Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Franse Gemeenschapscommissie van 11 juni 1998
gepubliceerd op 27 augustus 1998

Besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de toepassing van het decreet van 18 juli 1996 houdende erkenning van de instellingen die bemiddelen bij schulden

bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
1998031325
pub.
27/08/1998
prom.
11/06/1998
ELI
eli/besluit/1998/06/11/1998031325/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

11 JUNI 1998. - Besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de toepassing van het decreet van 18 juli 1996 houdende erkenning van de instellingen die bemiddelen bij schulden


Het College, Gelet op het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 juli 1996 houdende erkenning van de instellingen die bemiddelen bij schulden;

Gelet op het advies van de Brusselse Franstalige Adviesraad voor Bijstand aan personen en Gezondheid, gegeven op 22 augustus 1997;

Gelet op het advies van de Raad van State van 7 januari 1998;

Op voordracht van het Lid van het College belast met Bijstand aan Personen, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit besluit regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 128 van de Grondwet krachtens artikel 138 van de Grondwet.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° « decreet » : het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 juli 1996 houdende erkenning van de instellingen die bemiddelen bij schulden.2° « bureau » : het bureau van de Brusselse Franstalige Adviesraad voor Bjistand aan personen en Gezondheid.3° « minister » : het lid van het College belast met Bijstand aan Personen. HOOFDSTUK II. - Erkenningsprocedure Afdeling 1. - Erkenningsaanvraag

Art. 3.Om ontvankelijk te zijn, moet de erkenningsaanvraag bij een ter post aangetekende brief gericht aan de administratie worden ingediend en vergezeld zijn van een dossier bestaande uit : 1° een document met de benaming van de instelling, het adres van de maatschappelijke zetel en van de activiteitenzetels;2° de geactualiseerde statuten van de instellingen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;3° de geactualiseerde lijst van de leden van de algemene vergadering en van de raad van bestuur en de naam van de personen die gemachtigd zijn om de instelling te vertegenwoordigen;4° de beslissing van het bevoegde orgaan van de instelling om een activiteit inzake het bemiddelen bij schulden te starten;5° een afschrift van de erkenning(en) bedoeld in artikel 6, § 1, 5° van het decreet;6° de naam en bewijs van goed gedrag en zeden van de verantwoordelijke voor de activiteit inzake het bemiddelen bij schulden en van elke persoon die omwille van zijn bevoegdheid rechtstreeks betrokken is bij deze activiteit;7° een overzicht van de vastgestelde behoeften in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake het bemiddelen bij schulden en van de middelen die deze moeten verhelpen;8° een functiebeschrijving voor diegenen die ingezet worden bij het bemiddelen bij schulden, met de arbeidsduur die daaraan besteed wordt en het bewijs van hun ervaring ter zake of van een gespecialiseerde opleiding;9° het plan van lokalen die specifiek voor deze activiteit worden bestemd alsook het huurcontract, de aankoopakte of elke andere al dan niet gratis overeenkomst;10° het afschrift van een bewijs van minder dan 3 maand oud, afgeleverd door de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende medische hulp van het Brussels Hoodfstedelijk Gewest waaruit blijkt dat de brandveiligheid verzekerd is;11° een document tot bewijs dat de instelling een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid heeft gesloten, dat ze gedekt is tegen brand en een betaalbewijs van de premies ervoor; Het aldus samengestelde dossier moet voor waar, volledig en eensluidend worden verklaard. Het moet ondertekend en van datum voorzien zijn door diegene(n) die gemachtigd is (zijn) om de instelling te vertegenwoordigen.

Art. 4.Indien het dossier onvolledig is, wordt de instelling hierover bericht binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van de aanvraag.

Indien de instelling de gegevens niet aanvult binnen de dertig werkdagen na deze kennisgeving wordt de aanvraag als onontvankelijk beschouwd. Afdeling 2. - Erkenning en hernieuwing van de erkenning

Art. 5.Zodra de administratie het volledige dossier in bezit heeft, behandelt ze de aanvraag. De administratie bezorgt het bureau het administratief dossier en de erkenningsaanvraag.

Art. 6.Het bureau onderzoekt de aanvraag. Het bezorgt zijn advies aan de administratie en aan de Minister binnen de dertig werkdagen nadat het deze in bezit heeft gekregen. Eens deze termijn verstreken, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De Minster beslist over de erkenningsaanvraag binnen de drie maanden na ontvangst van het advies van het bureau.

Het centrum wordt geacht erkend te zijn tot op het tijdstip van de kennisgeving van de hernieuwing van de erkenning.

Wanneer de erkenningsaanvraag uitgaat van een instelling die reeds erkend is voor haar opdrachten op het vlak van gezondheid vraagt de Minister eerst om het advies van het Lid van het College belast met gezondheid.

Art. 7.De beslissing tot toekenning wordt meegedeeld aan de instelling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs. De erkenning vermeldt de volgende gegevens : 1° de identificatie van de instelling en het statuut ervan;2° de maatschappelijke zetel, de plaats(en) van activiteit;3° de duur van de prestaties per week;4° de naam van de personen die gemachtigd zijn om de instelling te vertegenwoordigen.

