die voorzien zijn in het voorstel van decreet bijdraagt aan een versnelde uitspraak, zonder dat de snelheid ten koste gaat van de kwaliteit van de rechtsbescherming;

Dat de snelle parlementaire behandeling van het voorstel van decreet ontegensprekelijk wijst op het grote belang dat de decreetgever aan de nieuwe procedureregeling hecht als oplossing voor de achter-stand van de berechting van de beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen; dat het opzet en het snelle handelen van de decreetgever de Vlaamse Regering op haar beurt verplicht alle noodzakelijke stappen op zeer korte termijn te zetten zodat de nieuwe procedureregeling snel in werking treedt en kan worden toegepast; dat het onaanvaardbaar is dat de Vlaamse Regering, gegeven de snelle behandeling in het Vlaams Parlement, zou achterblijven en talmen met de uitvoering van de procedureregeling die de decreetgever zo snel mogelijk ingevoerd wil zien ter oplossing van een maatschappelijk probleem;

Dat de Vlaamse Ombudsdienst in zijn jaarverslag 2011 opnieuw aandacht aan de dossierachterstand bij de Raad besteedt; dat die achterstand de belangrijkste constante in de klachten uit 2011 betreffende vergunningen en geheel onaanvaardbaar wordt genoemd; dat uit het jaarverslag blijkt dat rechtzoekenden onredelijk lang moeten wachten op een uitspraak van de Raad en daardoor financieel schade lijden; dat dergelijke toestanden zo snel mogelijk moeten worden beëindigd; dat de Vlaamse Ombudsman zelfs heeft aanbevolen om in het decreet een overgangsbepaling op te nemen waarbij een tijdelijke achterstandskamer wordt opgericht;

Dat er ten overvloede nog wordt gewezen op artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 houdende de bekrachtiging van het reglement van orde van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat bepaalt dat het werkjaar van de Raad start op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar; dat het wenselijk is dat de Raad bij de start van het nieuwe werkjaar op 1 september 2012 onmiddellijk aan de slag kan met de nieuwe procedureregeling; dat die datum van 1 september 2012 enkel kan worden gehaald als het advies van de Raad van State met spoed wordt behandeld; dat een langere adviestermijn dan vijf werkdagen die datum onmogelijk maakt;

Dat het om al deze redenen meer dan wenselijk is dat uitvoeringsbesluit zo snel mogelijk uitvoering geeft aan het decreet en zo snel mogelijk in werking treedt;

Gelet op advies 51.611/1 van de Raad van State, gegeven op 3 juli 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport;

Na beraadslaging, Besluit : TITEL 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° advocaat : een persoon die als advocaat ingeschreven is op de lijst van de stagiairs, het tableau van de Orde of de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie;2° departement : het departement binnen het homogene beleidsdomein waaraan de beleidsondersteunende opdrachten inzake ruimtelijke ordening worden toevertrouwd; 3° enig verzoekschrift : het verzoekschrift vermeld in artikel 4.8.15. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009; 4° Raad : de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in artikel 4.8.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.

Art. 2.De zetel van de Raad is gevestigd in het Ellipsgebouw, Koning Albert II-laan 35, 1030 Brussel.

TITEL 2. - Rechtspleging HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Raadsman

Art. 3.Partijen kunnen zich in een procedure voor de Raad laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Een raadsman die advocaat is, treedt voor de Raad op als gevolmachtigde van een partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken.

Een raadsman die geen advocaat is, kan alleen voor de Raad optreden als gevolmachtigde van een partij, als hij van een volmacht doet blijken. Hij bezorgt die volmacht schriftelijk aan de Raad op het ogenblik dat hij voor de eerste keer in de zaak optreedt of namens een partij ondertekent.

Bij afwezigheid van de volmacht, vermeld in het derde lid, wordt de betrokken partij geacht niet bijgestaan of vertegenwoordigd te zijn en wordt het processtuk in kwestie geacht niet te zijn ingediend. Afdeling 2. - Termijnen

Art. 4.§ 1. De verzoekschriften en processtukken moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid ingediend worden binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk VIII van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en dit besluit. § 2. De termijnen, vermeld in hoofdstuk VIII van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en dit besluit, gaan in op een van de volgende tijdstippen : 1° de dag na de dag van de betekening, als een betekening vereist is; 2° de dag na de dag van opname in het vergunningenregister, in het geval van artikel 4.8.11, § 2, 2°, b) of 3°, b) van de voormelde codex; 3° de dag na de dag van de startdatum van de aanplakking, in alle andere gevallen. De vervaldag wordt in de termijn begrepen. Als de vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. § 3. In paragraaf 2 wordt verstaan onder betekening : de aanbieding van de beveiligde zending.

Als de betekening gebeurt door een aangetekend schrijven, geldt de datum van aanbieding door de postdiensten, niet de feitelijke kennisneming van de beveiligde zending op een later tijdstip.

