Etaamb.openjustice.be
Beschikking van 17 juni 2021
gepubliceerd op 25 juni 2021

Ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing alsook van de organieke ordonnantie van 23 februari 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle

bron
brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2021042326
pub.
25/06/2021
prom.
17/06/2021
ELI
eli/ordonnantie/2021/06/17/2021042326/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

17 JUNI 2021. - Ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing alsook van de organieke ordonnantie van 23 februari 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle (ook klimaatordonnantie genoemd)


Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen, hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

Art. 2.Onderhavige ordonnantie zet gedeeltelijk richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie om.

TITEL II. - Wijzigingen aan de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing

Art. 3.In de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing wordt een artikel 1.2.2 toegevoegd dat luidt als volgt : « Art. 1.2.2.

Om koolstofneutraliteit te bereiken, moet de directe emissie van broeikasgassen van het Gewest in 2050 minstens 90 % lager liggen dan in 2005.

De directe emissie van broeikasgassen van het Gewest is verminderd met minstens 40 % in 2030 en met minstens 67 % in 2040 vergeleken met 2005.

Onder « directe emissie van broeikasgassen van het Gewest » moet worden verstaan de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door op het grondgebied van het Gewest aanwezige bronnen. ».

Art. 4.In dezelfde ordonnantie wordt een artikel 1.2.3 toegevoegd dat als volgt luidt : « Art. 1.2.3.

Leefmilieu Brussel stelt de regering uiterlijk op 1 januari 2023 een methodologisch kader voor met het oog op de vermindering van de indirecte emissies van broeikasgassen om een vergelijkbaar traject met dat van de directe emissies tegen 2050 te behalen. Op basis hiervan legt de regering vervolgens het beleid van het Gewest ter vermindering van deze emissies in lijn met deze doelstelling, vast.

Onder « indirecte emissie van broeikasgassen van het Gewest » moet worden verstaan « de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer door bronnen die gelegen zijn buiten het grondgebied van het Gewest, die wordt veroorzaakt door de activiteiten van de economische actoren die gevestigd zijn op het grondgebied van het Gewest. ».

Onder « economische actoren » moet worden verstaan « elke natuurlijke of rechtspersoon die deelneemt aan een economische activiteit door goederen en diensten te produceren, te ruilen of te consumeren ».

Art. 5.In dezelfde ordonnantie wordt een artikel 1.2.4 toegevoegd dat als volgt luidt : « Art. 1.2.4.

De Regering stelt minstens om de 10 jaar voorafgaand aan de opstelling van het Gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan een langetermijnstrategie over 30 jaar op, die er in het bijzonder op gericht is de sectorale verdeling van de doelstellingen voor vermindering van de directe en indirecte emissies van broeikasgassen vast te leggen. ».

