Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 20 september 2021

Uittreksel uit arrest nr. 81/2021 van 3 juni 2021 Rolnummer 7415 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1798 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters P. Nihoul, T. Giet, Y. Kher(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2021204236
pub.
20/09/2021
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 81/2021 van 3 juni 2021 Rolnummer 7415 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1798 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Gent.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters P. Nihoul, T. Giet, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 juni 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juli 2020, heeft de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art. 1798 B.W., in die zin gelezen dat de onderaannemer (A) met een aangetekend schrijven aan de opdrachtgever (C) van de aannemer/schuldenaar (B), een rechtstreekse vordering kan instellen, welke louter door deze buitengerechtelijke actie de onbeschikbaarheid van de aan de aannemer/schuldenaar (B) verschuldigde bedragen tot gevolg heeft, zodat een gerechtelijke vordering van de aannemer/schuldenaar (B) jegens die opdrachtgever (C) in betaling van openstaande facturen onontvankelijk of ongegrond zou zijn, in hoofdeis van de aannemer/schuldenaar (B) het recht op toegang tot de rechter zoals vervat in art. 13 Grondwet in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in art. 10 en 11 Grondwet ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. Artikel 1798 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de verwijzende rechter, bepaalt : « Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde ».

B.1.2. Zowel uit de titel als uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 februari 1990 « tot aanvulling van artikel 20 van de hypotheekwet en tot wijziging van artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de bescherming van de onderaannemers » blijkt dat met de rechtstreekse vordering waarin artikel 1798 van het oud Burgerlijk Wetboek voorziet, de bescherming van de onderaannemer wordt nagestreefd omdat de wetgever heeft geoordeeld dat hij, als partij die vanuit economisch en financieel oogpunt als de zwakste en als het eerste slachtoffer van een faillissement van de aannemer wordt beschouwd, een bijzondere bescherming verdiende : « T.o.v. de hoofdaannemer bevindt de onderaannemer zich in een economisch ondergeschikte positie en deze relatie kan vergeleken worden met het arbeidsrecht waarin ook dwingende bepalingen werden opgenomen ten gunste van de economisch zwakkeren » (Parl. St., Kamer, 1981-1982, nr. 294/3, p. 6).

Een dergelijke doelstelling strekte, overeenkomstig de regeringsverklaring, ertoe een klimaat van vertrouwen in de bouwsector te herstellen met het oog op de relance van de sector (ibid., p. 2).

Dezelfde wet voert tevens ten gunste van de onderaannemer een bijzonder voorrecht op roerend goed in : « Aldus beschikt de onderaannemer over twee rechtsmiddelen die elkaar niet uitsluiten » (ibid., p. 8).

De wetgever heeft de positie van de onderaannemer willen versterken door voor hem in het voordeel van een rechtstreekse vordering te voorzien : « Oorspronkelijk werd in 1982 alleen het toekennen van een bijzonder voorrecht voorgesteld, hoewel er steeds discussie zal blijven of zulks nog wenselijk is, vermits het principe van de gelijkheid der schuldeisers steeds verder afbrokkelt.

Uit het debat in de Kamercommissie bleek dat de onderaannemers zo nodig met een kleine wijziging in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek ook een sterkere positie konden winnen.

Het resultaat was een wetsontwerp waar beide voorgestelde verbeteringen ten voordele van de onderaannemers werden aanvaard » (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 855/2, p. 2).

B.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 1798 van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in de interpretatie dat het de onderaannemer toelaat zijn rechtstreekse vordering op de bouwheer bij aangetekend schrijven uit te oefenen en aldus met een buitengerechtelijke actie een rechtsgeding tussen de aannemer en de bouwheer betreffende de geldsom die het voorwerp van de rechtstreekse vordering uitmaakt, onontvankelijk of ongegrond te maken.

B.3. De toetsing van wetskrachtige normen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet die aan het Hof is toevertrouwd, vereist dat de categorie van personen wier discriminatie wordt aangevoerd, het voorwerp uitmaakt van een relevante vergelijking met een andere categorie.

De verwijzende rechter geeft niet aan met welke categorie van personen de aannemer die tijdens een rechtsgeding tegen de bouwheer wordt geconfronteerd met een bij aangetekend schrijven uitgeoefende rechtstreekse vordering van de onderaannemer dient te worden vergeleken.