De betekening wordt, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, geacht plaats te vinden de werkdag na de datum van de poststempel van de aangetekende brief.

De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst.

Als de betekening gebeurt door afgifte tegen ontvangstbewijs op de zetel van de Raad, geldt de datum van het ontvangstbewijs als datum van de betekening. Afdeling 3. - Woonplaatskeuze

Art. 5.§ 1. Met uitzondering van de besturen kiest elke partij in haar eerste processtuk een woonplaats in België die geldt voor alle daaropvolgende proceshandelingen.

De griffier doet alle proceshandelingen per beveiligde zending rechtsgeldig op de gekozen woonplaats. § 2. Elke wijziging van de woonplaatskeuze wordt voor elke procedure afzonderlijk en per beveiligde zending uitdrukkelijk ter kennis gebracht van de griffier, met vermelding van het rolnummer van het beroep waarop de wijziging betrekking heeft.

Bij het overlijden van een partij, behalve bij de hervatting van het geding, doet de griffier alle proceshandelingen rechtsgeldig op de gekozen woonplaats van de overledene ter attentie van de gezamenlijke rechtverkrijgenden, zonder vermelding van de namen en hoedanigheden. Afdeling 4. - Afschriften van verzoekschrift en processtukken, de

overtuigingsstukken en het administratieve dossier

Art. 6.Bij ieder verzoekschrift of processtuk worden vier afschriften gevoegd die door de indiener eensluidend worden verklaard.

De griffier kan de neerlegging van bijkomende afschriften bevelen.

Art. 7.De verzoekschriften en processtukken die aan de Raad gericht zijn, bevatten een inventaris van de overtuigingsstukken.

Het administratieve dossier bevat de bestreden beslissing en de door de verweerder genummerde en geïnventariseerde stukken op grond waarvan de beslissing is genomen.

Art. 8.De partijen en hun raadslieden kunnen ter griffie kennisnemen van het administratieve dossier en van de overtuigingsstukken. Afdeling 5. - Afstand van het geding

Art. 9.Als de verzoeker uitdrukkelijk afstand doet van het door hem ingestelde beroep, stelt de kamer de afstand van het beroep onmiddellijk bij arrest vast en beslist in voorkomend geval over de kosten. Afdeling 6. - Samenvoegen van beroepen

Art. 10.Beroepen kunnen samengevoegd worden als ze onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is om er met eenzelfde arrest uitspraak over te doen.

Het staat de kamer waar de beroepen aanhangig zijn, vrij om daarover te beslissen.

Als de beroepen aanhangig zijn bij verschillende kamers, kan de voorzitter bij beschikking de kamer aanwijzen die de samengevoegde beroepen zal behandelen. HOOFDSTUK 2. - Aanhangigmaking Afdeling 1. - Het indienen van een verzoekschrift

Art. 11.Een beroep wordt bij de Raad ingesteld door een verzoekschrift dat ondertekend is door de partij of door haar raadsman.

Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat : 1° het opschrift « verzoek tot vernietiging » dan wel het opschrift « verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing » als het ook een vordering tot schorsing bevat;2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker en de gekozen woonplaats;3° de naam en het adres van de verweerder;4° het voorwerp van het beroep;5° een omschrijving van het belang van de verzoeker;6° een uiteenzetting van de feiten;7° een omschrijving van : a) de geschonden geachte regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of beginselen van behoorlijk bestuur;b) de wijze waarop de regelgeving, voorschriften of beginselen naar het oordeel van de verzoeker geschonden worden;8° een inventaris van de stukken;9° in geval van een enig verzoekschrift, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De verzoeker voegt bij het verzoekschrift : 1° een afschrift van de bestreden beslissing;2° als hij een rechtspersoon is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;3° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;4° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld, met inbegrip van de overtuigingsstukken die het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen, in geval van een enig verzoekschrift;5° de overtuigingsstukken die de tijdigheid van het verzoekschrift aantonen.

Art. 12.Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift stuurt de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift ter informatie aan de verweerder en aan de begunstigde van de vergunningsbeslissing, de valideringsbeslissing of de registratiebeslissing.

