Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Regering Van De Franse Gemeenschap van 14 mei 2009
gepubliceerd op 23 december 2009

Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap houdende uitvoering van het decreet van 14 november 2008 tot instelling van de Jeugdraad van de Franse Gemeenschap

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2009029902
pub.
23/12/2009
prom.
14/05/2009
ELI
eli/besluit/2009/05/14/2009029902/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

14 MEI 2009. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap houdende uitvoering van het decreet van 14 november 2008 tot instelling van de Jeugdraad van de Franse Gemeenschap


De Regering van de Franse Gemeenschap, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en, inzonderheid op artikel 20;

Gelet op het decreet van 14 november 2008 tot instelling van de Jeugdraad van de Franse Gemeenschap en inzonderheid, op de artikelen 2, 3, § 2, 8, § 9, 11, 12 en 15;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, verleend op 30 maart 2009;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 3 april 2009;

Gelet op het advies nr. 46.427/4 van de wetgevingsafdeling van de Raad van Staten, gegeven op 5 mei 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Jeugd en Onderwijs voor sociale promotie;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient verstaan te worden onder : 1° « Decreet » : het decreet van 14 november 2008 tot instelling van de Jeugdraad van de Franse Gemeenschap;2° « Jeugdraad » : de Jeugdraad van de Franse Gemeenschap, ingesteld door het decreet;3° « Vereniging » : de vereniging zonder winstbejag opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, die de erkenning aanvraagt als Jeugdraad met toepassing van het decreet of die, desgevallend, de begunstigde ervan is;4° « Erkenning » : erkenning als Jeugdraad, bekomen door een vereniging met inachtneming van het decreet en dit besluit;5° « Jeugddienst » : de Jeugddienst van de Algemene directie Cultuur van het Ministerie van de Franse Gemeenschap;6° « Inspectie » : de Algemene dienst Inspectie van de Algemene directie Cultuur van het Ministerie van de Franse Gemeenschap;7° « Minister » : het lid van de Regering dat met Jeugd belast is;8° « Werkdagen » : maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag, met uitzondering van de feestdagen;9° « Kennisgeving » : zending bij aangetekende brief. HOOFDSTUK II. - De openbare oproep tot kandidaten

Art. 2.§ 1. De Jeugddienst is belast met het instellen van een procedure voor openbare oproep tot kandidaten met inachtneming van de volgende regels : 1° de openbare oproep tot kandidaten geschiedt voor de eerste keer op de vijftiende mei volgend op de inwerkingtreding van dit besluit, en daarna, op de eerste juni van elk laatste jaar vóór de mogelijke vernieuwing van de erkenning van de Jeugdraad, via een bekendmaking op de Website van de Jeugddienst;2° de bij 1° bedoelde bekendmaking verwijst integraal of bevat een directe link naar de tekst van het decreet en, minstens, naar de artikelen 2, 3, 8 en 9 ervan, alsook naar de tekst van dit besluit;3° de bekendmaking bedoeld bij 1° vermeldt dat het indienen van de kandidaturen enkel van 1 tot 30 september na de openbare oproep mogelijk is, mits mededeling van een dossier waarvan de inhoud in paragraaf 2 bepaald wordt; § 2. Om op de bij paragraaf 1 bedoelde openbare oproep te antwoorden, gebruikt de vereniging, om het dossier samen te stellen dat met haar kandidaatstelling ingediend moet worden, het typeformulier opgenomen als bijlage bij dit besluit, gratis bekomen bij de Jeugddienst, ofwel elektronisch ofwel, bij gebreke daaraan, in drie exemplaar.

In elk geval bevat het dossier : 1° de statuten van de vereniging en, behoudens voor de eerste erkenning toegekend met toepassing van het decreet en van dit besluit, de aanstellingsakten van haar organen, opgesteld met inachtneming van de artikelen 8 en 9 van het decreet;2° desgevallend, indien de vereniging vóór de openbare oproep al bestond, een activiteitenverslag alsook de balans en de resultatenrekening voor het jaar dat aan dat van de openbare oproep voorafgaat;3° begrotingsvooruitzichten betreffende het eerste jaar van de periode van vijf jaar waarop de aangevraagde erkenning slaat. § 3. In afwijking van de eerste paragraaf, 3°, bij de eerste openbare oproep tot de kandidaten ingesteld met toepassing van § 1, 1°, bepaalt de erbij bedoelde bekendmaking dat de indiening van de kandidaturen enkel tussen 15 en 31 mei toegestaan is. § 4. Voor de eerste erkenning toegekend met toepassing van het decreet en van dit besluit, zorgt het bureau van de Franstalige Jeugdraad bedoeld bij artikel 14 van het decreet voor de overgang tot de aanwijzing van de organen bedoeld bij § 2, tweede lid, 1°.

