Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 25 juni 2013

Uittreksel uit arrest nr. 57/2013 van 25 april 2013 Rolnummer : 5399 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1017, eerste lid, 1018 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondw samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerma(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2013203447
pub.
25/06/2013
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 57/2013 van 25 april 2013 Rolnummer : 5399 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1017, eerste lid, 1018 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 20 april 2012 in zake Patrick Doom en Katrien Ticket tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 mei 2012, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de bepaling van artikel 1017, eerste lid Ger.W., gelezen in samenhang met de artikelen 1018 Ger.W. en 1022 Ger.W., zoals op heden van toepassing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat in een geschil voor de burgerlijke rechter aangaande handhavingsmaatregelen, zoals bepaald in Titel VI, Hoofdstuk I, afdeling 5 en afdeling 7 van de VCRO, de herstelvorderende overheid die een herstelvordering heeft ingeleid dan wel het Vlaams Gewest tegen wie de opheffing van een bekrachtigd stakingsbevel wordt gevorderd als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017, eerste lid Ger.W. niet kan worden verwezen in een rechtsplegingvergoeding, terwijl de betrokkene lastens wie de herstelvordering wordt ingesteld dan wel zelf de opheffing vordert van een bekrachtigd stakingsbevel als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017, eerste lid Ger.W. wel dient verwezen te worden in een rechtsplegingvergoeding, daar waar : - artikel 1017, eerste lid Ger.W. het enkel heeft over ' de in het ongelijk gestelde partij ' zonder dat daarbij een onderscheid gemaakt wordt of deze in het ongelijk gestelde partij al dan niet optreedt in het algemeen belang; - in strafzaken een betrokkene c.q. beklaagde die opzichtens hem een herstelvordering gegrond ziet verklaard worden niet gehouden is tot het betalen van een rechtsplegingvergoeding aan de herstelvorderende overheid ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 1017, eerste lid, 1018 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt ».

Artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De kosten omvatten : 1° de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald;2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten;3° de prijs van de uitgifte van het vonnis;4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld;5° de reis- en verblijfskosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn;6° de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;7° het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734. De bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten worden omgerekend in euro de dag dat het vonnis of het arrest dat in kosten verwijst, wordt uitgesproken ».

Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/02/2010 pub. 11/03/2010 numac 2010009184 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties type wet prom. 21/02/2010 pub. 21/05/2010 numac 2010015041 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de douane tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Mauritius, gedaan te Brussel op 10 april 2007 (2) type wet prom. 21/02/2010 pub. 27/05/2010 numac 2010015042 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, gedaan te Brussel op 6 december 2007 (2) sluiten, bepaalt : « De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.2.1. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde artikelen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in de interpretatie dat in een geschil voor de burgerlijke rechter aangaande de handhavingsmaatregelen, zoals bepaald in titel VI, hoofdstuk I, afdeling 5 en 7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de overheid niet kan worden verwezen in een rechtsplegingsvergoeding, terwijl een particulier dat wel kan; in artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek is echter niet bepaald dat een rechtsplegingsvergoeding enkel dan verschuldigd is wanneer de in het ongelijk gestelde partij niet optreedt in het algemeen belang, en in strafzaken is een particulier niet gehouden tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de herstelvorderende overheid.

B.2.2. Rekening houdend met het arrest nr. 43/2012 van 8 maart 2012 van het Hof, oordeelt het verwijzende rechtscollege dat de situatie van de herstelvorderende overheid met toepassing van titel VI (« Handhavingsmaatregelen »), hoofdstuk I (« Strafbepalingen »), afdeling 5 (« Herstelmaatregelen »), identiek is aan de situatie van het Vlaamse Gewest met toepassing van titel VI (« Handhavingsmaatregelen »), hoofdstuk I (« Strafbepalingen »), afdeling 7 (« Staking van de in overtreding verrichte werken of handelingen »), zodat het Vlaamse Gewest, indien de vordering tot opheffing van het bevel tot staking gegrond zou zijn geweest, niet zou kunnen worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding, terwijl de appellanten wel daartoe zouden moeten worden veroordeeld indien zij in het ongelijk zouden worden gesteld.

B.3.1. Bij zijn arrest nr. 135/2009 van 1 september 2009 heeft het Hof voor recht gezegd dat de wet van 21 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/04/2007 pub. 31/05/2007 numac 2007009497 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat sluiten betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in zoverre zij niet voorziet in het recht, voor de gemachtigde ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening die handelt op grond van artikel 155 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en patrimonium, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerlijk aansprakelijke personen die veroordeeld zijn.

Het Hof was met name van oordeel dat tussen de burgerlijke partij en de gemachtigde ambtenaar een wezenlijk verschil bestaat, doordat de burgerlijke partij het herstel van haar eigen schade vordert, terwijl de gemachtigde ambtenaar optreedt om het algemeen belang te vrijwaren : « Wegens de opdracht die aan de gemachtigde ambtenaar werd toegewezen, die lijkt op die van het openbaar ministerie, kon de wetgever redelijkerwijs oordelen dat het niet aangewezen was om in diens voordeel de regeling van de verhaalbaarheid uit te breiden, die hij op strafrechtelijk vlak uitdrukkelijk wilde beperkt zien tot de verhouding tussen de beklaagde en de burgerlijke partij » (B.6).