Het toesturen van een afschrift van het verzoekschrift als vermeld in het eerste lid, houdt geen definitieve aanwijzing van de verweerder in. Het stelt niet de termijnen in werking die de verweerder in acht moet nemen. Afdeling 2. - Het registreren van het verzoekschrift

Art. 13.De griffier schrijft het verzoekschrift niet in het register in als : 1° de stukken, vermeld in artikel 11, derde lid, 2°, niet bij het verzoekschrift, uitgaande van een rechtspersoon, gevoegd zijn;2° het verzoekschrift niet is ondertekend door de verzoeker of zijn raadsman;3° het verzoekschrift geen woonplaatskeuze bevat;4° er geen afschrift van de bestreden beslissing bij het verzoekschrift gevoegd is, tenzij de verzoeker verklaart dat hij niet in het bezit is van een dergelijk afschrift;5° de schriftelijke volmacht, vermeld in artikel 11, derde lid, 3°, niet bij het verzoekschrift gevoegd is;6° er geen inventaris bij het verzoekschrift gevoegd is van de overtuigingsstukken, die allemaal overeenkomstig die inventaris genummerd zijn. Als de griffier met toepassing van het eerste lid, het verzoekschrift niet inschrijft, stelt hij de verzoeker in staat om de vormvereisten, vermeld in het eerste lid, te regulariseren binnen een vervaltermijn van acht dagen die ingaat de dag na de dag van de betekening van het verzoek tot regularisatie.

De verzoeker die zijn verzoekschrift tijdig regulariseert, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending.

Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.

Art. 14.De voorzitter wijst de zaak, overeenkomstig de bepalingen van het reglement van orde, aan de bevoegde kamer toe.

Art. 15.De griffier bezorgt per beveiligde zending een afschrift van het verzoekschrift aan : 1° de verweerder;2° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het betrokken onroerend goed gelegen is; 3° aan de belanghebbenden bij de zaak, vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, voor zover zij kunnen worden bepaald.

De griffier brengt de verzoeker en de verweerder schriftelijk op de hoogte van de samenstelling van de bevoegde kamer. HOOFDSTUK 3. - Vereenvoudigde behandeling

Art. 16.Als de voorzitter van de Raad of het door hem aangewezen raadslid na de registratie van het verzoekschrift van oordeel is dat een van de volgende gevallen van toepassing is, stelt hij dat vast, binnen een ordetermijn van dertig dagen na de datum van registratie van het verzoekschrift : 1° het beroep is doelloos;2° het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk;3° de Raad is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. De verzoeker kan bij de verantwoordingsnota, vermeld in artikel 4.8.14, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, overtuigingsstukken voegen. Die overtuigingsstukken zijn beperkt tot de vaststellingen, vermeld in artikel 4.8.14, § 1, tweede lid, van de voormelde codex.

De Raad handelt op de wijze, vermeld in artikel 4.8.14 van de voormelde codex.

Als de Raad niet besluit dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of doelloos is of dat hij kennelijk onbevoegd is, vindt de betekening van het verzoekschrift, vermeld in artikel 15, eerste lid, plaats op het ogenblik dat de uitspraak wordt betekend aan de verzoeker. HOOFDSTUK 4. - Tussenkomst

Art. 17.Een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend bij verzoekschrift, ondertekend door de verzoeker tot tussenkomst of door zijn raadsman.

Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat : 1° het opschrift « verzoek tot tussenkomst » met aanduiding of het verzoek tot tussenkomst alleen geldt in de schorsingsprocedure of in de vernietigingsprocedure, dan wel in beide;2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker tot tussenkomst en de gekozen woonplaats;3° de vermelding van de zaak waarin de verzoeker tot tussenkomst wil tussenkomen, en het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is, als hij dit kent;4° een omschrijving van het belang van de verzoeker tot tussenkomst;5° een inventaris van de overtuigingsstukken;6° in geval van tussenkomst in de procedure van de vordering tot schorsing, de schriftelijke uiteenzetting over de vordering tot schorsing. De verzoeker tot tussenkomst voegt bij het verzoekschrift : 1° als hij een rechtspersoon is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld.

Art. 18.§ 1. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ingediend binnen een vervaltermijn van twintig dagen die ingaat de dag na de dag van de betekening, vermeld in artikel 15, eerste lid.

Bij ontstentenis van een betekening kan de Raad een latere tussenkomst toelaten, als die tussenkomst de procedure niet vertraagt. § 2. Een verzoekschrift tot tussenkomst kan geregulariseerd worden indien : 1° het verzoekschrift niet is ondertekend door de verzoekende partij tot tussenkomst of zijn raadsman;2° het verzoekschrift geen woonplaatskeuze bevat;3° er geen inventaris bij het verzoekschrift gevoegd is van de overtuigingsstukken, die allemaal overeenkomstig die inventaris genummerd zijn;4° de stukken, vermeld in artikel 17, derde lid, 1°, niet bij het verzoekschrift, uitgaande van een rechtspersoon, gevoegd zijn;5° de schriftelijke volmacht, vermeld in artikel 17, derde lid, 2°, niet bij het verzoekschrift gevoegd is. Deze regularisatie vindt plaats uiterlijk : 1° hetzij op het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing wordt behandeld;2° hetzij op het tijdstip waarop de schriftelijke uiteenzetting, vermeld in artikel 29, wordt ingediend. HOOFDSTUK 5. - Schorsing Afdeling 1. - Vooronderzoek

Art. 19.De verweerder dient het administratieve dossier in binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening, vermeld in artikel 15, eerste lid, van het enig verzoekschrift.

Binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, kan de verweerder een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing indienen. Afdeling 2. - Zitting

Art. 20.De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking : 1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing wordt behandeld;2° de termijn waarbinnen de partijen of hun raadsman ter griffie inzage kunnen nemen van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken. De griffier deelt de beschikking, vermeld in het eerste lid, minstens zeven dagen voor de dag van de zitting mee aan de partijen.

Tegelijkertijd bezorgt de griffier de volgende stukken : 1° de nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing aan de verzoeker en aan de eventueel tussenkomende partijen;2° in voorkomend geval, het ontvankelijke verzoekschrift tot tussenkomst aan de verzoeker en de verweerder.

Art. 21.De kamervoorzitter verklaart de zitting voor geopend. Hij leidt de zitting.

De griffier stelt een proces-verbaal van de zitting op, dat hij samen met de kamervoorzitter ondertekent.

De kamervoorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad. Afdeling 3. - Arrest

Art. 22.Het arrest bevat de gronden en het beschikkende gedeelte en vermeldt : 1° de namen, de woonplaats of de zetel van de partijen, de door hen gekozen woonplaats en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die de partijen bijstaat of vertegenwoordigt;2° de oproeping van partijen, van hun raadsmannen, alsook hun eventuele aanwezigheid op de zitting;3° de uitspraak in openbare zitting, de datum daarvan en de namen van de raadsleden die erover hebben beraadslaagd.

Art. 23.De griffier brengt op de uitgifte, na het beschikkende gedeelte van het arrest, volgende uitvoeringsformulier aan : « De ministers en de besturen, ieder wat hen betreft, zorgen voor de uitvoering van dit arrest ».

Art. 24.De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing, aan de partijen.

De griffier deelt tegelijkertijd aan de partijen de tekst mee van artikel 4.8.19, eerste en tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van afdeling 4 van dit besluit mee. Afdeling 4. - Verzoek tot voorzetting

Art. 25.Het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, vermeld in artikel 4.8.19 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt per beveiligde zending ingediend.

De griffier bezorgt het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging per beveiligde zending aan de andere partijen. Afdeling 5. - Versnelde rechtspleging

Art. 26.Als de Raad de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst heeft en de verweerder of de tussenkomende partij binnen de vervaltermijn, vermeld in artikel 4.8.19, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend, deelt de griffier de partijen per beveiligde zending mee dat de kamer uitspraak zal doen over de vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing.

De verweerder of de tussenkomende partij beschikt over een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening, om te vragen te worden gehoord.

Als geen van die partijen vraagt te worden gehoord, kan de kamer de bestreden beslissing onmiddellijk vernietigen.

Als een partij vraagt te worden gehoord, roept de kamervoorzitter de partijen bij beschikking, als vermeld in artikel 20, op om spoedig te verschijnen.

Nadat de kamer de partijen heeft gehoord, doet ze onmiddellijk uitspraak over de vordering tot vernietiging.

Art. 27.§ 1. Als de Raad de vordering tot schorsing heeft verworpen en de verzoeker binnen de vervaltermijn, vermeld in artikel 4.8.19, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend, deelt de griffier de partijen per beveiligde zending mee dat de kamer ten aanzien van de verzoeker de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoeker binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening vraagt te worden gehoord. § 2. Als de verzoeker niet vraagt te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.

Als de verzoeker vraagt te worden gehoord, roept de kamervoorzitter de partijen bij beschikking, als vermeld in artikel 20, op om spoedig te verschijnen.

Nadat de kamer de partijen heeft gehoord, doet ze onmiddellijk uitspraak over de afstand van geding. § 3. Als verschillende verzoekers gemeenschappelijk een enig verzoekschrift hebben ingediend en een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van de verzoekers wordt ingediend, worden de overige verzoekers geacht afstand te doen van geding. De kamer doet uitspraak over de afstand van degenen die geen verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend in het arrest over de vordering tot vernietiging. HOOFDSTUK 6. - Vernietiging Afdeling 1. - Het vooronderzoek

Onderafdeling 1. - De antwoordnota van de verweerder

Art. 28.§ 1. Als het verzoekschrift alleen een vordering tot vernietiging bevat, beschikt de verweerder over een vervaltermijn van vijfenveertig dagen om een antwoordnota en het administratieve dossier in te dienen.

Als het administratieve dossier niet in het bezit is van de verweerder, brengt hij de griffie daarvan onmiddellijk en schriftelijk op de hoogte en geeft hij aan waar het administratieve dossier zich bij zijn weten bevindt.

De griffier vordert op verzoek van de Raad de mededeling ervan aan het bestuursorgaan dat het administratieve dossier onder zich heeft. Dat bestuursorgaan zendt het gevorderde dossier onmiddellijk naar de griffie.