Art. 3.De Jeugddienst bericht ontvangst van een kandidatuur bedoeld bij artikel 2 binnen de vijf werkdagen van de ontvangst. Hij gaat na of het dossier van de aanvraag volledig is met betrekking tot de vereisten die voortvloeien uit dit besluit en de bijlagen ervan. Zo nodig, binnen een termijn van vijf werkdagen na zending van het ontvangstbericht, vraagt de dienst aan de vereniging om de ontbrekende elementen van het dossier toe te sturen.

De kandidatuur wordt in aanmerking genomen op de datum waarop de Jeugddienst in het bezit is van het volledige dossier. De jeugddienst licht de vereniging over de datum van de inaanmerkingneming binnen de kortste termijn in en, in elk geval, ten laatste tegen 5 september behoudens voor de eerste erkenning toegekend met toepassing van het decreet en van dit besluit. In dat geval, stelt de Jeugddienst de vereniging ervan op de hoogte binnen de tien werkdagen na de indiening van het volledige dossier. HOOFDSTUK III. - De procedure voor de toekenning van de erkenning

Art. 4.§ 1. De Minister neemt een beslissing over de kandidaturen bedoeld bij artikel 2 op met redenen omkleed voorstel van de Jeugddienst, opgesteld in de vorm van een besluit, en na advies van de Inspectie, ten laatste tegen 31 december van het jaar gedurende hetwelk de openbare oproep tot kandidaten bedoeld bij hoofdstuk II werd ingesteld.

Maken echter enkel het voorwerp uit van een vergelijking en een beslissing van de Minister in de loop van een kalenderjaar, de kandidaturen bedoeld bij artikel 2 in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 3, tweede lid, ten laatste op 30 september van datzelfde jaar.

Een kandidatuur die in aanmerking wordt genomen met toepassing van het vorige lid geldt als een aanvraag om erkenning voor de toepassing van dit besluit. § 2. De beslissing van de Minister houdende toekenning van de erkenning van een vereniging heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de volgende maand.

Er wordt ervan aan de gekozen vereniging alsook aan de niet gekozen verenigingen kennisgegeven met vermelding van de beroepswegen ingericht door dit besluit. § 3. Voor de eerste erkenning toegekend met toepassing van het decreet neemt de Minister een beslissing over de kandidaturen bedoeld bij artikel 2 binnen de vijftien werkdagen na de beëindiging van de openbare oproep tot de kandidaten. HOOFDSTUK IV. - De procedure voor de vernieuwing van de erkenning

Art. 5.De erkenning van de Jeugdraad wordt om de vijf jaar vernieuwd op voorwaarde dat : 1° hij er formeel om vraagt per kennisgeving bij de Jeugddienst, ingediend ten laatste op 1 mei van het jaar dat voorafgaat aan de mogelijke vernieuwing van de erkenning;2° hij niet het voorwerp uitmaakt van een procedure tot intrekking van de erkenning, ingesteld overeenkomstig artikel 11, of van een beslissing tot schorsing of intrekking van de erkenning, uitgesproken door de Minister respectief met toepassing van artikel 10 en artikel 12;3° geen nieuwe kandidatuur in aanmerking werd genomen na het instellen van een nieuwe oproep tot de kandidaten, gedaan overeenkomstig artikel 2 of, desgevallend, overeenkomstig artikel 6, § 2, lid 1.

Art. 6.§ 1. Indien de Jeugddienst vaststelt dat de voorwaarden bedoeld bij artikel 5 vervuld zijn, licht hij de Jeugdraad en de Minister erover in.

De Minister vernieuwt de erkenning van de Jeugdraad voor een periode van vijf jaar en deelt zijn beslissing aan de Jeugddienst mee ter kennisgeving aan de Jeugdraad. § 2. In het geval bedoeld bij artikel 5, 2°, kan de Minister de nadere regels uitbreiden en vermeerderen voor de openbare oproep tot kandidaten bedoeld bij artikel 2, § 1, indien de Jeugdraad het voorwerp uitmaakt van een schorsing of een intrekking van zijn erkenning, waarvoor de beroepen opgericht bij dit besluit al met negatief resultaat ingesteld werden.

