Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 11 februari 2000

Uittreksel uit arrest nr. 130/99 van 7 december 1999 Rolnummer 1470 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Arbitragehof, samenges wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 1(...)

bron
arbitragehof
numac
2000021054
pub.
11/02/2000
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 130/99 van 7 december 1999 Rolnummer 1470 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971, gesteld door het Arbeidshof te Brussel.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters H. Boel, E. Cerexhe, H. Coremans, A. Arts en R. Henneuse, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 17 november 1998 in zake de gemeente Villers-la-Ville tegen S. Mignolet, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 november 1998, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Voert artikel 3, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971, in zoverre het de werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een gemeente zijn verbonden, uitsluit van de toepassing van hoofdstuk III, afdelingen 1 en 2, - en die dus niet de bescherming van een administratiefrechtelijk statuut genieten - geen discriminatie in ten opzichte van andere werknemers met een arbeidsovereenkomst, waardoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden? » (...) IV. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling dat artikel 3, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 in het leven roept tussen de werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een gemeente zijn verbonden, geen administratiefrechtelijk statuut genieten en door die bepaling uitgesloten zijn van de toepassing van de reglementering in verband met de arbeidsduur en de zondagsrust, en de andere werknemers met een arbeidsovereenkomst die daarvan niet uitgesloten zijn.

Uit de dossiergegevens volgt dat de activiteit die het voorwerp uitmaakt van de betwiste overeenkomst, volgens het verwijzende rechtscollege, een culturele en niet een handelsactiviteit is en dat de vraag zo moet worden begrepen dat ze de vergelijking beoogt van de werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een gemeente zijn verbonden met het oog op de uitoefening van een zodanige activiteit, met andere werknemers met een arbeidsovereenkomst. Het Hof zal zijn onderzoek tot die vergelijking beperken.

B.1.2. Artikel 3, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt : « De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen I en II, die de zondagsrust en de arbeidsduur betreffen, zijn niet van toepassing op : 1° de personen tewerkgesteld door het Rijk, de provinciën, de gemeenten, de openbare instellingen die er onder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien zij tewerkgesteld zijn door instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen; 2° [...] » B.2. De verwijzende rechter is te dezen van mening dat de contractuele persoon die betrokken is bij het geschil dat hem wordt voorgelegd niet tewerkgesteld was in een instelling die een handelsactiviteit uitoefent en dat die persoon bijgevolg niet de afwijking kon genieten die, kon zij worden aangevoerd, de automatische toepassing met zich mee zou hebben gebracht van de bepalingen inzake de arbeidsduur en de zondagsrust.

B.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 juli 1964 betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sectors van 's Lands bedrijfsleven en van de wet van 6 juli 1964 op de zondagsrust waarvan de wet van 16 maart 1971 een coördinatie vormt, volgt dat het door de wetgever gekozen criterium om het in artikel 3, § 1, van de voormelde wet bepaalde onderscheid vast te stellen, niet in de aard ligt van de juridische band tussen het personeelslid en diegene die dat personeelslid tewerkstelt maar in de aard van de activiteit die wordt uitgeoefend door degene die de werknemer tewerkstelt. Bovendien moet het woord « instelling » dat wordt gebruikt in de in datzelfde artikel 3 bedoelde afwijkingen begrepen worden in de algemene zin van elke entiteit die, binnen de overheid waaruit ze voortkomt, een activiteit uitoefent die, als dusdanig, geen overheidsambt is maar een activiteit van commerciële of industriële aard, of een activiteit van geneeskundige of profylactische verzorging (Parl. St., Kamer, 1969-1970, nr. 556/1, p. 5; Parl. St., Kamer, 1962-1963, nr. 476/1, p. 3).

B.4. Doordat de wetgever een principieel verschil in behandeling maakt tussen de contractuelen van een openbare dienst die geen handelsactiviteit uitoefent en de andere werknemers met een arbeidsovereenkomst, heeft hij zich op een objectief en relevant criterium gebaseerd, namelijk de organisatie, de werking en de eigen vereisten van de openbare diensten, die onder meer worden geregeld door het algemene beginsel van bestendigheid. Dat beginsel verantwoordt dat de bepalingen van de wet van 16 maart 1971 betreffende de arbeidsduur en de zondagsrust algemeen genomen niet van toepassing zijn op de personen die in een openbare dienst zijn tewerkgesteld, aangezien die permanent borg moet staan voor de bevrediging van de behoeften van algemeen belang. Het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit onder de werknemers met een arbeidsovereenkomst staat in verhouding tot het door de wetgever nagestreefde doel, in zoverre hij de openbare diensten organiseert.

Dit verschil in behandeling is niet onevenredig rekening houdend met de vereisten van de openbare dienst.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 3, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december 1999.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^