De termijn van vijfenveertig dagen gaat in : 1° als het administratieve dossier in het bezit is van de verweerder : vanaf de dag na de dag van de betekening van het afschrift van het verzoekschrift, vermeld in artikel 15, eerste lid;2° als het administratieve dossier niet in het bezit is van de verweerder : vanaf de betekening door de griffier dat het administratieve dossier is neergelegd. § 2. Als het verzoekschrift een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing bevat, beschikt de verweerder over een vervaltermijn van dertig dagen om de antwoordnota in te dienen, die ingaat : 1° als de schorsing wordt bevolen : de dag na de dag van de betekening van het arrest waarin de schorsing wordt bevolen;2° als de vordering tot schorsing wordt verworpen : de dag na de dag van de betekening door de griffier van het door de verzoeker ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. Onderafdeling 2. - De schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij

Art. 29.§ 1. Als het verzoekschrift alleen een vordering tot vernietiging bevat, beschikt de tussenkomende partij over een vervaltermijn van dertig dagen om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.

De termijn van dertig dagen gaat in de dag na de dag van de betekening van de uitspraak over de ontvankelijkheid van het verzoek tot tussenkomst. § 2. Als het verzoekschrift een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing bevat, gaat de vervaltermijn van dertig dagen om de schriftelijke uiteenzetting in te dienen, in : 1° als de schorsing wordt bevolen : de dag na de dag van de betekening van het arrest waarin de schorsing wordt bevolen;2° als de vordering tot schorsing wordt verworpen : de dag na de dag van de betekening door de griffier van het door de verzoeker ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. Onderafdeling 3. - De wederantwoordnota of toelichtende nota van de verzoeker

Art. 30.De griffier betekent een afschrift van de antwoordnota aan de verzoeker en brengt die ook op de hoogte van de neerlegging van het administratieve dossier.

In geval van een tussenkomst betekent de griffier gelijktijdig een afschrift van de antwoordnota en van de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij aan de verzoeker.

Art. 31.De verzoeker kan een wederantwoordnota indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen.

De termijn van dertig dagen, vermeld in het eerste lid, gaat in de dag na de dag van de betekening van het afschrift van de antwoordnota.

De griffier bezorgt een afschrift van de wederantwoordnota aan de verweerder en, in geval van een tussenkomst, aan de tussenkomende partij.

Art. 32.Als de verweerder geen tijdige antwoordnota heeft ingediend, stelt de griffier de verzoeker daarvan in kennis. In dat geval mag de verzoeker de wederantwoordnota vervangen door een toelichtende nota.

Onderafdeling 4. - Getuigen

Art. 33.§ 1. De partij die wil dat een getuige wordt gehoord, dient daarvoor een afzonderlijk gemotiveerd verzoek in tijdens het vooronderzoek.

De kamervoorzitter oordeelt over de noodzakelijkheid en relevantie van het horen van een getuige. De griffier brengt de aanvrager op de hoogte van de beslissing of de getuige gehoord zal worden. § 2. Als de kamervoorzitter beslist een getuige te horen, betaalt de partij die dat verhoor gevraagd heeft, binnen de door de kamervoorzitter bepaalde termijn, een voorschot ten bedrage van het getuigengeld. De kamervoorzitter kan een aanvullend voorschot eisen als daarvoor grond bestaat.

Het verschuldigde bedrag wordt gestort op de rekening van het Grondfonds.

De betekening, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vermeldt het bedrag van het verschuldigde getuigengeld en de betalingstermijn. § 3. Als de leidend ambtenaar van het departement vraagt om een getuige te horen, wordt het getuigengeld voorgeschoten vanuit het Grondfonds en als uitgaven in de rekeningen ten laste van de begroting van het Grondfonds geboekt. § 4. Als de partij het vereiste voorschot niet tijdig betaalt, wordt ze geacht af te zien van het horen van de getuige. Afdeling 2. - Zitting

Art. 34.Na afloop van het vooronderzoek bepaalt de kamervoorzitter bij beschikking : 1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot vernietiging wordt behandeld;2° de termijn waarbinnen de partijen of hun raadsman ter griffie inzage kunnen nemen van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken;3° de namen van de getuigen en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamervoorzitter heeft beslist een getuige te horen. De griffier deelt die beschikking minstens vijftien dagen voor de dag van de zitting mee aan de partijen en aan de getuigen.

Deze beschikking geldt ten aanzien van de getuigen als oproeping.

Art. 35.§ 1. De kamervoorzitter verklaart de zitting voor geopend.

Hij leidt de zitting. § 2. De kamervoorzitter hoort, in voorkomend geval, de getuigen.

De griffier stelt een proces-verbaal van het verhoor op dat hij samen met de kamervoorzitter en de gehoorde getuige ondertekent. § 3. De griffier stelt een proces-verbaal van de zitting op dat hij samen met de kamervoorzitter ondertekent.

De kamervoorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad. Afdeling 3. - Arrest

Art. 36.Het arrest bevat de gegevens, vermeld in artikel 22.

De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot vernietiging, aan de partijen.

Art. 37.De griffier brengt op de uitgifte, na het beschikkende gedeelte van het arrest, het uitvoeringsformulier, vermeld in artikel 23, aan. HOOFDSTUK 7. - Tussengeschillen Afdeling 1. - Bestuurlijke lus

Art. 38.De Raad vermeldt in zijn tussenuitspraak op welke wijze en binnen welke termijn de onregelmatigheid kan worden hersteld.

Art. 39.De griffier deelt binnen een ordetermijn van vijftien dagen na de dagtekening van de tussenuitspraak, vermeld in artikel 4.8.4, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, die tussenuitspraak mee aan de partijen.

De griffier brengt de partijen ervan op de hoogte of het vergunningverlenende bestuursorgaan wil gebruikmaken van de mogelijkheid om een onregelmatigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen.

Als het vergunningverlenende bestuursorgaan overgaat tot herstel van de onregelmatigheid, bezorgt de griffier een afschrift van de mededeling, vermeld in artikel 4.8.4, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, per beveiligde zending aan de andere partijen.

Partijen kunnen binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening, vermeld in derde lid, schriftelijk hun zienswijze meedelen over de wijze waarop de onregelmatigheid is hersteld.

Ter uitvoering van artikel 4.8.4, § 3, van de voormelde codex beschikt de Raad over een ordetermijn van twintig dagen om de partijen mee te delen op welke wijze het beroep verder wordt behandeld. Afdeling 2. - Bemiddeling

Art. 40.§ 1. De partijen kunnen tijdens het vooronderzoek de Raad om een bemiddelingspoging verzoeken met een gemotiveerd verzoek tot bemiddeling, ondertekend door alle partijen of hun raadsman. § 2. Het verzoek tot bemiddeling, vermeld in paragraaf 1, bevat : 1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partijen en de gekozen woonplaats;2° de vermelding van de zaak waarin om bemiddeling verzocht wordt, en het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is;3° eventueel de identiteit van de persoon die wordt voorgedragen als externe bemiddelaar. Partijen voegen aan het verzoek tot bemiddeling de overtuigingsstukken toe waaruit blijkt dat een voorgedragen externe bemiddelaar voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.8.5, § 2, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.

Partijen kunnen aan het verzoek alle overtuigingsstukken toevoegen die ze nuttig achten. § 3. Als niet voldaan is aan de vormvereisten, vermeld in paragraaf 1 en 2, stelt de griffier de partijen in staat om het verzoek tot bemiddeling te regulariseren binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van het verzoek tot regularisatie.

Art. 41.De partijen kunnen tijdens een zitting de Raad om een bemiddelingspoging verzoeken.

De griffier stelt een proces-verbaal van het gemotiveerde verzoek tot bemiddeling op, dat hij samen met de kamervoorzitter en alle partijen of hun raadsman ondertekent.

Art. 42.De kamer doet bij tussenarrest als vermeld in artikel 4.8.5, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, uitspraak over het verzoek tot bemiddeling.

Het tussenarrest waarbij het verzoek tot bemiddeling wordt ingewilligd, vermeldt uitdrukkelijk : 1° het akkoord van de partijen;2° de identiteit van de bemiddelaar;3° de inhoud van de opdracht van de bemiddelaar;4° de termijn van de opdracht die maximaal zes maanden bedraagt en die ingaat de dag na de dag van de betekening, vermeld in het vierde lid;5° de datum waarnaar de zaak is verdaagd, die de eerste nuttige datum na het verstrijken van de termijn is. Het tussenarrest waarbij het verzoek tot bemiddeling wordt afgewezen, wordt met redenen omkleed.

De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het tussenarrest, vermeld in het eerste lid, aan de partijen en, in voorkomend geval, aan de bemiddelaar.

Art. 43.De bemiddelaar beschikt over een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van het tussenarrest, vermeld in artikel 42, vierde lid, om de griffier te laten weten of hij zijn opdracht aanvaardt.

Als de aangewezen externe bemiddelaar de opdracht aanvaardt, bezorgt de griffier hem een afschrift van het administratieve dossier.

Art. 44.Na de ontvangst van de bemiddelingsopdracht en het administratieve dossier en zodra het nuttig is, nodigt de bemiddelaar de partijen uit binnen een termijn die hij bepaalt.

Bij de uitnodiging voegt de bemiddelaar een inventaris van de stukken die al bezorgd zijn aan hem.

Partijen kunnen de bemiddelaar bijkomende stukken bezorgen die ze nuttig achten.