Art. 6.In dezelfde ordonnantie wordt een artikel 1.2.5 toegevoegd dat als volgt luidt : « Art. 1.2.5. § 1. Het Brussels klimaatbeleid is ambitieus en coherent, en sluit aan bij de internationale verbintenissen van België op het vlak van het klimaat. Het promoot een klimaat dat veilig en gezond is voor de mens en de biodiversiteit. Het waakt over de veerkracht van het Gewest in het licht van de klimaatveranderingen. Het berust zo veel mogelijk op een brede steun van de Brusselse burgers, haar economische, sociale en institutionele spelers, de verenigingen van de transitie-initiatieven en de plaatselijke besturen. Het is gebaseerd op wetenschappelijke gegevens en analyses. Het klimaatbeleid, als onderdeel van de duurzame ontwikkeling, maximaliseert de synergiën met de beleidsterreinen om de sociale, economische en ecologische dimensie van de duurzame ontwikkeling te promoten. § 2. Het klimaatbeleid waarop deze ordonnantie betrekking heeft en de uitvoering ervan worden door de volgende beginselen geleid : 1° het beginsel van sociale rechtvaardigheid en rechtvaardige transitie, wat inhoudt dat het voorkomen en verminderen van sociale ongelijkheden en precaire situaties integraal deel uitmaken van de ontwikkeling en uitvoering van het klimaatbeleid ;2° het wederkerigheidsbeginsel, dat inhoudt dat de gewestelijke overheden en plaatselijke besturen zoveel mogelijk handelen met het oog op het verhogen van de efficiëntie van de maatregelen van de andere gewestelijke overheden en plaatselijke besturen, met betrekking tot de algemene doelstellingen die zijn vastgelegd in onderhavig Wetboek, en systematisch de eventuele impact van een maatregel op het Brusselse klimaatbeleid nagaan ;3° Het beginsel van burgerbijdrage, dat inhoudt dat het Gewest erkent en faciliteert dat de collectieve burgeractie een inbreng heeft in de ontwikkeling en het beheer van bepaalde gemeenschappelijke hulpbronnen en een bijdrage levert aan het antwoord op de milieu-uitdagingen, vooral op het vlak van het klimaat ;4° het vooruitgangsbeginsel, dat inhoudt dat de herziening van de doelstellingen en het klimaatbeleid stelselmatig een hogere ambitie moet nastreven ;5° het beginsel van de geïntegreerde bestrijding van verontreiniging, dat inhoudt dat het klimaatbeleid niet ten koste moet gaan van de biodiversiteit en van de kwaliteit van de lucht, van het water of van andere milieucomponenten.».

Art. 7.Bij artikel 1.3.1 van dezelfde ordonnantie wordt het volgende punt toegevoegd : Een punt 13°, dat luidt als volgt : « 13° « Governance-verordening » : verordening (EU) 2018/1999 van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van richtlijnen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EG, 2012/27/EG en 2013/30/EG van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad ».

Art. 8.Bij artikel 1.4.1 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « de richtsnoeren alsook » geschrapt ;2° in het eerste lid worden de woorden « die moeten worden genomen om ten minste de doelstellingen vastgelegd in onderhavig Wetboek te bereiken, overeenkomstig het beleid van de Europese Unie en het internationaal recht inzake lucht, klimaat en energie » vervangen door de woorden « waarmee de doelstellingen van het Gewest inzake lucht, klimaat en energie kunnen worden bereikt.» ; 3° het tweede lid wordt opgeheven.

Art. 9.Bij artikel 1.4.2 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste zin worden de woorden « de doelstellingen die het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan nastreeft » vervangen door de woorden « de doelstellingen die dit Wetboek en het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan nastreven » ; 2° in de laatste zin worden de woorden « op de doelstellingen van het Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling » aangevuld door de woorden « en op de richtsnoeren van de onder artikel 1.2.4 bedoelde strategie ».

Art. 10.Artikel 1.4.3 van dezelfde ordonnantie wordt vervangen door wat volgt : « Art. 1.4.3.

Het plan wordt uiterlijk op 30 maart 2023, op 30 september 2027 en vervolgens om de vijf jaar goedgekeurd door de Regering. ».

Art. 11.Bij artikel 1.4.5 van dezelfde ordonnantie worden de woorden « stedenbouw, erfgoed » ingevoegd tussen het woord « economie » en de woorden « en ruimtelijke ordening » .

Art. 12.Artikel 1.4.13, lid 3, van dezelfde ordonnantie wordt aangevuld met de volgende zin : « Ze stelt het plan voor aan het Parlement. ».