In het geval bedoeld bij artikel 5, 3° of, desgevallend, na implementatie van het eerste lid, wordt de Jeugdraad, net als de verenigingen die zich kandidaat hebben gesteld voor de erkenning, integraal onderworpen aan de procedure voor de toekenning van de erkenning bedoeld bij hoofdstuk III. HOOFDSTUK V. - De procedures voor de schorsing en de intrekking van de erkenning alsook de schorsing en de afschaffing van de subsidies Afdeling 1. - De voorafgaande ingebrekestelling

Art. 7.Indien de Jeugddienst, na advies van de Inspectie, de mening toegedaan is dat de Jeugdraad de opdrachten die hem toegewezen werden krachtens artikel 2, tweede lid, van het decreet, niet verwezenlijkt, dat de Jeugdraad noch de erkenningscriteria bedoeld bij de artikelen 3 tot 7 van het decreet, noch de regels van samenstelling en werking bedoeld bij de artikelen 8 en 9 van het decreet, noch deze met betrekking tot de deelnemeningsstructuren bedoeld bij artikel 10 van het decreet in acht neemt, licht er de Jeugdraad in over en maant hem aan deze in acht te nemen binnen de door hem bepaalde termijn, die toch evenredig moet zijn met de door de Jeugdraad te treffen maatregelen en kan, in elk geval, niet korter zijn dan drie maanden.

Hij stelt er gelijktijdig de Minister in kennis van.

Vanaf de kennisgeving van de ingebrekestelling bedoeld bij het eerste lid, beschikt de Jeugdraad over een termijn van één maand om een mogelijke nota met op- en aanmerkingen aan de Jeugddienst te laten geworden. Afdeling 2. - Schorsing van de erkenning

Art. 8.§ 1. Indien, na de door hem overeenkomstig artikel 7, eerste lid, bepaalde termijn, en met betrekking tot de mogelijke nota met op- en aanmerkingen van de Jeugdraad, de Jeugddienst, na advies van de Inspectie, acht dat de Jeugdraad de hem in de voorafgaande ingebrekestelling verweten gebreken niet verholpen heeft, kan hij de Jeugdraad bij aangetekende brief ervan berichten dat hij zich voorneemt de Minister de schorsing van de erkenning voor te stellen, en vermeldt de bepalingen van het decreet die door hem niet meer in acht worden genomen alsook de duur van de voorgenomen schorsing van de erkenning, die toch niet meer dan negen maanden mag bedragen.

Hij stelt er gelijktijdig de Minister in kennis van.

Art. 9.Alvorens een beslissing te nemen, hoort de Minister, of diens afgevaardigde, de vertegenwoordigers aangesteld door de Jeugdraad, in aanwezigheid van de verantwoordelijke van de Jeugddienst.

De oproeping voor het verhoor wordt aan de Jeugdraad bij aangetekende brief toegezonden. Minstens vijftien werkdagen moeten verlopen tussen de zending van de oproeping en de dag van het verhoor.

De oproeping bevat de vermelding dat de Jeugdraad over de mogelijkheid beschikt om een nota met op- of aanmerkingen in te dienen ter gelegenheid van het verhoor of, desgevallend, het verhoor te vervangen door het enkel indienen van een nota met op- en aanmerkingen.

Art. 10.De Minister neemt een beslissing over de schorsing van de erkenning op het voorstel van de Jeugddienst, opgesteld in de vorm van een ontwerp van besluit, met toevoeging van de voorafgaande ingebrekestelling, het advies van de Inspectie en de mogelijke nota's met op- en aanmerkingen opgesteld door de Jeugdraad met toepassing van de artikelen 7, derde lid, en 9, derde lid.

De Minister treft zijn beslissing met bepaling, desnoods, van de datum van inwerkingtreding en de duur van de schorsing van de erkenning, en deelt zijn beslissing aan de Jeugddienst mee ter kennisgeving aan de vereniging.

Zijn beslissing wordt van rechtswege gelijkgesteld met de schorsing van de subsidies bedoeld bij artikel 11 van het decreet.

Art. 11.Vanaf de inwerkingtreding van de schorsing van de erkenning, en tot het einde ervan, wordt de Jeugdraad verhoord één, twee of drie maal, naargelang de schorsing uitgesproken werd voor een duur die korter is dan of gelijk is aan drie maanden, of langer dan drie maanden maar niet langer dan zes maanden, langer dan zes maanden maar niet langer dan negen maanden.

