Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 02 mei 2022

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij arrest van 16 maart 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 maart 2022, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële v « 1. Schenden de artikelen 91, eerste lid en 92 § 1 van het Ger. W., de artikelen 10, 11 en 12(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2022202047
pub.
02/05/2022
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten Bij arrest van 16 maart 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 maart 2022, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schenden de artikelen 91, eerste lid en 92 § 1 van het Ger. W., de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet in samenlezing met de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47 Europees Handvest en 13 van de Grondwet in zoverre daarin wordt bepaald dat enkel de strafzaken betreffende misdaden waarop een straf staat van meer dan twintig jaar opsluiting en het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank, worden toegewezen aan een kamer met drie rechters, terwijl de andere strafzaken betreffende misdaden en wanbedrijven, waarop een straf staat van twintig jaar opsluiting of een lagere straf in beginsel door de wet worden toegewezen aan een alleenzetelende rechter ? 2. Schenden de artikelen 91, eerste lid en 92 § 1/1 van het Ger.W. de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet in samenlezing met de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47 Europees Handvest en 12 en 13 van de Grondwet, in zoverre deze artikelen aldus moeten worden geïnterpreteerd dat de ambtshalve tussenkomst (van) en beoordeling (door) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (' geval per geval ', cf. artikel 92 § 1/1 Ger. W.) kan/moet geschieden - buiten enige tussenkomst/raadpleging van de alleenzetelende rechter, bij wie de strafzaak overeenkomstig artikel 91 van het Ger. W. aanhangig werd gemaakt en die over ' volle rechtsmacht ' beschikt in het kader van de beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering én deze ambtshalve tussenkomst en beoordeling al evenzeer telkenmale moeten plaatsvinden - uiterlijk op het moment van de ' inleidingszitting ', d.w.z. op een ogenblik dat de partijen, betrokken in de zaak, nog geen middelen hebben opgeworpen/geformuleerd (of kunnen opwerpen/formuleren) m.b.t. de eventuele gegrondheid van de ingestelde strafvordering, conform en in de omstandigheden zoals bepaald in artikel 152 van het wetboek van strafvordering terwijl de ' complexiteit ' van elke individuele strafzaak niet in abstracto kan worden beoordeeld, doch in alle strafzaken enkel pas duidelijk wordt/kan worden op het ogenblik waarop ook de feitelijke en juridische contouren van de zaak zijn komen vast te staan en de zaak als dusdanig daadwerkelijk ' in staat ' is om gepleit te worden (d.w.z. uiterlijk op de pleitzittingsdatum of ' rechtsdag ', vastgesteld conform artikel 152 Sv. door de alleenzetelende rechter, dit in het kader van de uitoefening van de procedurele taak (nl. het administratief en niet jurisdictioneel ' in staat stellen ' van een zaak) en die bovendien in juridisch opzicht ook over volle rechtsmacht in strafzaken beschikt) ? 3. Schenden de artikelen 88, 92, § 1/1 juncto 1046 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet in samenlezing met de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47 Europees Handvest en 13 van de Grondwet, in zoverre geen rechtsmiddel openstaat tegen een beschikking in toepassing van artikel 92, § 1/1 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl wel rechtsmiddelen openstaan tegen de toebedeling van een zaak overeenkomstig een bijzonder reglement in uitvoering van artikel 88, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek, in toepassing van artikel 88 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek ? 4.Schenden de artikelen 11, 88, 92, § 1/1, 319, lid 1 juncto 1046 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet in samenlezing met de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47 Europees Handvest en 13 van de Grondwet, in zoverre deze artikelen zouden toelaten aan een korpschef om de hem bij wet toegekende bevoegdheid om te beslissen ingevolge een verzoek ex artikel 92, § 1/1 van het Gerechtelijk Wetboek te delegeren aan een afdelingsvoorzitter, terwijl een beschikking inzake een verdelingsincident in de zin van artikel 88, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek enkel door de korpschef kan worden genomen ? ».

Die zaak is ingeschreven onder nummer 7779 van de rol van het Hof.

De griffier, F. Meersschaut

^