Art. 13.Bij artikel 1.4.15 van dezelfde ordonnantie worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid, worden de woorden « evalueert Leefmilieu Brussel de uitvoering van het plan, meer bepaald om de onvoorziene negatieve gevolgen te identificeren en, in voorkomend geval, een wijzigingsprocedure aan te vangen.Leefmilieu Brussel publiceert jaarlijks een synthese van de prestatie-indicatoren van de tenuitvoerlegging. » vervangen door de woorden « publiceert Leefmilieu Brussel jaarlijks een synthese van de tenuitvoerlegging van het plan in de vorm van de follow-upindicatoren. » ; 2° Het derde lid wordt gewijzigd als volgt : - de woorden « uit de aanbevelingen van de Europese Commissie in het kader van de bijdrage van het Gewest aan het Nationaal Energie-Klimaatplan voorzien in artikel 3 van de Governance-verordening of » worden ingevoegd tussen de woorden « wordt elke wijziging van het plan voortvloeiend » en de woorden « uit verplichtingen afgeleid van de Europese regelgeving » ; - de woorden « vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar waarin het plan van toepassing is verplicht worden aangevangen » worden vervangen door de woorden « en die aanbevelingen vóór de opstelling van het volgende plan verplicht moet worden aangevangen » ; 3° Het vierde lid wordt aangevuld door de volgende zin : « Het maakt het gewijzigde plan over aan het Parlement.».

Art. 14.In boek I van dezelfde ordonnantie wordt de naam van Titel 5 vervangen door wat volgt : « Klimaatdag ».

Art. 15.In dezelfde Titel 5 wordt artikel 1.5.1 vervangen door wat volgt : « Art. 1.5.1. § 1. Voor het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt een klimaatdag ingevoerd, ten laatste 15 juni van elk jaar, die gewijd is aan de bespreking van het jaarverslag van het Comité van klimaatdeskundigen bedoeld in paragraaf 2. Bij deze gelegenheid stelt de Regering een verslag voor over het te geven gevolg aan de aanbevelingen van het Comité van deskundigen. § 2. De Regering richt binnen de Raad voor het Leefmilieu een Comité van klimaatdeskundigen op. Het bestaat uit onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen en dient jaarlijks een verslag in dat de inbreng van het gewestelijke overheidsbeleid voor de klimaatdoelstellingen op middellange en lange termijn bedoeld in de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 evalueert en aanbevelingen bevat voor de Regering die gebaseerd zijn op deze evaluatie. Dit verslag heeft eveneens betrekking op de naleving van de beginselen bedoeld in artikel 1.2.5, van artikel 1.4.2 evenals het veiligheidsbeginsel volgens hetwelk geen enkele maatregel van de gewestelijke overheden de klimaatdoelstellingen op middellange en lange termijn bedoeld in de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 mag schaden. Dit verslag wordt ten laatste op 31 maart van elk jaar voorgelegd aan het Parlement en de Regering.

Het Wetenschappelijk comité van klimaatdeskundigen verstrekt een advies over de teksten, ontwerpen en eender welke andere vraag die de regering aan hem voorlegt.

De Regering bepaalt de samenstelling, de opdrachten, de financiering en de werking van dit Comité van klimaatdeskundigen ».

De Regering legt de verloning van de deskundigen vast en richt de nodige organen voor zijn werking op. ».

Art. 16.In Boek I van dezelfde ordonnantie wordt bijlage 1.1 « Structuur en minimuminhoud van het lucht-klimaat-energieplan » vervangen door de bijlage die bij deze ordonnantie is gevoegd.

Art. 17.In Boek 2 van dezelfde ordonnantie wordt de naam van Titel 1 aangevuld door wat volgt : « en doelstellingen ».

Art. 18.In dezelfde Titel 1 wordt een artikel 2.1.2 toegevoegd dat als volgt luidt : « Art. 2.1.2.

In 2050 bedraagt het gemiddelde verbruik van primaire energie van alle residentiële gebouwen die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest 100 kWh/m2/jaar.

In 2050 streeft het volledige park van tertiaire gebouwen op het grondgebied van het Gewest naar energieneutraliteit voor verwarming, productie van sanitair warm water, koeling, verlichting en elektriciteit.

De Regering legt de criteria voor energieneutraliteit vast. ».

Art. 19.In Titel 2 van boek 2 van dezelfde ordonnantie wordt een hoofdstuk 6 toegevoegd genaamd « Hoofdstuk 6 - Maatregelen voor decarbonisering ».