Voor het verhoor bedoeld bij het vorige lid wordt gezorgd door de Jeugddienst en dat verhoor heeft tot doel de Jeugdraad in staat te stellen alle elementen voor te brengen die ertoe zouden strekken te bewijzen dat zijn bedoeling is zich naar de voorafgaande ingebrekestelling te schikken.

In afwijking van het voorafgaande lid, indien het verhoor het enige of het laatste is van een schorsingperiode, wordt ervoor gezorgd door de Minister of diens afgevaardigde, in de aanwezigheid van de verantwoordelijke van de Jeugddienst plaatsvindt en, geldt, desgevallend, als verhoor tot al dan niet intrekking van de erkenning bedoeld bij afdeling 3. Afdeling 3. - Intrekking van de erkenning

Art. 12.Indien, op het einde van de schorsingperiode van de erkenning en na het verhoor bedoeld bij artikel 10, derde lid, de Minister, op met redenen omkleed voorstel van de Jeugdraad, opgesteld in de vorm van een ontwerp van besluit, acht dat de Jeugdraad de hem verweten feiten die als basis gelden voor de schorsing van de erkenning niet verholpen heeft, trekt hij de erkenning in.

De beslissing van de Minister heeft uitwerking met ingang van de kennisgeving ervan aan de Jeugdraad door de Jeugddienst.

Zij betekend van rechtswege dat de subsidies bedoeld bij artikel 11 van het decreet afgeschaft worden. HOOFDSTUK VI. - Beroepsprocedures

Art. 13.De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op : 1° de beroepen tegen een beslissing in verband met een aanvraag om erkenning of vernieuwing van deze;2° de beroepen tegen een beslissing betreffende de schorsing of de intrekking van een erkenning.

Art. 14.Vanaf de kennisgeving van een beslissing bedoeld bij het vorige lid, beschikt de vereniging of, desgevallend, de Jeugdraad, over vijftien werkdagen om tegen de beslissing bij aangetekende brief gericht aan de Jeugddienst beroep in te stellen.

Art. 15.Vanaf de ontvangst van het beroep, beschikt de Jeugddienst over vijftien werkdagen om een voorstel tot beslissing aan de Minister over te zenden met erbij, indien tijdig uitgebracht, het advies van de Inspectie.

Dit voorstel tot beslissing wordt gelijktijdig aan de vereniging of, desgevallend, aan de Jeugdraad meegedeeld.

Art. 16.Alvorens een beslissing te treffen, hoort de Minister, of desgevallend diens afgevaardigde, de Jeugdraad, in de aanwezigheid van de verantwoordelijke voor de Jeugddienst.

De oproeping voor het verhoor wordt aan de vereniging of, desgevallend, aan de Jeugdraad, bij aangetekende brief toegezonden.

Minstens vijftien werkdagen moeten verlopen tussen de zending van de oproeping en de dag van het verhoor.

De oproeping bevat de vermelding dat de vereniging of, desgevallend, de Jeugdraad over de mogelijkheid beschikken om een nota met op- of aanmerkingen in te dienen ter gelegenheid van het verhoor of, desgevallend, het verhoor te vervangen door het enkel indienen van een nota met op- en aanmerkingen.

Art. 17.De Minister neemt een beslissing over de beroepen bedoeld bij artikel 13, op het met redenen omklede voorstel van de Jeugdraad, opgesteld in de vorm van een ontwerp van besluit.

Hij deelt zijn beslissing aan de Jeugdraad mede ter kennisgeving aan de vereniging.

Art. 18.een beslissing genomen over een beroep overeenkomstig dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van de datum waarop de Jeugddienst van de beslissing kennis heeft gegeven.

Art. 19.Onverminderd de bepalingen van dit besluit, zorgt de Jeugddienst, die de Minister over het verloop en de inhoud ervan inlicht, voor de verhoren aangevraagd door de vertegenwoordigers van de Jeugdraad met toepassing van artikel 3, § 2, laatste lid, van het decreet. HOOFDSTUK VII. - De subsidies ten gunste van de Jeugdraad en het presentiegeld

Art. 20.De Jeugddienst betaalt, tegen 31 maart uiterst, 85 % van de jaarlijkse subsidie uit bedoeld bij artikel 11, eerste lid, 2°, van het decreet.