Art. 45.§ 1. Uiterlijk tijdens de zitting, vermeld in artikel 42, tweede lid, 5°, informeren de partijen de kamer over het resultaat van de bemiddeling. § 2. Als de bemiddeling tot een bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of kan een van de partijen de kamer verzoeken om dat akkoord te bekrachtigen. § 3. Als de partijen niet tot een akkoord zijn gekomen, kunnen ze om een nieuwe bemiddelingstermijn verzoeken.

De kamer doet bij tussenarrest uitspraak over het verzoek om een nieuwe bemiddelingstermijn.

Het tussenarrest waarbij het verzoek voor een nieuwe bemiddelingstermijn wordt ingewilligd, vermeldt uitdrukkelijk : 1° de inhoud van de opdracht van de bemiddelaar;2° de nieuwe termijn van de opdracht die maximaal drie maanden bedraagt en die ingaat de dag na de dag van de betekening van het tussenarrest;3° de datum waarnaar de zaak is verdaagd, die de eerste nuttige datum na het verstrijken van de termijn is. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het tussenarrest, vermeld in het tweede lid, aan de partijen en aan de bemiddelaar.

Met toepassing van deze paragraaf kan de termijn van de opdracht op verzoek van de partijen telkens met maximaal drie maanden verlengd worden. § 4. Bij het ontbreken van een bemiddelingsakkoord, al dan niet na een verlengde bemiddelingstermijn, wordt bij tussenarrest de voortzetting van de jurisdictionele procedure bevolen.

De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het tussenarrest, vermeld in het eerste lid, aan de partijen en aan de bemiddelaar. § 5. De kamer kan, op basis van de informatie die hij ontvangt op de zitting, vermeld in paragraaf 1, met een tussenarrest vaststellen dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, en kan een einde stellen aan de bemiddelingspoging.

In dat geval zendt de griffier onmiddellijk een afschrift van het tussenarrest, vermeld in het eerste lid, aan de partijen en aan de bemiddelaar. Afdeling 3. - Hervatting

Art. 46.Als een van de partijen voor de sluiting van de debatten overlijdt, kan het geding worden hervat.

Behalve in een spoedeisend geval wordt de rechtspleging geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om de inventaris op te maken en te beraadslagen.

Art. 47.De rechthebbenden van de overledene hervatten het geding bij een verzoekschrift dat wordt ingediend op de wijze, vermeld in artikel 11, eerste lid.

De rechthebbenden voegen bij het verzoekschrift tot hervatting de overtuigingsstukken waaruit hun hoedanigheid van rechthebbende blijkt.

De griffier bezorgt een afschrift van dat verzoekschrift aan de partijen.

Art. 48.Zodra een verzoekschrift tot hervatting is ingediend en uiterlijk op het ogenblik dat de termijn voor de opmaak van de inventaris en voor beraad verstreken is, wordt de rechtspleging geldig hervat tegen de rechthebbenden van de overledene, bij verzoekschrift ingediend op de wijze, vermeld in artikel 11, eerste lid.

Art. 49.In de andere gevallen dan de gevallen vermeld in artikel 46, waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, gebeurt dat door een verklaring ter griffie. HOOFDSTUK 8. - Geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep

Art. 50.Als de kamer vindt dat een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep verantwoord kan zijn, bepaalt het arrest waarmee uitspraak wordt gedaan over de vordering tot vernietiging daarvoor een zitting op een nabije datum.

Het arrest dat de geldboete oplegt, geldt in elk geval als op tegenspraak gewezen.

De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep, aan de partijen.

De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep is opgelegd. HOOFDSTUK 9. - Verzoek tot opheffing of verbetering of beroep tot herziening Afdeling 1. - Opheffing

Art. 51.§ 1. De vordering tot opheffing wordt ingesteld door een verzoekschrift dat ondertekend is door een partij of door haar raadsman.

Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat : 1° de opgave van het arrest waarvan de opheffing wordt gevorderd;2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker tot opheffing en de gekozen woonplaats;3° een uiteenzetting van de feiten en de redenen waaruit blijkt dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is;4° een inventaris van de overtuigingsstukken. De verzoeker tot opheffing voegt bij het verzoekschrift : 1° als hij een rechtspersoon is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld. § 2. De griffier bezorgt onmiddellijk een afschrift van het verzoekschrift aan de andere partijen.

Iedere partij kan binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening, vermeld in het eerste lid, een aanvullend dossier en een nota met opmerkingen over de gevorderde opheffing indienen.

De griffier bezorgt een afschrift van de nota met opmerkingen over de gevorderde opheffing aan de andere partijen. § 3. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.

De griffier deelt die beschikking minstens zeven dagen voor de dag van de zitting mee aan de partijen. § 4. Als de verzoeker tot opheffing noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt zijn vordering afgewezen.