Art. 8.De hernieuwing van de erkenning moet uiterlijk zes maand voor het verstrijken van de lopende erkenning worden aangevraagd. De aanvraag gebeurt bij een ter post aangetekende brief gericht aan de administratie. De aanvraag gaat vergezeld van het dossier overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikelen 3 en 4.

Art. 9.De procedure voor de hernieuwing van de erkenning is dezelfde als die voorzien in artikelen 5 en 6. Afdeling 3. - Weigering en intrekking van de erkenning

Art. 10.Wanneer bij de administratieve behandeling zoals bedoeld in artikel 5 blijkt dat de erkenningsnormen niet zijn nageleefd of dat de instelling niet langer voldoet aan de bepalingen die genomen zijn bij of krachtens het decreet, stelt de Minister de desbetreffende instelling in kennis van een met redenen omkleed voorstel tot weigering of intrekking van de erkenning bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs en bezorgt het daarvan een afschrift aan het bureau.

Met ingang van de dag van de kennisgeving van dit voorstel heeft de instelling dertig dagen de tijd om een rechtvaardigingsgeschrift in te dienen bij het bureau en bij de Minister. Het bureau onderzoekt het voorstel tot weigering of intrekking van de erkenning en bezorgt zijn advies aan de administratie en de Minister binnen de twee maanden nadat het voorstel is bezorgd.

Art. 11.Van de beslissing van de Minister tot weigering of intrekking van de erkenning wordt aan de instelling kennis gegeven bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.

De beslissing tot intrekking van de erkenning leidt tot de stopzetting van de activiteit inzake het bemiddelen bij schulden en dit uiterlijk op de werkdag die volgt op de dag van de kennisgeving.

De instelling bezorgt een lijst van de erkende instellingen voor het bemiddelen bij schulden aan de personen met een lopend dossier. Het lopend dossier wordt op kosten van de instelling waarvan de erkenning is ingetrokken, bezorgd aan een instelling die door de begunstigde is gekozen uit de lijst die hem is toegstuurd. HOOFDSTUK III. - Opleiding

Art. 12.De diploma's die vereist zijn om te worden beschouwd als gediplomeerd sociaal werker in de zin van artikel 6, §1 zijn de diploma's van sociaal assistenten of sociaal helper, sociaal verpleger of gegradueerd verpleger met specialisatie in gemeenschapsgezondheid, uitgereikt in het hoger onderwijs van het korte type of het onderwijs voor sociale promotie, van licentiaat in sociale of menswetenschappen, van psycholoog zoals bedoeld bij de wet van 8 november 1993 ter bescherming van de titel van psycholoog.

Art. 13.Van de gespecialiseerde opleiding zoals bedoeld in artikel 6, § 1, 1° van het decreet wordt een bewijs geleverd aan de hand van een getuigschrift dat is uitgereikt na de deelname aan een programma van minstens dertig uur theorie over de volgende materies : 1° verbintenissenrecht;2° hypothecair krediet;3° verbruikskrediet;4° geschillen over de niet-aflossing van de schuld en de wijzen van aflossing;5° methodologische aspecten van de bemiddeling bij schulden. De theoretische opleiding zoals bedoeld in het eerste lid wordt aangevuld met minstens één dag gewijd aan de praktijkstudie.

De opleidingscycli moeten door de Minister erkend zijn.

Art. 14.Het personeel bedoeld in artikel 6, § 1, 1° en 2° van het decreet dient een navorming van minstens acht uur per jaar te volgen waarvan het programma door de Minister is erkend.

Art. 15.Van de beroepservaring bedoeld in artikel 6, § 1, 1° en 2° van het decreet wordt het bewijs geleverd aan de hand van een schriftelijke verklaring hetzij van de werkgever hetzij van de Deken van de orde der advocaten. HOOFDSTUK IV. - Kosten voor de bemiddeling

Art. 16.De maximumkostprijs voor de bemiddeling wordt vastgesteld als volgt : 1° eerste opmaak van de globale financiële balans van de aanvrager : driehonderd frank;2° onderhandeling over een aflossingsplan met de schuldeisers : vijfhonderd frank;3° voorbereiding van de conclusies met het oog op een verschijning voor de rechtbank : vijftienhonderd frank. Dit tarief wordt jaarlijks aangepast op 1 januari aan de index der consumptieprijzen. Het tarief wordt aangebracht aan de ingang van de lokalen bedoeld in artikel 3, 9°. HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 17.De administratie gaat over tot een globale evaluatie van de activiteiten van de erkende diensten die bemiddelen bij schulden op basis van de jaarlijkse activiteitenverslagen en bezorgt een syntheseverslag alsook een analysenota en dit om de twee jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 18.De beambten van de administratie die door de Minister zijn aangesteld voor de inspectie van de instellingen hebben vrije toegang tot de lokalen en kunnen ter plaatse elk document raadplegen dat hen in staat stelt hun opdracht uit te voeren.

Art. 19.Van een afschrift van alle beslissingen betreffende een toekenning, hernieuwing, weigering of intrekking van een erkenning wordt kennis gegeven aan de federale Minster van economische Zaken.

Art. 20.Het Lid van het College, belast met Bijstand aan Personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, op 11 juni 1998.

Namens het College : Ch. PICQUE, Lid van het College belast met Bijstand aan Personen H. HASQUIN, Voorzitter van het College

^