B.3.2. Bij zijn arrest nr. 83/2011 van 18 mei 2011 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/02/2010 pub. 11/03/2010 numac 2010009184 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties type wet prom. 21/02/2010 pub. 21/05/2010 numac 2010015041 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van de douane tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Mauritius, gedaan te Brussel op 10 april 2007 (2) type wet prom. 21/02/2010 pub. 27/05/2010 numac 2010015042 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Chili tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, gedaan te Brussel op 6 december 2007 (2) sluiten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld bij zijn rechtsvordering ingesteld op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

Het Hof heeft immers geoordeeld dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist dat die rechtsvorderingen, die in naam van het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid door een publiek orgaan zijn ingesteld, op dezelfde wijze worden behandeld als de strafvorderingen.

B.3.3. Om soortgelijke redenen als die van de voormelde arresten nrs. 135/2009 en 83/2011 kan derhalve aan de herstelvorderende overheid, die met toepassing van titel VI (« Handhavingsmaatregelen »), hoofdstuk I (« Strafbepalingen »), afdeling 5 (« Herstelmaatregelen »), herstelmaatregelen vordert, geen rechtsplegingsvergoeding worden opgelegd, maar ook geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend, zodat het verschil in behandeling onbestaande is.

B.4.1. Het stakingsbevel van artikel 6.1.47 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is een preventieve maatregel die ertoe strekt de verdere aantasting van de goede ruimtelijke ordening te verhinderen, waarbij tevens wordt voorkomen dat de overheid wordt geconfronteerd met de problematiek van het « voldongen feit » en dat inbreuken op de wettelijke regelen inzake ruimtelijke ordening zoals bepaald in artikel 6.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening worden gepleegd.

Het stakingsbevel wordt opgelegd door de in artikel 6.1.5 vermelde ambtenaren, agenten of officieren van de gerechtelijke politie, onder de controle van de rechtbank, en laat toe dat de werken worden stilgelegd wanneer er aanwijzingen zijn dat er een strafbaar feit is gepleegd in de zin van artikel 6.1.1, of wanneer niet is voldaan aan de verplichting van artikel 4.7.19, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Op straffe van verval moet het bevel tot staking binnen acht dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundige inspecteur, door die inspecteur worden bekrachtigd.

Overeenkomstig artikel 6.1.47, zesde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan de betrokkene in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd.

B.4.2. Het stakingsbevel, als preventieve maatregel, wordt derhalve, door de in artikel 6.1.5 vermelde personen, uitsluitend opgelegd ter vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, wat een doelstelling van algemeen belang is.

In tegenstelling tot de herstelvordering die een repressief karakter heeft, heeft het stakingsbevel een preventief karakter, maar zulks kan niet volstaan om het betalen van een rechtsplegingsvergoeding te verantwoorden.

Beide maatregelen zijn immers gesitueerd in titel VI (« Handhavingsmaatregelen »), hoofdstuk I (« Strafbepalingen ») van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en hebben als doelstelling de goede ruimtelijke ordening te vrijwaren.

B.4.3. De vaststelling dat het niet de overheid is, te weten het Vlaamse Gewest, die de vordering tot opheffing van het stakingsbevel indient, maar de betrokkene, is eveneens niet van die aard om het betalen van een rechtsplegingsvergoeding te verantwoorden.

De in artikel 6.1.47 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening geregelde procedure beoogt in hoofdzaak de betrokkenen te beschermen tegen het onrechtmatig optreden van de overheid. Meer in het bijzonder beoogt de procedure de bescherming van de grondrechten te waarborgen.

Het komt aan de rechter toe het bevel tot staking op zijn externe en interne wettigheid te toetsen, alsmede te onderzoeken of het strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust.

Het bevel tot staking is een preventieve maatregel die niet alleen ertoe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening te voorkomen.

Het hangt samen met de aard van de procedure dat te dezen de overheid steeds als verwerende partij optreedt. Door zich te verweren tegen de vordering tot opheffing verdedigt de stakingsbevelende overheid evenwel steeds het algemeen belang en de vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, zodat het niet verantwoord is dat zij in de rechtsplegingsvergoeding kan worden verwezen.

B.4.4. Derhalve kan aan de overheid die, met toepassing van titel VI (« Handhavingsmaatregelen »), hoofdstuk I (« Strafbepalingen »), afdeling 7 (« Staking van de in overtreding verrichte werken of handelingen »), een stakingsbevel heeft uitgevaardigd en die zich vervolgens verweert tegen een vordering tot opheffing van een stakingsbevel, geen rechtsplegingsvergoeding worden opgelegd, maar, rekening houdend met het bepaalde in B.4.3, kan haar ook geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend, zodat het verschil in behandeling onbestaande is.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 1017, eerste lid, 1018 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 25 april 2013.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, M. Bossuyt

^