De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering. Afdeling 2. - Herziening

Art. 52.§ 1. Een beroep tot herziening is alleen ontvankelijk als het beroep ingesteld wordt binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat de dag na de dag waarop ontdekt is dat een stuk vals is of dat een achtergehouden stuk bestaat. § 2. Een beroep tot herziening wordt ingesteld door een verzoekschrift dat ondertekend is door een partij of door haar raadsman.

Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat : 1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partij en de gekozen woonplaats;2° de opgave van het arrest waarvan de herziening wordt gevorderd;3° een omschrijving van het belang van de verzoeker;4° de vermelding van de teruggevonden doorslaggevende stukken die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of van de als vals erkende of vals verklaarde stukken;5° een inventaris van de stukken. De verzoeker tot herziening voegt bij het verzoekschrift : 1° als hij een rechtspersoon is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld. De griffier bezorgt een afschrift van het verzoekschrift aan de andere partijen bij het bestreden arrest.

Het beroep tot herziening wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen. § 3. Als de verzoeker tot herziening noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt zijn vordering afgewezen. Afdeling 3. - Verbetering

Art. 53.Als de Raad een verbeterend arrest uitspreekt, overeenkomstig artikel 4.8.32, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zendt de griffier onmiddellijk een afschrift van het verbeterende arrest aan de partijen. HOOFDSTUK 1 0. - Kosten Afdeling 1. - Indexatie

Art. 54.De bedragen die verschuldigd zijn overeenkomstig dit hoofdstuk, worden vijfjaarlijks op 1 januari geïndexeerd op basis van de ABEX-index, met als basisindex die van januari 2010, en met een eerste indexatie op 1 januari 2015.

De bedragen worden afgerond op de dichtstbijzijnde euro, behalve het bedrag, vermeld in artikel 58, dat afgerond wordt op het dichtstbijzijnde veelvoud van 10 cent.

Als dat tot een resultaat leidt dat precies de helft van een euro of van tien cent is, wordt het bedrag naar boven afgerond. Afdeling 2. - Rolrechten

Art. 55.§ 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoeker bij het aanhangig maken van een vordering tot vernietiging, bedraagt 175 euro.

Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoeker bij het indienen van een vordering tot schorsing, bedraagt 100 euro.

Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij, bedraagt 100 euro, ongeacht of de tussenkomst geldt voor de vordering tot schorsing of de vordering tot vernietiging. § 2. De leidend ambtenaar van het departement of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde, die optreedt in de zin van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht. § 3. De verzoeker of tussenkomende partij die aantoont dat zijn inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.

De verzoeker of tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad gelijktijdig met het indienen van zijn verzoekschrift.

De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld op basis van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand. § 4. De griffier deelt de verzoeker of tussenkomende partij het verschuldigde bedrag of de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht mee.

Art. 56.Het verschuldigde rolrecht wordt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening, vermeld in artikel 55, § 4, gestort op de rekening van het Grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. Afdeling 3. - Getuigengeld

Art. 57.Aan iedere getuige, ook al verschijnt hij vrijwillig, wordt gevraagd of hij getuigengeld wil.

Het getuigengeld bedraagt maximaal 200 euro en wordt door de kamer begroot en toegekend.

De kosten voor het vervoer op de voordeligste wijze moeten in het getuigengeld begrepen zijn. Afdeling 4. - Vergoeding voor afschriften of uittreksels

Art. 58.Buiten de kosteloze zending van afschriften van de uitspraak van de Raad overeenkomstig artikel 4.8.29 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, geeft de afgifte door de griffier van een afschrift of uittreksel van een uitspraak aanleiding tot de betaling van een vergoeding van 50 eurocent per bladzijde.

Als de griffier het afschrift of uittreksel per post opstuurt, is een aanvullende vergoeding verschuldigd die gelijk is aan de kosten van een niet-aangetekende brief van genormaliseerd formaat.

Het verschuldigde bedrag wordt gestort op de rekening van het Grondfonds met de vermelding van het arrestnummer en de naam van de persoon die het afschrift of uittreksel aanvraagt, voor de griffier het afschrift of het uittreksel uitreikt.

De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar of de leidend ambtenaar van het departement of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde die om de afgifte van een afschrift of een uittreksel van een uitspraak verzoekt, is vrijgesteld van de betaling van de vergoedingen, vermeld in het eerste lid.

TITEL 3. - Wijzigingsbepalingen

Art. 59.In het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot regeling van sommige aspecten van de organisatie en werking van de Raad voor vergunningsbetwistingen worden de volgende artikelen opgeheven : 1° artikel 2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 september 2010;2° artikel 9, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012;3° artikel 9/1 tot en met 9/3, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 2012. TITEL 4. - Slotbepalingen

Art. 60.De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 september 2012 : 1° het decreet van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft;2° dit besluit.

Art. 61.De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 13 juli 2012.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS

^