Wanneer het Hof wordt verzocht, in antwoord op een prejudiciële vraag, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met grondrechten, heeft de vraag betrekking op de grondwettigheid van een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn van de schending van die grondrechten en, anderzijds, de personen die die rechten genieten, en moeten bijgevolg die twee categorieën van personen worden vergeleken.

Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, volstaat het te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het recht op toegang tot de rechter dat aan alle rechtzoekenden wordt gewaarborgd.

B.4. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij een algemeen rechtsbeginsel.

Het recht op toegang tot de rechter vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en is fundamenteel in een rechtsstaat. Het recht om zich tot een rechter te wenden, heeft bovendien zowel betrekking op het recht om in rechte op te treden als op het recht om zich te verdedigen.

Het recht op toegang tot een rechter is evenwel niet absoluut. De beperkingen van dat recht mogen geen afbreuk doen aan de inhoud van dat recht. Zij moeten bovendien redelijk evenredig zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t.

België, § 25; grote kamer, 17 januari 2012, Stanev t. Bulgarije, § § 229-230). De reglementering inzake het recht op toegang tot een rechter moet steeds de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag geen soort van belemmering vormen die de rechtzoekende belet dat de inhoud van zijn geschil wordt beslecht door het bevoegde rechtscollege (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, § 25; 29 maart 2011, RTBF t. België, § 69). De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechter wordt beoordeeld rekening houdend met de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en van het hele proces (EHRM, 29 maart 2011, RTBF t. België, § 70).

B.5.1. Wanneer de wetgever in een mechanisme van rechtstreekse vordering voorziet, verleent hij aan een derde persoon bij een overeenkomst een eigen en persoonlijk recht dat die persoon uit die overeenkomst put en uitoefent ten aanzien van de schuldenaar van zijn eigen schuldenaar.

B.5.2. Artikel 1798 van het oud Burgerlijk Wetboek laat de onderaannemer die door de aannemer niet wordt betaald, toe rechtstreeks de bouwheer aan te spreken, zij het slechts ten belope van de geldsom die de bouwheer op dat ogenblik nog aan de aannemer verschuldigd is. De uitoefening van de rechtstreekse vordering doet rechten en verplichtingen ontstaan voor de drie betrokken partijen.

In de verhouding tussen de aannemer en de bouwheer heeft zij als gevolg dat de openstaande schuld van de bouwheer ten belope van het voorwerp van de rechtstreekse vordering onbeschikbaar wordt, zodat hij haar niet langer bevrijdend kan betalen aan de aannemer zolang de rechtstreekse vordering niet is afgehandeld.

Daarnaast houdt de verbintenis van de aannemer om de aannemingsovereenkomst tussen hem en de bouwheer te goeder trouw uit te voeren, in dat hij de bouwheer alle inlichtingen dient te verschaffen om hem in staat te stellen de gegrondheid van de rechtstreekse vordering in te schatten. Hij dient de bouwheer in voorkomend geval mee te delen hoeveel schulden hij nog heeft bij de onderaannemer en hem in kennis te stellen van alle excepties die hij zelf ten aanzien van de onderaannemer zou kunnen opwerpen.

In de verhouding tussen de bouwheer en de onderaannemer rust op de bouwheer de principiële verplichting om de geldsom die het voorwerp van de rechtstreekse vordering uitmaakt, rechtstreeks te betalen aan de onderaannemer. Indien de rechtstreekse vordering gegrond is, werkt die betaling bevrijdend. Sedert de inwerkingtreding, op 1 januari 2018, van artikel 90 van de wet van 11 juli 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/07/2013 pub. 02/08/2013 numac 2013009377 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake sluiten « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake » kan de bouwheer ervoor kiezen die geldsom te storten in de Deposito- en Consignatiekas. Die storting werkt voor hem steeds bevrijdend.

In de verhouding tussen de aannemer en de onderaannemer heeft de betaling door de bouwheer aan de onderaannemer als gevolg dat de schuld van de aannemer bij de onderaannemer in dezelfde mate afneemt.

De onderaannemer ontsnapt ten belope van het voorwerp van de rechtstreekse vordering aan de samenloop met de andere schuldeisers van de aannemer, indien de uitoefening van de rechtstreekse vordering vóór het ontstaan van de samenloop ter kennis van de bouwheer werd gebracht.