Art. 20.In het door artikel 19 ingevoegde hoofdstuk 6 wordt een artikel 2.2.27. toegevoegd dat luidt als volgt : « Artikel 2.2.27.

Vanaf 1 september 2021 is het verboden kolengestookte warmtegeneratoren te plaatsen voor de verwarming van lokalen en/of voor de productie van sanitair warm water. »

Art. 21.In hetzelfde door artikel 19 ingevoegde hoofdstuk 6 wordt een artikel 2.2.28 toegevoegd dat luidt als volgt : « Artikel 2.2.28. § 1. Vanaf 1 juni 2025 is het verboden om verwarmingsketels met vloeibare brandstof te plaatsen en warmtegeneratoren door dit type van verwarmingsketels te vervangen. § 2. Een afwijking op dit verbod kan door Leefmilieu Brussel worden toegekend voor verwarmingsketels die werken op hernieuwbare vloeibare brandstof en/of vloeibare brandstof die een kleine impact hebben op de luchtkwaliteit of wanneer de naleving van dit verbod technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is.

De verzoeken tot afwijking worden bij Leefmilieu Brussel ingediend.

De Regering bepaalt de afwijkingscriteria en bepaalt de onderzoeksprocedure voor de verzoeken tot afwijking.

De Regering organiseert de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de afwezigheid van een beslissing binnen de voorziene termijn of tegen de beslissing van Leefmilieu Brussel tot weigering van de afwijking, rekening houdend met de volgende elementen : 1° het beroep wordt aangetekend bij het Milieucollege ;2° het beroep dient binnen dertig werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn om een uitspraak te doen aan het Milieucollege te worden gericht per aangetekend schrijven ;3° de beslissing van het Milieucollege wordt aan de indiener bekendgemaakt binnen zestig dagen na de instellingsdatum van het beroep ;4° wanneer er binnen deze termijn geen beslissing wordt bekendgemaakt, wordt de aangevochten beslissing, zij het stilzwijgend, als bevestigd beschouwd ;5° de indiener of zijn raadsman, alsook de overheidsdienst die de beslissing heeft genomen waartegen beroep werd aangetekend, worden op hun verzoek gehoord door het Milieucollege.Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn bedoeld in punt 3° verlengd tot vijfenzeventig dagen ; 6° de termijn voor de kennisgeving van de beslissing van het Milieucollege wordt verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep wordt ingediend in de periode van 15 juni tot 15 augustus ;7° de beslissing van het Milieucollege vervangt de beslissing die bij hem aanhangig is gemaakt.» TITEL III. - Wijziging aan de organieke ordonnantie van 23 februari 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle

Art. 22.In artikel 22, punt 2°, van de organieke ordonnantie van 23 februari 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle, worden de woorden « alsook de strategische doelstellingen die bijdragen aan de klimaatdoelstellingen van het Gewest » toegevoegd tussen de woorden « de fundamentele politieke krijtlijnen van de Regering » en de woorden « definiëren voor de volledige regeerperiode ».

TITEL IV. - Wijzigings- en slotbepaling

Art. 23.Deze ordonnantie wordt ook « klimaatordonnantie » genoemd.

Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 17 juni 2021.

De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Territoriale Ontwikkeling en Stadsvernieuwing, Toerisme, de promotie van het Imago van Brussel en Biculturele zaken van gewestelijk belang, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit, Openbare Werken en Verkeersveiligheid, E. VAN DEN BRANDT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Klimaattransitie, Leefmilieu, Energie en Participatieve Democratie, A. MARON De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt, de Promotie van Meertaligheid en van het Imago van Brussel, S. GATZ De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werk en Beroepsopleiding, Digitalisering en de Plaatselijke Besturen, B. CLERFAYT _______ Nota Documenten van het Parlement : Gewone zitting 2020-2021 A-356/1 Ontwerp van ordonnantie A-356/2 Verslag A-356/3 Amendementen na verslag Integraal verslag : Bespreking en aanneming : vergadering van vrijdag 11 juni 2021

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^