Hij vereffent het saldo van de voornoemde subsidie in een schijf uit ten laatste binnen de drie maanden na de indiening bij de Jeugddienst van de documenten bedoeld bij artikel 21, tweede lid.

Onverminderd artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, trekt de Jeugddienst van de betaling van deze schijven de delen van subsidie af die betrekking hebben op vorige kalenderjaren waarvoor de Jeugdraad geen verantwoording heeft kunnen geven.

Art. 21.De subsidie toegekend voor een jaar heeft betrekking op hetzelfde kalenderjaar. Deze subsidie wordt gestaafd met de resultatenrekening van datzelfde kalenderjaar.

De Jeugdraad wordt ertoe gehouden tegen 31 juli uiterst aan de Jeugddienst zijn jaarrekeningen goedgekeurd door zijn algemene vergadering en betreffende het vorige kalenderjaar mee te delen. Deze jaarrekeningen bevatten de balans en de resultatenrekening volgens het schema bepaald bij de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Art. 22.§ 1. De logistieke hulp bedoeld bij artikel 11, eerste lid, 3°, van het decreet, stemt overeen met de kostvrije terbeschikkingstelling, in voldoende hoeveelheid, van minstens het hierna volgende materiaal : 1° computers, met inbegrip desgevallend, van laptops, met een internetverbinding;2° printers, waarvan minstens een kleurenprinter;3° scanners;4° telefoon- en faxapparaten;5° kasten, bureaus en bureaustoelen;6° bureaumateriaal;7° vergaderingtafels en -stoelen. § 2. De administratieve hulp bedoeld bij artikel 11, eerste lid, 3°, van het decreet, stemt overeen met, de terbeschikkingstelling, in voldoende hoeveelheid, van minstens de volgende diensten en prestaties : 1° hulpverlening door het Etnic, indien nodig;2° gebruik van Postdiensten of, desnoods, van leveringsondernemingen. § 3. De hulp inzake infrastructuur en huisvesting bedoeld bij artikel 11, eerste lid, 3° van het decreet, stemt overeen met, de terbeschikkingstelling, in voldoende hoeveelheid, van minstens de volgende prestaties : 1° lokalen die dicht bij de openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen gelegen zijn, waarin de bureaus bedoeld bij paragraaf 1, 5° gebracht kunnen worden en een afzonderlijke vergaderingzaal;2° reinigingsdiensten van de lokalen bedoeld bij 1°;3° toegang tot de lokalen bedoeld bij 1° buiten de werkuren.

Art. 23.§ 1. Met toepassing van artikel 8, § 9, van het decreet, wordt het bedrag van het presentiegeld per werksessie op 25,52 vastgesteld.

De verplaatsings- en verblijfkosten worden bepaald volgens de voorwaarden en de tarieven bepaald door de reglementering inzake van toepassing op de personeelsleden van het ministerie. Daartoe, worden de leden van de Jeugdraad en de deskundigen bedoeld bij artikel 8, § 7, van het decreet, gelijkgesteld met de personeelsleden van het ministerie die titularis zijn van een graad gerangschikt in rang 12.

De leden van de Jeugdraad worden ertoe gemachtigd gebruik te maken van hun persoonlijk voertuig voor de verplaatsingen vereist door hun deelname aan de vergaderingen van de Jeugdraad. Ze genieten een vergoeding die gelijk is aan het bedrag dat door de Franse Gemeenschap betaald zou moeten worden indien zij gebruik hadden gemaakt van de openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen. De Franse Gemeenschap zorgt niet voor de dekking van de risico's die voortvloeien uit het gebruik, door de leden, van hun persoonlijke voertuig. § 2. De bedragen bedoeld bij de eerste paragraaf worden aangepast aan het gezondheidsindexcijfer om de twee jaar, vanaf 1 januari 2011.

Dezelfde bedragen worden om de drie maand betaald bij verstrijking van de termijn. § 3. De bedragen bestemd voor de deskundigen bedoeld bij de eerste paragraaf worden betaald, overeenkomstig de tweede paragraaf, aan de vereniging waarvan deze deskundigen lid zijn, behoudens uitdrukkelijke instemming van deze laatste opdat de betaling ten gunste van de deskundigen in persoon zou gebeuren. HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen

Art. 24.Het decreet treedt in werking op 1 januari 2009.

Art. 25.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2009.

Art. 26.De Minister tot wiens bevoegdheid de Jeugd behoort, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 14 mei 2009.

Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister van Jeugd en Onderwijs voor sociale promotie, M. TARABELLA Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^