B.6.1. Aangezien het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de uitoefening van de rechtstreekse vordering van de onderaannemer niet aan vormvoorschriften is onderworpen (Cass., 25 maart 2005, C.04.0126.N; 10 juni 2011, C.10.0465.N), staat het de onderaannemer vrij die vordering hetzij bij dagvaarding in rechte, hetzij bij aangetekend schrijven, hetzij in een andere vorm uit te oefenen.

De uitoefening van de rechtstreekse vordering bij aangetekend schrijven verleent de onderaannemer evenwel geen uitvoerbare titel ten aanzien van de bouwheer, maar heeft slechts als gevolg dat die laatste in kennis wordt gesteld van de onbeschikbaarheid van het voorwerp ervan en van zijn principiële verplichting om die geldsom rechtstreeks aan de onderaannemer te betalen. Indien de onderaannemer een uitvoerbare titel wenst te verkrijgen, dient hij de bouwheer in rechte aan te spreken.

B.6.2. Ongeacht de vorm waarin de onderaannemer zijn rechtstreekse vordering ter kennis van de bouwheer brengt, heeft zij als gevolg dat de rechter bij wie een vordering tot betaling van de aannemer tegen de bouwheer aanhangig is, geen uitspraak kan doen over het geheel van die vordering vooraleer de rechtstreekse vordering is afgehandeld.

B.6.3. De uitoefening van de rechtstreekse vordering heeft evenwel niet als gevolg dat de aannemer geen rechtsvordering tot betaling tegen de bouwheer kan instellen. Zij heeft evenmin als gevolg dat een reeds eerder aanhangig gemaakte rechtsvordering ipso facto onontvankelijk of ongegrond wordt.

Het staat immers aan de aannemer om in het kader van zijn geschil met de bouwheer te bewijzen dat de rechtstreekse vordering ongegrond is, bijvoorbeeld door aan te tonen dat er geen sprake is van onderaanneming, dat hij zijn schuld aan de onderaannemer reeds heeft betaald of dat hij haar niet dient te betalen.

Daartoe kan hij de onderaannemer krachtens de artikelen 16, tweede lid, en 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek in gedwongen tussenkomst dagvaarden en de rechter aldus de mogelijkheid bieden om zich over het geheel van de rechtsverhouding tussen de bouwheer, de aannemer en de onderaannemer uit te spreken. Indien de in gedwongen tussenkomst gedagvaarde onderaannemer niet verschijnt en geen conclusies neerlegt, kan tegen hem met toepassing van de artikelen 802 tot 806 van het Gerechtelijk Wetboek een verstekvonnis worden uitgesproken, waarna de rechter zich ten gronde over de vordering van de aannemer tegen de bouwheer kan uitspreken.

Bijgevolg belemmert een bij aangetekend schrijven uitgeoefende rechtstreekse vordering de aannemer niet om de inhoud van zijn geschil met de bouwheer beslecht te zien door het bevoegde rechtscollege.

B.6.4. De uitoefening van procesrechten is overigens niet onbeperkt, maar vindt haar grens in het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik. De uitoefening is abusief wanneer zij plaatsvindt zonder redelijk belang, zij aan de andere partij een onevenredig nadeel berokkent of, in het algemeen, zij kennelijk de perken te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een normaal zorgvuldige persoon waardoor de goede procesorde in het gedrang komt.

Bij die beoordeling moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak (Cass., 26 oktober 2017, C.16.0393.N; 28 september 2018, C.18.0058.N). Misbruik van procesrecht leidt tot vergoeding van de geleden schade of tot herstel in natura (Cass., 26 oktober 2017, C.16.0393.N).

Indien de aannemer meent dat de uitoefening van de rechtstreekse vordering door de onderaannemer bij een aangetekend schrijven dat niet in rechte wordt vervolgd, een vorm van rechtsmisbruik uitmaakt, bijvoorbeeld omdat zij slechts als bedoeling heeft een geschil tussen de aannemer en de bouwheer waarin de onderaannemer zich voor het overige niet mengt, te blokkeren, kan hij daarvoor schadevergoeding van de onderaannemer vorderen.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1798 van het oud Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 3 juni 2021.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, L. Lavrysen

^